Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard 2022 (Bij21-0948).pdf
Tekst van het document
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen en of gemeentelijke eigendommen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Waterverordening provincie NoordHolland. Artikel 6.1.5 Verbod plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b.met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Afdeling 6.2 Gedoogplichten
Artikel 6.2.1 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 6.2.2 Namen en nummerduidingen aanbrengen 1. De door het college toegekende namen, zoals vervat in artikel 2 van de Verordening naamgeving en nummering (adressering), worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2. Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering (adressering), waarvoor een nummer is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht. 3. Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd, verboden namen aan de openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. 4. Het is een ieder die daartoe niet is bevoegd, verboden aan een pand of verblijfsobject, stand- of ligplaats of afgebakend terrein nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.
Artikel 6.2.3 Gedoogplicht naamborden 1. Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan 2 maanden is verbonden.
3. De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel 6.2.4 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden 1. Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 7 van die verordening is bepaald. 2. De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht. 3. Indien een verblijfsobject, ligplaats, standplaats of afgebakend terrein nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht.
4. Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van niet langer dan twee maanden is verbonden. 5. Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn verlengen.
Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen -gereserveerd-
Hoofdstuk 8. Procesregels Afdeling 8.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 8.1.1 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 8.1.1.1. Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.2.2.1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 8.1.1.2 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 5.2.1 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 8.1.1.1 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.
Artikel 8.1.1.3. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing als gemeentelijk erfgoed in het omgevingsplan dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8.1.1.4. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 8.1.1.5. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8.3.1 wordt in
dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5. 3. Paragraaf 8.1.1 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
Artikel 8.1.1.6. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 8.1.1 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 8.1.2 Beschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 8.1.2.1 Aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8.3.1, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7.
Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 8. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 8.1.2.2. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht
1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 8.1.2.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 8.1.2.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Afdeling 8.2 Vergunningen, ontheffingen en meldingen Artikel 8.2.1 Beslistermijn 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 5.6.1.1, vierde lid, een vergunning als bedoeld in artikel 5.6.3.1, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 5.7.1.3.
Artikel 8.2.2 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken zich slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 8.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 8.2.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e.
als de houder dit verzoekt. Artikel 8.2.5 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbeperkte tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 8.2.6 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Afdeling 8.3 Advies Paragraaf 8.3.1 Gemeentelijke Adviescommissie erfgoed Artikel 8.3.1. Advies gemeentelijke adviescommissie over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten 1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.2.2.1 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel 8.3.2 Advies gemeentelijke adviescommissie over een omgevingsvergunning Rijksmonument Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8.3.1, eerste lid. Artikel 8.3.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 8.3.2 Gemeentelijke Adviescommissie welstand Artikel 8.3.2.1 De advisering door de welstandscommissie 1. De advisering over redelijke eisen voor welstand is opgedragen aan de Stichting MOOI NoordHolland adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. 2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel 8.3.2.2 Samenstelling van de welstandscommissie 1. De welstandscommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, waarvan ten minste één lid deskundig is op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2. Voor de voorzitter en leden kunnen bij structurele afwezigheid plaatsvervangers worden aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn die beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.
4. De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 5. De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens plaatsvervanger.
a. b. c. d. e.
Artikel 8.3.2.3 Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel 8.3.2.4 Termijn van advisering 1. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies.
Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 8.3.2.5 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1. De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aanhuisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3.
In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie voorziet in een procedurele opzet. Artikel 8.3.2.6 Afdoening onder verantwoordelijkheid
1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden (inclusief de voorzitter). Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. 2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel 8.3.2.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.
Afdeling 8.4 Technische wijzigingen aan deze verordening Artikel 8.4.1 Bevoegdheden overdragen aan college 1. Het college is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening indien het wijzigingen betreft die: a. van zuiver redactionele aard zijn; b. technisch van aard zijn en een noodzakelijk gevolg van zijn van nieuwe of gewijzigde wet- of regelgeving. 2. Alvorens het college definitief besluit tot een wijziging, legt zij de voorgenomen wijziging voor aan de relevante raadscommissie of het forum. Deze kan adviseren de voorgenomen wijziging aan de gemeenteraad voor te leggen ter goedkeuring, welk advies in dat geval door het college wordt opgevolgd. Artikel 8.4.2 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NENnormen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Hoofdstuk 9. Handhaving Artikel 9.1 Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 8.2.2 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2.In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.5.1.1 tot en met 5.5.1.5, 5.5.2.1, 5.6.1.1, vijfde juncto eerste lid, 5.6.3.1, tweede lid, 5.6.2.4, eerste lid, en 5.7.1.3, eerste lid. 3. In afwijking van het eerste lid wordt een overtreding van, of het niet voldoen aan de bepalingen in artikelen 6.2.2, tweede en derde lid, 6.2.3 en 6.2.4 bestraft met een geldboete van de eerste categorie. 4.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 9.2 Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de handhavingsambtenaar alsmede de medewerkers van de Nationale Politie. 2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten Artikel 9.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Hoofdstuk 10. Monitoring en informatie -gereserveerd-
Hoofdstuk 11. Overgangsrecht Artikel 11.1 Intrekking oude verordeningen Ingetrokken worden de: a. Bouwverordening Heerhugowaard, zoals vastgesteld bij besluit van 24 april 2012, b. Bouwverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012, c. Brandbeveiligingsverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012, d. Erfgoedverordening Heerhugowaard 2010, zoals vastgesteld bij besluit van 23 november 2010 en e. Erfgoedverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012. Artikel 11.2 Wijziging andere verordeningen 1. De artikelen 2:10, 2:11, 2:12, 2:15, 2:16 2:21, 2:42, 2:57, 2:58, 2:60, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6, 4:9, 4:9A, 4:11, 4:12, 4:12a, 4:13, 4:18, 4:19, 5:25, 5:28, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Heerhugowaard 2020, inclusief de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting komen te vervallen. 2. De artikelen 2:10, 2:11, 2:12, 2:15, 2:16 2:21, 2:42, 2:57, 2:58, 2:60, 4:2, 4:3, 4:5, 4:5b, 4:6, 4:9, 4:9A, 4:11, 4:12, 4:12a, 4:13, 4:18, 4:19, 5:25, 5:28, 5:24, 5:30, derde lid, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Langedijk 2019, inclusief de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting komen te vervallen. 3. De artikelen 4, 5 en 6 van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Heerhugowaard 2013 komen te vervallen. 4.
De artikelen 4, 5 en 6 van de Verordening nummering en adressering Langedijk 2007 komen te vervallen. 5. De artikelen 14 t/m 19 van de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard 2018 komen te vervallen. 6. De artikelen 16, 17, 19, 21, 22 en 23 van de Afvalstoffenverordening Langedijk 2016 komen te vervallen. Artikel 11.3 Overgangsbepaling 1. Besluiten, genomen krachtens de verordeningen, bedoeld in artikel 11.1, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten, genomen krachtens de artikelen bedoeld in artikel 11.2. 3. Het recht, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft van toepassing op:
a. de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, als voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend; b. de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, als voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of c. een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 4. In gevallen als bedoeld in het derde lid wordt: a. een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening; b. een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen Artikel 12.1 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat zij op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Artikel 12.2 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2022
Bijlage 1: Begripsbepalingen Artikel 1.1 Algemene begrippen Voor de toepassing van de deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat terzake bevoegd is; Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; College: het college van burgemeester en wethouders; Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Woningwet; Gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1.
van het Activiteitenbesluit milieubeheer; Gemeente: gemeente Dijk en Waard; Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; Inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; Motorvoertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; Weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b.
van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan; Artikel 1.2 Cultureel erfgoed Voor de toepassing van afdelingen 4.2, 5.2, 8.1, 8.3 en artikel 6.1.1 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Gemeentelijke Adviescommissie: Commissie die belast is met het adviseren van gemeenteraad en het college over besluiten die krachtens deze verordening worden genomen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: a. de commissie als bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988; b. de commissie als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet.
Artikel 1.3 Dieren -gereserveerdArtikel 1.4 Geluid en evenementen Voor de toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 1.5 Verontreiniging -gereserveerdArtikel 1.6 Wegen en wateren -gereserveerdArtikel 1.7 Groenbeheer Voor de toepassing van paragraaf 4.2.7 en afdeling 5.7 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Beschermde houtopstand: houtopstand die geplaatst is op de lijst als bedoeld in artikel 4:12; Boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven; Dunnen: vellen dat uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; Hakhout: boomvormers of andere houtachtige gewassen, die na te zijn geknot tot bij de grond opnieuw op de stronk uitlopen; Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, boomvormers of andere houtachtige gewassen die onderdeel uitmaken van een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken of een beplanting van bosplantsoen; Kandelaberen: het voor meer dan 20% gelijkmatig weghalen van de takken die de kroon van een boom vormen; Knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats; Vellen: rooien, kappen, verplanten, het voor de eerste maal kandelaberen of snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel, het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.
Artikel 1.8 Bouw Voor de toepassing van afdeling 5.8 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; Omgevingsvergunning voor het bouwen: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In deze afdeling van deze verordening wordt mede verstaan onder: a. bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; b. gebouw: een gedeelte van een gebouw.
Algemene toelichting Op 1 juli 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving en de regels over onderwerpen die te maken hebben met de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen de regels over ruimte, bouwen, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Tot de doelen van de Omgevingswet horen het verminderen van (overbodige) regels, het bundelen en toegankelijk maken van regelgeving, en het vereenvoudigen van regelgeving. Daarnaast heeft de wet als doel het bereiken en in stand houden van een gezonde en veilige leefomgeving. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet moeten de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving samengebracht worden in één omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dit omgevingsplan bevat regels uit bestemmingsplannen, verschillende verordeningen en rijksregels die bij inwerkingtreding van de wet gedecentraliseerd worden. De gemeente heeft tijdens een overgangsfase, die loopt vanaf inwerkingtreding van de wet tot en met 2029, de tijd om al deze regels definitief in het omgevingsplan te integreren. Om voor te sorteren op deze overgang, is deze Verordening Fysieke Leefomgeving ontwikkeld om de regels uit de verschillende verordeningen eenvoudig in het omgevingsplan te kunnen integreren.
Gelijktijdig met het voorbereiden op de Omgevingswet loopt het traject van de gemeentelijke herindeling van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard naar de nieuwe gemeente Dijk en Waard. Deze herindeling geeft een extra dimensie aan de voorbereiding van de gemeentelijke regelgeving op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Naast de vernieuwing in structuur en het uitwerken van de doelen van de wet moeten de verordeningen van Langedijk en Heerhugowaard ook geharmoniseerd worden, zodat de gemeente Dijk en Waard gelijke regels heeft voor al zijn ingezetenen. De Verordening Fysieke Leefomgeving is zodanig opgesteld dat er in de eerste plaats voor is gezorgd dat alle regels geharmoniseerd zijn. In dit kader is ervoor gekozen om de regels beleidsarm om te zetten. Daar waar regels hetzelfde zijn in beide gemeenten is inhoudelijk niets gewijzigd. Bij verschillen tussen de gemeenten is gekozen voor een variant van de regelgeving binnen de bandbreedte van de bestaande regels in beide gemeenten. De keuze voor de variant is door werkgroepen die het beleid harmoniseren in samenspraak met de relevante portefeuillehouders bepaald. In geval van de Erfgoedverordening is ervoor gekozen om de modelverordening van de VNG uit 2016 als uitgangspunt te nemen, omdat in zowel Langedijk als Heerhugowaard de Erfgoedverordening nog niet was geactualiseerd na inwerkingtreding van de Erfgoedwet.
De Verordening Fysieke Leefomgeving is een tussenstap, waarin de regels die in Langedijk en Heerhugowaard in uiteenlopende verordeningen stonden, gebundeld en geharmoniseerd zijn, eenvoudig raadpleegbaar zijn gemaakt en in een structuur zijn gezet die integratie in het omgevingsplan vereenvoudigen. Met de Verordening Fysieke Leefomgeving wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en ambtenaren overzichtelijker. De regels zijn eenvoudiger te raadplegen. In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de uitgangspunten bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Ook wordt een toelichting gegeven op de verschillende verordeningen en regels die op gaan in deze verordening. Voor het overzicht is een transponeringstabel opgenomen en een artikelsgewijze toelichting. Uitgangspunten Verordening Fysieke Leefomgeving
In de Verordening Fysieke Leefomgeving is een aantal verordeningen en delen van verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Hierbij is hetzelfde criterium gehanteerd dat de Omgevingswet heeft voor de opname van gemeentelijke algemeen verbindende voorschriften in het omgevingsplan. Alleen verordeningen en regels die primair de fysieke leefomgeving als oogmerk hebben komen in aanmerking voor integratie in deze verordeing. Regels met andere primaire motieven, zoals openbare orde, komen niet in aanmerking. Regels die aan de burgemeester bevoegdheden toekennen zijn ook niet opgenomen. De Omgevingswet kent aan de burgemeester geen bevoegdheden toe, en daarom zijn deze regels uitgesloten. Deze regels gaan bovendien meestal niet over de fysieke leefomgeving, maar over openbare orde. Een aantal verordeningen en regels die wel in aanmerking komen voor opname in de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn niet opgenomen omdat eerst andere processen voltooid moeten worden voordat deze gereed zijn om ze op te nemen. Van deze verordeningen en regels is het uigangspunt dat deze zullen worden opgenomen zodra deze gereed zijn.
In de Verordening fysieke leefomgeving worden de volgende verordeningen of onderdelen van verordeningen opgenomen: - De Algemene Plaatselijke Verordening Langedijk en de Algemene Plaatselijke Verordening Heerhugowaard, onder andere de onderdelen voorwerpen op of aan de weg, het wijzigen van wegen en uitritten, het vellen van houtopstanden, geluidshinder en verontreiniging en het innemen van ligplaatsen; - De Afvalstoffenverordening Langedijk en de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard, de onderdelen over afvaldumping en zwerfafval; - De Erfgoedverordening Langedijk en de Erfgoedverordening Heerhugowaard; - De Bouwverordening Langedijk en de Bouwverordening Heerhugowaard; - De Verordening Naamgeving en adressering Langedijk en de Verordening Naamgeving en nummering (adressering) Heerhugowaard, de onderdelen plaatsen van straatnaamborden en nummeringplaten. De volgende verordeningen of onderdelen van verordeningen worden later in de Verordening Fysieke Leefomgeving opgenomen of worden afhankelijk van een besluit van de rijksoverheid al dan niet opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving: - De Algemene Plaatselijke Verordening Langedijk en de Algemene Plaatselijke Verordening Heerhugowaard, de onderdelen standplaatsen en minimale afstand tot de erfgrens van een houtopstand.
Om de regels voor standplaatsen goed voor te bereiden voor het omgevingsplan is eerst een integratie van de regels over standplaatsen uit de APV en de Marktverordening noodzakelijk. Zodra deze integratie is voltooid worden deze regels opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. Voor de minimale afstand tot de erfgrens van een houtopstand is eerst een besluit nodig van de rijksoverheid dat deze regel in het rechtsfiguur omgevingsplan mag worden opgenomen. - De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Langedijk en de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Heerhugowaard. De regels uit deze verordeningen moeten voor 2029 in het omgevingsplan worden opgenomen voorzover het kabels en leidingen van nutsvoorzieningen betreft. Voor kabels en leidingen van telecommunicatienetwerken geldt dat eerst een besluit van de rijksoverheid genomen moet worden om dit in het rechtsfiguur omgevingsplan te regelen. Zolang dat besluit niet is genomen is het onwenselijk om de regels voor telecommunicatienetwerken en andere ondergrondse infrastructuren te scheiden. - Marktverordening Heerhugowaard, de onderdelen over de ruimtelijke aspecten van de markt en van standplaatsen. Om deze regels goed voor te bereiden voor het omgevingsplan is eerst een integratie van de regels uit de Marktverordening en de regels over standplaatsen uit de APV noodzakelijk.
Zodra deze integratie is voltooid worden deze regels opgenomen.
- Havenverordening Langedijk, de onderdelen over de aspecten over ruimtelijk gebruik, bescherming van het water en het plaatsen en gebruiken van bouwwerken. De Havenverordening moet geactualiseerd worden aan nieuwere wetgeving en de regels over de fysieke leefomgeving moeten goed gescheiden worden van de andere regels in de Havenverordening. Zodra dit is gebeurd worden deze regels in de Verordening Fysieke Leefomgeving opgenomen. De Brandbeveiligingverordening en de Exploitatieverordening maken ook onderdeel uit van regels over de fysieke leefomgeving. Met ingang van 1 juli 2008 is de Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening, in werking getreden, waarbij landelijke regels dezelfde kaders scheppen die in de Exploitieverordening zijn opgenomen. Met ingang van 1 januari 2018 gelden de landelijke regels voor de brandveiligheid van ‘overige plaatsen’ waarbij de Brandbeveiligingsverordening van rechtswege is komen te vervallen. Om geen overbodige regels te behouden worden deze verordeningen ingetrokken. Uitgangspunt bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving is om de regels waar mogelijk beleidsneutraal over te nemen, en waar nodig deze beleidsarm te harmoniseren. De onderdelen die niet volledig beleidsneutraal zijn overgenomen worden later specifiek toegelicht.
Bij het samenvoegen zijn de regels verder geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst. Hierbij zijn redactionele en technische wijzigingen die de leesbaarheid en toepasbaarheid ten goede komen doorgevoerd. Opbouw Verordening Fysieke Leefomgeving In de verordening wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen hoofdstukken die elk een ander type regels bevat. Deze hoofdstukken zijn onderverdeeld in afdelingen die elk over een bepaald aspect van de fysieke leefomgeving gaan. De afdelingen zijn vervolgens onderverdeeld in paragrafen die over een specifiek onderwerp of activiteit gaan. Deze afdelingen zijn in elk hoofdstuk op dezelfde wijze ingedeeld, zodat verschillende typen regels over dezelfde onderwerpen gemakkelijk te vinden zijn. Deze structuur is in hoofdlijn vergelijkbaar met de structuur die het omgevingsplan zal krijgen. De regelgeving is hierdoor al zo optimaal mogelijk voorbereid op opname in het omgevingsplan. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Dit zijn alleen de begripsbepalingen die in een bijlage zijn opgenomen. Deze bijlage kent een structuur van eerst begrippen die op meerdere plaatsen in de verordening voorkomen en vervolgens artikelsgewijs begripsbepalingen die in één afdeling voorkomen. Het tweede hoofdstuk bevat de oogmerken van de verordening. Hierin staat wat de gemeente met deze regels beoogt te bereiken.
Deze oogmerken zijn dezelfde als de oogmerken die de gemeente in het omgevingsplan moet opnoemen. Onder de Omgevingwet wordt het gemakkelijker om een initiatief toe te staan als van de letter van de regelgeving wordt afgeweken maar aan de oogmerken wordt voldaan. De oogmerken staan al in de Verordening fysieke leefomgeving om op de structuur van het omgevingsplan voor te bereiden. Het derde hoofdstuk is gereserveerd voor programma's die de gemeente onder de Omgevingswet opstelt. Dit is een hoofdstuk dat onder huidig recht nog niet gebruikt wordt, maar van toepassing kan worden als in programma's gebruik gemaakt wordt van de Verordening fysieke leefomgeving. Ook staat het op deze manier al in de structuur van het omgevingsplan. Het vierde hoofdstuk bevat alle geografische aanwijzingen op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving. In het omgevingsplan worden alle geografische aanwijzingen gedefinieerd en verzameld als werkingsgebieden. Dit hoofdstuk geeft daarmee ook duidelijk weer welke gebieden er zijn aangewezen waar bepaalde regels gelden en maakt wijziging van deze gebieden overzichtelijk. Op een aantal onderwerpen is het college bevoegd om
gebieden aan te wijzen maar heeft van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Om ruimte te maken voor eventuele toekomstige aanwijzingen zijn deze onderdelen gereserveerd. Het vijfde hoofdstuk bevat de inhoudelijke regels voor het uitvoeren van activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit zijn de regels die voor initiatiefnemers het meest van belang zullen zijn en daarom is het fijn dat deze gemakkelijk vindbaar zijn en niet tussen regels staan die wel met het onderwerp te maken hebben maar voor de gebruiker niet relevant zijn. In dit hoofdstuk wordt bepaald of activiteiten vergunningplichtig zijn en wat de beoordelingrsregels zijn, of welke algemene regels er voor een activiteit gelden. Voor elke afdeling zijn de oogmerken zoals bepaald in hoofdstuk twee nader gespecificeerd om duidelijker te maken wat er van initiatiefnemers verwacht wordt. Waar mogelijk is zoveel mogelijk voorgesorteerd op de nieuwe wijze van regels schrijven in het omgevingsplan. Dat betekent dat telkens de activiteit wordt beschreven waar regels over gelden, wie er aan moet voldoen en wat de algemene regels voor die activiteit zijn. Als er een vergunningplicht geldt is daarbij aangegeven welke gevallen vergunningplichtig zijn en wat de beoordelingsregels ervoor zijn. Hoofdstuk 6 bevat instandhoudingsbepalingen en gedoogplichten.
Dit zijn alle verboden en verplichtingen die noodzakelijk zijn om de fysieke leefomgeving in stand te houden en het gebruik ervan goed te laten functioneren. Dit zijn over het algemeen redelijk vanzelfsprekende regels, die toch noodzakelijk zijn om op te kunnen treden tegen gebruik dat schade aan de omgeving toebrengt of het gebruik ervan verstoort. Hoofdstuk 7 is gereserveerd voor financiële bepalingen. Van dit hoofdstuk zal in de Verordening fysieke leefomgeving geen gebruik worden gemaakt, maar in het omgevingsplan kunnen deze wel opgenomen worden. Door het hoofdstuk te reserveren komt de hoofdtukindeling overeen met die van het omgevingsplan. Hoofdstuk 8 bevat procedureregels. Daarbij gaat het met name om regels over adviescommissies en beslistermijnen. Deze regels zijn inhoudelijk niet relevant om te weten of iets mag of om aanvragen te beoordelen. Ze zijn vooral belangrijk om ervoor te zorgen dat de juiste procedures worden gevolgd door zowel de initiatiefnemer als de gemeente. Door deze regels te bundelen kunnen gebruikers gemakkelijker hun procedure begrijpen. In hoofdstuk 9 staan de handhavings- en strafbepalingen. Deze zijn overgenomen uit de bronverordeningen. Waar voor verschillende regels verschillende strafbepalingen stonden zijn deze neutraal overgenomen voor dezelfde regels in de Verordening Fysieke Leefomgeving.
Hoofdstuk 10 is gereserveerd voor monitorings- en informatiebepalingen in het omgevingsplan. In de Verordening fysieke leefomgeving komen deze nog niet voor. Hoofdstuk 11 bevat de overgangsbepalingen. Deze zien erop toe dat besluiten genomen krachtens de bronverordeningen worden gezien als besluiten genomen krachtens de Verordening fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 12 bevat de slotbepalingen die bepalen wanneer de verordening in werking treedt en hoe deze moet worden aangehaald.
Door de structurele wijzigingen van de verordeningsregels is de opbouw van hoe een aantal onderwerpen is geregeld sterk veranderd. Waar eerst bepaalde onderdelen in hetzelfde artikel of zelfs in hetzelfde lid stonden is dit nu uitgewerkt in meerdere artikelen die elk een deel van het onderwerp regelen. Deze artikelen kunnen verspreid staan over meerdere hoofdstukken. Dit verbetert de begrijpelijkheid van de regels omdat de onderdelen van de regels die relevant zijn bij elkaar in hetzelfde hoofdstuk staan en je niet hoeft te zoeken binnen alle bepalingen over een onderwerp. Enkele van deze wijzigingen worden hieronder als voorbeeld toegelicht.
Voorbeeld: Honden uitlaten was
wordt Artikel 5.3.1 Activiteiten 1. Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot het houden van dieren en het hebben van dieren in de openbare ruimte. Onder deze activiteiten worden in ieder geval verstaan het houden van gezelschapsdieren, het uitlaten van honden en het rijden met een paard in de openbare ruimte. Onder deze activiteit wordt niet verstaan het bedrijfsmatig houden van dieren overeenkomstig met een bestemmingsplan. Artikel 5.3.2 Oogmerken 1. De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de zorg voor het milieu, waaronder het voorkomen van verontreiniging door ontlasting, het voorkomen van geluids- en geurhinder, het beschermen van ecologische waarden. 2. De regels voor loslopende honden zijn ook gesteld met het oog op een veilige leefomgeving. Artikel 5.3.3 Verantwoordelijkheid voor naleving Aan deze paragraaf wordt voldaan door de eigenaar of houder van een dier tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond, tenzij dit expliciet wordt vermeld. Artikel 5.3.4 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2.
houdt voor activiteiten met betrekking tot het houden van dieren en het hebben van dieren in de openbare ruimte in ieder geval in dat de gezondheid en veiligheid van mensen en dieren niet in gevaar worden gebracht, en dat overlast redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen.
2:57 Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Hoofdstuk 4. Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Artikel 4.2.3.1 Verblijfsverbod honden 1. Op door het college aangewezen plaatsen zijn de regels uit artikel 5.3.2.1 over het verbod honden te laten verblijven of lopen van toepassing. 2. De regels als bedoeld in het eerste lid zijn ook van toepassing op voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaatsen, zandbakken of speelweides.
Artikel 4.2.3.2 Aanlijnplicht honden 1. Op door het college aangewezen plaatsen buiten de bebouwde kom zijn de regels uit artikel 5.3.2.2 over het verplicht aanlijnen van honden van toepassing. 2. De aanlijnplicht als bedoeld in het eerste lid is ook van toepassing binnen de bebouwde kom.
Artikel 4.2.3.3 Losloopgebieden honden Op door het college aangewezen plaatsen zijn de regels uit artikel 5.3.2.3 over het los laten lopen van honden van toepassing.
Hoofdstuk 5. Activiteiten Artikel 5.3.2.1 Verblijfsverbod honden 1. In de gebieden, in artikel 4.2.3.1 aangeduid als Verblijfsverbod honden is het verboden honden te laten lopen of verblijven. 2. Het is verboden een hond op de weg te laten lopen of verblijven als die hond niet is voorzien van een halsband of een identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 3. Het tweede lid is ook van toepassing op de in artikel 5.3.3 bedoelde eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel 5.3.2.2 Aanlijnplicht honden In de gebieden, in artikel 4.2.3.2 aangeduid met Aanlijnplicht honden is het verboden honden te
laten lopen of verblijven als de hond niet is aangelijnd. Artikel 5.3.2.3 Losloopgebieden honden De aanlijnplicht als bedoeld in artikel 5.3.2.2 is niet van toepassing in de gebieden in artikel 4.2.3.3 aangeduid met Losloopgebied honden.
In de APV's stonden de regels voor het aanlijnen, los laten lopen en het geheel verbieden van de toegang voor honden in één artikel. Feitelijk regelde dit artikel waar en onder welke omstandigheden honden uitgelaten mogen worden. Hierin zijn drie niveaus te onderscheiden. Gevallen waarin honden in het geheel niet toegestaan zijn, gevallen waarin honden aangelijnd moeten zijn en gevallen waarin honden los mogen lopen. In het oude APV-artikel zijn deze niveaus door middel van voorwaarden en uitzonderingsgevallen verspreid over meerdere leden en subleden. Hierdoor is het onoverzichtelijk en niet duidelijk in welke gebieden en gevallen een toegangsverbod, een aanlijnplicht, of een loslooptoestemming geldt. In de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn deze niveaus uit elkaar gehaald, waarbij de regels in hoofdstuk 5 staan, en de gebiedsaanwijzingen in hoofdstuk 4. Zo is eenvoudig te lezen waar honden uitgelaten mogen worden, en waar ze los mogen lopen. De aanwijzingen zelf staan in een aanwijzingsbesluit. Nieuw in de Verordening fysieke leefomgeving is het structureel beginnen van afdelingen en paragrafen met artikelen die specificeren over welke activiteit de regels gaan, wat de oogmerken zijn waarom de regels zijn opgesteld, wie verantwoordelijk is voor de naleving ervan en wat de minimale vereisten zijn om de doelen met het oog waarop de regels zijn gesteld te waarborgen.
In dit voorbeeld wordt de bepaling dat eigenaren van hulp- en geleidenhonden zich niet aan regels over waar honden mogen verblijven hoeven te houden vastgelegd in het artikel dat bepaalt wie verantwoordelijk is voor naleving van de regels. In dit artikel staat dat eigenaren van hulp- en geleidenhonden zich niet aan de regels in de paragraaf hoeven te houden, tenzij dit uitdrukkelijk wel het geval is. Beleidsluwe keuzes harmonisatie Bij het opstellen van deze verordening is op een aantal onderwerpen geharmoniseerd. Zoals eerder genoemd is het uitgangspunt geweest om dit beleidsluw te doen. Waar mogelijk is gekozen voor regels die binnen de huidige bandbreedte vallen van de regels in de bronverordeningen uit Langedijk en Heerhugowaard. In dit overzicht worden de keuzes die gemaakt zijn nader toegelicht. Over het algemeen wordt aangesloten bij de beleidsharmonisaties van gerelateerde onderwerpen. APV: Hoofdstuk 2: Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 2.
Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaatsen In de APV Langedijk was na het eerste lid een tweede lid toegevoegd dat luidde: 2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1 meter wordt gelaten op voetpaden en van 3.5 meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. Dit lid is niet opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving omdat het gaat om een toelichting op hetgeen wordt verstaan onder een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg. Een dergelijke toelichting past beter in een artikelsgewijze toelichting of in nadere beleidsregels. Bij het omzetten naar de Verordening Fysieke Leefomgeving is deze zin opgenomen in de artikelsgewijze toelichting.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg In de APV's van Langedijk en Heerhugowaard waren de weigeringsgronden voor het aanleggen van uitwegen verschillend geformuleerd. In de APV Langedijk was een uitputtende lijst van weigeringsgronden opgenomen. In de APV Heerhugowaard was deze lijst niet uitputtend. In de praktijk was dit verschil niet relevant aangezien in Heerhugowaard niet geweigerd werd op afwijkende gronden. De weigeringsgronden zelf verschilden ook. In de APV Langedijk was het al ontsloten zijn van een perceel door een uitweg opgenomen als weigeringsgrond, indien aanleg van een tweede uitweg ten koste zou gaan van openbaar groen. Deze weigeringsgrond was in de APV Heerhugowaard niet opgenomen. In de APV Heerhugowaard was het zonder noodzaak ten koste gaan van de bruikbaarheid van de weg opgenomen als weigeringsgrond. Deze weigeringsgrond was in de APV Langedijk niet opgenomen. In de Verordening Fysieke Leefomgeving is het al ontsloten zijn van een perceel door een uitweg opgenomen als weigeringsgrond. In beginsel is één uitweg per perceel voldoende en de aanleg van extra uitwegen kan nadelinge gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het is daarom een redelijke weigeringsgrond. In de VFL is de weigeringsgrond wegens het ten koste gaan van de bruikbaarheid van de weg in een specifiekere vorm opgenomen.
In de VFL is het ten koste gaan van een openbare parkeerplaats of andere voorzieing op of aan de weg als weigeringsgrond opgenomen, aangezien dit in de praktijk hetgeen is wat de nadelige gevolgen voor de bruikbaarheid van de weg is. Door dit expliciet te benoemen is de regelgeving duidelijker. Verder is in de VFL als weigeringsgrond het ten koste gaan van de waterhuishouding opgenomen. Deze weigeringsgrond was in de APV's van Langedijk en Heerhugowaard niet opgenomen. Deze weigeringsgrond beschermt putten, goten en straatkolken tegen demping wegens het aanleggen van een uitweg.
Afdeling 3. Evenementen Bij de harmonisatie van het evenementenbeleid is ervoor gekozen aan te sluiten bij de APV Heerhugowaard voor de regelgeving in Dijk en Waard. Voor de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn de regels omtrent geluid en het plaatsen van voorwerpen op de weg relevant. Deze strekken zich tot bepalingen waarin evenementen vergunningsvrij of meldingsplichtig zijn. De voor de fysieke leefomgeving relevante onderdelen zijn voor vergunningsvrije en meldingsplichtige evenementen identiek. In de Verordening Fysieke Leefomgeving is er daarom voor gekozen om de gevallen die vergunningvrij of meldingsplichtig waren in de APV Heerhugowaard vergunningvrij te maken voor de voor de fysieke leefomgeving relevante onderdelen. Bij afwijking van deze gevallen is een vergunningplicht ingesteld.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:58 Verontreiniging door honden (en paarden) In Langedijk is naast verontreiniging door uitwerpselen van honden ook voor verontreiniging door uitwerpselen van paarden opgenomen als opruimplichtig. Hierbij is van belang op te merken dat een ruiter het minder dan degene die een hond uitlaat in de hand heeft waar en wanneer een paard zich ontlast. Desalniettemin kan deze ontlasting overlastgevend zijn en bovendien kan deze schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Om deze reden is ervoor gekozen om de opruimplicht voor paarden uit te breiden naar het gehele grondgebied en niet in te trekken.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:2 Collectieve festiviteiten De regels voor collectieve festiviteiten verschillen in de APV's van Langedijk en Heerhugowaard. In Langedijk zijn naast de gebruikelijke geluidsnormen in dB(a) ook geluidsnormen voor laagfrequent geluid (dB(C)) opgenomen. Bovendien zijn de festiviteiten in de APV Heerhugowaard tot latere tijdstippen toegestaan dan in de APV Langedijk. In de APV Heerhugowaard op dagen voorafgaand aan een werkdag tot uiterlijk 0:00 uur en op dagen voorafgaand aan vrije dagen tot uiterlijk 01:00 uur. In Langedijk op dagen voorafgaand aan een werkdag tot uiterlijk 23:00 uur en op dagen voorafgaand aan een vrije dag tot uiterlijk 00:30 uur. Artikel 4:3 Incidentele festiviteiten De regels voor incidenctele festiviteiten verschillen in de APV's van Langedijk en Heerhugowaard. In Langedijk is het ten behoeve van sportevenementen maximaal 4 keer toegestaan om de verlichting langer aan te houden per kalenderjaar per inrichting toegestaan, tegenover 6 in Heerhugowaard. In Langedijk is een extra normering opgenomen voor laagfrequent geluid (db(C)), en er is een regel opgenomen voor een maximale geluidsnorm in binnen- en aanpandige woningen.