B_B_ontwerp_1_regels_Bijlage 2 Inrichtingsplan.PDF
Tekst van het document
Hier ligt geen potentie voor habitattypen met een uitbreidingdoelstelling. De natuurpotentie kruiden- en faunarijk grasland geeft aan welk beheerpakket van toepassing is.
Inrichting Het stoppen van agrarisch gebruik in combinatie met vernatting leidt tot een grotere beschikbaarheid en nalevering van nutriënten met verruiging tot gevolg. Voor natuur zet dit ongewenste ontwikkelingen in gang met massale vestiging van soorten als Pitrus. Verschralen door middel van uitmijnen is mogelijk, maar de periode om tot voldoende verschraling te komen beslaat minimaal enkele decennia (zie ook paragraaf 3.3). Afgraven van de voedselrijke toplaag is voor natuurontwikkeling een goed alternatief met snellere doelrealisatie. Randvoorwaarde is dat er door de inrichting van de enclave voor nieuwe natuur geen negatieve effecten ontstaan voor de aangewezen habitattypen binnen de huidige natuur. Het onderzoek van Tauw heeft het inzicht gegeven dat de opbolling van water in de dekzandrug tussen het Pluzenven en de enclave zou verminderen en daarmee een negatief effect zou hebben op de aangrenzende grondwater gevoede habitattypen. Daarom wordt ten noorden van de Bergvennen (direct ten noorden van het zandpad) over een zone van 50 m breed de fosfaatrijke toplaag afgegraven, waarna deze weer wordt opgevuld met leemarm, humus- en nutriëntenarm fijn zand. De huidige maaiveldhoogte wordt hiermee weer hersteld en negatieve effecten van afgraven voorkomen.
Na deze zone van 50 m volgt een zone van 85 m waarin de toplaag wordt afgegraven tot benodigde diepte en daarna in geleidelijke overgang weer opgevuld wordt met leemarm, humus- en nutriëntenarm fijn zand tot de maaiveldhoogte van de hierboven genoemde 50 m zone. Het, aanvullend aan hydrologische maatregelen, ontgraven ten behoeve van de ontwikkeling voor habitattypen wordt voor alle natuurtypen gedaan die potentie hebben in de enclave. De ontgravingsdiepte varieert van 20 tot 45 cm. Het meest westelijke deel wordt niet ontgraven, omdat alle natuurtypen die kwalificeren voor de habitattypen met een uitbreidingsdoel in het oostelijke deel voorkomen. Het westelijke deel kan zich door verschralingsbeheer ontwikkelen als kruiden- en faunarijk grasland (geen habitattype maar beheerpakket). Omdat er een geleidelijk overgang van de randen van de enclave, waar aangesloten wordt op het huidige maaiveld, naar de ontgravingsdieptes wenselijk is, zou in deze overgangszone niet alle nutriëntrijke bouwvoor verwijderd worden. Dit zou sterke verruiging op de randen betekenen. Om dit te voorkomen wordt op alle grenzen de benodigde voedselrijke laag afgegraven om deze vervolgens tot gewenste hoogte op te vullen met leemarm, humus- en nutriëntenarm fijn zand.
Ten zuiden van het Brecklenkampse Veld wordt de huidige maaiveldhoogte op deze wijze hersteld, waarbij het als vaste overloopdrempel gaat functioneren ten gunste van de natuurpotenties in de landbouwenclave. De figuur met ontgravingsdieptes (figuur 4.9) suggereert dat er per perceel wordt afgegraven op basis van de perceelsgrenzen. In werkelijkheid gaat het hier om een amorfe, geleidelijke overgang op basis van maaiveldhoogtes en diepte fosfaatfront (Bor & Capel 2019). Natuurlijke hoogteverschillen blijven zo veel mogelijk behouden. Centraal in de afgravingsvlaktes ligt een natuurlijk hoogte (zandige kop). Deze wordt 20 cm afgegraven en niet de voor verschraling eigenlijk benodigde 65 cm. Op verschillende plekken in de landbouwenclave treedt kwel op tot aan maaiveld. De grootste kweldruk is aanwezig in de zuidoostelijke hoek van de enclave. Hierdoor treedt grondwater uit in de laagtes in het gebied om vervolgens richting het
39
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Brecklenkampse Veld af te stromen. Er wordt een natuurlijke drempelhoogte(n) gerealiseerd van 20,15 m +NAP. Deze hoogte sluit aan bij het grondlichaam van de weg tussen de landbouwenclave en het Brecklenkampse Veld. Een bestaande houtwal binnen de landbouwenclave wordt verwijderd. Deze wordt gecompenseerd door aanplant van een nieuwe houtwal op de grens van het (nieuwe) parkeerterrein. Ook staat er nog een schuurtje dat mogelijk verwijderd dient te worden. Mogelijkheden voor behoud (met een toekomstige functie voor bijv. vleermuizen) of hergebruik (verplaatsing) zullen tijdens de realisatiefase nader worden verkend.
Figuur 4.9 Inrichting landbouwenclave met ontgravingsdieptes
40
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
4.3.3
Interne maatregelen
Interne maatregelen zijn alle maatregelen binnen de Natura 2000-begrenzing en binnen bestaande natuur. In figuur 4.10 zijn de interne maatregelen weergegeven. De externe maatregelen zijn beschreven in de vorige paragraaf (4.3.1).
Figuur 4.10 Interne maatregelen (zonder maatregel M15: Plaggen)
M11a Handhaven inlaat opgepompt water Deze maatregel is niet uitgewerkt in dit inrichtingsplan (handhaven bestaande voorziening). In 1993 is bij herstelmaatregelen voor de vennen een pomp geïnstalleerd om basenrijk grondwater te kunnen oppompen en in te laten in het zuidelijk gelegen Rietven. Indertijd heeft dit geleid tot een sterke verbetering en herstel van de vennen. De laatste jaren is het niet meer nodig geweest om basenrijk grondwater op te pompen, omdat de kwaliteit van het water in de vennen goed was. Experts verwachten dat het oppompen van grondwater ook in de toekomst niet meer nodig zal zijn. Toch wil men kunnen ingrijpen wanneer uit monitoring van de waterkwaliteit van de Bergvennen blijkt dat ingrijpen door het inlaten van opgepompt, basenrijk grondwater, noodzakelijk is. Daarom blijft de voorziening gehandhaafd.
41
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
De aanleg van een slenk (externe maatregel) zorgt voor aanvoer van basenrijk water naar de zuidelijke vennen. Wanneer na monitoring in de toekomst blijkt dat de chemische samenstelling van het water in de zuidelijke vennen van een voor zeer zwak gebufferde vennen goede kwaliteit is kan overwogen worden een doorstroming richting het Rietven te realiseren. M11b Optimaliseren afwatering vennen (binnen natuurgebied) Deze maatregel is in dit inrichtingsplan vertaald als ‘herstel doorstroomsysteem’ en bestaat uit het herstellen/aanleggen van de verbindingen tussen de vennen en de afwatering van het laagst gelegen ven naar de omgeving. De maatregel omvat een pakket aan civieltechnische kunstwerken (duikers, stuw-, afsluit- en doorspuitputten) en grondwerk (herstellen van het oorspronkelijke reliëf (enkele kleine slenken en herstel van een grondwal) Doel van deze maatregel is doorstroming van licht basenhoudend, zwak gebufferd water door de vennen (en daarmee tegengaan van verzuring), maar ook afvoer van water waardoor de waterstand in de zomer lager wordt en oevers droogvallen (gewenste peilfluctuaties). Dit is essentieel voor de instandhouding van de zeer zwak gebufferde vennen met o.a. waterlobelia. Een belangrijke kanttekening is dat water aflaten vanuit het oogpunt van verdroging ongewenst is en er dus alleen water mag worden afgelaten indien de venvegetatie hier baat bij heeft.
De zone met Waterlobelia moet daarbij in de zomer in ieder geval droogvallen. Deze zone wordt jaarlijks op basis van monitoringsgegevens vastgelegd. De vuistregel voor het al dan niet aflaten van water is dat elk jaar rond 1 juli moet worden beoordeeld of het water te hoog staat in de oeverzone met Waterlobelia (en Oeverkruid). Indien er een te hoge waterstand op de bewuste oevers staat, dan zal de beheerder in overleg met de ecoloog het water af laten tot op het droogvallen van de oevers. In de jaren 90 zijn herstelmaatregelen uitgevoerd, waaronder de aanleg van een doorstroomsysteem met greppels, stuwen en duikers. Dit systeem werkt niet meer voldoende omdat greppels, die moeilijk te onderhouden zijn, deels zijn dichtgegroeid en de houten stuwen inmiddels aan het eind van hun levensduur zijn. Hierdoor is sturing op de waterpeilen op dit moment onvoldoende mogelijk. Er wordt daarom een nieuw, robuust doorstroom- of aflaatsysteem gerealiseerd. Hierbij is het uitgangspunt dat het water vanuit het Ronde ven naar het Rietven kan stromen en van het Rietven en het Eilandven naar het Pluzenven. Het Rietven kent een voedselrijker milieu dan het Ronde Ven, daarom is het niet wenselijk dat water vanuit het Rietven naar het Ronde Ven stroomt. Andersom is het wel wenselijk, omdat het Ronde Ven het beste ‘zwak gebufferde water’ bevat.
Echter is het aanbod aan geschikt water vanuit het Ronde Ven onvoldoende om het Rietven weer in voldoende mate te herstellen en daarmee het habitattype zeer Zwak gebufferde ven in de toekomst te behouden. De (negatieve) invloed op de waterkwaliteit in het Rietven vanuit Camping de Bergvennen is hiervoor te groot. Hiervoor zijn dus tevens maatregelen op de Camping noodzakelijk. Deze maatregelen worden beschreven onder paragraaf 4.3.5, maatregel Am 5. Wanneer zowel de verbinding tussen het Ronde Ven als met name ook de verbinding naar het Campingven goed wordt hersteld kan dit in het Rietven de Waterlobeliaontwikkeling ten goede komen. De afvoer in de jaren 90 ging er van uit dat al het water uiteindelijk in het Pluzenven terecht kwam en van hieruit zo nodig kon worden afgelaten naar de omgeving. De oorspronkelijke afvoerrichting van (overtollig) gebufferd water vanuit het Eilandven liep echter niet via het Pluzenven, maar richting de huidige landbouwenclave ten noorden van de Bergvennen. Bij toekomstige afwatering dient het Pluzenven wel te worden meegenomen in de doorstroming. In de landbouwenclave liep het water een slenk in waar het grotendeels werd gebufferd in de bodem en voor een klein deel via de slenk werd afgevoerd in westelijke richting.
Deze afvoerrichting wordt met de inrichtingsmaatregelen hersteld om de beschikbaarheid van gebufferd grondwater voor de ontwikkeling van grondwater gevoede habitattypen (o.a. Blauwgraslanden, Natte Heide, Kalkmoeras) te bevorderen.
42
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 4.11 technische uitwerking herstel doorstroomsysteem Bergvennen
Anders dan het oude doorstroomsysteem van greppels en houten stuwen, is gekozen voor een robuuster systeem met duikers en stuwputten. Alle duikers zijn voorzien van een peilregulerings- of stuwput, waarin de gewenste/vereiste peilen kunnen worden ingesteld. De in het verleden aangelegde greppels en laagten worden gedicht, wat bijdraagt aan een maximale opbolling van grondwaterstanden in de ruggen tussen de vennen in. Hierdoor kan meer grondwater worden geborgen in het systeem wat direct ten goede komt aan de vennen. Hieronder volgt een korte beschrijving per venverbinding: Verbinding Ronde ven – Rietven Er wordt een duiker aangelegd tussen beide vennen met een peilreguleringsput hiertussen. Hierdoor wordt de uitwisseling van (veelal) gebufferd water mogelijk gemaakt en worden de peilen in de vennen gereguleerd. Het Ronde Ven behoudt hierdoor haar van nature gebufferde karakter. De oude greppel tussen de vennen wordt gedempt en de bestaande stuw wordt opgeruimd. De voormalige rug tussen beide vennen wordt hersteld en is weer in staat grondwater te bufferen wat ten goede komt aan het venmilieu. Verbinding Rietven – Eilandven Er komen twee duikers met een peilreguleringsput ertussen. De aanleg van een tweetal duikers gaat samen met het herstel van een tweetal in het verleden doorsneden ruggen.
Door het herstel van de ruggen met (nutriëntenarm) lemig zand of keileem kan grondwater in de ruggen tussen de vennen weer opbollen en uittreden in de oevers van de vennen. Tegelijkertijd kan overtollig water en ingebracht gebufferd water vanuit het Rietven via twee duikers en een slenk richting het Eilandven stromen. Het deel van de verbinding, langs het Bokjesven, blijft een open verbinding (slenk). Deze slenk voldoet, maar wordt hergeprofileerd. Er wordt met lemig zand een verhoging van ca. 30 cm t.o.v. huidig maaiveld aangebracht tussen het Bokjesven en de slenk. Hierdoor wordt voorkomen dat het Bokjesven leegstroomt wanneer er geen water door de slenk stroomt en ook worden hiermee de omstandigheden gecreëerd om het habitattype Zwak gebufferde vennen (H3130) te verbeteren en uit te breiden. Verbinding Pluzenven - Eiland Ven – ‘landbouwenclave’ De oorspronkelijke afvoer van het Eiland Ven naar de landbouwenclave wordt hersteld. In de oorspronkelijke afvoerlaagte liggen echter nu twee habitattypen (Hoogveenbos (H91D0) en Heischraal grasland (H6230)) die zich, na bevloeiing met gebufferd water uit de vennen, niet zullen handhaven. Om deze habitattypen te ontzien, dient een duiker te worden aangebracht tussen het Eilandven en de landbouwenclave. Deze duiker met een lengte van ca. 100 m. wordt voorzien van twee putten.
Een put voor peilregulering en facilitering van het doorstroomsysteem en één put voor het periodiek doorspuiten van het systeem. De duiker mondt uit in het afgegraven deel van de landbouwenclave. Met de aanleg van de duiker blijven ruggen intact en kan gebufferd grondwater weer richting de natuurlijke laagten in de landbouwenclave stromen. Tussen het Pluzenven en het Eilandven wordt de bestaande duiker vervangen door een duiker met een peilreguleringsput. M12 Bekalken Omgeving Vennen Deze maatregel is vervangen door maatregel ‘toepassen steenmeel/bekalking’ en heeft tot doel het opheffen van de negatieve
43
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
effecten van verzuring van de bodem en daarmee het zelfherstellend vermogen van de bodem te verbeteren. Hierin wordt het door B-ware en Bodem Bergsma opgestelde advies gevolgd. De maatregel wordt uitgevoerd rondom de vennen, op plekken waar bos gekapt wordt en in heidegebied waar mineralenonderzoek heeft aangetoond dat deze maatregel nodig is. Dit is een groot deel van het totale areaal van de Bergvennen en het Brecklenkampse veld. Steenmeel bevat in tegenstelling tot kalk een veelzijdig palet aan grondstoffen en brengt daarmee de bodem meer in balans dan kalk. M14 Opschonen vennen Deze maatregel is opgenomen als maatregel ‘opschonen vennen’ en maatregel ‘schrapen vegetatie in zuidelijke vennen’ De maatregel betreft het vrij maken van veenmossen van de venranden en venoevers en bestaat uit: Het opschonen van de vennen Schrapen van vegetatie Aanbrengen leemhoudend zand Combinatie schrapen vegetatie en aanbrengen leemhoudend zand De maatregel is vooral noodzakelijk voor de ontwikkeling van venvegetaties met o.a. waterlobelia en oeverkruid. De maatregel is structureel, maar de verwachting is dat na uitvoering van de overige maatregelen, deze maatregel minder vaak hoeft te worden uitgevoerd dan in de huidige situatie. Het effect van opschonen is dat versnelde successie (door stikstofdepositie) wordt tegengegaan. Dit betekent dat de vennen minder snel zullen dichtgroeien.
M15 Plaggen (of strooisel verwijderen eventueel in combinatie met bekalken (eenmalig)) Deze maatregel heeft tot doel de voor vochtige heide kenmerkende mozaïekstructuur terug te brengen, daar waar deze is verdwenen. Ook worden zo ernstig vergraste delen weer vrijgemaakt van Pijpenstrootje en bevordert de maatregel de kieming en groei van gebiedskarakteristieke plantensoorten als jeneverbes, rode/blauwe bosbes en (korst)mossen. Plaggen is een maatregel om de verhoogde ophoping van stikstof tegen te gaan en een deel van het opgehoopte stikstof af te voeren. Plaggen kan echter ook nadelige effecten hebben. Door de afvoer van de organische laag neemt de buffercapaciteit van de bodem drastisch af en is deze bodem niet meer in staat om stikstof te bufferen. Dit is de reden dat plaggen slechts op zeer beperkte schaal wordt toegepast. Voor de instandhouding en kwalitatieve verbetering van het oppervlak van het habitattype Vochtige heide (H4010) wordt er over meerdere jaren pleksgewijs geplagd tot op de minerale zandbodem. Plaggen vindt uitsluitend plaats op basis van de monitoringsresultaten van de vegetatieontwikkeling ter plaatse. Mocht de vegetatieontwikkeling hiertoe aanleiding geven dan wordt overgegaan tot kleinschalig plaggen. Bij het plaggen van de bodem wordt alleen organisch materiaal verwijderd, zonder dat de minerale bodem wordt aangetast.
Na het plaggen wordt op de plaglocaties steenmeel toegepast. Plaggen wordt parallel aan de eventueel aanwezige gradiënt (droog naar nat) uitgevoerd om te voorkomen dat in de zomer een onnatuurlijke stagnatie van regenwater optreedt. De zode/moslaag varieert in dikte van enkele centimeters tot maximaal 15 cm, maar is gemiddeld circa 5 cm dik. Voor de eerste Beheerplanperiode wordt deze maatregel één jaar, gelijktijdig met de inrichtingsmaatregelen uitgevoerd. Geschat oppervlakte is 1,5 ha, verspreid over vierentwintig locaties van 25x25 meter. De exacte locaties worden bepaald aan de hand van de jaarlijkse SNL-monitoring en staan dan ook niet op de inrichtingsplankaart. M16 Verwijderen opslag struiken en bomen zuidoostelijke hoek Bergvennen (1x/5-10 jaar) (opslag verwijderen, dunnen en/of vrijzetten oevers En M16a verwijderen ongewenste vegetatie Deze maatregel is vertaald in maatregel ‘omvormen bos naar heide of blauwgrasland’ en behelst een groter gebied dan alleen de zuidoostelijke hoek van de Bergvennen. De maatregel is tevens aangevuld met maatregel ‘omvormen naaldbos naar loofbos’ in het bosgebied ten oosten van het Brecklenkampse Veld (Duits grondgebied).
44
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Deze maatregelen hebben het tegengaan van verdroging, herstel van de vochthuishouding en betere werking van lokale hydrologische systeempjes tot doel. De bestaande houtopstanden worden gedomineerd door grove den en onttrekken jaarrond veel water aan de bodem. Maatregel ‘omvormen bos naar heide of blauwgrasland’ Om de beschikbaarheid van grondwater voor de vennen in de Bergvennen te verhogen wordt in het zuidoosten van het terrein een groot areaal aan bos gekapt en omgevormd naar de habitattypen Droge Heide (H4030) en Vochtige Heide (H4010a) met verspreide loofbomen. Deze habitattypen hebben beiden een significant lager verdampingsniveau dan het bestaande bos (met veel naaldhout). Concreet houdt deze maatregel het volgende in: Het aanwezige bos wordt in beheer van Landschap Overijssel ontdaan van grove dennen en het vrijgekomen hout (stam- en takhout) afgevoerd; De aanwezig Jeneverbesstruwelen en enkele karakteristieke overstaanders blijven staan; De stobben worden gefreesd; De relatief zure, humusrijke strooisellaag wordt verwijderd; Aanvullend wordt er bekalkt en steenmeel aan de bodem toegediend om de mineralenhuishouding te herstellen en te voorkomen dat er een ammoniumvergiftiging in de bodem ontstaat.
Om een harde overgang bij de grenslijn te voorkomen wordt in aansluiting op de bospercelen aan Duitse zijde (buiten de N2000 begrenzing) een smalle strook bos gehandhaafd. Deze strook varieert in breedte van 10 tot 50 meter en heeft daardoor een rafelige rand. Uit de door de Bosgroepen opgestelde systeemanalyse is gebleken dat het knelpunt van verdamping en negatieve invloed van bos op lokale hydrologische systeempjes in de zandruggen/-koppen niet uitsluitend speelt in de zuidoosthoek van de Bergvennen, maar ook in de overige delen van het gebied waaronder het Brecklenkampse Veld. In de afgelopen decennia is er in het Brecklenkampse Veld, met in name de lagere delen van het gebied, al veel opslag verwijderd om het areaal aan Blauwgrasland (H6410) en Heischraal grasland (H6230) uit te breiden. Desondanks is er nog steeds een relatief groot areaal aan soortenarm bos en dichtgegroeide, voormalig heide aanwezig. Het resterende bos in het Brecklenkampse Veld wordt verwijderd en omgevormd naar vochtige en droge heide.
Concreet houdt deze maatregel het volgende in: Het aanwezige bos in het gebied wordt in beheer van Landschap Overijssel gekapt en het vrijgekomen hout (stam- en takhout) afgevoerd: dit is met name naaldbos op de hogere ruggen; Stobben worden gefreesd; De zure, humusrijke strooisellaag wordt verwijderd; Aanvullend wordt er kalk en steenmeel toegepast om de mineralenhuishouding te herstellen; de samenstelling en hoeveelheden zijn afhankelijk van het mineralogische onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd. Vanuit ruimtelijke kwaliteit is het wenselijk om de landschappelijke kamerstructuur binnen het Brecklenkampse Veld te behouden. Dit wordt gezien als meekoppelkans en bewerkstelligd door het aanwezige loofhout deels te sparen en aanvullend struweel aan te planten. Om te voorkomen dat alsnog een groot deel van het water wordt verdampt, wordt de gehandhaafde en geplante vegetatie als hakhout beheerd. De volgende soorten worden bijgeplant: eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) sleedoorn (Prunus spinosa) hazelaar (Corylus avellana) lijsterbes (Sorbus aucuparia) vuilboom (Rhamnus frangula) egelantier/hondsroos (Rosa spec.) Maatregel ‘omvormen van naaldbos naar loofbos’ Om verdroging als gevolg van verdamping door naaldbos tegen te gaan is het wenselijk om een deel van het bos ten oosten van het Brecklenkampse veld te kappen. Dit bos ligt op Duits grondgebied.
Uit overleg met de terreinbeheerder is duidelijk geworden dat er geen draagvlak is voor kap, maar omvorming naar loofbos is bespreekbaar. Omdat loofbomen minder verdampen dan naaldbomen is omvorming een wenselijk alternatief voor boskap. De bosbeheerder heeft aangegeven deze omvorming binnen de huidige begrenzingen van de verschillende bospercelen te willen uitvoeren. Daarnaast wateren greppels in het bos nu richting het oosten af. De beheerder wil meewerken aan het aanpassen van de afwateringsrichting zodat het water richting het westen (Brecklenkampse Veld) stroomt (zie ook aanvullende maatregel Am2 onder par. 4.3.5). M17 begrazen (drukbegrazing) Deze maatregel richt zich op het bestrijden van opslag op voormalige kapvlakten en opslagbestrijding op bestaand heideterrein. 45
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Begrazen is een beheermaatregel en daarom niet verder uitgewerkt in dit inrichtingsplan. Belangrijk is het uitrasteren van jonge kiemplanten van jeneverbesstruwelen. Dit is als maatregel wel op genomen in het inrichtingsplan (aanvullende maatregel Am4)
4.3.4
Bemestingsmaatregelen
Zoals in paragraaf 3.5.1 beschreven is zijn voor een aantal agrarische percelen rondom het Natura 2000 gebied beperkende maatregelen van kracht ten aanzien van gebruik en/of bemesting. Op de inrichtingsplankaart zijn deze percelen weergegeven als agrarisch met beperking. Het romeinse cijfer in het perceel verwijst naar de specifieke beperking en komt overeen met de opsomming/uitleg in paragraaf 3.5.1. Bemestingsmaatregelen in landbouwenclave zijn volledig komen te vervallen omdat de landbouwpercelen hier een natuurbestemming krijgen en niet meer bemest zullen worden (zie par. 4.3.2). Bemestingsmaatregelen in het Lattropse Veen zijn grotendeels vervallen omdat dit gebied grotendeels een natuurbestemming krijgt (zie par 4.3.1 maatregel M3x). In figuur 4.12 zijn de bemestingsmaatregelen samengevat. In het Provinciaal Inpassingsplan behouden de percelen waarop deze maatregelen worden uitgevoerd een agrarische bestemming maar met een beperking (Agrarisch -3 met specifieke aanduidingen). De waterfunctie mag niet worden aangepast. Maatregelen ten noorden (M1a) en noordwesten van het Brecklenkampse Veld (M1c) Voor het perceel ten noorden van het Brecklenkampse Veld kan volstaan worden met de bestemming blijvend grasland (I) mits de wal ten zuiden van het perceel wordt dichtgemaakt. Aan de zuidzijde van het perceel, ligt een (te dempen) perceelssloot (externe maatregel).
De scheiding tussen de perceelssloot en het Brecklenkampse Veld bestaat uit een wal, die echter momenteel niet aangesloten is, maar onderbrekingen kent (kleine gaten in de wal). Door deze wal dicht te maken, wordt voorkomen dat sedimentdeeltjes van het perceel het natuurterrein in kunnen stromen. Het perceel in de oksel van het Brecklenkampse Veld kent een hogere rug. Met name de ondiepe uitspoeling van stikstof naar oppervlaktewater vanuit de hoge rug naar het oosten is een risico. Er lopen stroombanen van het droge perceelsgedeelte naar het Brecklenkampse Veld, waardoor er een matig risico is op nitraatuitspoeling via grondwaterstroming De sloot op de grens wordt gedempt en het natuurterrein ligt laag. Om die reden wordt op het oostelijke deel de bemesting gestaakt en aan de landbouw onttrokken. Voor het kleinere westelijke deel gelden geen bemestingsbeperkingen. Een gedeelte van het perceel aan de Kommiezendijk ten westen van het Brecklenkampse Veld kent een matig risico voor stikstof. Hier geldt het beperken van de periode van bemesting tot van 15 maart tot 1 augustus om het risico voor de natuur te beperken (II). Het risico ligt vooral in uitspoeling van nitraat (stroombaan van 5 tot 30 jaar). De isohypsenkaart laat in de winter stroming richting het Natura 2000-gebied zien. De BMW werkt met een categorie tot 10 jaar.
Als het grondwater langer dan 10 jaar onderweg is valt het risico op stikstofuitspoeling en daarmee ook de bemestingsmaatregel weg. Dit is de reden dat niet het gehele perceel een bemestingsmaatregel kent. Maatregelen ten westen van de Bergvennen (M2a en M1g) Op het perceel binnen de Natura 2000 begrenzing (M2a) is er sprake van beïnvloeding via grondwater. Uit het isohypsenpatroon in de wintersituatie blijkt dat er een risico geldt voor uitspoeling naar de natuur (hier liggen de habitattypen (zeer) zwak gebufferde vennen en vochtige heide). Er geldt hier een beperking in periode van bemesting (van 15 maart tot 1 augustus)(II). Ten noorden van de Bergvennenweg (M1g) ligt tegen de Natura-grens een perceel waar op het oostelijk deel een (matig) risico op uitspoeling van nitraat heeft, omdat er korte stroombanen zijn richting de Bergvennen. Landschap Overijssel heeft aangegeven dat dit perceel al in gebruik is als Natuur. Het krijgt in het PIP de bestemming Natuur. Het perceel is langs de Bergvennenweg tevens de locatie voor de te verplaatsen parkeervoorziening. Het Lattropse Veen De bemestingsmaatregelen zijn hier grotendeels niet van toepassing omdat de slenk, ten behoeve van aanvoer van gebufferd grondwater naar de zuidelijke vennen, wordt gegraven.
Onderdeel van deze maatregel is het actief uitmijnen van de voedselrijke toplaag van de landbouwpercelen die van invloed zijn op de slenk. Na uitmijnen zal geen bemesting meer plaatsvinden. Daarom zal dit gebied in zijn geheel worden omgevormd naar natuur. Buiten de natuurbestemming kan in een smalle strook langs de Dennenweg het agrarisch gebruik voortgezet worden. Hier kunnen bemestingsmaatregelen achterwege blijven als er op de grens met de gronden met natuurbestemming een laag grondwalletje of greppel wordt aangelegd, om oppervlakkige afstroming van nutriënten te voorkomen. Zoals bij de inrichting van de slenk beschreven (par 4.3.1) moeten de bestaande houtwallen ten zuiden en ten zuidoosten van het Lattropse Veen behouden of versterkt worden om afspoeling van voedingsstoffen vanaf het Duitse landbouwperceel en vanaf het zuidelijke perceel in de punt van het Lattropse Veen te voorkomen. Ze zijn daarom als te handhaven weergegeven op de plankaart. In de realisatiefase moet bekeken worden of deze wallen in de huidige vorm voldoen of dat aanvulling/versterking ervan nodig is.
46
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 4.12 Bemestingsmaatregelen
47
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
4.3.5
Aanvullende maatregelen
Op basis van de nadere onderzoeken en adviezen van de deskundigen is een aantal maatregelen toegevoegd aan het inrichtingsplan. Deze maatregelen dragen bij aan de realisatie van de natuurdoelen. De aanvullende maatregelen maken integraal onderdeel uit van het inrichtingsplan voor dit Natura 2000-gebied.
Figuur 4.13 Aanvullende maatregelen
Am1 ‘dempen interne watergangen/greppels’ Ten behoeve van een optimalisatie van herstel van het hydrologische systeem zijn er ook intern enkele watergangen/greppels die gedempt worden. Wel moet goed worden afgestemd of het hier geen cultuurhistorische elementen betreft, die waardevol zijn om te behouden (bijvoorbeeld greppels die een oude markegrens vormen). Maatregelen camping (Am5) Am2 ‘aanbrengen duikers in grenspad’ Tussen het bosgebied in Duitsland (Maatregel ‘omvormen van naaldbos naar loofbos’) en het Brecklenkampse Veld wordt een voorziening getroffen waardoor het water vanuit het bosgebied kan afstromen naar het Brecklenkampse Veld. Met de Duitse eigenaar is gesproken over het herstel van de afwatering en het wijzigen van de afwateringrichting van het bos (nu oostwaarts), waardoor vanaf de waterscheiding regen- en grondwater kan afstromen richting het Brecklenkampse Veld. Dit is wenselijk omdat bij handhaving van de bestaande afwateringsrichting en het verbeteren van de afwatering in het bos, de afwatering drainerend werkt op de toevoer naar het Brecklenkampse Veld. Op een aantal plaatsen wordt, aansluitend op de laagtes die het water aanvoeren, een kleine duiker aangebracht in het grenspad. Duikers hebben, gezien de vele wandelaars en fietsers op dit grenspad, de voorkeur boven voordes. 48
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Am3 ‘Belemen poel’ De huidige poel heeft een drainerende werking op haar directe omgeving. Om deze drainerende werking tegen te gaan wordt een laag leemhoudend zand of zandig leem op de bodem aangebracht. De poel kan zich hiermee doorontwikkelen tot zwak gebufferd ven (H3130). Ook vochtige heide in de omgeving kan van deze maatregel profiteren, al komt dit hier in beperkte mate voor, waardoor het effect beperkt is. Am4 ‘Experiment jeneverbes’ Het habitattype Jeneverbesstruwelen (H5130) staat landelijk gezien onder druk en gaat in veel gebieden achteruit. Ook in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld is er nog maar weinig over van het oorspronkelijke areaal aan Jeneverbesstruwelen. Met de maatregel ‘experiment jeneverbes’ wordt ingezet op verjonging van jeneverbesstruwelen. Dit is nodig om het habitattype in stand te kunnen houden (geen verjonging betekent een negatieve trend). Op drie locaties in het Brecklenkampse Veld en op vijf locaties in de Bergvennen zijn potentiële locaties aangewezen, die het meest geschikt zijn voor verjonging (kieming) van Jeneverbes. Aan de hand van bodemkaarten, grondwatertrappen, verspreidingsgegevens van flora en ligging habitattypen zijn - in overleg met Landschap Overijssel - deze zoekgebieden voor verjonging bepaald. Vervolgens zijn in het veld binnen deze zoekgebieden de geschikte kiemlocaties (10 - 100 m2) geselecteerd.
De volgende uitgangspunten zijn daarbij gehanteerd: Weinig schaduw; Groot vochtvasthoudend vermogen van de bodem: aanwezigheid van zwarte grond, minerale horizont en/of lemig materiaal in de bovenste 20 cm; Aanwezigheid van planten die enigszins vochtige dan wel minder zure omstandigheden indiceren, zoals dopheide (vochtig), blauwe zegge (vochtig, zwak zuur), gewoon biggenkruid (zwak zuur); Geen stuifzand of zeer arme gronden; Afwezigheid van andere beschermde habitattypen en bijzondere flora en fauna. Uit het onderzoek (Herstelstrategie H5130/Onderzoek verbetering Jeneverbesstruwelen door B-ware (zie par. 3.3)) blijkt dat de volgende herstelmaatregelen hier het meest geschikt zijn: 1. Verzamelen en vervolgens conserveren van bessen/zaden In september/oktober worden actief zaden geoogst en vervolgens bewaard op een koele droge plek (ongeveer bij 20 graden). Vervolgens worden deze zaden in februari/maart op de geselecteerde verjongingslocaties uitgezaaid. Hierna kan de grond worden gemengd of gespit. Indien er geplagd wordt op een verjongingslocatie dienen de zaden, uiteraard na het plaggen te worden uitgezaaid 2. Ondiep plaggen en doormengen Bij ondiep plaggen en doormengen wordt alleen de zode verwijderd (circa 2 cm) in combinatie met het doormengen van zwarte grond in de bovengrond (1 spade diep).
Dit om het vochtleverend vermogen te vergroten; dus niet spitten en de zwarte grond helemaal onderwerken. Deze maatregel is geschikt voor bodems zonder leem, vooral op hogere delen in de Bergvennen 3. Diep plaggen en spitten Bij diep plaggen wordt de zode en zwarte bovengrond verwijderd (circa 5 cm) en een spade diep gespit. De niet-humeuze (zand-) ondergrond wordt boven gewerkt. Diep plaggen en spitten is alleen toepasbaar bij leemhoudende bodems en deze zijn alleen aanwezig in het Brecklenkampse Veld. Om het kiemsucces te vergroten worden de volgende maatregelen geadviseerd: Toevoegen van bodemmateriaal van bestaande groeilocaties in verband met aanbrengen juiste mycorriza; Verzamelen van rijpe bessen van jonge bomen (bomen waar nu ook nog verjonging van optreedt); Meten van de basenverzadiging. Deze dient boven de 40% te liggen; Stimuleren bodemberoering. Na het uitvoeren van plaggen kan het kiemingssucces worden vergroot door grazers regelmatig over het terrein te laten lopen om oppervlakkige bodemroering en –bemesting te bevorderen. Zodra kiemplanten zijn verschenen dient hiermee te worden gestopt (zie verder onder kopje rasteren). Zaden afdekken met een dun laagje grond.
Als het stimuleren van bodemberoering door middel van grazers niet mogelijk is, dienen de zaden te worden afgedekt met een dun laagje grond (circa 1-2 cm), omdat los op de bodem liggende zaden vrijwel niet kiemen. Het afdekken met grond is ook nodig om uitdroging te voorkomen. Rasteren. Vee, vraat door konijnen en reeën en maaien hebben een negatief effect op het kiemingssucces van jeneverbessen (Hommel & Huiskens 2009; Hommel et al. 2013). De ingezaaide locaties dienen daar waar reeën, konijnen of begrazing aanwezig is, te worden uitgerasterd. Vooral nadat kieming heeft plaatsgevonden. Openhouden locaties. Na kieming is van belang dat een open vegetatiestructuur wordt behouden. Dit kan door de eerste 10 jaar bosopslag dan wel vergrassing op de locaties tegen te gaan. Op de plankaart zijn alle kansrijke locaties voor deze maatregel weergegeven. Omdat er geen uitbreidingsdoelstelling voor het habitattype ligt wordt in de realisatiefase een keuze gemaakt voor de meest kansrijke locaties om dit experiment te starten. Am5: ‘Maatregelen Camping de Bergvennen’
49
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Het ven ten noorden van camping de Bergvennen (Rietven) is in de loop van de jaren verrijkt met grondwater met te hoge gehalten aan voedingsstoffenstoffen waardoor het ven dreigt te degraderen naar een eutroof ven. Het habitattype blijft hiermee niet behouden voor de toekomst. Het oppompen van grondwater om de juiste waterkwaliteit te verkrijgen voor de zeer zwak gebufferde vennen is in het verleden al eens toegepast, maar bleek zelfs een averechts effect te bewerkstelligen. Het grondwater dat van dieper weg komt is te rijk aan voedingsstoffen. Maatregelen in kader van behoud habitatttypen De grondslag van de maatregelen die worden uitgevoerd voor behoud van habitattypen ligt in het onderzoek dat is gedaan op de Camping door de Bosgroepen (2021). Deze studie is als bijlage toegevoegd aan het inrichtingsplan. Het ecohydrologisch systeem is in dit gebied een gevoelig systeem. Het oorspronkelijke kralensnoer van vennen in het gebied lag ook deels over Camping de Bergvennen. Het nog aanwezige grote ven op de camping, het Campingven, is hiervan een restant. Dit ven is in het verleden diverse malen verdiept en geschikt gemaakt als recreatieplas. Als gevolg van de verdieping trekt dit ven ongewenst, te voedselrijk grondwater aan. Daarmee veroorzaakt dit ven problemen voor het aanliggende habitattype: 1.
Door de verdieping van het campingven wordt deze nu vanuit de diepere ondergrond gevoed door (te) rijk grondwater. Dit grondwater stroomt lateraal af richting het Zeer zwak gebufferde Rietven ten noorden van de camping en het ven ten zuidoosten van de camping; 2. Doordat het campingvijver diep insnijdt in de ondergrond worden grondwaterstromingen vanuit de omliggende dekzandruggen aangesneden. Hierdoor trekt het ven water aan uit deze dekzandruggen. Hierdoor zakt het grondwaterpeil in de dekzandrug en verminderd dus de opbolling van grondwater in deze dekzandrug. Dit zorgt voor een afname van toestroming van zwak gebufferd grondwater naar de zeer zwak gebufferde vennen; 3. Het campingven, de huidige inrichting ervan, voorkomt dat water van de juiste kwaliteit vanuit het Lattropse Veen èn de zuidelijke vennen richting het Rietven kan stromen en daarmee verdere achteruitgang van het Rietven voorkomt. 4. Het recreatieve gebruik van het campingven strookt niet met de voor natuur gewenste waterkwaliteit. Aan zwemwater een bepaalde kwaliteit gevraagd die niet aansluit bij het zwak gebufferde Rietven. De knelpunten moeten worden opgelost en hiervoor is maatwerk noodzakelijk. Hieronder zijn maatregelen beschreven die deze knelpunten moeten wegnemen.
Om de negatieve invloed op de grondwaterstanden en de grondwaterkwaliteit in het habitattype door het nu verdiepte Campingven weg te nemen dient het ven tot op de oorspronkelijke venbodem, nu nog te herkennen in de oevers van het ven, weer te worden teruggebracht/verondiept. Het campingven wordt dus verondiept tot ca. 50cm onder omliggende maaiveld. Hiermee trekt het campingven niet meer aan het grondwater in de aanwezige dekzandruggen en kan het dus geen verrijkt grondwater meer afgeven aan de omliggende zeer zwak gebufferde vennen. De verondieping van het ven dient met vergelijkbaar fijn zand te worden verondiept als ook aanwezig is in de vennen op de Bergvennen (90-125 µm). Deze verondieping wordt nader uitgewerkt in de realisatiefase van het project. Met het verondiepen van het campingven en het herstel van de verbinding tussen zuiderlijke en noordelijke vennen, zoals dit van oudsher ook het geval was, ontstaat er een uitwisseling van water met de juiste waterkwaliteit tussen de verschillende vennen en kan een duurzaam behoud van de vennen, en daarmee de habitattypen, worden gewaarborgd. Het graven van greppels is in het verleden niet zinvol gebleken. Ze zijn moeilijk te onderhouden en zijn gevoelig voor obstakels waardoor de doorstroming van venwater al snel onvoldoende is.
Het aanleggen van duikers is kostentechnisch in aanleg duur, niet duurzaam en zeer onderhoudsintensief. Er is dus gekozen voor het herstel van de ondiepe slenken die tussen de vennen gelegen hebben. Deze slenken zijn eenvoudig te onderhouden door mee te maaien in het maaibeheer en het meest duurzaam voor de instandhouding ervan. Maatregelen ter mitigatie van (toekomstige) vernatting Als gevolg van het uitvoeren van maatregelen op en rondom de camping is volgens de modelberekeningen (Tauw, 2019 scenario 10 - eindscenario) een verhoging van de grondwaterstand te verwachten. Als gevolg van deze verhoogde grondwaterstand wordt een deel van de camping vernat. Om deze voor de camping ongewenste vernatting in voldoende mate te compenseren is in overleg met de eigenaren afgesproken om deze vernatting te mitigeren d.m.v. het uitvoeren van terreinophogingen (gemiddeld 30 cm +maaiveld) op delen van het campingterrein waar deze vernatting optreed. Deze ophoging dient plaats te vinden met mineraal zand( organische stof en in het grondwatersysteem van de vennen komen. Hierdoor treedt ongewenste verrijking van de vennen en tevens habitattypen op. Overige maatregelen Vestiging functie natuur Recreatief (mede)gebruik is uiterst onwenselijk aangezien dit als snel een negatieve invloed heeft op de waterkwaliteit in de vennen.
Dit laten ook de bodemmonsters zien die op de camping en rondom de vennen zijn genomen. Bij de geringste vervuiling lijden de habitattypen hieronder. Om de vereiste waterkwaliteit voldoende te borgen is er een gebied rondom het ven en de slenken afgebakend waarbij de huidige functie van dit gebied wordt omgezet in natuur. Aanleg zwemvijver
50
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
In overleg met de eigenaren van de camping is besproken of het verlies van een zwemvijver, en daarmee (exploitatie) waarde van de camping als geheel, ook gemitigeerd kan worden met het graven van een nieuwe zwemvijver. Uit onderzoek is gebleken dat dit mogelijk is, mits de nieuwe vijver hydrologisch geïsoleerd wordt gemaakt van het natuurlijk hydrologische systeem in het gebied. Concreet houdt dit in dat ten zuidwesten van het huidige campingven een nieuwe zwemvijver wordt aangelegd die wordt voorzien van een 30-50 cm kleidek waarmee de vijver is afgesloten van het omliggende hydrologische systeem. Dit kleidek wordt vervolgens weer bekleed met een zandlaag om ook daadwerkelijk recreatief medegebruik mogelijk te maken in deze vijver. Vrijkomend zand wordt ondermeer gebruikt bij het verondiepen van het campingven. De vrijkomende bovengrond kan worden gebruikt bij het ophogen van het Campingven. Verplaatsing huisjes Op de camping staan tussen het campingven en het Rietven nog een tweetal (verplaatsbare) vakantiehuisjes. Deze worden verplaatst richting het oostelijke deel van de camping. Dit vindt niet alleen plaats vanwege de aanleg van de slenkenstructuur, maar ook omdat de huisjes zich in de huidige situatie in een natte laagte bevinden die na de uitvoering van maatregelen natter wordt.
4.3.6
Vervallen maatregelen
Twee externe maatregelen uit de Gebiedsanalyse (zie fig. 1.2) zijn vervallen. M xxx M1b verondiepen watergang 33000003 Deze maatregel komt te vervallen, omdat uit berekening met het grondwatermodel is gebleken dat deze watergang geen negatief effect heeft op de Natura 2000-natuurdoelen (mede vanwege het vervallen van het natuurgebiedje ‘de Vetpot’ in het aanwijzingsbesluit). M1c verwijderen buisdrainage en vergoeden van vernattingsschade, verwerven en/of ophogen van landbouwgronden ten westen van het Brecklenkampse Veld Door het vervallen van M1b is deze maatregel niet meer van toepassing. Doordat watergang 33000003 niet verondiept wordt is er geen effect op de betreffende landbouwpercelen.
4.3.7
Meekoppelkansen
Er wordt een aantal kansen gezien om de ruimtelijke kwaliteit in het Natura 2000 gebied te vergroten. Het zijn aanvullende maatregelen die gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd, maar die niet bijdragen aan de natuurdoelen en daarom vanuit andere bronnen gefinancierd moeten worden. Voor de meekoppelkansen, is door Landschap Overijssel een subsidieaanvraag gedaan bij het Prins Bernard Cultuurfonds en Gebiedsontwikkeling Noordoost Twente 4.0. Amk1 ‘Aanplant struweel randen natuurgebied’ Vanuit landschappelijk oogpunt en het tegengaan van ongewenste inloop in het natuurgebied is gekeken naar herstel van randbeplanting langs de grenzen van de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld. Na verwijdering van het naaldhout wordt een beplantingsstrook met soortenrijke struwelen terug geplant. Hiermee blijven de oude historische gebiedsranden intact en ontstaan er kansen voor flora en fauna. De struwelen zijn goede waardplanten voor bijvoorbeeld verschillende vlindersoorten en biotoop voor vogelsoorten. Financiering van de maatregel vindt plaats via de subsidiestroom Nationaal Landschap Noordoost Twente. Amk2 t/m 6 ‘Aanpassen wandelpaden’ Het huidige parkeerterrein aan de Bergvennenweg wordt veel natter doordat de watergang in dit bosje wordt verondiept. Bovendien wordt het bosje omgevormd naar heide. Om die reden wordt de parkeerplek verplaatst naar een hogere plek.
Aangezien nu ook veel auto’s parkeren in de berm wordt de parkeerplaats iets vergroot en het parkeren in de berm tegengegaan. Dit is een mitigerende maatregel. Het aanpassen van de wandelroute en de informatievoorziening is een meekoppelkans. Er komt een nieuwe en betere informatievoorziening ter hoogte van de nieuwe plek (Amk2). Deze nieuwe plek wordt door middel van een nieuwe houtwal landschappelijk ingepast (Amk3). Op de nieuwe parkeerplek start de verlegde wandelroute (Amk4). Een deel van de oude wandelroute (Amk5) komt te vervallen. De nieuwe wandelroute buigt voor het Pluzenven naar het oosten af te om aan te sluiten op de reeds bestaande wandelroute binnen de Bergvennen. Deze nieuwe wandelroute volgt dan gedeeltelijk de oude markegrens, die verder versterkt kan worden in het natuurgebied door het vrij maken van de oude greppel en behoud en aanplant van bomen of struiken die deze oude markegrens markeren (Amk6). Om de beleefbaarheid te vergroten en meer te vertellen over het gebied zijn meerdere uitkijkpunten voorzien, die gecombineerd kunnen worden met
51
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
een rustvoorziening (zitplek) en informatiepanelen (Amk7). De plekken liggen langs de wandelroute en fietsroute op de grens met Duitsland en zijn vanuit cultuurhistorie of beleving interessant. Er liggen mogelijkheden om de camping te betrekken in de wandelpadenstructuur. Een route over de camping kan een welkome aanvulling betekenen in de wandelmogelijkheden.
Figuur 4.14 Meekoppelkansen
52
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
5
Effecten
5.1
Effecten op natuur
5.1.1
Effecten van hydrologische maatregelen
De effecten van de hydrologische maatregelen zijn met het grondwatermodel berekend. Naast dempen of verondiepen van watergangen is ook de boskap hierbij meegenomen. De effecten van boskap worden beschreven bij overige maatregelen (5.1.3). Bij de berekeningen zijn, naast een gebiedsdekkende analyse voor kwel, GVG en GLG, op zes puntlocaties de effecten beoordeeld. Deze puntlocaties zijn gekozen in de kwetsbare habitattypes. Vier locaties liggen in Brecklenkampse Veld (blauwgrasland (2x), zwakgebufferde vennen en kalkmoeras) en twee in Bergvennen (vochtige heide en pioniersvegetaties met snavelbiezen). Alle habitattypen liften mee met de maatregelen die worden genomen om de meest kwetsbare te herstellen. Het maatregelenpakket zorgt voor een voldoende positief effect op de habitattypen in Bergvennen & Brecklenkampse Veld. De kwel als belangrijkste criterium voor de habitattypen neemt toe. De duur van de hoge waterstanden neemt eveneens toe als tweede belangrijke criterium (zie notitie ecologische vereisten). De GVG en GLG stijgen met als gevolg dat het doelgat dat er eerder was voor de GLG wordt gedicht. Het maatregelenpakket geeft een significante verbetering ten opzichte van de huidige situatie en een beter resultaat dan het Gebiedsanalyse-scenario.
Kwel
Het berekende, vlakdekkende effect van de maatregelen op kwel/wegzijging in de wintersituatie is opgenomen fig. 5.2 De wintersituatie (GVG-periode) is van belang omdat in die periode de waterstanden het hoogst staan, waarmee de waterkwaliteit in die periode van het jaar het meest belangrijk is. De effecten op de zes referentielocaties zijn opgenomen in tabel 5.1. Voor alle locaties en scenario’s is er een toename van kwel of afname van wegzijging; een positief effect van de maatregelen op de habitattypen dus. Het eindscenario geeft een beter resultaat dan scenario 1 (Gebiedsanalyse) en de huidige situatie: de kwel neemt meer toe/de wegzijging neemt meer af. Conclusie kwel In het Blauwgrasland (H6410), Kalkmoeras (H7230) en Zwakgebufferd ven (H3130) neemt de kwelflux in de winter toe. Dat is gunstig want deze habitattypen zijn afhankelijk van lokale/regionale kwel. In de Pioniervegetatie met snavelbiezen (H7150) en Vochtige heide (H4010A) neemt de wegzijging licht af in de winter. Dit is tevens gunstig. Beide habitattypen vereisen geen kwel, maar de vertraging van de wegzijging leidt wel tot een verbetering omdat de waterstanden minder diep wegzakken. Kwel in winter (mm/dag) Locatie (zie fig. 5.1)
Habitattype
Huidige situatie
Scenario 1 Scenario 9 (Gebiedsanalyse) (Inrichtingsplan)
15
Kalkmoerassen (H7230)
0,66
0,96
0,96
25
Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150)
-0,31
-0,31
-0,30
27
Vochtige heiden (H4010A)
-0,17
-0,16
-0,12
B29A0796
Zwakgebufferde vennen (H3130)
1,77
1,79
1,87
B29A0734
Blauwgraslanden (H6410)
0,40
0,38
0,58
B29A0799
Blauwgraslanden (H6410)
0,58
0,83
0,99
Tabel 5.1: Berekende kwel (mm/dag) op de zes referentielocaties in huidige situatie en na uitvoering maatregelen scenario 1 (Gebiedsanalyse korte termijn), en 9 (eindscenario: groen gearceerd).
53
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 5.1 overzicht locaties peilbuizen (Bergvennen & Brecklenkampse Veld (boven) en Brecklenkampse Veld (onder) (bron:Tauw)
54
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 5.2: effect van de maatregelen op de kwel/wegzijging in de winter in Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld (Willems 2018). In het Brecklenkampse Veld neemt de kwel toe en in Bergvennen de wegzijging af. Daar waar watergangen worden gedempt of verondiept, vangt de watergang minder kwel af dan in de huidige situatie. Dit leidt tot een toename wegzijging of afname kwel in de kaart. Dit lijkt een negatief effect, maar is dus positief omdat deze kwel nu ten goede komt aan de habitattypen en niet via de betreffende watergang wordt afgevoerd uit het gebied.
Duurlijnen (inundatie) Duurlijnen vormen een grafische weergave van de (grond)waterstand afgezet tegen het aantal dagen per jaar dat deze stand voorkomt. Een bol verlopende grafiek duidt op kwel, een hol of met S-curve verlopende op inzijging. Met het grondwatermodel zijn duurlijnen gemodelleerd van de huidige situatie en de situatie na uitvoeren van de maatregelen. Voor de zes referentielocaties zijn deze duurlijnen beoordeeld. Aandachtspunten hierbij zijn:
De duurlijnen zijn visueel beoordeeld of ze overeenkomen met wat er vanuit de effecten van de hydrologische maatregelen door de deskundigen werd verwacht. Voor één duurlijn was dat niet het geval, namelijk die van peilbuis B29A0796 in het Zwakgebufferd ven (H3130) in het Brecklenkampse Veld: de maaiveldhoogte is te hoog aangegeven. Op basis van de werkelijk gemeten maaiveldhoogte (20 cm lager) is de duurlijn gecorrigeerd; Het model houdt er geen rekening mee dat water over maaivelddrempels kan afstromen. Zo kan er in werkelijkheid 20 cm water op maaiveld staan, terwijl het model 40 cm aangeeft.
De duurlijnen laten zien:
Alle scenario’s zorgen voor een verhoging van de waterstanden; Zowel voor als na de herstelmaatregelen laten de duurlijnen een kwelsituatie zien in de habitattypen Blauwgrasland (H6410), Kalkmoeras (H7230) en Zwakgebufferd ven (H3130) (‘bolle’ duurlijn). In de Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) en Vochtige heiden (H4010A) is er zowel kwel (in dit geval stagnatie) als infiltratie (’S-curve’); Op alle locaties staat een deel van het jaar water boven maaiveld. De periode dat de waterstanden boven maaiveld komen wordt langer na uitvoeren van de maatregelen, namelijk: o Locatie 15: van ca. 11% naar 33% o Locatie 25: van ca. 8% naar 22% o Locatie 27: van ca. 11% naar 22% o B29A0734: van ca. 0% naar 33% o B29A0796: van ca. 33% naar 44% o B29A0799: van ca. 5% naar 10%
55
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Conclusie duurlijnen De duurlijnen ondersteunen het beeld dat de situatie optimaler wordt voor de aanwezige habitattypen: de waterstanden en de duur van hogere waterstanden nemen toe (lijn hoger ten opzichte van huidige situatie), de kwel neemt toe (lijn boller) en de wegzijging neemt af (lijn minder hol). Als voorbeeld zijn van twee locaties de duurlijnen opgenomen: één in het Brecklenkampse Veld (kwelgebied) en één in de Bergvennen (inzijggebied).
Figuur 5.3 Duurlijn (gemeten waterstanden over een jaar) van hoog naar laag voor locatie 15 in Kalkmoeras Brecklenkampse veld (H7230). De grijze lijn geeft de huidige situatie weer. Deze duurlijn is het laagst. De duurlijnen van de scenario’s liggen daarboven.
56
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 5.4 Duurlijn voor locatie 27 in Vochtige heide (H4010A) in de Bergvennen.
GVG
De GVG in de huidige situatie en van de scenario’s is op twee manieren in beeld gebracht: 1. Vlakdekkend berekend. Kanttekening is dat de GVG te laag wordt berekend in de Bergvennen en dat de werking van het vennensysteem lastig te vangen is in het model2. 2. Gemeten in en berekend op de locatie van de peilbuis. De vlakdekkende berekening van de verandering van de GVG na uitvoering van de maatregelen in vergelijking met de huidige situatie is opgenomen in Figuur 5.5. De GVG stijgt: In het Brecklenkampse Veld met ca. 0,05 tot 0,25 m. In de Bergvennen met ca. 0,05 tot 0,3 m. De effecten van de peilbuisberekeningen komen overeen met de vlakdekkende berekening. Op de peilbuislocaties is zowel in de huidige situatie als na de drie scenario’s geen doelgat voor de GVG (Tabel B2). In de systeemanalyse (Kieskamp et al. 2017) is met de informatie die voorhanden was ook op basis van de overige peilbuizen het doelgat bepaald. De bandbreedte van het doelgat ligt tussen de 0,1 en 0,93 m (Kieskamp et al. 2017). Met een stijging van de GVG van ca. 0,05-0,3 m wordt dat doelgat plaatselijk opgeheven of in ieder geval verkleind. Conclusie GVG De GVG ligt op sommige locaties in de huidige situatie al binnen het gewenste bereik van de getoetste habitattypen, maar het doelgat loopt op tot ca. 0,93 m (Kieskamp et al., 2017). Scenario 9 zorgt voor een stijging van ca.
0,05-0,3 m waardoor de grondwaterstand plaatselijk binnen het gewenste bereik komt of het doelgat in ieder geval wordt verkleind.
2
De werking van het vennensysteem is lastig te vangen in het model omdat er “oppervlaktewaterstroming” plaatsvind van het ene ven naar het andere ven (doorspoelsysteem). Deze werking van het doorspoelsysteem kan niet met een grondwatermodel worden berekend. Daarnaast zijn er andere onbekende factoren die van invloed zijn op het berekende venpeil. Om deze reden is er aanvullend een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Hieruit wordt afgeleid dat het peil in de vennen grofweg 10 a 20 cm te laag wordt berekend. 57
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 5.5: Verandering van de GVG als gevolg van de maatregelen ten opzichte van de huidige situatie. Ter plekke van de toekomstige slenk ten zuidoosten van de Bergvennen is een daling van de grondwaterstand te zien (oranje vlek); dit is het gevolg van de aan te leggen slenk met een drempel van NAP +21,8 m. Dit zorgt ervoor dat er in het voorjaar (maart) grondwater ter beschikking is als aanvoer voor de zuidelijke Bergvennen. Gevolg van de drempel is dat ten opzichte van de huidige situatie de grondwaterstand wordt verlaagd. Mogelijk kan in de praktijk de drempel nog verhoogd worden, zodat de verlaging van de grondwaterstand minder is, maar er moet wel voldoende water zijn voor de voeding en doorstroming van de zuidelijke vennen
GLG Net als de GVG, is ook de GLG vlakdekkend en op de peilbuislocaties gemeten/berekend voor de huidige situatie en de scenario’s. De GLG neemt volgens de berekeningen meer toe dan de GVG. De vlakdekkende berekening van de verandering van de GLG na uitvoering van de maatregelen in vergelijking met de huidige situatie is opgenomen in fig. 5.6. In het Brecklenkampse Veld met ca. 0,1 tot 0,3 m. In de Bergvennen met ca. 0,1 tot 0,4 m. Het Gebiedsanalyse-scenario (1) geeft een minder groot effect (tot ca. 0,1 m stijging van de GVG). De effecten van de peilbuizenberekeningen stroken met de vlakdekkende berekening. Scenario 1 (Gebiedsanalyse) heeft minder effect. Op de peilbuislocaties is zowel in de huidige situatie als na de drie scenario’s geen doelgat voor de GVG. In de systeemanalyse (Kieskamp et al. 2017) is met de informatie die voorhanden was ook op basis van de overige peilbuizen een aanvullende grondboringen in de vochtige habitattypen rondom de Bergvennen (vanwege gebrek aan peilbuizen) het doelgat bepaald. De bandbreedte van het doelgat ligt tussen de ca. 0 en 1,5 m (Kieskamp et al. 2017). Met een stijging van de GLG van ca. 0,1-0,4 m wordt dat doelgat plaatselijk opgeheven of in ieder geval verkleind. Conclusie De GLG ligt op sommige locaties in de huidige situatie al binnen het gewenste bereik van de getoetste habitattypen, maar het doelgat loopt op tot ca.
1,5 m (Kieskamp et al., 2017). Scenario 9 zorgt voor een stijging van ca. 0,1 tot 0,4 m waardoor de grondwaterstand plaatselijk binnen het gewenste bereik komt of het doelgat in ieder geval wordt verkleind.
58
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 5.6: Verandering van de GLG ten opzichte van de huidige situatie.
5.1.2
Effecten maatregelen Duitsland
Er zijn diverse maatregelpakketten (scenario’s) doorgerekend met het grondwatermodel. Er heeft echter geen berekening (scenario) plaatsgevonden van het effect van alleen de maatregelen aan de Duitse zijde. Op basis van de diverse uitkomsten van de scenario’s (met en zonder maatregelen in Duitsland) en een analytische berekening is het effect van de Duitse maatregelen echter wel inzichtelijk gemaakt, ondanks dat de maatregelpakketten uit de betreffende scenario’s niet exact overeenkomen met het definitieve maatregelenpakket. Aan de Duitse zijde van de grens liggen watergangen die zeer diep zijn (tot wel 2 meter). Op basis van de formule van Perrochet en Musy (1992) (zie tabel 5.2) is de invloedsafstand van de Duitse watergangen bepaald. De Duitse watergangen waar in dit inrichtingsplan maatregelen zijn opgenomen liggen op een afstand van 100 tot 525 m tot de Natura 2000-begrenzing. Dit betekent dat de maatregelen dus effect hebben binnen het Natura 2000-gebied. Slootdiepte (m)
Berekende invloedsafstand (m)
1
400
1,5
485
2
565
Tabel 5.2 de berekende theoretische invloedsafstand (m) op basis van Perrochet en Musy bij verschillende slootdiepten
Uit de uitgevoerde scenarioberekeningen met het grondwatermodel is gebleken dat verondieping van sloten op grotere afstand dan de in het inrichtingsplan opgenomen maatregelen geen effect meer hebben op het Natura2000-gebied. De keuze om de sloten te verondiepen die in het inrichtingsplan zijn opgenomen is dus gemaakt op grond van diverse modelscenario’s, waarbij gekeken is waar het omslagpunt lag (wel of geen bijdrage in het effect). Op basis van een vergelijking van een scenario met maatregelen in Duitsland (scenario 2) en eenzelfde scenario zonder de Duitse maatregelen (scenario 3) is op te maken dat de maatregelen aan de Duitse zijde in het voorjaar (GVG) zorgen voor een effect binnen het Natura2000-gebied van 0 tot 20 cm verhoging en in de zomer (GLG) van 0 tot 10 cm verhoging. Deze verhoging, met name in het voorjaar, zorgt voor een grotere opbolling van de grondwaterstand in de dekzandruggen en daarmee “voeding” van de Bergvennen.
59
Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld
Figuur 5.7 kaartbeelden van de vergeleken scenario’s (2 met maatregelen Duitsland en 3 zonder maatregelen in Duitsland)
Figuur 5.8 Effect maatregelen verondieping waterlopen scenario 3 (wel maatregelen in Duitsland) en scenario 2 (geen maatregelen in Duitsland), links effect op de voorjaargrondwaterstand (GVG) in m en rechts effect op de zomergrondwaterstand (GLG) in m
Het effectgebied (0,05 cm verhogingscontour) strekt zich uit tot circa 400 a 500 m afstand van de maatregelen in Duitsland en ligt daarmee in vergelijkbare orde van grootte als de uitkomsten van de analytische berekening van invloedsafstand.
5.1.3
Effecten overige maatregelen
Toepassen steenmeel Het toepassen van steenmeel zal de samenstelling van de nutriëntenhuishouding in de bodems verbeteren waardoor de stikstofgevoeligheid afneemt. Deze toepassing is een wens van Landschap Overijssel en staat nog ter discussie. Het alternatief is bekalken (maatregel Gebiedsanalyse). B-ware adviseert een combinatie omdat kalk de verzuring bestrijdt en zeoliet(steenmeel) sterk stikstof bindt (en daarmee uitspoeling tegengaat). Opschonen vennen Met het opschonen van de venoevers wordt versnelde successie door verhoogde stikstofdepositie tegengegaan. Het opschonen van de Bergvennen is vooral noodzakelijk voor de ontwikkeling van venvegetaties met o.a. Waterlobelia en Oeverkruid die door de aanwezigheid van slib en dikke dichte veenmospakketten niet tot ontwikkeling kunnen komen. Plaggen Plaggen is een maatregel om opgehoopte stikstof af te voeren. Door kleinschalig te plaggen keert de voor vochtige heide kenmerkende mozaïekstructuur terug, daar waar deze is verdwenen. Ook worden ernstig vergraste delen weer vrijgesteld van Pijpenstrootje. Herkolonisatie van de geplagde delen door o.a. jeneverbes, rode/blauwe bosbes en (korst)mossen wordt hierdoor bevorderd. Plaggen kan echter ook nadelige effecten hebben aanwezige flora en fauna. Daarom dient plaggen slechts op zeer beperkte schaal toegepast te worden.