ONBP Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude 2022-02-07
Tekst van het document
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN WINTERKONING 4 ZUID-SCHARWOUDE
ORDITO.NL
BESTEMMINGSPLAN WINTERKONING 4 ZUID-SCHARWOUDE GEMEENTE DIJK EN WAARD Planstatus
Ontwerp
Datum
07- 02 - 2022
Plan identificatie
NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01
Auteur(s)
Zoe Zeegers
Ordito b.v.
E
info@ordito.nl
Postbus 94
T
0161 801 022
5126 ZH
I
www.ordito.nl
Gilze
KVK
54811554
TOELICHTING
|1
1.
Inleiding
2
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
2 2 3 4
2.
Bestaande situatie
5
2.2
Bestaande situatie
5
3.
Toekomstige situatie
6
3.1 3.2
Planbeschrijving Verkeer en parkeren
6 7
4.
Beleidskader
8
4.1 4.2 4.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
8 9 11
5.
Randvoorwaarden
13
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
Archeologie Bedrijven en milieuzonering Bodemkwaliteit Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Natuurwetgeving Water
13 14 15 15 16 17 18 20
6.
Juridische aspecten
23
6.1 6.2 6.3
Verbeelding Planregels Toelichting op de bestemmingen
23 23 23
7.
Uitvoerbaarheid
25
7.1 7.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
25 25
|2
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding
De aanleiding voor het opstellen van een bestemmingplan is het voornemen om het bouwvlak op de locatie Winterkoning 4 te Zuid-Scharwoude in de gemeente Dijk en Waard (voormalige gemeente Langedijk) te wijzigen (te draaien en verschuiven). Ter plaatse is een bestaande burgerwoning aanwezig, welke verbouwd en vergroot wordt. Voor het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Woongebied Oosterdel’ van de voormalige gemeente Langedijk, vastgesteld op 19 september 2011. Op basis van dit bestemmingsplan kent het plangebied de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’, waarbij hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak van de bestemming ‘Wonen’ gebouwd mag worden. Het beoogde bouwplan ten behoeve van de verbouwing en vergroting van woning overschrijdt het geldende bouwvlak en is derhalve in strijd met het geldend bestemmingsplan. Het bouwplan past echter wel binnen het gemeentelijke ruimtelijk beleid. Om de beoogde ontwikkeling toch mogelijk te maken, dient het bouwvlak gedraaid en verschoven te worden, waarbij tevens herbestemming plaatsvindt van enige grond van ‘Tuin’ naar ‘Wonen’.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt in het Oosterdelgebied behorende tot de kern Zuid-Scharwoude in de gemeente Dijk en Waard, de voormalige gemeente Langedijk. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Langedijk, sectie D, nummer 1098 en kent een oppervlakte van 1.390 m2. Het plangebied wordt aan de noord-, oost- en westzijde begrensd door watergangen. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de woning Winterkoning 3A.
Ligging en begrenzing plangebied
|3
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt tot op het moment van inwerkingtreding van het voorliggende bestemmingsplan, het bestemmingsplan “Woongebied Oosterdel”, vastgesteld op 19 september 2011. Op grond van dit bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’ met bouwvlak.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, uitsluitend in de vorm van vrijstaande woningen, als dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven, met de daarbij behorende groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, verkeer- en verblijfsvoorzieningen en water. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen die binnen het bouwvlak worden gebouwd geldt onder andere dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak moeten worden gebouwd, ten minste 1 van de gebouwen dient te worden gerealiseerd in de gevellijn (zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘gevellijn’) en de goot- en bouwhoogte mogen niet meer dan respectievelijk 3,5 en 8,5 meter bedragen.
|4
1.4
Leeswijzer
De toelichting is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarna in hoofdstuk 3 de beoogde toekomstige situatie wordt weergegeven. Een beschrijving van het relevante beleidskader op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau staat in hoofdstuk 4. Vervolgens komen in hoofdstuk 5 de milieukundige randvoorwaarden en onderzoeken aan de orde. De juridische opzet van het plan staat in hoofdstuk 6. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in hoofdstuk 7 beschreven.
|5
2.
BESTAANDE SITUATIE
2.2
Bestaande situatie
In het plangebied is de bestaande burgerwoning Winterkoning 4 aanwezig. De bestaande woning kent een goot- en bouwhoogte van respectievelijk circa 3 en 8 meter. Het gebouw bestaat als het ware uit twee delen: het hoofdgebouw en een aanbouw (garage). Het hoofdgebouw kent een oppervlakte van circa 95 m2 en de garage een oppervlakte van circa 21 m2 Op het perceel Winterkoning 4 in Zuid-Scharwoude is sprake van een niet efficiënte situering van het bestaande hoofdgebouw binnen het aangeduide bouwvlak van 20 meter bij 15 meter. Hierdoor blijft circa 150 m2 aan bouwbouwmogelijkheden (de helft van wat is toegestaan) onbenut op dit grote kavel van 1.390 m2.
Impressies bestaande situatie
|6
3.
TOEKOMSTIGE SITUATIE
3.1
Planbeschrijving
Beoogd wordt om de bestaande woning Winterkoning 4 te Zuid-Scharwoude te verbouwen en te vergroten. De goot- en bouwhoogte van de woning blijven daarbij ongewijzigd (respectievelijk circa 3 en 8 meter). De bestaande aanbouw c.q. garage van circa 21 m2 wordt bij het hoofdgebouw getrokken, daarnaast wordt een nieuwe aanbouw met opbouw van circa 74 m 2 gerealiseerd plus een veranda van 30 m2.
Impressies toekomstige situatie
Met het bouwplan overschrijdt het hoofdgebouw het geldend bouwvlak. Om de beoogde ontwikkeling toch mogelijk te maken, dient het bouwvlak gedraaid en verschoven te worden, waarbij tevens herbestemming plaatsvindt van enige grond van ‘Tuin’ naar ‘Wonen’. Hierdoor ontstaat een efficiëntere situering van het bouwvlak, waarna het beoogde bouwplan voor de verbouwing en vergroting van de bestaande woning Winterkoning 4 te Zuid-Scharwoude gerealiseerd kan worden.
|7
Stedenbouwkundig biedt het perceel zo veel ruimte dat met deze wijziging nog voldoende afstand ten opzichte van erfgrenzen en oevers wordt gehouden. Daarmee wordt voldaan aan de destijds gestelde uitgangspunten voor invulling van Oosterdel. Ook de richting van de bouwvlakken in het Oosterdelgebied is vaak afhankelijk van de lengte-breedte van het perceel, maar omdat het perceel Winterkoning 4 vrijwel vierkant is, maakt de lengterichting voor de diepte van het perceel (maximaal 20 meter) niet uit. Het draaien van het bouwvlak doet derhalve geen afbreuk aan de stedenbouwkundige opzet van de wijk. Om te voorkomen dat nabij de oostoever wordt gebouwd, wordt voor deze strook de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – bebouwingsvrije zone’ opgenomen. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn niet toegestaan ter plaatse van deze aanduiding.
Wijziging bestemmingsplan (toekomstig bouwvlak met groen stippellijn aangeduid)
3.2
Verkeer en parkeren
In de bestaande situatie is reeds een vrijstaande burgerwoning aanwezig. Met het planvoornemen is geen sprake van een toename van de verkeersbewegingen en/of de parkeerbehoefte ten opzichte van de bestaande situatie. Op eigen terrein is daarnaast voldoende ruimte beschikbaar voor parkeren.
|8
4.
BELEIDSKADER
4.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel opgenomen in deze nieuwe visie. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langtermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Door het nationale karakter van de NOVI en de kleine schaal van onderhavig planvoornemen, heeft het voornemen geen raakvlak met dit nationale kader. Met onderhavig planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening stelt het Rijk een aantal regels die zijn bedoeld om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 verder aangevuld.
Door het nationale karakter van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft dit voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationaal juridisch kader.
|9 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een beschrijving op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijk inpassing. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ zoals beschreven in, het per 1 juli 2017 gewijzigde, artikel 3.1.6 Bro. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking mits er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro gedefinieerd als: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Een aantal aspecten is van belang om te bepalen of en hoe de ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’ is. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat ‘in beginsel’ sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd/toegevoegd. Het planvoornemen betreft slechts een bouwvlakverdraaiing- en verschuiving van een bestaand bouwvlak c.q.
bestaande woning; er wordt geen nieuwe woning gerealiseerd/toegevoegd. De ontwikkeling wordt derhalve niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Verdere toetsing aan de Ladder is niet noodzakelijk.
4.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 van de provincie Noord-Holland is op 19 november 2018 vastgesteld. Met de Omgevingsvisie richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. De provincie gaat uit van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’, gelet op de diversiteit aan regio’s, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat het bovengenoemde principe centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking. In de Omgevingsvisie komen een aantal hoofdthema’s naar voren: •
Noord-Holland in beweging, op weg naar een economisch en duurzame toekomst;
•
Dynamisch schiereiland, benutten van een unieke ligging;
•
Metropool in ontwikkeling, vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem;
•
Sterke kernen, sterke regio's, sterke kernen houden regio's vitaal;
•
Nieuwe energie, economische kansen benutten van energietransitie;
|10 •
Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agri-foodsector.
De beleidsmatige uitgangspunten van de visie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, uitgewerkt in de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020. Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 Op 16 november 2020 is de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordeningen. In de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker geworden om te zien welke regels waar gelden. De provincie wil met de Omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. De provincie zoekt daarbij naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland 2020. In de Omgevingsverordening vertaalt de provincie kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in de regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen.
Relevante artikelen uit de Omgevingsverordening voor onderhavig plan zijn: • Artikelen 4.42 t/m 4.46: Bodemsanering • Artikel 6.4: Kleinschalige ontwikkelingen Bodemsanering (artikelen 4.42 t/m 4.46) Deze artikelen stellen regels met het oog op de bescherming van de bodem. De Wet bodembescherming is als uitgangspunt gebruikt voor de regels van deze afdeling. Voor het saneren van de bodem geldt een meldingsplicht. Tevens dient degene die de bodem gesaneerd heeft een evaluatieverslag aan de Gedeputeerde Staten aan te bieden. Als blijkt dat er verontreiniging is achtergebleven, zijn nazorgmaatregelen noodzakelijk. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op het aspect bodemkwaliteit. Kleinschalige ontwikkelingen In artikel 6.4 zijn regels opgenomen voor woningbouwontwikkelingen die niet onder de reikwijdte van de Ladder uit het Besluit ruimtelijke ordening vallen. Het gaat dan om woninglocaties van 11 woningen of minder. Het uitgangspunt van de provincie is dat voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen altijd een plek is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Artikel 6.4 geeft uitsluitend regels voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen in het werkingsgebied ‘landelijk gebied’. Het plangebied maakt daar geen onderdeel vanuit. Er is sprake van bestaand stedelijk gebied. Daarbij voorziet onderhavig planvoornemen niet in een toevoeging van een woning.
|11
4.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Langedijk 2012-2030 De gemeenteraad van de voormalige gemeente Langedijk heeft op 18 september 2012 de Structuurvisie Langedijk 2012-2030 vastgesteld. In de structuurvisie wordt een ruimtelijk toekomstbeeld geschetst voor de periode tot aan 2030. Dit beeld vormt een belangrijke voorwaarde voor de plannen op de verschillende beleidsterreinen. Centrale vraag bij de structuurvisie is hoe de fysieke ruimte van Langedijk optimaal kan worden ingericht om tegemoet te komen aan de andere eisen en wensen van een veranderende samenleving. Daarbij gaat het niet slechts om de openbare ruimte maar ook om de inrichting en locatie van nieuwe woningen en de aanwezigheid en locatie van voorzieningen, van zowel commerciële als van maatschappelijke aard. Nu het einde van de naoorlogse groei in zicht komt, bereidt Langedijk zich voor op een fase van afnemende groei en consolidatie waarin het goed wonen en werken is in Langedijk. Een toekomst ook waarin het goed 'oud worden' is in Langedijk met ruimte voor nieuwe initiatieven en ruimte voor binding, ontmoeting en zorg voor elkaar. In zo'n samenleving komen meer mogelijkheden en ruimte voor initiatieven op het gebied van milieu en duurzaamheid en staat de leefbaarheid op een hoog niveau. Nog meer dan in het verleden legt Langedijk de komende decennia de focus op kwaliteitsverbetering.
Bestaand stedelijk gebied wordt niet alleen mooier maar ook beter geschikt gemaakt voor gewijzigde wensen, voorkeuren en normen. Duurzaam inrichten wordt 'normaal', evenals een openbare ruimte voor mensen met en zonder beperking. Kwaliteit in Langedijk kan gestalte krijgen met sterke dorpen met elk hun eigen identiteit en een betekenisvolle omgeving die refereert aan de rijke cultuurhistorie en unieke ontstaansgeschiedenis. Een omgeving ook met een veilige en aantrekkelijke openbare ruimte die uitnodigt voor verblijven en ontmoeten, die mensen bindt en aanzet tot ondernemen. In Langedijk is naar verwachting sprake van een gematigde afname van de groei, een gemiddelde vergrijzing en ontgroening en een stabilisering van de beroepsbevolking vanaf 2010. Deze ontwikkelingen hebben in meer dan wel mindere mate gevolgen voor het aantal te bouwen woningen, de aan te bieden woonmilieus en aard en aantal van voorzieningen als scholen, sportvelden en dorp- en wijkcentra. Langedijk ziet het als een grote en belangrijke opgave om in te spelen op genoemde demografische ontwikkelingen en om mogelijke kansen te benutten. Naast het aantrekkelijk blijven voor jongeren en jonge gezinnen, wil Langedijk een aantrekkelijk(er) woon- en leefmilieu bieden voor ouderen. Kansen zijn er ook waar het gaat om slimme combinaties van wonen, zorg, ontmoeten, voorzieningen en mobiliteit.
In strategisch opzicht kan, bij een afnemende groei van het aantal huishoudens, een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor oud en jong draagvlak bieden voor voorzieningen en detailhandel. Conclusie Het plangebied is gelegen binnen het bestaande bebouwde gebied. Met het planvoornemen wordt geen nieuwe woning toegevoegd, enkel een verdraaiing en verschuiving van het bestaande bouwvlak. Het plan is derhalve in lijn met de structuurvisie.
|12 Woonvisie Langedijk 2014-2030 Op 2 juni 2014 is de Woonvisie Langedijk 2014-2030 vastgesteld. Reden hiervoor is de veranderde woningmarkt. De woningmarkt is sinds de financiële crisis totaal veranderd en het beleid uit de tijd voor de 'crisis' is nauwelijks nog toepasbaar. In de lokale woonvisie uit 2006 werd nog uitgegaan van een 'maakbare' woningmarkt. Een hoog sociaal programma voor de periode 2005-2009 werd geëist en dit was ook mogelijk vanwege de opbrengsten uit de vrije sector. De opbrengsten uit de vrije sector zijn momenteel lager en onzekerder maar de vraag naar sociale woningbouw (betaalbare koop en sociale huur) is eerder toegenomen dan afgenomen. Er is nu sprake van een markt die zich moet richten op de consument en zijn wensen en mogelijkheden. Het is nu de tijd voor ‘vraaggestuurd bouwen’. Het is een uitdaging om hierop in te spelen gezien de financiële middelen. Daarnaast moet echter niet vergeten worden dat woningen voor een zeer lange tijd worden gerealiseerd en er niet te eenzijdig moet worden gebouwd. Langedijk krijgt, net als bijna heel Nederland, de komende tijd steeds meer te maken met de vergrijzing. De vergrijzing wordt daarbij versterkt doordat jongeren wegtrekken en er steeds minder jongeren en jonge gezinnen zich vestigen in Langedijk. De vergrijzing leidt ertoe dat het aantal huishoudens de komende decennia nog toeneemt.
Dit betekent dat er meer woningen nodig zijn. Maar aangezien veel senioren het liefst zo lang mogelijk in de eigen woning blijven wonen, ligt het niet voor de hand dat alle nieuwbouwwoningen uitsluitend geschikt moeten zijn voor senioren. De nieuwbouw moet bereikbaar en geschikt zijn voor alle doelgroepen en huishoudens. Betaalbaarheid, flexibiliteit en variëteit zijn daarbij van belang. Conclusie Met het planvoornemen wordt geen nieuwe woning toegevoegd, enkel een verdraaiing en verschuiving van het bestaande bouwvlak. Het beoogde bouwplan kan binnen de randvoorwaarden naar wens van de toekomstige bewoners worden gebouwd en daardoor aansluiten op de actuele vraag.
|13
5.
RANDVOORWAARDEN
5.1
Archeologie en cultuurhistorie
Verdrag van Malta In 1998 heeft het parlement het Europees Verdrag, inzage de bescherming van het archeologische erfgoed, goedgekeurd. Dit zogeheten Verdrag van Malta voorziet in een beperking van de risico’s op aantasting van cultureel erfgoed. Dit kan door het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in oorspronkelijke vindplaats te bewaren en door integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening. Beleidskader De implementatie van het Verdrag van Malta is gekomen met het inwerking treden van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) op 1 september 2007. Het Wamz is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Het belangrijkste uitgangspunt is het streven naar behoud van archeologische waarden in de bodem en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is. Kortom: sinds die invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1 juli 2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld in één integrale wet. De omgang met de archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden.
Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus, zoals die in de eerdere wetten golden, worden gehandhaafd. Op 15 februari 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsnota Cultuurhistorie gemeente Langedijk 2011 samen met de Beleidskaart Archeologie vastgesteld. In de beleidsnota heeft de gemeente haar beleid voor cultuurhistorie uiteengezet. Op de Beleidskaart Archeologie is weergegeven welke regels in de verschillende gebieden in de gemeente van toepassing zijn. Onderzoek Het plangebied heeft geen dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. Nader onderzoek in het kader van archeologie is dan ook niet noodzakelijk. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In en rond het plangebied bevinden zich verder geen gemeentelijke- en/of rijksmonumenten. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht en zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
|14
5.2
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet milieubeheer of ze moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. Milieucategorie
t.o.v. rustig gebied
t.o.v. gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ biedt een handreiking voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven. De afstanden in de tabel geven echter slechts indicatieve informatie en zijn als standaard-norm bedoeld. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven of situaties. Immers kunnen zich binnen bedrijfstypen grote verschillen voordoen. Specifieke maatregelen of omstandigheden kunnen leiden tot kleinere of grotere afstanden. Een vaste afstand is zodoende niet te bepalen. Onderzoek Het plangebied ligt te midden van de woonwijk Oosterdel. In de gehele woonwijk is geen bedrijf(sbestemming) aanwezig. In en rondom het plangebied bevinden zich derhalve geen milieubelastende functies. Het planvoornemen maakt ook geen milieubelastende functie mogelijk. Gesteld kan worden dat het bestaande woon- en leefklimaat ten aanzien van bedrijven en milieuzonering ter plaatse gewaarborgd blijft. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
|15
5.3
Bodemkwaliteit
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een bodemonderzoek te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van een bepaalde (bestemmings)wijziging. Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. Onderzoek In onderhavige situatie heeft het plangebied reeds een woonbestemming met bouwvlak, welke sinds jaar en dag in gebruik is als woning. Het planvoornemen betreft slechts een verdraaiing en verschuiving van het bouwvlak, geen functiewijziging. Derhalve wordt een bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.4
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren voor de directe omgeving in het geval dat er iets misgaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verboden risico’s moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden de volgende normstellingen gehanteerd: •
Het plaatsgebonden risico is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;
•
Het groepsrisico stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden.
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. In het Bevi zijn grenswaarden en oriënterende richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). Voor het groepsrisico (GR) is een verantwoordingsplicht opgenomen. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met een bepaald aantal dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. In het Bevi worden aan te houden afstanden tussen inrichtingen (bedrijven) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en kwetsbare objecten gewaarborgd. Naast het Bevi is de bijbehorende ministeriële Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) van belang. Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
|16 Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe, beperkt kwetsbare, objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen waar opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Onderzoek De Risicokaart Nederland geeft een beeld van de risico’s in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. Inrichtingen Binnen of direct aangrenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichten gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Conform het gestelde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, paragraaf 5.2.3, hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebied te worden opgesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt.
Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 200 meter van een route of tracé met gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Geluid
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het plangebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen.
|17 Onderzoek Met onderhavig planvoornemen wordt niet voorzien in de realisering van nieuwe woningen en/of andere geluidsgevoelige bestemmingen. Het planvoornemen betreft slechts een verdraaiing en verschuiving van het bestaande bouwvlak. Dit betekent dat akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk is. Het plan mag wat betreft geluidhinder uitvoerbaar worden geacht Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Voor verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde).
De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het “Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)”. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de Ministeriële Regeling ‘Niet in betekenende mate’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgesteld die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip NIBM is gedefinieerd als de grenswaarde voor stikstof (NO2) en fijnstof (PM10). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdrage aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarde voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekening, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Onderzoek NIBM Met onderhavig planvoornemen wordt niet voorzien in de toevoeging van een woning. Het planvoornemen draagt dan ook ‘niet in betekende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
|18 Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2021) minder dan 10 μg/ m3, is de concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2021) minder dan 18 μg/ m3 en de concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2021) minder dan 10 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.7
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebied Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Op grond van de Wnb kunnen ruimtelijke plannen met mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden alleen worden vastgesteld als op basis van een passende beoordeling verzekerd is dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken;
•
Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
•
Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
•
Alle Natura 2000-gebieden.
In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
|19 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: •
Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn);
•
Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de verdragen worden tevens vogels genoemd;
•
Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Onderzoek Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. In onderhavig geval is sprake van een bouwvlakverdraaiing en –verschuiving, waarbij het aantal woningen ongewijzigd blijft. Hierdoor zal de stikstofdepositie gedurende de gebruiksfase ongewijzigd blijven ten opzichte van de bestaande situatie.
Een Aerius berekening wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Natura 2000-gebied Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Schoolse duinen. De afstand tot het Natura 2000gebied bedraagt iets meer dan 8 km. Gezien de relatief grote afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggende gebied en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (of ligt ertegenaan). Gezien de relatief grote afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggende gebied en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het Natuurnetwerk.
|20 Beschermde planten en dieren In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling geldt in geval van een ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden geplaatst. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Water
Beleid Europese Kaderrichtlijn Water Met ingang van december 2000 is de “Europese Kaderrichtlijn Water” (KRW) van kracht. De Kaderrichtlijn moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water, is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan 2016-2021 Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld door het kabinet in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte termijn. Watervisie In de Watervisie 2021 staan de ecologische doelen voor niet-natuurlijk oppervlaktewater. Deze doelen zijn afgestemd met de waterbeheerders. Ook staan in de Watervisie maatregelen om de kwaliteit van het grondwater in de bodem van Noord-Holland te verbeteren.
Waterschapsbeleid In het Waterprogramma 2016-2021 beantwoordt het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de vragen: Hoe zorgen we in de toekomst voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering kiezen we daarvoor? En welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard?
|21 In dit programma presenteert het hoogheemraadschap het beleid, de maatregelen, de programma’s en de projecten die zij in die periode gaan uitvoeren. De Keur van het Waterschap is een vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. In dit kader is het van belang te weten dat langs hoofd- en overige watergangen een zone ligt van respectievelijk 5 meter en 2 meter ter bescherming van het profiel en onderhoud. Ook langs waterkeringen ligt een (variabele) zone voor bescherming en onderhoud van de waterkeringen. Voor het realiseren van bouwwerken en het uitvoeren van werken binnen deze zone dient ontheffing van de Keur te worden aangevraagd. Watertoets De watertoets is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen. De watertoets is verplicht voor nieuwe plannen in ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen, projectbesluiten en partiële herzieningen. Gebiedsbeschrijving Het plangebied is gelegen in peilgebied 03801-01 in polder Oosterdel. Het ter plaatse geldende streefpeil is NAP -1,45 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire en primaire waterlopen. Waterkering Het plangebied is niet gelegen op of bij een waterkering. Wegen Het plangebied is niet gelegen langs een weg van het HHNK.
Waterkwaliteit Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Dit houdt in dat het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout voorkomen dienen te worden. Waterkwantiteit De bouwvlakverdraaiing en -verschuiving heeft geen of zeer beperkte invloed op waterhuishouding en de afvalwaterketen. De (planologische) bouwmogelijkheden worden ter plaatse namelijk niet vergroot. Digitale watertoets Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie (<800 m 2) hoeven er op basis van het waterschapsbeleid geen compenserende maatregelen getroffen te worden. Wel is het plan aangemeld bij HHNK. Hiertoe is de digitale watertoets ingevuld via www.digitalewatertoets.nl. Het aanvraagformulier is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Wateradvies Het hoogheemraadschap heeft op 12 januari 2022 laten weten geen op- of aanmerkingen op de Watertoets paragraaf in de toelichting van het bestemmingsplan te hebben.
|22 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten voor het waterhuishoudkundige systeem. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
|23
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
De juridische aspecten bestaan uit een verbeelding en planregels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste functionele en stedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het opstellen van de verbeelding en de planregels is uitgegaan van de bepalingen uit het Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).
6.1
Verbeelding
Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.
6.2
Planregels
De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels: dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is de ‘wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. 2. Bestemmingsregels: in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard. De gehanteerde bestemmingen worden in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. 3. Algemene regels: in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. 4. Overgangs- en slotregels: binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingsplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
6.3
Toelichting op de bestemmingen
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
|24 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gelegen hoofdgebouwen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en water. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, tenzij gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid (artikel 3.3.) Artikel 4 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, uitsluitend in de vorm van vrijstaande woningen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven, met de daarbij behorende groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, verkeer- en verblijfsvoorzieningen en water. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen binnen het bouwvlak geldt onder andere dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak moeten worden gebouwd, ten minste 1 van de gebouwen dient te worden gerealiseerd in de gevellijn (zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘gevellijn’) en de goot- en bouwhoogte mogen niet meer dan respectievelijk 3,5 en 8,5 meter bedragen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbelteregels In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende omgevingsvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen.
Artikel 6 Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft een aantal gebruiksvormen die per definitie als strijdig gebruik van de gronden in het bestemmingsplangebied worden beschouwd. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Op grond van de algemene afwijkingsregels kan afgeweken worden van de regels voor het toestaan van maatafwijkingen en bestemmingsoverschrijdingen. Artikel 8 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van bouwwerken van openbaar nut. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 9 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Artikel 10 Slotregels Het laatste artikel geeft de officiële naam van het plan aan, wanneer naar het plan wordt verwezen.
|25
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een particulier initiatief en bevinden zich op particulier terrein. De initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten om de kosten voor de begeleiding van het bestemmingsplan en de daarbij behorende procedures te verzekeren. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb wordt voor dit bestemmingsplan gevolgd. In het kader van de wettelijke procedure zal het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd worden. Gedurende deze termijn kunnen belanghebbenden hun zienswijze op de ontwikkeling kenbaar maken.
REGELS
|1
1 Inleidende regels
2
Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten
2 4
2 Bestemmingsregels
5
Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen
5 7
3 Algemene regels
11
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Artikel 6 Algemene gebruiksregels Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Artikel 8 Algemene wijzigingsregels
11 12 13 14
4 Overgangs- en slotregels
15
Artikel 9 Overgangsrecht Artikel 10 Slotregel
15 16
NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01
bestemmingsplan Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude
|2
1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: a.
het plan: het bestemmingsplan Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude van de gemeente Dijk en Waard; b. het bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01 met bijbehorende regels; c. aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels wordt gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; d. aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; e. aan huis verbonden beroepen of bedrijven: het uitoefenen van een vrij en zelfstandig beroep, of het beroepsmatig verlenen van diensten, op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, technisch gebied of daarmee gelijk te stellen activiteiten, niet zijnde detailhandel, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is; f. aan-/uitbouw: een gebouw gebouwd aan een hoofdgebouw, dat door de vorm daarvan onderscheiden kan worden en door ligging, constructie en/of afmeting daaraan ondergeschikt is; g. bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; h. bebouwingspercentage: een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het perceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; i.
bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; j. bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; k. bijgebouw: een op zichzelf staand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en door ligging, constructie en/of afmetingen daaraan ondergeschikt is; l. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, als mede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; m. bouwgrens: de grens van een bouwvlak; n. bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; o. bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; p. bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; q. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01
bestemmingsplan Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude
|3 r.
buidelwoning: een buidelwoning is geen zelfstandige woning maar onderschikt aan het hoofdgebouw, waarbij de verlening van mantelzorg plaatsvindt in de aan- en/of uitbouw, of in het aangebouwde bijgebouw van het hoofdgebouw; s. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; t. hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; u. kangoeroewoning: een kangoeroewoning bestaat uit twee wooneenheden, waarbij een buidelwoning deel uit maakt van het hoofdgebouw en hiermee inpandig in verbinding staat. De bewoner(s) van het hoofdgebouw verleent/verlenen mantelzorg vanuit het (grotere) hoofdgebouw; v. luifel: afdak of overkapping aan of bij een gebouw, al dan niet ondersteund; w. landschappelijke- en cultuurhistorische waarden: archeologische, historisch (steden)bouwkundige en/of historisch geografische waarden, als bedoeld in de Cultuurhistorische Waardenkaart en bijbehorende beschrijving van de provincie Noord-Holland; x.
mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijk zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt, gebaseerd op een indicatiebesluit genomen door het bevoegd gezag; y. peil: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: • de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; z. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; aa. seksinrichting: de voor publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotisch massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, als dan niet in combinatie met elkaar; bb. gevellijn: de lijn c.q. aanduiding in het plan waarin de voorgevel van één van de gebouwen dient te worden gebouwd; cc.
woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01
bestemmingsplan Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude
|4
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: a. b.
c.
d.
e.
de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; de oppervlakte van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkt bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken, wordt buiten beschouwing gelaten: a. b.
galerijen, balkons en luifels, mits de afwijking van de plaatsingseisen niet meer dan 2 m bedraagt; (brand)trappen en trappenhuizen.
Bij toepassing van het bepaalde van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als goot- en dakoverstekken, plinten, pilasters, kozijnen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten buiten beschouwing gelaten, mits de afwijking van de plaatsingseisen niet meer dan 1 m bedraagt. Overschrijdingen van niet meer dan 1 m worden niet meegerekend bij de bepaling van de oppervlakte van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2 sub e van dit plan.
NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01
bestemmingsplan Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude
|5
2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; groenvoorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; water.
3.2 Bouwregels a. b.
op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd; voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 1,5 m bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen die zijn uitgevoerd in een dichte constructie, deze mogen worden uitgevoerd met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m; 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 geldt voor de hoogte van een toegangshek in een erfafscheiding dat de bouwhoogte ten hoogste 2 m mag bedragen, met uitzondering van toegangshekken die zijn uitgevoerd in een dichte constructie, deze mogen worden uitgevoerd met een hoogte van ten hoogste 1 m; 3. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 2 m bedragen; 4. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 6 m bedragen; 5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat er geen overkappingen binnen de bestemming mogen worden gebouwd.
3.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van afwijking van: a.
b.
het bepaalde in lid 3.2 sub a, voor het bouwen van een uitbouw aan een woning, met dien verstande dat: 1. de diepte van de uitbouw niet meer dan 1,5 m mag bedragen; 2. de breedte van een uitbouw maximaal 2/3e deel van de bestaande gevelbreedte mag bedragen, tot een maximum van 4 m; 3. de bouwhoogte van een uitbouw maximaal gelijk is aan die van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m; 4. de afstand van een uitbouw tot gronden met de bestemming 'Verkeer' ten minste 1,5 m bedraagt; het bepaalde in lid 3.2 sub a, voor het bouwen van aan- en uitbouwen of bijgebouwen voor de gevellijn, met dien verstande dat: 1. de afstand tot de weg ten minste 15 m dient te bedragen; 2. de totale oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor de gevellijn ten hoogste 20 m2 mag bedragen; 3. voor het overige de bouwregels voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak als genoemd in 'Wonen';
NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01
bestemmingsplan Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude
|6 c.
d.
het bepaalde in lid 3.2 sub b onder 5, voor het bouwen van een overkapping, met dien verstande dat: 1. de overkapping in het verlengde van of achter de voorste bouwgrens van de bestemmingen 'Wonen' dient te worden gebouwd; 2. de oppervlakte van overkappingen mag niet meer dan 10 m 2 bedragen; 3. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen. het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld onder a mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en/of bebouwingsbeeld; • de verkeersveiligheid; • de milieusituatie; • de sociale veiligheid.
NL.IMRO.1980.BPNSZS2012herz004-on01
bestemmingsplan Winterkoning 4 Zuid-Scharwoude
|7
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen, uitsluitend in de vorm van vrijstaande woningen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven;
met de daarbij behorende: b. c. d. e. f.
groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; verkeer- en verblijfsvoorzieningen; water.