CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Besemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91.pdf

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91”30.663 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een bedrijfsfunctie is geen milieugevoelige functie, waardoor geen sprake is van hinder. Echter wordt de bestaande bedrijfswoning na verplaatsing omgezet in een reguliere woning. Een reguliere woning is een milieugevoelig object, waardoor nagegaan moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' valt het Aannemersbedrijf Warmes BV onder milieucategorie 3.1, waardoor een grootste richtafstand van 30 meter geldt voor het aspect 'Geluid', een richtafstand van 0 meter voor geur, een richtafstand van 10 meter voor gevaar en een richtafstand van 10 meter voor stof, uitgaande van gemengd gebied. Voor het aspect geluid is onder 'externe werking' reeds aangetoond dat er voor de te verplaatsen voormalige bedrijfswoning sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien de afstand van het bouwvlak van de te verplaatsen voormalige bedrijfswoning tot aan de bedrijfsbestemming 3 meter bedraagt wordt er niet voldaan aan de richtafstand voor gevaar en stof. De werkplaats blijft op dezelfde plek op het bedrijf waar reeds bestaande werkzaamheden zullen plaatsvinden. In dat opzicht treden geen wijzigingen op. De nieuwbouw wordt vooral gebruikt om de buitenopslag onder dak te zetten. Ook productieonderdelen kunnen daar opgeslagen worden.

Binnen een straal van 10 meter van de desbetreffende woning zijn parkeerplaatsen aanwezig, een functie die geen gevaar of stof met zich meebrengt. Gezien bovenstaande is het aannemelijk dat er voor het aspect gevaar en stof sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Milieuzonering' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Toets 28

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Het plangebied is gelegen in de kern Lattrop-Breklenkamp. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich aan de Bergvennenweg (grondgebonden agrarisch bedrijf, melkveehouderij) op een afstand van circa 280 meter van het plangebied. Mede gelet op het feit dat de nieuwbouw niet als een gevoelig object kan worden aangemerkt, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Geur' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te onderzoeken heeft Kruse Milieu BV een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (projectcode 23043416, d.d. 31 juli 2023).

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Op basis van dit vooronderzoek wordt de bovengrond vanwege het historisch gebruik, als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden vooralsnog als onverdacht beschouwd. Het verkennend (asbest)bodemonderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Resultaten veldwerk In totaal zijn 10 inspectiegaten gegraven. Er zijn 3 inspectiegaten verdiept, waarvan er 1 is afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Gebleken is dat de bodem onder de klinkerverharding tot circa 0.35 m-mv globaal uit matig grof (ophoog)zand bestaat met daaronder zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus zand. Ter plekke van inspectiegat 2, 3, 4 en 5 is onder het ophoogzand een laag puingranulaat aangetroffen. Het puingranulaat voldoet niet aan de definitie voor bodem (meer dan 50% bodemvreemd materiaal) en valt buiten de scope van dit onderzoek. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn met uitzondering van het puingranulaat geen bodemvreemde materialen aangetroffen.

Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld, in het puingranulaat en in de opgeboorde bodem. Het freatische grondwater is aangetroffen op 1.60 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; de bovengrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met PAK; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium; mengmonsters MM FF - 01 en MM FF - 02 zijn niet asbesthoudend. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG III) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 in het bodemonderzoek. In de boven- en ondergrond (BG I, BG II en OG) zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 02 is geen asbest aangetoond.

Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen (ver)bouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

29

opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijf).

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). De gemeente Dinkelland kent eigen geluidbeleid dat is verankerd in het Gebiedgericht Geluidbeleid. Daarin is aangegeven dat voor 30 km/uur wegen bij bestemmingsplanwijzigingen aandacht moet worden besteed aan de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In dat kader is er een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. In Bijlage 5 is het akoestisch rapport opgenomen. Kortheidshalve wordt voor de concrete inhoud verwezen naar bijlage Bijlage 5 en voor de belangrijkste conclusies naar het onderstaande. Uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de noordoostgevel de 53 dB overschrijdt.

De hoogste geluidbelasting bedraagt 54 dB op de noordoostgevel. Daarmee worden voor deze gevel niet voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Extra geluidwerende voorzieningen zijn voor deze gevel noodzakelijk; Indien de afstand tussen de geplande woning en de wegas 2,1 meter wordt vergroot, dan kan voor alle gevels worden voldaan aan de maximale waarde van 53 dB. In dat geval zijn geluidwerende voorzieningen niet noodzakelijk. Naar aanleiding van het akoestisch onderzoek is de situering van het bouwvlak bepaald. Op basis van het akoestisch onderzoek is de voorgevel van de woning (grens van het bouwvlak) op de 53-dB contour geplaatst, waardoor de geluidbelasting op de gevel van de woning niet meer bedraagt dan 53 dB. Railverkeerslawaai Er zijn geen spoorwegen in de buurt van het plangebied. Daarom hoeft er geen akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Industrielawaai Er zijn geen gezoneerde industrieterreinen in de buurt van plangebied. Door Munsterhuis is een akoestisch onderzoek Industrielawaai uitgevoerd naar de geluidsbelasting van Warmes. Zie paragraaf 4.2 en Bijlage 4.

30

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Geluid' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Zoals is aangegeven is de situering van het bouwvlak op basis van het akoestisch onderzoek bepaald. Op basis van het akoestisch onderzoek is de voorgevel van de woning (grens van het bouwvlak) op de 53-dB contour geplaatst, waardoor de geluidbelasting op de gevel van de woning niet meer bedraagt dan 53 dB.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De initiatiefnemer heeft voor de uitvoering van een AERIUS-berekening gegevens aangereikt met betrekking tot de dagelijkse verkeersgeneratie in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie. In de onderstaande tabel (zie figuur 4.2) worden die weergegeven.

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

31

Figuur 4.2: Huidige verkeersgeneratie ten opzichte van toekomstige verkeersgeneratie (bron: initiatiefnemer) Gelet op de gegevens opgenomen in bovenstaande tabel blijkt dat er in de toekomstige situatie van het plangebied sprake is van een toename in het aantal dagelijkse verkeersbewegingen. Met de NIBM-tool kan worden berekend of de toename in het aantal dagelijkse verkeersbewegingen effect heeft op de luchtkwaliteit. In figuur 4.3 is een uitsnede opgenomen van de NIBM-tool, waarin de toename in het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie is opgenomen. Conclusie is dat de bijdrage van het extra verkeer aangemerkt wordt als niet-in-betekenende-mate. Dat betekent dat de verontreiniging van de lucht als gevolg van het extra wegverkeer zo klein is dat de luchtkwaliteit niet achteruit gaat. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Figuur 4.3: NIBM Tool Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.

In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. 32

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd.

Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Toets

Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving). Uit de inventarisatie van de risicokaart zoals hierboven weergegeven, blijkt dat binnen een straal van circa 550 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft de risicobron die op circa 550 meter afstand ligt, geldt dat het plangebied buiten de PR10-6 contour ligt, waardoor het verantwoorden van groepsrisico niet nodig is. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Conclusie bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

33

Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Externe veiligheid' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.

In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal.

Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en 34

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.

Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe """"eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren"""" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe """"eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren"""" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geinfiltreerd. ja een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel.

Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen (zie Bijlage 6) heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

35

waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Water' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaardenonderzoek [Projectnummer 5477, versie 1.0, d.d. 22-08-2023], zie ook Bijlage 7. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, liggen op minimaal 620 meter afstand van plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, de Bergvennen, ligt op 1.46 km in oostelijke ligging van het plangebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden, kan voor de ontwikkelfase van het gebouw op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is nader stikstofonderzoek voor de ontwikkelfase vereist. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase, op voorhand uitgesloten worden. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit – met inachtneming van de in dit rapport beschreven uitgangspunten – zowel in de aanlegfase van de ontwikkeling als in de gebruiksfase niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase is er dan ook geen sprake van een meetbare depositie. Gelet op het vorenstaande wordt een nader onderzoek derhalve niet noodzakelijk geacht.

De AERIUS Calculator 2023 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator 2023 zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. De Aerius berekening is toegevoegd in Bijlage 8. Soortenbescherming Het plangebied is geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Daarnaast vormt het plangebied ook geen geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig, nestelen geen vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren of amfibieën geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermde dieren gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd of vernield. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Ecologie' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. 36

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland heeft een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld. Het rapport is opgesteld door RAAP en geeft voor het grondgebied de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan de hand van deze kaart kan bepaald worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In figuur 4.5 is een fragment van de verwachtingswaardenkaart weergegeven, waarbij de uitbreidingslocatie blauw omcirkeld is.

Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland) Toets Het plangebied ligt in een dekzandlandschap met kenmerken van dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek. De verwachting daar is hoog voor resten uit alle perioden. Archeologische resten afgedekt door een plaggendek >50 cm en daardoor minder kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten zijn daardoor goed geconserveerd. Het beleidsadvies is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor plangebieden kleiner dan 2.500 m², zoals in onderhavig geval, geldt vrijstelling voor een archeologisch onderzoek. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

37

In en/of nabij het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Met het agrarische cultuurlandschap en de aanwezige cultuurhistorische waarden wordt reeds voldoende rekening gehouden. E.e.a. is hierover beschreven in paragraaf 3.2.3. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Archeologie en Cultuurhistorie' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.11

Verkeer / parkeren

Verkeer Aannemersbedrijf Warmes ontsluit op de Dorpsstraat. Ook in de nieuwe situatie blijft de bestaande ontsluiting gehandhaafd. Hiervoor is beschreven dat de uitbreiding van het bedrijfsperceel en de bebouwing nodig is voor het verbeteren en optimaliseren van de bedrijfsvoering. Uitbreiding van het personeelsbestand is niet de aanleiding geweest voor de verruiming van het bedrijfsperceel. Een verbeterde en efficiëntere bedrijfsvoering kan op termijn echter een toename van het aantal opdrachten tot gevolg hebben. Deze toename kan vervolgens leiden tot een kleine uitbreiding van het aantal personeelsleden, waardoor het aantal verkeersbewegingen iets zou kunnen toenemen. De initiatiefnemer heeft gegevens aangereikt met betrekking tot de dagelijkse verkeersgeneratie in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie. Dit is in onderstaande tabel (zie figuur 4.6) weergegeven.

Figuur 4.6: Huidige verkeersgeneratie ten opzichte van toekomstige verkeersgeneratie (bron: initiatiefnemer) Er is een toename van slechts 32 verkeersbewegingen per dag. De capaciteit van de Dorpsstraat ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen is ruim voldoende, om deze toename eenvoudig af te wikkelen, waardoor het aspect 'verkeer' geen belemmeringen oplevert voor dit plan. Parkeren De gemeente Dinkelland heeft voor wat betreft parkeren de beleidsnotitie 'Bouwen en parkeren 2018' vastgesteld. Het uitgangspunt daarin is parkeren op eigen erf. Met de sloop en nieuwbouw van bedrijfsgebouwen ontstaat er een gewijzigde erfopzet. Er zullen 9 parkeerplaatsen komen te vervallen vanwege de gewijzigde positionering, tevens uitbreiding van het kantoor. De huidige bruto vloeroppervlakte van het kantoor bedraagt ca. 340 m2, de toekomstige oppervlakte bedraagt ca. 460 m2. Dit betreft een toename van ca. 120 m2. Het kantoor kan geschaard worden onder 'kantoor zonder baliefunctie'. Voor een locatie in de rest van de bebouwde kom geldt hiervoor een parkeerbehoefte van 2,55 parkeerplaatsen per 100 m². Uitgaande van ca. 120 m² extra komt dat neer op afgerond 3 extra parkeerplaatsen. De huidige bruto vloeroppervlakte van de werkplaats (voorste hal) bedraagt ca. 560 m2 en wijzigt als gevolg van het plan niet. De huidige oppervlakte van de loods/opslag bedraagt ca. 2.665 m2.

Als gevolg van de toekomstige uitbreiding zal de hal maximaal met 500 m2 worden uitgebreid. Het gedeelte voor de opslag van goederen in de bedrijfshal kan geschaard worden onder de categorie 'loods, opslag, bergplaats'. Voor een locatie in de rest van de bebouwde kom geldt hiervoor een parkeerbehoefte van 1,05 parkeerplaatsen per 100 m². Uitgaande van 500 m² komt dat neer op afgerond 5 parkeerplaatsen. De opslaggebouwen zorgen niet voor extra parkeerbehoefte daar deze ruimtes gebruikt worden door de 38

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

eigenaren. Deze oppervlaktes worden dan ook niet verder uitgewerkt. De huidige parkeerbehoefte bedraagt 50 parkeerplaatsen. De toekomstige parkeerbehoefte van het plan zal 58 parkeerplaatsen bedragen. Aangezien het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland doorvertaald is naar het paraplubestemmingsplan 'Kernen gemeente Dinkelland', onderhavig plangebied binnen de begrenzing van dat bestemmingsplan valt en het paraplubestemmingsplan meegenomen wordt in voorliggend bestemmingsplan, zijn de benodigde parkeerplaatsen volgens de beleidsnotitie 'Bouwen en parkeren 2018' juridisch geborgd. Dat betekent dat er ten aanzien van het parkeren geen belemmeringen hoeven te zijn voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan, omdat het aantal benodigde parkeerplaatsen tijdens de aanvraag om omgevingsvergunning op basis van het uiteindelijke bouwplan kan worden vastgesteld. Op onderstaande tekening is indicatief weergegeven waar de extra parkeerplaatsen gesitueerd kunnen worden. Er is op eigen terrein ruim voldoende plek voor het situeren van extra parkeerplaatsen.

Figuur 4.7: indicatieve situering te verplaatsen en extra parkeerplaatsen (bron: Leferink Architecten) Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt concreet inzicht gegeven in de parkeerbehoefte en waar de parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Verkeer en Parkeren' geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

39

40

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen. Algemene regels

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

41

Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Bedrijf De huidige bestemming 'Bedrijf', de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf' en het bouwvlak met de geldende maatvoeringen worden enigzins verruimt, teneinde de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing en een kantoorgebouw mogelijk te maken. De regels in de bestemming 'Bedrijf' uit het bestemmingsplan 'Lattrop, Dorpsstraat 91' en 'Lattrop' blijven hierbij van kracht. De bouwhoogte van de nieuwe werkplaats mag maximaal 9 meter hoog zijn. De bouwhoogte van het kantoorgebouw mag maximaal 6 meter hoog zijn. Wonen De bedrijfswoning die wordt omgezet naar een reguliere woning wordt mogelijk gemaakt binnen de huidige bestemming 'Wonen'. Omdat ter plaatse van de bouwlocatie geen bouwvlak geldt, worden de betreffende gronden middels voorliggend bestemmingsplan tevens voorzien van een bouwvlak. Binnen de bestemming 'Wonen' mag er opslag plaatsvinden. Daarbij geldt een maximum oppervlak van 250 m² per woning conform de bouwregels uit het Paraplubestemmingsplan 'Kernen gemeente Dinkelland'.

42

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

43

44

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie aangegeven [reactie provincie Overijssel]. Waterschap Vechtstromen Op 13 juli 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 22 december 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

45

46

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

47

Bijlage 1

48

Aanmeldnotitie m.e.r.

bestemmingsplan Lattrop, uitbreiding Dorpsstraat 91

Aan: Gemeente Dinkelland Postbus 11 7590 AA Denekamp Borne, 22 september 2023 Ons kenmerk: 23AF117 Bijlagen: Geen

Betreft:

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Dorpsstraat 91 Lattrop-Breklenkamp

Geacht college, Zoals bij u bekend zijn wij bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor de verruiming van de bedrijfsmogelijkheden van het bedrijf aan de Dorpsstraat 91 te Lattrop-Breklenkamp. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: •

•

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein; De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet direct binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen (maar wel aansluitend) en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in het bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Het begrip 'industrieterrein' is beperkter dan het begrip 'bedrijventerrein' dat voor de wijziging van het Besluit m.e.r. in 2011 in deze categorie was opgenomen. Voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2) kan volgens de voorzieningenrechter van de Afdeling (Vzr. ABRvS, ECLI:NL:RVS:2016:3279, d.d. 7 december 2016) aansluiting worden gezocht bij de definitie van het begrip 'stedelijke ontwikkeling' in art. 1.1.1, eerste lid onder i. van het Besluit ruimtelijke ordening.

Deze definitie luidt als volgt: "stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." De ontwikkeling van het bijbehorende bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: •

een oppervlakte van 100 hectare of meer;

•

een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of;

•

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan (toename bedrijventerrein oppervlakte 2.500 m2) geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden. Echter, per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37  7622 LW Borne  T 074 255 70 20  IBAN NL92RABO 0331 6534 27  BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851  Btw nr. NL 8151.28.939.B01  info@ad-fontem.nl  www.ad-fontem.nl

wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit plaatsvindt; • de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het betreffende project Onder de huidige planologische mogelijkheden is er een bouwvlak opgenomen met een oppervlak van circa 1.065 m² en een aanduiding ten behoeve van een overkapping met een oppervlak van circa 420 m². Ook is er een bouwvlak opgenomen ter hoogte van de huidige bedrijfshal en het kantoor met een oppervlak van circa 2320 m². Samen komt dit neer op circa 3.800 m².

Middels het nieuwe bestemmingsplan wordt het bouwvlak ter hoogte van de huidige bedrijfshal en het kantoor vergroot tot circa 2880 m² en wordt een bouwvlak opgenomen voor een privé opslaggebouw met een oppervlakte van 1.030 m2 . De toename aan planologische bouwmogelijkheden neemt derhalve toe met 1.681 m². Tevens wordt het bestemmingsvlak vergroot. Plaats van het project Het plangebied bestaat uit het bedrijfsperceel aan de Dorpsstraat 91 te Lattrop. Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern Lattrop. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie L, perceelsnummers (gedeeltelijk) 1377, (gedeeltelijk) 1420, 1433, 1434, 1435. In onderstaande afbeelding is een luchtfoto opgenomen, waarop de ligging van het plangebied met een rode marker wordt weergegeven.

-2-

Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Het aannemersbedrijf ontsluit op de Dorpsstraat. Ook in de nieuwe situatie blijft de bestaande ontsluiting gehandhaafd. Hiervoor is beschreven dat de uitbreiding van het bedrijfsperceel en de bebouwing nodig is voor het verbeteren en optimaliseren van de bedrijfsvoering. Uitbreiding van het personeelsbestand is niet de aanleiding geweest voor de verruiming van het bedrijfsperceel. Een verbeterde en efficiëntere bedrijfsvoering kan op termijn echter een toename van het aantal opdrachten tot gevolg hebben. Deze toename kan vervolgens leiden tot een kleine uitbreiding van het aantal personeelsleden, waardoor het aantal verkeersbewegingen iets zou kunnen toenemen. De initiatiefnemer heeft gegevens aangereikt met betrekking tot de dagelijkse verkeersgeneratie in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie. Dit is in onderstaande tabel weergegeven.

Er is een toename van slechts 32 verkeersbewegingen per dag. De capaciteit van de Dorpsstraat ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen is ruim voldoende, om deze toename eenvoudig af te wikkelen, waardoor het aspect 'verkeer' geen belemmeringen oplevert voor dit plan. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/822/documents/21281