CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Ruimtelijke Onderbouwing 2 juli 2024

Gemeenteraad 22 oktober 2024, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Verzoek raadsadvies zonneweide glastuinbouwgebied Alton17.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op de kaarten is ook aangegeven met hoeveel windturbines en zonnepanelen is gerekend. De zoekgebieden zijn nu nog globaal genomen en gelden als ‘richtinggevend’. In het vervolgproces gaat de gemeente samen met de omgeving en belanghebbenden bepalen wat de meest geschikte plek is voor de zonnepanelen of windturbines. Het projectgebied zonnepark Alton ligt binnen de contouren van het zoekgebied ‘Alton’ voor zon en wind, de ‘Regio Alkmaar’, en betreft daarmee in beginsel een geschikte locatie voor de realisatie van een zonnepark (en voor windturbines).

Figuur 12: Weergave zoekgebied Alton voor zon en wind, uit de RES 1.0 regio Noord-Holland Noord.

In de ‘Regio Alkmaar’ is gerekend met 947 hectare aan zonnepanelen op land, daken, parkeerplaatsen en geluidsschermen. In deze regio is een zorgvuldig inpassing van de opwek in het landschap van belang. Voor de

www.eelerwoude.nl

regio is zon op waardevolle agrarische productiegronden in de meeste gevallen geen optie, maar op sommige plekken kan dit wel worden toegepast, bijvoorbeeld in de omgeving van bedrijventerreinen. De tabel in figuur 14 geeft de uitgangspunten voor de verdeling van de opwek in de zoekgebieden weer, waarbij zon een belangrijk aandeel vormt. Het voorliggende plan voor Zonnepark Alton past hier binnen.

Figuur 13: Tabel uitgangspunten berekening van de opwek van de zoekgebieden (RES 1.0 regio Noord-Holland Noord).

Binnen regio Alkmaar is het de intentie om nader beleid te ontwikkelen voor financiële participatie. De doelstelling is het vergroten van draagvlak. Het uitgangspunt hierbij is dat niet naar ‘50% financiële participatie’ alleen wordt gekeken, omdat dit zich tot slechts een deel van de bevolking beperkt. Er zal ook een beeld worden gevormd van de wijze waarop het voordeel zo breed mogelijk wordt benut. De groepen die mogelijk last van de duurzame energietechnieken ervaren krijgen expliciete aandacht, evenals eventuele compensatiemethoden.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Omgevingsvisie Langedijk en Heerhugowaard De vastgesteld Omgevingsvisie Langedijk en Heerhugowaard richt zich op 9 speerpunten. Dit zijn punten die belangrijk zijn om “goed wonen en leven, ruimte voor ondernemen en zorg voor kwaliteit” nu en in de toekomst waar te maken. Dit lukt alleen als iedereen zijn steentje bijdraagt. De 9 verschillende speerpunten zijn allemaal belangrijk. Als bij een speerpunt staat dat veilig en gezond of CO2 neutraal belangrijk is dan geldt dat ook voor onderwerpen die in andere speerpunten worden genoemd. Zoals goede woonplekken of een omgeving die uitnodigt tot contact. De 9 speerpunten betreffen: 1. Veilige en gezonde omgeving 2. Een goede woonplek en woonomgeving voor iedereen 3. Ee omgeving die uitnodigt tot contact en zorg voor elkaar 4. Goede omstandigheden voor scholing, werk en ondernemen 5. Ontwikkelingen die de identiteit versterken 6. Voorbereiden op de gevolgen van klimaatverandering 7. Een CO2-neutrale gemeente 8. Een goed leefgebied voor verschillende planten en dieren 9. Een krachtige plek binnen de regio en de wijde omgeving

www.eelerwoude.nl

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het voorliggende plan speelt in op een aantal van de genoemde speerpunten. Dit betreft o.a. de speerpunten 6, en 8, maar met name speerpunt 7. Het plan draagt eraan bij om tot een CO2-neutrale gemeente te komen. Met het plan wordt echter ook ingezet op het versterken van de biodiversiteit. Zo wordt een natuurvriendelijke oever gerealiseerd (dient ook als extra wateropvang), er worden landschappelijke elementen toegevoegd en het grasland wordt omgevormd tot een kruidenrijk grasland. De percelen worden vervolgens extensief ecologisch beheerd. De natuurvriendelijke oever krijgt een flauw talud. De watergang zal breder worden waardoor er een hoger waterbergend vermogen ontstaat wat ten tijde van de extreme droogte, maar vooral in natte periodes gunstig is. Hierbij blijft goed beheer van de watergang mogelijk.

3.5.2 Afwegingskader Zonnevelden Heerhugowaard Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning (ingediend voor 1 januari 2024) is reeds eerder een principeverzoek ingediend. Bij het opstellen van het principeverzoek en de uiteindelijk aanvraag omgevingsvergunning is uitgegaan van het specifieke beleid voor de realisatie van zonnevelden, zoals dat toen gold in de gemeente Heerhugowaard. Dit betrof het ‘Afwegingskader Zonnevelden Heerhugowaard’. Dit afwegingskader is opgenomen in de bijlagen. In de voorliggende paragraaf is kort weergegeven waarom dit beleid destijds is opgesteld en vastgesteld en of het voorliggende plan voldoet aan dit beleid. De gemeente Heerhugowaard had duurzaamheidsambities. De ambitie was om CO2 neutraal te zijn in 2030. Daarom werd er gezocht naar mogelijkheden om meer duurzame elektriciteit op te wekken binnen de gemeentegrenzen. Hier zijn diverse mogelijkheden voor. Een van de mogelijkheden voor hernieuwbare elektriciteit is zonnevelden. Dit is een aanvulling op de elektriciteit die opgewekt kan worden door middel van zonnepanelen op particuliere- en bedrijfsdaken. Een zonneveld op land kan op veel verschillende manieren ontworpen worden. Vanwege meerdere functies neemt de druk op landgebruik steeds verder toe waardoor het niet overal binnen de gemeentegrenzen wenselijk is om een zonneveld te realiseren.

Hiertoe heeft de gemeente destijds een afwegingskader opgesteld. In het afwegingskader staat omschreven voor welke gebieden er kansen liggen voor zonnevelden en aan welke toetsingscriteria initiatieven moeten voldoen. De gemeente beoogt hiermee zonnevelden te realiseren met meerwaarde. Het afwegingskader geeft input voor een weloverwogen, overzichtelijke en objectieve afweging voor initiatieven van zonnepark + sturing waar deze mogelijk zijn. Voor ruimtelijke plannen aangaande zonnevelden gelden de volgende uitgangspunten, conform het afwegingskader: • Het initiatief ligt in een RES-zoekgebied. Hier voldoet het voorliggende project aan. Het projectgebied ligt in Glasbouwconcentratiegebied Alton. Op locaties die hier nog niet zijn ingevuld zijn zonnevelden tijdelijk mogelijk. Als uit de quickscan of gebiedsvisie van Alton blijkt dat er (delen van) kavels niet nodig zijn voor glastuinbouw, kunnen hier in overleg met de ondernemersvereniging zonnevelden mogelijk gemaakt worden. Het voorliggende plangebied betreft een resthoek. Met OVAL (de ondernemingsvereniging van de glastuinbouw in het Alton gebied) heeft uitgebreide afstemming plaatsgevonden over welke mogelijkheden de ontwikkeling van het zonnepark biedt in het kader van de verduurzaming van de glastuinbouw.

Voor de uitkomsten wordt verwezen naar het bijgevoegde document ‘Financiële- en procesparticipatie, Zonnepark – Zonnig Heerhugowaard Alton’. • Het zonneveld veroorzaakt geen (extra) versnippering van het landschap. Het voorliggende initiatief, in deze resthoek, veroorzaakt geen extra versnippering van het landschap. • Er is sprake van systeem efficiency, waarbij bijvoorbeeld zon en wind worden gecombineerd.

www.eelerwoude.nl

•

•

•

•

•

Het projectgebied betreft landschappelijk gezien restgebied, die zo efficiënt mogelijk is ingericht met zonnepanelen, maar wel zodanig dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing en inrichting. Het initiatief versterkt lokale waarden op het gebied van landschap, ecologie of recreatie. Hier is sprake van. Een voorbeeld is de versterking van de biodiversiteit. Om de biodiversiteit in dit gebied te verhogen worden er landschappelijke elementen toegevoegd en wordt het grasland omgevormd tot een kruidenrijk grasland. De percelen worden vervolgens extensief ecologisch beheerd. Het initiatief draagt bij aan één of meerdere speerpunten uit de Omgevingsvisie. Het initiatief draagt bij aan een aantal speerpunten, zoals nader is onderbouwd in paragraaf 3.5.1 van deze Ruimtelijke Onderbouwing. Het initiatief ligt langs infrastructuur of in (aansluiting op) bebouwd gebied (zoals beschreven in het rijks en provinciale beleid). Hier voldoet het projectgebied aan. Er dient een document te worden overlegd, dat inzicht geeft dat er voldoende capaciteit op het stroomnet is voor aansluiting van het zonnepark. Dit document betreft de afgegeven kostenindicatie, welke is bijgevoegd. Er wordt verwacht dat er minstens 50% financiële participatie plaatsvindt door inwoners en/of lokale bedrijven. In het plan dient concreet te worden gemaakt hoe u dit bereikt.

Indien het niet lukt om dit te bereiken kunt u ook denken aan een omgevingsfonds of een omwonenden regeling. IX Zon heeft in een zo vroeg mogelijk stadium contact gelegd met de Stichting Langedijk4GlobalGoals/Duurzaam Dijk en Waard en Heerhugowaard UA (Coöperatieve windenergie vereniging Kennemerwind), om de mogelijkheden voor een samenwerking te verkennen. Deze twee coöperaties hebben zich later verenigd in Duurzame Energie Coöperatie Dijk en Waard. Er is regelmatig overleg met de Duurzame Energie Coöperatie Dijk en Waard gevoerd en dat heeft niet tot een samenwerking geleid omdat de Coöperatie heeft aangegeven tijdens de ontwikkeling niet risicodragend in het project wilde stappen. Het verkennen van opties waarbij de coöperatie een rol zou krijgen als er meer zekerheid over de realisatie van het project zou zijn heeft ook niet geleid tot een samenwerking. Begin 2023 is IX Zon in gesprek gegaan met Innax. Zij zullen een zogeheten Zoncoöperatie oprichten die minimaal 50% van het zonnepark Zonnig Alton Heerhugowaard koopt. De doelstelling van deze Zoncoöperatie is meerledig, namelijk verduurzaming, financiële participatie en woonlastenverlaging. Door een samenwerking aan te gaan met IX Zon wordt bijgedragen aan de verduurzamingdoelstellingen die er zijn.

Daarnaast werken zij samen met een energieleverancier om de stroom van die panelen aan de leden van de Zoncoöperatie te leveren. De Zoncoöperatie verdeelt het financiële voordeel van de zonnestroom onder zijn leden. Elk lid krijgt daardoor voordelig stroom direct van de panelen van het zonnepark. De direct omwonenden/lokale omgeving krijgen de optie aangeboden om lid te worden van de Zoncoöperatie waardoor men voordeling stroom kan ontvangen direct van de panelen van het zonnepark. Naast deze profijtregeling kunnen de direct omwonenden/lokale omgeving ook zelf financieel deelnemen aan het park net als de wijdere omgeving. De wijdere omgeving (inclusief direct omwonenden/lokale omgeving) kan in de eerste plaats financieel meeprofiteren van het zonnepark door via de Zoncoöperatie financieel deel te nemen. Dit betekent dat de deelnemer investeert in het eigen vermogen van het zonnepark door het kopen van obligaties met een looptijd tussen de 10 en 20 jaar. Hier zal een maximum bedrage per deelnemer aan worden gekoppeld om te zorgen dat iedereen in de buurt mee kan doen. Vervolgens ontvangt de deelnemer jaarlijks gedurende de looptijd van de obligatie een marktconforme rente.

Bij de uitgifte van voornoemde obligaties wordt een voorrangsregeling uitgewerkt zodat inschrijvers die dichter bij het zonnepark wonen voorrang krijgen ten opzichte van inschrijvers die verder weg van het zonnepark wonen. Dit geldt in ieder geval voor alle deelnemers in de gemeenten Dijk en Waard. De Zoncoöperatie

www.eelerwoude.nl

•

•

heeft daarnaast ten doel om energiearmoede tegen te gaan. Daarom zullen in eerste instantie de mensen die dit het hardst nodig hebben de mogelijkheid krijgen om lid te worden, zonder eigen financiële bijdrage, van de Zoncoöperatie zodat zij in aanmerking komen voor voordelige stroom. Hiertoe zullen met name huurders die via een woningcorporatie huren worden benaderd om lid te kunnen worden. De mogelijkheden voor financiële participatie zijn nader toegelicht in het bijgevoegde document ‘Financiële- en procesparticipatie, Zonnepark – Zonnig Heerhugowaard Alton’. Bij een plan voor een zonneveld vraagt de gemeente initiatiefnemers om omwonenden, belanghebbenden en geïnteresseerden uit te nodigen om mee te denken over uw plannen. Uitgangspunt hierbij is samen te zoeken naar het creëren van een gedragen invulling van het initiatief. Er dient een omgevingsgesprek te worden gevoerd. Het omgevingsgesprek moet in een vroeg stadium plaatsvinden. De gemeente wil graag betrokken zijn bij de invulling van het omgevingsgesprek. Draagvlak is een voorwaarde voor een vergunning. De initiatiefnemer toont aan op welke wijze en hoeveel draagvlak er gecreëerd is. Ten behoeve van het plan is een zorgvuldig omgevingsproces doorlopen, waarmee draagvlak is gecreëerd van de meeste betrokkenen.

Het verslag van het doorlopen omgevingsproces is uitgebreid weergegeven in bijgevoegd document ‘Financiële- en procesparticipatie, Zonnepark – Zonnig Heerhugowaard Alton’. In dit document is o.a. aangegeven dat diverse belanghebbende partijen zijn betrokken in het proces. Met al deze partijen zijn gesprekken gevoerd, en hun input is meegenomen bij de uitwerking van het plan. Daarnaast gesprekken gevoerd met bedrijven uit de lokale omgeving en zijn de direct omwonenden betrokken in het proces. Met hen zijn o.a. ‘keukentafel-gesprekken’ gevoerd en er zijn informatiebijeenkomsten en ontwerpsessies gehouden. In het bijgevoegde document ‘Financiële- en procesparticipatie, Zonnepark – Zonnig Heerhugowaard Alton’ is uitgebreid weergegeven hoe het proces precies is doorlopen, welke input belanghebbende partijen en omwonenden hebben gegeven en hoe met deze input is omgegaan. Zo is weergegeven op welke punten bepaalde input is verwerkt in het voorgenomen plan. De initiatiefnemer is verplicht de gronden na het verstrijken van de vergunning weer in originele staat te herstellen. De initiatiefnemer dient aan te tonen dat er middelen gereserveerd zijn om dit te kunnen realiseren. Het zonnepark wordt aangelegd voor een termijn van 25 jaar. Na afloop van deze termijn wordt het zonnepark ontmanteld. Hier zijn middelen voor gereserveerd.

Alleen enkele gerealiseerde landschapselementen zijn blijvend.

www.eelerwoude.nl

Figuur 14: Weergave zoekgebieden zon en wind, uit Afwegingskader (rode pijl is de ligging van het projectgebied aangeduid).

Zonneparken dienen landschappelijk goed ingepast te worden. Hiervoor zijn criteria benoemd in het afwegingskader. Voor het projectgebied zijn o.a. de volgende punten relevant. • Kies voor een simpel ontwerp en volg bestaande structuren. • Stem de omvang van zonnevelden af op de schaal van het landschap, inclusief kavelgroottes. • Waar mogelijk moeten druiplanden zichtbaar herkenbaar blijven in het landschap. • Houd landschappelijke structuren zichtbaar door op afstand te blijven of deze te accentueren. • Altijd 150 meter afstand houden tot de linten. • Laat opstellingen de kavelrichting volgen. • Plaats bijkomende elementen zoals omvormers, trafo huisjes, etc. op logische en ordelijke wijze. • Kies voor uniformiteit. • Houd de hoogte van opstelling laag in open landschappen (onder ooghoogte) - zuid opstelling max. 1,64 meter hoogte. • Richt overhoeken rondom bebouwing in met landschappelijke elementen die aansluiten bij de rand. • Richt overhoeken bij onregelmatige kavelvorm in met landschappelijke elementen die aansluiten bij de rand. Voorkom rafelranden. • Zorg voor voldoende ruimte tussen de panelen zodat vocht en licht de bodem kunnen bereiken. Zuidopstellingen doen dit per definitie. • Voorzie in natuurlijke, lokale randstructuren en speel in op bestaande landschappelijke elementen. • Zorg voor duidelijke rooilijnen, houd 5 meter afstand tot het talud van de sloot.

• Kies voor inheemse beplanting. • Zorg voor vegetatie onder en rondom de panelen: natuurinclusief kruidenrijk grasland. Voor het voorliggende plan is een inrichtingsplan opgesteld. Dit inrichtingsplan (‘Zonnepark Zonnig Alton, Inrichtingsplan landschappelijke inpassing’) is bijgevoegd. Waar mogelijk is aangesloten en voldaan aan de genoemde en relevante criteria in het afwegingskader. Met betrekking tot een aantal aspecten worden keuzes hierna nader toegelicht. Met betrekking tot de oriëntatie van de stellages met zonnepanelen, en het zoveel mogelijk voorkomen van rafelranden, heeft een uitgebreide studie plaatsgevonden én is geluisterd maar de inbreng van omwonenden tijdens het omgevingsproces. Dit heeft geleid tot een oriëntatie van de panelen haaks op de spoorlijn, i.p.v. het kiezen van het volgen van andere kavelrichtingen, bijvoorbeeld die uit het noorden. De gekozen oriëntatierichting ‘haaks op de spoorlijn’ is zichtbaar in op de overzichtstekening van het inrichtingsplan (Figuur

www.eelerwoude.nl

8). Met deze oriëntatie wordt de meeste duurzame energie geproduceerd door de gunstige oriëntatie ten opzichte van het zuiden. Ook zorgt deze oriëntatie voor relatief weinig ‘rafelranden’, met name aan de zichtzijdes. Tot slot past deze oriëntatie het beste bij de wensen van omwonenden. De studie is uitgebreid toegelicht in het bijgevoegde inrichtingsplan (Zonnepark Zonnig Alton, Inrichtingsplan landschappelijke inpassing). Oorspronkelijk waren de toegangsweg en het inkoopstation en het transformatorstation langs de spoorlijn gepland. Uit gesprekken met de omgeving is gebleken dat er veel zorgen zijn over het geluid en trillingen die van de transformator afkomen. Daarnaast loopt de oorspronkelijk toegangsweg tussen een tweetal huizen en langs een atelier. Met name tijdens de bouwfase zullen er meer transportbewegingen zijn. Om deze twee redenen zijn de omwonenden met een alternatief voorstel gekomen, namelijk de toegangsweg via de bestaande boomgaard, waarmee ook het inkoopstation en het transformatorstation op een andere plek komen. Hier is serieus naar gekeken en dit bleek een goed alternatief te zijn. Het is weliswaar wat duurder omdat de brug vervangen moet worden door een duiker en nog wat andere maatregelen moeten worden getroffen, maar dat weegt op tegen het wegnemen van de zorgen. Daarnaast past het bespreken van alternatieven ook bij een zorgvuldig participatieproces.

Bovendien zorgt de locatie bij de bestaande windsingel voor filtering en blokkering van het zicht op deze elementen. Met betrekking tot de ligging van het projectgebied in druiplanden wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van deze Ruimtelijke Onderbouwing.

3.5.3 Conclusie gemeentelijk beleid De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities en doelstellingen van de gemeente. Het plan is opgesteld conform de beleidsnotitie ‘Afwegingskader Zonnevelden Heerhugowaard’.

4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.

4.2 Natuurwaarden De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de Wet Natuurbescherming. Hiertoe is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoek is separaat gevoegd bij deze aanvraag (‘Quickscan Wet

www.eelerwoude.nl

natuurbescherming, Grasland omvormen naar zonnepark te Heerhugowaard’). Deze quickscan gaat uit van een groter projectgebied (een groter zonnepark). Uiteindelijk is het projectgebied beperkt tot een gebied van circa 6,5 hectare. De belangrijkste resultaten zijn hieronder kort toegelicht.

4.2.1 Soortenbescherming Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Rekening houden met vissen Voor de realisatie van natuurvriendelijke oevers en wijzigingen aan de brug moet in het kader van de zorgplicht rekening worden gehouden met algemene vissoorten. Dit door de maatregelen in acht te nemen.

Om verstoring van vissoorten te voorkomen, wordt aanbevolen de werkzaamheden uit te voeren in voor vissoorten de meest gunstige periode; bij voorkeur in de periode van 15 juli tot 1 november, waarbij september en oktober de voorkeur hebben. Dit is buiten het voortplantingsseizoen en de winterrust van vissensoorten. Bij de uitvoering moet één kant op worden gewerkt, zodat vissen de gelegenheid hebben te vluchten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

4.2.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, inmiddels Wet natuurbescherming, beschermd. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/ Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.

www.eelerwoude.nl

Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • Alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • Alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • Bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Natura 2000 – gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten In de omgeving van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied het Schoorlse Duinen. Het projectgebied ligt op ongeveer 9 kilometer afstand van dit Natura 2000-gebied. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en afstand tot het Natura 2000-gebied met tussenliggende infrastructuur, bebouwing en water maken dat de effecten uitsluitend tot het projectgebied en/of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Ten behoeve van het plan zijn een stikstofberekeningen uitgevoerd. De resultaten zijn weergegeven in het bijgevoegde rapport ‘Stikstofberekening Zonnepark Heerhugowaard’.

De stikstofberekeningen zijn uitgegaan van een groter projectgebied, met groter zonnepanelenveld, dan nu uiteindelijk voorligt. Het is daarmee een worst-case berekening. Er is een stikstofberekening gedaan m.b.t. de aanlegfase, en een stikstofberekening m.b.t. de beheerfase. Uitkomst van de berekeningen is dat m.b.t. stikstofuitstoot de werkzaamheden in de aanlegfase geen significant negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelen van stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit geldt ook voor werkzaamheden in de beheerfase. Er zijn geen rekenresultaten c.q. depositieresultaten boven 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof, niet aan de orde voor de desbetreffende werkzaamheden. Houtopstanden Binnen het projectgebied staan op verschillende plaatsen bomen. Rondom de aanrijdroute zullen de bomen die een windscherm vormen rondom de fruitboomgaard deels moeten worden gerooid. Ook rondom de brug zal één boom verwijderd moeten worden vanwege de benodigde verbreding van het bestaande pad. Het gaat om bomen op erven en bomen die deel uit maken van een windscherm om een fruitboomgaard. Om deze redenen vallen de bomen niet onder de noemer ‘houtopstanden’ en hoeft de kap niet als zodanig te worden gemeld in het kader van de Wet natuurbescherming.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN van de provincie NoordHolland. Het projectgebied ligt op ongeveer 380 meter van begrensd NNN-gebied (Figuur 15). Provincie NoordHolland kent geen externe werking. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

www.eelerwoude.nl

Figuur 15: Weergave projectgebied (rode pijl aangeduid) t.o.v. NNN-gebieden (groen gearceerd) (Provincie Noord-Holland).

4.2.3 Conclusie Het voorgenomen project is uitvoerbaar. Wel dient bij de uitvoering rekening te worden met broedvogels en vissen en moet worden voldaan aan de zorgplicht.

4.3 Archeologische en cultuurhistorische waarden De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten, net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten, wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. Archeologische waarden

www.eelerwoude.nl

Ten behoeve van het plan voor de realisatie van Zonnepark Alton is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek beslaat een groter projectgebied dan het projectgebied wat nu voorligt. De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in het bijgevoegde rapport ‘Archeologisch bureauonderzoek Zonneveld Alton Heerhugowaard, Gemeente Heerhugowaard’. Hierna volgt een beknopte samenvatting van de uitkomsten van het onderzoek. Het projectgebied waarbinnen het zonnepark wordt gerealiseerd maakt (geconcludeerd op basis van historisch kaartmateriaal) grotendeels (circa 5,64 hectare) onderdeel uit van de oude gronden/druiplanden. Voor dit gedeelte geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Het gaat hierbij met name om sporen van agrarische activiteit, bosbouw en de waterbeheersing. Deze verwachting komt overeen met de gemeentelijke beleidskaart, waarin de gronden onder ‘beleidscategorie 3’ vallen. Het advies is om de ‘beleidscategorie 3’ te handhaven voor dit deel van het projectgebied. Voor het noordelijke deel van het projectgebied wordt de verwachting naar ‘laag’ bijgesteld, omdat het binnen het voormalige meer ‘De Grote Waert’ heeft gelegen.

Naast dit algemene advies zijn er nog een aantal specifieke punten met betrekking tot de aard van de geplande bodemingrepen en de aard van de verwachte archeologische vindplaatsen: • In het algemeen kan worden gesteld dat de plaatsing van zonnepanelen op palen zorgt voor kleinschalige bodemverstoringen verspreid over een groot gebied. De aantasting door de palen van een vindplaats wordt daarom als gering beoordeeld → advies geen vervolgonderzoek. • Kabelsleuven zijn langgerekte, smalle ontgravingen (ca. 0,5 m breed) waardoor de kans op het aantreffen van een vindplaats relatief klein is. Een uitzondering hierop vormen sloten en greppels die op de oude eilanden aanwezig waren, als ook de noordelijke begrenzing van het veeneiland die tussen het noordelijke en zuidelijke deelgebied ligt. De kans dat kabelsleuven deze lineaire elementen zullen doorsnijden is groot, alleen is het informatieverlies van dit complex klein → advies geen vervolgonderzoek. • De fundering van het transformatorhuisje zal enkele vierkanten meters bedragen. Op basis van deze kleine bodemverstoring is het advies geen vervolgonderzoek. • De omvang van de natuurvriendelijke oevers is nog niet bekend.

Als in de hoge verwachtingszone een brede strook van meer dan 500 m2 en dieper dan 40 cm wordt ontgraven, dan is de kans dat een mogelijke vindplaats wordt verstoord reëel → advies vervolgonderzoek door middel van proefsleuven. De natuurvriendelijke oever welke uiteindelijk wordt gerealiseerd heeft een lengte van circa 230 meter. De oever wordt afgegraven, waarbij circa 143 m² ligt in het gedeelte met ‘beleidscategorie 3’. Aangezien dit oppervlak ruim onder de 500 m2 blijft, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorische waarden In het projectgebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Het projectgebied maakt geen deel uit van de cultuurhistorische hoofdstructuur en van UNESCO Werelderfgoed. Wel heeft het projectgebied onderdeel uitgemaakt van druiplanden (oude veen- of duingronden). Deze gronden zijn voor het grootste deel herkenbaar aan een afwijkende verkaveling en soms aan een hogere ligging ten opzichte van het omringende landschap. Het projectgebied ligt aan de noordoostrand van deze druipgronden, op een stuk ‘restgrond’. De overige gronden die deel uitmaakten van de druiplanden zijn inmiddels ingericht als kassengebied, en daarmee niet meer goed herkenbaar als druipgronden.

Met het voorliggende plan (een tijdelijke invulling van 25 jaar als zonnepark) blijft de verkaveling van het projectgebied intact en ook wordt geen kenmerkend reliëf aangetast. De paneelopstelling is relatief laag en de paneelopstelling wordt goed landschappelijk ingepast. Er worden met het plan geen cultuurhistorische waarden onevenredig aangetast.

www.eelerwoude.nl

Conclusie Er worden, met de realisatie van het zonneveld, geen archeologische en cultuurhistorische waarden onevenredig in het geding gebracht. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

4.4 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld. De Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

www.eelerwoude.nl

Waterplan 2022-2027 (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) Het Waterplan 2022-2027 van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier geeft de koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Het is ons zesde Waterbeheerprogramma (WBP6). Het WBP is een wettelijke verplichting die volgt uit de Waterwet (die straks opgaat in de Omgevingswet) en het Bestuursakkoord Water. Als basis voor dit Waterplan heeft het Hoogheemraadschap het vorige plan (WBP5) tussentijds geëvalueerd en een langetermijnverkenning gedaan naar wat er op ons af komt. Dit Waterplan houdt daarnaast rekening met het Nationaal Water Programma van het Rijk en het Regionaal Waterprogramma van de Provincie Noord-Holland. De Keur en Legger De legger is onlosmakelijk verbonden met de Keur en algemene regels bij de Keur. Daarin staat wat er wel en niet mag en wat moet. In de legger staat waar de Keur van toepassing is. De legger bestaat uit een beschrijvend deel plus toelichting en een online kaart (GIS). Op die kaart is voor elk oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied en de bijbehorende kunstwerken beschreven op welke afmetingen deze minimaal moeten worden onderhouden en wie daarvoor verantwoordelijk is.

De gevolgen van het plan voor de waterhuishouding/watertoets Ten behoeve van het plan om een zonnepark te realiseren in het projectgebied is een inrichtingsplan opgesteld. Dit betreft het separaat bijgevoegde ‘Zonnepark Alton, Inrichtingsplan landschappelijke inpassing’. In dit plan is de nieuwe inrichting van het projectgebied beschreven. Het watersysteem blijft onaangetast. Het plan heeft geen negatief effect op de waterhuishouding. Onder de zonnepanelen wordt geen gesloten verharding aangelegd, waardoor het regenwater vrij kan infiltreren. Compensatie van verharding is daardoor ook niet aan de orde. De toename van verhard oppervlak is beperkt, en ruim minder dan 800 m2. De panelen en de constructie wordt uitgevoerd met niet-uitloogbare materialen. Er komt geen afvalwater vrij. Het plan heeft dan ook geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Om het projectgebied liggen watergangen die op de legger staan van het hoogheemraadschap. Langs de provinciale weg ligt tevens een beschermingszone van 5 meter vanaf de hier gelegen secundaire watergang, waar vanaf beheer dient plaats te vinden. Ditzelfde geldt voor de secundaire watergang met brug ten noorden van de boomgaard. Aan de noordzijde van het projectgebied ligt een tertiaire watergang.

Voor deze watergang geldt een beschermingszone van 5 meter aan de zuidzijde waar tevens het onderhoud vanaf dient plaats te vinden. Met deze beschermingszones is rekening gehouden in het voorliggende plan. Figuur 17 geeft de legger van het Hoogheemraadschap rond het projectgebied weer. Langs de watergang in de noordwesthoek van het projectgebied wordt wel een natuurvriendelijke oever gerealiseerd. De oever krijgt een flauw talud van minimaal 1:3 en maximaal 1:10. De watergang zal breder worden waardoor er een hoger waterbergend vermogen ontstaat wat ten tijde van de extreme droogte, maar vooral in natte periodes, gunstig is. Hierbij blijft goed beheer van de watergang mogelijk.

www.eelerwoude.nl

Figuur 16: Weergave beschermingszones rond het projectgebied, zoals weergegeven op de Legger van het Hoogheemraadschap.

Watertoets Op 13 oktober 2023 is de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage). De ‘normale procedure’ dient doorlopen te worden.

4.5 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden de aanwezige waarden niet aangetast. Het voornemen is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de bestaande waarden in het projectgebied.

www.eelerwoude.nl

5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Externe veiligheid • Brandveiligheid • Bedrijven en milieuzonering • Verkeer en parkeren • Vormvrije m.e.r.-beoordeling • Kabels en leidingen • Lichtreflectie • Elektromagnetische straling • Warmteontwikkeling

5.2 Bodem Met betrekking tot het aspect bodem zijn de Wet bodembescherming, de Wet milieubeheer en het Besluit Bodemkwaliteit van belang. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De grond binnen het projectgebied wordt nu gebruikt als vrij intensief gebruikte landbouwgrond. Het bodemleven zal hierdoor minimaal zijn. Met de uitvoering van het voorliggende plan wordt de grond plaatselijk op enige diepte geroerd. Er wordt geen grond afgevoerd en er worden geen watergangen gedempt. Na het uitvoeren van de werkzaamheden ter oprichting van het project zal de bodem verder niet worden aangetast. Bodemverdichting, erosie en verslemping worden voorkomen door een relatief grote ruimte aan te houden tussen de rijen zonnepanelen (2 meter), de panelen niet vlak te leggen, open randen tussen de panelen zodat regenwater kan infiltreren en te zorgen voor voldoende lichttoetreding op de bodem, door de gekozen paneelopstelling en de toepassing van bifacial-panelen. Er wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen.

Realisatie van een zonneveld met kruidenrijk grasland als vaste onderbegroeiing kan op deze plek voor de komende decennia een stabiele situatie bieden waar geen chemicaliën (kunstmest of gewasbeschermingsmiddelen) worden toegepast. Dit biedt kansen voor verbetering van het bodemleven, de bodemstructuur, verbetering van het zelfreinigend vermogen en daarnaast extra habitat voor bestuivers en plaagbestrijders. Er zijn derhalve geen nadelige effecten voor de bodem te verwachten.

www.eelerwoude.nl

Het zonnepark wordt daarnaast gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Er zijn er geen grootschalige bodemingrepen aan de orde, anders dan de realisatie van de natuurvriendelijke oever en het leggen van kabels. Er wordt geen grond afgevoerd. De realisatie van een zonnepark brengt dan ook niet direct risico’s m.b.t. bodemvervuiling met zich mee. Voor het verrichten van een graafactiviteit geldt wel een onderzoeksverplichting. Uit historisch kaartmateriaal is ook op te maken dat in het projectgebied vroeger sloten zijn gedempt en tevens is sprake van fruitteelt binnen het projectgebied. Hiertoe kunnen er wel verontreinigingen aanwezig zijn in de bodem. IX Zon zal voorafgaand aan de bouw een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitvoeren waarmee de risico’s voor de bodemkwaliteit in kaart worden gebracht als gevolg van het realiseren van het transformatorstation en het inkoopstation. Het voorliggende plan is uitvoerbaar m.b.t. het aspect bodem.

5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: • De normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen; • Bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; • Op en rond het projectgebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Op deze locatie wordt geen geluidsgevoelige bestemming toegevoegd. Het zonnepark hoeft dan ook niet beschermd te worden tegen geluidsoverlast. Ook is er geen sprake van industrielawaai vanuit het nieuw te realiseren zonnepark. In het projectgebied worden zonnepanelen geplaatst. Deze zonnepanelen produceren zelf geen geluid.

Daarnaast worden er ook geen installaties opgenomen die een wezenlijke geluidsemissie veroorzaken waardoor nader onderzoek noodzakelijk is. Het transformatorstation en het inkoopstation worden op ruime afstand van de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemmingen (woonhuizen) geplaatst, op meer dan 170 meter. Daarnaast is er vanwege de hellende positie van de panelen geen wezenlijke reflectie van omgevingsgeluid. Door de hellende positie kaatst geluid omhoog. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Bedrijven in de omgeving Binnen het projectgebied wordt geen nieuwe geluidgevoelige bestemming gerealiseerd. Bestaande bedrijven worden niet belemmerd door het voorliggende plan. Woon- en leefklimaat Het inkoopstation en het transformatorstation hebben een bronvermogen van maximaal 10,0 MVA. De omvormers binnen het zonnepark, die ook nog enig geluid kunnen produceren, hebben een bronvermogen van 100 kW per stuk. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is dit gelijk te stellen aan de activiteit

www.eelerwoude.nl

'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstandentabel voor het aspect geluid 30 meter opgenomen. Dit betekent dat wordt geadviseerd om, op basis van een goede ruimtelijke ordening, een afstand van minimaal 30 meter aan te houden met geluidsgevoelige functies. Het inkoopstation en het transformatorstation worden op een veel grotere afstand van bestaande woningen gesitueerd, op meer dan 170 meter. Ook de omvormers worden gesitueerd op relatief grote afstand van omliggende woningen. De dichtstbijzijnde woningen liggen aan de oostkant van het projectgebied, op meer dan 75 meter van het zonnepanelenveld. Ook ligt de spoorbaan (verhoogd) tussen het projectgebied en de woningen in. Er is dan ook geen sprake van een toename van geluid door het voorliggende plan, die tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat rond het projectgebied leidt.

5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling van een zonnepark met zich meebrengt, zijn alleen tijdens de aanlegfase merkbaar. In deze fase zal er tijdelijk sprake zijn van een grotere toename van verkeersbewegingen.

Nadat de bouw van het park is afgerond daalt het aantal verkeersbewegingen weer naar de oude situatie. Zelfs tijdens de bouwperiode zal het aantal verkeersbewegingen ruimschoots onder de 800 per dag blijven. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling niet als ‘in betekenende mate’ worden gezien. Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

5.5 Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden.

www.eelerwoude.nl

Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een dergelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. • Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het projectgebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Een uitsnede daarvan is weergegeven in figuur 19.

Figuur 17: Uitsnede risicokaart Nederland (met rode pijl is de ligging van het projectgebied aangegeven).

Uit de risicokaart blijkt dat in het projectgebied geen risicovolle inrichtingen, transportassen (spoor, weg, water) of transportleidingen aanwezig zijn. Wel loopt er een gasleiding langs het projectgebied, langs de oostzijde. Langs deze leiding geldt een zone waarbinnen geen nieuwe bouwwerken/gebouwen opgericht mogen worden. Hier wordt met het voorliggende plan aan voldaan. Het projectgebied ligt ook binnen 200 meter van de provinciale weg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Met betrekking tot veiligheid neemt het aantal personen binnen het projectgebied echter niet toe, waardoor er geen effecten op de externe veiligheidssituatie zijn. Het projectgebied betreft geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object,

www.eelerwoude.nl

waardoor dit aspect feitelijk niet aan de orde is. Met betrekking tot externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen aan de orde en kan aanvullend onderzoek achterwege blijven. Een zonnepark is geen gevoelig object of inrichting dat formeel een veiligheidscontour kent. Wel betreft een zonnepark een inrichting dat energie in de vorm van elektriciteit opwekt en op het elektriciteitsnet levert. Om de veiligheid te waarborgen komt er een (transparant) hek rondom het zonnepanelenveld. Dit hekwerk is 2 meter hoog en staat op ruime afstand van de zonnepanelen waardoor personen niet bij de zonnepanelen kunnen. Daarnaast wordt het zonneveld niet openbaar toegankelijk. Het park kan enkel middels een afgesloten poort worden betreden ten behoeve van regulier beheer en onderhoud. Daarnaast wordt het zonnepanelenveld geaard en worden elektriciteitskabels ondergronds aangelegd. In het plan is rekening gehouden met de risico’s van brand door afstanden tussen landschapselementen en brandbare elementen van het zonnepark te houden. Ook is rekening gehouden met rij-routes, toegang en opstelplaatsen voor hulpdiensten. Nabij de ingang en de transformator wordt een bluswatervoorziening (geboorde put á 60 m³/uur) aangebracht met opstelplaats (10 x 5 meter). Tussen deze twee plekken en aan de oostzijde binnen het hek ligt een route van 3,5 meter breedte.

Om de bouwwerken zit 1,5 meter halfverharding in verband met het risico op brand te verkleinen. Bij de toegangspoort wordt een sleutelbuis voor de hulpdiensten gerealiseerd. Hiermee wordt geconcludeerd dat de veiligheid voldoende is geborgd.

5.6 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen inrichting van de betrokken gronden als zonnepark levert geen hinder of gevaar op voor omliggende gevoelige functies.

Het inkoopstation en het transformatorstation hebben een bronvermogen van maximaal 10,0 MVA. De omvormers, die ook nog enig geluid kunnen produceren, hebben een bronvermogen van 100 kW per stuk. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is dit gelijk te stellen aan de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstandentabel voor het aspect geluid 30 meter opgenomen. Dit betekent dat wordt geadviseerd om, op basis van een goede ruimtelijke ordening, een afstand van minimaal 30 meter aan te houden met

www.eelerwoude.nl

geluidsgevoelige functies. Het inkoopstation en het transformatorstation worden op een veel grotere afstand van bestaande woningen gesitueerd. Ditzelfde geldt voor de omvormers (zie paragraaf 5.3). Met betrekking tot geluid blijft dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig. Anderzijds betreft een zonneveld geen gevoelige functie. Een zonneveld hoeft qua milieuzonering niet beschermd te worden tegen eventuele milieubelastende functies in het omliggende gebied.

5.7 Verkeer en parkeren Het zonnepark moet voornamelijk in de aanlegfase en in de ontmantelingsfase bereikt worden. Tevens is toegang nodig voor beheer en voor de hulpdiensten. De beheerpaden (2 meter breedte) tussen en om de zonnepanelen binnen het hekwerk worden niet verhard. Deze bestaan uit kruidenrijk grasland. Het zonnepark wordt via de bestaande boomgaard ontsloten. Het onderhoudspad (minimaal 3,5 meter breedte) loopt vanaf het erf naar het inkoopstation en trafo en is toegankelijk voor hulpdiensten. Het pad is uitgevoerd in groen doorlatende (grasbeton) verharding. Voor de toegang naar het zonnepark is het noodzakelijk om de bestaande brug over de watergang te vervangen door een duiker (rond 800 mm met ¾ water en ¼ lucht of rond 600 mm). Daarnaast wordt het bestaande pad verbreed. Er wordt 1 boom voor gekapt direct bij de brug en er wordt een doorgang gemaakt in de windsingel. De toegang naar het inkoopstation en de trafo ligt deels boven op de zone met de rioolleiding. Hier bovenop wordt gesloten verharding toegepast, bijvoorbeeld stelconplaten of bedrijfsvloerplaten. Binnen het projectgebied is voldoende ruimte voor het parkeren.

5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het Besluit milieueffectrapportage geeft activiteiten en gevallen aan waarin een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Ook gelden er verplichtingen als een voorgenomen project valt onder de genoemde activiteiten, maar niet boven bepaalde drempelwaarden. Voor projecten of activiteiten die beneden bepaalde drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten. Het project maakt een functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling is niet opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het zonnepark betreft bijvoorbeeld geen landinrichtingsproject (D9). De ontwikkeling van een zonnepark valt pas onder deze categorie als deze onderdeel uitmaakt van een groter landinrichtingsproject (het project dient een voldoende substantieel karakter te hebben). Ook valt het project niet onder categorie D22.1.

Hiervan is sprake bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Het zonnepark wekt alleen energie op. Voor de volledigheid verwijzen wij ook naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 september 2018 en zaaknummer 18_689, waarin bevestigd wordt dat een vergelijkbaar project niet valt binnen de categorie D

www.eelerwoude.nl

van het Besluit m.e.r. en er geen beoordeling nodig is. Deze uitspraak is op 14 augustus 2019 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en na te zien onder het zaaknummer 2019:2770. Daarnaast is uit de uitspraken gebleken dat een zonnepark evenmin kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (cat. D 11.2). Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Een zonnepark kan naar het oordeel van de Afdeling niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen. Daarbij is van belang dat de gevolgen voor het milieu van een zonnepark in de kern beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting. Om dit te voorkomen is een inrichtingsplan opgesteld (welke separaat is bijgevoegd). Uit de beschrijving van de milieuaspecten in dit hoofdstuk en het vorige blijkt dat het zonnepark geen milieugevolgen of hinder veroorzaakt. Het zonnepark wordt aangelegd met respect voor de bodem. De constructie wordt zodanig aangelegd dat er geen schade ontstaat en het systeem makkelijk demontabel is. De ecologische waarden zijn in beeld gebracht.

Er zullen zowel tijdens de aanlegfase, als tijdens de gebruiksfase, als tijdens de ontmantelingsfase, geen significante negatieve effecten bestaan voor het milieu. De conclusie is dat er geen belangrijke nadelige gevolgen ontstaan voor het milieu. Een nadere analyse in de vorm van een aanmeldnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling is vanwege het ontbreken van de activiteit in de D-lijst van het Besluit m.e.r. niet noodzakelijk.

5.9 Kabels en leidingen In de ondergrond van het projectgebied liggen diverse kabels en leidingen. Vanwege regelgeving omtrent veiligheid en de toegankelijkheid van deze kabels en leidingen voor onderhoud en bij calamiteiten is het niet gewenst of zelfs verboden om hier technische installaties op de ontwikkelen. Lage en ondiepwortelende beplanting zijn wel toegestaan of bijvoorbeeld het plaatsen van een hekwerk. De volgende afstanden zijn besproken met de beheerders van de desbetreffende leidingen en zijn tevens aangegeven op de kaart in Figuur 6. • Midden door projectgebied, van west naar oost, loopt een riool hogedrukleiding: hier geldt een aan te houden afstand van 3 meter aan weerszijde van de leiding. Ter plaatse van de rioolleiding en 3 meter aan weerszijden worden stelcomplaten (oftewel bedrijfsvloerplaten) aangebracht. Dit ter bescherming van de leiding als er een pad over de leiding wordt aangelegd. • In de zuidoostpunt loopt een waterleiding: hier geldt een aan te houden afstand van 3 meter afstand aan weerszijde van de leiding (alleen linkerkant in projectgebied) en 7 meter aan de oostkant (buiten projectgebied) • Langs de oostzijde loopt een hogedruk gasleiding parallel aan het spoor. Hier geldt een aan te houden afstand van 5 meter aan weerszijden van de leiding.

Van reguliere kabels en leidingen is het bij aanplant van bomen of diepwortelende beplantingen 2,5 meter afstand aan te houden aan weerszijde, om een toekomstbestendige groeiplaats te realiseren. In Figuur 6 zijn de zones met beperkingen weergegeven. IX Zon heeft Gasunie op de hoogte gebracht van het voornemen om een zonnepark te ontwikkelen (medio september 2022), dit gezien de ligging van de gasleiding. IX Zon en Gasunie hebben de voorwaarden en eisen besproken die beschreven staan in het document ‘’Zonneparken in de nabijheid van gasleidingen’’. Er is afgesproken om 5 meter afstand te houden tussen gasleiding en zonnepark. Zodra de detailengineering van het zonnepark plaatsvindt, zal de exploitant opnieuw contact opnemen met Gasunie om het begeleidingsformulier

www.eelerwoude.nl

met detailgegevens van onder andere aardingen, lekstromen, normen en daarmee de definitieve afstandseisen vast te stellen.

5.10

Lichtreflectie

In het zonnepark is sprake van een zuid-opstelling. Aan de zuidkant van het projectgebied liggen geen woningen of wegen van waaruit direct zicht is op het projectgebied. Tevens ligt hier een dijk tussen het projectgebied en de omgeving. Daarnaast wordt het zonnepark landschappelijk ingepast, waardoor het zicht (en daarmee ook mogelijke hinder van reflectie) gedeeltelijk wordt weggenomen. Aan de oostzijde van het projectgebied loopt een spoorlijn (verhoogd) en daarachter liggen enkele woningen. Aan deze zijde wordt een dichte struweelsingel gerealiseerd van 4 meter breedte. Hiermee wordt het zicht ook voor een groot deel gefilterd. Hiermee vormt het aspect lichtreflectie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=7dedbe7a-9e73-46a3-bb74-fca496004577