CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9. Advies met instemming Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Aardwarmtewinning Altongebied Bindend advies15.254 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

Gemeente Dijk en Waard College van burgemeester en wethouders Parelhof 1 1703 EZ Heerhogowaard

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/kgg

Datum Betreft

26 september 2025 Advies omgevingsvergunning mijnbouw, aanleggen en exploiteren mijnbouwwerk HVC Warmte.

Ons kenmerk DGRGG-DTDO / V-85196 Uw kenmerk Bijlage(n)

Advies met instemming Geacht college, Hierbij ontvangt u het advies van de Minister van Klimaat en Groene Groei over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en exploiteren van het mijnbouwwerk HVC Warmte BV, Postbus 9199, 1800 GD te Alkmaar voor de locatie gelegen tussen de Zuiderbosweg 4 en Noordscharwouderpolderweg 11 te Heerhugowaard. In dit advies wordt nader gemotiveerd hoe tot dit advies is gekomen. Het advies is als volgt opgebouwd: 1. Onderwerp; 2. Procedurele Aspecten; 3. Inhoudelijke beoordeling; 4. Adviezen en instemming; Bijlage I: Voorschriften Bijlage II: Mer-beoordeling

Pagina 1 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

DGRGG-DTDO / V-85196

ONDERWERP ............................................................................................................................... 4 1.1.

De aanvraag ................................................................................................................... 4

1.2.

Omschrijving van het mijnbouwwerk .................................................................... 4

1.3.

Inhoud van de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de mba ......5

PROCEDURELE ASPECTEN ..................................................................................................... 6 2.1.

Betrokken bestuursorgaan ........................................................................................ 6

2.2.

Vergunde situatie.......................................................................................................... 6

2.3.

Vergunningplicht milieubelastende activiteiten ................................................. 6

2.4.

Ontvankelijkheid ........................................................................................................... 6

2.5.

Advies SodM ................................................................................................................... 7

2.6.

Milieueffectenbeoordeling .......................................................................................... 7

2.7.

Activiteiten die de natuur betreffen ....................................................................... 7

BEOORDELING VERGUNNINGAANVRAAG ........................................................................ 8 3.1.

Het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk...................................8

3.2.

Werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk ...............................8

3.3.

Participatie ...................................................................................................................... 9

3.4.

Zorgplicht....................................................................................................................... 10

3.5.

Milieuverontreiniging algemeen ............................................................................ 10

3.6.

Functioneel ondersteunende activiteiten ........................................................... 11

3.7.

Emissies naar de lucht .............................................................................................. 12

3.8.

Geur ................................................................................................................................. 14

3.9.

Emissies naar het water en waterbesparing..................................................... 15

3.10.

Emissies naar de bodem .......................................................................................... 16

3.11.

Afvalstoffen ................................................................................................................... 18

3.12.

Beste beschikbare technieken ............................................................................... 20

3.13.

Doelmatig energie gebruik ...................................................................................... 21

3.14.

Externe veiligheid ....................................................................................................... 22

3.15.

Ongevallen voorkomen / gevolgen beperken .................................................. 23

3.16.

Ongewone voorvallen ................................................................................................ 23

3.17.

Geluid .............................................................................................................................. 23

3.18

Definitieve beëindiging van activiteiten ............................................................. 25

ADVIES EN INSTEMMING..................................................................................................... 26 Pagina 2 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

4.1.

De adviseur .................................................................................................................. 26

4.2.

Inhoud en beoordeling advies van SodM ........................................................... 26

4.3.

Advies Minister Klimaat en Groene Groei .......................................................... 26

4.4.

Instemming Minister Klimaat en Groene Groei ............................................... 27

DGRGG-DTDO / V-85196

Bijlage I: Voorschriften .................................................................................................................. 28 Bijlage II: Mer-beoordeling........................................................................................................... 34

Pagina 3 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

1. 1.1.

ONDERWERP

DGRGG-DTDO / V-85196

De aanvraag

Op 11 maart 2025 heeft het College van Burgemeester & Wethouders van de Gemeente Dijk en Waard advies gevraagd over een aanvraag om een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet (hierna: Ow), ingediend door HVC Warmte B.V. (hierna: de aanvrager). De aanvraag heeft betrekking op de milieubelastende activiteit “het exploiteren van een mijnbouwwerk”, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten op locatie, gelegen tussen de Zuiderbosweg 4 en Noordscharwouderpolderweg 11 te Heerhugowaard (hierna: locatie), in de gemeente Dijk en Waard op de percelen kadastraal ingedeeld, gemeente Heerhugowaard, sectie S2302 en S1540. Concreet wordt verzocht om een advies op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Ow, juncto, artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). De adviesvraag heeft bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (hierna: KGG) zaaknummer V-85196 gekregen. 1.2. Omschrijving van het mijnbouwwerk In de bijlage bij de Ow is een mijnbouwwerk gedefinieerd als een mijnbouwwerk, als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet (hierna: Mbw).

Daar is beschreven dat een mijnbouwwerk een werk is dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werken voor het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, of voor het opslaan van stoffen en werken die samenhangen met die werken. Mijnbouwwerk HVC Warmte BV betreft een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Mijnbouwbesluit (hierna: Mbb), namelijk een werk voor het opsporen en winnen van aardwarmte. Indien boorgaten of werken fysiek met elkaar zijn verbonden, wordt het geheel als een mijnbouwwerk beschouwd. Dit volgt uit het tweede lid van artikel 2 Mbb. Het mijnbouwwerk bestaat uit twee doubletten (twee productie putten en twee injectieputten), pompen/motoren, filters, een warmtewisselaar, stikstofgenerator en buffertanks, trafo’s, voeding- en schakelkasten ten behoeve van elektriciteit, en gasketels en een warmtepomp ten behoeve van de hulpwarmtecentrale. Bij de productieputten zal ook (aard)gas mee naar boven komen. Hierbij is het uitgangspunt dat dit gas onder druk in het formatiewater blijft en samen met het afgekoelde formatiewater wordt teruggebracht in de diepe ondergrond. De hoeveelheid (aard)gas is ter plaatse namelijk beperkt. De voorzieningen voor afscheiding en verbranding zijn kostbaar en niet kosteneffectief gelet op de Pagina 4 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

DGRGG-DTDO / V-85196

te verwachten kosten in verhouding tot de opbrengst. De aanvraag heeft betrekking op het aanleggen, door middel van vier diepboringen, en het exploiteren van een mijnbouwwerk. De kernactiviteit is de milieubelastende activiteit (hierna: mba) mijnbouw, die is aangewezen in artikel 3.320 van het Bal. 1.3. Inhoud van de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de mba De vergunningaanvraag bestaat uit de volgende documenten: Datum 7 februari 2025 29 januari 2025 27 januari 2025 27 januari 2025 31 januari 2025 19 oktober 2018 3 september 2025 3 september 2025 7 februari 2025 31 januari 2025 8 juli 2025 26 november 2024 11 augustus 2025 17 oktober 2024 8 juli 2024 13 augustus 2019 29 juli 2019 18 oktober 2024 11 september 2019 31 januari 2025

Document naam Toelichting op de aanvraag milieubelastende activiteit mijnbouwwerk Bijlage 1, Topografische situatie Bijlage 1, Equipment Layout T207 Bijlage 1, Situatie locatie Bijlage 1, Situatie nieuw Bijlage 2, Verkennend bodemonderzoek twee terreinen aan de Noordscharwouderpolderweg te Heerhugowaard Bijlage 3, Bodemrisico-inventarisatie boorfase Bijlage 4, Bodemrisico-inventarisatie aanleg en productie Bijlage 5, Stikstofdepositie onderzoek aanleg- en boorfase Bijlage 6 Stikstofdepositie onderzoek productiefase Bijlage 7 Akoestisch onderzoek aanlegfase Bijlage 8 Akoestisch onderzoek boorfase Bijlage 9 Akoestisch onderzoek productiefase Bijlage 10 Kwantitatieve risicoanalyse Bijlage 11 Onderzoek ontplofbare oorlogsresten Bijlage 12 Archeologisch onderzoek Bijlage 13 Toetsing archeologisch onderzoek

7 februari 2025 2 mei 2025

Bijlage 14 Natuurtoets Bijlage 15 Geohydrologisch onderzoek Bijlage 16 Luchtkwaliteitsonderzoek Bijlage 17 Process Flow Diagram Bijlage 18 Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling Beantwoording vragen advies SodM

3 september 2025

Beantwoording aanvullende vragen KGG

Kenmerk Revisie 00 DO DO DO DO 01.1.1.00 Revisie 00 0486957 0486957 Revisie 00 Revisie 00 Revisie 0A Revisie 0B Revisie 02 Revisie 00 Revisie 01 Revisie 00 NMF-2019-197MdH Revisie 00 Revisie 00 Revisie 00 Revisie 00 2505020486957-03 0486957.100

Pagina 5 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

2.

PROCEDURELE ASPECTEN

DGRGG-DTDO / V-85196

2.1. Betrokken bestuursorgaan Ingevolge artikel 4.29, eerste lid, van het Omgevingsbesluit (hierna: Ob) is de Minister van Economische Zaken en Klimaat aangewezen als betrokken bestuursorgaan om te adviseren op de aanvraag om een omgevingsvergunning indien de aanvraag betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Bal, voor zover het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Gelet op artikel 4.29, derde lid, van het Ob, behoeft de voorgenomen beslissing op de aanvraag, ook instemming van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Sinds het aantreden van het nieuwe kabinet op 2 juli 2024 is deze bevoegdheid belegd bij de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: ik). 2.2. Vergunde situatie Er zijn niet eerder omgevingsvergunningen voor de aangevraagde mba (aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk) op voorliggende locatie verleend. 2.3. Vergunningplicht milieubelastende activiteiten Volgens artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Ow juncto, artikel 3.321, eerste lid, van het Bal is voor de mba ‘het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk’ een omgevingsvergunning vereist. De vergunningplicht geldt ook voor milieubelastende activiteiten die het exploiteren op dezelfde locatie functioneel ondersteunen. De vergunningaanvraag ziet hierop.

2.4. Ontvankelijkheid De aanvraag is getoetst aan paragraaf 7.2.1, 7.2.3 en 7.2.3.11 van de Omgevingsregeling (hierna: Or). Aanvullingen In verband met het ontbreken van een aantal gegevens is de aanvrager op 31 maart 2025 in de gelegenheid gesteld om de vergunningaanvraag aan te vullen. De aanvullende gegevens zijn op 2 mei 2025 ontvangen. De termijn is hiermee met 33 dagen opgeschort. In verband met het nog ontbreken van een aantal gegevens is een tweede verzoek om aanvullingen op 17 juli 2025 gevraagd. De aanvullende gegevens zijn op 18 augustus en 3 september 2025 ontvangen. De termijn is hiermee met 47 dagen opgeschort.

Pagina 6 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Na ontvangst van de aanvullende gegevens is de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid.

DGRGG-DTDO / V-85196

De aanvraag bevat voldoende informatie voor een goede beoordeling van de gevolgen van de aangevraagde mba’s op de fysieke leefomgeving. Het verzoek om advies is dan ook in behandeling genomen. 2.5. Advies SodM Voor het opstellen van een volledig advies is op grond van artikel 127, eerste lid, onder b, van de Mijnbouwwet, de inspecteur generaal der mijnen van het Staatstoezicht op de Mijnen (Sodm) in de gelegenheid gesteld om op de vergunningaanvraag in het kader van het advies te adviseren. In paragraaf 4.1 wordt nader ingegaan op dit advies. 2.6. Milieueffectenbeoordeling Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, van het Ob bevat de projecten waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Op grond van artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de Ow, in samenhang met artikel 11.6, tweede lid, van het Ob, moet die beoordeling worden gedaan. Onderdeel van het project is het uitvoeren van vier ‘diepboringen’ zoals genoemd in categorie B4 van bijlage V, behorend bij het Ob. Diepboringen zijn boringen dieper dan 100 meter. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Voor het opstoken van de watertemperatuur en voor de back-up zijn 4 gasgestookte ketels aanwezig. Deze ketels vallen onder categorie C1 van bijlage V.

Ook hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Er is geen noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport, omdat er geen aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de diepboring worden verwacht. In bijlage II bij dit advies is dit nader gemotiveerd. 2.7. Activiteiten die de natuur betreffen Het Bal bevat algemene regels rondom de bescherming van soorten en Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Gelet op artikel 11.18, eerste lid, van het Bal is het verboden om activiteiten te verrichten zonder een vergunning, als deze activiteiten mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben. Bij het uitvoeren van een flora- en fauna-activiteit moet de uitvoerder van de activiteit kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 11.27 van het Bal. Pagina 7 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

De procedure voor het aanvragen van een vergunning voor een Natura 2000activiteit of een flora en fauna-activiteit betreft een andere procedure, waarvoor de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna: LVVN) dan wel Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) bevoegd is. Het onderwerp natuur wordt derhalve in dit advies niet verder behandeld.

3.

DGRGG-DTDO / V-85196

BEOORDELING VERGUNNINGAANVRAAG

Bij de beoordeling van de aanvraag is getoetst aan de criteria als genoemd in artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). In de onderstaande paragrafen wordt nader toegelicht of de algemene regels toereikend zijn dan wel in hoeverre het noodzakelijk is om voorschriften aan de vergunning te verbinden. 3.1. Het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk In artikel 3.320 Bal wordt ‘het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk’ als mba aangewezen. Onder artikel 3.322 is opgenomen welke algemene regels van toepassing zijn. Vergunninghouder moet voldoen aan de algemene regels over (artikel 3.322, tweede lid, Bal): a. verduurzaming van het energiegebruik, in paragraaf 5.4.1 van het Bal; b. zeer zorgwekkende stoffen, in paragraaf 5.4.3 van het Bal; c. emissies naar de lucht, in paragraaf 5.4.4 van het Bal; In onderstaande paragrafen zijn deze milieuaspecten beoordeeld. 3.2. Werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk De aanwijzing in artikel 3.320 Bal ‘het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk’ omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de aanleg en exploitatie functioneel ondersteunen.

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.320, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht moet worden voldaan aan de regels voor werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, bedoeld in paragraaf 4.109 van het Bal, voor zover het gaat om: a. het aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; of b. het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk. Dit volgt uit artikel 3.322, eerste lid, Bal. In de vergunningaanvraag is beschreven dat er vier diepboringen worden aangelegd. Dit met het oog op de aanleg van 2 doubletten. De werkzaamheden worden uitgevoerd met een verplaatsbaar mijnbouwwerk. Uit de aanvraag volgt

Pagina 8 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

dat voldaan kan worden aan de regels over werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, als bedoeld in paragraaf 4.109 van het Bal.

DGRGG-DTDO / V-85196

De effecten die optreden tijdens de boringen zijn van tijdelijke aard. De boringen ten behoeve van de aanleg van de productieputten worden uitgevoerd in een continurooster (24 uur, 7 dagen per week). De duur van de werkzaamheden is afhankelijk van de weersomstandigheden, techniek en het resultaat van de boring. Vooralsnog wordt uitgegaan van een boorperiode van circa 40 dagen per boring, totaal circa 160 dagen. De algemene regels met betrekking de activiteiten met het verplaatsbaar mijnbouwwerk, zoals opgenomen in paragraaf 4.109 van het Bal, zijn rechtstreeks werkend. Uit de aanvraag volgt dat met het nemen van maatregelen zoals een geluidsscherm of het verlagen van het geluidsvermogen van de topdrive voldaan kan worden aan de binnen geluidniveau van 30 dB(A) voor het langtijdgemiddelde in de nachtperiode zoals aangegeven in tabel 4.1121a. Uit artikel 4.1121a volgt dat beoordeling van het maximale geluidsniveau niet van toepassing is op het laden en lossen, transportbewegingen, pipehandling en het verbranden van gas of aardgas in de openlucht. Buiten deze activiteiten om zijn er geen relevante activiteiten voor het maximale geluidsniveau. Gelet op de algemene regels opgenomen in het Bal is het niet nodig om nadere voorschriften ten aanzien van een verplaatsbaar mijnbouwwerk aan de omgevingsvergunning te verbinden.

Ik merk verder op dat hoofdstuk 8 van de Mijnbouwregeling (hierna: Mbr) uitputtende regels bevat ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van boorgaten en de uitvoering en inrichting van putten. De regels van hoofdstuk 8 van de Mbr zijn rechtstreeks werkend. Ik ben daarom van oordeel dat het ten aanzien van boorgaten en putten niet nodig is om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. 3.3. Participatie Participatie is het inwinnen van meningen over het voorgenomen project door onder andere burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties. Op grond van artikel 7.4 van de Or bestaat de plicht bij de aanvraag van een omgevingsvergunning aan te geven of en hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat daarbij de resultaten van de betrokkenheid zijn. In de vergunningaanvraag is beschreven dat de omgeving en stakeholders zijn geïnformeerd door het organiseren van informatiebijeenkomsten. Zo heeft de aanvrager op 15 oktober 2024 een bijeenkomst georganiseerd voor de ontwikkelingen in het Alton gebied (waar de locatie gelegen is) en is op 5 november 2024 een bijeenkomst georganiseerd voor dertig direct omwonenden. De opgehaalde input wordt door de aanvrager meegenomen in de verdere ontwikkeling van het project. Gelet op voorgaande is invulling gegeven aan artikel 7.4 van de Or. Pagina 9 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

3.4. Zorgplicht

DGRGG-DTDO / V-85196

Algemene zorgplicht Artikel 1.6 van de Ow stelt dat een iedere voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 van de Ow stelt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht staat in artikel 2.11 van het Bal. Het eerste lid van artikel 2.11 van het Bal is gelijkluidend aan artikel 1.7 van de Ow. In het tweede lid van artikel 2.11 van het Bal is aangegeven dat voor mba’s de specifieke zorgplicht in ieder geval inhoudt dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e.

alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Ow; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Mijn advies is om geen voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden voor activiteiten of aspecten, die reeds voldoende worden gedekt door de specifieke zorgplicht. 3.5. Milieuverontreiniging algemeen Bij het advies over de vergunningaanvraag is overeenkomstig artikel 8.9, eerste lid onder a, c en d van het Bkl beoordeeld of milieuverontreiniging door de activiteit: geïntegreerd wordt voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, wordt beperkt; Pagina 10 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

-

er geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met het omgevingsplan; alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen.

DGRGG-DTDO / V-85196

Uit de aanvraag voor de omgevingsvergunning blijkt dat milieuverontreiniging zoveel als mogelijk geïntegreerd wordt beperkt en passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen door het toepassen van de beste beschikbare techniek. Dit komt bij de milieuaspecten en de afweging van de beste beschikbare technieken verder aan bod. 3.6. Functioneel ondersteunende activiteiten Op grond van artikel 3.320, tweede lid van het Bal omvat de aanwijzing voor de mba mijnbouw ook alle milieubelastende functioneel ondersteunende activiteiten (hierna: foa’s). Foa’s zijn mba’s op dezelfde locatie, die de functie van de kernactiviteit ondersteunen. Een foa kan een activiteit zijn waarvoor rijksregels gelden. Hoofdstuk 3 van het Bal wijst de mba’s aan waarvoor rijksregels gelden. Naast de rijksregels kan er ook sprake zijn van een activiteit waarvoor het Bal geen specifieke regels stelt. Voor de foa’s die onder reikwijdte van hoofdstuk 3 van het Bal vallen gelden de algemene regels zoals opgenomen in de aangewezen paragrafen. Voor exploiteren van het mijnbouwwerk geldt dat een aantal milieubelastende activiteiten de mba mijnbouw functioneel ondersteunt. De volgende paragrafen zijn van toepassing op de foa’s uit de aanvraag. -

-

-

Diesel generator o Paragraaf 3.2.1: het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kilowatt als bedoeld in (met algemene regels in paragraaf 4.126); Vier gasgestookte ketels van ieder 10 MWth o Paragraaf 3.2.1: het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kilowatt als bedoeld in (met algemene regels in paragraaf 4.126); Opslag van diesel in een bovengrondse opslagtank als bedoeld in paragraaf 3.2.8 (met algemene regels in paragraaf 4.94); Ammoniakkoelinstallatie met maximaal 1.500 Kg als bedoeld in paragraaf 3.2.5. (met algemene regels in paragraaf 4.33). het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking maximaal 10 ton per opslag voorziening als bedoeld in paragraaf 3.2.9 (met algemene regels in paragraaf 4.98);

De foa’s komen bij de milieuaspecten verder aan de orde.

Pagina 11 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

3.7. Emissies naar de lucht

DGRGG-DTDO / V-85196

In de vergunningaanvraag is beschreven dat emissies naar de lucht in de boorfase worden veroorzaakt door de dieselaggregaat en in de operationele fase door de gasgestookte ketels en de fakkelinstallatie. Stookinstallaties operationele fase In artikel 3.4 Bal wordt als mba aangewezen het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 100 kW. Uit de aanvraag volgt dat er vier aardgasgestookte ketelinstallaties aanwezig zijn met ieder 10 MW aan vermogen. Diesel aggregaat boorfase Voor de emissies van stookinstallaties zoals dieselmotoren gelden de rechtstreeks werkende regels van paragraaf 4.126 van het Bal. Het is niet nodig om nadere voorschriften ten aanzien van stookinstallaties aan het besluit te verbinden omdat de algemene regels toereikend zijn. Gasketels hulpwarmtecentrale Voor de emissies van stookinstallaties zoals gasgestookte ketels gelden de rechtstreeks werkende regels van paragraaf 4.126 van het Bal. Het is niet nodig om nadere voorschriften ten aanzien van stookinstallaties aan de omgevingsvergunning te verbinden omdat de algemene regels toereikend zijn. Fakkel Op grond van artikel 38, eerste lid van het Mbb is het verboden op een mijnbouwwerk aardgas af te blazen of af te fakkelen in de open lucht dan wel andere verontreinigende stoffen uit te stoten.

Dit geldt niet indien het afblazen of affakkelen van aardgas, dan wel de uitstoot van andere verontreinigende stoffen onvermijdelijk is voor een normale bedrijfsvoering in het mijnbouwwerk. In dat geval moeten alle maatregelen worden getroffen om schade ten gevolge van het afblazen of affakkelen van aardgas dan wel de uitstoot van andere verontreinigende stoffen zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Uit de aanvraag volgt dat er tijdens de productiefase (normale bedrijfsvoering) geen gas wordt gewonnen uit het formatiewater. Het systeem wordt op druk gehouden waardoor het gas in het water opgelost blijft en mee terug gaat met de retourstroom terug in de formatie. Er kan wel gas vrijkomen in het geval er onderhoud nodig is van de installatie. Daarnaast komt er tijdelijk gas vrij op het moment dat de put schoon moet worden geproduceerd in de testfase. Verplaatsbaar mijnbouwwerk In het geval van een verplaatsbaar mijnbouwwerk wordt op grond van artikel 4.1122 van de Mbr wordt een mijnbouwfakkel gebruikt met een rendement van ten minste 99%. Pagina 12 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Fakkelen productiefase In de vergunningaanvraag is beschreven dat een fakkel aanwezig is. De fakkel is ontworpen voor het fakkelen van aardgas als er voor onderhoud- en/of storing in een deel van het systeem de druk verlaagd moet worden. Bij navraag is gebleken dat het om een mobiele mijnbouwfakkel gaat die bij onderhoud aanwezig is. Vanwege de veiligheid zal deze fakkel zich op een veilige plaats moeten bevinden. Daarnaast moet een fakkel zijn ontworpen met een rendement van 99%. Gelet op het moeten fakkelen in het geval van onderhoud en storingen is het advies om voorschriften aan het besluit te verbinden ten aanzien van de situering van de fakkelinstallatie en het rendement van de fakkel.

DGRGG-DTDO / V-85196

Diffuse emissies Uit de aanvraag volgt dat het gas dat mee kan komen met het formatiewater onder druk in het systeem blijft. Gelet daarop zijn er geen diffuse emissies te verwachten. Rekening houdend met de rechtstreeks werkende (zorplicht)bepalingen van het Bal is het niet noodzakelijk om voorschriften ten aanzien van diffuse emissies aan de omgevingsvergunning te verbinden. Omgevingswaarden Bij de beslissing op de vergunningaanvraag is, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, overeenkomstig artikel 8.9, eerste lid, onder b, van het Bkl beoordeeld of emissies naar de lucht worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, beperkt. Ingevolge artikel 8.17, eerste lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van de volgende stoffen, de omgevingsvergunning alleen verleend als de volgende omgevingswaarden in acht worden genomen: a. b. c. d. e. f. g. h.

zwaveldioxide, als bedoeld in artikel 2.3; stikstofdioxide, als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid; stikstofoxiden, als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid; PM10, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid; PM2,5, als bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, onder a; benzeen, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid; lood, als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid; en koolmonoxide, als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.

De belangrijkste te onderscheiden emissies zijn stikstofoxiden (hierna: NOx) en fijn stof (hierna: PM10). De totale emissie van NOx is berekend op 0,18 μg/m3 NOx per jaar, hetgeen overeenkomt met een verwaarloosbaar kleine bijdrage aan de luchtkwaliteit. Hetzelfde geldt voor PM10 namelijk 0,01 μg/m3. Deze hoeveelheden zijn dermate laag dat sprake is van een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage aan de luchtkwaliteit. Dit blijkt eveneens uit het luchtkwaliteitsonderzoek van Antea met datum 31 januari 2025 (bijlage 16 bij de aanvraag).

Pagina 13 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Er zijn geen andere emissies te verwachten die van invloed zijn op de hiervoor genoemde omgevingswaarden.

DGRGG-DTDO / V-85196

Algemene regels Bal Bij de aanleg en de exploitatie van een mijnbouwwerk, inclusief andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat aanleggen en exploiteren functioneel ondersteunen, wordt voldaan aan de rechtstreeks werkende regels over: o zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3 van het Bal; o emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4 van het Bal. Gelet op voorgaande is de luchtkwaliteit in samenhang met de luchtemissies in voldoende mate beschouwd, er zijn in de omgevingsvergunning geen aanvullende voorschriften noodzakelijk. 3.8. Geur Omgevingsplan Het Nederlandse geurbeleid is voornamelijk op decentraal niveau geregeld. Het voorkomen of beperken van geurhinder is onderdeel van de belangen die het Bal behartigt en maakt onderdeel uit van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Landelijk zijn in het Bal alleen voor een beperkt aantal mba’s specifieke regels over geur gesteld. Daarnaast gelden de regels uit de bruidsschat omgevingsplan, hierin zijn tijdelijke geurregels opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de bruidsschat omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard. Paragraaf 22.3.6 van de bruidsschat omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard stelt regels aan mba’s voor het houden van landbouwhuisdieren, agrarische activiteiten en geur door een zuivering technisch werk.

De aanvraag om de omgevingsvergunning ziet niet op één van deze activiteiten. Mba’s Als algemene doelstelling voor mba’s geldt het zoveel mogelijk beschermen van de gezondheid en het voorkomen of beperken van geurhinder, zoals bedoeld in artikel 2.2 eerste lid en artikel 2.11 van het Bal. Voor zover de geurregels in de bruidsschat omgevingsplan niet afdoende zijn om deze doelstelling te bereiken, kan met het stellen van vergunningvoorschriften de geuremissie worden beperkt. Cumulatie kan een reden zijn om strengere waarden te stellen dan de waarden of afstanden die in de bruidsschat omgevingsplan zijn opgenomen voor een individuele activiteit. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een mba moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, als bedoeld in artikel 8.9 van het Bkl, rekening worden gehouden met cumulatie van geurhinder.

Pagina 14 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Beoordeling Uit de aanvraag volgt dat geurhinder redelijkerwijs niet te verwachten is. Gelet op voorgaande is het ook niet nodig om ten aanzien van dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

DGRGG-DTDO / V-85196

3.9. Emissies naar het water en waterbesparing Bij de beslissing op de vergunningaanvraag is, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, overeenkomstig artikel 8.9, eerste lid, onder b, van het Bkl beoordeeld of emissies naar het water worden voorkomen of wanneer dat niet mogelijk is, beperkt. Uit de aanvraag volgt dat het water dat van het terrein afvloeit middels goten naar een hemelwaterput met een afsluitbare afvoerleiding wordt geleid. Indien sprake is van schoon hemelwater, wordt dit geloosd op het oppervlaktewater. Er zijn geen lozingen tijdens werkzaamheden waarbij er een kans is op verontreiniging van afvloeiend hemelwater omdat de afvoerleiding in dat geval wordt afgesloten. Het potentieel verontreinigde hemelwater en reinigingswater wordt opgeslagen in de hemelwaterput en op afroep afgevoerd naar een erkend verwerker. Wat betreft het testwater is de aanvrager voornemens dit op te slaan in een verticale tank van 1000 m3 om het te zuiveren en te lozen op zout oppervlaktewater. Voor deze activiteit is een omgevingsvergunning of een advies met afstemming vereist van Rijkswaterstaat of een waterschap afhankelijk van het ontvangende oppervlaktewater, derhalve wordt dit in voorliggend advies verder buiten beschouwing gelaten.

Indien de gewenste lozing op een oppervlaktewater niet mogelijk is, wordt het testwater afgevoerd naar een erkend verwerker, of terug geïnjecteerd middels de retourstroom van afgekoeld productiewater naar de diepe ondergrond. Vanuit de aangevraagde mba’s vinden geen andere afvalwaterlozingen plaats dan dat van huishoudelijke aard en regulier schoonmaakwater bij dat vrijkomt bij reguliere bedrijfsvoering. Verontreinigd afvalwater wordt afgevangen en gescheiden ingezameld. Het schoon hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waterbesparing Voor de winning van drinkwater zijn energie en grondstoffen nodig. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de oogmerken van de regels over mba’s (het zuinig gebruik van energie en grondstoffen). Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Bij het exploiteren van het mijnbouwwerk wordt geen drinkwater verbruikt anders van voor huishoudelijk doeleinden. Pagina 15 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Conclusie Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om voorschriften ten aanzien van het onderwerp water en waterbesparing aan de omgevingsvergunning te verbinden. 3.10.

DGRGG-DTDO / V-85196

Emissies naar de bodem

Algemeen Bodemrisico’s worden veroorzaakt door activiteiten, waarbij bodembedreigende stoffen worden gebruikt die op of in de bodem terecht kunnen komen. Er is dan sprake van een bodembedreigende activiteit. De vergunninghouder moet per bodembedreigende activiteit een combinatie van voorzieningen en maatregelen (hierna: cvm) treffen om het bodemrisico te reduceren. Door het treffen van een cvm kan: • voorkomen worden dat stoffen vrijkomen en • voorkomen worden dat vrijgekomen stoffen zich naar en in de bodem verspreiden. Bij het treffen van een cvm moet de vergunninghouder van de mba de beste beschikbare technieken (hierna: BBT) toepassen. In bijlage XVIII, onder a, van het Bkl is het informatiedocument over BBT voor bodembescherming opgenomen, “Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen” (hierna: BB-cvm). De beste beschikbare technieken in het BB-cvm zijn ingedeeld in categorieën van bodembedreigende activiteiten, met de daarbij behorende tabellen van cvm’s. Bij de beoordeling van de gekozen voorzieningen en maatregelen is rekening gehouden met het BB-cvm en de algemene beoordelingsregels § 8.5.1.1 van het Bkl. De bodembedreigende activiteiten met de toegepaste maatregelen zijn in de volgende bijlagen van de aanvraag omschreven: Bijlage 3 Bodemrisico-inventarisatie t.b.v. boorfase, datum 3 september 2025 Bijlage 4 Bodemrisico-inventarisatie t.b.v.

reguliere bedrijfsvoering, datum 3 september 2025 De omschreven maatregelen voldoen aan de BB-cvm en het Bal. Verticale testwater opslagtank Voor de verticale opslagtank voor het testwater (formatiewater) van 1.000 m3 wordt een vergelijking gemaakt met een bassin. De tank bestaat uit een stalen behuizing die aan de binnenzijde dubbelwandig is (uitgevoerd met twee lagen liners (folie)) met lekdetectie. De tank is naar verwachting voor een periode van één maand gevuld met formatiewater en wordt daarna verwijdert. Gelet op de tijdelijkheid van de activiteit valt goed te motiveren dat het eerder een bassin is zoals met 1.4 is bedoeld in de BB-cvm dan een permanente opslagtank met tankputdijken zoals bedoeld in 1.2 van de BB-cvm. Gelet op voorgaande is de Pagina 16 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

verticale opslagtank in overeenstemming met tabel 1.4 van de BB-cvm maatregel I.

DGRGG-DTDO / V-85196

Geothermie Een boring voor de winning van aardwarmte is op veel vlakken vergelijkbaar met boringen naar aardgas, aardolie en zout. Ook bij het boren en winnen van aardwarmte worden mijnbouwhulpstoffen toegepast en is het formatiewater van een dermate kwaliteit dat er sprake is van een bodembedreigende activiteit. Echter zijn de bodembeschermende maatregelen zoals opgenomen in artikel 4.1120, eerste en tweede lid van het Bal enkel van toepassing bij het winnen van koolwaterstoffen. Gelet daarop wordt geadviseerd om op grond van artikel 2.13, eerste en vierde lid van het Bal vergunningvoorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. De in de bijlage I bij dit advies opgenomen voorschriften zijn in lijn met de in artikel 4.1120, eerste en tweede lid van het Bal beschreven bodembeschermende voorzieningen. Omdat activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken geregeld plaatsvinden en naast die activiteiten ook regulier onderhoud wordt uitgevoerd aan het spuitkruis, is een voorschrift opgenomen met de verplichting dat in ieder geval de putkelder te allen tijde moet zijn uitgevoerd als een aaneengesloten bodemvoorziening. Uit de aanvraag volgt dat de cvm’s in overeenstemming zijn met het Bal en de BB-cvm.

Voor de mba’s die niet door de algemene regels van het Bal worden gereguleerd, adviseer ik om voorschriften ten aanzien van de bodembeschermende maatregelen aan de omgevingsvergunning te verbinden. In paragraaf 3.4 van dit advies wordt nader ingegaan op de specifieke zorgplicht van het Bal, die ook voor het aspect bodem van belang is. Bodemonderzoek Op grond van artikel 7.152, in combinatie met 7.27, aanhef en onder c, van de Or is, als bodembedreigende stoffen worden gebruikt, bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of het exploiteren mijnbouwwerk, een rapport van een bodemonderzoek verplicht dat is verricht om de kwaliteit van de bodem en het grondwater vast te stellen (nulsituatie bodemonderzoek). Door het bodemonderzoek dat bij de aanvraag is gevoegd van Anteagroup, datum 19 oktober 2018, is de nulsituatie van de bodemkwaliteit voldoende vastgelegd. Op grond van artikel 5.3 van het Bal, wordt bij het beëindigen van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 van het Bal een bodemonderzoek verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen (eindsituatie bodemonderzoek). Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waarop de activiteit is verricht. Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740.

Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Pagina 17 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Er geldt een verplichting om de eindsituatie bodemonderzoek vast te stellen voor de volgende bodembedreigende activiteiten: § 4.94. Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtank [art 4.928 Bal] § 4.98. Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking [art 4.1007 Bal] § 4.109 Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk [art 4.1120 en art 4.1116 Bal] bij het beëindigen van de geboorde putten.

DGRGG-DTDO / V-85196

Naast de in het Bal vastgelegde verplichting voor het uitvoeren van een eindsituatie onderzoek is het ook in de volgende gevallen van belang dat er een eindsituatie onderzoek wordt uitgevoerd bij het beëindigen van de activiteit of exploiteren van het mijnbouwwerk: Verticale opslagtank voor het testwater (formatiewater) De hemelwater bassin (waterbak waar de goten op uitlopen) Ruimtes waar filters worden vervangen, de schrobput van het pomphuis en andere onderdelen van de installatie waar bodembedreigende activiteiten plaats hebben gevonden. Bij de beëindiging van de activiteit wordt dit eindonderzoek vergeleken met de vastgelegde nulsituatie. Op grond van de resultaten van deze vergelijking wordt beoordeeld of herstel van de bodemkwaliteit noodzakelijk is. Voor de bodembedreigende activiteiten waar geen direct werkende regels voor gelden wordt geadviseerd om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning die de verplichting vastleggen voor het uitvoeren van een eindsituatie bodemonderzoek. 3.11.

Afvalstoffen

Afvalpreventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, (hierna: LAP), is het beleid voor afvalpreventie uitgewerkt. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie. In de Kamerbrief “Stand van zaken uitwerking CMP1” van 24 juni 2022 is aangekondigd dat de opvolger van het LAP, het Circulair Materialenplan (CMP1), meer informatie zal bevatten over grondstofgebruik en het voorkomen dat een materiaal of product te snel afval wordt en dat het CMP1 meer handvatten zal bieden om die kaders daadwerkelijk toe te passen bij vergunningverlening. Op grond van artikel 8.10 Bkl (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 8.29 Bkl kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden om invulling te geven aan dit aspect. Bij de booractiviteiten ontstaan de volgende afvalstoffen: Pagina 18 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

-

circa 600 ton boorspoeling op water basis; circa 600 ton boorspoeling op olie basis; circa 4.000 ton boorgruis op water basis; circa 4.000 ton boorgruis op olie basis; 5.000 m3 regen- en rioolwater (afhankelijk van neerslag); circa 100 kg klein gevaarlijk afval; circa 1.000 kg huishoudelijk afval.

DGRGG-DTDO / V-85196

Bij het exploiteren van het mijnbouwwerk ontstaan de volgende afvalstoffen: bedrijfsafvalwater van de schrobputten; afgewerkte olie, poetsdoeken en oliefilters van onderhoud; vrijkomende filters en bezinksels en verontreinigd hemelwater bij onderhoud. Afvalstromen worden gescheiden gehouden en afgevoerd naar een erkend verwerker. Voor de handelingen met mogelijk licht verontreinigde radioactieve filters wordt een aparte toestemming aangevraagd bij de autoriteit nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Gezien de afvalstromen en de getroffen maatregelen om afvalstoffen zo veel als mogelijk her te gebruiken of te verminderen is redelijkerwijs voldoende invulling gegeven aan de preventie van afvalstoffen. Om die reden is het niet nodig om een voorschrift voor een preventieonderzoek dan wel een voorschrift voor aanvullende maatregelen aan de omgevingsvergunning te verbinden. Gescheiden houden van afvalstoffen Bedrijven hebben vaak relatief homogene en schone afvalstoffen die meestal in grote hoeveelheden en geconcentreerd vrijkomen. In die gevallen is het gescheiden houden van deze afvalstoffen relevant. De categorieën afvalstoffen in bijlage II van het Bal zijn de afvalstoffen die gescheiden moeten worden gehouden. In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven.

Tabel 7 uit paragaaf B.3.4.2.2 van het LAP geeft aan welke afvalstoffen in ieder geval moeten worden gescheiden. Tabel 8 uit paragraaf B.3.4.2.3 van het LAP bevat de afvalstoffen waarvoor gescheiden houden vanwege milieu, economische, technische of praktische redenen niet altijd doelmatig is. De tabel beschrijft in welke gevallen deze afvalstoffen gescheiden moeten worden, afhankelijk van de activiteit waar de afvalstof vrijkomt, de frequentie en de omvang. In de vergunningaanvraag is aangegeven welke afvalstoffen gescheiden worden gehouden en gescheiden worden afgevoerd. Toetsing van deze informatie aan de hiervoor genoemde scheidingsregels heeft opgeleverd dat een verdergaande scheiding redelijkerwijs niet kan worden gevraagd. Aanvullende voorschriften zijn gelet daarop niet nodig.

Pagina 19 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Doelmatig beheer van afvalstoffen Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houd ik rekening met het LAP3, waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP3 geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: • preventie; • voorbereiding voor hergebruik; • recycling; • andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; • veilige verwijdering.

DGRGG-DTDO / V-85196

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende be- en verwerkingshandelingen op diverse locaties kan voor de afzonderlijke bewerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. Uit de aanvraag volgt dat de afvalstoffen gescheiden aan een erkende verwerker worden aangeboden. Daarmee draagt het bij aan het doelmatig beheer en verwerking van de afvalstoffen van de erkende verwerker. Gelet daarop is het niet nodig om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden op dit onderwerp. 3.12.

Beste beschikbare technieken

Bij het advies over de vergunningaanvraag is overeenkomstig artikel 8.9, eerste lid, onder d, van het Bkl beoordeeld of de voor de activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Aangezien geen sprake is van een IPPC-installatie zoals bedoeld in de Richtlijn Industriële Emissies, zijn geen BBT-conclusies van toepassing. Bij het nemen van voorliggend besluit is rekening gehouden met de onderstaande informatiedocumenten over beste beschikbare technieken (hierna: BBT) zoals genoemd in de bijlage XVIII, onder A van het Bkl: De relevante BBT-documenten betreffen: • PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0, augustus 202; • Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen, Versie 2020-01, april 2020.

Pagina 20 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Ik ben van oordeel dat uit de vergunningaanvraag blijkt dat de beste beschikbare technieken worden toepast, als bedoeld in artikel 8.10, eerste lid van het Bkl. 3.13.

DGRGG-DTDO / V-85196

Doelmatig energie gebruik

Ingevolge artikel 8.9, eerste lid, onder f, van het Bkl wordt bij de beoordeling van een vergunningaanvraag rekening gehouden met een doelmatig gebruik van energie. Er bestaan vier categorieën van verplichtingen om het energieverbruik te verduurzamen bij activiteiten, ingedeeld naar energieverbruik: • klein verbruik, bij een jaarlijks energieverbruik van minder dan 50.000 kWh elektriciteit en minder dan 25.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen: er gelden geen verplichtingen om het energieverbruik te verduurzamen; • midden verbruik, bij een jaarlijks verbruik tussen 50.000 kWh en 200.000 kWh elektriciteit of tussen 25.000 m³ en 75.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen en warmte: er moet voldaan worden aan de algemene energieeisen uit artikel 5.15 en 5.15a van het Bal; • groot verbruik, bij een jaarlijks verbruik tussen 200.000 kWh en 10.000.000 kWh elektriciteit of tussen 75.000 m³ en 170.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen en warmte: er moet voldaan worden aan de algemene energie-eisen uit het artikel 5.15 en 5.15a van het Bal en er kan een verplichting worden opgelegd om onderzoek te doen naar verduurzaming van het energieverbruik; • zeer groot verbruik, bij een jaarlijks verbruik van meer dan 10.000.000 kWh elektriciteit en / of meer dan 170.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen en warmte: er moet voldaan worden aan de algemene energieeisen uit het

artikel 5.15 en 5.15b van het Bal en er kunnen maatwerkvoorschriften worden opgelegd op energiegebied, zolang de eisen uit artikel 5.15 daarmee niet versoepeld worden. Op basis van de vergunningaanvraag wordt verwacht dat het verbruik 24.000.000 kWh en 1,93 mln m3 aardgas op jaar basis wordt verbruikt. Dit verbruik in een kalenderjaar is groter dan 10.000.000 kWh of 170.000 m3 aardgasequivalenten. Op grond van het tweede lid, onder a, van artikel 3.322, van het Bal, zijn de direct werkende regels voor verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in § 5.4.1 van het Bal van toepassing. Een grootverbruiker moet voldoen aan de algemene energie-eisen uit het artikel 5.15 en 5.15b van het Bal. Hieruit volgt dat er een verplichting is om eens per 4 jaar onderzoek te doen naar alle mogelijke maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar. Alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar moeten worden getroffen.

Pagina 21 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

3.14.

Externe veiligheid

DGRGG-DTDO / V-85196

Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risico's bij industriële activiteiten en het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving. Het betreft risico's die verbonden zijn met onder meer de opslag, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen, voor zover deze stoffen als gevolg van een voorval vrij kunnen komen. De nadruk van het veiligheidsbeleid ligt op een kwalitatieve benadering en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Ingevolge artikel 8.12 van het Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een mijnbouwwerk alleen verleend als een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (hierna: PR) van de activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Op grond van bijlage VII, onder E, nr. 11.2 van het Bkl is, voor werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, het PR van belang. Deze werkzaamheden zijn van tijdelijke aard waardoor aandachtsgebieden voor deze werkzaamheden niet van toepassing zijn.

Het PR is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6, van het Bkl). De aanvrager heeft een kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) ingediend met kenmerk 0486957.100, datum 17 oktober 2024 welke inzicht geeft in de externe veiligheidsrisico’s Plaatsgebonden risico Voor het exploiteren van een mijnbouwwerk moet op grond van artikel 8.12, tweede lid van het Bkl, in combinatie met de bijbehorende bijlage VII, onder E, nr. 11.2 van het Bkl, de grenswaarde voor het PR van de activiteit in acht worden genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Uit de QRA volgt dat het blow out scenario maatgevend is. In de QRA is het plaatsgebonden risicocontour PR = 10-6 berekend. De oriëntatie van de risicocontour valt buiten de begrenzing van de locatie waar de mba’s worden uitgevoerd. Binnen de PR = 10-6 ligt een klein gedeelte van de zijwand/gevel van het naast gelegen kassencomplex. Dit gedeelde is dermate klein dat het niet aannemelijk is dat hier personen voor lange duur kunnen verblijven. Gelet daarop zijn er geen aanvullende maatregelen nodig in het kader van externe veiligheid.

Register externe veiligheidsrisico’s (Hierna: REV) In het Register externe veiligheidsrisico’s worden alle gegevens over externe veiligheidsrisico’s verzameld en beheerd. Op grond van artikel 11.4 van het Bkl Pagina 22 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

zijn in het kader van deze aanvraag de gegevens over het plaatsgebonden risico van belang. Deze gegevens worden na afronding van de vergunningprocedure toegevoegd aan het Register.

DGRGG-DTDO / V-85196

Conclusie externe veilheid Uit de vergunningaanvraag voor de boorfase volgt dat, hoewel er een klein gedeelte van het naast gelegen kassenbedrijf binnen de 10-6 contour valt, het niet aannemelijk is dat daar een extern veiligheidsrisico uit volgt. Voor de exploitatie geldt dat er geen aardgas gewonnen wordt waardoor er ook geen externe veiligheidsrisico’s optreden. Gelet op voorgaande in het niet nodig om aanvullende voorschriften op te nemen in de omgevingsvergunning met betrekking tot externe veiligheid. 3.15.

Ongevallen voorkomen / gevolgen beperken

Ingevolge artikel 8.9, eerste lid onder g, van het Bkl wordt bij de beoordeling van een vergunningaanvraag rekening gehouden met het voorkomen van ongevallen of het beperken van de gevolgen daarvan. In de vergunningaanvraag is, zoals hiervoor al beschreven, een QRA uitgevoerd voor het aanleggen van de boorgaten. Verder wordt de geothermie installatie conform de eisen zoals die gelden op grond van mijnbouwregelgeving en industriële standaards ontworpen waardoor een hoog niveau van veiligheid en beveiliging wordt gerealiseerd. Ik ben van oordeel dat met in deze paragraaf omschreven maatregelen in voldoende mate rekening gehouden wordt met het voorkomen van ongevallen of het beperken van de gevolgen daarvan. Het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning ten aanzien van dit onderwerp acht ik niet nodig.

3.16.

Ongewone voorvallen

Op grond van artikel 87 van het Mbb moeten voorvallen op een mijnbouwwerk dan wel in de omgeving daarvan, die een ernstig gevaar opleveren voor het milieu gemeld worden aan SodM, zodra daartoe de mogelijkheid bestaat. Daarnaast moeten ongewone voorvallen bij het bevoegd gezag worden gemeld op grond van artikel 2.21 van het Bal. Het bevoegd gezag is in dit geval SodM. De regelgeving ten aanzien van het melden van ongewone voorvallen is rechtstreeks werkend. Op basis van een werkafspraak met SodM adviseren wij enkele voorschriften aan het besluit te verbinden ten aanzien van ongewone voorvallen om deze regels nadere invulling te geven. Deze voorschriften zijn opgenomen in bijlage 1 bij dit advies. 3.17.

Geluid

Bij het beoordelen van de aanvraag is onder meer onderzocht of: • emissies van geluid worden voorkomen c.q. beperkt en, of Pagina 23 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

•

geen sprake is van significante milieuverontreiniging.

DGRGG-DTDO / V-85196

Ook is op grond van artikel 8.9, derde lid, van het Bkl in ieder geval rekening gehouden met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening. Algemeen De bedrijfsactiviteiten hebben ook tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt gedurende de productiefase vooral veroorzaakt door pompen, aanwezige installaties, de schoorsteen, airconditioning unit en wegverkeer. De locatie van de activiteiten betreft een agrarisch kassengebied. Gedurende de boorfase hebben werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk een tijdelijk verhoogde geluidbelasting in de omgeving tot gevolg. Deze werkzaamheden worden in een continu rooster uitgevoerd gedurende de dag-, avond- en nachtperiode. De geluidemissie als gevolg van deze werkzaamheden dient te voldoen aan de algemene regels zoals opgenomen in paragraaf 4.109 van het Bal (werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk), in het bijzonder artikel 4.1121a (geluidwaarden en monitoring). Omgevingsplan Voor geluid zijn regels opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard.

Uit artikel 22.63 volgt dat in de dag-, avond- en nachtperiode het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (hierna: LAr,LT) als gevolg van activiteiten niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Voor het maximale geluidsniveau (hierna: LAmax) bedraagt dit in de dag-, avond- en nachtperiode respectievelijk 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Akoestisch onderzoek De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is gemodelleerd in het akoestische rapporten die zijn opgesteld door Antea Group getiteld "Akoestisch onderzoek Aardwarmteproductiefase Heerhugowaard", met projectnummer 0486957.100 definitief revisie 02 van datum 11 augustus 2025 en "Akoestisch onderzoek boringen geothermie Zuiderbosweg Heerhugowaard", met projectnummer 0486957.100 definitief revisie 0B van datum 26 november 2024 (hierna: akoestisch onderzoek). Uit de akoestische onderzoeken volgt dat voor de productiefase niet wordt voldaan aan artikel 22.63 van het omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard. Gelet daarop wordt geluid verder beoordeeld in de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit.

Voor de boorfase geldt dat met behulp van mitigerende maatregelen, zoals het plaatsen van geluidsschermen en continue geluidsmonitoring en -registratie, voldaan kan worden aan de grenswaarden uit het Bal.

Pagina 24 van 44

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Conclusie geluid Uit het akoestisch onderzoek volgt dat tijdens de normale bedrijfsvoering niet voldaan wordt aan de geluidsregels opgenomen in het omgevingsplan. Het is aan de gemeente Dijk en Waard om te beoordelen of een omgevingsvergunning kan worden verleend voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=3567a5d2-2d54-4d8d-97ce-5f906eaf76f3