CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard 2022 (Bij21-0948).pdf

Gemeenteraad 4 januari 2022, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Verordening voor de Fysieke leefomgeving48.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Voor incidentele festiviteiten gelden dezelfde uiterlijke tijdstippen in beide gemeenten als voor collectieve festiviteiten. Artikel 4:5 Onversterkte muziek In de APV Langedijk is het laten horen van onversterkte muziek twee uur per week toegestaan. In de APV Heerhugowaard is dat tien uur per week. Artikel 4:5b Geluidhinder door dieren In de APV Langedijk is een artikel opgenomen dat bepaalt dat degene die buiten een inrichting zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit dier geluidhinder voor omwonenden veroorzaakt. Dit artikel is niet opgenomen in de APV Heerhugowaard. Omdat het hierbij vooral zal gaan om dieren die buiten gehouden worden, zoals hanen, en deze dieren eerder in het voormalige grondgebied van Langedijk dan dat van Heerhugowaard gehouden zullen worden, is deze regel relevant voor de gemeente Dijk en Waard. Deze regel is daarom opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen De teksten van de artikelen wijken van elkaar af, maar komen inhoudelijk op hetzelfde neer. In de Verordening Fysieke Leefomgeving is ervoor gekozen de tekst van de APV Heerhugowaard over te nemen, omdat deze een aantal veelvoorkomende typen ballonnen specificeert die onder dit verbod vallen. Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden De APV's van Langedijk en Heerhugowaard wijken voor wat betreft het bewaren van houtopstanden van elkaar af. De begripsbepalingen zoals gedefinieerd in de APV Heerhugowaard zijn vollediger en daarom zijn deze begrippen overgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Beide gemeenten hebben een verschillend systeem om beschermde houtopstanden aan te wijzen. Deze zijn in de VFL beide als mogelijkheid voor aanwijzing opgenomen, zodat gedurende het harmonisatietraject van het bomenbeleid alle bestaande beschermde houtopstanden beschermd blijven en er ook nieuwe aanwijzingen kunnen plaatsvinden. Ook zijn de weigeringsgronden voor de

kapvergunning samengevoegd. Zo blijven alle bestaande weigeringsgronden uit de APV Langedijk en uit de APV Heerhugowaard bestaan. Verder zijn de artikelen die in de Verordening Fysieke Leefomgeving worden opgenomen identiek.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven het water In de APV Langedijk is een artikel opgenomen over het plaatsen van voorwerpen in, op of boven het water. Dit artikel is niet opgenomen in de APV van Heerhugowaard. Omdat dit artikel relevantie heeft voor de waterrijke gebieden in Langedijk en daarmee Dijk en Waard is dit artikel opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard. Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen In de APV Heerhugowaard is ten opzichte van de APV een drietal leden toegevoegd, dat het college de bevoegdheid geeft om de rechthebbende van een ligplaats instructies te geven, dat de rechthebbende deze instructies moet opvolgen, en dat het artikel niet van toepassing is als in een situatie is voorzien door andere wet- of regelgeving. Deze bepalingen zijn relevant voor Dijk en Waard en worden opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Artikel 5:30 Veiligheid op het water, derde lid In de APV Langedijk is de bepaling opgenomen dat in Landschapsreservaat Oosterdel niet met mechanisch voortbewogen vaartuigen mag worden gevaren. Dit gebied komt in Dijk en Waard te liggen en wordt daarom opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving.

Bouwverordening: Artikel 5.1.2 Bodemonderzoek De Bouwverordening Heerhugowaard hanteert recentere NEN-normeringen. In de Verordening Fysieke Leefomgeving wordt aangesloten bij deze recente normeringen. Paragraaf 5. Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen In de Bouwverordening Langedijk is deze paragraaf opgenomen. In de Bouwverordening Heerhugowaard is deze paragraaf ingetrokken. Deze voorschriften zijn ten gevolge van de Reparatiewet BZK komen te vervallen en staan nu in bestemmingsplannen. Omdat de voorschriften geen rechtswaarde meer hebben worden ze niet opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf In de Bouwverordening is een artikel opgenomen dat het toegestane aantal personen in een nachtverblijf regelt. Hiermee kan worden afgeweken van het aantal dat is opgenomen in het Besluit omgevingsrecht. In de Bouwverordening Langedijk is deze bepaling niet opgenomen. Het aantal dat in Heerhugowaard is vastgesteld is gelijk aan het aantal dat is vastgesteld in het Besluit omgevingsrecht en heeft dus geen feitelijke wijziging van dit Besluit ten gevolg. Om onnodige regelgeving te voorkomen is deze regel niet opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving.

Hoofdstuk 9. Welstand De advisering over welstand is in Langedijk en Heerhugowaard overgedragen aan dezelfde commissie van Stichting MOOI Noord-Holland. Deze commissie adviseert over welstand voor zowel Langedijk als Heerhugowaard. De regelgeving over deze commissie is niet gelijk in beide gemeenten wegens veroudering van de regels. Dit is in beide verordeningen het geval. De regels over de samenstelling van de commissie verschilt. Deze is in Langedijk kleiner dan in Heerhugowaard. Bovendien is in de verordening in Heerhugowaard een ruimere mogelijkheid voor vervanging bij afwezigheid van commissieleden opgenomen. In Langedijk hebben belanghebbenden toelichtend spreekrecht. In Heerhugowaard hebben belanghebbenden geen spreekrecht. Om recht te doen aan de huidige werkwijze van de commissie wordt van deze verschillen de ruimste bepaling genomen. Dat betekent dat de commissie minimaal een voorzitter en twee leden heeft, waarbij minimaal een is gespecialiseerd in architectuur, ruimtelijke kwaliteit, dan wel cultuurhistorie. Bij langdurige afwezigheid van een van de commissieleden kan een plaatsvervanger worden aangewezen. In de praktijk hebben belanghebbenden altijd toelichtend spreekrecht. Dit toelichtend spreekrecht wordt expliciet toegestaan in de Verordening Fysieke Leefomgeving.

Erfgoedverordening: De Erfgoedverordeningen van Langedijk en Heerhugowaard zijn laatstelijk gewijzigd vóór inwerkingtreding van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet is in 2016 van kracht geworden. De gedachte was destijds om de Erfgoedverordeningen gelijktijdig met inwerkingtreding van de Omgevingswet aan te passen, zodat de verordeningen niet twee keer vlak na elkaar gewijzigd hoefden te worden. De consequentie van die keuze is dat de bepalingen over erfgoed in de Verordening Fysieke Leefomgeving ook aan de Erfgoedwet moeten worden aangepast. In de basis is voor het stellen van regels over erfgoed in de Verordening Fysieke Leefomgeving daarom uitgegaan van de modelErfgoedverordening van de VNG. Deze is op inhoudelijke beleidsverschillen met de bestaande verordeningen vergeleken. De verschillen tussen de Erfgoedverordeningen van Langedijk en Heerhugowaard strekken zich tot archeologie, de opname van de mogelijkheid tot het aanwijzen en beschermen van stads- en dorpsgezichten en karakteristieke panden, en een metaaldetectorverbod. De verschillen in regels over archeologie zijn technisch van aard en komen inhoudelijk overeen. Deze technische verschillen zijn door invoering van de Erfgoedwet bovendien achterhaald. Deze regels staan nu in bestemmingsplannen. In de Verordening Fysieke Leefomgeving wordt, naar de modelErfgoedverordening een vangnetbepaling voor archeologie opgenomen.

De mogelijkheid tot het aanwijzen en beschermen van stads- en dorpsgezichten is overgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Dit is een mogelijkheid die voor Dijk en Waard relevant is. De mogelijkheid tot het aanwijzen van karakteristieke panden is niet overgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Karakteristieke panden worden aangewezen en beschermd in het bestemmingsplan. Opname van de regels in de Verordening Fysieke Leefomgeving is daarom overbodig. Het metaaldetectorverbod is niet opgenomen. Dit verbod wordt in de praktijk niet gehanteerd, en er zijn goede afspraken gemaakt met amateur-archeologen en hobbyisten, waardoor de regel overbodig is.

Afvalstoffenverordening: De Afvalstoffenverordening Langedijk en de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard kennen een verschillende opzet. De belangrijkste verschillen zijn structureel. Dit komt doordat Langedijk de Afvalstoffenverordening heeft gebaseerd op de modelverordening van de VNG uit 2009. Heerhugowaard heeft de verordening gebaseerd op de recentere modelverordening uit 2015. Om zo actueel mogelijk te blijven is ervoor gekozen de regelgeving over zwerfafval uit de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard als basis te nemen. De meest recente wijzigingen in de modelverordening zijn hierin meegenomen voor deze artikelen. Het gaat daarbij om technische

aanpassingen en een bepaling dat ook het in de openbare ruimte achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen anders dan bedoeld in de Afvalstoffenverordening verboden is.

Verordening naamgeving en nummering (adressering): De Verordening naamgeving en nummering (adressering) Heerhugowaard 2013 en de Verordening naamgeving en adressering Gemeente Langedijk 2007 verschillen op een aantal punten. Het gaat met name om technische tekstuele verschillen. De inhoudelijke verschillen strekken zich ertoe dat in Heerhugowaard een rechthebbende een gedoogplicht heeft om ten hoogste twee maanden na een straatnaamwijziging of een nummering, beide straatnaamborden of nummerborden toe te staan, en een bepaling dat een object dat nog niet voltooid is, maar al wel een naam toegekend heeft gekregen, dat binnen vier weken na voltooiing het straatnaambord bevestigd moet zijn. Omdat de verordeningen geen grote inhoudelijke verschillen kennen is ervoor gekozen om de meest actuele verordening als uitgangspunt te nemen.

Transponeringstabel APV Langedijk Art. 2:10 voorwerpen op of aan de weg of openbare plaatsen Art. 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen, en veranderen van een weg Art. 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

APV Heerhugowaard Art. 2:10 voorwerpen op of aan de weg of openbare plaatsen Art. 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen, en veranderen van een weg Art. 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

VFL Dijk en Waard Paragraaf 5.6.1 voorwerpen op of aan de weg

Art. 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Art. 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Paragraaf 5.6.1 voorwerpen op of aan de weg

Art. 2:16 Openen straatkolken en dergelijke

Art. 2:16 Openen straatkolken en dergelijke

Art. 6.2 instandhoudingsplicht straatkolken en dergelijke

Art. 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Art. 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Art. 6.2.1 voorzieningen voor verkeer en verlichting

Art. 2:24 lid 3 c t/m e Definities evenementen

Art 1.1 Begripsbepalingen

Art. 2:42 Plakken en bekladden

Art. 2:24 Definities Vergunningsvrije evenementen & Meldingsplichtige evenementen Art. 2:25A Vergunningvrije evenementen Lid 1, onder c t/m e Art. 2:25A Vergunningvrije evenementen Lid 1, onder g t/m i Art. 2:25B Meldingsplichtige evenementen Lid 1, onder c t/m e Art. 2:25B Meldingsplichtige evenementen Lid 1, onder f t/m h Art. 2:42 Plakken en bekladden

Art 2:57 Loslopende honden

Art. 2:57 Loslopende honden

Art. 4.2.3.1. verblijfsverbod honden

Paragraaf 5.6.3 aanleggen of veranderen van een weg

Paragraaf 5.6.2 Inrit aanleggen

Art. 5.4.1.1 Evenementen

Art. 5.6.1.3 Voorwerpen bij evenementen Art. 5.4.1.1 Evenementen

Art. 5.6.1.3 Voorwerpen bij evenementen Art. 6.1.5 Verbod plakken kladden

Art. 4.2.3.2 Aanlijnplicht honden Art. 4.2.3.3 Losloopgebieden honden

Art. 5.3.2.1 Verblijfsverbod honden Art. 5.3.2.2 aanlijnplicht honden

Art 2:58 Verontreiniging door honden en paarden

Art. 2:58 Verontreiniging door honden

Art. 5.3.2.3 losloopgebieden honden Art. 4.2.3.4 Uitzonderingsgebied opruimplicht honden Art. 5.3.2.4 Opruimplicht Paragraaf 4.2.5 verontreiniging Art. 5.2.3.5 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Art. 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Art. 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Art. 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Art. 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Art. 5.4.3.1 Vuurwerk

Art. 4:1 Definities

Art. 4:1 Definities

Art. 1.1 Begripsbepalingen

Art. 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Art. 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Art. 5.4.2.1 Collectieve festiviteiten

Art. 4:3 Melding incidentele feesten

Art. 4:3 Melding incidentele feesten

Art. 5.4.2.2 Incidentele festiviteiten

Art. 4:5 Onversterkte muziek

Art. 4:5 Onversterkte muziek

Art. 5.4.3.1 Onversterkte muziek

Art. 4:5b Geluidhinder door dieren Art. 4:6 Overige geluidhinder

Art. 4:6 Overige geluidhinder

Art. 5.4.3.4 Geluidhinder door dieren Art. 5.4.3.5 Overige geluidhinder

Art. 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Art. 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Art. 6.1.3 Instandhoudingsplicht wateren en riolen

Art. 4:9A Oplaten ballonnen

Art. 4:9A Oplaten ballonnen

Art. 4:10 Definities

Art. 4:10 Definities

Art. 5.5.2.5 Verbod oplaten ballonnen Art. 1.1 Begripsbepalingen

Art. 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Art. 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Art. 5.7.1.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Art. 4:12 Beschermde houtopstanden

Art. 4:12 Beschermde houtopstanden

Art. 4.2.7.1 Beschermde bomen

Art. 4:12a Bestrijding van plantenziekten

Art. 4:12a Bestrijding van plantenziekten

Art. 5.7.1.5 Kapplicht krachtens de Plantenziektenwet

Art. 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

Art. 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

Art. 5.5.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

Art. 4:17 Definitie

Art. 4:17 Definitie

Art. 1.1 Begripsbepalingen

Art. 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Art. 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Art. 5.7.2.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Art. 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

Art. 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

Art. 4.2.7.2 Aanwijzing kampeerplaatsen

Art. 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Art. 6.1.3 Instandhoudingsplicht wateren riolen

Art. 5:25 Ligplaats vaartuigen

Art. 5:25 Ligplaats vaartuigen

Paragraaf 5.6.4 Ligplaatsen

Art. 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

Art. 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

Art. 6.1.4 Instandhoudingsplicht waterstaatswerken

Art. 5:30, lid 3 Veiligheid op het water

Art. 4.2.6.1 Aanwijzing Landschapsreservaat Oosterdel

Art. 5:32 Crossterreinen

Art. 5:32 Crossterreinen

Art. 5.6.5.1 Mechanische vaartuigen Oosterdel Art. 5.5.2.6 Crossterreinen

Art. 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

Art. 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

Art. 5.4.3.3 Beperking verkeer in natuurgebieden

Art. 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Art. 5:34 Verbod afvalstoffen Art. 5.5.2.3 Verbod afvalstoffen te te verbranden buiten verbranden buiten inrichtingen of inrichtingen of anderszins vuur anderszins vuur te stoken te stoken

Erfgoedverordening Art. 1 Begripsbepalingen

Art. 1 Begripsbepalingen

Art. 1.1 Begripsbepalingen

Art. 2 Het gebruik van het monument Art. 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument

Art. 2 Het gebruik van het monument Art. 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument

-

Art. 4 Voorbescherming

Art. 4 Voorbescherming

Art. 4.2.2.1 Gemeentelijke monumenten Art. 8.1.1.1 Voornemen tot aanwijzing Art. 8.1.1.2 Voorbescherming

Art. 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

Art. 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

Art. 8.1.1.3 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Art. 6 Mededeling aanwijzingsbesluit

Art. 6 Mededeling aanwijzingsbesluit

Art. 8.1.1.4 lid 1 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Art. 7 registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

Art. 7 registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

Art. 8.1.1.4 lid 2 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Art. 8 wijzigen van de aanwijzing

Art. 8 wijzigen van de aanwijzing

Art. 9 Intrekken van de aanwijzing

Art. 9 Intrekken van de aanwijzing

Art.8.1.1.6 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Art.8.1.1.6 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

Art. 10 Instandhoudingsbepaling Art. 11 De schriftelijke aanvraag Art. 12 Termijnen advies en vergunningverlening

Art. 10 Instandhoudingsbepaling Art. 11 De schriftelijke aanvraag Art. 12 Termijnen advies

Art. 13 Weigeringsgronden Art. 14 Intrekken van de vergunning

Art. 13 Weigeringsgronden Art. 14 Intrekken van de vergunning

Art. 15 Vergunning voor beschermd monument

Art. 15 Vergunning voor beschermd monument

Art. 16 Instandhoudingsbepaling Art. 17 Opgravingen en begeleiding Art. 18 procedure Art. 19 Aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht Art. 20 Termijnen en aanwijzingbesluit

Art. 16 Instandhoudingsbepaling Art. 17 Opgravingen en begeleiding Art. 18 procedure

Art. 21 Mededeling aanwijzingsbesluit

Art. 6.1.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Art. 8.3.2 Advies gemeentelijke adviescommissie over een omgevingsvergunning Rijksmonument Art. 5.2.1.2 Beoordelingsregels Art. 5.2.1.1 lid 5 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Art. 8.3.1 Advies gemeentelijke adviescommissie over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten Art. 5.2.3.1 Vangnet archeologie Art. 8.1.2.1 Aanwijzing beschermd stads- en dorpsgezichten Art. 8.3.1 lid 3 Advies gemeentelijke adviescommissie over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten Art. 8.1.1.4 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Art. 22 Registratie op de gemeentelijke lijst beschermde dorpsgezichten Art. 23 Intrekken van de aanwijzing

Art. 8.1.2.1 lid 4 aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht Art. 8.1.2.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Art. 8.1.2.1 aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht lid 5 en lid 6 Art. 6.1.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Art. 5.2.2 Beoordelingsregels Art. 8.1.2.1 lid 1 Aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht

Art. 24 Bestemmingsplan Art.25 Verbodsbepalingen Art. 26 Weigeringsgronden Art. 27 Procedure Art. 28 De aanwijzing tot beeldbepalend of karakteristiek pand Art. 29 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

Art. 8.3.1 lid 3 Advies gemeentelijke adviescommissie over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten Art. 8.1.1.4 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Art. 30 Mededeling aanwijzingsbesluit

Art. 31 Registratie op de gemeentelijke lijst beeldbepalende en karakteristieke panden Art. 32 Intrekken van de aanwijzing

Art. 4.2.2.1 gemeentelijke monumenten

Art. 33 Tegemoetkoming in schade Art. 34 Strafbepaling

-

Art. 8.1.1.4 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Hoofdstuk 9 handhaving Strafbepaling art. 1 Hoofdstuk 9 toezichthouders

Art.35 Toezichthouders

Art. 21 Toezichthouders

Art. 36 Intrekken oude regeling

Art. 22 Intrekken oude regeling

Art. 37 Overgangsrecht Art. 38 Inwerkingtreding Art. 39 Citeertitel

Art. 23 Overgangsrecht Art. 24 Inwerkingtreding Art. 22 Citeertitel

-

Artikel 14. Dumpingsverbod

Art. 5.5.1.1 Dumpingsverbod

Artikel 15. Zwerfafval in de openbare ruimte

Art 5.5.1.2 Zwerfafval in de openbare ruimte

afvalstoffenverordening Artikel 16 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging Artikel 17 Achterlaten van straatafval

-

Artikel 19 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren Artikel 21 Zwerfafval en/of verontreiniging van de weg bij vervoeren, laden en lossen of overigewerkzaamheden Artikel 22 Verbod opslag van afvalstoffen

Artikel 16. Zwerfafval rondom inrichtingen

Art. 5.5.1.3 Zwerfafval rondom inrichtingen

Artikel 17. Afval en verontreiniging op de weg

Art. 5.5.1.4 Afval en verontreiniging op de weg

Artikel 18. Geen opslag van afval in de open lucht

Artikel 5.5.1.5 Geen opslag van afval in de open lucht

Artikel 23 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden Bouwverordening Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Hoofdstuk 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen

Artikel 19.Ontdoen van autowrakken

Artikel 5.5.2.1 Ontdoen van autowrakken

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen -

Art. 1

Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf

-

Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording Artikel 9.5 Termijn van advisering Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting

Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording Artikel 9.5 Termijn van advisering Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting

Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen

Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen

Art 4.1.2 Bebouwde kom Art. 5.8.1.1 Bodemonderzoek Art. 5.8.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Art 5.8.1.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen -

Artikel 8.3.2.1 De advisering door de welstandscommissie Artikel 8.3.2.2 Samenstelling van de welstandscommissie Artikel 8.3.2.3 Jaarlijkse verantwoording Artikel 8.3.2.4 Termijn van advisering Artikel 8.3.2.5 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting Artikel 8.3.2.6 Afdoening onder verantwoordelijkheid Artikel 8.3.2.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht Artikel 8.4.2 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

normen en andere voorschriften Artikel 12.6 Slotbepaling

Verordening naamgeving en nummering Artikel 4 Namen en nummerduidingen aanbrengen Artikel 5 Gedoogplicht naamdragers Artikel 6 Nummerdragers aanbrengen

normen en andere voorschriften Artikel 12.6 Slotbepaling

Artikel 4

Art. 6.2.2 Namen en nummeraanduidingen aanbrengen

Artikel 5. Gedoogplicht naamborden Artikel 6. Verplichting tot aanbrengen van nummerborden

Art. 6.2.3gedoogplicht naamborden Art. 6.2.4 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Dit hoofdstuk bevat de algemene bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving. Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel worden de in deze verordening gehanteerde begrippen en definities omschreven, waarbij is verwezen naar een bijlage. Op deze Bijlage 1 met begripsomschrijvingen wordt hieronder een toelichting gegeven. Bijlage 1, artikel 1.1 Algemene begrippen Bebouwde kom: De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Ook is het mogelijk om de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een ander, praktisch alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de WVW 1994. Bevoegd gezag: Het begrip bevoegd gezag is gereserveerd voor de toekenning van bevoegdheden met betrekking tot vergunningen, die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden aangemerkt.

Zie hiervoor ook artikel 2.2, eerste lid, onder b., g., d., en e. van de Wabo. Op grond van de Wabo wordt een omgevingsvergunning als hoofdregel verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot verlenen van toestemming niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

Bouwwerk: Deze omschrijving is overgenomen van artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening Heerhugowaard en artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening Langedijk: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. College: Het college van burgemeester en wethouders van Dijk en Waard. Bevoegdheden in deze verordening die niet aan het bevoegd gezag op grond van de Wabo toekomen, zijn bij het college van burgemeester en wethouders belegd. Gebouw: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, eerste lid, van de Woningwet: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Gevoelige gebouwen: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer: “woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting”.

Gevoelige terreinen: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer: “terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen, met uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting”. Gemeente: Dit artikel definieert de gemeente Dijk en Waard als de gemeente waarover deze verordening gaat. Houder van een inrichting: Deze begripsbepaling definieert wie degene is die zich verantwoordelijk dient te houden voor naleving van de regels door een inrichting. Inrichting: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1.1 van de Wet milieubeheer: “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”. Motorvoertuig: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1.1 van het RVV 1990: “alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen”. Openbaar water: Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het BW is ieder water, dat open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’. Openbare plaats: Hiervoor is aangehaakt bij de Wom.

Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.

Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.

Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). Rechthebbende: Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Voertuig: De definitie van ‘voertuig’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. ‘Voertuigen’ in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Weg: De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen.

Uit de definitie van ‘openbare plaats’ blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. Jurisprudentie ABRvS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3. Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid, onder II, van de Wegenwet. ABRvS 29-08-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD3795. Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van de APV was, staat evenmin vast dat het verbod van de APV-bepaling is overtreden. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’. De term ‘aan de weg’ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de VFL. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats. Artikel 1.2 Cultureel erfgoed

De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid[, van de Erfgoedwet]; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid[, van de Erfgoedwet]; of c.

in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, [van de Erfgoedwet] zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; - beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid[, van de Erfgoedwet]; - cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van

monumentale waarde; - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; - rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3[, van de Erfgoedwet]; - verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen. Artikel 1.3 Dieren -gereserveerdArtikel 1.4 Geluid en evenementen Op grond van de Wm moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken over een milieuvergunning beschikken of voldoen aan een AMvB die artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Deze afdeling bevat daarover voorschriften. Voor de definitie van begrippen die aan aanpalende regelgeving – waaronder het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet milieubeheer – ontleend zijn, wordt aangesloten bij de betekenis uit die regelgeving. Artikel 1.5 Verontreiniging -gereserveerd-

Artikel 1.6 Wegen en wateren -gereserveerdArtikel 1.7 Groenbeheer Voor de toepassing van deze afdeling is aangesloten bij de definities uit artikel 4:10 van de APV Heerhugowaard 2020 en de APV Langedijk 2019. Artikel 1.8 Bouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.

Hoofdstuk 2. Doelen In dit artikel is de uitwerking van de doelen van de wet, zoals opgenomen in artikel 2.1, derde lid, Ow overgenomen. Regels die specifiekere doelen dienen, hebben deze specifiekere doelen nader omschreven gekregen in de afdeling waar deze regels staan.

Hoofdstuk 3. Programma’s -Gereserveerd-

Hoofdstuk 4. Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Voor verschillende activiteiten worden gebieden in de gemeente aangewezen waar regels voor die activiteiten van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn al deze gebiedsaanwijzingen verzameld. Zo blijven alle regels over activiteiten bij elkaar staan en is het duidelijk welke regels in welk gebied van toepassing zijn. In dit hoofdstuk staan een aantal paragrafen gereserveerd ten behoeve van het omgevingsplan. De gemeente kan dan meer gebieden aanwijzen of gebieden die in een bestemmingsplan zijn aangewezen in dit hoofdstuk onderbrengen.

Afdeling 4.1 Algemene aanwijzingen Artikel 4.1.1 Ambtsgebied De regels in deze verordening zijn, tenzij anders aangegeven, van toepassing op het grondgebied van de gemeente Dijk en Waard. Dit artikel is opgenomen om ervoor zorg te dragen dat alle artikelen tenzij nader bepaald, over het hele ambtsgebied gelden.

Artikel 4.1.2 Bebouwde kom Voor een aantal regels is het van belang of een activiteit plaatsvindt binnen of buiten de bebouwde kom. Voor de toepassing van dit begrip is aangesloten bij de reeds bestaande gebieden binnen en buiten de bebouwde kom die per kaart zijn aangewezen.

Artikel 4.1.3 Wegen -gereserveerdAfdeling 4.2 Aanwijzingen bij specifieke activiteiten Paragraaf 4.2.1 Inleidende bepalingen -gereserveerdParagraaf 4.2.2 Cultureel erfgoed Artikel 4.2.2.1. Gemeentelijke monumenten Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd.

De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling. De aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie Hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan.

Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren

Artikel 4.2.2.2 Beschermde stads- en dorpsgezichten Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen.

Paragraaf 4.2.3 Dieren In de APV was in artikel 2:57 een beperking opgenomen over het los laten lopen van honden. Dit artikel was uitgebreid met uitzonderingen en extra beperkingen in bepaalde situaties. Deze situaties

waren voor een groot gedeelte afhankelijk van het gebied waarin de honden lopen. Deze manier van regelen met uitzonderingen en uitbreidingen was onoverzichtelijk en daarom zijn de regels die gelden apart gezet en zijn de gebieden waar deze gelden per situatie benoemd. Dit komt de overzichtelijkheid ten goede. In deze paragraaf zijn de gebieden benoemd. Artikel 4.2.3.1 Verblijfsverbod honden Het artikel 5.3.2.1 regelt dat op een aantal plaatsen honden in zijn geheel niet mogen verblijven. Dit was in de APV een uitbreiding van de regel dat honden op aangewezen plaatsen niet onaangelijnd mochten verblijven. Deze uitbreiding heeft een eigen artikel gekregen. In dit artikel zijn de gebieden aangewezen waar dit verblijfsverbod geldt. Het eerste lid bepaalt dat het college gebieden aan kan wijzen waar honden niet mogen verblijven. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat het een gebied is waar kwetsbare fauna voorkomt, of waar dit verkeershinder kan veroorzaken. Het tweede lid regelt dat het verbod in ieder geval geldt op plaatsen waar kinderen spelen. Hiermee wordt voorkomen dat gevaarlijke situaties ontstaan en dat de kinderspeelplaatsen niet worden verontreinigd met uitwerpselen van honden. Artikel 4.2.3.2 Aanlijnplicht honden Artikel 5.3.2.2 regelt dat honden in een aantal gevallen niet los mogen lopen zonder aangelijnd te zijn. Dit artikel regelt waar deze aanlijnplicht geldt.

Het eerste lid bepaalt dat het college plaatsen kan aanwijzen waar de aanlijnplicht geldt. De aanlijnplicht geldt in beginsel alleen binnen de bebouwde kom. Daarom kunnen alleen gebieden buiten de bebouwde kom worden aangewezen. Deze gebieden kunnen bijvoorbeeld worden aangewezen om gevaar aan andere dieren of verkeershinder te voorkomen. Het tweede lid regelt dat de aanlijnplicht in ieder geval geldt binnen de bebouwde kom. Artikel 4.2.3.3 Losloopgebieden honden Artikel 5.3.2.3 regelt dat in een aantal situaties honden los mogen lopen, zonder aangelijnd te zijn. Dit artikel regelt dat het college gebieden aan kan wijzen waar honden los mogen lopen. In beginsel geldt de aanlijnplicht alleen binnen de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom hoeven daarom geen gebieden aangewezen te worden. Door toepassing te geven aan dit artikel kunnen ook gebieden binnen de bebouwde kom worden aangewezen als losloopgebied, in afwijking van artikel 4.2.3.2, tweede lid. Artikel 4.2.3.4 Uitzonderingsgebied opruimplicht honden Artikel 5.3.2.4 regelt dat uitwerpselen van honden en paarden moeten worden opgeruimd door de eigenaar van die hond of diegene die de hond uitlaat of op dat paard rijdt of ermee aan de teugel loopt. Het derde lid regelt dat er gebieden kunnen zijn waar deze plicht niet geldt.

In dit artikel worden de gebieden aangewezen waar de uitwerpselen van honden en paarden niet hoeven worden opgeruimd.

Paragraaf 4.2.4 Geluid en evenementen -gereserveerd-

Paragraaf 4.2.5 Verontreiniging -gereserveerd-

Paragraaf 4.2.6 Aanwijzingen openbare ruimte -gereserveerd-

Paragraaf 4.2.7 Groenbeheer Artikel 4.2.7.1 Beschermde bomen In paragraaf 5.7.1 zijn de regels voor het kappen van bomen opgenomen. Dit artikel regelt dat het college bomen en boomstructuren kan aanwijzen als beschermde bomen en houtopstanden. Deze beschermde bomen vallen onder een strenger regime als het gaat om de aanvraag voor een kapvergunning. Art. 4.2.7.2 Aanwijzing kampeerplaatsen In artikel 5.7.2.1 zijn regels voor kamperen buiten kampeerterreinen opgenomen. Dit artikel regelt dat het college plaatsen kan aanwijzen waar deze regels niet van toepassing zijn. Het tweede lid regelt dat het college nadere regels kan stellen met het oog op de waarden die beschermd worden in artikel 5.7.2.1.

Paragraaf 4.2.8 Bouwen -gereserveerd-

Hoofdstuk 5. Activiteiten Afdeling 5.1 Inleidende bepalingen Deze afdeling bevat een aantal bepalingen die voor heel hoofdstuk 5 gelden: de verantwoordelijkheid voor naleving en de specifieke zorgplicht voor activiteiten.

Artikel 5.1 Verantwoordelijkheid voor naleving In dit artikel is voor heel hoofdstuk 5 de verantwoordelijke voor naleving van de regels bepaald. In principe moet degene die de activiteit verricht zich houden aan de regels van dit hoofdstuk. Dat houdt in dat hij ook moet zorgen dat bijvoorbeeld ondergeschikten of aannemers die in zijn opdracht werken, zich aan de regels van dit hoofdstuk houden. In specifieke artikelen van dit hoofdstuk kan een andere verantwoordelijke zijn aangewezen. Meestal zal het dan gaan om de rechthebbende op een perceel. Artikel 5.2 Specifieke zorgplicht In dit artikel is een specifieke zorgplicht opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht die in dit hoofdstuk worden geregeld. Diegene moet zich rekenschap geven van de doelen. Die doelen zijn uitgewerkt in de oogmerken, die zijn terug te vinden in de artikelen met het opschrift “oogmerken”. Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen voor die doelen te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten. In de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk is de specifieke zorgplicht vaak uitgewerkt met een aantal maatregelen die in ieder geval tot deze zorgplicht wordt gerekend.

De specifieke zorgplicht is direct handhaafbaar, zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk. Handhaving is in ieder geval mogelijk bij evidente overtredingen. Dit zijn overtredingen waarvan iedereen weet dat er in strijd met specifieke zorgplicht is gehandeld. Als er discussie mogelijk is over de vraag of de specifieke zorgplicht wel of niet is overtreden, kan het bevoegd gezag met een maatwerkvoorschrift verduidelijken wat er in het concrete geval precies onder de specifieke zorgplicht wordt verstaan. Daarom is in de paragrafen van dit hoofdstuk de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen, als er activiteiten zijn die uitsluitend onder algemene regels vallen. Bij vergunningplichtige activiteiten kan een verdere uitwerking van de specifieke zorgplicht zo nodig worden opgenomen in de vergunningvoorschriften.

Artikel 5.3Algemene aanvraag- en meldingsvereisten Voor de indieningsvereisten van vergunningaanvragen en meldingen van activiteiten, is het noodzakelijk om kwalitatief goed informatie te krijgen om de aanvraag of melding te kunnen beoordelen. Het eerste lid bevat de vereisten die een aanvrager of melder altijd moet indienen. Dit gaat om gegevens om contact op te kunnen nemen met de indiener, en de feitelijke beschrijving van hetgeen indiener wil uitvoeren. Het tweede lid bevat de kwaliteitscriteria van specifieke onderdelen die bij een aanvraag vereist kunnen worden. Deze kwaliteitscriteria dienen ertoe dat de aanvraag inhoudelijk beoordeeld kan worden. Het derde lid regelt dat als in de Wabo al indieningsvereisten vermeld staan, dat deze voorrang hebben op de indieningsvereisten die in dit artikel genoemd zijn.

Afdeling 5.2 Cultureel erfgoed Artikel 5.2.1 Activiteiten In dit artikel worden de activiteiten aangewezen waar deze afdeling over gaat. Het gaat in deze afdeling over alle activiteiten die betrekking hebben op gemeentelijk erfgoed. Hierbij gaat het om zowel gemeentelijke monumenten als voorbeschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologische waarden. Een aantal activiteiten die in ieder geval de erfgoedwaarde kunnen schaden is expliciet genoemd, zodat er geen misverstand kan bestaan over deze activiteiten. De zinsnede “in ieder geval” maakt dat de opsomming niet limitatief is, en dus ook andere activiteiten die de erfgoedwaarde zouden kunnen schaden onder deze afdeling vallen. Artikel 5.2.2 Oogmerken De regels in deze afdeling hebben dezelfde oogmerken. Daarom is de bepaling over de oogmerken van de regels in een algemene, inleidende paragraaf geplaatst. Deze oogmerken geven aan met welk doel de regels zijn gesteld, en ze begrenzen de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Als het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stelt, moet de strekking daarvan binnen de oogmerken passen. Het artikel regelt dat het behoud van cultureel erfgoed in brede zin het oogmerk van de afdeling is.

Daarbij worden specifiek maar niet limitatief de bijzondere schoonheid, cultuurhistorische waarde en wetenschappelijke waarde van het erfgoed uitdrukkelijk genoemd. Deze opsomming is niet limitatief zodat in voorkomende gevallen ook andere waarden gerelateerd aan erfgoed voor handhaving en maatwerkvoorschriften gebruikte kunnen worden.

Artikel 5.2.3 Verantwoordelijkheid naleving Dit artikel regelt dat degene die een activiteit wil verrichten aan een erfgoedobject zich aan de regels met betrekking tot erfgoed moet houden. Ook de eigenaar van een erfgoedobject waaraan een activiteit wordt verricht geldt als verantwoordelijke omdat de eigenaar speciale verantwoordelijkheid draagt voor de zorg van het erfgoedobject. Artikel 5.2.4 Specifieke zorgplicht In artikel 5.2 is een specifieke zorgplicht t opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht. g. Diegene moet zich rekenschap geven van de doelen, waarvoor de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen voor die doelen te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten. Dit artikel regelt dat cultureel erfgoed in ieder geval beschermd moet worden tegen

vernieling en beschadiging. Hier hoort bij dat cultureel erfgoed ook beschermd wordt tegen activiteiten die redelijkerwijs een gevaar op beschadiging of vernieling opleveren.

Paragraaf 5.2.1 Gemeentelijke Monumenten Artikel 5.2.1.1 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel regelt dat voor wijzigingen aan een gemeentelijke monument een vergunning moet worden aangevraagd. Hiervoor geldt dat ruim is opgenomen dat deze vergunningsplicht geldt voor alle mogelijke aantastingen van de erfgoedwaarde van het monument. Het derde lid regelt dat de plicht niet geldt voor werkzaamheden die evident geen gevaar opleveren voor de erfgoedwaarde van het object. In het vierde lid is een bevoegdheid opgenomen om nadere regels te stellen voor werkzaamheden aan monumenten. Artikel 5.2.1.2 Beoordelingsregels In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Artikel 5.2.1.3 Gegevens en bescheiden Schade die door activiteiten aan monumenten ontstaat kan onomkeerbaar zijn. Het is daarom extra van belang om goed te kunnen bepalen van de gevolgen van een activiteit kunnen zijn. Door toe te lichten waarom de voorgestelde activiteit geen afbreuk doet aan de erfgoedwaarde van een monument kan de gemeente beter beoordelen of een activiteit toelaatbaar is.

Paragraaf 5.2.2 Beschermd stads-of dorpsgezicht Artikel 5.2.2.1 Omgevingsvergunning beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 5.2.2.2 beoordelingsregels In dit artikel zijn de regels vastgelegd waaraan de vergunningsaanvraag voor het slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt getoetst.

Paragraaf 5.2.3 Vangnet archeologie Artikel 5.2.3.1 Vangnet archeologie Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Gelet op de geldigheidstermijn van een bestemmingsplan van tien jaar, zal dit ook nog enige jaren mogelijk blijven. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten

van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak.]

Afdeling 5.3 Dieren Artikel 5.3.1 Activiteiten In dit artikel worden de activiteiten aangewezen waar deze afdeling over gaat. Het gaat in deze afdeling over dieren die zich in de openbare ruimte bevinden en dus niet op eigen terrein. Nader wordt gespecificeerd dat het gaat om in ieder geval huisdieren en paarden. De afdeling gaat niet over het bedrijfsmatig houden van dieren, zoals het houden van vee of het hebben van een hondenkennel. Deze activiteiten zijn elders geregeld. Artikel 5.3.2 Oogmerken De regels in deze afdeling hebben dezelfde oogmerken. Daarom is de bepaling over de oogmerken van de regels in een algemene, inleidende paragraaf geplaatst. Deze oogmerken geven aan met welk doel de regels zijn gesteld, en ze begrenzen de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Als het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stelt, moet de strekking daarvan binnen de oogmerken passen. De regels over het laten verblijven, al dan niet met een aanlijnplicht, hebben veiligheid en het voorkomen van verkeershinder als bijkomend oogmerk en dit oogmerk is in het tweede lid daarom expliciet opgenomen. Artikel 5.3.3 Verantwoordelijkheid naleving Dit artikel regelt dat degene die op dat moment verantwoordelijk is voor het dier, zich aan de regels moet houden.

Meestal zal het gaan om de eigenaar van het dier, maar het kan ook gaan om iemand die een hond uitlaat, zonder de eigenaar te zijn. In het tweede lid is geregeld dat de beperkingen die in deze afdeling gelden niet van toepassing zijn voor geleidehonden en hulphonden. Hierbij is de mogelijkheid opgenomen tot een uitzondering, zodat er ook regels gesteld kunnen worden die ook gelden voor de houders van geleidehonden en hulphonden. In deze verordening is dat het geval voor het verplicht dragen van een identificatiekenmerk van een hond. Artikel 5.3.4 Specifieke zorgplicht In artikel 5.2 is een specifieke zorgplicht t opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht. g. Diegene moet zich rekenschap geven van de doelen, waarvoor de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen voor die doelen te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten. Dit artikel beschrijft wat er bij het houden van dieren in de openbare ruimte in ieder geval tot die specifieke zorgplicht wordt gerekend. Bij het houden van dieren moet in ieder geval worden voorkomen dat de gezondheid en veiligheid van mensen en dieren in gevaar wordt gebracht.

Dit betekent dat je geen dieren met besmettelijke ziekten of parasieten in aanraking met mensen of andere dieren mag brengen, je dier niet in gevaar mag brengen, geen gevaarlijke dieren in de openbare ruimte mag laten verblijven, en de omgeving in een goede hygiënische staat moet laten. Ook moet overlast, bijvoorbeeld door geur, geluid, verkeershinder, hinder voor voetgangers of beschadiging van eigendommen van derden, zoveel mogelijk worden voorkomen.

Paragraaf 5.3.2 gedragsregels houden van dieren Artikel 5.3.2.1 Verblijfsverbod honden Dit artikel maakt mogelijk dat in bepaalde gebieden geen honden mogen komen. Ook wanneer honden aangelijnd zijn kan het zijn dat hun aanwezigheid in bepaalde gebieden schade, hinder, overlast of onacceptabele verontreiniging veroorzaakt. Deze gebieden worden aangewezen door

toepassing te geven aan artikel 4.2.3.1. In het tweede lid wordt bepaald dat een hond die zich op de weg bevindt een halsband of ander identificatiemiddel moet hebben, zodat de identiteit van de eigenaar of houder van de hond kan worden vastgesteld. Het derde lid regelt dat, in afwijking van de uitzondering voor houders van geleidehonden en hulphonden zoals bepaald in de benoeming van de verantwoordelijkheid voor naleving, de identificatieplicht zich ook strekt tot geleide- en hulphonden. Artikel 5.3.2.2 Aanlijnplicht honden Loslopende honden kunnen gevaar, hinder en overlast veroorzaken. Dit artikel bepaalt dat in de bebouwde kom en in andere gebieden die krachtens artikel 4.2.3.2 zijn aangewezen, honden allen aangelijnd mogen lopen. Artikel 5.3.2.3 Losloopgebieden honden In sommige gebieden kan het los laten lopen van honden geen of acceptabele overlast of hinder veroorzaakt. Door de aanlijnplicht voor deze gebieden niet te laten gelden hebben hondeneigenaren een gebied om hun hond los te laten lopen en is de kans op overtreding van de aanlijnplicht kleiner. Dit artikel bepaalt dat in gebieden die krachtens artikel 5.3.2.2 zijn aangewezen als losloopgebied de aanlijnplicht niet geldt. Artikel 5.3.2.4 Opruimplicht Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid.

Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen. In dit artikel is bepaald dat uitwerpselen van honden en paarden verwijderd moeten worden om deze gevaren en ergernissen tegen te gaan. Het tweede lid bepaalt dat deze plicht niet geldt voor gebieden die krachtens artikel 4.2.3.4 zijn aangewezen. Het gaat daarbij om zogenaamde hondentoiletten, of uitlaatstroken of –veldjes. Artikel 5.3.2.5 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt.

Artikel 5.3.2.6 Maatwerkvoorschriften Het college kan maatwerkvoorschriften stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht van artikel 5.2 en de invulling daarvan in artikel 5.3.4. Op deze manier kan in een specifiek geval worden aangegeven wat er bijvoorbeeld onder “rederlijkwijs voorkomen van overlast” moet worden verstaan. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften moeten de oogmerken van artikel 5.3.2 in acht worden genomen. Het is niet mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen met een ander doel.

Afdeling 5.4 Geluid en evenementen Artikel 5.4.1 Activiteiten In dit artikel worden de activiteiten aangewezen waar deze afdeling over gaat. Het gaat in deze afdeling over alle activiteiten die een bron zijn van harde, storende of overlastgevende geluiden. Dit is een brede categorie waar feitelijk van alles in kan vallen. Voor al deze activiteiten gelden de algemene regels over geluidsproductie. Voor een aantal van deze activiteiten zijn specifieke regels opgenomen zoals het organiseren van een evenement. Omdat het gaat om een brede categorie is van een aantal activiteiten specifiek genoemd dat ze onder geluidproducerende activiteit vallen. Het gaat daarbij om het laten horen van muziek, motorgeluid en vuurwerk. Dit is geen uitputtende lijst

dus ook bijvoorbeeld stemgeluid, glasgerinkel of geluiden van elektronische apparaten kunnen onder deze regels vallen. Artikel 5.4.2 Oogmerken De regels in deze afdeling hebben dezelfde oogmerken. Daarom is de bepaling over de oogmerken van de regels in een algemene, inleidende paragraaf geplaatst. Deze oogmerken geven aan met welk doel de regels zijn gesteld, en ze begrenzen de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Als het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stelt, moet de strekking daarvan binnen de oogmerken passen. De regels over het afsteken van vuurwerk, hebben veiligheid als bijkomend oogmerk en dit oogmerk is in het tweede lid daarom expliciet opgenomen. Artikel 5.4.3 Verantwoordelijkheid naleving Dit artikel regelt dat degene die op dat degene die een activiteit wil verrichten zich aan de geluidsnormen in deze afdeling moet houden. Als een activiteit een organisator heeft, zoals een evenement, dan is de organisator ook verantwoordelijk voor het naleven van de regels. Artikel 5.4.4 Specifieke zorgplicht In artikel 5.2 is een specifieke zorgplicht t opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht. g. Diegene moet zich rekenschap geven van de doelen, waarvoor de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=a90acbe1-655f-4cef-b37c-294b1a6225f4