Nieuw 20211109_t_NL.IMRO.0416.BPOKKD2014part001-on01.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Spoorstraat, Noord Scharwoude Gemeente Langedijk
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0416.BPOKKD2014part001-on01
Datum:
9 november 2021
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. S. Koop & dhr. J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR190432
Opdrachtgever:
Timpaan
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Initiatief .................................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9 2.3 Stedenbouwkundige inpassing .......................................................................................................................... 10
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 18 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 25 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................
29 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 33 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 34 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 35
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 37 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 37 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 37 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 38
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 39 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 39 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 39
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie tussen de Spoorstraat en de N504 te Noord-Scharwoude, ook wel bekend als de locatie Spoorstraat, woningbouw te ontwikkelen. Het voornemen is om in totaal 25 woningen te realiseren. Het plan voorziet in rijwoningen en twee-onder-één-kapwoningen. De hoofdontsluiting naar het plangebied loopt via het ten oosten gelegen benzinestation. Tevens wordt er een ontsluiting aangelegd die uitkomt op het fietspad langs de N504. Voor de beoogde herontwikkeling is een principeverzoek ingediend ten behoeve van het project. Op 19 november 2019 heeft de gemeente Langedijk positief gereageerd op het planvoornemen. Het geldende bestemmingsplan 'Oudkarspel en Koedijk', vastgesteld op 29 januari 2019, staat de voorgenomen ontwikkeling niet toe. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan nodig waarmee de herontwikkeling mogelijk gemaakt kan worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
5
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het beoogde initiatief is gelegen tussen de Spoorstraat en de N504 te NoordScharwoude (gemeente Langedijk), ook wel bekend als 'Locatie Spoorstraat'. Het braakliggende terrein is kadastraal bekend onder de gemeente Langedijk, sectie A, nummers 2013, 2014 en 2016 en heeft een totale oppervlakte van ca. 7.462 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Oudkarspel en Koedijk', vastgesteld op 29 januari 2019 door de gemeente Langedijk. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede bestemmingsplan 'Oudkarspel en Koedijk', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De oostelijk gelegen gronden van het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Bedrijf'. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven met milieucategorie 1 en 2. Het zuidelijke deel van het plangebied beschikt over de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1'. Hier zijn bedrijven in de categorie tot 3.1 toegestaan. Verder is het gehele plangebied voorzien van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf' wat het mogelijk maakt ter plaatse een garagebedrijf te vestigen. Voor de planlocatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' zijn mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. Bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en een diepte van 40 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het mogelijk maken van woningbouw op de locatie is in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Oudkarspel en Koedijk'. Derhalve dient een nieuw bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.
7
2 Initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het noorden van Noord-Scharwoude tussen de Spoorstraat en de N504. Noord-Scharwoude is ingeklemd tussen Oudkarspel en Zuid-Scharwoude. Ten noorden van het plangebied bevinden zich voornamelijk vrijstaande woningen aan de Spoorstraat waarvan de tuinen grenzen aan het plangebied. Aan de oostzijde van het plangebied is een tankstation en het autobedrijf Tesselaar gesitueerd. Ten zuiden loopt de Provincialeweg N504. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich een verwilderde bosschage. De bosschage maakt geen onderdeel uit van de planlocatie. Het plangebied is braakliggend en te bereiken via een ontsluitingsweg langs het tankstation en autobedrijf Tesselaar. De navolgende afbeelding geeft een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weer.
Luchtfoto van het plangebied (bron: Google Maps)
8
2.2 Toekomstige situatie Het initiatief betreft de herontwikkeling van het braakliggende plangebied. Het beoogde plan bestaat uit de ontwikkeling van 25 woningen, verdeeld over rijwoningen en twee-onder-één-kapwoningen. De zes twee-onder-één-kapwoningen worden in het middelste deel van het plangebied gerealiseerd. Ten oosten daarvan worden zestien rijwoningen gebouwd, waarvan acht sociale koopwoningen. In het meest oostelijke deel van het plangebied wordt een drie-onder-één kapwoning gerealiseerd. Het westelijke gedeelte van het plangebied is eigendom van de gemeente Langedijk. Het dorpsbosje wordt uitgedund en de natuur wordt versterkt door het aanplanten van nieuwe beplanting. Daarnaast worden nieuwe voetpaden aangelegd. Hierdoor wordt de groene omgeving weer bruikbaar. De bestemming 'Groen' die voor het dorpsbosje geldt wordt niet gewijzigd. De voorgenomen werkzaamheden en wijzigingen passen binnen de huidige bestemming. Het dorpsbosje maakt verder geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Het plangebied beschikt over 49 parkeerplaatsen, waarvan 11 op het eigen terrein en 38 in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Het plangebied wordt aan de oostkant ontsloten via het benzinetankstation. Tevens wordt een calamiteitenontsluiting gerealiseerd die aansluit op het fietspad langs de N504. Op navolgende afbeelding staat de inrichtingsschets van het beoogde plan weergegeven:
Situatietekening toekomstige situatie (bron: Timpaan)
9
2.3 Stedenbouwkundige inpassing Bij de start van de verkavelingsstudie is gekeken naar de stedenbouwkundige setting van het plangebied De Spoorstraat, gelegen tussen de Spoorstraat en de provinciale weg N504. De Spoorstraat is een vertakking van de Dorpsstraat en hierin is goed de kenmerkende lintbebouwing te zien van langgerekte kavels van de (vroegere) boerderijen langs de straat. De stedenbouwkundige morfologie en structuur van de lintbebouwing had lange kaprichtingen haaks op de straat. Dit is nog altijd goed zichtbaar in de bebouwing in de omgeving. Om hierop aan te sluiten zijn twee rijen geschakelde rijwoningen haaks op de Spoorstraat gesitueerd met de kappen in gelijke richting als de omgeving. Op deze manier correspondeert het met de omgeving, ook al is het een andere typologie bebouwing. De twee onder-één-kappers en de drie-onder-één-kap zijn op dezelfde wijze geschaald haaks op de straat. Dit is de reden geweest om voor dit model te kiezen. Zo wordt er aangesloten op de omgeving en een waardige inpassing gevormd. Aan de hand van drie participatiebijeenkomsten is input verzameld voor het ontwerp van het woongebied en de woningen, maar ook voor het dorpsbosje. Diverse input is verwerkt in het ontwerp van het woongebied en het dorpsbosje. Ook voor het ontwerp van de woningen zal de input gebruikt worden.
In toelichting paragraaf 6.2 wordt nader ingegaan op de verschillende participatiebijeenkomsten die zijn gehouden.
Vogelvlucht van de planlocatie (bron: LAP)
10
Omgeving van de planlocatie (bron: LAP)
11
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
12
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
•
Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
•
Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van 25 woningen. Derhalve wordt het plan gezien als stedelijke ontwikkeling en dient het plan getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied is een braakliggend stuk grond met in de directe omgeving woningen en bedrijven. Geconcludeerd kan worden dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt.
De wetgever eist dat in eerste instantie binnen het bestaand stedelijk gebied gebouwd moet worden. Het voorliggende plan voldoet hieraan. Behoefte In de 'Provinciale Woonvisie 2010-2020' wordt aangegeven dat er in het deelgebied Noord-Holland Noord een behoefte is aan 24.800 nieuwe woningen, zie toelichting paragraaf 3.2.3. Tevens wordt er in het 'Regionale Actieprogramma Wonen 2016-2020', gesteld dat binnen de gemeente Langedijk een tekort aan harde plancapaciteit is ten opzichte van de uitbreidingsbehoefte, zie toelichting paragraaf 3.3.2. Er is een indicatieve ladderruimte van 325 woningen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er een grote behoefte aan nieuwe woningen is in de regio Alkmaar en de gemeente Langedijk.
13
Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen project voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving a.
b.
c. d.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector
15
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek De ambitie van de provincie is onder andere het streven naar een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling. Om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en te versterken is een goed beheer van de bestaande kwaliteiten en het toevoegen van nieuwe kwaliteiten van belang. Er dient voldaan te worden aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving. Het plangebied is een braakliggend terrein in de kern Noord-Scharwoude. Met het ontwikkelen van woningen op het terrein wordt de kwaliteit in de omgeving verbeterd en wordt de leefomgeving aantrekkelijker. De ontwikkeling moet voldoen aan de wettelijke basiskwaliteit. Wonen en werken wordt binnenstedelijk geconcentreerd door te transformeren, bundelen en verdichten. Hierbij dient de leefbaarheid in bestaande en nieuwe gebieden behouden te blijven of versterkt te worden. Ontwikkelingen vinden zoveel mogelijk in het bestaand stedelijk gebied plaats. Het ontwikkelen van het braakliggende terrein is een vorm van verdichting binnen het bestaand stedelijk gebied.
Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Voor het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie zijn wel belangrijke wijzigingen doorgevoerd en nieuwe onderdelen toegevoegd in de MRA regio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
• • •
het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken; het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken. Planspecifiek In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 wordt gesteld dat een ruimtelijk plan uitsluiten kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakt schriftelijke afspraken. In toelichting paragraaf 3.1.3 is ingegaan op de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Hieruit blijkt dat het plangebied zich binnen het stedelijk gebied bevindt en wordt de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond. Daarnaast is het plan opgenomen in de regionale woningbouwprogrammering (lijst plancapaciteit) die twee jaarlijks regionaal op bestuurlijk niveau wordt besproken. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de behoefte van de regio. Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.
16
3.2.3 Provinciale Woonvisie 2010 - 2020 De provinciale woonvisie ´Goed wonen in Noord - Holland´ heeft als doelstelling dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland over voldoende woningen beschikken met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. De doelstelling is uitgewerkt in drie speerpunten:
•
Verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten, en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning.
•
Verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners.
•
Verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving.
Door samen met de regio's Regionale actieprogramma's (RAP's) te ontwikkelen met duidelijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma's en deze uit te voeren, wil de provincie deze doelstelling en speerpunten behalen. De RAP's is in 2015 voor de volgende periode (2016-2020) opgesteld, mede op basis van de woonmonitor 2014. Planspecifiek Het plangebied valt binnen het deelgebied Noord-Holland Noord dat bestaat uit de regio's Kop van NoordHolland, Alkmaar en West-Friesland. Het aantal te bouwen woningen voor Noord-Holland Noord is netto 24.800 woningen voor de periode 2010-2020. Duurzaamheid is een speerpunt in het gebied NoordHolland Noord. Er wordt ingezet wijkgerichte innovaties en energiebesparing. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 25 woningen die een bijdrage leveren aan het aantal te bouwen woningen in Noord-Holland Noord. Er worden woningen van verschillende prijsklassen gebouwd, waarvan 8 sociale koopwoningen. Hiermee wordt de doorstroming op de woningmarkt verbeterd wordt. De woningen worden duurzaam gebouwd en voorzien van duurzame installaties en materialen. Hiermee kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Provinciale Woonvisie 2010-2020.
17
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020 De regionale woonvisie Regio Alkmaar, vastgesteld op 3 juli 2013, legt kaders vast voor de lokale woonvisies van de gemeenten en geeft richting voor afspraken met marktpartijen. Daarbij wordt voldoende ruimte overgelaten om op de lokale behoefte in te spelen. De woonvisie geeft richting en zorgt ervoor dat gemeenten van elkaar weten wat ze doen en waar ze elkaar kunnen aanvullen en versterken. Hiermee wordt voorkomen dat onderlinge concurrentie ontstaat en kansen in de regio onbenut blijven. De Regio Alkmaar wil een aantrekkelijke regio zijn waar de huidige en toekomstige inwoners graag willen blijven wonen en een gewenste wooncarrière kunnen maken. In de regio is geen sprake van krimp. Tot 2040 groeit de bevolking nog (tot ca. 290.000, tegen 272.000 nu). Daarnaast zal het aantal huishoudens met name door gezinsverdunning nog flink groeien (136.000 huishoudens in 2040, tegen 119.000 nu). Dit betekent dat mensen steeds meer alleen gaan wonen en steeds minder in gezinsverband. Het aandeel 75+ zal verdubbelen. Deze demografische ontwikkeling (groei aandeel 75+) leidt tot een toename naar de vraag van wonen met zorg tot 2040 aangezien de 75- plussers relatief veel zorg behoeven. totaal bedraagt de opgave voor de regio Alkmaar 10.000 woningen tot 2020.
Kwantitatief zijn er verstedelijkingsafspraken gemaakt die prestatieafspraken bevatten tussen Rijk en regio’s voor de periode 2010-2020. Voor Noord-Holland zijn deze afspraken vastgelegd in twee gebiedsdocumenten, i.c. het regionaal actieprogramma Wonen (RAP) zoals beschreven in toelichting paragraaf 3.3.2. Op basis van de woonvisie geldt bij nieuwbouw regionaal een percentage van minimaal 30% sociale woningbouw in categorie 1 en/of 2. Dit betreft sociale huurwoningen tot € 752,33 en koopwoningen tot € 248.000,-- (prijspeil 2021); alleen sociale koop. Dit mag/kan per gemeente dus hoger of lager uitvallen en kan variëren tussen huur dan wel koop, mits regionaal afgestemd. Regionaal is dus afgesproken de huidige balans te handhaven en de bereikbaarheid binnen de totale voorraad te beschermen voor de doelgroep door het percentage van 30% na te streven. Planspecifiek De regio Alkmaar heeft tot 2020 een opgave van in totaal 10.000 woningen en de bevolking blijft tot 2040 groeien. Tot 2040 wordt een schaarste in het goedkope segment en het middensegment verwacht. Het aantal woningen in het dure segment ten opzichte is in 2040 redelijk in evenwicht. Er kan dus gesteld worden dat er in de regio Alkmaar een behoefte is aan (koop)woningen in het goedkope en middensegment. Met de beoogde ontwikkeling worden 25 nieuwe woningen gerealiseerd.
Hiervan vallen 19 woningen in het goedkope en middensegment, waarvan 8 ten behoeve van de sociale koop, en 6 woningen in het dure segment. Geconcludeerd kan worden dat het plan in lijn is met de Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020.
3.3.2 Regionaal Actieprogramma Wonen 2016-2020 De provincie Noord-Holland en alle gemeenten in Noord-Holland hebben met elkaar regionale actieprogramma's wonen opgesteld. Hiermee geven zij uitvoering aan de Provinciale Woonvisie 2016 2020. In de regionale actieprogramma's wonen staan per regio afspraken over het aantal te bouwen woningen en de kwaliteit ervan. Deze afspraken zijn nader kwalitatief uitgewerkt in de Regionale Woonvisie, zie toelichting paragraaf 3.3.1. Op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is het Regionale Actie Programma (RAP) Regio Alkmaar van toepassing 2016-2020. Kwantiteit De regio Alkmaar heeft in zijn totaliteit tot 2020 ongeveer 13.000-14.000 woningen in de planning zitten. Om de, door de provincie geprognosticeerde, regionale huishoudensontwikkeling te faciliteren moeten er tot 2020 echter 14.260 woningen in de planning worden opgenomen. In de regio Alkmaar is dus geen sprake van een overplanning, maar zelfs van een klein tekort. Dit vult de regio vooralsnog niet in, omdat het aantal geprognosticeerde onttrekkingen niet op voorhand overal haalbaar wordt geacht.
18
Kwaliteit Wat betreft de kwaliteit van de woningen wordt het volgende gesteld:
•
de behoefte aan levensloopbestendige woningen (of nultredenwoningen) bedraagt tot 2020 circa 6.600 woningen, zowel in nieuwbouw als in de bestaande voorraad;
•
binnen de regio worden afspraken gemaakt met woningcorporaties om te voorzien in de behoefte aan sociale huurwoningen;
•
de behoefte aan middeldure huur is en wordt groter dan voorheen. Het aanbod in de middeldure huur wil de regio vergroten.
Planspecifiek De nieuwbouwprogrammering van de regio Alkmaar is flexibel om jaarlijks zo goed mogelijk te kunnen aansluiten op de vraag. Voor de gemeente Langedijk is er een tekort aan harde plancapaciteit ten opzichte van de uitbreidingsbehoefte conform Primos 2016. Er is een indicatieve ladderruimte van 325 woningen. De ontwikkeling van 25 woningen binnen het bestaand stedelijk gebied is passend binnen de gemaakte afspraken in het RAP.
19
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Langedijk 2012-2030 De Structuurvisie Langedijk 2012-2030 geeft de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2030 op hoofdlijnen weer. De gemeente Langedijk speelt in op de demografische ontwikkelingen. Langedijk heeft een dorpse sfeer met een landelijke uitstraling. Er worden geen grote nieuwbouwprojecten buiten de bebouwde kom gerealiseerd maar er wordt gekozen voor zorgvuldige inbreiding op kleine schaal. Langedijk verwacht een gematigde afname van de groei. In strategisch opzicht kan, bij een afnemende groei van het aantal huishoudens, een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor oud en jong draagvlak bieden voor voorzieningen en detailhandel. Planspecifiek De verwachting is dat de gemeente Langedijk te maken gaat krijgen met vergrijzing en ontgroening waardoor een sterke toename van het aantal éénpersoonshuishoudens wordt verwacht. Om in deze behoefte te kunnen voorzien is nieuwbouw noodzakelijk. De focus van de gemeente ligt op inbreiding. De planlocatie is een braakliggend terrein in het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling van 25 woningen in het dure-, midden-, en goedkope segment is passend bij de ambities van de gemeente Langedijk. Daarnaast wordt met de herinrichting van het groen in het westelijke gedeelte van het plangebied de ruimtelijke en functionele kwaliteit verbeterd.
3.4.2 Woonvisie Langedijk 2014-2030 Voor Langedijk geldt, net als voor bijna heel Nederland, dat de komende tijd steeds meer vergrijzing optreedt. Jongeren trekken weg en steeds minder jonge gezinnen vestigen zich in Langedijk. Vergrijzing leidt ertoe dat met name de komende decennia het aantal huishoudens toeneemt. Dit houdt in dat er meer woningen nodig zijn. Nieuwbouw moet bereikbaar en geschikt zijn voor alle doelgroepen en huishoudens. Betaalbaarheid, flexibiliteit en variëteit is daarbij van belang. Tot 2040 zal de bevolking nog groeien en door gezinsverdunning zal het aantal huishoudens verder groeien. Het aantal te bouwen woningen wordt gebaseerd op een prognose. Tot 2030 moeten minimaal 1.910 woningen bijgebouwd worden. Planspecifiek Het beoogde plan om 25 woningen te ontwikkelen is in lijn met de toekomstige behoefte binnen de gemeente Langedijk. Het betreft woningen van verschillende prijsklassen, waarvan 8 sociale koopwoningen. Zo worden er twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en sociale koopwoningen gerealiseerd. De woningen zijn geschikt voor lage, midden en hoge inkomens. Verder heeft de gemeente als doel om in 2035 klimaatneutraal te zijn. De nieuwe woningen worden voorzien van duurzame en energieopwekkende installaties. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de doelstelling van de gemeente.
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in overeenkomt met de ambities uit de woonvisie.
20
4 Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in 25 extra woningen. Er kan daarmee worden afgezien
21
van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Gezien de aard en omvang van het project zullen de effecten op de omgeving beperkt zijn. Deze effecten hebben met name te maken met het verkeer en de emissies die daardoor veroorzaakt worden. Deze effecten zullen echter ook beperkt zijn. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen), is door Infrasoil een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. Op basis van dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen: Depots Binnen het plangebied zijn op verschillende plekken depots onderzocht.
In de depots komt in zeer ruime mate bijmenging voor in de vorm van slooppuin en oud bestratingsmateriaal, asfalt en stelconplaten.
22
Tijdens het veldonderzoek is er geen asbest verdacht materiaal aangetroffen. Echter is er tijdens een eerder onderzoek wel asbest verdacht materiaal aangetroffen. Doordat de depots visueel zeer verschillen in samenstelling, is het aannemelijk dat er asbesthoudend materiaal in meer of mindere mate aanwezig is in de depots. Het eerder aangetroffen asbesthoudende materiaal was groter dan 16 mm waarmee een ernstig geval van bodemverontreiniging aanwezig was op het terrein. In de gezeefde grond zijn verhoogde gehaltes aan zware metalen, PCB, minerale olie en PAK gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de samengestelde grondmengmonsters van elk depot zijn analytisch geen asbest vezels aangetoond. Maaiveld Plaatselijk is er in de bovenste halve meter ijzerhoudend materiaal waargenomen en is bijmenging aangetroffen in de vorm van baksteen en kolengruis. In boring 08 is op een diepte van 0,5 - 1,0 m-mv een gehalte aan lood gemeten boven de tussenwaarde. Verder is er in de bodem geen tot licht verhoogde waarde ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten. In het grondwater is geen van de gemeten parameters verhoogd gebleken. Conclusie Vanuit het bodemonderzoek wordt aanbevolen om een saneringsplan op te stellen om de depots te ontmantelen. Voor de planlocatie is dan ook een saneringsplan opgesteld. Voor de sanering wordt een beschikking aangevraagd bij de Omgevingsdienst.
De werkzaamheden bestaan grofweg uit het verwijderen en afvoeren van de aanwezige depots, incl. het asbestverdachte materiaal. De vrijkomende materialen worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Na de sanering zal middels een evaluatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de functie 'Wonen' en 'Tuin'.
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of
23
het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het voorgenomen plan maakt de ontwikkeling van 25 woningen mogelijk. Hiermee is het project aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2018 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 17,6 μg/m³, 10,0 μg/m³ en 15,0 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. Vanwege de ligging binnen de onderzoekszone van de Provincialeweg N504 dient aangetoond te worden dat de voorkeursgrenswaarde dan wel de maximale ontheffingswaarde vanwege wegverkeer op deze wegen niet wordt overschreden. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. De geluidbelasting door wegverkeer op de N504 bedraagt ten hoogste 60 dB na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt ten hoogste 65 dB zonder aftrek. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron ligt niet voor de hand uit oogpunt van doeltreffendheid en extra onderhoud van de weg. Afscherming van de woningen is op deze locatie stedenbouwkundig niet haalbaar.
Voor de gevels van de woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 49 – 60 dB voor wegverkeer op de N504. Voor de geluidbelaste gevels van de woningen zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 65 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevels bedraagt dan GA;k 32 dB.
24
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk een geluidluwe zijde en buitenruimte op de begane grond eenvoudig te realiseren. Om de haalbaarheid van een dergelijke voorziening aan te tonen is door Van der Boom een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Daarbij is onderzocht wat de positieve effecten zijn van het plaatsen van schermen met een hoogte van 2,5 meter. Uit de berekeningen blijkt dat na toepassing van de afscherming de geluidbelasting op de achtergevels op 1,5 meter tot 45 - 53 dB bedraagt. Bij een geluidbelasting tot en met 53 dB zonder aftrek is sprake van een geluidluwe gevel een geluidluwe buitenruimte grenzend aan deze gevel. Daarmee is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bij de verdere planuitwerking wordt het onderzoek van Van der Boom nog verder gespecificeerd. Daarmee wordt bereikt dat niet meer schermen worden geplaatst dan strikt noodzakelijk waarmee de ruimtelijke kwaliteit verder verbeterd wordt. Het plangebied bevindt zich niet nabij een spoorweg of een geluid gezoneerd industrieterrein, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai en industrielawaai niet noodzakelijk is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid, mits aanvullende geluidwerende voorzieningen van de woningen toegepast worden, geen belemmeringen veroorzaakt.
4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar.
25
Planspecifiek Het plangebied kan getypeerd worden als het omgevingstype 'gemengd gebied', omdat sprake is van een matige tot sterke functiemenging. In de directe omgeving van het plangebied zijn woon-, bedrijfs- en horecafuncties aanwezig. Doordat het plangebied getypeerd kan worden als 'gemengd gebied' worden de richtafstanden uit de VNG-publicatie, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandstap verlaagd worden. Met behulp van het bestemmingsplannen 'Oudkarspel en Koedijk' en 'Noord- en Zuid-Scharwoude' is bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Aan de hand van de VNG-publicatie is bepaald of aan de relevante richtafstanden wordt voldaan. Ten oosten van het plangebied is het benzineservicestation Tesselaar gesitueerd waarbij het tankstation, garagebedrijf en de autowasstraat hoort. Het tankstation bevindt zich op een afstand ca. 180 m van de beoogde woningen. Op grond van de verleende milieuvergunning is de doorzet van het bedrijf maximaal 1.500 m³ LPG per jaar waarmee het tankstation beschikt over de milieucategorie 4.1. Vanwege het aspect gevaar geldt een richtafstand van 200 m. Echter bevindt het plangebied zich buiten de risicocontouren van het aanwezige LPG-vulpunt, -reservoir en -afleverinstallatie. In toelichting paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid.
Het garagebedrijf en de autowasstraat bevinden zich op een afstand van ca. 130 m en beschikken over de milieucategorie 2. In een gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 m geldt. Met een afstand van ca. 130 m tussen de beoogde woningen en het garagebedrijf en de autowasstraat wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich aan de Spoorstraat 140 een kantoor. Dit kantoor is in het geldende bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Wonen' met een functieaanduiding 'dienstverlening'. De gronden ten zuiden hiervan zijn voorzien van een bedrijfsfunctie. Doordat er sprake is van een woonbestemming, kan gesteld worden dat de kantoorfunctie ondergeschikt is aan het wonen. Hierdoor kan het gevestigde bedrijf niet (verder) worden belemmerd in haar bedrijfsvoering. Tussen de bebouwing aan de Spoorstraat 140 en het plangebied ligt een kleine parkeerplaats met een bedrijfsbestemming waar bedrijvigheid in de milieucategorie 1 en 2 is toegestaan. De 8 beoogde rijwoningen bevinden zich op een afstand van meer dan 10 m, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Voor de 3 woningen aan de zuidzijde van het perceel geldt dat er niet voldaan wordt aan de gestelde richtafstand. Echter zijn er op het bedrijfsperceel geen mogelijkheden om gebouwen te realiseren. Het terrein wordt momenteel gebruikt voor parkeren.
Voor het bedrijfsperceel geldt dat er direct naast de bedrijfsbestemming al een woonbestemming aanwezig is. De mogelijkheden voor dit perceel zijn derhalve al beperkt. Aan de handelskade ten zuiden van het plangebied bevinden zich verschillende bedrijven. Volgens het geldende bestemmingsplan 'Noord- en Zuid-Scharwoude' zijn hier bedrijven met de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. In een gemend gebied geldt hiervoor een richtafstand van 0 m en 10 m. De afstand tussen deze bedrijven en de nieuwe woningen bedraagt minimaal 50 m, waarmee gesteld kan worden dat deze bedrijven geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling en niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering.
26
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.