CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidsregels Wmo Dinkelland 2026.pdf

Commissie Sociaal Domein & Bestuur 18 november 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen verordening Maatschappelijke ondersteuning en verordening Jeugdhulp Dinkelland 202644.890 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

In dat kader wordt opgemerkt dat in de verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De verordening bepaalt dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing, traplift of andere huislift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 8.2 Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is art. 16 Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt art. 2.3.7 Wmo 2015 dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in art. 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen.

Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van art. 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken. Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen. Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. Dat betekent ook dat het college, voordat wordt besloten op de aanvraag, moet beoordelen of het plaatsen van bijvoorbeeld een traplift niet in strijd is met andere wet- en regelgeving (CRVB:2024:1511).

56

8.3 Hoofdverblijf Artikel 4.6 lid 1 onder b en lid 3 Verordening Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft. Uitzonderingen hoofdverblijf Er zijn twee uitzonderingen. 1. De eerste geldt in het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen van de (co)ouders. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situatie kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is, omdat die kan worden meegenomen naar de woning waar het kind verblijft. Alleen in de situatie van co-ouderschap kunnen dus in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, Dit kan niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen (waarbij het kind bij de ene ouder slechts op bezoek gaat). 2. Een tweede uitzondering gaat over het bezoekbaar maken van de woning.

De verordening bepaalt voor wie het bezoekbaar maken van de woning is bestemd en wat daaronder valt (art. 4.9 Verordening). 8.4 Langdurige noodzaak Artikel 4.6 lid 2 Verordening Gelet op de mogelijk hoge kosten van woningaanpassingen of het aanbrengen van een (trap)lift speelt ook de onomkeerbaarheid een rol bij deze bepaling. De Verordening bepaalt dat sprake moet zijn van een langdurige noodzaak om tot verstrekking van een woningaanpassing of een traplift of andere huislift over te gaan. Wat onder langdurig wordt verstaan is afhankelijk van de individuele situatie en ter beoordeling aan het college. Het gaat er in ieder geval wat in redelijkheid van de client mag worden verwacht zodat vooralsnog geen maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt. Het kan bijvoorbeeld gaan om een tijdelijke herinrichting van de woning of het gebruik van een hoog-laag bed (Zorgverzekeringswet) op de begane grond. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 8.5 Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 4.6 lid 4 Verordening Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.

Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1 lid 1 verordening. Dat een maatwerkvoorziening, zoals een bad, een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Hulpmiddelenzorg Een cliënt die thuis gebruik maakt van hemodialyse, kan aanspraak maken op een vergoeding voor noodzakelijke woningaanpassingen en de redelijk te achten kosten die rechtstreeks met de thuisdialyse samenhangen (water, elektriciteit, enz.) op grond van de Zorgverzekeringswet.

57

8.6 Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten Artikel 4.6 lid 4 Verordening De Verordening bepaalt hoe het college om gaat met het verstrekken van maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. Er zijn een limitatief aantal maatwerkvoorzieningen genoemd. De brandveiligheid kan ook een rol spelen (CRVB:2022:2441). Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Weigeren vervoersvoorziening Artikel 4.10 lid 2 Verordening Op grond van de wijzigingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaalt de verordening dat dit een reden is om een vervoersvoorziening te weigeren (vgl. CRVB:2024:1511). Zie verder ook 9.4 van deze beleidsregels. 8.7 Doelgroepengebouw Artikel 4.6 lid 6 Verordening Als het college vaststelt dat de cliënt een woning of wooncomplex bewoond waarvan verwacht mag worden dat deze geschikt voor de bewoners aan wie wordt verhuurd of verkocht, dan verstrekt het college geen woningaanpassingen of hulpmiddelen. Het gaat om een te verwachten ondersteuningsbehoefte als bedoeld in de Wmo 2015 of een zorgbehoefte als bedoeld in de Wet langdurige zorg (vergelijk CRVB:2008:BD0268).

8.8 Primaat van verhuizen Artikel 3.4 Verordening Omdat het college het uitgangspunt van de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij de noodzaak van een woningaanpassing en/of een traplift. Om te voorkomen dat bij relatief lage kosten het verhuisprimaat al zou worden toegepast, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de meest geschikte beschikbare nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn, geldt als uitgangspunt de maximale hoogte van de verhuiskostenvergoeding. Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen: a. huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; b. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning; c. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning. Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die dan toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 3.4 lid 3 verordening). Ad a.

Het kostenverschil tussen bijvoorbeeld de woningaanpassing en de tegemoetkoming verhuiskosten is van belang om te het primaat van de verhuizen toe te kunnen passen. Dat wil zeggen als deze tegemoetkoming goedkoper en ook adequaat is. Daarvoor zijn de afwegingsfactoren in 8.4.1 van deze beleidsregels ook van belang. Dat de cliënt graag in zijn huidige woning wil blijven wonen maakt, hoe begrijpelijk die wens ook kan zijn, niet dat het college, een gevraagde woningaanpassing moet verstrekken (bijv. CRVB:2022:477). Dit mede gelet op het kostenverschil.

58

Ad b. Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn kan een periode van 12 maanden worden verstaan. Er kunnen binnen die termijn hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zal misschien zelfs niet meer geschikt zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangevraagde woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Ad. c Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat in de nieuwe beschikbare (op dat moment meest geschikte woning) ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.

Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen. Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: 1. Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. 2. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. 3. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist.

Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. 4. De verhuizing leidt tot een slechtere bereikbaarheid van voorzieningen voor de cliënt dan geldt voor de huidige woning. Denk aan: apotheek, huisarts, supermarkt, bibliotheek etc. Het college weegt dit aspect mee bij de beoordeling of het verhuisprimaat kan worden toegepast. 5. Het toepassen van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast. 6. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.

59

7. Er is een substantiële stijging van de woonlasten die verbonden zijn aan de woning waar de cliënt naar moet (kan) verhuizen (zie verder hierna). Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. De huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs aanvaardbaar is. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers, iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een huurwoning in de vrije sector of een koopwoning. Daarvoor gelden dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn, hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen.

Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Dat beoordeelt het college op basis van de individuele situatie. Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen, worden de netto woonlasten van de eigen woning als volgt berekend: • Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), • Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, • Opstalverzekering. 8.9 Specifieke criteria Art. 4.7 van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verstrekken van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Het gaat om situaties waarin: • Er geen dringende reden is om te verhuizen (bijv. CRVB:2023:731). • De cliënt zonder toestemming van het college verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning gelet op de beperkingen (bijv. CRVB:2019:290, CRVB:2025:1136). Het is ligt in zo’n geval op weg van de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was (bijv. CRVB:2019:2951).

• De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen. • De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning (CRVB:2003:AM5445). • De aanvraag gericht is op het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden. 8.10 Rechtstreeks oorzakelijk verband Artikel 4.7 lid 3 Verordening Woonvoorzieningen, waaronder een financiële tegemoetkoming voor verhuizen, zijn alleen bedoeld voor ondervonden problemen die in direct verband staan met de bouwkundige of woontechnische aspecten van de woning zelf. Bijvoorbeeld als een cliënt met een luchtwegaandoening last heeft van de kippen van de buren. Want dit heeft niet direct te maken met de bouw van de woning.

60

8.11 Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning. Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor het gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening.

In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen. Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling van de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: • de te verwachten transfers, • de mogelijkheden van de cliënt/het kind, • de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, • de beschikbare ruimte, • de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind. Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen. 8.12 Kindvoorzieningen Het verstrekken van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel. Driewielers Het college kan een driewieler verstrekken die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind.

Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een driewieler wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt. Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Het gaat vaak om hulpmiddelen die op grond van de Zvw verstrekt worden.

61

8.13 Zich verplaatsen in en om de woning Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans worden deze rolstoelen gebruikt als men zich naar elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. Uitzondering In bijzondere situaties kan wel een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verstrekt.

Dat is het geval als een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de zeer korte vervoersafstanden. Dan is er sprake van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Zo’n cliënt is aangewezen op een incidenteel te gebruiken rolstoel om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt structureel niet in staat is om zeer korte afstanden zelfstandig, al dan niet met een loophulpmiddel, af te leggen. Deze zogeheten transportrolstoel kan worden meegenomen in de maatwerkvoorziening collectief vervoer of in de eigen auto. Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren: a. Het gebruik b. Het gebruiksgebied c. De aandrijving • door middel van het eigen lichaam • door het bedienen van een aandrijfmechanisme • voortduwen door anderen d. De zithouding en de eisen aan de ondersteuning e. De meeneembaarheid f. Antropometrische gegevens

62

9 Deelname maatschappelijk verkeer Artikel 3.4 en 4.10 Verordening 9.1 Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. De Verordening bepaalt wat onder lokaal wordt verstaan. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand. Voor de langere afstand hanteert het college in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Daaronder valt ook het individueel (rolstoel)taxivervoer. Tijdens het onderzoek na de melding van de hulpvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en wat de noodzakelijke lokale vervoersbehoefte is. 9.2 Beleidsuitgangspunten Het college hanteert de volgende beleidsuitgangspunten. Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een fiets of brommer of met de bus.

Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat het kunnen bereiken van het openbaar vervoer ook afhankelijk is van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel (CRVB:2021:3222). Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Beschikbare voorzieningen Het kan voorkomen dat een cliënt een (extra) vervoersvoorziening aanvraagt terwijl met de tot zijn beschikking staande vervoersvoorzieningen wordt voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:2123). Vaststellen vervoersbehoefte Het college stelt de vervoersbehoefte van de cliënt vast met behulp van een formulier. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen.

Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037, CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is. Omvang in kilometers Uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening. Het college kan afwijken van deze norm, gelet op de vervoersbehoefte van de cliënt. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen.

63

Omvang is maatwerk De omvang van de maatwerkvoorziening(en) kan, als daar aanleiding voor is, worden afgestemd op: • De eigen mogelijkheden van de cliënt. Denk ook aan de hulp van de huisgenoot in het kader van gebruikelijk hulp. • Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de dag. • De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt van 1500-2000 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat te stellen tot participatie. • Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen (bijv. CRVB:2020:2644). • Bij vervoersvoorzieningen die geschikt zijn voor de korte en/of middellange afstand gaat het college er in het algemeen van uit dat daarmee voor 750-1000 kilometer op jaarbasis kan worden voorzien in de vervoersbehoefte. Medisch vervoer Onderdeel van een lokale vervoersbehoefte kan een ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met de maatwerkvoorziening collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen, vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is gericht op lokale (sociale) verplaatsingen.

Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Voor zover geen aanspraak bestaat op medisch vervoer op grond van de Zvw, valt het 'medisch' vervoer onder de Wmo 2015 (CRVB:2010:BL4037). Denk bijvoorbeeld aan het bezoek aan de huisarts of specialist in het ziekenhuis. Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan.

Andere wettelijke aanspraak (reikwijdte) Volgens de verordening is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In zo’n geval behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een feitelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd. Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of waarvan het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kunnen verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw.

64

Leefvervoer WIA/Wajong Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) of de Wet Wajong kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35 lid 3 WIA, art. 2:22 lid 3 Wajong). Die bepaling geldt voor verzekerden met een structurele functionele beperking of jonggehandicapten aan wie op grond van de WIA/Wajong een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn of haar werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan. Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.

9.3 Primaat maatwerkvoorziening collectief vervoer De maatwerkvoorziening collectief vervoer is collectief aanvullend openbaar vervoer en kan bestaan uit zowel een collectieve maatwerkvoorziening maar ook uit individueel (rolstoel)taxivervoer. Of gebruik van deze maatwerkvoorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer in het individuele geval kan worden aangemerkt als passende bijdrage, is eerst afhankelijk van de vraag of de cliënt daar - medisch gezien - gebruik van kan maken. Verder is het afhankelijk van de vraag of de maatwerkvoorziening collectief vervoer gelet op de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen geschikt is. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen waarmee de maatwerkvoorziening collectief vervoer voor de korte afstand een passende bijdrage kan zijn (vgl. CRVB:2013:2459). Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een passende bijdrage. In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gehanteerd (vgl. CRVB:2014:1491, CRVB:2019:3669). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen (CRVB:2018:1643).

Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vgl. CRVB:2014:2101 en zie CRVB:2018:1487). Begeleiding nodig Het spreekt voor zich dat bezien moet worden of de cliënt (medisch gezien) gebruik kan maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer, al dan niet met begeleiding. De begeleider kan gratis toegang krijgen als de cliënt door zijn medische beperkingen de rit niet alleen kan afleggen. Het gaat in deze situaties letterlijk om vervoer van deur tot deur. Dat betekent ook dat de cliënt zonder begeleider geen toegang krijgt tot de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Naast een medisch begeleider (die gratis meereist) mag een cliënt één persoon meenemen als ‘sociaal’ begeleider; deze laatste reist tegen het gereduceerde tarief.

65

Hardheidsclausule Om af te wijken van het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan onder zeer bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule worden toegepast. Het gaat er dan om dat er bij de cliënt ten opzichte van de personenkring die gebruik maakt (moet maken) van de maatwerkvoorziening collectief vervoer bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen waarom het college onder toepassing van de hardheidsclausule moeten afwijken van het primaat. Deze omstandigheden moeten door de cliënt worden gesteld en zonodig desgevraagd worden onderbouwd. Ritbijdrage en reserveringstoeslag maatwerkvoorziening collectief vervoer Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Dit zijn algemeen gebruikelijke kosten. Gebruikers van de maatwerkvoorziening collectief vervoer zijn in dat kader een zogeheten ritbijdrage verschuldigd en mogelijk een reserveringstoeslag. Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het hanteren van het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan ook zijn toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan weliswaar aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt.

In zo’n geval zal het college een onderzoek instellen naar de rijvaardigheid en rijgeschiktheid van de cliënt (CRVB:2021:244, CRVB:2024:1400). 9.4 Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Naast de maatwerkvoorziening collectief vervoer gaat het om vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel, bijzondere fietsvoorziening, of autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte staloopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.

Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: • er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers, • de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel, • er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets, • de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage), • de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest), • er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden. Stalling Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat

66

worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook. Eigen mogelijkheden Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de cliënt bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het (veilig) stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Geen stalling Is geen adequate stalling aanwezig en kan deze ook niet worden gerealiseerd, dan weigert het college de vervoersvoorziening (art. 4.10 lid 2 Verordening). Zie ook 8.6 van deze beleidsregels. Elektrische fiets Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen blijven fietsen, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446).

Dat betekent ook dat een noodzaak voor het verstrekken van een elektrische fiets afhankelijk is van de mogelijkheid zich te verplaatsen op een gewone fiets waarmee wordt voorzien in de vervoersbehoefte. Heeft een cliënt een medisch gelimiteerde inspanningscapaciteit op grond waarvan hij met een gewone fiets niet kan voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte, dan kan een elektrische fiets aangewezen zijn (CRVB:2021:1595). Beperkingen in knie of heup kunnen ook reden zijn. De cliënt kan daardoor krachtverlies ondervinden. Ook wordt beoordeeld of de cliënt adequaat kan omgaan met de elektrische fiets. Dit in verband met de veiligheid in het gebruik. Denk aan balansproblemen of het adequaat kunnen handelen in het verkeer. En tot slot beoordeelt het college nog of de gewenste elektrische fiets de goedkoopst passende bijdrage is. Een scootmobiel kan goedkoper zijn. Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maken het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een bijzondere fiets gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel.

Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar in ieder geval als algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt gelet op de hoogte van de kosten. Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen. Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Het gaat om situaties waarin de cliënt auto aanschaft en het college verzoekt om de aanpassingen van die auto. Het ligt op de weg van de cliënt om een geschikte auto te kiezen in een prijsklasse die voorziet in bijvoorbeeld een cruisecontrol

67

(CRVB:2009:BK1515). Voor deze aanpassingen kan in geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU7172). Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd. • Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is de maatwerkvoorziening collectief vervoer (waaronder individueel taxivervoer) geen passende bijdrage? • Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? De cliënt kan bijvoorbeeld zijn aangewezen op vervoer door diens partner; diens auto wordt dan beoordeeld op noodzaak tot aanpassing. • Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage? • Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)? • Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is nog ten minste zeven jaar te gebruiken moet zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto. • Verder speelt het aantal kilometers dat met auto is gereden een rol. Is er al 100.000 kilometer of meer mee gereden, dan is een autoaanpassing meestal niet meer verantwoord. • Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn.

Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de cliënt daar op is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Immers ligt het niet voor de hand dat het college daarvoor een auto of een bus als maatwerkvoorziening moet verstrekken. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen. 9.5 Bovenlokaal vervoer Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op de lokale vervoersbehoefte van de cliënt (CRVB:2018:1487, CRVB:2023:192, CRVB:2025:47). Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte gericht is op de lokale verplaatsingen. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OV-zones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer.

Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig (aan te vragen bij Valys).

68

10 Financiële tegemoetkoming Artikel 4.11 Verordening Financieel besluit 10.1 Inleiding Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de wet ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396). Uitvoeringspraktijk Het gaat in de praktijk om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Een voorbeeld: Een cliënt zal op grond van de wet niet snel zijn aangewezen op een bruikleenauto. Maar de cliënt kan wel voor het lokale vervoer wel zijn aangewezen op zijn eigen auto en daarvoor is brandstof nodig. Die zal het college niet in natura kunnen verstrekken. De tegemoetkoming kan op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald. 10.2 Kosten gebruik eigen auto De cliënt die in het bezit is van een eigen auto en geen gebruik kan maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Het gaat om de cliënt die eigenaar is én bestuurder van de auto of waarvan de partner bestuurder is. Heeft de cliënt geen eigen auto, dan is het mogelijk om een financiële tegemoetkoming te verstrekken als de cliënt afhankelijk is van vervoer door derden.

Lokale en samenvallende vervoersbehoefte De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Daarnaast spreekt het voor zich dat de samenvallende vervoersbehoefte van echtgenoten of daarmee gelijkgestelden een rol speelt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt daarop afgestemd. 10.3 Individueel (rolstoel)taxi vervoer Onder de maatwerkvoorziening collectief vervoer valt ook het individueel (rolstoel)taxivervoer. Het spreekt voor zich dat cliënten hier alleen voor in aanmerking kunnen komen als zij geen gebruik kunnen maken van het ‘reguliere’ collectief vervoer. Individueel (rolstoel)taxivervoer wordt ook in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt die op declaratiebasis wordt verstrekt (art. 4.11 lid 5 Verordening). 10.4 Verhuiskosten De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze financiële tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Financieel besluit).

Als de cliënt aantoont dat de tegemoetkoming verhuiskosten niet toereikend is, dan stelt het college de hoogte in het individuele geval vast op basis van de noodzaak én de goedkoopst adequate oplossing. Mogelijk kan raambekleding of vloerbedekking meeverhuizen naar de nieuwe woning. Daarnaast kan het zijn dat de cliënt van de vorige bewoner zaken kan overnemen, of mogelijk zijn daar geen kosten aan verbonden. 10.5 Tijdelijke huisvesting Een cliënt kan gelet op het realiseren van woningaanpassing tijdelijk aangewezen zijn op andere huisvesting. De kosten daarvan kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. De hoogte bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten rekening houdend met de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.

69

10.6 Overig Omdat de Wmo 2015 uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. De cliënt kan meerkosten voor stroom hebben die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

70

11 Tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening Hoofdstuk 7 Verordening Financieel besluit 11.1 Inleiding De tegemoetkoming meerkosten is een inkomensondersteunende maatregel en dus geen maatwerkvoorziening of pgb. De tegemoetkoming mag op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald en er geldt geen bijdrage in de kosten. Het college kan ook overgaan tot uitbetaling op basis van een ondertekende offerte of proforma-factuur. 11.2 Sportvoorziening De cliënt die niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening kan eens per drie jaar in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de aanschaf tot een maximumbedrag (zie Financieel besluit). Beoordeling Het college beoordeelt of: • de beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem aantoonbare of aannemelijke meerkosten meebrengt, en • de tegemoetkoming bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie, en • er een vergoeding kan worden verkregen op basis van een andere (wettelijke) regeling. Het is aan cliënt om dat aannemelijk te maken. In de praktijk worden hier geen strenge eisen aan gesteld. 11.3 Uniek sporten Met steun van het ministerie van VWS is Uniek Sporten Hulpmiddelen opgezet. Er zijn situaties waarin een cliënt geen recht heeft op een sportvoorziening op grond van de Wmo 2015 maar wel een beroep kan doen op de tegemoetkoming meerkosten.

Mogelijk kan via Uniek sporten een aanvulling worden verstrekt voor de aanschaf van een sportvoorziening.

71

12 Persoonsgebonden budget Artikel 2.3.3 en 2.3.6 Wmo 2015 Artikel 3.2 en hoofdstuk 5 Verordening § 2 Nadere regels Financieel besluit 12.1 Inleiding Een pgb vertegenwoordigt de geldswaarde van een maatwerkvoorziening die het college in natura zou verstrekken aan de cliënt. Dat betekent dat met het toegekende pgb tenminste de maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt, ingekocht moet kunnen worden bij tenminste één partij (CRVB:2018:3093, CRVB:2018:2829). Dat betekent dus dat de indicatie (mede) bepalend is voor de hoogte van het pgb. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet zijn voldaan aan een aantal wettelijke voorwaarden en de bepalingen daarover in de verordening. Uit de wet volgt dat het college geen ondersteuningsplicht heeft in het buitenland. De cliënt moet om een pgb verzoeken. Dat wil zeggen dat het college zowel beslist op het verzoek om ondersteuning als ook op de leveringsvorm pgb. Als de cliënt voor een pgb in aanmerking wenst te komen, dan beoordeelt het college eerst welke bepalingen in de verordening van toepassing kunnen zijn op de situatie. 12.2 Spoedeisende situatie: geen pgb Het kan voorkomen dat een vorm van maatschappelijke ondersteuning met spoed moet worden ingezet voordat het college het onderzoek naar hulpvraag heeft afgerond (art. 2.3.3 Wmo 2015).

In die gevallen kan een pgb niet aan de orde zijn omdat het onderzoek volgens het stappenplan (nog) niet is uitgevoerd. 12.3 Aanvraag pgb binnen budgetperiode Artikel 3.2 lid 2 Verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de cliënt verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:819). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gedaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818, CRVB:2015:4918). Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door cliënt gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als het verloren gaan van de maatwerkvoorziening niet aan de cliënt is te wijten of er gewijzigde omstandigheden zijn.

12.4 Pgb met terugwerkende kracht Het kan voorkomen dat de melding van de hulpvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd en verzoekt om vergoeding van de kosten. Zie 3.3 van deze beleidsregels hoe het college zo’n verzoek beoordeeld. 12.5 Budgetplan bij diensten Artikel 5.2 Verordening Voor de cliënt met een indicatie voor diensten die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Onder diensten vallen: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding en wonen met verblijf (kortdurend verblijf). Het college zorgt er voor dat het Budgetplan ook daadwerkelijk kan worden ingediend door een format van een Budgetplan beschikbaar te stellen. Het college kan een uitzondering maken voor het opstellen van een Budgetplan bij huishoudelijke ondersteuning.

72

Beoordeling Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat het college beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015 en de eventuele overige bepalingen in de verordening. Bespreken Budgetplan Het college zal het ingevulde Budgetplan met de budgethouder en eventueel de gewaarborgde hulp bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend of is het niet volledig of op juiste wijze ingediend, dan wordt de budgethouder uitgenodigd dat te herstellen. Dat geldt ook als de budgethouder of diens gewaarborgde hulp een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. 12.6 Voldoen aan wettelijke voorwaarden Artikel 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015 Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de drie wettelijke voorwaarden: 1. De cliënt is pgb-bekwaam (art. 2.3.6 lid 2 onder a Wmo 2015). 2. De client motiveert waarom hij een pgb wenst (art. 2.3.6 lid 2 onder c Wmo 2015). 3. De in te kopen maatwerkvoorziening is van goede kwaliteit (art. 2.3.6 lid 2 onder c en lid 3 Wmo 2015). De cliënt verschaft het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens dan wel verleent zijn medewerking aan het onderzoek (art. 2.3.8 Wmo 2015 en art. 9.2 lid 1 Verordening).

De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. 12.7 Pgb-bekwaamheid Artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet als eerste beoordelen of de cliënt dan wel zijn pgb-vertegenwoordiger pgb-bekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De cliënt moet dat zelf kunnen vertellen. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. De cliënt kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de cliënt digitaal vaardig is. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De cliënt weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de cliënt zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt. 4. Communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners. De cliënt moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de SVB beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de cliënt dat zelf aangeven. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen.

De cliënt moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze (moeten) gaan geven. 6. Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De cliënt moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt (conform de overeenkomst). Omgekeerd moet de cliënt kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is. 7. Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is. Als de cliënt de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is. Als de ondersteuning niet volgens

73

afspraak verloopt, moet de cliënt zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat. 8. Zelf de ondersteuning regelen met één of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De cliënt moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de cliënt passen. De cliënt moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de cliënt zelf vervanging kunnen regelen. 9. Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken, weten wat ze moeten doen. De cliënt durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De cliënt betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De cliënt moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen. 10. Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Het is niet erg als de cliënt sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de cliënt moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven. Er is geen limitatief overzicht beoogd.

Extra aandacht Het college besteedt extra aandacht aan de beoordeling van de pgb-bekwaamheden bij cliënten die tot 1 januari 2026 huishoudelijke ondersteuning of begeleiding inkochten voor minder 4 dagen per week bij personen die geen eerste of tweedegraads familielid of partner van de cliënt zijn. Dit in verband met de aanpassing van de Regeling Dienstverlening aan Huis. Bij een arbeidsovereenkomst gelden namelijk niet alleen de verplichte werknemersverzekeringen, maar ook de reguliere regels voor loondoorbetaling tijdens ziekte, verlof en ontslag. Overnemen van de bekwaamheid Is de cliënt niet pgb-bekwaam, dan kan iemand worden gemachtigd om dat overnemen. Het college beoordeelt dan of die persoon in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. Eerder niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Artikel 8.4 lid 2 onder a Verordening Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgbverplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: • onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, • de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwalitatief. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Alvorens over te gaan tot het weigeren van het pgb stelt het college stelt de budgethouder in de gelegenheid een andere vertegenwoordiger aan te wijzen die de gewaarborgde hulp wel kan bieden. Geen gewaarborgde hulp Art. 8.4 lid 2 onder d Verordening De cliënt kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: • de keuze van de ondersteuner, • de kwaliteit en het behalen van het resultaat, en • de financiële verantwoording rondom het pgb. Blijkt uit onderzoek dat de pgb-vertegenwoordiger niet de gewaarborgde hulp kan worden geboden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal het college de cliënt in de gelegenheid moeten stellen om een andere

74

persoon te machtigen die in staat is de pgb-bekwaamheid van de budgethouder over te nemen. Lukt dat niet, dan zal het college het pgb weigeren en een maatwerkvoorziening in natura verlenen. Gegrond vermoeden Het kan ook voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de cliënt problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan: • schuldenproblematiek, • een gok- of drugsverslaving, • niet over een positief sociaal netwerk beschikken, • in een hoge mate beïnvloedbaar zijn. Er is geen limitatief overzicht beoogd. Is er zowel bij de cliënt als ook de derde aan wie het pgb zal worden besteed problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd. 12.8 Pgb-bekwaamheid en rolvermenging Het kan voorkomen dat de budgethouder zelf niet pgb-bekwaam is en ook geen hulp heeft van een vertegenwoordiger maar van andere personen (CRVB:2021:2575). Het college beoordeelt of: 1. De aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd; of 2. De beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld.

Pgb besteden aan een niet-professional De niet-professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn, tenzij: • vast is komen te staan dat deze persoon als enige geschikt is om de aangewezen ondersteuning te bieden, én • er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) te machtigen. Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed. Zijn de 2 genoemde omstandigheden niet aan de orde, dan is sprake van rolvermenging (zie hierna). Pgb besteden aan professionals De professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn. Dit geldt ook voor iedere aan die ondersteuner gelieerde derde in of buiten de professionele organisatie. Het college maakt hierop geen uitzondering. Dit in verband met de rolvermenging; de aan het pgb verbonden beheerstaken kunnen dan niet met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (CRVB:2019:2803, CRVB:2019:3761, CRVB:2024:1557, CRVB:2024:2412, CRVB:2025:1486). 12.9 Motivatie-eis Uit art. 2.3.6 lid 1 Wmo 2015 volgt dat als de cliënt dat wenst, het college een pgb verstrekt waarmee een maatwerkvoorziening bij derden kan worden betrokken, mits wordt voldaan aan de voorwaarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/954/documents/24323