CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleid voor duurzame opwek met windenergie gemeente Dinkelland.pdf

Gecombineerde commissievergadering Omgeving en Economie / Sociaal Domein en Bestuur 12 december 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststellen windbeleid gemeente Dinkelland21.240 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

44/54

Door het laagfrequente geluid van windturbinegeluid apart te normeren met de Vercammen-curve, kan worden voorkomen dat bij onvolkomenheden of defecten (langdurig) hinder als gevolg van laagfrequent geluid van windturbines optreedt. De ABRvS bevestigt in haar uitspraak over Delfzijl Zuid Uitbreiding dat meer onderzoek naar laagfrequent geluid in het kader van een afweging van een norm niet kan worden gevergd. De dosismaten Lden en Lnight geven voldoende waarborg.

In bovenstaande grafiek is de Vercammen-curve aangegeven. Hierin is het toegestane geluidniveau per tertsband aangegeven. Deze mogen niet worden overschreden. Bijvoorbeeld: het toegestane geluidniveau voor tertsband van 20 Hz is 70 dB.23 Het menselijk gehoor neemt lagere frequenties minder goed waar dan de hogere (spraak)frequenties tussen 2.000 en 5.000 Hz. Vandaar dat volgens de Vercammen-curve bij lagere frequenties de geluidbelasting hoger mag zijn.

(Extreme) amplitudemodulatie Het geluid van windturbines is kenmerkend vanwege het zwiepende, zoeven en stampende karakter. De naam voor dit verschijnsel is amplitudemodulatie24. Bij amplitudemodulatie varieert de sterkte van het geluid met de omwentelsnelheid. De sterkte van dit ritmische geluid hangt af van de weersomstandigheden. Op grote afstand is met name het ritmische geluid hoorbaar, dichterbij is vooral het zoeven hoorbaar.

23 Het resultaat van een geluidmeting wordt meestal uitgedrukt in één getal. Maar, geluid bestaat uit verschillende

frequenties. De voor ons hoorbare frequenties liggen tussen ca 20-20.000 Hertz(Hz). Dit frequentiespectrum is onderverdeeld in zogenaamde frequentiebanden. De meest gebruikte onderverdeling is die in octaafbanden of tertsbanden. Een tertsband is 1/3 van een octaafband. De centrumfrequenties voor metingen in tertsbanden zijn internationaal vastgesteld en aangegeven in de grafiek. 24 Factsheet windturbinegeluid, RIVM, 2021.

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

45/54

Amplitudemodulatie is een normaal onderdeel van windturbinegeluid. Dit kenmerkende karakter is meegenomen in de hinderonderzoeken 25. Vanwege de hinderlijkheid van dit effect ligt het aantal gehinderden van windturbinegeluid bij relatief lage geluidsniveaus (in vergelijking met ander geluidsbronnen) hoog. Amplitudemodulatie kan duidelijker hoorbaar zijn als er een groter verschil is dan normaal in de windsnelheid tussen luchtlagen. In deze gevallen is sprake van extreme amplitudemodulatie. Dit is een verschijnsel dat zich onregelmatig voordoet en enkel is waargenomen bij een beperkt aantal windparken. De oorzaken van extreme amplitudemodulatie zijn nog onvoldoende bekend en vanwege het beperkt voorkomen van dit verschijnsel is onderzoek hiernaar lastig. Hierdoor is het ook niet mogelijk dit verschijnsel specifiek te normeren.

Rekenmethode Om een geluidbelasting vast te stellen voordat een windpark is gerealiseerd, is het nodig om daarvoor een rekenmethode te gebruiken. Het is van belang dat deze methode rekening houdt met het specifieke karakter van windturbinegeluid. Bijlage 4 Reken- en meetvoorschrift windturbines uit de Activiteitenregeling is specifiek voor het bepalen van windturbinegeluid opgesteld. Deze rekenmethode waarmee de overdracht van het geluid wordt bepaald, zijn overgenomen uit de ‘Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (VROM, 1999)’. Het betreft de methode II.8 uit deze handleiding. Deze methode is vergelijkbaar met ISO 9613-2, wat de aanbevolen methode is voor het rekenen aan industriegeluid volgens de EU-richtlijn 2002/49/EG. In het rekenen meetvoorschrift windturbines is de methode uit de HMRI aangevuld met onderdelen die van belang zijn voor windturbines. Met name van belang daarbij is de vaststelling van de bronvermogens van windturbines. Hierbij is een methode opgenomen die vrijwel overeenkomt met de IEC 61300-11, die internationaal gebruikt wordt voor het vaststellen van bronvermogens van windturbines. Ook worden ten behoeve van deze rekenmethode windsnelheidsverdelingen op ashoogte tussen de 10 en 260 meter gepubliceerd 26. Om ten behoeve van onderzoek gebruik te maken van deze rekenmethode is software 27 beschikbaar.

Hiermee is het geluid vanwege de windturbines te bepalen bij gevoelige objecten. Het Reken- en meetvoorschrift is op basis hiervan het beste instrument om de geluidbelasting van windturbines te bepalen. Hiermee zijn de gevolgen van windturbinegeluid voor omwonenden inzichtelijk te maken. In haar uitspraak over Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding bevestigt de ABRvS dat deze rekenmethode gehanteerd mag worden.

Gezondheid Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven geeft het RIVM aan dat het wonen in de buurt van een windturbine, of het horen van geluid daarvan kan leiden tot chronische hinder onder omwonenden. Het RIVM concludeert daarnaast dat geen consistent bewijs bestaat voor andere gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, mentale gezondheid en cognitieve effecten. Oftewel, de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines zijn de gezondheidseffecten die horen bij hinder vanwege geluid. In haar uitspraak inzake Delfzijl Zuid Uitbreiding geeft de ABRvS aan dat op basis van het wetenschappelijk bewijs voor gezondheidsklachten en overwegingen over het voorzorgsprincipe geen aanleiding biedt om niet uit te gaan van een norm van 47 dB Lden.

25 Notitie windturbinegeluid en geluidzondheid, TNO, 2017. 26 https://rekentool.mp.nl/informatie.php 27 https://dgmrsoftware.nl/producten/geluid-en-luchtkwaliteit/geomilieu/geomilieu-windturbines/

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

46/54

Keuze normstelling Het is niet mogelijk een volledige normstelling in het gemeentelijk beleid op te nemen. De ABRvS vereist immers sinds haar uitspraak uit 2021 dat een norm moet zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Deze kan dus niet algemeen voor iedere eventuele toekomstige situatie in beleid worden vastgesteld. De gemeente Dinkelland kiest daarom om de afwegingsruimte in beleid op te nemen. Bij ieder plan dient een volledige afweging van de normstelling te worden gemaakt. Hierbij gelden onderstaande waarden als absolute bovengrens. Bij ieder plan dient een afweging te worden gemaakt hoe de afname van het aantal gehinderden bij een lagere normstelling zich verhoudt tot de energieopbrengst. Op basis van voorgaande overwegingen kiest de gemeente Dinkelland voor het vaststellen van een geluidnorm in Lden. Deze norm biedt de beste relatie tot bestaand hinderbelevingsonderzoek. Om de nachtperiode te beschermen kiest de gemeente aanvullend voor een aan de Lden gerelateerde Lnight. Om te voorkomen dat grote afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde kunnen ontstaan, bijvoorbeeld door langere periodes stilstand te compenseren met tijdelijk meer geluidemissie, kiest de gemeente aanvullend voor een begrenzing van het toelaatbare equivalente geluidsniveau.

De gemeente hecht eraan handhavend te kunnen optreden in gevallen van extreme laagfrequente geluidsbelasting. Daarom kiest de gemeente aanvullend voor een begrenzing van het toegelaten laagfrequente geluid in woningen. Voor het Lden kan, op basis van het aantal gehinderden en de gezondheidseffecten een begrenzing van 47 dB worden afgewogen. De gemeente hecht eraan een hoger beschermingsniveau te realiseren en volgt het advies van GGD en WHO om ten hoogste 45 dB Lden toe te laten. Voor een vergelijkbaar beschermingsniveau is het bijbehorende Lnight 6 dB lager en dus 39 dB. Voor een vergelijkbaar beschermingsniveau is het bijbehorende LAeq tot 4 dB hoger dan het Lnight, dus 43 dB(A). Om deze daadwerkelijk meetbaar en handhaafbaar te maken, kiest de gemeente voor een lange, maar nog realiseerbare middelingsduur van 15 minuten. Om het laagfrequente geluid te normeren kiest, de gemeente Dinkelland ervoor dat het geluid van enkel de windturbines niet boven de Vercammen-curve mag liggen in woningen vanwege windturbines of windparken.

Tonaal geluid Tonaal geluid treedt normaal gesproken niet op bij windturbines, maar kan voorkomen bij een defect of overmatige slijtage van (delen van) de windturbine. Tonaal geluid is geluid dat duidelijk herkenbare zuivere tonen bevat en wordt doorgaans als extra hinderlijk ervaren. Het plan-MER dat het ministerie van I&W in 2023 heeft laten uitvoeren benadrukt dat windturbines normaal gesproken geen tonaal geluid voortbrengen, maar dat windturbines die dit wel doen als hinderlijker worden ervaren. Om probleemsituaties met tonaal geluid te voorkomen of hier beter op te kunnen handhaven, geeft het plan-MER in overweging om eventueel optredend tonaal geluid via een toeslag zwaarder mee te wegen in het geluidniveau. De toeslag zorgt ervoor dat de norm al bij een lager optredend geluidniveau overschreden wordt. Dit betekent dat windturbines met tonaal geluid effectief een lager geluidniveau op de gevel van woningen mogen veroorzaken. Hiermee wordt geborgd dat windturbines niet tot bovenmatig veel hinder door tonaal geluid leiden. Een toeslag heeft volgens het plan-MER de voorkeur boven een algeheel verbod via de certificering, omdat tonaal geluid op voorhand niet volledig kan worden uitgesloten en ook niet altijd volledig kan worden weggenomen.

Opnemen van een toeslag vormt een stimulans voor fabrikanten en ontwikkelaars om al in het ontwerp en de uitvoering tonaal geluid te voorkomen. Het is ook mogelijk dat een windturbine pas na verloop van tijd gedurende de exploitatie tonaal geluid gaat veroorzaken, bijvoorbeeld door slijtage. Een toeslag stimuleert exploitanten dan om het tonaal geluid via technische oplossingen weg te nemen als het onverhoopt toch optreedt, omdat een toeslag dan niet langer van toepassing is. Het plan-MER beoordeelt een toeslag voor

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

47/54

tonaal geluid als van grote meerwaarde. Daarom is gekozen om voor tonaal geluid van windturbines een toeslag van 5 dB op Lden te hanteren; de toeslag geldt dan dus voor het jaargemiddelde geluidniveau en niet alleen voor de tijd dat het tonaal geluid daadwerkelijk optreedt. Tonaal geluid van windturbines treedt slechts in uitzonderlijke gevallen op en alleen bij een vermoeden van tonaal geluid wordt naar aanleiding van klachten extra gemeten.

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

48/54

Bijlage 3: Ontwikkelvarianten Een gemeente kan op verschillende manieren een rol spelen bij energietransitieprojecten. Deze kan variëren van faciliterend, stimulerend, samenwerkend tot het nemen van de eigenaarsrol. Zo kan de gemeente kiezen voor 100% eigendom, waarbij we spreken van een GEB/REB of voor het oprichten van een eigen entiteit die gaat samenwerking met bijvoorbeeld een lokale coöperatie of een professionele ontwikkelaar.

Variant 1: Initiatieven faciliteren Rol: De gemeente stelt (ruimtelijke) kaders waarbinnen windprojecten gerealiseerd kunnen en mogen worden. Dit gaat om ruimtelijke kaders, maar ook kaders over het aandeel lokaal eigendom. De gemeente faciliteert initiatiefnemers van windprojecten, zodat zij de windturbines binnen de gestelde kaders kunnen ontwikkelen. Het initiatief voor de ontwikkeling van de plannen en de uitvoering daarvan ligt bij de ontwikkelaars van het windproject, dit kan een energiecoöperatie, lokale grondeigenaar of een commerciële projectontwikkelaar zijn. Consequenties/aandachtspunten/sturingsmogelijkheden:  Om zeker te weten dat de windprojecten worden uitgevoerd zoals de gemeente dat wenselijk vindt, is een duidelijk ruimtelijk kader noodzakelijk, zoals het gemeentelijke windbeleid, zodat initiatieven daaraan kunnen worden getoetst.  Als initiatieven voldoen aan de gemeentelijke kaders en de kaders van de hogere overheden, kunnen zij windprojecten ontwikkelen. Dit geeft aan dat de kaders dus goed doordacht en helder moeten zijn.  Een duidelijk door de gemeente vastgesteld ruimtelijk kader, zoals het windbeleid, kan bovenstaande risico’s beperken.

Variant 2: Initiatieven stimuleren Rol: Naast het stellen van bovengenoemde kaders, worden initiatieven actief gestimuleerd om windprojecten binnen de gestelde kaders te ontwikkelen. De gemeente kan dit stimuleren door aan de initiatiefnemer subsidie te verstrekken, geld te lenen, garanties/borgstellingen te verlenen en/of kennis en ondersteuning te bieden. Consequenties/aandachtspunten/ sturingsmogelijkheden:  Om zeker te weten dat de windprojecten worden uitgevoerd zoals de gemeente dat wenselijk vindt, is een duidelijk ruimtelijk kader noodzakelijk, zodat initiatieven daaraan kunnen worden getoetst.  Als initiatieven voldoen aan de gemeentelijke kaders en de kaders van de hogere overheden, kunnen zij windprojecten ontwikkelen. Dit geeft aan dat de kaders dus goed doordacht en helder moeten zijn.  Het geven van financiële ondersteuning moet zorgen voor een level playing field: iedere partij moet gelijke kansen krijgen op deze ondersteuning. Dit is mogelijk met een subsidie of tender.

Variant 3: Ontwikkelen via een maatschappelijke tender Bij een maatschappelijke tender neemt de gemeente/bevoegd gezag actief de regie door partijen uit te nodigen en langs de methodische wijze te selecteren in het proces van de vergunningverlening. De werkwijze volgt de lijn van de uitnodigingsplanologie. Hiervoor is een sterk beleidskader van belang. In dat beleidskader staan de uitgangspunten die de gemeente/bevoegd gezag via de maatschappelijke tender wenst te verwezenlijken (zoals lokaal eigendom, financiële participatie, lokale zeggenschap, landelijke inpassing, een omgevingsfonds en/of een gesocialiseerd grondbeleid). Voor dit beleid moet de gemeente/bevoegd gezag zorgen c.q. zich hard maken.

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

49/54

De maatschappelijke tender biedt binnen de uitnodigingsplanologie een goede mogelijkheid om marktpartijen (inclusief lokale partijen) tot een optimaal bod te laten komen. Belangrijk hierbij is dat de juiste processtappen, van marktconsultatie tot gunning, worden doorlopen. Dan zijn de maatschappelijk eisen goed te borgen in het proces. Dit maakt de maatschappelijke tender een interessant instrument om bijvoorbeeld lokaal eigendom te bereiken. In de kern komt deze systematiek er op neer dat potentiële projecten punten kunnen scoren voor de wijze waarop initiatiefnemers een project vorm willen gaan geven. Initiatieven met het hoogst aantal punten komen in aanmerking voor planologische medewerking. Het is daarbij wel zaak om specifiek en duidelijk vooraf aan te geven welke inspanningen (bijvoorbeeld op het gebied van participatie en zeggenschap) er worden verlangd. Potentiële partijen dienen gelijke kansen te krijgen. Daarvoor gelden de volgende stappen: 1. Concept uitgangspunten notitie 2. Marktconsultatie 3. Voorbereiden overeenkomst 4. Definitief besluit uitgangspuntennotitie 5. Selectie van ruimtelijk kader 6. Selectie van maatschappelijk kader 7. Gunning Deze stappen zijn essentieel in deze systematiek.

Want het bevoegd gezag kan alleen eisen stellen bij de toekenning van de vergunning wanneer meer partijen om een vergunning concurreren (schaarste creëren voor een vergunning). In dat geval mag er rechtmatig worden geselecteerd op de meest optimale borging van maatschappelijke eisen. Het doorlopen van een goed tenderproces vraagt om openheid, transparantie en gebruik maken van juridische specialisten. In welke mate is via een maatschappelijke tender te sturen op:  Gezondheid. Bij het goed doorlopen van de benodigde stappen zijn er in het geval van ‘schaarste’ mogelijkheden om randvoorwaarden te stellen. Dit kunnen ook randvoorwaarde zijn die invloed hebben op de gezondheid, zoals afstanden en geluidsvoorwaarden.  Lokaal eigendom en het halen van gemeenschappelijke doelen. Hiervoor is de tender in de basis een goed instrument. Hiervoor is wel van elementair belang dat er een goed beleidskader is waar de eisen ten aanzien van gemeenschappelijk eigendom en gemeenschappelijke doelen zijn verankerd.  Snelheid. Het uitschrijven van een tender kost tijd. Een tender kan versnellend werken als er meer projecten zijn binnen een gebied en het proces kan worden gestandaardiseerd.  Benutting van de ruimtelijke potentie/kwaliteit. Hierop is goed te sturen met een maatschappelijke tender, mits dit duidelijk blijkt uit het beleidskader en de uitvraagprocedure.  Rol van de overheid.

De rol van de overheid is essentieel in die zin dat de uitschrijving van een tender een actieve rol vraagt van de overheid. Ook dient ze te zorgen voor een helder beleidskader en het op de juiste manier uitvoeren van de tenderprocedure. Daarnaast kan het van belang zijn om de belanghebbenden in het projectgebied vooraf te horen naar wensen en ideeën van de belanghebbenden en die dan onderdeel dienen te worden van het beleidskader of de uitvraag. Tenslotte is het een rol van de overheid om de belanghebbenden mee te nemen in het proces samen met de initiatiefnemer(s).  Financieel risico. Het financieel risico van de gemeente is laag in die zin dat het ontwikkelen van het project door de initiatiefnemer wordt gedaan en niet door de overheid zelf.  Juridische rol en risico. Het uitschrijven van een tender vergt een zorgvuldige procedure waar het inschakelen van juridische specialisten van belang is, zeker wanneer, zoals een eventuele tender in de gemeente Dinkelland, geënt zal zijn op creëren van ‘vergunning schaarste’. Dit vergt een goede onderbouwing.

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

50/54

Gevraagde capaciteit/menskracht. Het uitschrijven van een tender vraagt zeker de inzet van menskracht van de gemeente. Dit geldt voor de begeleiding en het uitvoeren van de verschillende stappen van het tenderproces, zoals het (helpen) opstellen van de uitgangspunten notitie, de marktconsultatie en de selectie van het ruimtelijk en maatschappelijke kader.

Variant 4: Ontwikkelen met een gebiedsovereenkomst Indien er genoeg vertegenwoordiging in de omgeving is, kan een omgevingsovereenkomst de juiste basis zijn om de ontwikkeling van duurzame windenergie te sturen. Een omgevingsovereenkomst biedt dan het ontwikkelrecht voor een breed initiatief. Soms gaat er een samenwerkingsovereenkomst tussen een energiecoöperatie en gemeente aan vooraf (vb. Windpark Roodehaan, Groningen). Er is sprake van een omgevingsovereenkomst wanneer omwonenden (bijvoorbeeld in de vorm van een omgevingsadviesraad), initiatiefnemer(s) en projectontwikkelaar(s) afspraken omtrent de eigendomsverhouding wensen vast te leggen. De gemeente kan hierin ook een projectontwikkelaar zijn. Zo’n overeenkomst leent zich prima om ook afspraken op andere onderwerpen vast te leggen. Denk daarbij aan onderwerpen, zoals de verdere planuitwerking en de bouw van het windpark (locatie, geluid, slagschaduw, het uiterlijk van de windturbines en verlichting), maar ook planschade en een meeprofiteerstelsel voor omwonenden (vb. Nij Hiddum-Houw, Friesland). Hiermee wordt het gesprek tussen initiatiefnemers en belanghebbenden, zoals omwonenden, niet alleen maar gevoerd tijdens het moment van besluitvorming door bevoegd gezag, maar ook al tijdens het daadwerkelijke ontwikkeltraject van het windpark. In deze fase worden namelijk de keuzes gemaakt.

Op deze wijze organiseert bevoegd bezag dat belanghebbenden ook echt medezeggenschap krijgen bij de ontwikkeling van het windpark en niet alleen achteraf als het plan is uitgewerkt nog mogen reageren (door middel van zienswijzen en beroep doen). Een gebiedsovereenkomst heeft impact op sociale cohesie binnen het gebied. Een optie zou kunnen zijn dat een coöperatie die niet uit de omgeving komt het park ontwikkelt vóór het gebied. Op deze manier ontwikkelt een externe partij het en wordt geen scheidslijn veroorzaakt binnen het gebied. In welke mate is via een omgevingsovereenkomst te sturen op:  Gezondheid: Er is voor de gemeenten ruimte om binnen deze variant te kiezen om in zeer geringe/grote mate randvoorwaarden op te stellen met betrekking tot hinderreductie (geluid, slagschaduw, licht) en afstand tot woningen en hoogte windturbines. Echter is een omgevingsovereenkomst één van de producten van een gebiedsproces, waardoor de criteria die omwonenden en belanghebbenden aan gezondheid stellen, een sterkere positie binnen de overeenkomst krijgen.  Lokaal eigendom en het halen van gemeenschappelijke doelen. Aangezien een omgevingsovereenkomst in essentie niet gebonden is aan de participatiewaaier van het Klimaatakkoord, is het aan de gemeente om het streven naar lokaal eigendom te borgen in een wenselijke en haalbare vorm van participatie.  Snelheid.

Bij deze ontwikkelvariant hangt de snelheid waarmee een initiatief gerealiseerd wordt sterk af van een aantal zaken: de mate waarin de omgeving zich verenigt en commitment vertoont; de mate waarin de omgeving zich kennis en kunde eigen maakt; de mate waarin de omgeving en projectontwikkelaar(s) het eens kunnen zijn over de planuitwerking, de realisatie en eigendomsverhouding/omgevingsfonds van het windpark; vergunningverlening; netcapaciteit. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving bij een energieproject kan het draagvlak vergroten en zo (juridische) weerstand later voorkomen.  Benutting van de ruimtelijke potentie/kwaliteit. Deze variant treedt in werking nadat een zoekgebied al is aangewezen door de gemeente. Landschappelijke inpassing kan een randvoorwaarde zijn binnen een omgevingsovereenkomst.

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

51/54

Rol overheid. De afspraken voor de bouw van het windpark zijn onderdeel van de vergunningsvoorwaarden. Doordat er privaatrechtelijk gevoelige onderwerpen reeds behandeld worden in het participatieproces, blijven er minder gevoelige beslispunten over voor bevoegd gezag. Wel is er een grote rol voor de gemeenten om de omwonenden te begeleiden wenselijk. Financieel risico. Het ondersteunen van omwonenden in een gebiedsproces vraagt om budget. Omwonenden kunnen bijvoorbeeld hulp nodig hebben bij het opzetten van een omgevingsfonds. Hoe zo’n fonds wordt opgezet (de juridische constructie, waar de inkomsten aan besteed kunnen worden en besluitvorming daarover), is sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. Er bestaat daarbij ook het risico op het verkeerd besteden van het fonds. Daarom moet de besteding van het fonds goed gelinkt zijn aan het doel. Juridische rol en risico’s. Het voordeel van deze variant is de juridische borging van de belanghebbenden ten tijde van vergunningverlening. Aangezien de omgevingsovereenkomst wordt meegenomen, wordt er op deze manier werkelijk rekening gehouden met de inbreng van de belanghebbenden door de politiek. Hierdoor zijn zij bereid deel te nemen aan het gebiedsproces. Echter blijft er het risico dat het participatieproces niet constructief verloopt.

Een ander risico doet zich iets verder in het proces voor: in geval de omgevingsraad (te snel) wordt ontbonden of er ontbreekt een uitvoeringspartij, is er het risico op een minimale borging van de omgevingsovereenkomst. Gevraagde capaciteit/menskracht. Bij het onderhandelen van een omgevingsovereenkomst hebben omwonenden meer dan ooit behoefte aan professionele ondersteuning. Dit vergt veel capaciteit en menskracht vanuit de gemeente. Uit de praktijk blijkt dat ontwikkelaars veel meer ervaring en kennis dan omwonenden hebben, juist als het gaat om de financiële aspecten. Business modellen van windparken zijn nu eenmaal niet openbaar vanwege het bedrijfsvertrouwelijke karakter ervan waardoor de kennis en kunde vanuit een andere hoek moet komen. Ondersteuning van omwonenden is daarom juist in deze variant van essentieel belang om te voorkomen dat de discussie blijft steken in wantrouwen aan de onderhandelings-/ondertekentafel.

Variant 5: Overheid als (mede) initiatiefnemer Bij het ontwikkelen in ‘eigen beheer’ wordt door de gemeente, al of niet in samenwerking met andere partijen, een eigen entiteit opgericht die vervolgens risicodragend een energieproject ontwikkelt, hierin investeert en deze beheert. Veelal is de entiteit een rechtspersoon (veelal een Besloten Vennootschap B.V. en soms een coöperatie). In het geval de gemeente een eigen entiteit opricht om zelf (in) een duurzaam energieproject te ontwikkelen en/of te investeren en/of te exploiteren spreken we van een Gemeentelijk Energie Bedrijf (GEB), of in het geval van Noordoost Twente zou het EC NOT deze rol kunnen vervullen. Een GEB kan werkbaar zijn als de gemeente naast de financiering van een project ook het eigendom en/of de zeggenschap wil hebben. Ook kan de gemeente(n) voor een GEB kiezen wanneer er weinig initiatief is vanuit bijvoorbeeld de markt. Een gemeente kan op verschillende manieren een rol spelen bij energietransitie projecten. Deze kan variëren van faciliterend, stimulerend, samenwerkend tot het nemen van de eigenaarsrol. De gemeente kan kiezen voor 100% eigendom, waarbij we spreken van een GEB of het oprichten van een eigen entiteit die gaat samenwerken met bijvoorbeeld een lokale coöperatie of een professionele ontwikkelaar.

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

52/54

In welke mate is via een GEB te sturen op:  Gezondheid. Wanneer de gemeente 100% eigenaar is van een GEB dan heeft de gemeente feitelijk ook de volle zeggenschap met betrekking tot het kader waarbinnen ze een project wil ontwikkelen. Sturen op ‘afstand van een windturbine tot een woning’ is dan bijvoorbeeld mogelijk. Dit geldt in mindere mate ten aanzien van het stilzetten van een windturbine. Althans het stilzetten van een windturbine heeft een negatieve impact op het financieel rendement c.q. de continuïteit van een project en wanneer er externe geldverstrekkers zijn, dan zullen zij daaraan voorwaarden stellen.  Lokaal eigendom en het halen van gemeenschappelijke doelen. Ook hier geldt dat de gemeente zelf aan het stuur zit en dat ze hierin goed kunnen sturen. Maar hierbij moet wel worden opgemerkt dat ook een GEB gebonden is aan de voorwaarden vanuit de RES Twente en het Klimaatakkoord en dat er bij een energie project sprake moet zijn van ‘lokaal eigendom’. Bij lokaal eigendom gaat het er dan ook om dat omwonenden zeggenschap krijgen. Daar kan een GEB niet omheen. Een ander aspect van lokaal eigendom is het terugvloeien van opbrengsten uit het energieproject naar de samenleving. Dit kan bijvoorbeeld via een omwonenden fonds of een maatschappelijk fonds.

Volgens de RES Twente is het ook van belang dat ‘inwoners mede-eigenaar kunnen worden, zeggenschap krijgen, economisch en democratisch toegang krijgen tot een energieproject’.  Snelheid. De snelheid in het ontwikkelen van een energieproject wordt beïnvloedt door diverse factoren zoals de vergunningverlening (met bijbehorende procedures en termijnen) het participatieproces en de netcongestie. Hierin heeft een GEB te maken met dezelfde factoren als andere ontwikkelaars. Voor bepaalde onderdelen van het ontwikkelproces is specifieke kennis nodig waar gemeenten niet standaard over beschikken, maar wel kan worden ingehuurd.  Rol overheid. Bij een GEB heeft de gemeente naast de rol van ontwikkelaar mogelijk ook de rol van de vergunningverlener als de gemeente bevoegd gezag is. Er moet worden gewaakt dat deze rollen niet conflicteren of juridisch barrières opleveren. Dit laatste zal ook bij de juridische toets worden onderzocht.  Financieel risico. Het ontwikkelen van energieprojecten kent zeker financiële risico’s. In de eerste plaats zijn er financiële middelen nodig voor het op- en inrichten en beheer van een GEB. Naast geld is er ook kennis en ervaring nodig voor het ontwikkelen van een project. Die kennis is niet standaard aanwezig bij een gemeente. Vervolgens dient er ontwikkelbudget beschikbaar te worden gesteld.

Daarbij gaat het bij windprojecten indicatief snel om een budget van € 1-2 miljoen. Het financieel risico is groot in de ontwikkelfase. Na de ontwikkelfase is er in de realisatiefase geld nodig in de vorm van Eigen Vermogen bij de financiering van de benodigde investering in een energieproject. Ook hierbij gaat het bij windprojecten om forse bedragen (veelal enkele tot tientallen miljoenen euro’s).  Juridische rol en risico’s. De opzet en exploitatie van een GEB is een andere rol dan de standaard rol van de gemeente. Daarbij zal de gemeente in haar standaard rol niet anders kunnen acteren naar een GEB project dan naar ieder ander ontwikkelaar of exploitant. Verder moet worden onderzocht of een GEB te maken krijgt met bijvoorbeeld aanbestedingsregels, een staatssteuntoets en/of de gemeentewet. De mate waarin een GEB de standaard rol van de gemeente kan ondergraven c.q. hinderen zal nader worden onderzocht.  Gevraagde capaciteit/menskracht. Daar waar de gemeente niet zelf de kennis en ervaring heeft bij het beheer en het ontwikkelen via een GEB, zal deze moeten worden aangetrokken. Veel kennis en ervaring kan worden aangetrokken via inhuur. Maar ook dan zal het inspanning vergen van het gemeentelijk apparaat.

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

53/54

Instrumenten bij overheid als initiatiefnemer: A) Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) Rol: gemeente vestigt voorkeursrecht met als doel dat de gemeente de eerste optie tot koop heeft van de grond (voor vervolg rol zie actieve grondaankoop). Consequenties/aandachtspunten:  Grondeigenaren hoeven niet te verkopen, maar als ze grond willen verkopen, moeten ze het eerst aan de gemeente aanbieden. Ze kunnen zelf ook windturbines op hun grond (laten) ontwikkelen, als dat ruimtelijk-juridisch is toegestaan.  De Wvg kan een goed instrument zijn als je als gemeente actieve grondpolitiek wilt voeren en zelf (evt via een gemeentelijk of regionaal ontwikkelbedrijf) de grond tot ontwikkeling wilt brengen, in dit geval voor windturbines. Als je deze ontwikkeling aan de markt over wilt laten kun je de Wvg beter niet toepassen, sterker nog, dat zou onzinnig zijn. Dus het begint met de vraag: wil je als gemeente een ontwikkelende rol bij windturbines of wil je dat niet. Heeft dus een directe relatie met het ontwikkelbedrijf. B) Actief grond aankopen Rol: aankoop van gronden om zelf de exploitatie van windturbines te ontwikkelen of in combinatie met het regionaal energiebedrijf.

Vraag hieraan voorafgaand is, is het een kerntaak van de gemeente om winturbines te exploiteren? Consequenties/aandachtspunten:  De gemeente kent op dit moment geen actieve grondpolitiek, wordt hierin een andere beleidslijn gevolgd  Voldoende gespecialiseerde kennis in huis hebben om dergelijke projecten te ontwikkelen  Tot aan vergunningverlening grote voorinvesteringen nodig, met onduidelijk perspectief op (financieel) resultaat  groot financieel risico  Voldoende voorfinanciering is noodzakelijk C) Onteigening Rol: Zware juridische procedure waarbij de gemeente de overdracht van een eigendomsrecht oplegt om tot de realisatie van windturbines over te gaan. Consequenties/aandachtpunten  Zware juridische procedure  Procedure die in zijn algemeenheid alleen maar verliezers kent  Tweespalt in de samenleving, indien de gemeente doordrukt  Tot aan vergunningverlening grote voorinvesteringen nodig, met onduidelijk perspectief op (financieel) resultaat  groot financieel risico, zowel winst als verlies  Voldoende voorfinanciering is noodzakelijk

Beleid voor duurzame opwek windenergie, d.d. 21/11/23

54/54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/731/documents/20590