Bestemmingplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14.pdf
Tekst van het document
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
5.5.2.1 Algemeen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De deelgebieden liggen in een het buitengebied waar nauwelijks sprake is van functiemenging. De deelgebieden worden allen dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'.
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustigbuitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m
50
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
5.5.3
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. 5.5.3.1.1 Goudkampsweg14-16, Oud Ootmarsum In het kader van de externe werking wordt opgemerkt dat intensieve veehouderij ter plaatse van dit deelgebied permanent beëindigd. Intensieve veehouderijen kennen een grotere milieubelasting dan montage- en klusbedrijven (kennen een hogere milieucategorie). Per definitie is er in het kader van de externe werking dan ook sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse (de omgeving) van dit deelgebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna kort ingegaan op de externe werking van het montage- en klussenbedrijf. Een montage- en klussenbedrijf wordt niet expliciet genoemd in de VNG-uitgave.
In dit geval wordt uitgegaan van het functie 'aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²'. Voor deze functie geldt milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect 'geluid'. In dit geval bedraagt de afstand tot de dichtstbij gelegen planologisch toegestane milieugevoelige functie circa 180 meter (woonperceel Goudkampsweg 12). Aan de richtafstand wordt dan ook ruimschoots voldaan. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies rondom dit deelgebied. 5.5.3.1.2 Gammelkerstraat6 en Heuvelweg 2 Op deze locaties worden de compensatiewoningen gerealiseerd. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval worden er ter plaatse van de deelgebieden Gammelkerstraat 6 en Heuvelweg 2 uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies rondom deze deelgebieden. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
5.5.3.2.1 Goudkampsweg14-16, Oud Ootmarsum In dit geval wordt opgemerkt dat ter plaatse het deelgebied aan de Goudkampsweg ten aanzien van de interne werking geen sprake is van het toevoegen van een nieuw(e) milieugevoelig(e) functie/object. 5.5.3.2.2 Gammelkerstraat6, Deurningen In voorliggend geval wordt ter plaatse van het deelgebied aan de Gammelkerstraat 6 in Deurningen één compensatiewoning gerealiseerd. Deze compensatiewoning wordt aangemerkt als een nieuwe milieugevoelige functie. De bestaande woning is reeds aanwezig en blijft op de locatie bestaan. In de omgeving van dit deelgebied komen hoofdzakelijk agrarische bedrijven voor. Op basis van het geldende planologische regime zijn binnen de agrarische bouwvlakken milieubelastende functies toegestaan. Agrarische bedrijven In de omgeving van dit deelgebied zijn op basis van het geldende planologisch regime uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Dit zijn bijvoorbeeld melkrundveehouderij- en akkerbouwbedrijven. In feite gaat het veel om akkerbouwbedrijven. In dit geval wordt getoetst aan de maximale planologische mogelijkheden: grondgebonden veehouderijen. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur.
In het geval van veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
51
geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veehouderijbedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Voor veehouderijen geldt, het aspect 'geur' buiten beschouwing latend, een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect 'geluid' en 'stof'. Hierna zijn de onderlinge afstanden (gemeten van het bouwperceel van het agrarisch bedrijf en de uiterste situering van de gevel van de compensatie woning in het plangebied) van de omliggende bedrijven weergegeven: Grondgebonden agrarisch bedrijf Gammelkerstraat 8: circa 210 meter; Grondgebonden agrarisch bedrijf Gammelkerstraat 3: circa 410 meter; Grondgebonden agrarisch bedrijf Deurningerstraat 13: circa 460 meter; Grondgebonden agrarisch bedrijf Oude Deurningerstraat 3: circa 440 meter; Grondgebonden agrarisch bedrijf Oude Deurningerstraat 8: circa 470 meter. Gezien het vorenstaande wordt voor wat betreft de in de omgeving toegestane agrarische bedrijven wordt (met uitzondering van toetsing aan het aspect 'geur') in alle gevallen voldaan aan de genoemde richtafstanden. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat er ter plaatse van de compensatiewoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.5.3.2.3 Heuvelweg 2, Oud Ootmarsum Voor het deelgebied aan de Heuvelweg 2 geldt dat het hier gaat om het toevoegen van één woning op een bestaand woonerf. Dit deelgebied is reeds voorzien van een woonbestemming. In de nieuwe situatie blijft de woonbestemming, en daarmee de maatgevende afstand tussen een milieugevoelig object in het deelgebied en omliggende (agrarische) bedrijven onveranderd. Omliggende bedrijven van dit deelgebied worden door deze bestemmingsplanherziening dan ook niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Overigens liggen omliggende (agrarische) bedrijven allen op meer dan 50 meter afstand van het perceel (in dit geval circa 60). Het gaat om uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat er ter plaatse van de compensatiewoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.4
Conclusie
Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6 Geur 5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
52
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
5.6.2
Situatie plangebied
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van twee nieuwe geurgevoelige objecten in de vorm van de te realiseren compensatiewoningen aan de Gammelkerstraat 6 en de Heuvelweg 2 in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. In de omgeving van deze locaties komen uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven voor. In dit geval geldt in beginsel dan ook de vaste afstand van 50 meter. Zoals blijkt uit paragraaf 5.5 liggen rondom de deelgebieden Gammelkerstraat 6 en Heuvelweg 2 grondgebonden agrarische bedrijven (veehouderijen) op (veel meer) dan 50 meter afstand van de deelgebieden. Hiermee wordt ruimschoots aan de vaste afstand van 50 meter voldaan ten opzichte van de bedoelde veehouderij en overige veehouderijen in de omgeving. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Omgekeerd wordt het agrarische bedrijf niet in haar bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Tenslotte wordt opgemerkt dat ter plaatse van de Goudkampsweg 14 de intensieve veehouderij permanent beëindigd. Hierdoor is er per saldo sprake van een verbetering van de situatie voor wat betreft 'geur' in en rondom dit deelgebied. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7 Ecologie 5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Goudkampweg 14 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op een afstand van minimaal 1,4 kilometer afstand. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Gammelkerstraat 6 'Lemselermaten' bevindt zich op een afstand van minimaal 2,4 kilometer afstand. Tenslotte, het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Heuvelweg 2 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op een afstand van minimaal 210 meter afstand. Gelet op de kleinschaligheid (toevoegen van twee gasloze woningen) van de ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000-gebieden wordt gesteld dat er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in de gebruiksfase geen sprake is van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Bovendien wordt ter plaatse van het deelgebied Goudkampsweg 14 de agrarische bedrijfsvoering, met de bijbehorende stikstofdepositie, permanent beëindigd.
Ter plaatse van het deelgebied Gammelkerstraat 6 wordt het agrarisch bouwperceel zelfs volledig verwijderd en omgezet naar een woonbestemming. Als gevolg hiervan is naar verwachting per saldo sprake van een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van de compensatiewoningen en de nieuwe schuur ter plaatse van Goudkampsweg 14 wordt bovendien opgemerkt dat het gaat om zeer tijdelijke en zeer kleinschalige (aanleg)werkzaamheden. 5.7.2.2 NatuurnetwerkNederland(NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
53
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied tot het deelgebied aan de Goudkampweg 14 ligt op circa 290 meter afstand. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied tot het deelgebied aan de Gammelkerstraat 6 ligt op circa 640 meter afstand. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal waardoor deze geen negatief effecten op gebieden buiten de deelgebieden hebben. Het deelgebied aan de Heuvelweg 2 ligt binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het Natuurnetwerk Nederland staan in Overijssel de kwaliteitsambities natuur als ruggengraat en continu en beleefbaar watersysteem voorop. Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte binnen het natuurnetwerk. In dit geval is er geen sprake van een nieuwe ontwikkeling of een grootschalige uitbreiding. Initiatiefnemer behoeft geen uitbreiding van het erf, maar gaat een bestaande schuur slopen voor nieuwbouw van een woning op dezelfde plek. Er kan daarom op voorhand gesteld worden dat er geen effecten kunnen zijn voor het NNN. Bovendien worden op deze locatie clandestiene bouwwerken verwijderd De voorgenomen activiteit heeft daarom geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
Nadere toetsing is daarom niet noodzakelijk. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatste van alle binnen deze ontwikkeling betrokken locaties. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 6. 5.7.3.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats.
Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de (toegankelijke) bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rusten voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de functie het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Wettelijke consequenties samengevat: Werkzaamheden afstemmen met voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde dieren doden. 5.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
54
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Opgemerkt wordt dat een deel van de ontwikkeling ter plaatse van deelgebied Goudkampsweg 14 plaatsvindt binnen de gemeente Tubbergen. Echter zijn hier geen nieuwe bodemingrepen voorzien. Binnen de gemeente Tubbergen is uitsluitend sprake van sloop. Afbeelding 5.3 toont de ligging van de deelgebieden van het plangebied (blauwe cirkels) binnen deze kaart.
Afbeelding 5.3 Het plangebied op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Dinkelland) Goudkampsweg 14 Dit deelgebied ligt, op basis van de Archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland, in een gebied met een deels een lage (beekdalen en overige laagten) en deels een hoge archeologische verwachting (dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek). Voor de gebieden met een hoge verwachting zijn bodemingrepen dieper dan 40 cm en kleiner dan 2.500 m2 vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Voor bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
55
gebieden met de lage verwachting is er een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. In dit geval wordt voor de delen met een hoge verachting wordt niet voorzien in nieuwe bodemingrepen die groter zijn dan 300 m2. De voor dit deelgebied benodigde bodemingrepen blijven ruim onder deze oppervlakte. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Gammelkerstraat 6 Dit deelgebied ligt in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting (dekzandwelvingen en -vlakten). Voor deze verwachtingswaarde geldt dat bodemingrepen dieper dan 40 cm en kleiner dan 5000 m2 vrijgesteld zijn van onderzoek. De voor dit deelgebied benodigde bodemingrepen blijven ruimschoots onder deze oppervlakte (1 woning en twee bijgebouwen). Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Heuvelweg 2 Dit deelgebied ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachting (stuwwalhellingen met droge zandige en/of grindrijke bodems). Voor deze verwachtingswaarde geldt dat bodemingrepen dieper dan 40 cm en kleiner dan 2.500 m2 vrijgesteld zijn van onderzoek. De voor dit deelgebied benodigde bodemingrepen blijven ruimschoots onder deze oppervlakte. Het gaat namelijk om de bouw van één woning op de locatie van een te slopen schuur. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 5.8.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen 56
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Beoordeling
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Goudkampweg 14 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op een afstand van minimaal 1,4 kilometer afstand. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Gammelkerstraat 6 'Lemselermaten' bevindt zich op een afstand van minimaal 2,4 kilometer afstand. Tenslotte, het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied tot het deelgebied aan de Heuvelweg 2 'Springendal & Dal van de Mosbeek' bevindt zich op een afstand van minimaal 210 meter afstand. Gelet op de kleinschaligheid (toevoegen van slechts twee woningen) van de ontwikkeling, de beëindiging van een agrarische bedrijf en de afstand tot Natura 2000-gebieden wordt gesteld dat er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.9.2.2 DrempelwaardenBesluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r.
Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het planologisch toevoegen van twee woningen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling. Bovendien worden de mogelijkheden voor het exploiteren van een agrarisch bedrijf ter plaatse van het deelgebied Gammelkerstraat 6 permanent beëindigd. Verder wordt ter plaatse van de Goudkampsweg 14 eveneens een agrarische bedrijf gestaak. Ter plaatse wordt de bestemming omgezet naar een bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
57
bedrijfsbestemming t.b.v. VAB. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.9.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
58
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1 Vigerend beleid 6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 2016-2021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3
Provinciaalbeleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
6.2 Waterparagraaf 6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
59
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Voor elk deelgebied een aparte watertoets uitgevoerd. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is voor de deelgebieden Gammelkerstraat 6 en Heuvelweg 2. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. Voor het deelgebied Goudkampsweg 14 is er sprake van de 'normale procedure'. Voor het verdere proces wordt het waterschap bij het plan betrokken. Hiertoe is het waterschap geïnformeerd door het voornemen per mail voor te leggen. In het vervolg van de planvorming worden adviezen van het waterschap betrokken.
60
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidenderegels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
61
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel; Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden mag de bestemming worden gewijzigd. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen. Algemene gebruiksregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen. Overige regels (Artikel 13) In dit artikel worden de overige regels beschreven.
Deze regels gaan in op de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen en de geldende parkeerregels. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch - 1' (Artikel 3) Ter plaatse van het deelgebied Goudkampsweg 14 is de bestemming 'Agrarisch - 1' toegekend aan de gronden die niet meer deel uitmaken van de bedrijfsinrichting. Deze gronden zijn in beginsel bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden en het uitvoeren en instandhouden van landschapsmaatregelen zoals opgenomen in ruimtelijke kwaliteitsplannen. Op deze gronden mag in beginsel niet worden gebouwd.
'Bedrijf - Voormaligagrarisch' (Artikel 4) Ter plaatse van het deelgebied Goudkampsweg 14 is de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van een montage62
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
en klussenbedrijf, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven, bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, De gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, waaronder een overkapping mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte' genoemde oppervlakte, namelijk 700 m2. Dit om het aantal m2 aan bedrijfsgebouwen te maximaliseren. Binnen dit oppervlak zijn de bestaande te behouden schuur van circa 400 m2 en de nieuwe te bouwen schuur van 300 m2 mogelijk. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch voorwaardelijke verplichting' zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen. 'Wonen' (Artikel 5) Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken en het uitvoeren van de landschapsmaatregelen gekoppeld aan ruimtelijke kwaliteitsplannen.
De sloop van de schuren en landschappelijke inpassingen in het kader van de Rood-voor-Rood regeling zijn gewaarborgd door bij de specifieke gebruiksregels specifieke voorwaardelijke verplichtingen op te nemen. 'Waarde - Ecologie'(Artikel 6) De voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding en realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. 'Waarde - Landschap' (Artikel 7) De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waardevolle landschapselementen. In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) mogen op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behalve voor zover bestaand, worden gebouwd.
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
63
64
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemers en de gemeente Dinkelland. Hierin wordt onder meer opgenomen dat het risico van planschade bij de initiatiefnemers ligt zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
65
66
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 en Goudkampsweg 14
Hoofdstuk 9
Vooroverleg
9.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkelingen geen nationale belangen schaden. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan is in het kader van vooroverleg aan de provincie Overijssel voorgelegd. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is voor de deelgebieden Gammelkerstraat 6 en Heuvelweg 2. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. Voor het deelgebied Goudkampsweg 14 is er sprake van de 'normale procedure'. Voor het verdere proces het waterschap bij het plan betrokken. Hiertoe is het waterschap geïnformeerd door het voornemen per mail voor te leggen. In het vervolg van de planvorming zijn adviezen van het waterschap betrokken. 9.1.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 4 februari 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon eenieder zienswijzen ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Wel is er in het vastgestelde bestemmingsplan sprake van een ambtshalve wijziging. Ter plaatse van het deelgebied Heuvelweg 2 is de mogelijkheid toegevoegd om het bouwvlak te verplaatsen. Dat is gedaan omdat er vanwege bouwtechnische redenen beperkte mogelijkheden zijn om een volwaardige woning te realiseren binnen het huidige bouwvlak. Hiertoe is in lid 5.6 in de regels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Op de verbeelding is aan het deelgebied Heuvelweg 2 de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' toegekend.
bestemmingsplan Buitengebied, Heuvelweg 2, Gammelkerstraat 6 e n Goudkampsweg 14
67
R U I M T E L I J K K W A L I T E I T S P L A N R O O D VO O R R O O D •
Meerdere locaties gemeente Dinkelland •
Tubbergen, 22 december 2021 - Versie 1 Definitief
Nieuw bijgebouw Bijgebouw (bestaand) Nieuw te bouwen schuurwoning op locatie huidige schuur
Woning (bestaand)
Project: Rood voor rood
Landschapstype: Jonge heide- en broekontginningslandschap
Afbeelding: Ontwikkeling Heuvelweg 2 Oud Ootmarsum (Bron: Borgerink Groendesign), Goudkampsweg 14 en Gammelkerstraat 6 (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project
Inrichtingstekening erf
Planlocatie
Heuvelweg 2 Oud-Ootmarsum Getekend door
Niels Borgerink Laatste gewijzigd op
26-09-2020 Datum
19-11-2019
2
Paginaformaat
A3 liggend Schaal
1 : 350
Bezoekadres/Postadres: Ootmarsumsestraat 133 7634 PN Tilligte Contact: Telefoon: (0541) 725 005 Mobiel: (06) - 531 988 54 E-mail: info@borgerinkgroendesign.nl w w w . b o r g e ri n k g r o e n d e sig n . nl
Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:
Rood voor rood
Locatie: Meerdere locaties gemeente Dinkelland
Titel rapport
RKP rood voor rood - Meerdere locaties gemeente Dinkelland
Opgesteld:
22 december 2021, Tubbergen
Gewijzigd:
-
Status:
Versie 1 - Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie Heuvelweg
06
3. Huidige situatie Goudkampsweg
08
4. Huidige situatie Gammelkerstraat
10
5. Beleid
16
6. Nieuwe situatie Heuvelweg
18
7. Nieuwe situatie Goudkampsweg
20
8. Nieuwe situatie Gammelkerstraat
22
1. Aanleiding Aan de Goudkampsweg 14 in Hezingen is sprake van een voormalig agrarisch erf. In 2016 is er een nieuwe woning gebouwd en is de voormalige boerderij gesloopt. De opstallen zijn blijven staan en slechts in een klein deel is sprake van een vervolgfunctie. Dat geldt voor een in 2011 gebouwde loods. De (intensieve) veehouderij is gestaakt, maar er is nog wel sprake van een klein montagebedrijf. Om die reden wordt voorgesteld om alle landschap ontsierende bebouwing te slopen. De sloopmeters kunnen worden ingezet voor de rood voor rood regeling. Een klein gedeelte van de sloopmeters wordt behouden om een kleine opstal terug te kunnen bouwen voor wat stalmogelijkheid voor jongvee / stalling van materialen. De agrarische bestemming komt te vervallen en maakt plaats voor een VAB bestemming. Een gedeelte van de sloopmeters is gelegen in de gemeente Tubbergen (Hezingen) en het andere gedeelte van de sloopmeters is gelegen in de gemeente Dinkelland (Oud Ootmarsum). De totale sloopmeters bedragen 2043 m2. Door de wens voor het terugbouwen van een opstal van 300 m2 blijven er 1743 m2 beschikbaar voor de rood voor rood regeling. Op basis van het rood voor rood beleid van de gemeente Dinkelland ontstaan er twee woonrechten. De aanvraag voldoet daarmee aan het gestelde beleid.
voormalige kenmerkende woonboerderij gesloopt en herbouwd. De boerderij maakt geen onderdeel uit van de vereiste sloopmeters in het kader van de rood voor rood regeling. In beide gevallen is sprake van een bestaande erf met één woonrecht en in beide gevallen is na de procedure sprake van erf met twee woonrechten. Landschappelijke inpassing De gemeente Dinkelland eist voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing en een ruimtelijk kwaliteitsplan. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
Er wordt één woonrecht naar de Heuvelweg 2 (Oud Ootmarsum) verplaatst en één woonrecht naar de Gammelkerstraat 6 (Deurningen). Aan de Heuvelweg wordt een bestaande schuur gesloopt om ter plaatse een nieuwe saksische schuurwoning te kunnen bouwen en aan de Gammelkerstraat wordt de
5
2. Huidige situatie Heuvelweg Het plangebied is op de rand van een stuwwal gelegen, de stuwwal met onder meer de Kuiperberg in Ootmarsum. Er is daarom sprake van hoogteverschillen, met name richting de westelijke zijde waar ook meerdere essen zijn gelegen. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De grotere aanwezige dekzandruggen werden in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes met rondom de heideontginning. Jonge heideontginning Het plangebied ligt in de jonge heideontginning, met de overgang naar het kampenlandschap. Uiterst functioneel om de beschikking te hebben over droge gronden en natte gronden en heideplaggen die werden gebruikt voor het potstalsysteem. Het erf ligt in een van oorsprong zeer gevarieerd en kleinschalig landschap. Het voormalige kleinschalige landschap is weliswaar nog herkenbaar, maar veel kleine landschappelijke elementen zijn verdwenen en/of ingevuld met boscomplexen. Dat is goed weer te zien op de cultuurhistorische kaarten. Het erf maakt ver na de ontginning zo rond 1950 onderdeel uit van het landschap. Het landschap Het landschap is rondom het erf relatief gesloten geweest. Richting het noorden was het meer open en richting het zuidwesten meer gesloten.
Het kenmerkende coulisselandschap in het zuidwesten van het plangebied is gesneuveld door de jaren heen, enkel de meer robuuste elementen als bosjes of houtsingels en houtwallen langs wegen, steilranden of met een functie zijn bewaard gebleven. Aan de noordzijde zijn kenmerkende 6
landschapselementen juist minder herkenbaar doordat zij zijn opgevuld met boscomplexen. Daardoor is nu, in tegenstelling tot destijds, het noorden meer gesloten en het zuidwesten meer open geworden. Nieuwe elementen De erven maakten vroeger onderdeel uit van een spinnenweb bestaande uit wegen en talloze landschapselementen. Daar is echter weinig meer van over. Veel wegen zijn verdwenen evenals veel landschapselementen. De erven zijn meer solitair komen te liggen en het herstel van verbindingen is feitelijk onmogelijk geworden. De aandacht moet daarom verplaatst worden naar het inpassen van de erven dan wel het behoud en/of de versterking daarvan. Op het erf is sprake van een groen karakter met ten dele karakteristieke houtopstanden. De voorgenomen ontwikkeling zou plaats kunnen vinden mits de bestaande elementen behouden blijven en het erf zorgvuldig blijft ingepast. Huidige erfindeling Het erf heeft een kenmerkende opzet. Er is sprake van een klassieke (logische) indeling waarbij de woning / boerderij aan de voorzijde is gelegen met de verschillende opstallen daarachter. Het erf is altijd kleinschalig van opzet gebleven met het centrum van het erf direct achter naast de woning.
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten noorden van Ootmarsum. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
3. Huidige situatie Goudkampsweg Het plangebied is in een dekzandvlakten gelegen nabij een beekdal. Er is sprake van (minimale) hoogteverschillen. Eventuele hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. Aanvankelijk door de wind, maar later vooral door de grootschalige ontginning van de heide, ruilverkavelingen en de modernisering van de landbouw. Kampenlandschap Het plangebied ligt op de overgang van het (oorspronkelijke) kampenlandschap naar de heideontginning. Door de hogere gronden en de ligging nabij de heide één van de oudste landschappen vanwege de functionele verbinding. Het erf maakt dan ook al voor 1900 onderdeel uit van het landschap. Het van oorsprong kleinschalige landschap is volledig verdwenen door de schaalvergroting (ruilverkaveling) in de landbouw en heeft plaatsgemaakt voor een open landschap. Het karakter rondom het plangebied heeft daardoor meer de aansluiting gezocht met de kenmerken van de ontginning. Nieuwe elementen De erven maakten vroeger onderdeel uit van een spinnenweb bestaande uit wegen en talloze landschapselementen en waren daardoor met elkaar verbonden. Daar is echter weinig meer van over. Het erf is helemaal solitair komen te liggen en het herstel van verbindingen is haast onmogelijk geworden.
Onderzocht moet worden of het erf weer met de Goudkampsweg verbonden kan worden door de aanplant van beplanting waardoor het erf verbonden is en daarmee niet meer solitair ligt. Verder dient rondom het plangebied rekening gehouden te worden met de openheid van het landschap.
8
Huidige erfindeling Het erf heeft van oorsprong een cultuurhistorische opzet. De voormalige boerderij stond aan de noordzijde van het erf met de kopgevel richting het landschap. De nieuwe woning staat nog altijd aan de noordzijde, maar heeft in mindere mate een relatie met het erf. De schuren staan rondom en vormen een herkenbaar erfensemble.
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten noord(oost)en van Ootmarsum. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
9
4. Huidige situatie Gammelkerstraat Het plangebied ligt te midden van de dekzandvlakten. Er is daardoor sprake van (minimale) hoogteverschillen. Eventuele hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. Aanvankelijk door de wind, maar later vooral door de grootschalige ontginning van de heide, ruilverkavelingen en de modernisering van de landbouw. Essenlandschap Het plangebied ligt in het essenlandschap, met de overgang naar de jonge heideontginning. Zoals eerder gesteld was dit altijd een uiterst functionele overgang, aangezien de heideplaggen vroeger werden gebruikt in de stal. Na vermenging met uitwerpselen van het vee werd het ter bemesting naar de essen of kleinere kampen gebracht. Het erf ligt aan de rand van een, van oorsprong relatief kleinschalig landschap. Richting het noorden lag de open heideontginning. Van het voormalige kleinschalige landschap rondom de essen en eenmansesjes is veel verdwenen. Toch is het landschap nog herkenbaar onder meer door wat steilranden en enkele landschappelijke dragers. Veel landschappelijke elementen zijn verloren gegaan, in veel gevallen door de schaalvergroting (ruilverkaveling) in de landbouw, maar ook door het ontbreken van de functie(s). Het erf maakt zelf al voor 1900 onderdeel uitmaakt van het landschap.
Nieuwe elementen De erven maakten vroeger onderdeel uit van een spinnenweb met wegen en talloze landschapselementen die de erven aan elkaar verbonden. Van een aaneenschakeling is echter geen sprake meer. Veel wegen zijn verdwenen evenals veel landschapselementen. De erven zijn wat meer solitair komen 10
te liggen en het herstel van verbindingen is om praktische redenen een moeilijke opgave geworden. De aandacht moet daarom verplaatst worden naar het goed inpassen van de erven dan wel het behoud en/of de versterking daarvan. Op het erf is sprake van een groen karakter met cultuurhistorische en karakteristieke houtopstanden. De voorgenomen ontwikkeling zou dus plaats kunnen vinden mits de bestaande elementen behouden blijven en het erf zorgvuldig blijft of wordt ingepast. Huidige erfindeling Het erf heeft een cultuurhistorische opzet. Er is sprake van een klassieke (logische) indeling waarbij de boerderij aan de voorzijde van het erf is gelegen met de verschillende opstallen (waaronder een nieuwe woning) daarachter. Het erf is altijd kleinschalig van opzet gebleven met het centrum van het erf direct achter de boerderij. De boerderij heeft alleen haar woonfunctie verloren. Door gebruik te maken van de rood voor rood regeling verkrijgt het weer een woonfunctie, wordt een boerderij herbouwd en blijft de indeling van het erf logisch.
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)