Beleidsregels Wmo Dinkelland 2026.pdf
Tekst van het document
Er mag overigens geen sprake zijn van het moeten bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg; in dat geval moet de cliënt een beroep doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. Wonen en verblijf Heeft het college vastgesteld dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid dan kan wonen en verblijf worden verstrekt. Daaronder wordt de (tijdelijke) vervanging van de thuissituatie verstaan. Dat wil zeggen: een accommodatie waar wonen en verblijf wordt geboden inclusief: • eten en drinken; • verschillende hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, slaapdienst), en • een passend leefklimaat (ondersteuning per etmaal ter vervanging van de thuissituatie). Welk leefklimaat passend is, is onder meer afhankelijk van de thuissituatie en de ondersteuningsbehoefte. Het kan zijn dat er geen bijzonderheden zijn en dat enkel de ‘normale’ thuissituatie wordt vervangen. Maar het kan ook zijn dat de cliënt in de eigen thuissituatie al een ondersteuningsbehoefte heeft bij: • de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden; of
36
• de regie bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Niveau van de ondersteuningsbehoefte Voor zover het wonen en verblijf afhankelijk is van de ondersteuningsbehoefte, dan geldt voor deze cliënten in ieder geval dat er een noodzaak is voor toezicht waaronder ook 24 uurs ondersteuning in de nabijheid kan worden verstaan. 5.4 Mantelzorgwoning Woningen, dus ook mantelzorgwoningen, worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Bouwregels mantelzorgwoning Uit de bouw- en gebruiksregels van het omgevingsplan blijkt of een mantelzorgwoning op een bepaalde locatie is toegelaten. Een mantelzorgwoning is onder voorwaarden zonder vergunning te realiseren. Deze voorwaarden staan in het (tijdelijk én nieuwe) omgevingsplan en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In het Bbl staan de technische bouwregels voor een mantelzorgwoning.
37
6 Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.2 en 6.2 Verordening 6.1 Inleiding Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit: schoonmaakondersteuning en regie/zorg over het huishouden. Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van: eigen kracht, gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, hulp van anderen of het sociaal netwerk of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder ook geen andere hulp is die deze taken kan overnemen. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit het bereiken van resultaten zoals opgenomen in de verordening. Het college maakt gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025. 6.2 Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de onderstaande onderwerpen hanteert het college beleidsuitgangspunten. • Wet langdurige zorg • Eigen kracht. • Algemeen gebruikelijke voorzieningen. • Gebruikelijke hulp. • Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg. • Gebruik van algemene voorzieningen. • Resultaten (Verordening). • Normenkader HHM 2025.
6.3 Wet langdurige zorg Cliënt Heeft de cliënt een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of kan zo’n indicatie worden verkregen, dan valt ook de huishoudelijke ondersteuning onder de Wlz. Naast het schoonhouden van de woonruimte vallen ook andere huishoudelijke activiteiten binnen de Wlz (Stb. 2022, 510). Huisgenoot Heeft de huisgenoot van de cliënt een Wlz-indicatie, dan onderzoekt het college of er voor de cliënt op grond van de Wmo 2015 nog aanvullend huishoudelijke ondersteuning nodig is (CRVB:2023:2165). 6.4 Eigen kracht Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen kracht. Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren.
Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels de huishoudelijke taken verspreid over de week in een rustig tempo zelf kan uitvoeren (CRVB:2022:308).
38
Zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning zoals (te) volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een specifiek kenmerk om ‘meer inzet’ te indiceren boven de basisnorm schoonmaakondersteuning (zie Bijlage III Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 van deze beleidsregels). Gesaneerde woning Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie of COPD. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Wasverzorging Is de algemene voorziening was- en strijkservice geen passende oplossing en is er geen sprake van gebruikelijke hulp, dan beoordeelt het college of de cliënt zelf een deel van de wasverzorging doen.
In dat geval hoeft niet de gehele wasverzorging overgenomen te worden; dit onder aftrek van ‘minder inzet’ op de basisnorm. Denk bijvoorbeeld aan de was sorteren (zie Bijlage III Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 van deze beleidsregels). Boodschappen voor het dagelijks leven Kan de cliënt zelf een deel van de boodschappen doen, dan hoeft niet het gehele resultaat boodschappen voor het dagelijks leven overgenomen te worden. Denk aan een deeltaak zoals het opstellen van de boodschappenlijst. 6.5 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, een wasdroger, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Voorkomen van een aanspraak Het kan ook zijn dat met algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen.
Denk bijvoorbeeld aan: • strijkvrije kleding, • de boodschappendienst, • kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice, • de aanschaf van een wasdroger, of • het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen schoonmaakondersteuning verstrekt. Zie verder 3.2.6 van deze beleidsregels over hoe het college dat beoordeelt.
39
6.6 Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste rechtspraak (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 6.6.1 Uitstelbare taken Of gebruikelijke hulp kan worden geboden is ook afhankelijk van de vraag of het gaat om uitstelbare of nietuitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot.
Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden. Schoonmaakwerkzaamheden In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten ook in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar (afwezig), dan kan daarvoor huishoudelijke ondersteuning worden verstrekt. Wasverzorging Ook in geval van wasverzorging zal het meestal gaan om een uitstelbare taak. Dit betekent dat deze huishoudelijke activiteit wasverzorging in de avond of het weekend uitgevoerd kan worden. Dat betekent ook dat de algemene voorziening was- en strijkservice een passende oplossing zal zijn (zie 6.8.1 van deze beleidsregels). En zo niet, dan kan de maatwerkvoorziening wasverzorging worden verstrekt. 6.7 Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociaal netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209).
6.8 Algemene voorziening Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen die door de cliënt worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Dat wil zeggen dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de wasen strijkservice. 6.8.1 Was- en strijkservice Als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning is in de gemeenten Dinkelland en Tubbergen een algemene voorziening was- en strijkservice opgezet. Alle inwoners van de gemeenten Dinkelland en Tubbergen kunnen gebruik maken van deze voorziening. De algemene voorziening voor de was en strijk kan voorzien in de
40
ondersteuningsbehoefte van het grootste deel van de inwoners voor het wassen en strijken en is daarom een goed alternatief voor de inzet van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de wasverzorging. De algemene voorziening kan gebruikt worden voor alle soorten was (kleding en linnen en/of beddengoed). Het voordeel van deze algemene voorziening is dat het gecombineerd kan werken met verschillende andere maatschappelijke doelen. Het inzetten van mensen met een arbeidsbeperking voor het uitvoeren van de algemene voorziening. De aard van het werk (opleidingsniveau) maakt het geschikt voor het werken met mensen met een arbeidsbeperking (bijvoorbeeld voor mensen die staan geregistreerd in het doelgroepenregister vanuit de Participatiewet). Omvang Cliënten van de gemeente Dinkelland kunnen voor twee waszakken per week gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijk service. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen. De was kan op twee vaste momenten bij cliënten thuis opgehaald en gebracht worden. Cliënten zijn zelf verantwoordelijk voor het aanwezig zijn op deze momenten of om hiervoor een eventueel alternatief te regelen.
Passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt: • Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt. • Er een mogelijkheid is voor het: - aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak. Hiermee wordt ook de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt; - aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen. Geen passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice is niet geschikt als: • sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is, • de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982), • het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen. In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een nietuitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Bijdrage in de kosten Cliënten die op grond van de Wmo 2015 zijn aangewezen op wasverzorging kunnen gebruik maken van deze algemene voorziening. Zij betalen een bedrag per waszak. In de verordening staat waarop de hoogte van de eigen bijdrage is gebaseerd. De eigen bijdrage voor de was- en strijkservice betalen cliënten aan de aanbieder zelf.
41
6.9 Resultaat schoon en leefbaar huis Het te bereiken resultaat bestaat uit het kunnen wonen in een woning die schoon en leefbaar is. Dat wil zeggen: op orde zijn en schoon volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Ook staat leefbaar voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het kunnen beschikken over een leefbaar huishouden heeft betrekking op de ruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk in gebruik zijn. Ramen wassen buitenkant Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is voor een leefbaar huis. Het gaat alleen om de binnenzijde van de woning (CRVB:2017:885, CRVB:2017:1302). De cliënt kan voor de buitenkant wassen van de ramen een glazenwasser inhuren. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, is dat een passende oplossing. Uitzonderingen huishoudelijke ondersteuning Ook uitgezonderd zijn activiteiten zoals de zorg voor dieren en planten en werkzaamheden die buiten de woning plaatsvinden zoals tuinonderhoud (CRVB:2021:88, CRVB:CRVB:2017:885). Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich, op grond van de verordening, tot de binnenzijde van de woning (CRVB:2017:885).
6.10 Resultaat wasverzorging Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding en overig textiel. Bij de wasverzorging gaat het uitsluitend over: het sorteren, wassen en drogen en opruimen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. Het resultaat wasverzorging wordt bereikt of zal doorgaans bereikt worden door gebruik te maken van de algemene voorziening was- en strijkservice. Er wordt dan geen indicatie maatwerkvoorziening voor wasverzorging afgegeven. Uitgangspunt strijken van was Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan in het algemeen worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. CRVB:2024:1487). Deeltaken zelf uitvoeren Mocht de algemene voorziening was- en strijkservice (nog) geen passende oplossing zijn, dan is het wel vaak zo dat cliënten een deel van de wasverzorging nog zelf kunnen uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan: de was sorteren of de was in de wasmachine stoppen en deze aanzetten. 6.10.1 Maatwerk wasverzorging Zijn er geen voorliggende oplossingen beschikbaar en geschikt, dan gelden de normen van HHM 2025 voor de wasverzorging als uitgangspunt (CRVB:2025:46, CRVB:2025:338).
6.11 Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Dit resultaat zal doorgaans bereikt worden door gebruik te maken van de boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Andere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen niet onder dit
42
resultaat. Een indicatie voor de overname van het doen van boodschappen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door gebruik te maken van de boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Ook kinderen die niet meer thuis wonen of buren van de cliënt kunnen mogelijk hulp bieden. 6.12 Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd Dit resultaat valt onder de huishoudelijke ondersteuning als sprake is van overname van het: • klaarzetten of aanreiken van de broodmaaltijd; • klaarzetten of opwarmen van een maaltijd; • bereiden van de warme maaltijd (alleen als voorliggende oplossingen zoals kant- en klaar maaltijden niet passend zijn); • tafel dekken en afruimen; • eten en drinken klaarzetten; • in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat. Zie bijlage III Normenkader Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels. Maaltijden Maaltijden vallen niet onder een uitstelbare taak. Een broodmaaltijd kan wel één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk klaargemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960, CRVB:2011:BU5492).
Aansporen nuttigen of bereiden maaltijd Kan een cliënt zelf een maaltijd nuttigen, maar weet hij niet of vergeet hij om tijdig een maaltijd te bereiden, dan kan de aansporing daartoe onder ambulante begeleiding vallen. Het gaat meestal om cliënten die ook voor het bereiken van andere resultaten al een indicatie voor begeleiding hebben. Wijkverpleging en maaltijdvoorziening Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client: • hulp nodig heeft om het eten of drinken in de mond te brengen; er is overname nodig van de activiteit, • medisch noodzakelijk is aangewezen op bijv. bijvoeding, • is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar. 6.12.1 Maatwerk bij geen indicatie maaltijden Het resultaat maaltijden omvat ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen (zie Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze beleidsregels). Dat betekent ook dat als geen indicatie voor maaltijden wordt gesteld, het wel nodig kan zijn dat een indicatie wordt afgegeven voor afwassen of vaatwasser in- en uitruimen (CRVB:2023:2470).
Het college baseert zich in beginsel op het CIZ-protocol huishoudelijke verzorging 2005 (CRVB:2017:3633). Daarbij wordt opgemerkt dat de cliënt doorgaans in staat zal zijn om (een deel) van de afwas zelf te doen (eigen kracht). 6.13 Resultaat bij regie/ zorg over het huishouden De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden kan bestaan uit de volgende resultaten.
43
6.13.1 Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders deze tijdelijk niet in staat zijn te leveren. Het gaat bij dit resultaat niet om enkel de opvang van kinderen. Het gaat om activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt. 6.13.2 Resultaat organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen met de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden).
Resultaat aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn Cliënten die leerbaar zijn kunnen tijdelijk Advies, instructie, voorlichting over het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden ontvangen. Het resultaat is over de vaardigheid beschikken om zelfstandig een gestructureerde huishouding te voeren. 6.14 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning (incl. wasverzorging) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden. Zie bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels. Normenkader als richtlijn Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025 is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige professionele overname van huishoudelijke activiteiten bij een gemiddelde cliëntsituatie. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden.
Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. 6.14.1 Gemiddelde cliëntsituatie Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: • Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; • Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; • Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; • De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak; • De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; • Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
44
• Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; • De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. 6.14.2 Individuele situaties op basis van kenmerken Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is: a. Kenmerken cliënt • Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.
• Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: 1. Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus). 2. Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Het college hanteert daarbij het uitgangspunt van een gesaneerde woning. • Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt. b.
Kenmerken huishouden • Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding. • Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen.
45
c. Kenmerken woning • Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden. • Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. • Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. 6.14.3 Middeling van tijden Het normenkader HHM 2025 bestaat uit totaaltijden voor verschillende onderdelen. Deze zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die ten grondslag ligt aan dit normenkader.
Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd van elkaar. Dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. 6.14.4 Minder inzet dan volledige overname/afschalen Het college kan de basisnorm afschalen of verminderen ten opzichte van de norm aangegeven in minuten per week bij volledige overname. Het gaat ook over de mogelijkheid om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd. Eigen mogelijkheden (eigen kracht) Uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat leefbaar huis te bereiken. Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Kan de cliënt nog meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden. Gebruikelijke hulp Bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meerdere keren 15 minuten zijn.
Wasverzorging Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 20 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d. 6.14.5 Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten) Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt. • Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven. • Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt.
46
30 of 60 minuten • Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. • Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. Tweede keer In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera. Het college kan overwegen of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan. 6.14.6 Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer) Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is. Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen.
Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader. Bijvoorbeeld voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera. Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon. Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op. De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer. Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren.
Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten. 6.14.7 Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer.
47
Grote bijkeuken Een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is. Tweede badkamer Wordt deze niet (noodzakelijkerwijs) gebruikt als badkamer, dan wordt de ruimte aangemerkt als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week. Separaat toilet boven Als er geen toilet in de badkamer zit is dit een onderdeel van ‘het sanitair boven’ en vergt geen extra tijdsinzet. Kantoor Als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dat valt niet binnen de Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer. Grote kelder Dit wordt afgewogen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’. 6.14.8 Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp) In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”.
Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp. Meer personen in leefeenheid Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er minder dan volledige overname of meer dan volledige overname moet worden ingezet. De 30 minuten zoals (oorspronkelijk) vermeld in het normenkader: het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd. Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen. 6.14.9 Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken) De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88). Maar het hebben van huisdieren kan leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. In geval van een hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw overweegt het college dat (RBGEL:2018:1741).
Zie de mogelijkheid tot opplussen in Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze beleidsregels. Heeft de cliënt huisdieren, anders dan een hulphond, dan geldt in het algemeen dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585).
48
6.14.10 Strijken en boodschappen Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar (zie 6.14.1 van deze beleidsregels). Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing. 6.14.11 Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken? 1. Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’. 2. Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen. 3. Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen. Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend.
6.14.12 Reële mogelijkheden overbelasting oplossen of verminderen Artikel 4.2 lid 5 Verordening Is er sprake van (dreigende) overbelasting, dan kan het college (tijdelijk) huishoudelijke ondersteuning verstrekken. De overbelasting kan betrekking hebben op de cliënt of diens huisgenoot. Voor overbelasting is vaak een oplossing (eigen kracht). Om dat vast te stellen zal doorgaan een medisch advies nodig zijn. Het college helpt om de huisgenoot of de cliënt niet afhankelijk te maken van ondersteuning van de gemeente. Daarom verwacht het college dat een huisgenoot of cliënt met reële oplossingen aan de slag gaat. Doen zij dat niet, dan verstrekt het college niet opnieuw huishoudelijke ondersteuning. Dat is alleen anders als de cliënt of huisgenoot daar een gegronde reden voor had. 6.14.13 Afronding van de indicatie Nadat alle te bereiken resultaten zijn beoordeeld wordt het totaal aantal minuten per week naar boven afgerond op 5 minuten. 6.14.14 Inzet eens per twee weken Schoonmaakondersteuning kan bij een cliënt ook 1 x per 2 weken worden ingezet. 1. Als eerste onderzoekt het college of 1 x per 14 dagen voor de cliënt passend is. Dat is het geval als: • de cliënt in staat is tussen de momenten dat de hulp weer komt om de ‘algemene hygiëne’ in huis op orde te houden; • dat betekent dat deze ‘op middenhoogte’ een aantal zaken in huis voldoende bij moet kunnen houden.
Zoals: wastafel, aanrecht, toilet(ten) en stof afnemen op middenniveau; • de cliënt moet de vloeren kunnen bijhouden: zelf, bijvoorbeeld met een (steel)stofzuiger, Swiffer of met een robotstofzuiger of door iemand anders, etc. • er is geen sprake van verzwarende factoren/beperkingen. 2. Uitgangspunt passende inzet is 2,5 uur per 2 weken. • 1 x het volledige reguliere ‘week-werk’ volgens de basisnorm van 125 minuten; • plus: 1 x de ‘niet-wekelijkse werkzaamheden van 20 minuten (o.b.v. onderzoek Utrecht, 2016); • plus: 1 extra kamer niet in gebruik als slaapkamer is 5 minuten; • totaal: 125 + 20 + 5 = 150 minuten = 2,5 uur per 2 weken. 3. Het is niet uitgesloten dat de omvang van 150 minuten per week wordt verlaagd tot 2 uur per twee weken. Bijvoorbeeld door eigen kracht of gebruikelijke hulp, tenzij dat ten koste gaat van het bereiken van een schoon en leefbaar huis.
49
7 Begeleiding en dagbesteding Artikel 4.3 en 4.4 Verordening 7.1 Inleiding Met de maatwerkvoorzieningen begeleiding en dagbesteding wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Dagbesteding is een vorm van begeleiding, waarbij sprake is van structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt, anders dan arbeid of onderwijs. 7.2 Algemene uitgangspunten • De ondersteuningsvraag/behoefte van de cliënt staat centraal. Deze wordt integraal bekeken waarbij de verschillende leefgebieden worden meegenomen. • Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. Er wordt ingezet op o.a. reablement (herstelgerichte zorg en ondersteuning), met als doel dat mensen vaardigheden (weer) aanleren zodat ze zich langer zelfstandig kunnen redden. • Er wordt gestuurd op doelen, casusregie en tussentijdse resultaatevaluatie. 7.3 Begeleiding individueel Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus.
De volgende uitgangspunten zijn voor begeleiding individueel van toepassing: • Inzet van de individuele begeleiding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. • De aanbieder leidt (indien mogelijk) de cliënt toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk; • De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen; • Samenloop met andere ondersteuning, bijvoorbeeld dagbesteding, is mogelijk. 7.3.1 Begeleiding individueel basis Begeleiding individueel basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; • De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; • De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; • Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt; • De leefsituatie is redelijk stabiel.
Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie; • De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. 7.3.2 Begeleiding individueel plus Begeleiding individueel plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet
50
sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; • De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; • De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; • De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; • De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie; • De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. 7.3.3 Uitwerking kenmerken begeleiding individueel basis en plus Basis Plus De cliënt heeft in enige mate De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig activering en/of stimulans nodig • Met een positieve en motiverende • Met een intensieve en proactieve benadering benadering en aanmoediging komt de cliënt komt de cliënt tot resultaat door middel van tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid motiveren, inspireren en ondersteunen. Intensief voor de eigen vooruitgang. gaat over de methodische benadering en niet • Met een herinnering, een voorbeeld, over de frequentie.
oefenen of een instructie kan de cliënt een • De cliënt heeft bij herhaling aanmoediging, taak volbrengen of een haalbare vaardigheid positieve feedback en ondersteuning nodig om eigen maken. verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang. • De cliënt kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van • De cliënt heeft in grote mate sturing/toezicht opties en ondersteunende gesprekken tot nodig om een taak te volbrengen. juiste beslissingen komen • Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt. • De cliënt heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de cliënt de risico’s niet en maakt de cliënt beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving. De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken onvoldoende begrijpelijk maken • •
•
Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt. De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer). Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.
• •
•
Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen. Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden. Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.
51
De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken •
•
De cliënt is gemotiveerd om te werken aan de ondersteuningsvraag en staat open voor feedback van de ondersteuner. De cliënt komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen.
De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken •
De cliënt vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de ondersteuner aan te nemen. De cliënt trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De ondersteuner moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de cliënt de resultaten te halen. De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden
•
De cliënt heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen. De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek
De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden •
De cliënt heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.
Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt •
De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De ondersteuner moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.
De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie •
Er is problematiek op één of meerdere leefgebieden zoals bijvoorbeeld financiën, sociale contacten, dag invulling, persoonlijke zelfzorg. Er is geen acute interventie noodzakelijk om escalaties te voorkomen.
•
De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is • De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen. • Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf. • De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is. De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en/of escalaties •
De cliënt is niet stabiel in zijn leefsituatie, denk hierbij aan zaken die de bestaanszekerheid raken. Bijvoorbeeld financiële problematiek, dreigende uithuiszetting, dakloosheid, werkloosheid en verwaarlozing. Er zijn interventies noodzakelijk om escalaties te voorkomen.
52
•
De dynamiek van het gezin/netwerk en de complexiteit van problematiek van verschillende gezinsleden kan hierin een rol spelen. De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag
•
De cliënt heeft aanvullende interventies nodig naast de afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en afspraken over hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt. Dit is noodzakelijk om niet vast te lopen in het dagelijks leven. Dit is een structureel terugkerend patroon van de cliënt.
De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag •
Er zijn afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt (bijvoorbeeld een telefoontje of berichtje). Voor de cliënt is dit voldoende om de resultaten te behalen zonder dat er aanvullende interventies noodzakelijk zijn.
•
7.4 Maatwerkvoorziening dagbesteding Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus. De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing: • Inzet van dagbesteding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. • De aanbieder leidt (indien mogelijk) de cliënt toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk; • Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de cliënt; • Samenloop met andere ondersteuning, bijvoorbeeld begeleiding individueel is mogelijk. 7.4.1 Dagbesteding basis Dagbesteding basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; • De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen; • De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.
7.4.2 Dagbesteding plus Dagbesteding plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; • De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning; • De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;
53
7.4.3 Uitwerking kenmerken dagbesteding basis en plus Basis Plus De cliënt heeft in enige mate activering en/of De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig stimulans nodig • De cliënt heeft een positieve benadering en • De cliënt heeft om tot activiteit te komen een aanmoediging nodig om tot activiteit te komen. intensieve en proactieve benadering nodig, die • Een gestructureerd programma aangevuld met gericht is op motiveren, inspireren en activeren. een instructie of voorbeeld is voldoende voor de • Bij het uitvoeren van een taak (die gekoppeld is cliënt om een taak te volbrengen. aan de te behalen resultaten) is bij herhaling • De cliënt heeft een aanmoediging nodig om sturing en/of toezicht nodig. • De cliënt heeft moeite om mee te doen met het mee te doen in het groepsproces. groepsproces. Dit heeft een negatieve invloed • Door middel van oefenen, herhaling en aanmoediging kan de cliënt een haalbare op het groepsproces en de cliënt zelf. De cliënt vaardigheid eigen maken. heeft gedurende de dag meerdere momenten ondersteuning nodig. • Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. Dit is een terugkerend patroon bij de cliënt. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt.
De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken onvoldoende begrijpelijk maken • Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt • Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan moeite heeft om de ander te begrijpen. dat de cliënt de ander begrijpt. • De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit • Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de (spraakcomputer). • Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet ondersteuner, want er moet met grote vanuit de Wmo. regelmaat een vertaalslag gemaakt worden. • Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo. De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen De cliënt heeft beperkt inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en belemmeringen intensievere ondersteuning. • De cliënt heeft een realistisch of beperkt • De cliënt heeft beperkt of geen realistisch beeld realistisch beeld van eigen problematiek. Het van de eigen problematiek. De cliënt is tot staat het behalen van de gestelde resultaten minder in staat dan wat hij denkt nauwelijks in de weg.
Hij of zij staat open voor (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of feedback om overschatting of onderschatting te in samenwerking met anderen meer dan hij kunnen bijsturen. denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of passiviteit te voorkomen. De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar sprake zijn van matige gedragsproblematiek. gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek. • De cliënt vertoont soms gedrag dat • De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. Het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is. gedrag kan negatieve invloed hebben op de
54
•
persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie. Gedragsproblematiek matig van aard is bij te sturen middels interventies van de ondersteuner op de dagbesteding en heeft weinig tot geen consequenties voor de deelname van de cliënt aan de dagbesteding. De cliënt verstoort het groepsproces niet of nauwelijks.
•
• •
•
-
•
De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen. Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf. De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is. Ernstige gedragsproblematiek heeft consequenties voor de deelname van de cliënt en/of groepsleden. Er is ondersteuning nodig om dit te compenseren. De cliënt is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen Bij een cliënt ontstaan grote problemen door kleine (dagelijkse) veranderingen buiten de vaste structuur. Het lukt de cliënt niet om zich aan te passen aan deze kleine veranderingen. Hierdoor raakt de cliënt bijvoorbeeld in de stress, wordt emotioneel, of kan zich op een andere manier niet meer beheersen
7.4.4 Dagbesteding en vervoer Artikel 4.4 Verordening Onder dagbesteding kan tevens het noodzakelijke vervoer vallen zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagbesteding. De cliënt die niet in staat is om op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, van en naar de locatie te reizen waar de groepsondersteuning wordt geboden, kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder hulp van anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt de noodzaak van vervoer op basis van art. 4.4 lid 6 Verordening.
55
8 Wonen en zich in en om de woning verplaatsen Artikel 3.4, 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 Verordening 8.1 Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de verordening. Woningen die niet geschikt en bestemd zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Bij de beoordeling van de aanvraag kunnen beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde zijn.