Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024 DEF.pdf
Tekst van het document
Het college beoordeelt of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat aan het groeien naar zelfstandigheid. Conflicterende belangen sociaal netwerk Het is nadrukkelijk niet gezegd dat bij de besteding van pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk (niet beroepsmatig) geen sprake kan zijn van conflicterende belangen! Dat wil zeggen dat ook bij personen uit het sociaal netwerk sprake kan zijn van (ongewenste) beïnvloeding van het pgb-beheer. Echter, van deze personen ligt de betrokkenheid op de jeugdige en/of zijn ouder(s) (diens belang) - gelet op de persoonlijke relatie - meer voor hand. Het college zal ook hier onderzoek moeten doen naar een mogelijke ongewenste belangenverstrengeling. Het college kan tot het oordeel komen dat de persoon uit het sociaal netwerk de ondersteuning niet cliëntgericht kan bieden omdat er sprake is van belangenverstrengeling. Het pgb kan voor degene die de ondersteuning biedt een (belangrijke) bron van inkomen vormen.
DEF. februari 2024
40
Gegrond vermoeden Het kan ook voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan: schuldenproblematiek; een gok- of drugsverslaving; niet over een positief sociaal netwerk beschikken; in een hoge mate beïnvloedbaar zijn. Er is geen limitatief overzicht beoogd. Is er zowel bij de jeugdige en/of zijn ouders (budgethouder) als derde aan wie het pgb wordt besteed sprake van problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd. 5.7 Motivatie-eis De tweede voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb, gaat over de vraag of de jeugdige of zijn ouder(s) hun wens voor een pgb voldoende motiveren. Het gaat om de motivering van het standpunt dat de individuele voorziening in natura, voor hen niet passend is. Uit TK 2013/14, 33 684, nr. 11 blijken de volgende voorbeelden. Als: de jeugdhulp niet goed vooraf is in te plannen, de jeugdhulp op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden, jeugdhulp op verschillende locaties moet worden geleverd, het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren, of als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden.
Oriënteren op natura aanbod Het college kan de jeugdige of zijn ouder(s) vragen om aan te tonen dat zij zich hebben georiënteerd op het door het college gecontracteerde aanbod 'in natura' en daarbij aan te geven waarom dat aanbod niet passend is c.q. zij deze niet passend achten. Het college mag daar geen eisen aan stellen. Dat wil zeggen als de jeugdige of zijn ouder(s) een motivering geven waaruit blijkt dat zij zich hebben georiënteerd op het gecontracteerde aanbod in natura, is dat in principe voldoende. 5.8 Kwaliteitseisen De verordening bepaalt dat degene aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de jeugdhulpaanbieders die door het college zijn gecontracteerd. In principe gelden deze eisen onverkort als de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb besteed aan een professionele jeugdhulpverlener. Voor personen uit het sociaal netwerk kan dat anders liggen, als het pgb daardoor onbereikbaar wordt terwijl wel wordt voldaan aan de kwaliteitseisen die in het algemeen gesteld worden (passende jeugdhulp). Zo gelden voor hen niet de opleidingseisen en/of registratie eisen (bijv. SKJ). Reguliere werkweek Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de ondersteuner de noodzakelijke omvang van de ondersteuning wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij Zzp’ers en bij personen uit het sociaal netwerk.
Een Zzp’er zal namelijk ook door andere ouder(s) of jeugdigen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal). Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen. Specifiek wonen en verblijf Als het pgb wordt besteed aan de inkoop van wonen en verblijf, dan gelden specifieke criteria. Denk bijvoorbeeld aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen, tenzij het pgb voor personen uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) onbereikbaar wordt. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat steeds sprake moet zijn van
DEF. februari 2024
41
passende kwalitatieve jeugdhulp. Vaktherapeuten kunnen zich niet registeren bij het SKJ maar zij kunnen wel als niet-geregistreerd professional worden ingezet. Daarbij geldt de voorwaarde tot registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB). Ondersteuning door personen die behoren tot het sociaal netwerk Personen behorend tot het sociaal netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden niet als professionele ondersteuner aangemerkt, tenzij sprake is van een ZZP’er of een dienstverband bij een professionele organisatie. De jeugdige en/of zijn ouder(s) zal allereerst zijn keus om met het pgb iemand uit het sociale netwerk in te schakelen moeten motiveren. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: • De persoon uit het sociale netwerk mag op geen enkele wijze druk op de jeugdige en/of zijn ouder(s) hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming. Dat wil zeggen de jeugdige en/of zijn ouder(s) mag in dat kader niet door deze persoon worden beïnvloed.
• Is de persoon uit het sociale netwerk in staat om de gevraagde ondersteuning te bieden? En zo ja, waar blijkt dat uit? • Is voldoende aannemelijk dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken? • Is de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende gewaarborgd? Opgemerkt wordt dat de verordening eisen stelt aan de ondersteuning als het pgb wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk. Bedenk ook dat de ouder(s) degenen kunnen zijn aan het wie het pgb wordt besteed. Het belang van de jeugdige en/of zijn ouder(s) die met een pgb eigen regie wil behouden staat altijd voorop. Professionele distantie Bij gespecialiseerde jeugdhulp is het niet toegestaan het pgb te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk (art. 4.2 lid 6 Verordening). Dat laat onverlet dat het college ook in andere gevallen beoordeelt of er sprake is van voldoende professionele distantie tussen de derde aan wie het pgb wordt besteed en de jeugdige en/of zijn ouder(s). Dat wil onder meer zeggen dat het niet de bedoeling is dat de ‘betrokken partijen’ aan elkaar hechten. Afhankelijk van de mate van de beperkingen van de jeugdige kan deze professionele distantie een belangrijke rol spelen bij het behalen van het resultaat dat met de ondersteuning moet worden bereikt.
Zo kan te veel emotionele betrokkenheid van de jeugdhulpverlener een negatief effect hebben op de relatie jeugdigejeugdhulpverlener. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de jeugdhulpverlener. Het college beoordeelt of de jeugdhulpverlener handelt volgens de geldende professionele standaard die geldt in de beroepsgroep. Ook kan het voor komen dat de beoogde ondersteuner al (te) lang betrokken is bij de jeugdige en/of zijn gezinssysteem. Dat kan de professionele kijk op de jeugdige vertroebelen. Ook in die gevallen zal het college moeten beoordelen of nog gesproken kan worden van voldoende professionele distantie met het oog op de kwaliteit van de ondersteuning. De ouders vallen ook onder het sociaal netwerk. 5.9 Overige weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden, besproken onder 5.2 (aanvraag pgb met terugwerkende kracht) en 5.6 (pgbbekwaamheid in brede zin) van deze beleidsregels, geldt nog een aantal situaties waarin het college een pgb kan weigeren. Artikel 8.1.1 lid 4 onderdeel a Jw Het kan voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een duurdere individuele voorziening dan waar het college de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd. In dat geval geldt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het meerdere van de kosten daarvan zelf moet betalen.
Het meerdere dat aan de individuele voorziening wordt besteed wordt dan door het college geweigerd. Let wel ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat het college de kwaliteit daarvan mag
DEF. februari 2024
42
beoordelen maar ook bijvoorbeeld kan nagaan of de jeugdige en/of zijn ouder(s) wel in staat is om duurdere jeugdhulp te bekostigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet bereid is het meerdere zelf te betalen, kan het college overgaan tot het weigeren van het totale pgb. Dit met het oog op de bevoegdheid van het college om te beoordelen of aan de (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan. Bijstorten De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen art. 8 lid 6 Regeling Jeugdwet). In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van maatschappelijke ondersteuning. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders. Artikel 8.1.1 lid 4 onderdeel b Jw Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) een pgb wenst, gaat het college na of een eerder pgb-besluit is ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 onderdeel a, d of e Jw.
Denk aan: • het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing zou hebben geleid, • het niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, of • het pgb is niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt. Uitgangspunt Op grond van dit artikel kan het college als -onder meer- sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de jeugdige en/of zijn ouder(s) een aanvraag voor een pgb weigeren (schending inlichtingenplicht). Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid hanteert het college een grens. De aanvraag voor een pgb wordt geweigerd als de schending van verplichtingen (tot maximaal) twee jaar voorafgaand aan de nieuwe aanvraag heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. 5.10 Hoogte pgb Artikel 4.4 Verordening De verordening bepaalt hoe de hoogte van het pgb van een voorziening voor jeugdhulp wordt vastgesteld. Daarbij gelden gedifferentieerde tarieven voor: jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie en die als Zzp’er werkzaam zijn, personen uit het sociaal netwerk, personen die niet onder een van de genoemde categorieën vallen. Begripsbepalingen In de verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een ZZP’er.
Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief. Opgemerkt wordt dat een persoon uit het sociaal netwerk ook bij een professionele organisatie of als ZZP’er werkzaam kan zijn. Sociaal netwerk Voor personen uit het sociaal netwerk geldt volgens de verordening ook dat altijd een lager tarief van toepassing is dan geldt voor jeugdhulpverleners in dienst bij een professionele organisatie of een ZZP’er. Gemeenten hebben deze bevoegdheid op grond van art. 8.1.1 lid 3 Jw.
DEF. februari 2024
43
5.11 Herindicatie en verzoek om pgb Na afloop van de indicatie kan de jeugdige en/of ouder(s) zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor jeugdhulp. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verstrekking geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de jeugdigen en/of zijn ouder(s) de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan moet worden opgesteld.
DEF. februari 2024
44
6
Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik
Hoofdstuk 5 Verordening 6.1 Inleiding Algemeen De wet schrijft voor dat in de verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid en de kwaliteit van de jeugdhulp (tenzij de Inspectie daartoe bevoegd is) en/of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd. Op het college rust een voorlichtingsplicht om tijdens het onderzoek de jeugdige en/of zijn ouder(s) te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij nietnaleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder.
Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder, maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daarvoor kan aanleiding zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan of een aan een derde gelieerde (rechts)persoon. 6.2 Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van art. 5.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning, tenzij de Inspectie Gezondsheidszorg en Jeugd daartoe bevoegd is. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De jeugdhulpaanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 5.3 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), zal het college daar gevolgen kunnen verbinden.
6.3 Weigering pgb Artikel 5.5 lid 1 Verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de jeugdige en zijn ouder(s) (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens wettelijk vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken. Artikel 5.5 lid 2 Verordening In de verordening worden een aantal situaties beschreven die kunnen leiden tot een weigering van het pgb.
DEF. februari 2024
45
Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Als de derde aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: • onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, • de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwalitatief. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Inschrijving BRP Als de derde niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), dan roept dat de vraag op of de continuïteit van de aangewezen jeugdhulp wel kan worden geboden. De derde die niet staat ingeschreven in de BRP moet daar een afdoende verklaring voor geven. Rechtens zijn vrijheid ontnomen In die gevallen bestaat er feitelijk geen mogelijkheid voor de derde om ondersteuning te bieden. Gewaarborgde hulp De jeugdige en/of zijn ouder(s) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is.
Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: • de keuze van de jeugdhulpverlener, • de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de jeugdhulp, en • de financiële verantwoording rondom het pgb. Deze derde zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgb-verplichtingen. 6.4 Opschorting betaling pgb en opschorting inzet jeugdhulp Artikel 5.7 en 5.8 Verordening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Opschorting betaling pgb algemeen Een opschorting van de pgb-betaling is een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Opschorting van de pgb-betaling is een bevoegdheid, waarvoor het college een gegrond vermoeden moet hebben. Gebruikmaking van de bevoegdheid brengt een belangenafweging met zich mee. Het belang van de jeugdige of ouder(s) aan wie een individuele voorziening (in de vorm van een pgb) is toegekend, wordt afgezet tegen de ernst van het gegronde vermoeden en de opschorting van de pgb-betaling. Er zijn situaties denkbaar waarbij de inzet van de opschorting niet proportioneel is en ook niet voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel.
Dat wil zeggen dat het college dan - gelet op het belang van de jeugdige of ouder(s) - een minder belastend middel zal moeten inzetten om het beoogde doel te bereiken. De toezichthoudende ambtenaar kan bijvoorbeeld op bezoek gaan bij de derde of deze uitnodigen voor een gesprek waarbij desgevraagd bepaalde gegevens overlegd moeten worden. Aan de hand van de uitkomsten van dit gesprek kan het college bijvoorbeeld volstaan met een waarschuwing en een volgend onderzoek in de vorm van een gesprek aankondigen. Daaruit moeten dan in ieder geval verbeterpunten blijken. Een dergelijke werkwijze kan het college ook hanteren als het onderzoek zich richt op de budgethouder. Aan de andere kant kan de ernst van het gegronde vermoeden juist zwaar wegen waardoor er toch tot opschorting van de pgb-betaling wordt overgegaan. Denk aan situaties waarin het belang van de jeugdige of ouder(s) onder druk staat omdat een gegrond vermoeden
DEF. februari 2024
46
bestaat dat hij niet de juiste ondersteuning (aard/omvang/kwaliteit) krijgt waarop hij is aangewezen. In de verordening zijn twee mogelijkheden neergelegd over de opschorting van de pgb-betaling. Opschorting betaling pgb aan de Svb (zie onder 6.5 van deze beleidsregels), Opschorting betaling pgb door de Svb (zie onder 6.6 van deze beleidsregels). 6.5 Opschorting betaling pgb aan Svb Artikel 5.6 Verordening Het college kan de betaling van het pgb aan de Svb voor maximaal 13 weken opschorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, maar het voorschot nog niet heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om dat ook niet te doen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art. 8.1.4 lid 1 onder a, d of e Jw. Gegevens Art. 8.1.4 lid 1 onder a Jw heeft betrekking op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens van de jeugdige en/of zijn ouder(s) die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid. Voorwaarden Art. 8.1.4 lid 1 onder d Jw heeft betrekking op de jeugdige en/of zijn ouder(s) die niet voldoet aan de voorwaarden die aan het pgb zijn verbonden. Gebruik Art.
8.1.4 lid 1 onder e Jw heeft betrekking op de jeugdige of zijn ouders die het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Jeugdige, ouders of derde Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de jeugdige, de ouder(s) maar volgens de verordening ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Zoals gezegd gaat het dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat er sprake is van onjuistheden of iets dergelijks, maar van een gegrond vermoeden dat daar sprake van kan zijn. Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Voorbeelden van een gegrond vermoeden zijn: Een door de Svb -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het budgetplan. Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst. Een concrete tip of signaal die het college heeft ontvangen. Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie). Een (plotselinge) toename van het aantal jeugdigen waar een derde ondersteuning aan biedt die qua omvang een 40-urige werkweek overschrijdt. Schriftelijke kennisgeving Het opschorten van de betaling moet worden aangemerkt als besluit in de zin van een rechtshandeling.
Immers, de opschorting van de betaling van het pgb wijkt af van het toekenningsbesluit. Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de jeugdige en/of zijn ouder(s), dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. De uitkomsten van het
DEF. februari 2024
47
onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden. Dit laat onverlet dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) tegen de opschorting van betaling rechtsmiddelen kan inzetten. Inzet in natura Heeft het gegronde vermoede betrekking op de derde of een daaraan gelieerde (rechts)persoon, dan verstrekt het college hangende het onderzoek tijdelijk individuele jeugdhulp in natura. Immers middels het toekenningsbesluit is bepaald dat er voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) een noodzaak bestaat voor jeugdhulp (al dan niet in de vorm van een pgb). Het college kan van de derde niet verwachten dat hij op de gok de ondersteuning - zonder daarvoor betaald te worden - voortzet. Er bestaat immers ook een risico dat het pgbbesluit met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. 6.6 Verzoek opschorting betaling door Svb Artikel 5.7 Verordening Zoals gezegd zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit. Het college kan de Svb verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om de Svb te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben.
Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit art. 8.1.4 lid 1 onder a, d of e Jw. Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar, volgens de verordening, ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat daar sprake van is. Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Schriftelijke kennisgeving Of het college de budgethouder schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Inzet in natura Of het college voor de budgethouder tijdelijk jeugdhulp in natura inzet, is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Gevolgen onderzoek Het gevolg van het onderzoek kan zijn dat het besluit wordt herzien of ingetrokken en bij gevolg daarvan wordt overgegaan tot terugvordering. Zie verder hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Opschorting inzet jeugdhulp Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij individuele jeugdhulp in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit.
Schriftelijke kennisgeving Of het college de jeugdige of zijn ouder(s) schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Vergelijk de toelichting bij opschorting betaling. 6.7 Opschorting inzet individuele jeugdhulp Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij een individuele voorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit.
DEF. februari 2024
48
Schriftelijke kennisgeving Of het college de ouder(s) of de jeugdige schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie, vergelijk de verschillende toelichtingen onder opschorting betalingen pgb van deze beleidsregels.
DEF. februari 2024
49
7 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terugvordering en invordering Artikel 8.1.3 Jeugdwet Artikel 3.6 Verordening Hoofdstuk 6 Verordening 7.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen van een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om op verzoek van het college, maar ook uit eigen beweging, relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden. Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid (kan-bepaling) gaat, zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden waaromhet college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid. Het college hanteert als uitgangspunt dat als er: geen, een gedeeltelijk of een gewijzigd recht bestaat op jeugdhulp, gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid. Het college vordert dan altijd (het pgb of de geldswaarde van de individuele voorziening) terug, tenzij dringende redenen daaraan in de weg staan. 7.2 Heroverweging besluit Het college is verplicht om pgb-besluiten periodiek te heroverwegen (art. 8.1.3 Jw). De verordening bepaalt dat het college ook de besluiten in natura heroverweegt (art. 3.6 Verordening). De wet en de verordening schrijven niet voor wanneer het college dat moet doen.
Het is aan de professional om daar een inschatting van te maken. Ook kan het college planmatig te werk gaan. Het gaat bij de heroverweging om besluiten waarvan de indicatieduur nog niet is verstrekken, het college heroverweegt dus een bestaand besluit waarbij ondersteuning is toegekend. Bij die heroverweging zijn alle onderzoeksactiviteiten onverkort van toepassing. Dat wil ook zeggen dat de beoordeling of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb onderdeel kan zijn van de heroverweging. De verordening bepaalt dat het college bij de heroverweging niet een verslag van het onderzoek hoeft op te stellen. Periodiek onderzoek jeugdhulp in natura Het college bepaalt in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Het gaat immers om maatwerk. Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden jeugdhulp. Denk aan het wel of niet behalen van het resultaat dat met jeugdhulp is beoogd. Mogelijk dat het bestaande besluit moet worden bijgesteld. Bijvoorbeeld omdat ondersteuningsbehoefte of het niveau daarvan bijgesteld kan (of moet) worden. Wordt de indicatie voor een korte periode verstrekt, dan ligt het niet voor de hand dat het besluit wordt heroverwogen.
De jeugdige en/of zijn ouder(s) zal zich doorgaans opnieuw melden met een hulpvraag (verzoek om verlenging van de indicatie) of het college neemt voor het aflopen van de indicatie zelf contact op met de jeugdige en/of zijn ouder(s). Periodiek onderzoek pgb Ook in geval van een toegekend pgb bepaalt het college in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Ook hier gaat het immers om maatwerk. Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden jeugdhulp tussen de jeugdige en/of zijn ouder(s) en degene aan wie het pgb wordt besteed. Is de indicatie voor een korte periode verstrekt, dan ligt het niet voor de hand dat het besluit wordt heroverwogen. De jeugdige en/of zijn ouder(s) zal zich doorgaans opnieuw melden met een hulpvraag (verzoek om verlenging van de indicatie) of het college neemt voor het aflopen van de indicatie zelf contact op met de jeugdige en/of zijn ouder(s).
DEF. februari 2024
50
Nieuwe melding hulpvraag Het kan voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) een nieuwe hulpvraag heeft. Heeft de aanvraag betrekking op de toegekende ondersteuning, dan beoordeelt het college of er aanleiding is om het bestaande besluit te heroverwegen. De jeugdige en/of zijn ouder(s) kan bijvoorbeeld een wijziging melden in de ondersteuningsbehoefte. In zo’n geval wordt er geen verslag opgesteld. Wel of geen nieuw besluit Nadat het college een bestaand besluit heeft heroverwogen, kan daar een ander (nieuw) besluit op volgen, maar dat hoeft niet. Dat ligt vanzelfsprekend aan de uitkomst van de heroverweging. Het bestaande besluit kan dus intact blijven, maar kan ook worden herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 Jw of art. 6.2 lid 2 Verordening als de jeugdhulp in natura wordt verstrekt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de jeugdige aanspraak kan maken op een indicatie op grond van de Wlz of in de situatie dat de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is gewijzigd. 7.3 Beëindiging Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. De beëindiging van de individuele voorziening of het pgb kan het gevolg zijn van de heroverweging van het besluit.
Andere voorbeelden zijn: verhuizing naar een andere gemeente, het woonplaatsbeginsel is niet meer van toepassing, het niet meer aangewezen zijn op ondersteuning of het overlijden van de jeugdige. Datum beëindiging De datum waarop het besluit wordt beëindigd is afhankelijk van de situatie. Overlijden Wanneer de jeugdige aan wie (voor wie) een pgb is verstrekt is overleden, kunnen gedurende de maand van overlijden nog betalingen door de Svb worden gedaan uit het nog beschikbare (resterende) pgb. Dat wil zeggen dat de jeugdhulp die tot en met de dag van het overlijden is geboden, nog kan worden gedeclareerd. 7.4 Herziening of intrekking Artikel 6.2 Verordening Het (deels) ongedaan maken van het recht over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Daarbij kan het recht afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.
Aanleiding De aanleiding om tot herziening of intrekking van het besluit over te gaan, kan liggen in: het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarbij de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, het niet voldoen aan de aan de individuele voorziening of het pgb verbonden voorwaarden, het niet of voor een ander doel gebruiken van de individuele voorziening of het pgb. Het college beoordeelt of er aanleiding is om het besluit te herzien of in te trekken (art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a, d of e Jw dan wel art. 6.2 lid 2 Verordening). 7.5 Terugvordering: schending inlichtingenplicht Artikel 6.3 Verordening
DEF. februari 2024
51
Art. 8.1.4 lid 3 Jw bepaalt feitelijk de bevoegdheid van het college tot het (geheel of gedeeltelijk) terugvorderen van een pgb als het college het besluit heeft herzien of ingetrokken onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder a Jw. Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om de kosten van een geboden individuele voorziening in natura terug te vorderen, voorziet de verordening daar in (art. 6.3 lid 2 Verordening). De geldswaarde bestaat uit het bedrag van de facturen die het college daarvoor (ten onrechte) aan de jeugdhulpaanbieder heeft betaald. 7.6 Terugvordering: overig Artikel 6.3 Verordening Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het college kan overgaan tot terugvordering, namelijk: • bij het niet voldoen aan voorwaarden verbonden aan de individuele voorziening of het pgb, • als de individuele voorziening of het pgb niet wordt gebruikt of voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt, • bij een onverschuldigde betaling. Niet voldoen aan de voorwaarden Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder d Jw of art. 6.2 lid 2 Verordening als de jeugdhulp in natura wordt verstrekt. Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan.
Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. Niet of voor een ander doel gebruikt Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van art. 8.1.4 lid 1 aanhef en onder e Jw. Als gevolg van het herzienings- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. Onverschuldigde betaling Bij een onverschuldigde betaling gaat het om een betaling die zonder rechtsgrond wordt gedaan. Denk aan de administratieve vergissing door bijvoorbeeld de Svb (zie art. 8.1.8 Jw), of het college in geval van mandaat. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling kunnen ook de (gemaakte) kosten van een individuele voorziening in natura worden verstaan (art. 6.3 lid 2 Verordening). Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in het geval van het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige en/of zijn ouder(s) kan worden teruggevorderd, niets aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt.
Bevoegdheid Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als de jeugdige en/of zijn ouder(s) redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat ten onrechte: jeugdhulp in natura is geboden, het pgb werd uitbetaald. Zelfstandig terugvorderingsbesluit Het gaat bij de onverschuldigde betaling om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Dat wil zeggen dat het college niet eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit hoeft te nemen.
DEF. februari 2024
52
Verjaringstermijn Op grond van art. 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (het college) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling, begintop het moment waarop het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2008:BD6928). 7.7 Invordering De jeugdige en/of zijn ouder(s) is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87 lid 1 Awb). Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet houdt aan de aflosregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art.
8.1.4 lid 3 Jw en art. 6.3 lid 4Verordening). Verder biedt de verordening ook de bevoegdheid tot verrekenen met de verstrekte uitkering voor het levensonderhoud. Verder wordt opgemerkt dat de jeugdige in principe vanaf 18 jaar pas in aanmerking kan komen voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Dringende redenen Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering (invordering) is mogelijk in het geval van dringende redenen. Deze dringende redenen moeten betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering (invordering) en dus niet op de omstandigheden die daartoe hebben geleid. Het gaat daarbij dan om een zodanige bijzondere situatie dat terugvordering (invordering) leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de jeugdigen en/of zijn ouder(s) (vergelijk CRVB:2015:4067). Daarbij wordt opgemerkt dat de bescherming van de beslagvrije voet maakt dat er praktisch gezien vrijwel nooit sprake kan zijn van onaanvaardbare financiële consequenties (vergelijk bijv. CRVB:2016:3749). Terugvorderen van de jeugdige In het geval de jeugdige jonger is dan 18 jaar, budgethouder is en het college voornemens is tot terugvordering over te gaan, dan geldt nog het volgende. Het kan zijn dat niet de jeugdige maar zijn ouder(s) verantwoordelijk zijn voor deze schuld. Is dat het geval, dan gaat het college niet over tot invordering.
DEF. februari 2024
53
8
Slotbepalingen
8.1 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2024. 2. De Beleidsregels jeugdhulp gemeente Dinkelland 2023 worden per 1 januari 2024 ingetrokken. 3. De beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024. Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland van 23 april 2024.
De secretaris,
drs. C.H.A.A. Luttikhuis
DEF. februari 2024
De burgemeester,
J.G.J. Joosten
54
Bijlagen I Richtlijn gebruikelijke hulp Het betreft verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn (mede) gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014. Het college neemt de aard, tijd en frequentie uit deze Beleidsregels als uitgangspunt. Bandbreedte gebruikelijke hulp Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Van boven-gebruikelijke hulp bij kinderen in chronische situaties is pas sprake wanneer de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding substantieel meer is dan een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft. Met substantieel wordt een omvang bedoeld van gemiddeld meer dan een uur per etmaal. Dit uur per etmaal is geen boven-gebruikelijke hulp, maar hoort nog tot gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp en eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen De gebruikelijke hulp van ouders kan bestaan naast een door het college vastgestelde toereikende eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen. Dit betekent dat zogeheten boven-gebruikelijke hulp niet wil zeggen dat het college jeugdhulp hoeft te verlenen. Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv.
ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers; hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
DEF. februari 2024
55
hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie. Bij jonge(re) kinderen is het zo dat ouders de medicatie in principe toedienen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling en bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. II Richtlijn beoordeling (dreigende) overbelasting Algemeen Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het(on)evenwicht tussen draagkracht(belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.
Factoren die van invloed zijn op de draagkracht • lichamelijke conditie ouder(s) • geestelijke conditie ouder(s) • wijze van omgaan met problemen (coping) • motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak • sociaal netwerk Factoren die van invloed zijn op de draaglast • omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose • inzicht van ouder(s) in ziektebeeld van het kind • woonsituatie • bijkomende sociale problemen • bijkomende emotionele problemen • bijkomende relationele problemen
DEF. februari 2024
56
Onderzoek naar de draaglast en draagkracht Het kan soms heel duidelijk zijn dat de ouder(s) overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek, maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd. Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Mogelijke symptomen van overbelasting zijn: • Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug. • Hoge bloeddruk. • Gewrichtspijn. • Gevoelens van slapte. • Slapeloosheid. • Migraine, duizeligheid. • Spierkrampen. • Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid. • Opvliegingen. • Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst.
• Plotseling hevig zweten. • Gevoelens van beklemming in de hals. • Spiertrekkingen in het gezicht. • Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen. Ongeduld. • Vaak huilen. • Neerslachtigheid. • Isolering. • Verbittering. • Concentratieproblemen. • Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen. • Rusteloosheid. • Perfectionisme. • Geen beslissingen kunnen nemen. • Denkblokkades.
DEF. februari 2024
57