Uitvoeringsplan Integraal Beleid Openbare Ruimte 2024 - 2033 - Dijk en Waard
Tekst van het document
37
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
➔ Aanbrengen van struweel met hagen, lage bomen en besdragende struiken. Het aanbrengen van struweel zorgt voor voedsel, beschutting en nestmogelijkheden. Bij voorkeur moet dit inheemse beplanting zijn. Denk hierbij aan het aanplanten van meidoornhagen, vlier of hazelaar. Besdragende struiken worden niet in de buurt van speelvoorzieningen geplant. ➔ Aanbrengen nestkassen. Sommige vogels en vleermuizen zijn typische bewoners van de bebouwde omgeving. Het gaat hier om bijvoorbeeld de gierzwaluw, mussen en vleermuizen. Door nestkastjes op te hangen tegen gebouwen, wordt er ruimte voor deze dieren gecreëerd om te kunnen verblijven. Dimensies / inrichting: ➔ Kerngebied: o 50 hectare. o Afwisselend kleinschalig landschap van bos, open veld, hagen en ruigte. Aanwezigheid van structuurrijke overgangen tussen vegetatietypen. Voldoende biotoop van voldoende grootte voor bosvogels als Grote bonte specht en Sperwer ➔ Deelkerngebied: o 5 hectare. o Kleine vlakvormige bosschages of structuurrijke hooilanden. ➔ Stapsteen: o 1,0 hectare, maximaal 5 kilometer van elkaar verwijderd. Indien 0,2 – 0,5 hectare groot, dan maximaal 100 meter van elkaar verwijderd. o Afwisselend gebied van bos, bloemrijk grasland, heggen, struweel en ruigte. ➔ Verbindingszone: o De breedte varieert van 8 tot 20 meter.
o Lijnvormig element bestaande uit (een combinatie van) bloemrijke bermen, struweel, bomenrijen, houtwallen/singels.
38
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
Water en moeras Relatie met natuurtype: N04 (Stilstaande wateren) en N05 (Moerassen). Doelsoorten: voornamelijk amfibieën, reptielen en watervogels: Onder andere: Dotterbloem, Rietorchis, Waterdrieblad, Zwanenbloem, Noordse woelmuis, Waterspitsmuis, Meervleermuis, Watervleermuis, Fuut, Grote zilverreiger, Kleine karekiet, Kleinst waterhoen, Porseleinhoen, Rietzanger, Roerdomp, Slobeend, Snor, Tureluur, Visdief, IJsvogel, Zomertaling, Gewone pad, Rugstreeppad, Kamsalamander, Middelste groene kikker, Ringslang, Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad, Snoek, Zwanenmossel, Blauwe glazenmaker, Bruine korenbout, Glassnijder, Kleine roodoogjuffer, Platbuik, Vroege glazenmaker. Biotoop: Het type water- en moerasnatuur bestaat uit sloten, poelen, grotere waterpartijen, nat grasland, natte ruigte, verlandingsvegetaties zoals riet- en biezenvegetaties, grote zeggenvegetaties en in beperkte mate elzenbroekbosjes en wilgenstruweel. Moeras ontstaat in stilstaand, voedselrijk en zoet water. De bodems zijn zeer nat, voedselrijk en matig zuur tot neutraal. De grote en kleine waterpartijen worden gekenmerkt door voedselrijk, vrij helder, (vrijwel) stilstaand water, waarin waterplanten groeien. Verlanding vindt plaats vanaf de oevers, dus bij voorkeur geen steile oevers. Doelsoorten kunnen specifieke eisen stellen aan biotoop.
Bijvoorbeeld de Noordse woelmuis is gebaat bij isolatie als gevolg van sterke concurrentie met de Aardmuis en Veldmuis. Beheer: ➔ Extensief maaien van bermen en grasstroken. Door bermen extensief en ecologisch te beheren (bij voorkeur hooilandbeheer) krijgen insectenpopulaties voldoende ruimte. Deze insecten dienen als voedsel voor amfibieën en reptielen. Het hooilandbeheer is gericht op het verschralen van de bodem, waardoor allerlei kruiden de kans krijgen om de kop op te steken. ➔ Gefaseerd maaien van taluds. Door jaarlijks slechts de helft of een derde van de taluds uit te maaien, blijft een deel van de vegetatie (zoals riet) in de taluds staan. Hierdoor blijven in de winter verblijfsplaatsen beschikbaar voor padden of salamanders. ➔ Aanbrengen van natuurvriendelijke oevers en bloemrijke bermen. Door natuurvriendelijke en bloemrijke oevers te creëren worden betere voorwaarden geschapen voor insecten. Dit zorgt voor voedsel voor diverse amfibieën. Door bermen middels hooilandbeheer te beheren, krijgen insectenpopulaties ook meer kans om te gedijen. Dit zorgt voor een betere voedselvoorziening van diverse amfibieën. ➔ Creëren van migratiemogelijkheden voor vissen en amfibieën. Om de trek en migratie van amfibieën zo veilig mogelijk te laten verlopen, zijn faunapassages van essentieel belang. Dit kan in de vorm van een amfibieëntunnel of
39
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
geleidingsgoot die onder het wegdek wordt geplaatst. Duurzaam circulair betonnen tunnels zorgen voor beschutting en bescherming wanneer een amfibie naar de overkant van de weg wil geraken. Dimensies / inrichting: ➔ Kerngebied: o 50 hectare. o Gebied met zowel water als moeras. Structuurrijke moeraszones met nat grasland, riet, ruigte en kruidenrijke begroeiing en een beperkte oppervlakte aan bomen en struiken. Het open water heeft natuurvriendelijke oevers en een rijke watervegetatie. ➔ Deelkerngebied: o 5 hectare. o Kleine water- en moerasgebieden met oevers met een rijke vegetatie. De oevers en rietstroken vormen de biotoop voor rietvogels en insecten. ➔ Stapsteen: o 1,0 hectare, maximaal 4,0 kilometer van elkaar verwijderd. Indien 0,2 – 0,5 hectare groot, dan maximaal 100 meter van elkaar verwijderd. o Waterpartijen en waterlopen, met daaraan gekoppeld brede oevers of eilandjes, houtwallen, ruigten en vochtig grasland. ➔ Verbindingszone: o De breedte (van de oever en aangrenzende berm) varieert van 8 tot 20 meter o Lijnvormige waterloop met een natuurvriendelijke oever bestaande uit helofyten, rietruigtes, struweel, nat (schraal)grasland en kleine bosschages.
40
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
Akkernatuur / weidevogelgebied Relatie met natuurtype: N12.01 (Bloemdijk) en N12.05 (Kruiden- en faunarijke akker). Doelsoorten: voornamelijk weidevogels: Onder andere: Akkerandoorn, Gele ganzenbloem, Groot spiegelklokje, Handjesereprijs, Wilde ridderspoor, Dwergmuis, Laatvlieger, Blauwe kiekendief, Boerenzwaluw, Geelgors, Gele kwikstaart, Kievit, Grutto, Scholekster, Kneu, Kwartel, Kwartelkoning, Patrijs, Ringmus, Steenuil, Veldleeuwerik, Argusvlinder, Bruin blauwtje, Hooibeestje, Kleine vuurvlinder, Koninginnenpage. Biotoop: Omvangrijke aaneengesloten gebieden gekenmerkt door openheid, het ontbreken van verstoring (door opgaande elementen en door infrastructuur), de aanwezigheid van microreliëf, graslandareaal en relatief hoog waterpeil. Bermen- en akker(randen)natuur bestaande uit kruiden- en faunarijke bermen en akkers met kruid- of grasachtige vegetaties. De bermen bevatten hoge dichtheden aan kruidachtige planten. Beheer: ➔ Zaaien van bloemen. Door bijvoorbeeld Klaversoorten, Korenbloem, Klaproos, Groot spiegelklokje en Wilde weit helpt om een soortenrijke akkerrand of bloemdijk te creëren. Inzaaien van bijzondere plantensoorten is alleen toegestaan in de vorm van zaaigoed afkomstig uit andere kruidenrijke akkers uit dezelfde regio. ➔ Aanpassen maaibeheer. Het (maai)beheer kan worden afgestemd op de ontwikkeling van de gewenste vegetatietypen. ➔ Behouden openheid.
Voor dit gebied zijn grote aaneengesloten groengebieden die niet worden onderbroken door verstorende elementen (zoals opgaande elementen, bebouwing, beplanting en masten) van belang. ➔ Waar mogelijk onder water zetten percelen. Door elk jaar de akkerpercelen onder water te zetten, ontstaat een overwinteringsbiotoop voor moerasvogels. Dimensies / inrichting: ➔ Kerngebied: o 300 hectare. o Open landschap, waarbij de randen extensief worden beheerd en eventueel zijn ingezaaid. ➔ Deelkerngebied: o 30 hectare.
41
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
Kleine akkers of lange bermstroken. Voldoende voor de meeste plantensoorten. ➔ Stapsteen: o 1,0 hectare, maximaal 5 kilometer van elkaar verwijderd. Indien 0,2 – 0,5 hectare groot, dan maximaal 500 meter van elkaar verwijderd. o Een korte of smalle (ingezaaide) bermstrook of akkerrand met hoge diversiteit aan planten, bijvoorbeeld een mengsel van Korenbloem en Klaproos. ➔ Verbindingszone: o De breedte varieert van 2 tot 10 meter. o Verstoorde bermen en lintvormige akkerranden. o
42
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
Dorpsnatuur Relatie met natuurtype: Geen. Doelsoorten: Voornamelijk kleine vogels en insecten: Onder andere: Muurleeuwenbek, Laatvlieger, Meervleermuis, Egel, Gewone dwergvleermuis, Gierzwaluw, Huismus, Huiszwaluw, Kerkuil, Dagpauwoog, Honingbij. Biotoop: Natuurvriendelijk ingerichte en beheerde elementen in de bebouwde omgeving, zoals waterlopen, wegbermen, bomenrijen, groenvoorzieningen (struiken, snippergroen), tuinen en platte daken. Ook gebouwen kunnen met behulp van specifieke voorzieningen (bijvoorbeeld nestkasten) geschikt worden gemaakt voor typische bewoners in de bebouwde omgeving als Gierzwaluwen, Mussen en Vleermuizen (waaronder de Gewone dwergvleermuis). Beheer en inrichting: Er is hierbij geen sprake van kerngebieden, deelkerngebieden of stapstenen en minimale dimensies ervan. Het gaat erom de kansen die zich voordoen te benutten binnen de bebouwde kom. En wel zo dat grotere eenheden aaneengesloten dorpsnatuur leiden tot een hogere biodiversiteit. De volgende richtlijnen/kansen zijn van toepassing: ➔ Maai extensiever (maai bermen bijvoorbeeld twee of driemaal per jaar) om meer variatie en hogere biodiversiteit te creëren. ➔ Maai of snoei niet alles in één keer weg. Laat delen van de begroeiing staan. ➔ Streef naar aan elkaar grenzende begroeiingstypen (bloemrijk grasland, ruigte, struweel), met geleidelijke overgangen.
➔ Voer het maaisel af waar een bloemrijke begroeiing wordt nagestreefd. Door maaisel af te voeren wordt de bodem uiteindelijk schraler, waardoor dominante (gras)soorten plaatsmaken voor een meer gevarieerde en kruidenrijke vegetatie. ➔ Laat takken(hopen) in groenvoorzieningen liggen. Voor vogels, kleine zoogdieren en insecten zijn deze aantrekkelijk als broed- of schuilplaats. Doe dit niet overal, maar daar waar natuurtechnisch beheer wordt nagestreefd en het vanuit beleving gepast is. ➔ Heb oog voor zicht op mooie natuur. Hoge rietkragen en ruigte kunnen het zicht op bijvoorbeeld fraaie waterpartijen wegnemen. Mooie natuur moet kunnen worden beleefd. Dit zorgt voor draagvlak. ➔ Wees zuinig op oude bomen en op bomenrijen. Bijvoorbeeld oude knotwilgen zijn een biotoop op zich en bomenrijen kunnen een essentiële vliegroute vormen voor vleermuizen.
43
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
➔ Tussen tegels of in ruigere groenstroken komen soms artsenijplanten voor zoals Hartgespan of Doornappel. Deze kunnen erop wijzen dat er vroeger een apothekerstuin in het dorp was. ➔ Inventariseer deze planten, net als muurplanten bij gemetselde kademuren, en informeer burgers en onderhoudspersoneel daarover. ➔ Voor dorpsnatuur geldt in het bijzonder dat communicatie en binding met bewoners essentieel is. Het werken met zelfbeheer is een middel om meer binding te creëren. Hiervoor geldt dat de bewoners verantwoordelijk zijn voor groen. Er wordt op deze manier een verbinding gelegd tussen buurtbewoners en natuur. Begeleid hen bij het natuurvriendelijk onderhoud. ➔ In gebieden en stroken die een tijd lang braak liggen kan zogenaamde tijdelijke natuur worden gerealiseerd. Dit betreft bijvoorbeeld inzaai met een kruidenmengsel of het sturen van de ruigtevegetatie door onderhoud.
44
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
2. Beschermde bomen Belang van beschermen van bomen De gemeente hecht grote waarde aan het beschermen van monumentale bomen en bijzondere houtopstanden (zie ook beleidsuitgangspunten). De uitkomsten van de enquête onderschrijven dit belang. Ongeveer 75% is het met de stelling eens dat monumentale en bijzondere bomen op gemeentelijke grond beschermd moeten worden. 25% vindt dat dit ook op particuliere grond mag en 25% vindt dit niet nodig.
Figuur 4 Enquête vraag betreffende beschermde bomen.
Huidige situatie Op dit moment zijn 648 bomen in de gemeente gelabeld als ‘beschermde boom’ en als zodanig opgenomen in het register van beschermde houtopstanden. Hiervan staan 316 bomen op terrein van gemeente Dijk en Waard en 332 bomen op particulier terrein (zie kaart op de volgende pagina). De meeste van deze bomen zijn populieren (187) en esdoorns (103). Tabel 2 Het aantal beschermde bomen per boomsoort.
Type boom Appel Berk Beuk Boomhazalaar Eenstijlige meidoorn Els Es Esdoorn Gewone vleugelnoot Haagbeuk
Aantal 2 2 18 2 1 3 98 103 1 1
Type boom Iep Kastanje Kers Linde Plataan Populier Valse christusdoorn Wilg Zomereik Iep
Aantal 39 59 12 60 10 187 1 32 17 39
45
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
Figuur 5 Locaties beschermde bomen in gemeente Dijk en Waard.
Aandachtspunten huidige situatie Bij de huidige situatie moet worden opgemerkt dat de bomenlijst in voormalige gemeente Heerhugowaard na 2015 niet meer is bijgehouden en voor Langedijk na 2019 niet meer. Door illegale kap zijn diverse bomen verdwenen. Daarom is een nieuwe inventarisatie met duidelijke criteria noodzakelijk bij het opstellen van de lijst met beschermde bomen. Criteria beschermde bomen Onderstaande criteria worden vanaf nu gehanteerd bij het bepalen van beschermde bomen. Deze criteria zijn afkomstig uit het voormalig beleid en uit landelijke richtlijnen (handboek bomen). Monumentale houtopstand ➔ Een solitaire boom, bomengroep of bomenlaan in de openbare ruimte of op particulier terrein, die niet in bosverband staat, met een leeftijd van minimaal 70 jaar, die door zijn leeftijd en verschijning beeldbepalend en onvervangbaar is voor het karakter van de omgeving. Een monumentale houtopstand is in een goede of redelijke conditie en heeft een levensverwachting van nog minimaal 10 jaar. Daarnaast worden herdenkingsbomen en bomen met een grote dendrologische waarde ook tot de bijzondere houtopstanden gerekend (hierbij geldt het leeftijdscriterium niet).
46
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
Bijzondere houtopstand ➔ Een solitaire boom, bomengroep of bomenlaan die ouder dan 35 jaar is, beeldbepalend is voor de openbare ruimte of een bijzondere cultuur-historische waarde vertegenwoordigt. Een bijzondere houtopstand is in een goede of redelijke conditie en heeft een levensverwachting van nog minimaal 10 jaar. Daarnaast worden herdenkingsbomen en bomen met een grote dendrologische waarde ook tot de bijzondere houtopstanden gerekend (hierbij geldt het leeftijdscriterium niet). Omgevingsvergunning Beschermde bomen en houtopstanden mogen vanwege hun bijzondere waarden niet zonder omgevingsvergunning worden geveld. Volgens de Verordening fysieke leefomgeving stelt het college een lijst met beschermde bomen en houtopstanden op en is het verboden zonder een omgevingsvergunning een door het college aangewezen beschermde boom of houtopstand te vellen of te doen vellen. Dit verbod is niet van toepassing op: o o o
Het vellen volgens de Plantenziektenwet. Het knotten, kandelaberen of dunnen als noodzakelijke beheermaatregel ter uitvoering van regulier onderhoud. Het vellen volgens APV 4:11 in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde, de bestrijding van boomziekten of de verspreiders hiervan of in verband met een direct gevaar voor personen of goederen, mits de burgemeester hiervoor toestemming verleent.
De (lijst) beschermde bomen is opgebouwd uit monumentale en bijzondere houtopstanden. Een omgevingsvergunning kan worden geweigerd vanwege: ➔ De natuurwaarde van de houtopstand. ➔ De landschappelijke waarde van de houtopstand. ➔ De waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon. ➔ De beeldbepalende waarde van de houtopstand. ➔ De cultuurhistorische waarde van de houtopstand. ➔ De waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid. ➔ De dendrologische waarde van de houtopstand. Een omgevingsvergunning voor een monumentale houtopstand wordt in beginsel geweigerd, tenzij er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen, instabiliteit met risico dood en als de levensverwachting korter is dan 10 jaar. De gemeente streeft ernaar haar bomenbestand in kwaliteit en kwantiteit op peil te houden en waar mogelijk te verbeteren. Waar mogelijk legt de gemeente daarom een herplantplicht op. Herplant gebeurt bij voorkeur ongeveer op dezelfde plek. Als dit vanwege duurzame groei, functioneren van de openbare ruimte of het streefbeeld niet mogelijk is, dan vindt herplant elders plaats.
47
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
3. Uitgangspunten bij hinder of overlast De gemeente gaat niet over tot het kappen van boomstammen of het snoeien van takken indien dit verzoek wordt gedaan omwille van het beperken van (naar oordeel van de gemeente) aanvaardbare hinder. De gemeente verstaat onder aanvaardbare hinder in ieder geval: ➔ Hinder of overlast van normale bladval inclusief val van bloesems. ➔ Hinder of overlast van normale vruchtval inclusief zaad- en pluisval. ➔ Hinder of overlast van aanwezigheid van enkele vogelnesten of rustplaatsen van vogels. ➔ Hinder of overlast van aanwezigheid van vleermuizen. ➔ Hinder of overlast van schaduw. ➔ Hinder of overlast van normale groene of algenaanslag op bestrating, muren, daken, enz. ➔ Hinder of overlast van normale tijdelijke overlast door insecten in bomen inclusief honing- en roetdauw. ➔ Hinder of overlast van wortelopdruk die bestrating niet meer dan 4 centimeter opdrukt. ➔ Hinder of overlast van wortelingroei in funderingen of huisaansluitingen (voor rekening en risico van eigenaar volgens vaste rechtspraak). ➔ Hinder of overlast van lichttoetreding op zonnepanelen of andere energieopwekkende constructies. Bij andere, ernstiger vormen van overlast en hinder zullen de eventuele ingrepen afhangen van de ernst van de overlast, de mogelijke oplossingen en de aanwezigheid of mogelijkheid van compenserend groen.
Uiteraard spelen ook kosten (budgetten en prioriteiten) een rol. Hierbij gelden de volgende principes: ➔ Snoei van bomen geniet de voorkeur boven bomen verwijderen. ➔ “Snoei” in de vorm van toppen of halveren is nooit een optie. ➔ Kandelaberen en het snoeien van een vrij uitgroeiende boom tot vormboom vindt in principe niet plaats, met uitzondering van enkele boomsoorten waarbij dit cultuurhistorisch past (zoals de plataan of treurwilg) of waar het als (tijdelijke) beheermaatregel noodzakelijk is vanuit technisch of ecologisch oogpunt. ➔ Het streven is altijd gericht op minimaal behoud van de “hoeveelheid boom”. Een oplossing kan ook zijn om een aantal kleinere bomen die slecht groeien of overlast geven te vervangen door een of enkele exemplaren van een grotere boomsoort op een gunstigere plek. Het effect (beeld, milieu, waardering en dergelijke) van een grote boom is vaak hoger dan die van een aantal kleinere bomen samen.
48
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
4. Speeltoestellen Spreiding aan de hand van cirkelkaarten De gemeente werkt voor de dekking van formele- en informele speelruimten met behulp van cirkelkaarten. Hierbij zijn richtlijnen vastgelegd met betrekking tot de loopafstand en oppervlakte van speelplekken voor kinderen van 0-5, 6-12 en 12-18 jaar. In onderstaande grafiek zijn de regels hiervoor weergegeven. Tabel 3 Richtlijnen speelruimten.
Wanneer deze afstanden worden toegepast op de bestaande formele speelplaatsen, ontstaat de cirkelkaart zoals op de volgende pagina weergegeven. De belangrijkste conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat de huidige hoeveelheid en spreiding van speelruimten voldoende dekkend is over de gemeente. Er zijn een aantal plekken met ‘witte vlekken’, maar een speelruimte in een bestaande woonwijk aanleggen is in de praktijk lastig en wordt niet gedaan. De keuze van typen speeltoestellen op de speelplekken is te bepalen door de beheerder spelen, die in ieder geval rekening houdt met de toegankelijkheid en de volgende prioriteringsvolgorde van het aanbod: 1. 2. 3. 4.
Sporten en bewegen. Band met de natuur (nadruk op spelen met water en groen). Ontwikkelen en leren. Ontmoeten, kijken en rusten.
49
Uitvoeringsparagraaf bij het Integraal Beleidsplan Openbare Ruimte Werken aan het thuis van de Dijk en Waarders 2024 - 2033
Figuur 6 Voorbeeld cirkelkaart formele speelplaatsen.
50