Nieuw 20211109_t_NL.IMRO.0416.BPOKKD2014part001-on01.pdf
Tekst van het document
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
27
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd.
Uitsnede risicokaart (plangebied is zwart omkaderd)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat ten oosten van het plangebied is het benzineservicestation Tesselaar gesitueerd waarbij het tankstation, garagebedrijf en de autowasstraat hoort. Op grond van de verleende milieuvergunning is de doorzet van het bedrijf maximaal 1.500 m³ LPG per jaar. Het tankstation beschikt over een LPG-vulpunt, -reservoir en afleverinstallatie die zich op een minimale afstand van 180 m bevinden van de beoogde woningen. Voor het vulpunt geldt een richtafstand (PR10-6) van 40 m. Voor het reservoir geldt een richtafstand (PR10-6) van 25 m en voor de afleverinstallatie geldt een richtafstand (PR10-6) van 15 m. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico van het vulpunt, reservoir en de afleverinstallatie bedraagt 150 m. De woningen bevinden zich buiten het invloedsgebied.
28
Over de N504 vindt op kleine schaal vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Maatgevend zijn de transporten van GF3-stoffen (LPG en propaan). Er geldt geen risicoafstand voor het plaatsgebonden risico. Gelet op het relatief lage aantal transporten zal het de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet worden overschreden. Door middel van de nieuw aan te leggen ontsluiting is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. Tevens is de risicobron zelf ook goed bereikbaar voor hulpdiensten wanneer er sprake is van een calamiteit. De ontwikkeling biedt voldoende vluchtwegen en mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Bovendien zullen de bewoners van de nieuwe woningen zelfredzaam zijn. Verder bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor en buisleidingen. Tevens zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen hoogspanningskabels aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
29
Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2016-2021 Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016-2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 – 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen:
• • •
Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering wordt daarvoor gekozen? Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard?
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die ze in de periode 2016 – 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Op 21 september 2016 is de 'Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016' vastgesteld door het hoogheemraadschap. De regels in de keur zijn onder te verdelen in twee categorieën: gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Met de geboden worden derden verplicht het aan hen toegewezen onderhoud aan waterstaatswerken uit te voeren.
De verboden zijn er om te voorkomen dat wijzigingen worden aangebracht in waterstaatswerken, waardoor ze niet (goed) meer functioneren. Zo is het bijvoorbeeld verboden om zonder toestemming van het hoogheemraadschap een steiger in het water aan te leggen of een sloot te dempen. De regels uit de keur zijn vastgelegd in het keurdocument. De legger uit dit keurdocument bepaalt waar de geboden en verboden uit de keur van toepassing zijn.
30
4.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Voor wat betreft het aspect water is een memo opgesteld, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. In deze memo wordt ingegaan op welke wijze er invulling wordt gegeven aan de watertoetsaspecten van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Op grond van de Algemene regels bij de Keur geldt dat het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak zonder vergunning is toegestaan indien de verhardingstoename minder dan 800 m² bedraagt, de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10 % van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken.
Binnen het plangebied is reeds 750 m² verharding aanwezig, bestaande uit de rijbaan en parkeervakken en is berekend exclusief de aanwezige oude fundering. Tevens is dit exclusief de depots met vervuilde grond die gedeeltelijk zijn afgedekt met een folie. De oppervlakte van deze depots bedraagt ca. 4.000 m². In totaal bedraagt de verharding daarmee 4.750 m². De navolgende afbeelding toont de totale oppervlakte aan verharding in de toekomstige situatie.
Oppervlakte verharding toekomstige situatie (bron: Prommenz)
Binnen het plangebied worden er geen watergangen gedempt. Doordat er sprake is van een afname van het verhard oppervlak van 178 m² (4.750 - 4.572). Watercompensatie is niet noodzakelijk. Watersysteem In de huidige situatie loopt er ten noorden en ten zuiden van het plan een watergang. De noordelijke watergang betreft een doorgaande primaire watergang en de zuidelijke watergang betreft een secundaire watergang. Deze secundaire watergang loopt dood. Het waterpeil in het gebied bedraagt -1,45 m t.o.v. NAP. De navolgende afbeelding toont de watergangen rond het plangebied.
31
Watersysteem rond het plangebied (bron: HHNK)
Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier blijkt dat er binnen het plangebied geen primaire- en/of regionale waterkeringen aanwezig zijn. Waterafvoer Het hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen de plangrenzen (vertraagd) afgevoerd naar open water. Er worden in het plan een minimaal aantal kolken toegepast en waar mogelijk wordt het hemelwater oppervlakkig, via bermen, afgevoerd naar het oppervlaktewater. Mede vanuit klimaatbestendigheid is het voorstel om een waterbergende funderingslaag toe te passen in combinatie met een DT-riool. Hierdoor wordt extra vertraagde afvoer en waterberging aan het plan toegevoegd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. De oppervlakte aan verharding, waarbij de afgedekte depots zijn meegenomen, neemt af. Hierdoor is watercompensatie in de vorm van oppervlaktewater niet noodzakelijk. Tijdens de planvorming is de HHNK op de hoogte gebracht van de plannen en hebben er diverse overleggen plaatsgevonden. Het HHNK heeft een positief advies uitgebracht op het voorliggende plan.
32
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Derhalve is door Blom Ecologie B.V. een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden middels een AERIUS-calculatie. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van januari 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Voor de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (13 november 2020, BuroSRO, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). In deze berekening zijn zowel de gebruiksfase als de bouwfase
33
meegenomen. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden is. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Volgens het geldende bestemmingsplan 'Oudkarspel en Koedijk' beschikken de gronden van het plangebied over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Deze gronden zijn naast de andere aanwezige bestemmingen tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden.
Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geldt dat bij bouwplannen met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor het beoogde initiatief zijn geen bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en een diepte meer dan 40 cm benodigd. Derhalve is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In en rond het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke- en/of rijksmonumenten. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht en zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
34
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 25 woningen mogelijk. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'.
Het plangebied bevindt zich in een 'matig stedelijk' gebied in de 'rest bebouwde kom'. In onderstaande tabel staat de verschillende woningtypen met bijbehorende verkeersgeneratie weergegeven. Soort woning
Aantal woningen
CROW verkeersgeneratie
Koop, twee-onder-één-kap Koop, tussen/hoek Totaal
6 19 25
7,8 7,1
Totale verkeersgeneratie 46,8 134,9 181,7
In totaal neemt het beoogde initiatief ca. 182 verkeersbewegingen met zich mee. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluiting aan de oostzijde die langs het tankstation loopt. Tevens wordt er een ontsluiting voor langzaam verkeer gerealiseerd die aansluit op het fietspad langs de N504. Het aspect verkeer vormt daarmee geen belemmeringen.
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren en normen laad- en losvoorzieningen Langedijk' (vastgesteld op 17 juli 2018). Hierin wordt verwezen naar de Nota Parkeernormen 2016, vastgesteld door de gemeenteraad op 13 december 2016.
35
Planspecifiek Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen is uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen 2016 gemeente Langedijk'. In onderstaande tabel staat het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. Soort woning
Aantal woningen
Parkeernorm
Koop, twee-onder-één-kap Koop, tussen/hoek Totaal
6 19 25
2,1 1,9
Totaal aantal parkeerplaatsen 12,6 36,1 48,7
Er zullen in totaal minimaal 49 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Met het beoogde plan worden 49 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er worden 11 parkeerplaatsen op het eigen terrein en 38 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd.
•
Wanneer 2 parkeerplaatsen op eigen terrein achter elkaar (i.p.v. naast elkaar) zijn gesitueerd, tellen deze in de parkeerbalans voor 1,4 parkeerplaats mee. Dit gaat in totaal om 5 woningen, zijnde 7 parkeerplaatsen die mee mogen worden geteld in de parkeerbalans. Verder zijn er op eigen erf 4 zelfstandig bereikbare parkeerplaatsen aanwezig. Hiermee komt het totaal op 11 parkeerplaatsen op eigen erf.
•
De overige parkeerplaatsen liggen in het openbare gebied. Er zijn in totaal 16 langsparkeervakken opgenomen en 22 haaksparkeervakken in het ontwerp opgenomen. In totaal betreft dit 38 parkeerplaatsen in openbaar gebied.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
36
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
37
5.4 Wijze van bestemmen De volgende (dubbel)bestemmingen komen voor in dit bestemmingsplan. Groen De openbare groenvoorzieningen in het plangebied beschikken over de bestemming 'Groen'. Op deze gronden mogen alleen gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen worden gebouwd. Binnen deze bestemming zijn wel speeltoestellen toegestaan. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Tevens zijn binnen deze bestemming groenvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, water en oeverstroken toegestaan. Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ ziet op alle wegen in het plangebied. Alleen gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen mogen worden gebouwd. In de bestemming is ondergronds bouwen uitdrukkelijk toegestaan. Water Het in het plangebied aanwezige water en de oeverstroken zijn bestemd als ‘Water’. In de bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat alleen de vergunningsvrije bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. Wonen - Dubbel De bestemming 'Wonen - Dubbel' is opgenomen voor het wonen, uitsluitend in de vorm van dubbele woningen. De hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvak worden gebouwd. Buiten het bouwvlak is het bouwen van bijbehorende bouwwerken toegestaan.
Dan moet er wel zijn voldaan aan maatvoeringvereisten zoals die zijn opgenomen in de bouwregels. Wonen - Rij De bestemming 'Wonen - Rij' is opgenomen voor het wonen, uitsluitend in de vorm van rijen woningen. De hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvak worden gebouwd. Buiten het bouwvlak is het bouwen van bijbehorende bouwwerken toegestaan. Dan moet er wel zijn voldaan aan maatvoeringvereisten zoals die zijn opgenomen in de bouwregels. Leiding - Water Voor de transportleiding ten behoeve van de distributie van water in het zuidelijke gedeelte van het plangebied is de dubbelbestemming 'Leiding - Water opgenomen'. Op deze gronden mogen geen gebouwen en geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Waarde - Archeologie 5 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' is opgenomen voor het herstel en behoud van archeologische waarden. Bij bouwplannen met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² en dieper dan 40 cm dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat de mogelijk aanwezige archeologische waarde niet aangetast wordt.
38
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Planspecifiek In tegenstelling tot de 2 geplande participatieavonden voorafgaand aan de ter inzage legging van het bestemmingsplan, zoals opgenomen in het PvA Participatie, is besloten om uiteindelijk 3 participatieavonden te organiseren. Voornaamste reden was om een terugkoppeling te geven over de
39
resultaten van de stemming m.b.t. de inrichting van het dorpsbosje en om de eerste ideeën van het ontwerp van de woningen te tonen. Hieronder worden de 3 georganiseerde bijeenkomsten kort samengevat: Bijeenkomst 1: 3 maart 2021 (digitaal) Via Zoom is (vanwege coronabeperkingen) een digitale bijeenkomst georganiseerd. Deze bijeenkomst had een informerend karakter. Doel was om de genodigden te informeren over de plannen voor het dorpsbosje, het woongebied en de planning van het project. Tevens was er ruimte voor vragen over de plannen. Hiermee is een eerste beeld ontstaan over de wensen en zorgen van de genodigden. Naast diverse technische vragen bestonden de grootste zorgpunten uit:
•
Afname van privacy, voornamelijk m.b.t. inkijk in tuinen vanuit de nieuwe woningen en vanuit het nieuwe woongebied.
• • •
Bouwhoogte van 11 m wordt als te hoog ervaren. Geluidsoverlast vanaf de N-weg, doordat de hopen grond nu verdwijnen. Ontsluiting van verkeer van de nieuwe woningen.
Bijeenkomst 2: 31 maart 2021 (digitaal) Via Zoom is (vanwege corona-beperkingen) een digitale bijeenkomst georganiseerd. Deze bijeenkomst had een participerend karakter. Doel was om de genodigden te vragen/enquêteren om hun wensen kenbaar te maken omtrent de inrichting van het dorpsbosje. Daartoe zijn diverse vragen gesteld (via de tool Mentimeter) en konden genodigden stemmen. De stemresultaten zijn opgenomen in het verslag van de bijeenkomst. Ook op deze avond zijn diverse technische vragen gesteld en vergelijkbare zorgen geuit m.b.t. privacy/geluid/bouwhoogte. Bijeenkomst 3: 28 juni 2021 (fysiek) De 3e bijeenkomst is fysiek georganiseerd, wat inmiddels mogelijk was binnen geldende coronabeperkingen, in museum Broeker Veiling. Deze bijeenkomst had zowel een informerend als consulterend karakter. Doel was om de genodigden te informeren over de stemresultaten van het dorpsbosje en hoe dit in het ontwerp verwerkt is, hoe omgegaan is met eerder gemaakte opmerkingen over het woongebied en er is ook een presentatie gegeven over het eerste schetsontwerp van de woningen. Reden hiervoor is dat er veel vragen over gesteld zijn mede naar aanleiding van de zorgen omtrent de bouwhoogte. Het volledige verslag van het participatieproces is als bijlage bij dit bestemmingsplan toegevoegd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6.
6.2.1 Verslag vooroverleg De resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro worden in de voorliggende paragraaf of in een separate bijlage samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. 6.2.2 Verslag zienswijzen Eventuele zienswijzen worden in de voorliggende paragraaf of in een separate bijlage samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.
40