Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024 DEF.pdf
Tekst van het document
Daarnaast kan bij (dreigende) overbelasting ook niet meer worden gesproken van de mogelijkheid om het door het college vastgestelde resultaat te bereiken of aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning dan jeugdhulp in natura (art. 4.2 lid 7 Verordening). Toezicht, 24 uurs zorg in de nabijheid algemeen Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt in principe onder de normale hulp, zorg en/of ondersteuning die ouders geacht worden te bieden aan kinderen. De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel. Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Wanneer de mate (aard en omvang) van in de thuissituatie afwijkt van de Richtlijn Hulp, zorg en/of ondersteuning van ouder(s) aan minderjarige kinderen, dan is dat (slechts) een relevante factor die wordt meegewogen bij beoordeling van de noodzaak tot het verstrekken van jeugdhulp. Dit gelet op de aandoeningen, stoornissen en/of beperkingen van de jeugdige. Permanent toezicht Permanent toezicht valt niet onder de normale zorgplicht van ouders. Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen.
Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/(levens)bedreigende gezondheidsen/of gedragssituaties voor jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vergelijk CRVB:2017:3709). Jeugdige vanaf 12 jaar Jeugdigen hebben vanaf 12 jaar het recht een mening te vormen en die vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Dat wil zeggen dat het college de mening van jeugdigen in deze leeftijd moet betrekken bij het onderzoek. Hoewel dat misschien niet voor de hand ligt, kan het zijn dat de jeugdige de hulp, zorg en/of ondersteuning niet (meer) van zijn ouder(s) wil ontvangen terwijl de ouder(s) daartoe wel in staat is. Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen hulp door hen verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond
DEF. februari 2024
20
waarvan kinderen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat betreft hun lichamelijke integriteit. Gescheiden ouders Ook in de situatie dat ouders gescheiden zijn, wordt onderzoek gedaan naar de vraag of de ouder (waar de jeugdige niet woonachtig is) de hulp, zorg en/of ondersteuning redelijkerwijs kan bieden. De ex-echtgenoot kan immers tot de huiselijke kring worden gerekend. Is er sprake van co-ouderschap, dan geldt het uitgangspunt dat van hen wordt verwacht dat zij samen de hulp, zorg en/of ondersteuning bieden. Immers, bij co-ouderschap verdelen ouders feitelijk de zorg voor het kind; zij vallen beiden onder de huiselijke kring.
DEF. februari 2024
21
4
Ondersteuningsbehoeften
Hoofdstuk 3 Verordening 4.1 Inleiding De wettelijke begripsbepaling van jeugdhulp is erg breed en kan bestaan uit verschillende vormen van ondersteuning, hulp en zorg die gericht is op: • het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van specifieke problematiek (jeugdigen en ouders), • het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen, • het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en/of participatie, • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen. Zie ook 2.1 van deze beleidsregels. 4.2 Maatwerk en begrippen Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden, is jeugdhulp ingekocht volgens het Twents model en wordt deze verstrekt op basis van de ondersteuningsbehoefte(n) van de jeugdige en/of zijn ouder(s) met een bijbehorend niveau. Hiermee wordt duidelijk welk resultaat met de ondersteuning moet worden bereikt. Naast de ondersteuningsbehoeften kan het college wonen en verblijf verstrekken. Denk bijvoorbeeld aan pleegzorg en vervanging thuis in de vorm van logeeropvang. Vier ondersteuningsbehoeften Er zijn vier ondersteuningsbehoeften met elk drie niveaus.
Het niveau is gebaseerd op kenmerken van de jeugdige en/of het gezinssysteem (sociaal netwerk). Dat betekent dat ook personen uit het sociaal netwerk een rol kunnen spelen. Zowel in positieve als negatieve zin. Elke ondersteuningsbehoefte is gebaseerd op tijd. Het college maakt daarom ook een inschatting van de omvang en de duur van de ondersteuning. De omvang van de ondersteuning wordt vermenigvuldigd met de prijs. Op deze manier wordt het budget bepaald dat de jeugdhulpaanbieder maximaal kan declareren voor het bereiken van het resultaat. De jeugdhulpaanbieder declareert op basis van de ondersteuningsbehoefte en het niveau dat door het college is vastgesteld. De declaratie voor individuele ondersteuning is gebaseerd op minuutprijzen en de groepsondersteuning is gebaseerd op een prijs per dagdeel (4 uur). Zelfredzaamheid en participatie worden samengevat in dagelijkse handelingen en praktische zaken. Daaronder wordt verstaan: eten medicatie gebruik drinken in en uit bed komen, in stoelen gaan zitten en weer opstaan bewegen, lopen, verplaatsen ontspanning zinvolle activiteit, invulling van de dag, tijdsbesteding etc. aan- en uitkleden gesprek voeren toiletgang lichaamswarmte regelen (bv. kachel hoger/lager kunnen zetten, bijbehorende kleding uitkiezen) lichamelijke hygiëne
DEF. februari 2024
22
deelname aan het maatschappelijk verkeer sociale vaardigheden sociale redzaamheid deelname aan de samenleving huishouden Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren, moet de jeugdige daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Een vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring; door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Leeftijdsadequaat gaat over de vraag wat een passende ontwikkeling is bij de (kalender)leeftijd van de jeugdige. Gedragsproblemen De mate waarin zich (ernstige) gedragsproblemen voordoen bij de jeugdige kan bepalend zijn voor de ondersteuningsbehoefte maar ook voor het bijbehorende niveau. Er is sprake van ernstige gedragsproblemen wanneer een jeugdige een patroon heeft ontwikkeld van negativistisch, opstandig, ongehoorzaam en vijandig gedrag tegenover autoriteitsfiguren, of van gedrag waarbij de grondrechten van anderen en belangrijke sociale normen of regels worden overtreden. De problemen zijn op zijn minst enkele maanden aanwezig. Bovendien moet er sprake zijn van een beperking in het functioneren van de jeugdige en/of van lijdensdruk voor de jeugdige zelf, zijn ouders of omgeving.
Er zijn vier subtypen gedragsproblemen te onderscheiden. Deze hebben de volgende kenmerken: 1. dwars en opstandig gedrag 2. prikkelbaar en driftig gedrag 3. antisociaal gedrag 4. druk en impulsief gedrag Bovenstaande gedragsproblemen kunnen zonder of met agressief gedrag voorkomen. 4.3
Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte 1 en 2
4.3.1 Ondersteuningsbehoefte 1 De jeugdige heeft ondersteuning nodig bij uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het doel van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau A Kenmerken van de jeugdige die onder niveau A vallen zijn: • er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek, • er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context, • de jeugdige kan afspraken te maken over het moment van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering, • de jeugdige of het gezinssysteem heeft voldoende inzicht: kan veranderingen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren, • de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
DEF. februari 2024
in
eigen
23
Ondersteuningsbehoefte 1 niveau B Kenmerken van de jeugdige die onder niveau B vallen zijn: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot, • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren, • de motivatie van de jeugdige/gezinssysteem voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau C Kenmerken van de jeugdige die onder niveau C vallen zijn: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de ondersteuning is niet routinematig, • er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context, • er is hoog risico op escalatie/gevaar, • met de jeugdige/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig, • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren • er kan verscherpt toezicht nodig zijn, • de jeugdige of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling.
Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 4.3.2 Ondersteuningsbehoefte 2 De jeugdige heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, en uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het doel van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau A Kenmerken van de jeugdige die onder niveau A vallen zijn: • er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek, • er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context, • de jeugdige en/of het gezinssysteem kan afspraken te maken over het moment van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering, • de jeugdige heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren, • de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Ondersteuningsbehoefte 2 niveau B Kenmerken van de jeugdige die onder niveau B vallen zijn: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot,
DEF. februari 2024
24
• de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren, • de motivatie van de jeugdige en/of gezinssysteem voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau C Kenmerken van de jeugdige die onder niveau C vallen zijn: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering va de ondersteuning, • de ondersteuning is niet routinematig, • er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context, • er is hoog risico op escalatie/gevaar, • met de inwoner/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig, • de inwoner of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren, • er kan verscherpt toezicht nodig zijn, • de inwoner of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
4.4 Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte 3 en 4 Bij ondersteuningsbehoefte 3 en 4 gaat het om jeugdhulp voor jeugdigen die: • specialistische/therapeutische ambulante ondersteuning nodig hebben; of • behandeling nodig hebben voor de aanpak van een aandoening of stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden waarbij er tenminste één op één contact nodig is met een specialistische behandelaar. Specialistische/therapeutische ondersteuning Bij specialistische, therapeutische ambulante ondersteuning gaat het om trainen, coachen of begeleiden naar zelfstandig(er) functioneren door het aanleren en oefenen van nieuwe vaardigheden. Hieronder worden ook interventies op gezinssysteem niveau verstaan. Dat wil zeggen dat ook personen uit het sociaal netwerk betrokken kunnen worden bij de ondersteuning die door de jeugdhulpaanbieder wordt geboden Wat is behandeling Onder behandeling wordt een aanpak verstaan van psychosociale problemen en/of een psychische/psychiatrische stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden van de ZRM. De behandeling is gericht op: bewust worden van (eigen) mogelijkheden, plan maken om tot gedragsverandering te komen, werken aan gedragsverandering, bestendigen van de gedragsverandering.
Specialistisch behandelaar Bij de ondersteuningsbehoefte 3 en 4 voor jeugd is er ook betrokkenheid van een specialistisch behandelaar noodzakelijk of gewenst voor de uitvoering van de ondersteuning. Voorbeelden van specialistisch behandelaars zijn (Gz-)psycholoog, (ortho)pedagoog(generalist), psychiater, kinderartsen etc.
DEF. februari 2024
25
4.4.1 Ondersteuningsbehoefte 3 De jeugdige heeft specialistische/therapeutische ambulante ondersteuning nodig bij het aanleren van nieuwe vaardigheden die betrekking hebben op het (psychosociaal) functioneren en bijdragen aan gedragsverandering. Het doel is dat de jeugdige een haalbaar niveau van zelfredzaamheid bereikt. Het gedrag van de jeugdige is passend bij de ontwikkelmogelijkheden en helpt de jeugdige om adequaat te functioneren op de relevante leefgebieden. Denk bijvoorbeeld aan een passende interactie met zijn/haar directe omgeving, positief opvoedklimaat scheppen, of creëren van een veilige leefomgeving. De ondersteuning is gericht op het aanleren en oefenen van nieuwe (inter)persoonlijke vaardigheden in het dagelijks functioneren. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 3 niveau A Kenmerken van de jeugdige die onder niveau A vallen zijn: • er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek, • er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context, • de jeugdige en/of het gezinssysteem kan afspraken te maken over het moment van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering, • de zorgvrager heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en • hierop reageren, • de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning.
Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 3 niveau B Kenmerken van de jeugdige die onder niveau B vallen zijn: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot, • de inwoner of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren, • de motivatie van de inwoner/gezinssysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Specifiek voor OB 3b Hiervoor geldt dat er altijd een specialistisch behandelaar betrokken is. Daaronder wordt verstaan dat de jeugdhulpverlener afstemt met een specialistisch behandelaar over de in te zetten methode van de specialistische/therapeutische ondersteuning. Als specialistisch behandelaren zijn aan te merken: 1. Psychiater 2. Klinisch psycholoog 3. Klinisch neuropsycholoog 4. Psychotherapeut 5. Verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel specialistisch behandelaar binnen de verslavingszorg) 6. Verpleegkundig specialist GGZ 7. GZ-psycholoog; 8. VG arts 9. Orthopedagoog-generalist NVO 10. Kinder- en jeugdpsycholoog NIP 11. Medisch specialist
DEF. februari 2024
26
Ook de Gedragswetenschapper (basis orthopedagoog, ontwikkelpsycholoog) wordt als specialistisch behandelaar gezien bij OB 3b. Ondersteuningsbehoefte 3 niveau C Kenmerken van de jeugdige die onder niveau C vallen zijn: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering va de ondersteuning, • de ondersteuning is niet routinematig, • er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context, • er is hoog risico op escalatie/gevaar, • met de jeugdige/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig. • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren, • er kan verscherpt toezicht nodig zijn, • de jeugdige of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Specifiek voor OB 3c Hiervoor geldt dat er altijd een specialistisch behandelaar eindverantwoordelijk is. Onder eindverantwoordelijk wordt verstaan dat er altijd 1 op 1 contact is geweest tussen specialistisch behandelaar en jeugdige en de specialistisch behandelaar eindverantwoordelijk is voor de specialistische/therapeutische ondersteuning.
Er mogen medebehandelaars en/of jeugdhulpverleners worden ingezet, maar deze werken altijd onder eindverantwoordelijkheid van de specialistisch behandelaar. Als specialistisch behandelaren zijn aan te merken: 1. Psychiater 2. Klinisch psycholoog 3. Klinisch neuropsycholoog 4. Psychotherapeut 5. Verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel specialistisch behandelaar binnen de verslavingszorg) 6. Verpleegkundig specialist GGZ 7. GZ-psycholoog 8. VG arts 9. Orthopedagoog-generalist NVO 10. Kinder- en jeugdpsycholoog NIP 11. Medisch specialist Bij OB 3c geldt de gedragswetenschapper niet als specialistische behandelaar. De specialistische behandelaar die eindverantwoordelijk is, is in dienst van de jeugdhulpaanbieder. 4.4.2 Ondersteuningsbehoefte 4 De jeugdige heeft behandeling nodig voor de aanpak van een aandoening of stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden waarbij er tenminste één op één contact nodig is met een specialistische behandelaar. Het resultaat van de behandeling draagt bij aan (inter)persoonlijke vaardigheden zoals beschreven bij Ondersteuningsbehoefte 3. Onder de behandeling valt ook diagnostiek gericht op het in kaart brengen van mogelijkheden en beperkende factoren binnen een ziektebeeld en/of behandeling (procesdiagnostiek) gericht op ontwikkelen van inzichten in eigen handelen en/of nieuwe vaardigheden.
Er zijn vijf niveaus te onderscheiden.
DEF. februari 2024
27
De indeling van de niveaus A, B en C zegt iets over de kenmerken van de jeugdige en/of het gezinssysteem. Niveau E en F betreffen specifieke (deel)vormen van ondersteuning binnen OB4. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau A Kenmerken van de jeugdige die onder niveau A vallen zijn: • er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek, • er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context, • de jeugdige en/of het gezinssysteem kan afspraken te maken over het moment van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering, • de jeugdige heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren, • de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau B Kenmerken van de jeugdige die onder niveau B vallen zijn: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot, • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren, • de motivatie van de jeugdige/gezinssysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Ondersteuningsbehoefte 4 niveau C Kenmerken van de jeugdige die onder niveau C vallen zijn: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering va de ondersteuning, • de ondersteuning is niet routinematig, • er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context, • er is hoog risico op escalatie/gevaar, • met de jeugdige/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig, • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren, • er kan verscherpt toezicht nodig zijn, • de jeugdige of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Specifiek voor OB 4, niveau A, B en C Hiervoor geldt dat een specialistische behandelaar eindverantwoordelijk is. Als specialistisch behandelaren worden aangemerkt: 1. Psychiater 2. Klinisch psycholoog 3. Klinisch neuropsycholoog 4. Psychotherapeut 5. Verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel regiebehandelaar binnen de verslavingszorg)
DEF. februari 2024
28
6. Verpleegkundig specialist GGZ 7. GZ-psycholoog 8. VG arts 9. Orthopedagoog-generalist NVO 10. Kinder- en jeugdpsycholoog NIP 11. Medisch specialist Er mogen medebehandelaars worden ingezet, maar deze werken altijd onder eindverantwoordelijkheid van de specialistisch behandelaar. De specialistisch behandelaar moet in dienst zijn van de jeugdhulpaanbieder. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau E Niveau E betreft de afzonderlijke medicatiecontrole voor jeugd en is een verbijzondering van ondersteuningsbehoefte 4. Dit geldt alleen voor jeugdhulpaanbieders die medicatiecontrole inzetten voor kinderen met ADHD en gedragsproblemen. Wanneer een zorgaanbieder binnen de behandeling medicatiecontrole inzet, dan valt dit onder ondersteuningsbehoefte 4A, B of C. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau F Niveau F betreft de diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie. Dyslexie wordt gezien als een psychische stoornis in de zin van de wet (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 119). Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalering van jeugdigen met dyslexie omdat in het onderwijs lees-/spellingproblemen als eerste herkend zullen worden. Voor de behandeling van dyslexie zal een diagnose gesteld moeten worden. Dyslexiezorg omvat de zorg in verband met ernstige dyslexie (ED en zie CRVB:2018:3454).
Organisaties die voldoen aan de landelijke richtlijnen voor ED zorg kunnen diagnostiek gericht op ED bieden aan jeugdigen die basisonderwijs volgen. Doorgaans in de leeftijd van 7-13 jaar. De behandeling wordt pas ingezet als begeleiding uit het onderwijs tot onvoldoende resultaat heeft geleid. ED-ondersteuning is aanvullend op onderwijsondersteuning die gelijktijdig plaatsvindt. 4.5 Individuele ondersteuning of groepsgerichte ondersteuning Het college stelt de ondersteuningsbehoefte en het bijbehorend niveau vast. Daarmee wordt het resultaat bepaald dat de jeugdhulpaanbieder die de ondersteuning zal gaan bieden, moet bereiken. Er kunnen meerdere resultaten binnen de ondersteuningsbehoefte worden vastgesteld. Ook kan het zijn dat verschillende ondersteuningsbehoeften bijdragen aan één resultaat. Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel of groepsgewijs worden ingezet. Voor de groepsgerichte ondersteuning geldt dat het methodisch moet zijn, gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid van de jeugdige bevorderen. Groepsgerichte ondersteuning bestaat uit een structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij de jeugdige actief wordt betrokken en die hem zingeving biedt anders dan arbeid of onderwijs.
De jeugdige moet per dagdeel minimaal 3 uren kunnen deelnemen aan de groepsgerichte ondersteuning. 4.5.1 Ondersteuning Flexibel Groepsverband Jeugdwet (OFGJ) Sinds 1 maart 2023 is OFGJ beschikbaar. De flexibele groepsgerichte inzet kent geen minimumaantal uren per dag(deel). In de ochtend kan bijvoorbeeld een uur OFGJ geboden worden, om vervolgens in de middag nog een uur OFGJ te bieden. Het kenmerk van de zorg is dat het om planbare ondersteuning, therapie of behandeling gaat. Individuele ondersteuningsbehoefte Voor jeugdigen met een individuele ondersteuningsbehoefte op het gebied van begeleiding, therapie of behandeling kan OFGJ worden ingezet. Het gaat bij OFGJ ook over de te behalen resultaten die voor de
DEF. februari 2024
29
individuele jeugdige met de in te zetten ondersteuning zorg behaald moeten worden. Dit conform het afsprakenoverzicht tussen de aanbieder en de gemeente. Ondersteuningsbehoefte 1 OFJG Groepsgewijze ondersteuning gericht op het aanleren of in stand houden van vaardigheden op het gebied van o.a. dagelijkse handelingen, sociale en praktische vaardigheden waarbij de jeugdige in staat is om de eigen regie over zijn ADL te voeren en deel te kunnen nemen aan de maatschappij. De begeleiding is erop gericht ervoor te zorgen dat de jeugdige: zijn zelfredzaamheid stimuleert op alle levensgebieden en tekorten daarin aanvult; praktische en sociale vaardigheden leert en zich eigen maakt; aangeleerde vaardigheden behoudt; deelneemt aan het maatschappelijk leven. Er kan gedragsproblematiek aan de orde zijn. Overig Deze vorm kan worden ingezet op dezelfde basis als de reguliere groepsinzet maar dan per uur. De opleidingseis is minimaal MBO 3. Ondersteuningsbehoefte 2 OFJG Groepsgewijze ondersteuning gericht op het aanleren van dagelijkse handelingen en (sociale en praktische) vaardigheden waarbij de jeugdige ook ondersteuning behoeft in het voeren van regie op het gebied van ADL en het leeftijdsadequaat uitvoeren van de dagelijkse handelingen en vaardigheden.
De begeleiding is erop gericht ervoor te zorgen dat de jeugdige: zijn zelfredzaamheid stimuleert op alle levensgebieden en tekorten daarin aanvult; in staat is om het sociale leven (ook emotioneel en cognitief) zelfstandig vorm te geven passend bij de ontwikkeling; praktische en sociale vaardigheden leert en zich eigen maakt gericht op het zelfstandig functioneren. Te denken aan: om hulp kunnen vragen, nee kunnen zeggen, grenzen van zichzelf en de ander (h)erkennen, feedback en complimenten kunnen geven en ontvangen, positioneren in een groep, zelfvertrouwen. aangeleerde vaardigheden behoudt; deelneemt aan het maatschappelijk leven. Overig Er kan sprake zijn van matige of ernstige gedragsproblematiek. Er zijn vragen en problemen op meerdere leefgebieden en er bestaat een risico dat deze escaleren. Er zijn veiligheidsrisico’s vanwege onvoorspelbaarheid in gedrag en ondersteuningsbehoefte. Deze vorm kan worden ingezet op dezelfde basis als de reguliere groepsinzet maar dan per uur. De opleidingseis is minimaal MBO 4. Ondersteuningsbehoefte 3 OFJG Groepsgewijze ondersteuning is gericht op het aanleren van nieuwe vaardigheden die betrekking hebben op het (psychosociaal) functioneren en het bijdragen aan gedragsverandering.
Er is sprake van specialistische/therapeutische interventies voor het aanleren van nieuwe vaardigheden die betrekking hebben op het (psychosociaal) functioneren en bijdragen aan gedragsverandering, met als doel dat de jeugdige een
DEF. februari 2024
30
haalbaar niveau van zelfredzaamheid heeft bereikt, het gedrag van de jeugdige passend is bij de ontwikkelmogelijkheden en de jeugdige leert adequaat te functioneren op relevante leefgebieden. De begeleiding bij de jeugdige is gericht op: het versterken van de autonomie, assertiviteit, zelfvertrouwen, zelfbeeld; het reguleren en uiten van emoties, het reguleren van impulsen, prikkelverwerking en agressie; het leren voelen, bepalen, hanteren en aangeven van grenzen; het contact maken met het eigen gevoelsleven en dit contact versterken; het reguleren van spanning, reduceren van stress en het leren ontspannen; het verbeteren van de lichaamsbeleving en het herkennen van lichaamssignalen; de verwerking van verlieservaringen en ingrijpende veranderingen een plaats kunnen geven; het verbeteren van de omgang met anderen en het verbeteren van het sociaal functioneren. Beperkt in omvang Bijvoorbeeld 26 x en maximaal 120 minuten per sessie waarvan 90 minuten directe tijd en 30 minuten indirecte tijd en de duur is maximaal 1 jaar om de effectiviteit te waarborgen. Overig Bij vaktherapie is registratie bij beroepsvereniging verplicht. De opleidingseis is minimaal HBO.
Ondersteuningsbehoefte 4 OFJG Groepsgewijze ondersteuning gericht op behandeling voor de aanpak van een aandoening of stoornis en bij behorende problemen op verschillende levensgebieden, waarbij er tenminste één op één contact nodig is met een specialistische behandelaar. Inzet van de groepsgewijze behandeling is onderdeel van een totaal behandelplan gericht op het ingrijpen van de aandoening en vermindering van klachten. De behandeling is gericht op: zelfcontrole (sociale vaardigheden, moreel redeneren en boosheid controle); emotieregulatie; denkpatronen, gevoelens en gedrag; omgaan met relaties en conflicten; trauma, angsten en fobieën; identiteit; mentaliseren. Beperkt in omvang Bijvoorbeeld 26 x en maximaal 120 minuten per sessie waarvan 90 minuten directe tijd en 30 minuten indirecte tijd en de duur is maximaal 1 jaar om de effectiviteit te waarborgen. Overig Betreft het alleen een vorm van (vak-)therapie, dan valt deze onder de O3FGJ. De opleidingseis is minimaal HBO+. 4.6 Wonen en verblijf Naast de vastgestelde ondersteuningsbehoefte kan er een (aanvullende) behoefte zijn aan wonen en verblijf. Het gaat daarbij om accommodaties waar wonen en verblijf wordt geboden inclusief:
DEF. februari 2024
31
• eten en drinken, • verschillende hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, keuken, portier, gastvrouw, slaapdienst, bewaking en nachtwacht), en • een passend leefklimaat (ondersteuning per etmaal ter vervanging van de thuissituatie). Passend leefklimaat Met passend wordt bedoeld dat het leefklimaat en de fysieke omgeving geschikt zijn voor de leeftijd en/of de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Onder het leefklimaat valt bijvoorbeeld: medicatiegebruik, in en uit bed komen, mobiliteit, ontspanning, zinvolle activiteit, vrijetijdsbesteding (zoals hobby, sport etc.), aan- en uitkleden, gesprek voeren, toiletgang, lichamelijke hygiëne, sociale vaardigheden, sociale redzaamheid, deelname aan de samenleving, samen naar de speeltuin, knutselen of gamen. De invulling van wat een passend leefklimaat voor de jeugdige is, hangt ook af van zijn zelfredzaamheid en de mate waarin hij deel kan nemen aan recreatieve en sociaal-culturele activiteiten. De volgende vormen van wonen en verblijf zijn beschikbaar: • Pleegzorg (dakje 0-A) • Gezinsopvang (dakje 0-B) • Vervanging thuis zonder bijzonderheden (dakje 1) • Vervanging thuis met actief toezicht (dakje 2) • Vervanging thuis met onvoorspelbaar gedrag (dakje 3) • Hoog specialistische 24-uurs zorg Voor dakje 0 en 1 geldt dat deze ook zelfstandig kunnen worden ingezet; er kán samenloop zijn met ondersteuningsbehoeften, maar dit hoeft niet.
Er wordt naar gestreefd jeugdigen zoveel mogelijk te laten opgroeien in een gezin. Is dat in het eigen gezin (tijdelijk) niet mogelijk, dan kan dit plaatsvinden in een pleeggezin of een gezinshuis. Dit noemen we de duurzame gezinsvormen. Bij het vinden van een adequate plek voor een jeugdige wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden van een duurzame gezinsvorm, te beginnen met een pleeggezin. Het matchen van een jeugdige met pleeg- of gezinshuisouders is een vak apart en vereist specifieke deskundigheid. 4.6.1 Pleegzorg (dakje 0-A) Pleegzorg is het (tijdelijk) opvoeden en verzorgen van een jeugdige uit een ander gezin. Pleegouders bieden kinderen een thuis, waar ze kunnen rekenen op veiligheid, stabiliteit en een positief opvoedklimaat. Twee soorten pleegzorg Er bestaat bestandspleegzorg en netwerkpleegzorg. Bij netwerkpleegzorg zijn de pleegouders geworven uit het netwerk van de jeugdige en zijn systeem. De jeugdige kent de pleegouders. Bij bestandspleegzorg komen de pleegouders uit het bestand van de jeugdhulpaanbieder. Pleegzorg kan zowel in fulltime variant als deeltijdvariant verstrekt worden. Bij de deeltijdvariant gaat het vaak om preventieve hulp voor een pleeggezin waar de zorg en opvoeding de (pleeg)ouders te zwaar valt. Het is dus een vorm van respijtzorg. Het doel van de deeltijdvariant is het voorkomen van een uithuisplaatsing of break down.
Pleegzorgvergoeding Pleegouders zijn vrijwilligers en ontvangen dus geen salaris. De pleegzorgvergoeding die zij ontvangen is bedoeld om de kosten voor het kind te dekken. De pleegzorgbegeleiding (minimaal 1 keer per 6 weken) vanuit de instelling bestaat uit: • het bevorderen en volgen van een veilige en gezonde ontwikkeling van het kind en tijdig signaleren wanneer deze stagneert
DEF. februari 2024
32
• het begeleiden van de (specifieke) opvoeding van het kind in het pleeggezin • het coördineren en verbinden van het informele en formele systeem rondom het kind (onderlinge relaties tussen pleegouders, ouders en het kind) • het creëren van helderheid over het perspectief en het bewaken van de continuïteit • rapportage en evaluatie Crisispleegzorg Wanneer in verband met een ernstige bedreiging van de veiligheid van de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt besloten (in vrijwillig of justitieel kader) tot directe plaatsing in een crisispleeggezin, wordt de zorg vooral gericht op stabilisatie, veiligheid en rust. Het verblijf in het crisispleeggezin is ondersteunend aan het proces dat met de ouders wordt doorlopen om voor het kind weer een veilige gezinssituatie te realiseren. 4.6.2 Gezinshuizen (dakje O-B) Een gezinshuis is een vorm van kleinschalige jeugdhulp waarin gezinshuisouder(s) op professionele wijze vormgeven aan de verzorging, opvoeding en begeleiding van een aantal jeugdigen die geplaatst worden in hun eigen gezin. Daarvoor is vereist dat ten minste één van de gezinshuisouders een jeugdzorgprofessional is die SKJ geregistreerd is. Daarnaast moet zijn voldaan aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen. Op basis van dat kwaliteitskader mag een gezinshuis niet meer dan zes jeugdigen gelijktijdig opvangen.
Daarnaast moet het gezinshuis in het bezit zijn van het keurmerk gezinshuizen van de Rudolphstichting of in procedure zijn om dit keurmerk te krijgen. Zonder dit keurmerk moet op andere wijze worden aangetoond dat het gezinshuis aan de inhoudelijke eisen van dit keurmerk voldoet. De jeugdige vraagt vanwege de gezins- en kindproblematiek een specifieke benadering bij het opgroeien en ontwikkelen. De gezinshuisouders werken samen met ouders en jeugdige aan een gezonde ontwikkeling van het kind, op basis van een zorgplan. De jeugdige blijft zo mogelijk contact onderhouden met het eigen gezin. Per jeugdige wordt gebruik gemaakt van een gedragswetenschapper voor gemiddeld 36 uur per jaar. Ondersteuningsbehoeften De gezinshuisouders zijn verantwoordelijk om te zorgen voor een passend leefklimaat. Dit betekent dat er binnen het gezinshuis aandacht wordt besteed aan onder meer: verzorging, opvoeding, veiligheid, ontwikkeling en stabiliteit. De gezinshuisouders bieden: emotionele steun, autonomie en ruimte, structureren en grenzen stellen, informatie en advies geven, begeleiding van de interactie van jeugdigen en ouders. Dat kan betekenen dat er geen aanvullende ondersteuningsbehoeften 1 en 2 ingezet hoeven te worden.
4.6.3 Vervanging thuis zonder bijzonderheden (dakje 1) Het gaat bij deze vorm van wonen en verblijf om vervanging van de thuissituatie in een professionele 24 uursetting waarbij betaalde professionele hulp wordt ingezet. Er is een professional aanwezig op de momenten dat de jeugdige dit nodig heeft en op de momenten dat er wordt gealarmeerd. De mate waarin dit noodzakelijk is, is leeftijd- en persoonsafhankelijk. Bij deze vorm van wonen en verblijf kan het gaan om kortdurend verblijf, maar ook om kamertraining voor jeugdigen. Kenmerken van de jeugdige De jeugdige functioneert sociaal redelijk zelfstandig, maar voor de sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Het gaat met name om toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk leven. De jeugdige heeft voor wat betreft de psychosociale/cognitieve functies af en toe hulp, toezicht of sturing nodig. Bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) functioneert de jeugdige leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar.
DEF. februari 2024
33
Ondersteuningsbehoeften Deze vorm van wonen en verblijf kan aanvullend verstrekt worden wanneer daar, naast een ondersteuningsbehoefte, behoefte aan is. De jeugdhulpaanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert, is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. 4.6.4 Vervanging thuis met actief toezicht (dakje 2) Deze vorm van wonen en verblijf is bestemd voor jeugdigen die onvoorspelbaar gedrag vertonen en daarom zijn aangewezen op 24 uurs actief toezicht door betaalde professionals. Ook is er een (pedagogisch) gekwalificeerde slaapdienst aanwezig. Wanneer nodig is er 24 uur per dag op afroep een behandelaar beschikbaar. Er is sprake van vervanging van de thuissituatie die bestaat uit een veilige omgeving. Vanwege de complexiteit van de problematiek en het feit dat de jeugdige niet thuis kan wonen, heeft de jeugdige specifieke zorg nodig. De huisvesting is passend bij het gedrag van de jeugdige, dit betekent dat het een veilige omgeving is die ook bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Toezicht op de jeugdige is op een fysiek goede manier geregeld omdat de locatie zo is gebouwd en/of vormgegeven dat er goed toezicht gehouden kan worden, met als doel de veiligheid te bewaken. Denk bijvoorbeeld aan voldoende ramen/vensters vanaf de hal e.d. zodat zichtbaar is wat er gebeurt.
Kenmerken jeugdige De jeugdige vertoont onvoorspelbaar gedrag, er is sprake van gedragsproblematiek. Voor de ondersteuning geldt dat de problematiek zowel van psychische als psychiatrische aard kan zijn. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag en reactief gedrag aangaande interactie. Op het gebied van sociale redzaamheid heeft de jeugdige vaak hulp en soms overname nodig, hij kan taken vaak niet zelf uitvoeren. Het gaat dan met name om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Voor wat betreft het psychosociaal/cognitief functioneren heeft de jeugdige af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Op het gebied van de ADL functioneert de jeugdige leeftijdsadequaat, maar is er wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken. Denk aan de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid en bij het wassen, eten en drinken. Rond de mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. Ondersteuningsbehoeften Deze vorm van wonen en verblijf kan aanvullend verstrekt worden wanneer daar, naast een ondersteuningsbehoefte, behoefte aan is. De jeugdhulpaanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert, is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat.
4.6.5 Vervanging thuis met onvoorspelbaar gedrag (dakje 3) Bij deze vorm van wonen en verblijf is er sprake van vervanging van de thuissituatie die bestaat uit een veilige omgeving voor de jeugdige die zeven dagen in de week behoefte heeft aan 24 uurs toezicht. Vanwege de complexiteit van de problematiek en het feit dat de jeugdigen geen thuis hebben om op korte termijn naar terug te keren, hebben zij specifieke zorg nodig. Daarom is naast bewaking ook een (pedagogisch) gekwalificeerde (slaap)dienst beschikbaar. Op afroep is 24 uur per dag een behandelaar beschikbaar. De woonomgeving is passend bij het gedrag van de jeugdige. Dat wil zeggen een veilige omgeving voor de jeugdige die ook en bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Toezicht op de jeugdige is op een fysiek goede manier geregeld door bijvoorbeeld cameratoezicht en gereguleerde toegang tot de ruimten. Er is een adequaat alarmeringssysteem en directe back-up van collega's aanwezig. De woonomgeving is passend bij het gedrag van de jeugdige. Dat wil zeggen een veilige omgeving voor de jeugdige die tevens bestand is tegen mogelijk geweld/molest.
DEF. februari 2024
34
Kenmerken jeugdige De jeugdige vertoont onvoorspelbaar gedrag; er is sprake van ernstige gedragsproblematiek. De problematiek kan zowel van psychische als psychiatrische aard zijn. De jeugdige heeft continu sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag, reactief gedrag met betrekking tot interactie, zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag, angsten en psychosomatiek. Ook voor wat betreft het psychosociaal/cognitief functioneren heeft de jeugdige vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Sociale redzaamheid Op het gebied van sociale redzaamheid heeft de jeugdige veel hulp nodig. Hij/zij kan taken vaak met veel moeite zelf uitvoeren en heeft daarbij veel hulp of zelfs overname nodig. Het gaat vooral om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Voor wat betreft het psychosociaal/cognitief functioneren heeft de jeugdige af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Op het gebied van de ADL functioneert de jeugdige leeftijdsadequaat, maar er is wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken. Denk aan de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid en bij het wassen, eten en drinken.
Rond de mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) Bij de jeugdige kan een uitgebreide behoefte aan hulp zijn, onder andere bij het eten en drinken, bij het zich wassen en kleden, de toiletgang. Bij deze jeugdige kan sprake zijn van verpleegkundig handelen als gevolg van fysieke gezondheidsproblemen. Rond de mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. Ondersteuningsbehoeften Deze vorm van wonen en verblijf kan aanvullend verstrekt worden wanneer daar, naast een ondersteuningsbehoefte, behoefte aan is. De jeugdhulpaanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. 4.6.6 Hoog specialistische 24-uurs zorg Naast de hiervoor genoemde Dakjes is er nog een andere individuele voorziening beschikbaar in de vorm van wonen en verblijf. Het gaat om hoog specialistische zorg voor jeugdigen met complexe problematiek (vaak gedragsproblematiek in combinatie met GGZ-problematiek). Deze specialistische hulp wordt gecombineerd aangeboden met onderwijs en vrije tijd. 4.7 Vervoer Onder groepsondersteuning valt tevens het noodzakelijke vervoer zodat de jeugdige ook feitelijk van de groepsondersteuning gebruik kan maken. De jeugdige die niet in staat is om op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, van een naar locatie te reizen kan in aanmerking komen voor vervoer.
Onder anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt de noodzaak op basis van art. 3.5 Verordening.
DEF. februari 2024
35
5 Persoonsgebonden budget Hoofdstuk 4 en 5 Verordening § 2 Nadere regels Financieel besluit 5.1 Inleiding Een pgb vertegenwoordigt de geldswaarde van een individuele voorziening die het college in natura zou verstrekken aan de jeugdige of zijn ouder(s). Dat betekent dat met het toegekende pgb tenminste de goedkoopst passende geïndiceerde individuele voorziening ingekocht moet kunnen worden bij tenminste één jeugdhulpverlener (vergelijk CRVB:2018:3093, CRVB:2018:2829). Dat betekent ook dat de indicatie (mede) bepalend is voor de hoogte van het pgb. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet zijn voldaan aan een aantal wettelijke voorwaarden en de bepalingen daarover in de verordening. De huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts kunnen alleen een verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp in natura doen. Uit de wet volgt dat het pgb bestemd is voor besteding door in Nederland verblijvende jeugdigen en/of ouder(s). De jeugdige of zijn ouder(s) moeten om een pgb verzoeken. Dat wil zeggen dat het college zowel beslist op het verzoek om jeugdhulp als ook op de leveringsvorm pgb. Als de jeugdige of zijn ouder(s) voor een pgb in aanmerking wensen te komen, dan beoordeelt het college eerst welke bepalingen in de verordening van toepassing zijn op de situatie en daarna ook de wettelijke voorwaarden.
5.2 Pgb met terugwerkende kracht Artikel 4.1 lid 2 Verordening Is een indicatie voor een individuele voorziening is vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college verzoekt om deze met terugwerkende kracht te verstrekken. Beoordeling Pgb met terugwerkende kracht Het college is niet gehouden om een individuele voorziening in de vorm van een pgb te verstrekken als de (gevraagde) individuele voorziening al vóór de aanvraag is gerealiseerd (vergelijk CRVB:2020:1099). Onbekendheid van jeugdigen of ouders met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Het college kan wel schriftelijk toestemming verlenen voor het realiseren van een individuele voorziening ná het indienen van een aanvraag maar voordat het college daarop heeft beslist. Ingangsdatum jeugdhulp Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor jeugdhulp er wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. Dit laat overigens onverlet dat de inzet van spoedzorg onverkort van toepassing blijft. 5.3 Besteding pgb algemeen Artikel 4.1 lid 3, 4.2 en 5.4 Verordening en artikel 3.2 Nadere regels Verblijf buiten de gemeente of buitenland De inzet van jeugdhulp is bestemd en gericht op jeugdigen die in Nederland verblijven.
Behoudens het woonplaatsbeginsel voor jeugdigen, gaat het doorgaans om jeugdigen die feitelijk hun hoofdverblijf in de gemeente Dinkelland hebben. Wel kan de jeugdhulp in de vorm van wonen en verblijf buiten de gemeente ingekocht worden met een pgb. In de praktijk betekent dit dat het verstrekte pgb in andere situaties niet mag worden besteed in het geval de jeugdige buiten de gemeente of in het buitenland verblijft. Denk bijvoorbeeld aan vakantie. Het is toegestaan om maximaal 13 weken per kalenderjaar, waarvan zes weken aaneengesloten, een pgb te besteden buiten de gemeente of in het buitenland. Het gaat in de praktijk om situaties waarbij degene
DEF. februari 2024
36
aan wie het pgb wordt besteed de jeugdhulp ook daadwerkelijk biedt. Dat zal in de praktijk doorgaans de ouder zijn. Het college kan de termijnen op aanvraag verlengen als zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor verlenging is aangewezen. Daarvan zal in de praktijk zelden sprake zijn. Gebruikelijke hulp en overbelasting De verordening bepaalt dat het pgb niet mag worden besteed aan de ouder(s) als: • het activiteiten betreft die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen mogelijkheden en het oplossend vermogen van de ouder(s); • de ouder(s) overbelast zijn of dreigen te geraken. Het college stelt in het individuele geval vast of daar sprake van is. Zie hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Diverse kosten en verantwoordingsvrij bedrag Verder schrijft de verordening voor dat bepaalde kosten niet uit het pgb mogen worden betaald, zoals bemiddelingskosten. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Overlijden In geval van overlijden van de jeugdige hanteert het college geen eenmalige uitkering aan de derde die ondersteuning verleent. De zorgovereenkomst stopt ter stond en er kan worden gedeclareerd tot en met de sterfdag van de jeugdige.
Specialistische jeugdhulp Bij een indicatie voor specialistische jeugdhulp (ondersteuningsbehoefte 3 en 4) is niet toegestaan om het pgb te besteden aan de ouder(s) en/of andere personen uit het sociaal netwerk. Dit los van de vraag of zij daartoe beroepshalve gekwalificeerd zijn. Voor specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen met voldoende professionele afstand om zo objectief en onafhankelijk te kunnen handelen. Ouders en/of personen uit het sociaal netwerk hebben deze professionele afstand niet omdat zij vanuit hun hoedanigheid (te veel) betrokken zijn op de jeugdige. Besteding pgb sociaal netwerk Uit het verzoek om een pgb kan blijken dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wensen te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals: de ouder(s) van de jeugdige, een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De verordening bepaalt dat het pgb alleen hen mag worden besteed als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is. Het ligt op de weg van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het Budgetplan.
Beoordeling aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger Uit de informatie die de jeugdige en/of zijn ouder(s) overleggen, moet duidelijk worden dat de besteding van het pgb aan de ouder(s) of een andere persoon uit het sociaal netwerk, eenvoudig gezegd, uiteindelijk tot een beter resultaat zal leiden. Dit ten opzichte van de inzet in natura. Dat kan het geval zijn als de persoon uit het sociaal netwerk, volgens een deskundige, de meest aangewezen persoon is om de jeugdhulp te bieden. Dit gelet op de problematiek van de jeugdige. Het kan ook te maken hebben met de aangewezen jeugdhulp, die: niet goed vooraf is in te plannen, op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden,
DEF. februari 2024
37
op verschillende locaties moet worden geleverd, op afroep te organiseren moet zijn, door de aard van de problematiek van de jeugdige alleen (of beter) door de betreffende persoon kan worden geboden, door de jeugdige gemotiveerd wordt geaccepteerd. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Kortdurend Gaat het om het aanleren van activiteiten, dan is aannemelijk dat dit meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de jeugdige staat. Dat geldt vooral als de te verstrekken ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn. Dit kan bijv. aan de orde zijn als de jeugdige leerbaar is. Het college kan zich dan op het standpunt stellen dat gecontracteerde professionele ondersteuning in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een pgb dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed. Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval zes maanden verstaan (vergelijk ook CRVB:2011:BU3228). Kwaliteitseisen De hoofdregel is dat de kwaliteitseisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod ook gelden voor de derde aan wie het pgb wordt besteed (art. 5.4 Verordening). Dat zou alleen anders kunnen zijn als door die eisen, die specifiek voor het gecontracteerde aanbod gelden, het pgb onbereikbaar wordt.
Daarom gelden de toepasselijke opleidingseisen bijvoorbeeld niet voor personen uit het sociaal netwerk. De eis dat de in te kopen jeugdhulp moet voldoen aan kwaliteit, geldt wel onverkort. Besteding van het pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk mag alleen onder de voorwaarden van de verordening (zie hiervoor). De persoon uit het sociaal netwerk moet vanzelfsprekend in staat zijn veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte jeugdhulp te verstrekken, die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Voor personen die behoren tot het gezin van de jeugdige, kan een uitzondering worden gemaakt voor de eis dat zij moeten beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Denk aan de situatie dat het college op basis van informatie geen aanleiding heeft om te twijfelen dat zij ondersteuning niet veilig kunnen bieden. In de praktijk zal het doorgaans om de ouder(s) gaan. Besteden binnen de termijn Verder bepaalt de verordening de termijn waarbinnen het pgb moet zijn besteed. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.
5.4 Budgetplan Artikel 4.3 Verordening Voor de jeugdige of zijn ouder(s) die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Het college draagt er zorgt voor dat het Budgetplan ook daadwerkelijk kan worden ingediend door een format van een Budgetplan beschikbaar te stellen. Beoordeling Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat het college beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 8.1.1 lid 2 Jw en de eventuele overige bepalingen in de verordening. Denk in dit kader ook aan de voorwaarden die gelden als de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een persoon van het sociaal netwerk (art. 4.2 lid 5 6 verordening).
DEF. februari 2024
38
5.5 Voldoen aan voorwaarden Artikel 8.1.1 lid 2 Jw Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de voorwaarden. Het spreekt voor zich dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens verschaft dan wel zijn medewerking verleent aan het onderzoek (art. 8.1.2 lid 3 Jw en art. 6.2 lid 1 Verordening). De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. 5.6 Pgb-bekwaamheid Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet als eerste beoordelen of de jeugdige of zijn ouder(s) pgb-bekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De jeugdige of zijn ouder(s) weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De jeugdige of zijn ouder(s) moet dat zelf kunnen vertellen. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de jeugdige of zijn ouder(s) digitaal vaardig is. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De jeugdige of zijn ouder(s) weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is.
Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de de jeugdige of zijn ouder(s) zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt. 4. Communiceren met de gemeente, de Svb en ondersteuners. De jeugdige of zijn ouder(s) moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de Svb beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de jeugdige of zijn ouder(s) dat zelf aangeven. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen. De jeugdige of zijn ouder(s) moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze (moeten) gaan geven. 6. Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De jeugdige of zijn ouder(s) moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt (conform de overeenkomst). Omgekeerd moet de jeugdige of zijn ouder(s) kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is. 7. Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is. Als de jeugdige of zijn ouder(s) de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is.
Als de ondersteuning niet volgens afspraak verloopt, moet de jeugdige of zijn ouder(s) zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat. 8. Zelf de ondersteuning regelen met één of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De jeugdige of zijn ouder(s) moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de jeugdige passen. De jeugdige of zijn ouder(s) moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf vervanging kunnen regelen. 9. Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken weten wat ze moeten doen. De jeugdige of zijn ouder(s) durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De jeugdige of zijn ouder(s) betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De jeugdige of zijn ouder(s) moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen. 10. Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Het is niet erg als de jeugdige of zijn ouder(s) sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de jeugdige of zijn ouder(s) moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden.
Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven. Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
DEF. februari 2024
39
Overnemen van de bekwaamheid Is de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet pgb-bekwaam, dan kan iemand uit het sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde dat overnemen. Het college beoordeelt dan of die persoon in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. Omdat gesloten jeugdhulp niet is uitgesloten van een pgb zou een gecertificeerde instelling de pgb-bekwaamheid over kunnen nemen. Dat zal zich in de praktijk niet of nauwelijks voordoen. Jeugdige of ouder(s) budgethouder Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders die over de pgb-bekwaamheid moeten beschikken om te voldoen aan de aan het pgb verbonden taken. Een jeugdige tussen de 16 en 18 jaar (met eventuele uitloop tot 23 jaar) kan budgethouder zijn. In dat geval is de jeugdige zelf degene die aan de voorwaarden van pgbbekwaamheid moet voldoen. Het college neemt daarbij in aanmerking dat ouders tot 21 jaar ook financieel verantwoordelijk zijn voor hun kinderen en ook verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde schulden van hen. Conflicterende belangen professionele jeugdhulpverleners Er kunnen zich bij het beoordelen van deze voorwaarde mogelijk conflicterende belangen voordoen. Denk bijvoorbeeld aan de omstandigheid dat degene die de pgb-bekwaamheid van de jeugdige en/of ouders overneemt ook degene is aan wie het pgb zal worden besteed.
Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden. Is die derde geen persoon uit het sociaal netwerk (niet beroepsmatig) van de jeugdige en/of ouders, dan weigert het college het pgb op de grond dat de verantwoorde uitvoering van de pgb-taken kan worden beïnvloed. Immers kan deze derde niet zowel het belang van de jeugdige en/of ouders dienen als ook zijn eigen belang (vergelijk CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Jeugdige budgethouder Is de jeugdige budgethouder en wenst hij het pgb te besteden aan zijn ouder(s), dan liggen conflicterende belangen voor de hand. De jeugdige moet in staat worden geacht om bijvoorbeeld degene die de ondersteuning biedt aan te sturen en zonodig bij te sturen. Dat is bij een kind-ouderrelatie tegennatuurlijk. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s). Conflicterende belangen ouders De wet is er onder meer op gericht om te zorgen dat de jeugdige kan groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat kinderen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de fase van de ontwikkeling van de jeugdige (en zijn beperkingen) kan daarvoor professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen.