Bijlage 9. Advies met instemming Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Tekst van het document
DGRGG-DTDO / V-85196
Uit het akoestisch onderzoek volgt dat gedurende werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk mitigerende maatregelen, zoals het plaatsen van geluidsschermen en continue geluidsmonitoring en -registratie, genomen moeten worden. Door het nemen van maatregelen wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Bal voor geluid. 3.18. Definitieve beëindiging van activiteiten Ingevolge artikel 8.9, eerste lid, onder h, van het Bkl wordt bij de beoordeling van een vergunningaanvraag rekening gehouden met de definitieve beëindiging van de activiteit en worden de nodige maatregelen getroffen om elk risico van milieuverontreiniging door de activiteit voor het terrein waarop de activiteit werd verricht, te voorkomen of te beperken, als dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor toekomstig gebruik. In dit kader gelden de algemene regels uit het Bal voor het vaststellen van de eindsituatie van de bodemkwaliteit. Mijnbouwwet (Mbw) In het kader van de Mbw geldt een meldplicht na buiten werking stelling van het mijnbouwwerk (binnen 4 weken), de verplichting om een verwijderingsplan (binnen een jaar) op te stellen en een verwijderingsplicht van het mijnbouwwerk.
Deze verplichtingen gelden niet indien het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is gesteld (aangewezen gevallen krachtens artikel 49, vierde lid, Mijnbouwwet in Mijnbouwbesluit) dan wel voor hergebruik geschikt wordt gemaakt (artikel 44a en 44b Mbw). De Minister kan tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting tot het indienen van een verwijderingsplan en het verwijderen van het mijnbouwwerk. Het mijnbouwwerk moet worden verwijderd in overeenstemming met het verwijderingsplan waarmee de minister heeft ingestemd. Bij het verwijderen van het mijnbouwwerk, moet ook de verontreinigde grond, het verontreinigde grondwater, verontreiniging op of in het oppervlaktewater, afval (waaronder schroot) en andere materialen, die in het gebied of in de naaste omgeving van het mijnbouwwerk zijn terechtgekomen bij het aanleggen of exploiteren van het mijnbouwwerk, worden verwijderd. Gelet op voorgaande zijn geen aanvullende voorschriften nodig om aan de omgevingsvergunning te verbinden om te borgen dat bij beëindiging van de activiteiten alle aanwezige stoffen en materialen op milieu hygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd.
Pagina 25 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
4.
ADVIES EN INSTEMMING
4.1.
DGRGG-DTDO / V-85196
De adviseur
SodM Op grond van artikel 127, eerste lid, onder b, van de Mijnbouwwet, heb ik Sodm in de gelegenheid gesteld om op de vergunningaanvraag te adviseren. Op 14 maart 2025 is een adviesverzoek naar SodM verstuurd. SodM heeft op 14 mei 2025 een advies uitgebracht. 4.2. Inhoud en beoordeling advies van SodM In dit hoofdstuk wordt het advies van SodM samengevat en cursief weergegeven, gevolgd door een reactie. SodM Op basis van de ingediende informatie concludeert SodM dat de aanvraag voldoende gegevens bevat om positief te adviseren richting de gemeente. Daarbij zijn er enkele aandachtspunten om mee te geven. Waar gegevens ontbreken, adviseert SodM om uiterst terughoudend te zijn met het toestaan dat deze na de besluitvorming alsnog worden verstrekt via voorschriften. Verder adviseert SodM om de gemeente de aangevraagde milieuruimte nauwkeurig vast te laten leggen. Dit voorkomt dat de vergunning later aangepast moet worden en dat meer milieuruimte wordt vergund dan is aangevraagd. Tevens bestaat er duidelijkheid over wat binnen de vergunning is toegestaan. Het nauwkeurig vastleggen van de milieuruimte helpt bij het uitvoeren van effectief en goed toezicht. Reactie advies SodM Na ontvangst van de aanvullende gegevens bevat de aanvraag voldoende informatie om de gemeente te adviseren. De aanvraag geeft duidelijk weer wat er is aangevraagd.
Als de gemeente positief beslist over de aanvraag, is daarmee ook vastgelegd wat er wordt vergund. Het advies is overgenomen en betrokken bij het opstellen van het advies met instemming. 4.3. Advies Minister Klimaat en Groene Groei Gelet op het voorafgaande adviseer ik: I. De aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen en exploiteren van de geothermie-installatie inclusief de milieubelastende functioneel ondersteunende activiteiten van HVC Warmte BV op de locatie gelegen tussen de Zuiderbosweg 4 en Noordscharwouderpolderweg 11 te Heerhugowaard; II. Aan de omgevingsvergunning de in de bijlage opgenomen voorschriften te verbinden. Pagina 26 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
4.4. Instemming Minister Klimaat en Groene Groei
DGRGG-DTDO / V-85196
Op grond van artikel 16.16, eerste lid, van de Ow, is in afdeling 4.2 van het Ob bepaald voor welke categorieën van gevallen, de voorgenomen beslissing op de aanvraag instemming is vereist van een betrokken bestuursorgaan dat in de gelegenheid is gesteld om advies uit te brengen. Gelet op artikel 4.29, eerste en derde lid, van het Ob, behoeft de voorgenomen beslissing op de aanvraag, ook mijn instemming. Indien en voor zover mijn advies één op één wordt overgenomen en de voorschriften uit bijlage I worden verbonden aan de omgevingsvergunning, verleen ik mijn instemming om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
De minister van Klimaat en Groene Groei, namens deze: 5.1.2.e
5.1.2.e MT-lid Directie Transitie Diepe Ondergrond
Afschriften Een kopie van dit advies wordt verstuurd aan: •
de inspecteur generaal der mijnen (SodM).
Pagina 27 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
Bijlage I: Voorschriften
DGRGG-DTDO / V-85196
Toezichthouder: Staatstoezicht op de Mijnen Postbus 24037 2490 AA Den Haag Website: www.sodm.nl E-mail: omgevingsloket@sodm.nl telefoon: 070 - 379 840
1.
Procesinstallaties
1.1.
De installatie is voorzien van een doelmatig afblaassysteem om het systeem drukvrij of deels drukvrij te maken. Daar waar nodig worden ook overdrukventielen in het leidingsysteem toegepast; het afblaassysteem voor het drukvrij maken en de overdrukventielen worden gesitueerd op een veilige plaats.
2.
Registratie
2.1.
De volgende documenten zijn binnen het mijnbouwwerk digitaal of fysiek aanwezig of binnen een door de toezichthouder te stellen termijn beschikbaar: a) een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig; b) documenten met betrekking tot de registratie van luchtemissies en de registratie van afvalstoffen; c) onderhoudscontracten met betrekking tot de aanwezige installaties; d) resultaten en/of bevindingen van uitgevoerde inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud, registraties en/of metingen; e) certificaten of bewijzen van: i. de tanks, filters en andere voorzieningen; ii. onderhoud of keuringen van aanwezige voorzieningen en installaties; iii. de actuele veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in het mijnbouwwerk aanwezige gevaarlijke stoffen; f) de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik.
2.2.
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
Pagina 28 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
3.
Ongewone voorvallen
3.1.
In afwijking van artikel 2.21 uit het Bal dienen ongewone voorvallen bij de toezichthouder te worden gemeld.
3.2.
In een registratiesysteem voor ongewone voorvallen moeten in aanvulling op hetgeen bepaald in artikel 2.22 van het Bal tenminste de volgende zaken worden vastgelegd: a. datum, tijdstip en duur van het ongewoon voorval; b. datum en tijdstip van registratie; c. de locatie van het ongewoon voorval; d. korte omschrijving van het ongewoon voorval; e. een indicatie van de hoeveelheid van de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen; b) een indicatie van het (mogelijk) belaste milieucompartiment, hinder of veiligheidsaspecten; c) incidentanalyse gericht op het identificeren van directe en achterliggende oorzaken welke tot het voorval hebben kunnen leiden en een beschrijving van de wijze waarop de geïdentificeerde en geëvalueerde verbeterpunten geïmplementeerd worden in de bedrijfsvoering ten einde herhaling van het incident te voorkomen.
4. 4.1.
5. 5.1.
6. 6.1.
DGRGG-DTDO / V-85196
Buiten werking stellen installaties Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten wordt de toezichthouder zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld.
Bodem algemeen De voorschriften 7.1 t/m 8.8 gelden slechts voor de activiteiten welke niet door de algemene regels van het Bal worden gereguleerd. Onder deze activiteiten vallen in ieder geval de activiteiten met: i. Verticale opslagtank voor het testwater (formatiewater) ii. De hemelwater bassin (waterbak waar de goten op uitlopen) iii. Ruimtes waar filters worden vervangen, de schrobput van het pomphuis en andere onderdelen van de installatie waar bodembedreigende activiteiten plaats hebben gevonden.
Bodembeschermende maatregelen Als bodembeschermende voorziening voor de verticale opslagtank voor testwater wordt een combinatie van maatregelen en voorzieningen Pagina 29 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
getroffen die minimaal gelijkwaardig zijn aan tabel 1.4 Cvm-nr I uit het BB-CVM. 6.2.
In aanvulling op voorschrift 6.1 worden voorzieningen tegen het inregenen van hemelwater getroffen.
6.3.
Als bodembeschermende voorziening voor de hemelwater hoekbak/bassin wordt een combinatie van maatregelen en voorzieningen getroffen zoals beschreven in de aanvraag welke overeenkomt met tabel 1.4 Cvm-nr II uit het BB-CVM.
6.4.
Als bodembeschermende voorziening voor ruimtes waar pompen en andere installatie onderdelen staan waar bodembedreigende vloeistoffen door heen stromen wordt een combinatie van maatregelen en voorzieningen getroffen zoals beschreven in de aanvraag welke overeenkomt met tabel 2.3.1. Cvm-nr I, II of III uit het BB-CVM.
6.5.
Als bodembeschermende voorziening voor bovengrondse leidingen waar bodembedreigende vloeistoffen doorstromen wordt een combinatie van maatregelen en voorzieningen getroffen zoals beschreven in de aanvraag welke overeenkomt met tabel 2.2.2. Cvm-nr I uit het BB-CVM.
6.6.
Op de bodembeschermende voorzieningen zijn de artikelen in paragraaf 5.4.2 Bal van overeenkomstige toepassing.
7.
DGRGG-DTDO / V-85196
Eindonderzoek bodem
7.1.
Bij het beëindigen van een bodembedreigende activiteit wordt een bodemonderzoek verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
7.2.
Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waarop de activiteit is verricht.
7.3.
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740, voor zover de activiteit plaatsvindt op de landbodem, of aan NEN 5717 en NEN 5720, voor zover de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam.
7.4.
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
7.5.
Het rapport van het bodemonderzoek bevat: a. de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht; Pagina 30 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
b. c. d. e.
f.
7.6.
8. 8.1.
de wijze waarop het onderzoek is verricht; de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, gemaakt of vrijgekomen; en als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt volgens de voorschriften 8.1 t/m 8.3
DGRGG-DTDO / V-85196
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van de activiteit wordt een rapport van het bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag
Herstel van de bodemkwaliteit Indien de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het bodemonderzoek bij het beëindigen van de activiteit de bodemkwaliteit hersteld tot: a.
b.
c.
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld voor het begin van de activiteit zoals vastgelegd met het bodemonderzoek van Antea, projectnummer 436246 definitief revisie 00 van 19 oktober 2018: de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of de volgende kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit: 1. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of 2. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
8.2.
In afwijking van voorschrift 8.1 kan in overleg met de toezichthouder kan een andere termijn worden afgestemd.
8.3.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Pagina 31 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
DGRGG-DTDO / V-85196
8.4.
Het herstel wordt milieukundig begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
8.5.
Ten minste vier weken voor het begin van de herstelwerkzaamheden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de herstelwerkzaamheden; b. een omschrijving van de herstelwerkzaamheden, waaronder in ieder geval: 1. de begrenzing van de locatie waarop de herstelwerkzaamheden worden verricht met een aanduiding op een kaart en op een dwarsprofiel; 2. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de herstelwerkzaamheden worden verricht; 3. de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en 4. de herstelwaarde voor de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit volgens artikel 5.6, eerste lid; en c. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
8.6.
Ten minste een week voor het begin van de herstelwerkzaamheden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de naam en het adres van degene die de herstelwerkzaamheden gaat verrichten; b. de naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en c. de naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.
8.7.
Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.
8.8.
Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 dat in ieder geval de volgende gegevens bevat: a. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en b. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.
Pagina 32 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
DGRGG-DTDO / V-85196
9.
Bodembeschermende maatregelen Geothermie
9.1.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem tot aan de formatie waarin zich het formatiewater of hulpstoffen bevinden, zijn het boorgat en de boortorenfundatie vloeistofdicht.
9.2.
Andere onderdelen van een verplaatsbaar mijnbouwwerk die worden gebruikt bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
9.3.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem moet de putkelder te allen tijde zijn uitgevoerd als een aaneengesloten bodemvoorziening.
10. Fakkelinstallatie 10.1.
Een fakkelinstallatie mag enkel worden gebruikt als een veilige “start up” of “shut down” noodzakelijk is, of tijdens een noodsituatie.
10.2.
Tijdens normale en beheerste bedrijfsvoering is het verboden gecontroleerd af te fakkelen of af te blazen zonder dit ten minste 48 voor het begin ervan te melden bij de toezichthouder.
10.3.
Een melding bevat informatie over het verwachte tijdstip van het begin van het affakkelen of afblazen en de verwachte duur ervan.
10.4.
Een fakkelinstallatie is zodanig ontworpen, uitgevoerd, geïnspecteerd, getest en onderhouden, dat altijd ontsteking van de aan de fakkel toegevoerde brandbare dampen en/of gassen is verzekerd.
10.5.
Met het oog op het voorkomen van emissies van koolwaterstoffen in de lucht wordt een fakkelinstallatie gebruikt met een rendement van ten minste 99%.
10.6.
Bij een defect in een fakkelinstallatie wordt de fakkelinstallatie onmiddellijk en op een veilige wijze buiten bedrijf worden gesteld en gerepareerd. De installaties die op de defecte fakkelinstallatie zijn aangesloten, worden daarbij buiten bedrijf worden gesteld, tenzij de functie van de defecte fakkelinstallatie tijdelijk door een andere fakkelinstallatie is overgenomen.
10.7.
Een fakkelinstallatie mag niet binnen een explosieveiligheidszone van een installatie worden opgesteld.
Pagina 33 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
Bijlage II: Mer-beoordeling
DGRGG-DTDO / V-85196
1. Onderwerp Op 11 maart 2025 heb ik, in het kader van verzoek om advies door het College van Burgemeester & Wethouders van de Gemeente Dijk en Waard op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, een aanmeldingsnotitie (hierna: mededeling) ingevolge artikel 16.45, eerste lid, van de Omgevingswet (hierna: Ow) ontvangen. Deze mededeling maakt onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het boren van vier diepboringen die is ingediend door HVC Warmte BV (hierna: aanvrager) te Alkmaar. De aanvrager is voornemens op de locatie een geothermiecentrale op te richten. De mededeling ziet op een voornemen voor een project op een perceel aan de Zuiderbosweg 4 en Noordscharwouderpolderweg 11 te Heerhugowaard (hierna: locatie). Uit de mededeling volgt dat twee wettelijk aangewezen merbeoordelingsplichtige activiteiten onderdeel uitmaken van het voorgenomen project, te weten het uitvoeren van vier diepboringen/ twee doubletten met een verplaatsbaar mijnbouwwerk en het plaatsen van een hulpwarmtecentrale, bestaande uit vier gasgestookte ketels met ieder een thermisch vermogen van 10 MW (40 MW totaal) voor het op-/ bijstoken van de watertemperatuur en als backup voor de geothermiecentrale.
De ontvangen mededeling bestaat uit een rapport genaamd ‘Aanmeldingsnotitie Geothermie Heerhugowaard Beschrijving ten behoeve van mer-beoordeling’ met kenmerk: 0486957 van 7 januari 2025, inclusief bijlagen. De afkorting m.e.r. staat voor milieueffectrapportage, ten overvloede merk ik op dat de afkorting mer (zonder puntjes) voor een milieueffectrapportprocedure staat. De mededeling en de bijbehorende bijlagen zijn betrokken bij deze zogenaamde project-merbeoordeling.
2. Procedure Op grond van artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de Ow in samenhang met artikel 11.6, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (hierna: Ob) zijn in Bijlage V van het Ob mer-beoordelingsplichtige projecten aangewezen. Dit zijn projecten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij zodanig aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Diepboringen zijn onder B4 van Bijlage V van het Ob aangewezen. Het oprichten van een verbrandingsinstallatie, de hulpwarmtecentrale, voor de productie van warmwater wordt onder C1 van bijlage V van het Ob aangewezen. Voor de beoordeling wordt in overeenstemming met artikel 16.43, derde lid, Ow rekening gehouden met de voor dit project relevante criteria uit Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van 16 april 2014. Pagina 34 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
DGRGG-DTDO / V-85196
Bevoegd gezag Ingevolge artikel 4.29, eerste lid, van het Omgevingsbesluit (hierna: Ob) is de Minister van Economische Zaken en Klimaat aangewezen als betrokken bestuursorgaan om te adviseren op de aanvraag om een omgevingsvergunning indien de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Bal, voor zover het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Gelet op artikel 4.29, derde lid, van het Ob, behoeft de voorgenomen beslissing op de aanvraag, ook instemming van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Sinds het aantreden van het nieuwe kabinet op 2 juli 2024 is deze bevoegdheid belegd bij de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: ik). Gelet op het voorgaande ben ik bevoegd om advies uit te brengen over de uitgevoerde mer-beoordeling.
3. Betrokken organisaties Ten aanzien van de beoordeling van de mededeling zijn geen wettelijke adviseurs aangewezen. Desondanks is de inspecteur-generaal der Mijnen (staatstoezicht op de mijnen, hierna: SodM) in de gelegenheid gesteld om op de mededeling te reageren. Reactie SodM: SodM heeft op 14 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek om advies op de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning. In dit advies is de beoordeling van de mededeling opgenomen. SodM concludeert in het advies dat uit de mededeling blijkt dat de voorgenomen activiteiten verschillende milieueffecten kunnen hebben. De meest relevante milieueffecten staan goed beschreven. Rekening houdend met de aard van de activiteiten, de milieueffecten die te verwachten zijn en de beperkte mogelijkheden om de activiteiten op alternatieve wijze uit te voeren concludeert SodM dat het niet noodzakelijk is om een milieueffectrapportage (hierna: MER) op te stellen voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten.
4. Inhoudelijke beoordeling De beoordeling heeft plaatsgevonden op basis van de in het voornemen aangeleverde informatie. De aanvrager heeft in overeenstemming met artikel 11.10, eerste lid, Ob de voor een beoordeling benodigde gegevens verstrekt. Pagina 35 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
DGRGG-DTDO / V-85196
Op grond van de relevante resultaten van eerder uitgevoerde controles en andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu, zoals bedoeld in artikel 16.43, derde lid van de Ow, en de voor dit project relevante criteria in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van 16 april 2014, is beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Daarbij zijn de volgende (sub)onderdelen beschouwd: I.
Kenmerken van het project
a. Omvang en ontwerp van het gehele project De omvang van het project betreft de realisatie van vier diepboringen en het oprichten van een hulpwarmtecentrale, bestaande uit vier gas gedreven stookinstallaties met een totaal thermisch vermogen van 40 MW. De in het voornemen beschreven werkzaamheden hebben naar verwachting een doorlooptijd van 1,5 jaar, inclusief nieuwbouw van het bedrijfsgebouw en de bovengrondse installaties voor de aardwarmteproductie. De boor- en testfase duren samen ongeveer zes maanden. In het bijzonder duurt de boorperiode naar verwachting circa 40 dagen per boring, totaal circa 160 dagen voor het boren van twee doubletten. De boorwerkzaamheden vinden plaats in een continurooster (24 uur per dag, zeven dagen in de week). Na het uitvoeren van de boringen wordt de winningsinstallatie gerealiseerd en in gebruik genomen. In het kader van de aangevraagde boringen en later de winning van aardwarmte is een opsporingsvergunning op grond van artikel 24b van de Mijnbouwwet separaat aangevraagd. De omvang en het ontwerp van het gehele project zijn niet dermate bijzonder of afwijkend ten opzichte van vergelijkbare projecten. Derhalve worden aanzienlijke milieueffecten vanuit dit kenmerk van het project uitgesloten. b. Cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Cumulatie betreft het samenvallen van de effecten met andere projecten in de omgeving.
Door rekening te houden met cumulatie van effecten wordt beoogd te voorkomen dat een opeenstapeling van op zichzelf staande kleine effecten uiteindelijk leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Op het moment van ontvangst en tijdens de totstandkoming van deze beslissing zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die zouden kunnen leiden tot cumulatie van effecten. Er vinden voor zover bekend geen andere (aardwarmte)projecten plaats binnen hetzelfde tijdsbestek. Om deze reden treedt geen belangrijke cumulatie van effecten op. c.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit
Pagina 36 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
Natuurlijke hulpbronnen in (de omgeving van) de locatie zijn vernieuwbaar. De relatieve rijkdom is vergelijkbaar met de omgeving. Het regeneratievermogen van het gebied wordt niet beïnvloed door de voorgenomen werkzaamheden.
DGRGG-DTDO / V-85196
Het formatiewater dat wordt gewonnen wordt tijdens de reguliere bedrijfsvoering teruggevoerd naar de formatie. Alleen tijdens de testfase is het nog onduidelijk of het testwater terug in de formatie kan worden gevoerd of dat deze moet worden afgevoerd. In het licht van bovenstaande, is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen beperkt en tijdelijk. Dit gebruik leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. d. Productie van afvalstoffen Tijdens de boring komt een aantal afvalstoffen vrij. De mededeling beschrijft maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen in de bodem, grondwater of oppervlaktewater geraken. De hoeveelheden vrijkomende afvalstoffen en de wijze waarop de aanvrager deze gescheiden houdt en zich hiervan ontdoet, geven geen aanleiding om aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen. Het boorproject is tijdelijk van aard en veroorzaakt met in achtneming van de in de mededeling beschreven maatregelen beperkte (afval)hinder in de omgeving van het plangebied. Gedurende de productiefase komt een minimale hoeveelheid afval vrij, voornamelijk gedurende onderhoudswerkzaamheden aan de centrale. In het licht van de beschreven maatregelen leidt het ontstaan van afvalstoffen derhalve niet tot aanzienlijke milieueffecten. e. Verontreiniging en hinder Als gevolg van de mba vinden onder andere bodembedreigende activiteiten en emissies plaats.
In deze paragraaf wordt per relevant milieuaspect het mogelijke effect beschouwd. • Bodem Bij het verrichten van diepboringen vinden bodembedreigende activiteiten plaats. Ter voorkoming van bodemverontreiniging wordt met behulp van een combinatie aan voorzieningen en maatregelen de meest gangbare beste beschikbare technieken toegepast om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. Er zullen daarmee geen zodanig aanzienlijke milieueffecten kunnen ontstaan dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. • Emissies naar de lucht en stikstofdepositie Tijdens de werkzaamheden en het uitvoeren van diepboringen vinden emissies naar de lucht plaats. Dit in de vorm van CO2, N2, SO2 en onverbrande koolwaterstoffen. De emissies zijn tijdelijk van aard en hebben een dusdanig beperkte omvang dat er geen aanzienlijke milieueffecten ontstaan. De effecten op natuur vallen ruim onder ‘het opnamevermogen van het natuurlijke milieu’. Er hoeft voor dit aspect geen milieueffectrapport te worden opgesteld.
Pagina 37 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
Eventueel aanwezig aardgas (onder druk opgelost in het water onderin de put) methaan en overige koolwaterstoffen (samen: geogas) kunnen eenmalig, gedurende de testfase, meekomen met het formatiewater. De hoeveelheid gas wat hierbij kan vrijkomen is beperkt en wordt met behulp van een mobiele fakkel verbrand. Gedurende de productiefase wordt eventueel mee geproduceerd geogas, opgelost in het productiewater terug in de diepe ondergrond geïnjecteerd samen met het afgekoelde productiewater.
DGRGG-DTDO / V-85196
In het geval van onderhoud of een storing tijdens de productiefase waarbij de installatie stopgezet moet worden, zal de installatie van druk worden gelaten waarbij een kleine hoeveelheid geogas vrijkomt. Dit gas wordt met behulp van een vaste fakkelinstallatie verbrand. Het gaat hierbij ook om een beperkte hoeveelheid. Ook bij het wisselen van filters kan een deel van de installatie van druk moeten worden gelaten en wordt de vrijkomende, geringe hoeveelheid gas worden afgefakkeld met een mobiele fakkelinstallatie. Verder is voor de voertuigbewegingen gedurende de boorfase met behulp van de NIBM-tool aangetoond dat deze voertuigbewegingen op gemiddelde weekdagbasis in niet betekenisvolle mate bijdragen aan de uitstoot van emissies naar lucht. Gedurende de productiefase is naast de vervoersbewegingen sprake van een tweede emissie gevende activiteit, te weten de vier stookinstallaties behorend tot de hulpwarmtecentrale. Uit de berekeningen met behulp van de NIBM-tool blijkt dat de projectbijdrage gedurende productiefase lager is dan de NIBM-grens genoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Bij de mededeling zijn ook AERIUS-berekeningen gevoegd voor zowel de boorfase als de productiefase.
Uit de berekeningen, uitgevoerd in AERIUS Calculator, volgt voor beide fases een maximale stikstofdepositiebijdrage optreedt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden in Nederland (bijlage 5 en 6 bij de aanvraag om een omgevingsvergunning). Gelet op het tijdelijke karakter van de boorwerkzaamheden (en daarmee de emissies) en de te verwachten incidentele emissies (bij putonderhoud) gedurende de productiefase, is er ten aanzien van het thema lucht, door de uitvoering van het project met behulp van beschikbare stikstofrechten en benodigde toestemmingen, geen sprake van zodanig belangrijke gevolgen voor het milieu dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. • Natuur Op basis van de uitgevoerde Natuurtoets (bijlage 14 bij de aanvraag om een omgevingsvergunning) en in het voornemen voorgestelde maatregelen (paragraaf 4.9 van de mededeling), worden milieueffecten op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten tegengegaan. Voor soortbescherming zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Met inachtneming van in de mededeling voorgestelde mitigerende maatregelen, veroorzaken de boorfase en productiefase geen aanzienlijke negatieve effecten op de natuur. Het opstellen van een milieueffectrapport is hierdoor niet vereist.
Pagina 38 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
• Geur Er is onder normale omstandigheden geen geuroverlast te verwachten van de voorgenomen activiteiten. De gebruikte hulpstoffen alsook het proces geven hiertoe geen aanleiding.
DGRGG-DTDO / V-85196
• Emissie naar (oppervlakte)water Al het hemelwater van daken en omliggende terreinverharding wordt middels een gotenstelsel afgevoerd naar een hemelwaterput, voorzien van een waterslot. Wanneer dit water schoon is wordt het geloosd op het oppervlaktewater. Wanneer werkzaamheden worden uitgevoerd, bijvoorbeeld het boren van de productieputten of onderhoudswerkzaamheden aan een van de putten, wordt de hemelwaterput afgesloten met behulp van het waterslot. De kans bestaat dat het (hemel)water wat in aanraking is geweest met het puttenterrein verontreinigd is geraakt. Het potentieel verontreinigd hemelwater en eventueel reinigingswater wordt om deze reden opgeslagen op locatie in (vloeistofdichte) containers, buffer silo’s of tanks en afgevoerd naar een erkend verwerker. Indien het hemelwater niet verontreinigd is geraakt kan het worden geloosd op het oppervlakte water. Bij het testen (productie- en injectietest) van de put komt spoel- en testwater vrij. Dit wordt opgevangen in een geschikte opvangvoorziening, te weten een verticale buffertank onder andere voorzien van een zijl en lekdetectiefolie. Het geproduceerde water wordt na het testen terug in het reservoir geïnjecteerd, waarbij door het treffen van maatregelen een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
Afvalwater dat afkomstig is van de schrobputten van het pomphuis is bedrijfsmatig afvalwater en wordt op de riolering geloosd. Door de uitvoering van het project is er geen sprake van belangrijke gevolgen voor het milieu ten aanzien van het thema water. • Geluid en trillingen Om inzicht te verkrijgen in de te verwachten geluidsemissies binnen het plangebied gedurende de verschillende fases van het project, is een geluidsonderzoek uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat, om aan geluidgrenswaarden voor werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk uit paragraaf 4.109 van het Bal te voldoen, mitigerende maatregelen, zoals het plaatsen van geluidsschermen en continue geluidsmonitoring en -registratie, genomen moeten worden. Door het nemen van maatregelen wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Bal voor geluid. Ter plaatse van de Zuiderbosweg 4 en op de gevels van Noordscharwouderpolderweg 6 en 12 wordt, gedurende de nachtperiode (23:00 – 07:00 uur) tijdens de productiefase, niet voldaan aan de toetswaarde uit het Pagina 39 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard en de standaardwaarde uit de instructieregels van het Bkl. Gezien de meest maatgevende geluidbronnen staan opgesteld binnen het gebouw waar de geothermiecentrale zich bevindt worden maatregelen aan de inlaatroosters als het meest doelmatig gezien. Met de voorgestelde maatregelen, zoals het toepassen van coulissendempers voor inlaatroosters, kan een aanvaardbare geluidbelasting gerealiseerd worden. Onderzocht is of de woningen die zwaarder worden belast over een voldoende geluidwering beschikken, dit is het geval waardoor sprake is van een aanvaardbaar binnen geluidniveau.
DGRGG-DTDO / V-85196
Binnen het mijnbouwwerk zijn geen bronnen aanwezig die relevante trillingen bij trillinggevoelige bestemmingen kunnen veroorzaken. Laagfrequent geluid maakt integraal onderdeel uit van het totaal te meten geluidniveau en is dus gelimiteerd door de eisen uit het Bal. De uitvoeringspraktijk toont geen tot zeer beperkte geluidklachten over laagfrequent geluid aan. De emissie van geluid, inclusief het laagfrequente geluid, wordt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden volcontinu bewaakt middels monitoring ter plaatse. Op basis van de beoordeling uit het geluidsonderzoek bij de mededeling zijn er geen aanzienlijke milieueffecten op het gebied van geluid te verwachten. • Licht De locatie is vanuit het oogpunt van veiligheid ‘s nachts verlicht. Deze verlichting is naar binnen toe gericht, zodat overlast en uitstraling naar buiten toe wordt beperkt en directe aanstraling wordt voorkomen. Gelet op de geplande maatregelen en omdat de voorgenomen activiteiten plaatsvinden in een kassengebied waar veel licht aanwezig i, worden er op dit aspect geen aanzienlijke milieugevolgen verwacht. f. Risico’s van zware ongevallen en/of rampen Voor de volledigheid is een kwantitatieve risicoanalyse opgesteld (QRA). Uit de QRA-rapportage volgt voor de boorfase dat de plaatsgebonden risicocontour 106/jaar zich buiten de grenzen van de locatie bevindt.
Binnen de contour bevinden zich geen (zeer) kwetsbare objecten. Wel ligt een klein deel van het naastgelegen kassencomplex binnen de contour van de meest westelijke boring. Deze kas betreft een beperkt kwetsbaar object waarvoor gemotiveerd dient te worden waarom deze situatie toelaatbaar is. Omdat uit de beoordeling blijkt dat de berekende risicocontour 10-6/jaar is berekend op basis van een boorduur van 100 dagen per boring is sprake van een worst-case benadering. Uit de gegevens bij de mededeling volgt immers dat het boren van een productieput in circa 40 dagen plaatsvindt, geconcludeerd kan worden dat het daadwerkelijke risico kleiner is dan berekend. Daarnaast is het gedeelte dat binnen de contour valt dermate klein dat hier geen personen kunnen verblijven. Pagina 40 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
DGRGG-DTDO / V-85196
Aandachtsgebieden zijn voor deze situatie niet van toepassing vanwege de tijdelijke aard van de activiteit, circa 160 dagen. Op grond van het Bkl (bijlage VII deel E activiteit 11.2: Het aanleggen of aanpassen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk), dient uitsluitend de afstand van het plaatsgebonden risico te worden bepaald. Een aandachtsgebied is een gebied waarbinnen personen in een gebouw onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen. Omdat tijdens de productiefase slechts relatief beperkte hoeveelheden aardgas (geogas) met het warme water meekomen is ervoor gekozen dit gas niet te winnen. Het gas wordt terug geïnjecteerd in de diepe ondergrond, samen met en opgelost in het afgekoelde productiewater door middel van de injectieput. Op basis hiervan is er bij het proces geen sprake van grotere volumes aardgas/geogas onder druk. Om deze reden is voor de productiefase geen QRA uitgevoerd (in overeenstemming met het Bkl, bijlage 7, onder E, activiteit 11: Mijnbouwwerk; er is hier geen sprake van gevaarlijke stoffen zoals daar genoemd). Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de risicoeffecten gering zijn en er ten aanzien van het thema veiligheid geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. g.
Risico’s voor de menselijke gezondheid Mede op basis van de beoordeling ten aanzien van water, lucht, licht en geluid is er geen sprake van specifieke risico’s door het voornemen voor de volksgezondheid of voor bijvoorbeeld waterverontreiniging of luchtvervuiling. Risico’s voor de menselijke gezondheid worden op basis van de gebruikte stoffen, de afstand tot verblijfslocaties en de verwachte afwezigheid van aanzienlijke effecten uitgesloten. II.
De locatie van het project
a. Het bestaande en goedgekeurde landgebruik Het plangebied is gelegen in agrarisch gebied op een perceel aan de Zuiderbosweg 4 en Noordscharwouderpolderweg 11 te Heerhugowaard. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Heerhugowaard, sectie S, nummers 2302 en 1540. Het plangebied is in het op 25 oktober 2016 vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied 2014’ bestemd als Agrarisch. Dit geldende bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard dat vanaf 20 maart 2024 in werking is. De locatie is bereikbaar via de Noordscharwouderpolderweg. De aanleg van vier boorkelders maakt onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning, onderdeel bouw- en (buitenplanse)omgevingsplanactiviteiten, waartoe de hier beoordeelde mededeling onderdeel van uitmaakt. Voor een bouwkeet of andere Pagina 41 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
hulpconstructie die functioneel is voor werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk is op basis van artikel 2.27, onderdeel j, en artikel 2.29, onderdeel q, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) geen omgevingsvergunning vereist.
DGRGG-DTDO / V-85196
Er is geen sprake van zodanig belangrijke gevolgen voor het bestaande en te zijner tijd goed te keuren landgebruik dat hiervoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld. b.
Relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen in het gebied en de ondergrond ervan
De invloed van het boren is tijdelijk. De plaatsing van het verplaatsbare mijnbouwwerk, het aanbrengen van boorkelders en heipalen in de grond kunnen tot een lokale bodemverstoring leiden. De bodemverstoring is relatief gering, niet structureel en zeer plaatselijk van aard. Op basis van een archeologische studie, bestaande uit een bureaustudie en inventariserend veldonderzoek, uitgevoerd in 2019 zijn de percelen waarop de activiteiten gepland staan archeologisch vrijgegeven door het bevoegd gezag. Uit de kaarten van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen provinciale monumenten of provinciaal beschermde structuren zijn aangewezen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische of landschappelijke waarden. c.
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor diverse typen gebieden Op ongeveer 9 kilometer afstand bevindt zich het Natura-2000-gebied Schoorlse Duinen. Uit de Rapportage berekening stikstof volgt dat er door de voorgenomen activiteit geen stikstofdepositie optreedt op Natura 2000-gebieden. De projectlocatie is niet gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebeid met beschermde status zoals een grondwaterbeschermingsgebied.
III.
Soort en kenmerken van het potentiële effect
a. De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten Uit de mededeling volgt dat het bereik van de potentiële (negatieve) effecten van het project beperkt blijft tot de directe omgeving van het plangebied. b. De aard van het effect De potentiële effecten van het project zijn lokaal en (deels) tijdelijk van aard. Deze effecten zijn gering en hebben geen aanzienlijke gevolgen.
Pagina 42 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
c. Het grensoverschrijdende karakter van het effect Op basis van de mededeling blijft het bereik van de potentiële (negatieve) effecten van het project beperkt tot de directe omgeving van het perceel aangeduid als gemeente Heerhugowaard, sectie S, nummers 2308 en 1540. Er is dus geen sprake van een grensoverschrijdend effect.
DGRGG-DTDO / V-85196
d. De intensiteit en de complexiteit van het effect Uit de mededeling volgt dat de effecten van de werkzaamheden beperkt zijn qua intensiteit en complexiteit. Er worden geen vervolgeffecten of indirecte effecten verwacht. e. De waarschijnlijkheid van het effect Per milieuthema is omschreven of (negatieve) milieueffecten te verwachten zijn en welke maatregelen de mogelijke effecten beperkten. In het licht hiervan is de waarschijnlijkheid voor het optreden van een negatief effect door bijvoorbeeld calamiteiten zeer gering. f.
De verwachte aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Het uitvoeren van activiteiten ten behoeve van de diepboringen, het opruimen van de boorlocaties en het aanleggen van de benodigde installaties zijn tijdelijk van aard en nemen maximaal 1,5 jaar in beslag. De booractiviteiten zijn eenmalig. De potentiële effecten van dit deel van het project zijn tijdelijk en beperkt tot een periode van enkele maanden. Gedurende de productiefase blijven (negatieve) milieueffecten, door de toe te passen technieken en te nemen maatregelen en voorzieningen, beperkt. Voor de aangevraagde activiteiten is omschreven of (negatieve) milieueffecten te verwachten zijn en welke maatregelen de mogelijke effecten beperkten. Er is geen sprake van onomkeerbare effecten. g.
De cumulatie van het effect met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten
Op het moment van indiening en tijdens de totstandkoming van dit advies zijn geen andere projecten bekend die cumulatie zouden kunnen veroorzaken met het in de mededeling omschreven project. h. De mogelijkheid om het effect doeltreffend te verminderen Met behulp van in de mededeling beschreven toe te passen maatregelen, zoals SCR-technologie[1], bodembeschermende voorzieningen en geluidbeperkende maatregelen, worden de potentiële effecten tegengegaan of in voldoende mate beperkt. Op deze manier worden per onderdeel de effecten van het project zo klein mogelijk gehouden.
Pagina 43 van 44
DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond
Conclusie Op basis van de verstrekte informatie blijkt dat het voorgenomen project geen aanzienlijke effecten op het milieu heeft. Een nadere afweging van de milieueffecten door het opstellen van een milieueffectrapport is niet vereist.
[1]
DGRGG-DTDO / V-85196
Selectieve katalytische reductie is een chemisch proces waarbij stikstofoxiden met een
reductiemiddel chemisch worden omgezet tot atmosferische stikstof (N2) en water.
Pagina 44 van 44