CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Besemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91.pdf

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91”30.663 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

-3-

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Gelet op de gegevens opgenomen in bovenstaande tabel blijkt dat er in de toekomstige situatie van het plangebied sprake is van een toename in het aantal dagelijkse verkeersbewegingen. Met de NIBM-tool kan worden berekend of de toename in het aantal dagelijkse verkeersbewegingen effect heeft op de luchtkwaliteit. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de NIBMtool, waarin de toename in het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie is opgenomen.

Conclusie is dat de bijdrage van het extra verkeer aangemerkt wordt als niet-in-betekenende-mate. Dat betekent dat de verontreiniging van de lucht als gevolg van het extra wegverkeer zo klein is dat de luchtkwaliteit niet achteruit gaat. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Geluid Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: • in stedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; • in buitenstedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; o voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: • voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; • voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; -4-

•

wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

De gemeente Dinkelland kent eigen geluidbeleid dat is verankerd in het Gebiedgericht Geluidbeleid. Daarin is aangegeven dat voor 30 km/uur wegen bij bestemmingsplanwijzigingen aandacht moet worden besteed aan de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In dat kader is er een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kunnen de volgende conclusies worden getrokken. • Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de noordoostgevel de 53 dB overschrijdt. De hoogste geluidbelasting bedraagt 54 dB op de noordoostgevel. Daarmee worden voor deze gevel niet voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Extra geluidwerende voorzieningen zijn voor deze gevel noodzakelijk; • Indien de afstand tussen de geplande woning en de wegas 2,1 meter wordt vergroot, dan kan voor alle gevels worden voldaan aan de maximale waarde van 53 dB. In dat geval zijn geluidwerende voorzieningen niet noodzakelijk. Naar aanleiding van het akoestisch onderzoek is de situering van het bouwvlak bepaald. Op basis van het akoestich onderzoek is de voorgevel van de woning (grens van het bouwvlak) op de 53-dB contour geplaatst, waardoor de geluidbelasting op de gevel van de woning niet meer bedraagt dan 53 dB. Railverkeerslawaai Er zijn geen spoorwegen in de buurt van het plangebied.

Daarom hoeft er geen akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Industrielawaai Er zijn geen gezoneerde industrieterreinen in de buurt van plangebied. Daarom hoeft er geen akoestisch onderzoek naar industrielawaai te worden uitgevoerd. Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te onderzoeken heeft Kruse Milieu BV een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (projectcode 23043416, d.d. 31 juli 2023). Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Op basis van dit vooronderzoek wordt de bovengrond vanwege het historisch gebruik, als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden vooralsnog als onverdacht beschouwd. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Resultaten veldwerk In totaal zijn 10 inspectiegaten gegraven. Er zijn 3 inspectiegaten verdiept, waarvan er 1 is afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Gebleken is dat de bodem onder de klinkerverharding tot circa 0.35 m-mv globaal uit matig grof (ophoog)zand bestaat met daaronder zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus zand. Ter plekke van inspectiegat 2, 3, 4 en 5 is onder het ophoogzand een laag puingranulaat aangetroffen. -5-

Het puingranulaat voldoet niet aan de definitie voor bodem (meer dan 50% bodemvreemd materiaal) en valt buiten de scope van dit onderzoek. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn met uitzondering van het puingranulaat geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld, in het puingranulaat en in de opgeboorde bodem. Het freatische grondwater is aangetroffen op 1.60 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: • de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; • de bovengrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met PAK; • de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; • het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium; • mengmonsters MM FF - 01 en MM FF - 02 zijn niet asbesthoudend. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG III) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 in het bodemonderzoek. In de boven- en ondergrond (BG I, BG II en OG) zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 02 is geen asbest aangetoond. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen (ver)bouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijf). Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, liggen op minimaal 620 meter afstand van plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

De invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling is lokaal en heeft enkel betrekking op het voormalige agrarische bedrijfsperceel. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, de Bergvennen, ligt op 1.46 km in oostelijke ligging van het plangebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden, kan voor de ontwikkelfase van het gebouw op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is nader stikstofonderzoek voor de ontwikkelfase vereist. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase, op voorhand uitgesloten worden. -6-

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit – met inachtneming van de in dit rapport beschreven uitgangspunten – zowel in de aanlegfase van de ontwikkeling als in de gebruiksfase niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase is er dan ook geen sprake van een meetbare depositie. Gelet op het vorenstaande wordt een nader onderzoek derhalve niet noodzakelijk geacht. De AERIUS Calculator 2023 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator 2023 zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling Soortenbescherming Het plangebied is geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Daarnaast vormt het plangebied ook geen geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig, nestelen geen vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren of amfibieën geen vaste rust- of voortplantingsplaats.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermde dieren gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd of vernield. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Externe veiligheid Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets Uit de inventarisatie van de risicokaart zoals hierboven weergegeven, blijkt dat binnen een straal van circa 550 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft de risicobron die op circa 550 meter afstand ligt, geldt dat het plangebied buiten de PR10-6 contour ligt, waardoor het verantwoorden van groepsrisico niet nodig is. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met weten regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën.

Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

-7-

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Toets Het plangebied is gelegen in de kern Lattrop-Breklenkamp. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich aan de Bergvennenweg (grondgebonden agrarisch bedrijf, melkveehouderij) op een afstand van circa 280 meter van het plangebied. Mede gelet op het feit dat de nieuwbouw niet als een gevoelig object kan worden aangemerkt, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie In deze aanmeldingsnotitie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest. Hoogachtend, Ad Fontem BV,

-8-

Bijlage 2 Besluit vormvrije mer beoordeling

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

57

Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Zaaknummer Documentnummer

: ZD-2023-002146 : DD-2023-0029610

Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland beschikken op de aanvraag van

:

Warmes Exploitatie B.V.

ontvangen op

:

30 november 2023

en plaatselijk bekend

:

Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp

het volgende project uit te voeren

:

het nieuw bouwen van een kantoor en bedrijfswoning

bestaande uit de activiteiten

:

vormvrije m.e.r. -beoordeling

datum besluit

:

1 december 2023

verzenddatum besluit

:

1 december 2023

Zaaknummer : ZD-2023-002146 Locatie : Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Pagina 1 van 7

Inhoud 1

BESLUIT .................................................................................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3 1.4

2

PROCEDURELE OVERWEGINGEN .............................................................................................................. 4 2.1 2.2 2.3

3

ONDERWERP .............................................................................................................................................. 3 BESLUIT ..................................................................................................................................................... 3 RECHTSMIDDELEN ........................................................................................................................................ 3 ONDERTEKENING EN VERZENDING ................................................................................................................... 3

BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ................................................................................................................ 4 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN........................................................................................................................ 4 PROCEDURE ................................................................................................................................................ 5

INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN .............................................................................................................. 6 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

TOETSINGSKADER ........................................................................................................................................ 6 DE KENMERKEN VAN HET PROJECT ................................................................................................................... 6 DE LOCATIE VAN HET PROJECT ........................................................................................................................ 6 DE SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT ...................................................................................... 6 CONCLUSIE ................................................................................................................................................. 7

Zaaknummer : ZD-2023-002146 Locatie : Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Pagina 2 van 7

1 BESLUIT 1.1

Onderwerp

Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland hebben het voornemen een bestemmingsplan vast te stellen voor het nieuw bouwen van een kantoor en bedrijfswoning aan de Dorpsstraat 91 in Lattrop-Breklenkamp. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan dient een vormvrije m.e.r-beoordeling te worden uitgevoerd. In dit besluit wordt beoordeeld of voor het plan een milieueffectrapport moet worden gemaakt vanwege het mogelijk maken van activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

1.2

Besluit

Burgemeesters en wethouders van de gemeente Dinkelland besluiten: •

•

1.3

dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 de Wet ruimtelijke ordening, voor het nieuw bouwen van een kantoor en bedrijfswoning aan de Dorpsstraat 91 in Lattrop-Breklenkamp, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. dat de volgende documenten deel uitmaken van dit besluit: - 260923 Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Rechtsmiddelen

Dit besluit moet worden aangemerkt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht en is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te breiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Wel kan eenieder te zijner tijd gebruik maken van het rechtsmiddel dat geboden wordt in het kader van de procedure voor het vaststellen van het plan ingevolge de Wet ruimtelijke ordening. Dit besluit wordt niet gepubliceerd.

1.4

Ondertekening en verzending

Namens burgemeester en wethouders van gemeente Dinkelland,

G. Kleijssen Teamcoach Fysieke leefomgeving

Zaaknummer : ZD-2023-002146 Locatie : Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Pagina 3 van 7

2 PROCEDURELE OVERWEGINGEN 2.1

Besluit milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). Op grond van artikel 7.2 zijn bij algemene maatregel van bestuur activiteiten aangewezen die belangrijke gevolgen voor het milieu hebben (m.e.r.-plichtige activiteiten) en activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten). M.e.r.-plichtige activiteiten zijn met bijbehorende drempelwaarden opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). M.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten en bijbehorende drempelwaarden zijn benoemd in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Ook als geen sprake is van overschrijding van de drempelwaarden van (onderdeel D van de bijlage), maar er wel activiteiten plaatsvinden welke worden genoemd in dit onderdeel, moet toch worden beoordeeld of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.

Een bestemmingsplan kan op drie manieren in aanmerking komen voor een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling danwel directe m.e.r.-plicht: er ontstaat een m.e.r.-plicht indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming nodig is; er ontstaat een m.e.r.-plicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan is genoemd in kolom 3 (plannen) van deze bijlage én er voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2. Wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2 van onderdeel D van het besluit geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht; er ontstaat een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten) van deze bijlage. Deze beoordelingsplicht geldt ongeacht of er voldaan is aan de voorwaarden genoemd in kolom 2 van de bijlage. Wanneer een bestemmingsplan genoemd wordt in kolom 3 én kolom 4 in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r., moet worden bepaald of er na vaststelling van het plan nog een besluit nodig is om de activiteiten te kunnen realiseren.

Wanneer dit wel het geval is, is sprake van een kaderstellend plan en dus een plan in de zin van kolom 3 van de bijlage van het Besluit mer. Wanneer dit niet het geval is, dan is er sprake van een besluit in de zin van kolom 4 van de bijlage van het Besluit m.e.r.

2.2

Voorgenomen activiteiten

Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D categorie 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Zaaknummer : ZD-2023-002146 Locatie : Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Pagina 4 van 7

De beoogde ontwikkeling bestaat uit het nieuw bouwen van een kantoor en bedrijfswoning. De in kolom 2 genoemde drempelwaarden worden niet overschreden. Omdat de activiteit voorkomt in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r moet beoordeeld worden of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.

2.3

Procedure

De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.16 tot en met 7.18 van de Wm. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt tezamen met het definitieve bestemmingsplan ter inzage gelegd. Beroep kan zich dan tegen beide besluiten richten. Met de wijziging van het Besluit m.e.r. op 7 juli 2017 is de procedure voor de formele m.e.r.beoordeling en de vormvrije m.e.r.-beoordeling grotendeels gelijkgetrokken. Van het besluit met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft echter geen kennisgeving gedaan te worden.

Zaaknummer : ZD-2023-002146 Locatie : Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Pagina 5 van 7

3 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN 3.1

Toetsingskader

Wij hebben getoetst of voor het project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze toets is overeenkomstig artikel 7.19, lid 1 jo. 7.17 lid 2 t/m 4 van de Wm uitgevoerd op grond van de in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. De toetsing is hieronder uitgewerkt.

3.2

De kenmerken van het project

Bij de kenmerken van het project zijn de volgende criteria in ogenschouw genomen: de omvang en het ontwerp van het gehele project; de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder; het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; de risico’s voor de menselijke gezondheid. Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij de kenmerken van het project zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de kenmerken van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.

3.3

De locatie van het project

Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met speciale aandacht voor de typen aangewezen in de m.e.r.-richtlijn. Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij de locatie van het project zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de locatie van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.

3.4

De soort en kenmerken van het potentiële effect

Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect moet in aanmerking worden genomen, in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria en met inachtneming van: - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; - de aard van het effect; - het grensoverschrijdend karakter van het effect; - de waarschijnlijkheid van het effect; - de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; - de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; - de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

Zaaknummer : ZD-2023-002146 Locatie : Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Pagina 6 van 7

Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij soort en kenmerk van het potentiële effect zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de soort en kenmerken van het potentiële effect geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.

3.5

Conclusie

Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet nodig.

Zaaknummer : ZD-2023-002146 Locatie : Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp Pagina 7 van 7

Bijlage 3

Bodemonderzoek

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

65

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Dorpsstraat 89-91 - Lattrop-Breklenkamp

Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Dorpsstraat 89-91 7635 NB Lattrop-Breklenkamp Juli 2023

Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739

Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN5707 Dorpsstraat 89-91 - Lattrop-Breklenkamp

Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Dorpsstraat 89-91 7635 NB Lattrop-Brekelenkamp Projectcode: 23043416 Rapportagedatum: 31 juli 2023 Projectleider: de heer ing. J. Lammers Auteur: Mevrouw E. Koppelman

Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 4

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

5 5 6 6 7 8

4

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestanalyses

9 9 9 11 11 12

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

13

6

Literatuur en bronvermelding

15

Bijlagen I

Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2013 Boorplan verkennend bodemonderzoek en aanvullend asbestonderzoek Kruse Milieu BV, dec.2015 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, augustus 2019 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, juli 2023 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Informatie gemeente Dinkelland VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 23043416

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Dorpsstraat 89-91 in Lattrop-Breklenkamp door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. Op de te onderzoeken locatie is Aannemersbedrijf Warmes BV gevestigd. Aanleiding voor dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging, de geplande uitbreiding van de kantoorruimte en de bouw van een nieuwe bedrijfswoning (ter vervanging van de te slopen bedrijfswoning). Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de (ver)bouwplannen. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Op basis van dit vooronderzoek wordt de bovengrond vanwege het historisch gebruik, als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden als onverdacht beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.

Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een verdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern(en) ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig is en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.

De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern(en) ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre asbest in de grond of in puin de normwaarden overschrijdt. Het veldwerk is uitgevoerd in juli 2023 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van hun persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 1 van 15

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Dorpsstraat 89-91, binnen de bebouwde kom van Lattrop-Breklenkamp. Het te onderzoeken deel van het terrein heeft de RD-coördinaten x = 263.040 en y = 494.606 en is kadastraal bekend als gemeente: Denekamp, sectie L, nummers 1433, 1434 en 1435 (gedeeltelijk). De Dorpsstraat is ten oosten van de onderzoekslocatie gelegen. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een te slopen bedrijfswoning (met tussenstuk naar de kantoorruimte) en bijgebouw. Inpandig zijn betonvloeren aanwezig. Het onbebouwde deel is deels verhard met klinkers en tegels (parkeerterrein, oprit en verharding rondom woning en bijgebouw). Het onverharde deel is in gebruik als tuin en begroeid met planten en struiken. Het bedrijfspand van het aannemersbedrijf bevindt zich direct ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Naast de uit te breiden kantoorruimte bevinden zich hier een magazijn, werkplaats en opslagloodsen. Onderzoekslocatie Op de onderzoekslocatie is Aannemersbedrijf Warmes BV gevestigd. De kantoorruimte wordt ter plekke van het parkeerterrein en de te slopen woning uitgebreid. De nieuwe bedrijfswoning wordt ter plekke van het te slopen bijgebouw gerealiseerd.

In het kader van de bestemmingsplanwijzinging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouwplannen dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard. De onderzoekslocatie omvat circa 1115 m². In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2013; - boorplan verkennend bodemonderzoek en aanvullend asbestonderzoek Kruse Milieu BV, december 2015; - boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV,, augustus 2019; - boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, juli 2023. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt, naast informatie uit het huidige gebruik, het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft een deels een bedrijfs- en deels een woonbestemming. De te slopen bedrijfswoning en het te slopen bijgebouw dateren oorspronkelijk van circa 1964 (bron: BAG-viewer).

Het uit te breiden bedrijfspand dateert oorspronkelijk van circa 1968 en is in 1993 verbouwd; - in 1969 is een Hinderwetvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de timmerwerkplaats; - voor zover bekend is er binnen de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel.

Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 2 van 15

- In de opslagloods op ruim 15 meter ten westen van de onderzoekslocatie, bevindt zich een dieseltank met inhoud van 1500 liter. In de houtopslagloods, op ruim 25 meter ten westen van de onderzoekslocatie, wordt kopernaftenaat (impregneermiddel voor hout) in jerrycans opgeslagen. Tevens bevond zich in het verleden een bovengrondse dieseltanklocatie met inhoud van 1000 liter in de houtopslagloods, op circa 17 meter ten westen van de onderzoekslocatie. Over de sanering van deze tank zijn geen gegevens bekend. De (voormalige) tank- en opslaglocaties vallen 10 tot 15 meter buiten de onderzoekslocatie. Vanwege de ruime afstand wordt geen negatieve invloed op de bodemkwaliteit ter plekke van de onderzoekslocatie verwacht; - voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; - voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie.

Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; - de bovengrond van de onderzoekslocatie wordt op basis van het historisch gebruik beschouwd als verdacht voor zware metalen, PAK en asbest; - volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) vallen de boven- en ondergrond in functieklasse AW2000. Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twents beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s; - er heeft volgens de gemeente Dinkelland niet eerder een bodemonderzoek op de huidige onderzoekslocatie plaatsgevonden (zie bijlage V). In de nabije omgeving zijn wel eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. De meest relevante onderzoeken worden hieronder nader toegelicht. De bijbehorende boorplannen zijn in bijlage I opgenomen. Kruse Milieu BV, verkennend bodemonderzoek Dorpsstraat 85 Lattrop met projectcode 13038210, d.d. 7 oktober 2013 Aanleiding voor dit onderzoek, direct ten zuidoosten van de huidige onderzoekslocatie, was de geplande nieuwbouw van een woning. Uit de analyseresultaten bleek: - de bovengrond is licht verontreinigd met lood, zink en PAK; - de ondergrond is niet verontreinigd; - het grondwater is licht verontreinigd met barium. Kruse Milieu BV, verkennend bodemonderzoek en aanvullend asbestonderzoek Dorpsstraat Lattrop met projectcode 15049010, d.d.

10 december 2015 Aanleiding voor dit onderzoek op circa 25 meter ten zuidoosten van de huidige onderzoekslocatie was een bestemmingsplanwijziging en de bouw van een woning. Uit de analyseresultaten bleek: Verkennend bodemonderzoek - de bovengrond is zeer licht verontreinigd met PAK; - de ondergrond (OG I) is licht verontreinigd met barium, cadmium, kwik, lood, zink, minerale olie en PAK; - de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd; - boring 1 (2.2-2.3) is niet verontreinigd; - het grondwater matig verontreinigd met barium. Na herbemonstering van het grondwater is wederom een matig verhoogd bariumgehalte gemeten; Aanvullend asbestonderzoek: - het gewogen asbestgehalte in inspectiesleuf S11 is lager dan de interventiewaarde; - het gewogen asbestgehalte in inspectiesleuf S14 is lager dan de interventiewaarde; - de ondergrond (OG III) is licht verontreinigd met barium, kwik, lood, zink, PCB en PAK. Kruse Milieu BV, verkennend bodemonderzoek Dorpsstraat (tussen nummer 75 en 83) Lattrop met projectcode 19046310, d.d. 23 augustus 2019. Aanleiding voor dit onderzoek op circa 45 meter ten zuidoosten van de huidige onderzoekslocatie, was de bouw van 2 nieuwe woningen. Uit de analyseresultaten bleek: - de boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd; - het grondwater is niet verontreinigd. Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 3 van 15

Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek. Relevante informatie

Bron

Specificatie

Opdrachtgever en eigenaar

Historisch en huidig gebruik

Ja

Gemeente Dinkelland

Bodeminformatie en vergunningen

Ja

Archief Kruse Milieu BV

Bodemonderzoeken omgeving

Nee

Omgevingsrapportage

https://overijssel.omgevingsrapportage.nl/

Ja

Google Maps

https://www.google.nl/maps

Ja

Topotijdreis

https://www.topotijdreis.nl/

Ja

BAG-viewer

https://bagviewer.kadaster.nl/

Ja

Perceelloep

https://perceelloep.nl/

Ja

Ruimtelijke plannen

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/

Ja

Grondwatertools

https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/

Ja

DINOloket

https://www.dinoloket.nl/

Ja

AHN-viewer

https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/

Ja

Bodemkwaliteitskaart

Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw BV, d.d. 28 mei 2020

Ja

Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer 20 meter boven NAP; - tot circa 7.6 meter minus maaiveld (m-mv) diepte is zand aanwezig van de formatie van Boxtel. Het doorlatend vermogen bedraagt maximaal 50 m² /dag. Daaronder bevindt zich tot circa 11 m-mv klei van de formatie van Boxtel. Dieper in de bodem bevinden zich afwisselend zandige en kleiige eenheden van de formaties van Boxtel, Drente en Dongen; - de grondwaterspiegel bevindt zich circa 1.5 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in noordwestelijke richting; - de locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en er is geen waterwingebied op korte afstand gelegen - op circa 250 meter ten oosten van de onderzoekslocatie stroomt de Geele Beek en op circa 1.2 kilometer ten westen stroomt de Dinkel. De invloed van deze watergangen op het freatische grondwater zijn bij ons bureau niet bekend.

Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 4 van 15

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. In de normen NEN5740 en NEN5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch gebruik van de onderzoekslocatie wordt de bovengrond als heterogeen verdacht beschouwd voor zware metalen, PAK en asbest. De hypothese "verdachte locatie" uit NEN5740 en NEN5707 (VED-HE: verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verspreiding) wordt voor de bovengrond gebruikt.

Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN5740 (ONV-NL) wordt voor de ongeroerde zintuiglijk schone ondergrond en het grondwater gebruikt. De laatste hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 1115 m² dienen 9 inspectiegaten te worden gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter. Er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 m-mv. Het opgegraven materiaal wordt gezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven en over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. Er dienen 2 inspectiegaten te worden doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv of tot de grondwaterspiegel. Voor het meten van de grondwatergegevens en het nemen van een grondwatermonster dient 1 diepe boring overeenkomstig NEN5766 te worden afgewerkt tot peilbuis. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.

In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 5 van 15

Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk inspectiegat en iedere boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door AL-West BV te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen.

De asbestmonsters worden onderzocht door AL-West BV te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 2: Analysepakket per (meng) monster. Monster

Analysepakket

Bovengrond (3x) Ondergrond (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof

Bovengrond (2x)

Asbest en droge stof

Grondwater (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting

Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats.

Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 6 van 15

Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.

Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden.

Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van de eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (december 2021) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de 20 juli 2021 (aangepaste) door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.

Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 7 van 15

Toetsing asbestanalyses De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht.

De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.

Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 8 van 15

4

Resultaten Algemeen

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven en besproken in paragraaf 4.3 en 4.4. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in juli 2023 uitgevoerd door de heer J. Hartman en de heer N. Pepping Deze veldwerkers zijn conform BRL SIKB2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09). Er is assistentie verleend door de heer H. Zekhuis (assistent veldwerker). Op 14 juli 2023 is er ten behoeve van het plaatsen van de peilbuis, 1 boring verricht met behulp van een Edelmanboor. Deze boring is met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor doorgezet tot circa 3.10 en afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Er zijn geen grondmonsters genomen uit boring 1 in verband met de conserveringstermijn van enkele te onderzoeken parameters. Boring 1 is later opnieuw geplaatst voor het nemen van grondmonsters (boring 1A). Op 21 juli 2023 zijn er, na maaiveldinspectie in totaal 9 inspectiegaten gegraven, waarvan 1 naast peilbuis 1 (inspectiegat 1A). Er zijn 2 inspectiegaten met behulp van een Edelmanboor verdiept.

Ter plekke van inspectiegat 2, 3, 4 en 5 is op een diepte van circa 0.15 m-mv een laag puingranulaat aangetroffen met een dikte van maximaal 0.3 meter. Boring 3 en 4 zijn op 0.15 m-mv gestaakt op het puingranulaat. Het puingranulaat bestaat voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal en voldoet daarmee niet aan de definitie voor bodem. Het puingranulaat valt dan ook buiten de scope van dit onderzoek. Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid vanwege klinkers, tegels en begroeiing niet goed geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (half bewolkt, geen neerslag). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is als volgt: onder de klinkerverharding is tot maximaal 0.35 matig grof (ophoog)zand aangetroffen. Daaronder bestaat de bodem globaal uit zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen.

Er zijn bodemvreemde materialen aangetroffen. Deze zijn in tabel 3 weergegeven. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld, in het puingranulaat en in de opgeboorde bodem.

Kruse Milieu BV

Project: 23043416

Pagina 9 van 15

Tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Boring

Diepte (m-mv)

Waarneming

2

0.10 - 0.40

Puingranulaat

3

0.13

Puingranulaat

4

0.13

Puingranulaat

5

0.15 - 0.35

Puingranulaat

Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 4 staat omschreven. Tabel 4: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster

Boringnummer

Traject (diepte in m -mv)

Analyse

BG I

1A 6 8 9

0.08 - 0.35 0.08 - 0.50 0.08 - 0.40 0.08 - 0.35

NEN5740standaardpakket

BG II

2 3 en 4 5

0.08 - 0.10 0.08 - 0.13 0.08 - 0.15

NEN5740standaardpakket

BG III

1A 2 7 8

0.35 - 0.80 0.40 - 0.70 0 - 0.25 0.40 - 0.50

NEN5740standaardpakket

OG

1A 2 2

1.10 - 1.60 0.70 - 1.00 1.25 - 1.55

NEN5740standaardpakket

MM FF - 01

1 7 8 9

0.08 - 0.35 0 - 0.25 0.08 - 0.40 0.08 - 0.35

Asbest

MM FF - 02

2 5 6

0.40 - 0.70 0.35 - 0.50 0.08 - 0.50

Asbest

Boring 1 is doorgezet tot circa 3.1 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Op 21 juli 2023 is de peilbuis bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet) als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan in tabel 5. Kruse Milieu BV

Project: 23043416

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/822/documents/21281