CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39.pdf

Gemeenteraad 28 oktober 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 11: Voorstel inzake gewijzigd vaststellen bestemmingsplan “Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39”24.280 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Door de jaren heen zijn hier enkele wijzigingen op doorgevoerd om zodoende de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke belangrijke gevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt een uitbreiding van het bedrijf aan de Gunnerstraat 39 mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is.

De transformatie van een bestaand woonerfwordt niet expliciet benoemd in het Besluit milieueffectrapportage, maar de meest logische aansluiting kan worden gemaakt bij: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of met het onderhavig plan sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hoewel het plan betrekking heeft op de toevoeging van bebouwing op agrarische grond, kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte uitbreiding van de bebouwing op het perceel. bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 31

Daarbij worden de drempelwaarden voor de m.e.r.-beoordelingsplicht niet overschreden. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. In dit geval is uit de milieuaspecten in Hoofdstuk 4 gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten van de ontwikkeling ten aanzien van de omgeving. Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is hiermee niet noodzakelijk. Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt aan de rand van Weerselo. In de directe omgeving van het plangebied liggen verschillende functies, zoals: bedrijventerrein, sportvelden, woningen en agrarische percelen. Het plangebied is derhalve gelegen in het omgevingstype 'gemengd gebied'. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking:

32

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking) laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking) Externe werking Hierbij gaat het om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Met voorliggende ontwikkeling wordt een bestaande bedrijfslocatie uitgebreid. Aangezien het concept van Buitengoed zich niet makkelijk laat categoriseren is het volgende aangehouden. Met voorliggende ontwikkeling wordt een bestaande multifunctionele functie/bedrijfsverzamelgebouw/bijeenkomstenlocatie uitgebreid. Voor de functie ‘restaurant, café of kantine’ geldt op grond van de VNG-uitgave milieucategorie 1 waarvoor een maximale richtafstand geldt van 10 meter in verband met het aspect geluid. Deze richtafstand vervalt bij omgevingstype 'gemengd gebied'. Voor de functie ‘overige zakelijke dienstverlening: kantoren' geldt eveneens milieucategorie 1 waarvoor eveneens een maximale richtafstand geldt van 10 meter in verband met het aspect geluid. Ook deze richtafstand vervalt. Ook worden er besloten bijeenkomsten gehouden op het gebied van vitaliteit. Hiervoor geldt milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter bij omgevingstype gemengd gebied.

De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie, aan de Gunnerstraat 20, ligt op ten minste 60 meter afstand. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Ondanks dat wordt voldaan aan de richtafstanden is er toch een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het beoogde concept van Buitengoed op de omliggende woningen in de buurt. Dit onderzoek wil de gemeente gebruiken om een goede afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat voor omwonenden van het terrein tijdens verschillende bijeenkomsten. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. De belangrijkste resultaten en conclusies zijn onderstaand opgenomen: Bij het Buitengoed kunnen zich twee bedrijfssituaties voordoen. De representatieve situatie en een situatie waarbij niet meer dan 6 x per jaar wordt afgeweken van de representatieve bedrijfssituatie (RBS). Bij de representatieve situatie zijn er relatief minder bezoekers, zal er minder geluid geproduceerd worden ten opzichte van de regelmatige afwijkingen van de RBS. Maatgevend voor het terrein is tijdens een bijeenkomst het gebruik van versterkte muziek waarbij ook pratende mensen aanwezig zijn. Daarnaast het rijden met personenauto’s van en naar de parkeerplaats aan de noordzijde. In het onderhavig onderzoek zijn de maatgevende bijeenkomsten tot circa 150 personen representatief en maatgevend.

Op basis van onderhavig akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Tijdens representatieve situatie bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de nabij gelegen woningen maximaal 32, 35 en 22 dB(A) in respectievelijk de dag, avond en nachtperiode. De richtwaarden van stap 2 uit de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering en de ambitiewaarden uit het gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente worden niet overschreden. Er wordt tevens voldaan aan de normen van het activiteitenbesluit. Ook wanneer er muziekstrafcorrectie zou worden toegepast, omdat het muziek herkenbaar zou kunnen zijn ter plaatse van de woningen, wordt er voldaan aan de normen. De ambitiewaarden uit het gebiedsgericht geluidbeleid worden eveneens niet overschreden. Uit rekenresultaten blijkt dat wanneer er op het terrein bijeenkomsten zijn waarbij geen muziek op het terrein ten gehore wordt gebracht de 40 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van woningen niet wordt overschreden. Bij kleine bijeenkomsten met muziekgeluid tot bronvermogen van circa 88 dB(A) per speaker (91 dB(A) per set 2 speakers) en activiteiten op het terrein, is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat voor omwonenden.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de woningen van derden het maximale geluidniveau maximaal 39 dB(A) in respectievelijk de dag, avond en nachtperiode bedraagt. De normen worden niet overschreden. Regelmatige afwijking van de RBS Voor de regelmatige afwijkingen van de representatieve situatie is voor wat betreft de geluidnormen aansluiting gezocht in het gemeentelijk beleid voor festiviteiten in de buitenlucht/evenementen in de buitenlucht. 6 keer per jaar kan een grote besloten bijeenkomst (dus niet voor publiek toegankelijk) plaatsvinden op het terrein waarbij 500 tot 1.000 personen aanwezig kunnen zijn. Er kan luidere live muziek of een Dj worden gemaakt, waarbij dit op maandagen tot en met zaterdagen door kan gaan tot 23.00 uur en op zondagen tot 21:00 uur. Bij gebruik van 4 speakers met een bronvermogen van 97 dB(A) per speaker (100 dB(A) per set 2 speakers) bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van woningen maximaal 43, 45 en 28 dB(A) in respectievelijk de dag, avond en nachtperiode. Maatgevend is de avondperiode. bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 33

Uit het omrekenen van dB(A) naar dB(C) blijkt dat bij de hoogste geluidbelasting in de avondperiode van 45 dB(A) bedraagt, dit is 49 dB(C) in de onderhavige situatie ter plaatse van gevels bij woningen. Er wordt ruimschoots voldaan aan de normen van 70 dB(A) en 83 dB(C), voor de bijzondere bijeenkomsten niet regulier. Ook aan de norm inclusief muziekstrafcorrectie (60 dB(A)). 6 keer per jaar is een hoger geluidniveau mogelijk. Geconcludeerd wordt dat er voor de omliggende woningen, gelet op voorgaande geen sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de beoogde bedrijfsfunctie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Ten noorden van de planlocatie liggen enkele bedrijfspercelen. De dichtstbijzijnde zijn de percelen aan de Gunnerstraat 18/Weerselerveldweg 29, Gunnerstraat 20 en Gunnerstraat 35. Aan de Gunnerstraat 20 is een dierenpension toegestaan. Hiervoor geldt milieucategorie 3.2. Bij de overige adressen zijn eveneens bedrijven toegestaan tot categorie 3.2. Uitgaande van gemengd gebied gaat het om een richtafstand van 50 meter. In de huidige situatie moeten deze bedrijven al rekening houden met het perceel aan de Gunnerstraat 39.

Daarbij wordt de situatie voor deze bedrijven juist gunstiger aangezien de bestaande bedrijfswoning opschuift naar het zuiden van het plangebied. De onderlinge afstand bedraagt daarmee circa 70 meter en wordt daarmee groter dan de oorspronkelijke situatie. Er is sprake van een verbetering. De bedrijfsvoering van omliggende bedrijven wordt niet (verder) beperkt door de voorliggende plannen. Het plan voldoet daarmee aan een goed woon- en leefklimaat. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek van Dumea Milieu [kenmerk: 2023-275] om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen [Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek].

De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: De onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters alsmede asbest. In de bovengrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM3 zijn lichte verhogingen PCB aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Voor het aspect 'bodem' is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). 34

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Het plangebied is gelegen aan de Gunnerstraat (50 km/u) en Weerselerveldweg (60 km/u) aan de rand van Weerselo. Voor dergelijke wegen geldt een geluidszone van 200 meter (stedelijk gebied) en 250 meter (buitenstedelijk gebied). De te verplaatsen bedrijfswoning wordt gerealiseerd binnen deze geluidszone. Toetsing aan de Wet geluidhinder is derhalve noodzakelijk. Op basis van de geluidskaart van het RIVM (2021) kan geconcludeerd worden dat de beoogde locatie van de te verplaatsen bedrijfswoning in een geluidszone ligt van < 45 dB. Daarmee kan voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder en dezelfde ambitiewaarde uit het geluidbeleid. Mede hierdoor kan geconcludeerd worden dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Figuur 4.2: Geluid wegverkeerslawaai ter hoogte van de Gunnerstraat 39 in Weerselo (bron: RIVM 2021) Railverkeerslawaai bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 35

Er zijn geen spoorwegen aanwezig in de directe omgeving. Cumulatie geluid Voor wat betreft cumulatie volgt uit het geluidsbeleid van de gemeente dat er rekening wordt gehouden met de cumulatie van geluid. Conform de Wet geluidhinder, artikel 110f, wordt de samenloop van geluid/cumulatie pas onderzocht als er sprake is van meerdere bronnen waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor wegverkeerslawaai is de voorkeursgrenswaarde 48 dB. In de Wgh gaat het wel om gezoneerde bronnen: wegverkeerslawaai (> 30 km/u), spoorweglawaai en industrielawaai vanwege industrieterreinen. Geluid van bedrijven (in het kader van goede ruimtelijke ordening) is niet opgenomen in de Wgh. Wel is duidelijk dat cumulatie met wegverkeerslawaai pas relevant is als de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. In dezelfde gedachtegang wordt de samenloop van/met het geluid van een inrichting pas beoordeeld als richtwaarden worden overschreden. Het resultaat van het onderzoek is dat voldaan wordt aan de ambitiewaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van het gemeentelijk geluidbeleid. Dus hier is geen reden om de samenloop van geluid te beoordelen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Aan de Gunnerstraat 39 is momenteel een grote bedrijfshal met bedrijfswoning aanwezig. Het plan is om de bedrijfswoning te verplaatsen en op de locatie een nieuw ontvangstgebouw te realiseren. Met voorliggend plan wordt het bedrijfsoppervlakte uitgebreid met circa 750 m².

Het uiteindelijke oppervlakte aan bedrijfsbebouwing zal circa 3.500 m² bedragen. Uitgaande van de categorie 'bedrijfsverzamelgebouw' geldt hiervoor een verkeersgeneratie van maximaal 8,7 per 100 m² bvo (uitgaande van de categorie: 'niet stedelijk, rest bebouwde kom'). De verkeersgeneratie bedraagt daarmee circa 305 verkeersbewegingen (berekening: 3.500 * 8,7 / 100 m²). Voor de bedrijfswoning is uitgegaan van de categorie 'vrijstaande woning (koop)'. Uitgaande van een niet stedelijke locatie in de rest bebouwde kom komt dat neer op 8,6 verkeersbewegingen per woning. De totale verkeersgeneratie 36

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

(bedrijfsgebouw + bedrijfswoning) bedraagt daarmee 315 verkeersbewegingen licht verkeer. Er zal slechts beperkt sprake zijn van vrachtverkeer (aanvoer van goederen), waardoor het percentage vrachtverkeer op 5% kan worden gezet. Dit betreft een worst-case benadering, aangezien er in de huidige bedrijfsvoering ook al sprake is van verkeersbewegingen. In onderstaand figuur is de worst-case berekening weergegeven met het aantal voertuigbewegingen.

Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.

In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 37

worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden.

Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Toets Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 340 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; 38

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.

In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 39

steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.

Watertoetsproces Op 26 september 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 5. Op grond van de watertoets geldt de korte procedure. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [projectnummer 5681 versie 1.0] van Natuurbank Overijssel. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 Quickscan Natuurwaardenonderzoek. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Het plangebied is op 5 oktober 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteit leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten. Voor het voorliggende plan is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze wordt onderstaand behandeld. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: Het plangebied is geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels in het plangebied en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een vaste (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten 40

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt door de voorgenomen activiteiten een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Voor de gewone bosen huisspitsmuizen, die mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rusten voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat beschermd amfibieën gedood worden. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van beschermde amfibieën beschadigd of vernield.

Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten niet af. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Stikstofberekening Door Ad Fontem is een stikstofberekening gemaakt. Deze is opgenomen in Bijlage 7. De conclusie van dit stikstofonderzoek is als volgt: Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij.

Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied niet verslechtert. De AERIUS Calculator 2024 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. Het aspect stikstof en ammoniak vormen, met inachtneming van de in dit rapport beschreven uitgangspunten, geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 41

Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: RAAP) Toets Het plangebied ligt in het dekzandlandschap met de geomorfologie 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Hiervoor geldt een middelmatige archeologische verwachtingswaarde. Het beleidsadvies voor deze laag is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 5.000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Daarnaast geldt voor een deel van het plangebied de aanduiding 'verstoring'. Hiervoor geldt dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Bij de voorgenomen ontwikkeling is de oppervlakte van (mogelijk) relevante bodemingrepen kleiner dan 5.000 m². Archeologisch onderzoek is niet vereist. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'archeologie'. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet).

Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10

Verkeer / parkeren

Verkeer Het plangebied wordt via de bestaande inrit ontsloten op de Gunnerstraat. De Gunnerstraat wordt op basis van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Dinkelland 2019' (hierna: GGVP) aangemerkt als een "gebiedsontsluitingsweg, binnen de kom" waarvoor een wegintensiteit geldt van 3.000 - 15.000 motorvoertuigbewegingen per dag met een rijbaanbreedte van 6 tot 7 meter. De maximumsnelheid bedraagt 50 km per uur. De huidige inrichting van de Gunnertraat bestaat uit asfaltverharding met een breedte van circa 6,50 meter. Op de weg zijn fietssuggestiestroken met een breedte van 1 meter aan weerszijden van de weg aangebracht. De huidige maximumsnelheid bedraagt zoals aangegeven 50 km/h. Het profiel van de Grunnerstraat past binnen de richtlijnen van Duurzaam Veilig. Op basis van verkeersinformatie van de gemeente Dinkelland geldt dat de huidige verkeersintensiteit van de weg circa 1.200 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. De afgelopen jaren zijn er drie ongelukken gebeurt. Deze gebeurde allemaal ter hoogte van de kruizing van de Gunnerstraat met voetbalvereniging U.D. Weerselo. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het plan te bepalen kan worden aangesloten bij de kengetallen van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. Uitgaande van de categorie 'bedrijfsverzamelgebouw' geldt 42

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

hiervoor een verkeersgeneratie van maximaal 8,7 per 100 m² bvo (uitgaande van de categorie: 'niet stedelijk, rest bebouwde kom'). De verkeersgeneratie bedraagt daarmee circa 305 verkeersbewegingen (berekening: 3.500 * 8,7 / 100 m²). Voor de bedrijfswoning is uitgegaan van de categorie 'vrijstaande woning (koop)'. Uitgaande van een niet stedelijke locatie in de rest bebouwde kom komt dat neer op 8,6 verkeersbewegingen per woning. De totale verkeersgeneratie (bedrijfsgebouw + bedrijfswoning) bedraagt daarmee 315 verkeersbewegingen licht verkeer. Zoals aangegeven bedraagt de huidige verkeersintensiteit van de weg circa 1.200 motorvoertuigen per dag. Als gevolg van het plan neemt het aantal verkeersbewegingen toe met 315 verkeersbewegingen per dag. Daarmee bedraagt de verkeersgeneratie circa 1.515 verkeersbewegingen per dag. Op basis van het Strategisch Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan kan de weg 3.000 tot 15.000 motorvoertuigen per dag afwikkelen. Incidenteel kunnen er bijeenkomsten plaatsvinden op het terrein. Daarmee zal de verkeersgeneratie op bepaalde momenten ook kunnen toenemen. Uit het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan blijkt dat het verkeersnetwerk nog voldoende marge aanwezig is om ook eventuele piekmomenten goed op te kunnen vangen.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de toename van het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Bij de locatie is momenteel een parkeerterrein van 120 parkeerplaatsen aanwezig. Er is volledigheidshalve tevens getoetst aan de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' van de gemeente Tubbergen. In de beleidsnotitie zijn de parkeernormen gebaseerd op de publicatie 317 van het CROW. Voor de categorie 'bedrijfsverzamelgebouw' geldt voor de rest bebouwde kom een parkeernorm van 1,95 parkeerplaatsen per 100 m². Uitgaande van een bedrijfsoppervlakte van 3.500 m² komt dat neer op een parkeerbehoefte van 68 parkeerplaatsen. Voor de categorie 'vrijstaande woning' geldt voor de rest bebouwde kom een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Er is één woning waarmee de parkeerbehoefte dus 2,3 parkeerplaatsen bedraagt. In totaal zijn, op basis van de parkeernormen, afgerond 70 parkeerplaatsen nodig. Bij het bedrijfsperceel is momenteel een grote parkeerplaats aanwezig met 120 parkeerplaatsen. Daarnaast worden bij de bedrijfswoning twee parkeerplaatsen gerealiseerd.

Tot slot, wanneer er incidentele bijeenkomsten plaatsvinden bij Buitengoed, die de parkeernorm overstijgen, kan gebruik gemaakt worden van parkeergelegenheid in de directe omgeving, te weten de openbare parkeerplaats van sportvereniging U.D. Weerselo. Er kan geconcludeerd worden dat de huidige parkeerplaatsen ruim voldoende is om in de parkeerbehoefte te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 43

44

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 45

om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen 'Agrarisch': De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik en cultuurgrond. Er mogen geen gebouwen gebouwd worden. 'Bedrijf': De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor een bedrijfsverzamelgebouw voor bedrijven die zijn genoemd in de staat van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2, horeca-activiteiten, fysiotherapie, sportschool en trainingsruimten. Bedrijvengebouwen moeten binnen het bouwvlak gebouwd worden. Bij de bedrijfsbestemming is één bedrijfswoning toegestaan.

46

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39 47

48

bestemmingsplan Bedrijventerrein Weerselo, Gunnerstraat 39

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst opgesteld voor vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023. Hier staan ruimtelijke initiatieven op waarvoor geen vooroverleg nodig is. Het plan valt niet onder één van de categorieën. Vooroverleg is derhalve noodzakelijk. Gezien de ligging, de schaal en het feit dat het om uitbreiding van bestaande bedrijven gaat, past de ontwikkeling binnen de bedrijventerrein-afspraken met de provincie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/950/documents/24138