CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Veegplan HHW samengevoegd

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststelling actualisatie- en veegplannen Grondgebied Dijk en Waard40.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

ten aanzien van vrijstaande bijbehorende bouwwerken geldt, dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3,50 m; 2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,00 m.

28.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,50 m, met uitzondering van erfafscheidingen achter de naar de weg toegekeerde gevellijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2,00 m mag bedragen en erfafscheidingen vóór de naar de weg toegekeerde gevellijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,30 m mag bedragen.

28.3 Specifieke gebruiksregels

28.3.1 Gebruik van de woning Naast gebruik van de woning en bijbehorende bouwwerken voor wonen zijn de volgende gebruiksmogelijkheden toegestaan: a. de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en/of dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende instelling, een webwinkel of gastouderopvang onder de voorwaarden dat: 1. niet meer dan 1/3e deel van de als verblijfsgebied aan te merken vloeroppervlakte van de woning met de daarbij bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 45 m², voor de uitoefening van het beroep of

74

bedrijf wordt gebruikt; 2. geen omgevingsvergunning of meldingsplicht op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer of andere milieuwetgeving vereist is; 3. bij het gebruik van een garage, parkeergelegenheid op het eigen erf mogelijk is en gerealiseerd wordt; 4. een vloeroppervlak van ten minste 5 m2 bij een breedte van ten minste 1,80 m en een hoogte daarboven van ten minste 2,30 m beschikbaar blijft voor bergruimte; 5. bij het gebruik van een garage, parkeergelegenheid op het eigen erf mogelijk is en wordt verwezenlijkt; 6. detailhandel uitsluitend is toegestaan in producten en diensten die op het betreffende perceel zijn vervaardigd; 7. bij een webwinkel opslag van goederen binnen het maximaal toegestane oppervlak voor de bedrijfsmatige activiteit blijft, geen afhaaladres en geen uitstalling ten verkoop aanwezig is; 8. bij gastouderopvang het aantal op te vangen kinderen niet meer mag bedragen dan 6.

28.3.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; c. het gebruik van de woning voor meer dan één huishouden.

28.3.3 Voorwaardelijke verplichtingen Stationsweg 114-114A a. Een reguliere omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het bouwen van gebouwen, wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond op welke wijze wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van een groen gevelbeeld, zoals opgenomen in bijlage 5: Beeldkwaliteitsplan t.b.v. groenaankleding. b. Een reguliere omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het bouwen van gebouwen, wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat ten behoeve van de betreffende functie(s) waarvoor de gebouwen worden gebouwd, op eigen terrein, in parkeergelegenheid wordt of zal worden voorzien met inachtneming van het bepaalde . c. Tot een gebruik, strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de bouwkundige maatregelen zoals opgenomen in paragraaf 4.3 van bijlage 6: Akoestisch onderzoek Stationsweg 114 te Heerhugowaard.

28.4 Afwijken van de gebruiksregels 28.4.1 Afwijken van de meldingsplicht milieu Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de voorwaarde dat de uitoefening van een beroep en/of bedrijf niet meldingsplichtig mag zijn in het kader van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, indien blijkt dat deze activiteit niet of nauwelijks van invloed is op het woonmilieu.

28.4.2 Afwijken van het strijdig gebruik van de woning Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod om de woning te gebruiken voor meer dan één huishouden als bedoeld in lid 28.3.2 sub c, voor een gebruik van de woning voor, afhankelijk van de grootte van de woning, maximaal vijf éénpersoonshuishoudens per woning of onzelfstandige bewoning door maximaal vijf personen ten behoeve van maatschappelijke opvang.

28.4.3 Afwegingscriteria

75

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning betrekken burgemeester en wethouders de volgende aspecten: a. er moet sprake zijn van een maatschappelijke organisatie die voldoet aan de Kwaliteitswet zorginstellingen; b. het moet gaan om een vorm van wonen; c. de mate waarin reeds omgevingsvergunningen voor maatschappelijke opvang in de directe omgeving van de onderhavige woning is verleend en woningen in het bestemmingsplan reeds voor maatschappelijke opvang zijn aangewezen; d. de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid met inachtneming van het bepaalde .

artikel 29 Wonen - 4 29.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor de stalling van één of meer motorvoertuigen en/of berging voor een huishouden.

29.2 Bouwregels 29.2.1 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. een gebouw mag uitsluitend binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak gebouwd worden; b. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

29.3 Specifieke gebruiksregels 29.3.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten en detailhandel; c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bewoning.

artikel 30 Wonen - Buitengebied 30.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen - Buitengebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bed & breakfast accommodatie; d. bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijf"; e. bijbehorende bouwwerken uitgesloten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen uitgesloten"; f. een opslagloods, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “opslag”; g. één bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden; h. detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "detailhandel"; met de daarbij behorende:

76

i. erven; j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

30.2 Bouwregels 30.2.1 Hoofdgebouwen Voor het (her)bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden ge(her)bouwd; b. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak worden ge(her) bouwd of indien op de verbeelding een bouwvlak staat aangegeven binnen het bouwvlak; c. per bestemmingsvlak mogen niet meer woningen worden ge(her)bouwd dan ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" staat aangegeven en bij de tervisielegging van het bestemmingsplan in het bestemmingsvlak aanwezig zijn; d. het hoofdgebouw dient vrijstaand worden ge(her)bouwd en mag alleen als twee onder één kap woning worden ge(her)bouwd als de woning ten tijde van de tervisielegging van dit bestemmingsplan ook als twee onder één kap woning bestond; e. de oppervlakte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 120 m2 of indien het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan een oppervlakte groter dan 120 m2 had, dat oppervlak; f. de bouwbreedte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10,00 m of, indien het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan een bouwbreedte groter dan 10,00 m had, die bouwbreedte; g.

de bouwdiepte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 12,00 m of, indien het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan een bouwdiepte groter dan 12,00 m had, die bouwdiepte; h. de afstand van het hoofdgebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 2,00 m te bedragen of zoveel minder als de woning ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan op een afstand kleiner dan 2,00 m uit de perceelsgrens stond; i. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 4,00 m; j. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 9,00 m; k. het hoofdgebouw mag aan de voorzijde worden uitgebreid met een uitbouw met lengte van maximaal 2/3 deel van de gevellengte en een diepte van 1,50 m of een entree met een lengte van maximaal 1/3 deel van de gevellengte en een diepte van 1,50 m en/of een erker aan de zijgevel van de woning met een lengte van maximaal 4,50 m, gerekend vanuit de voorgevellijn van de uitbouw of entree aan de voorgevel en een diepte van 1,50 m, waarbij de uitbouw of entree niet wordt gerekend tot het oppervlak van de woning; l. goten van ondergeschikte bouwdelen zoals dakkapellen, dakopbouwen en dergelijke worden niet getoetst aan de goothoogte; m. de dakhelling mag niet minder dan 35 en niet meer dan 75 graden bedragen; n.

indien de dakhelling ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan minder dan 35 graden was, mag die dakhelling worden toegepast; o. ondergeschikte delen van de kap mogen plat worden afgedekt; p. het hoofdgebouw mag maximaal 3,00 m achter de voorgevelrooilijn of het denkbeeldig verlengde daarvan worden gebouwd.

30.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd; b. bijbehorende bouwwerken en overkappingen dienen ten minste 3,00 m achter (het verlengde van) de naar de weg toegekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

77

c. het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 70 m2; d. bijbehorende bouwwerken mogen zowel vrijstaand als aangebouwd, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw worden gebouwd; e. ten aanzien van aangebouwde, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken geldt, dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,50 m; 2. de goothoogte niet hoger mag zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waarop wordt aangesloten en zoveel hoger als constructie- en isolatietechnisch op grond van geldende bouwtechnische regelgeving nodig is; f. ten aanzien van vrijstaande bijbehorende bouwwerken geldt, dat: 1. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,00 m; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,50 m.

30.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,50 m, met uitzondering van erfafscheidingen achter de naar de weg toegekeerde voorgevelrooilijn van de woning en het denkbeeldig verlengde daarvan, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2,00 m mag bedragen en erfafscheidingen vóór de naar de weg toegekeerde voorgevelrooilijn en het denkbeeldig verlengde daarvan, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,30 m mag bedragen; b. de oppervlakte van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden mag niet meer bedragen dan 1.500 m2; c. de hoogte van een omheining van een bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden mag niet meer bedragen dan 1,50 m.

30.2.4 Hobby agrarisch bedrijf Voor het gebruik en (her)bouwen van gebouwen ten behoeve van het hobby agrarisch bedrijf gelden de volgende regels; a. oorspronkelijk aan het agrarisch bedrijf onttrokken bedrijfsgebouwen worden niet gezien als bijgebouwen behorende bij de woning en mogen ten behoeve van de hobby in stand worden gehouden, alsmede herbouwd worden, waarbij de volumes van 2 of meer gebouwen mogen worden samengevoegd; b. bouwwerken met een bouwhoogte lager dan 2,00 m en kassen zijn van deze regeling uitgesloten.

30.3 Specifieke gebruiksregels 30.3.1 Gebruik van de woning Naast een gebruik van de woning en bijbehorende bouwwerken voor wonen zijn de volgende gebruiksmogelijkheden toegestaan: a. de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en/of dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende instelling, een webwinkel of gastouderopvang, onder de voorwaarden dat: 1. niet meer dan 1/3e deel van de als verblijfsgebied aan te merken vloeroppervlakte van de woning met de daarbij behorende bijgebouwen, met een maximum van 45 m², voor de uitoefening van het beroep of bedrijf wordt gebruikt; 2. geen vergunning- en/of meldingsplicht op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving vereist is; 3. detailhandel uitsluitend is toegestaan in producten en diensten die op het betreffende perceel zijn vervaardigd;

78

4. bij het gebruik van een garage, parkeergelegenheid op het eigen erf mogelijk is en wordt gerealiseerd; 5. bij een webwinkel opslag van goederen binnen het maximaal toegestane oppervlak voor de bedrijfsmatige activiteit blijft, geen afhaaladres en geen uitstalling ten verkoop aanwezig is; 6. bij gastouderopvang het aantal op te vangen kinderen niet meer mag bedragen dan 6. b. mantelzorg, onder de voorwaarde dat: 1. door een deskundige is aangetoond dat de verzorging in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden noodzakelijk is en de mantelzorger in staat is de mantelzorg langdurig te verlenen; 2. door de vestiging van extra woonruimte er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van belangen omwonenden en bedrijven; 3. parkeren plaatsvindt op eigen erf; c. bed & breakfast voor ten hoogste 2 kamers en maximaal 4 slaapplaatsen in de woning en/of in de bijbehorende bouwwerken van de woning voor een oppervlakte van maximaal 50 m2.

30.3.2 Afwijken van het gebruik van de woning Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in lid 30.3.1 sub a genoemde maximum tot een maximum van 100 m², mits niet meer dan 1/3e van het bruto vloeroppervlak van de woning met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken voor de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt, het woonmilieu en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad en er voldoende parkeergelegenheid op eigen erf mogelijk is en gerealiseerd wordt; b. het bepaalde in lid 30.3.1 sub c voor een bed & breakfast accommodatie voor ten hoogste 5 kamers en maximaal 10 slaapplaatsen, waarbij het oppervlak van de bed & breakfast accommodatie niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 125 m2 onder de voorwaarde dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen erf aanwezig is; c. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf" is een gebruik van de woning toegestaan voor schoonheidssalon tot een oppervlakte van maximaal 125 m2.

30.3.3 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; c. het gebruik van een woning voor meer dan één huishouden.

artikel 31 Woongebied 31.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. maatschappelijke voorzieningen in de vorm van schoolgebouwen en zorgwoningen en met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 25.000 m2; c. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' voor ten hoogste 2.500 m2 bvo detailhandel in de vorm van een supermarkt; d. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' voor een maatschappelijke functie in de vorm van een school; e. bijbehorende bouwwerken; met de bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen in de vorm van: f. verkeers- en parkeervoorzieningen, waaronder geluidbeperkende voorzieningen;

79

g. bouwwerken geen gebouwen zijnde; h. wegen, straten en paden; i. sport- en speelvoorzieningen; j. groenvoorzieningen; k. water; l. openbare nutsvoorzieningen; m. tuinen en erven; n. verhardingen; o. kunstwerken waaronder bruggen ten behoeve van het kruisen van water; p. kunstobjecten; q. natuurvriendelijke oevers als de bestemming Woongebied grenst aan de bestemming Water.

31.2 bouwregels 31.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. woningen in de vorm van de vorm van aaneengebouwde woningen, twee-onder-één-kap woningen, vrijstaande woningen of woongebouwen; al dan niet met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huisverbonden bedrijf; b. maximaal 2.750 wooneenheden zijn binnen de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Wonen', 'Wonen - 1', 'Wonen 2', 'Woongebied'en 'Wonen - Uit te werken' gezamenlijk toegestaan; c. Maximaal 30 woningen per hectare zijn toegestaan; d. Ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven specifieke bouwaanduiding - oostdijkzone zijn maximaal 20 woningen per hectare toegestaan; e. de maximale footprint van een gebouw ten behoeve van woningen mag niet meer bedragen dan: 1. 60% van het bouwperceel bij bouwpercelen met een oppervlakte tot 100m2; 2. 50% van het bouwperceel bij bouwpercelen met een oppervlakte tot 200 m²; 3. 50% van het bouwperceel met een maximum van 120 m² bij bouwpercelen met een oppervlakte van 200 tot 300 m²; 4. 40% van het bouwperceel met een maximum van 300 m² bij bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 300 m²; 5. 95% van het bouwperceel indien het een woongebouw betreft; f. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; g.

in afwijking van het bepaalde onder 31.2.1 onder f geldt voor woongebouwen een maximum bouwhoogte van 15 meter; h. de goothoogte van een grondgebonden woning mag niet meer bedragen dan 6 meter; i. goten van ondergeschikte bouwdelen zoals van dakkapellen en dergelijke worden niet getoetst aan de goothoogte; j. voor de voorgevel van grondgebonden hoofdgebouwen zijn uitsluitend gebouwen en/of overkappingen toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. een uitbouw met een maximum diepte van 1,5 m en een maximum lengte van 2/3e deel van de gevellengte van de voorgevel van het hoofdgebouw of 2. een entree met een maximum breedte van 1/3e deel van de voorgevellengte van het hoofdgebouw en/of een uitbouw aan de zijgevel van de woning met een maximum lengte van 4,5 m, gerekend vanuit de voorgevellijn van de uitbouw of entree aan de voorgevel en een maximum diepte van 1,5 m of 3. een overkapping boven de voordeur van de woning met een maximum diepte van 1,0 m en een maximum breedte van 1/3e deel van de voor- of achtergevellengte; 4. de bouwhoogte van de uitbouw, entree of overkapping boven de voordeur mag niet hoger zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bouwwerk waarop wordt aangesloten en zoveel hoger als constructie- en isolatietechnisch op grond van geldende bouwtechnische regelgeving nodig is.

80

k. van de eis dat een bouwwerk binnen een op de verbeelding aangegeven bouw- of bestemmingsvlak moet worden gebouwd mag worden afgeweken voor het overschrijden van die bouw- of bestemmingsgrens ten behoeve van het maken van goot- en dakoverstekken, plinten, pilasters, kozijnen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en dergelijke tot een breedte van maximaal 0,6 meter; l. de geluidsbelasting vanwege werkverkeer op de gevel van geluidgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

31.2.2 Bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak geldt dat: 1. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde bij een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1/3e deel van de bij het hoofdgebouw behorende gronden buiten het bouwvlak en binnen het bestemmingsvlak, mits het gezamenlijk oppervlak van de bouwwerken niet meer bedraagt dan 40 m²; 2. voor zover de gronden buiten het bouwvlak een oppervlakte hebben van meer dan 120 m², 10% van het oppervlak meer dan 120 m² mag worden bebouwd tot een bebouwd oppervlak van ten hoogste 20 m² boven de in onder b 1 van dit lid genoemde maximum oppervlakte; c. bijbehorende bouwwerken mogen zowel vrijstaand als aangebouwd, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw worden gebouwd; d. ten aanzien van aangebouwde, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken geldt, dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,50 meter; 2.

de goothoogte niet hoger mag zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waarop wordt aangesloten en zoveel hoger als constructie- en isolatietechnisch op grond van geldende bouwtechnische regelgeving nodig is; e. ten aanzien van vrijstaande bijbehorende bouwwerken geldt, dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3,50 meter; 2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,00 meter; f. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,50 meter, met uitzondering van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2,00 meter mag bedragen en erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,30 meter mag bedragen; g. de geluidsbelasting vanwege werkverkeer op de gevel van geluidgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

31.2.3 Dakopbouwen Voor het bouwen van dakopbouwen op hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. wanneer wegens strijd met het Bouwbesluit en / of de Welstandsnota, zoals die luiden op het tijdstip van tervisielegging van dit bestemmingsplan, een dakkapel niet gerealiseerd kan worden, mag, ten behoeve van de bouw van een dakopbouw aan de achterzijde van de woning, de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte met 2,00 meter worden verhoogd, mits de ruimte tussen de onderzijde van de dakopbouw en de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, minimaal het equivalent van drie rijen dakpannen bedraagt; b. een dakopbouw is niet toegestaan bij een doorlopende kap over meerdere verdiepingen.

31.3 specifieke gebruiksregels 31.3.1 Gebruik van de woningen

81

Naast een gebruik van de woning en bijbehorende bouwwerken voor wonen zijn de volgende gebruiksmogelijkheden toegestaan: a. de uitoefening van een aan huis verbonden beroep en/of dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende instelling, een webwinkel of gastouderopvang onder de voorwaarden dat: 1. niet meer dan 1/3e deel van de als verblijfsgebied aan te merken vloeroppervlakte van de woning met de daarbij bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 45 m², voor de uitoefening van het beroep of bedrijf wordt gebruikt; 2. geen omgevingsvergunning of meldingsplicht op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer of andere milieuwetgeving vereist is; 3. detailhandel uitsluitend is toegestaan in producten en diensten die op het betreffende perceel zijn vervaardig; 4. een vloeroppervlak van ten minste 5 m2 bij een breedte van ten minste 1,8 meter en een hoogte daarboven van ten minste 2,3 meter beschikbaar blijft voor bergruimte; 5. bij het gebruik van een garage, parkeergelegenheid op het eigen erf mogelijk is en wordt verwezenlijkt; 6. bij een webwinkel opslag van goederen binnen het maximaal toegestane oppervlak voor de bedrijfsmatige activiteit blijft, geen afhaaladres en geen uitstalling ten verkoop aanwezig is; 7. bij gastouderopvang het aantal op te vangen kinderen niet meer mag bedragen dan 6. b.

bed en breakfast: voor ten hoogste 2 kamers en maximaal 4 slaapplaatsen in de woning en/of in de bijbehorende bouwwerken van de woning voor een oppervlakte van maximaal 50 m2; c. mantelzorg, onder de voorwaarde dat: 1. door een deskundige is aangetoond dat de verzorging in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden noodzakelijk is; 2. door de vestiging van extra woonruimte er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van belangen van omwonenden en bedrijven; 3. brandveiligheid gewaarborgd is; 4. parkeren plaatsvindt op eigen erf; 5. na afloop van de zorgverlening de extra woonruimte niet meer wordt gebruikt voor inwoning of bijwoning, maar het geheel weer door de hoofdbewoner in gebruik wordt genomen.

31.3.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, anders dan bepaald in 31.3.1 onder c; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; c. het gebruik van de woning voor meer dan één huishouden.

31.4 afwijken van de gebruiksregels 31.4.1 Afwijken van de meldingsplicht milieu Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de voorwaarde dat de uitoefening van een beroep en/of bedrijf niet meldingsplichtig mag zijn in het kader van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer voor: type A bedrijven als bedoeld in artikel 1.2 van voornoemd besluit, indien blijkt dat deze activiteit niet of nauwelijks van invloed is op het woonmilieu.

31.4.2 Afwijken bed & breakfast Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 31.3.1 onder b voor een bed & breakfastaccomodatie voor ten hoogste 5 kamers en maximaal 10 slaapplaatsen, waarbij de oppervlakte van de bed & breakfastaccomodatie niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 125 m2 onder de voorwaarde dat er voldoende parkeergelegenheid

82

op het eigen erf aanwezig is.

31.4.3 Afwijken aantal woningen per hectare Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 31.2.1 onder c en d en meer woningen per hectare toestaan onder de voorwaarden dat: a. er geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- leefklimaat van de aangrenzende gronden en bouwwerken optreedt; b. er maximaal 2.750 wooneenheden binnen de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Wonen', 'Wonen - 1', 'Wonen 2', 'Woongebied'en 'Wonen - Uit te werken' van het bestemmingsplan 'De Draai 2019' zijn toegestaan; c. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving wordt gewaarborgd; d. de parkeerdruk in de directe omgeving niet onevenredig wordt vergroot.

31.4.4 Afwijken strijdig gebruik Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod om de woning te gebruiken voor meer dan één huishouden als bedoeld in 31.3.2 onder c, voor een gebruik van de woning voor, afhankelijk van de grootte van de woning, maximaal vijf éénpersoonshuishoudens per woning of onzelfstandige bewoning door maximaal vijf personen ten behoeve van maatschappelijke opvang. Afwegingscriteria Bij het verlenen van een omgevingsvergunning betrekken Burgemeester en wethouders de volgende aspecten: a. er moet sprake zijn van een maatschappelijke organisatie die voldoet aan de Kwaliteitswet zorginstellingen; b. het moet gaan om een vorm van wonen; c. de mate waarin reeds omgevingsvergunningen voor maatschappelijke opvang in de directe omgeving van de onderhavige woning is verleend en woningen in het bestemmingsplan reeds voor maatschappelijke opvang zijn aangewezen; d. de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid.

artikel 32 Leiding 32.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. de aanleg en instandhouding van ondergrondse leidingen voor gas, water, elektriciteit, riool en overige stoffen met de bijbehorende vrijwaringszone; b. bijbehorende voorzieningen.

32.2 Bouwregels 32.2.1 Bouwwerken Op de gronden met de bestemming 'Leiding' mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden ten behoeve van de in lid 32.1 bedoelde bestemming. Hierbij geldt de volgende regel: a. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 3,00 m.

83

32.2.2 Gebouwen Op de gronden met de bestemming 'Leiding' mogen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de in lid 32.1 bedoelde bestemming. Hierbij gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,00 m; b. de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 25,00 m².

32.2.3 Bouwen ten behoeve van de andere voorkomende bestemmingen a. In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse geldende bestemming(en), mag op of in de gronden niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de bestemming ‘Leiding’; b. In afwijking op het bepaalde in lid 32.2.3 sub a geldt dat ten behoeve van de andere ter plaatse geldende bestemming(en), met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels mag worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

32.3 Afwijken van de bouwregels a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 32.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde overeenkomstig de andere ter plaatse geldende bestemming(en), indien de belangen en de veiligheid van de betreffende leiding daar niet door worden geschaad en geen kwetsbare objecten worden toegelaten. b. Alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen voor het bouwen van gebouwen met betrekking tot de samenvallende bestemming(en), of voor bouwwerken geen gebouwen zijnde winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder(s) omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen en de veiligheid van de leiding niet worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

32.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 32.4.1 Vergunningplicht Het is op of in de gronden met de bestemming 'Leiding' verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen of afgraven; b. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; c. het rooien van diepwortelende beplanting en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; f. diepploegen; g. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven, en daarmee verband houdende constructies; h. het aanleggen van sloten, vijvers of andere wateren of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande sloten, vijvers of andere wateren; i. het aanbrengen van verhardingen.

32.4.2 Uitzonderingen op de vergunningplicht De vergunningplicht als bedoeld in is niet van toepassing op werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden:

84

a. die vallen onder normaal beheer en onderhoud; b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet Informatieuitwisseling ondergrondse netten.

32.4.3 Voorwaarden voor vergunningverlening De in bedoelde omgevingsvergunning wordt enkel verleend indien: a. de betreffende werken en/of werkzaamheden niet strijdig zijn met de belangen en de veiligheid van de betreffende leiding; b. vooraf de leidingbeheerder gedurende vier weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen dan wel zoveel eerder als het advies is uitgebracht.

artikel 33 Leiding - Hoogspanning 33.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming (en), mede bestemd voor: a. een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van maximaal 150 kV; met de daarbij behorende: b. belemmeringenstrook van ten hoogste 8,5 meter aan weerszijden van de hartlijn; c. het behoud van de aardkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde aardkundige waarden'; d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; met dien verstande dat: In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge de basisbestemming op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

33.2 bouwregels 33.2.1 Gebouwen a. In afwijking van wat elders in deze regels is bepaald, mogen op of in de in lid 33.1 onder a en b genoemde gronden geen gebouwen worden gebouwd. b. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag op of in de in lid 33.1 onder a en b genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken.

33.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Op of in de in lid 33.1 onder a en b bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de hoogspanningsverbinding worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 meter.

33.3 afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 33.2 voor het bouwen binnen de belemmeringenstrook overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de

85

betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.

33.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 33.4.1 Vergunningplicht a. Het is verboden op of in de in 33.1 onder a en b bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen van beplantingen en bomen; 2. het rooien van beplantingen en bomen; 3. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 4. het indrijven van voorwerpen in de bodem; 5. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, ontginnen, drainage en ophogen; 6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. 7. het permanent opslaan van goederen; 8. het tijdelijk opslaan van zwaar materiaal; 9. het aanleggen van een zonnepark; b. Dit verbod geldt voor de onder lid 33.4.1 a1, a4 en a5 genoemde werken en werkzaamheden enkel voor zover de diepte van bovengenoemde werken en werkzaamheden meer bedraagt dan 0,80 m beneden maaiveld. c. Het is niet toegestaan de leiding als bedoeld in lid 33.1 onder a in gebruik te nemen of te hebben indien niet is voorzien in een aanleg van de kabelverbinding op een diepte van ten minste 10 meter onder maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'diepte kabelverbinding'.

33.4.2 Uitzonderingen a. Het verbod als bedoeld in artikel 33.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die: 1. verband houden met de aanleg van de betreffende hoogspanningsverbinding; 2. reeds in uitvoering zijn of vergund zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan; 3. het normale onderhoud van de hoogspanningsverbinding en belemmeringenstrook of van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen; 4. het aanleggen van drainage tot een diepte van 1,00 m beneden maaiveld betreffen.

33.4.3 Voorwaarden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 33.4.1 kan worden verleend indien: a. de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig schaden; b. de aardkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - aardkundige waarden' niet onevenredig worden geschaad dan wel dat er afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden

33.4.4 Advies Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 33.4.1 , wint burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

artikel 34 Leiding - Hoogspanningsverbinding

86

34.1 Bestemmingsomschrijving De 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, met in achtneming van het bepaalde , behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een zone ten behoeve van een bovengrondse hoogspanningsverbinding.

34.2 Bouwregels 34.2.1 Bouwwerken, geen gebouw zijnde, t.b.v. hoogspanningsverbindingen Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen gelden de volgende regels; a. de hoogte van hoogspanningsmasten mag niet meer bedragen dan 40,00 m.

34.2.2 Bouwregels vanwege samenvallende bestemmingen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde , van in dit artikel voor het bouwen van gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde overeenkomstig de bestemming, indien de belangen van de hoogspanningsverbinding daar niet door worden geschaad.

34.2.3 Advies Voordat wordt besloten omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning, winnen burgemeester en wethouders advies in bij de beheerder(s) van de verbinding over de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen van de verbinding niet worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

34.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 34.3.1 Werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is Het is verboden op of in de in bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders, ter plaatse van ondergrondse leidingen voor gas, water, elektriciteit, riool en overige stoffen met een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud en bescherming van die leidingen, de volgende werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; b. het verrichten van grondroeractiviteiten (b.v. het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het aanbrengen van hoog opgaand en/of diep wortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting; d. diepploegen; e. het aanbrengen van gesloten verhardingen; f. het indrijven van voorwerpen in de bodem; g. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; h. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

34.3.2 Uitzonderingsregel Het verbod als bedoeld in is niet van toepassing op werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden die: a. vallen onder normaal beheer en onderhoud;

87

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

34.3.3 Toetsingscriteria voor vergunningverlening De werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden als bedoeld in zijn slechts toelaatbaar indien en voor zover deze niet strijdig zijn met de belangen van de verbinding.

34.3.4 Advies Alvorens over een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en of bouwwerken geen gebouw zijnde met betrekking tot de samenvallende bestemming(en) ( ) of een omgevingsvergunning voor werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden ( ) te beslissen, wint het college van burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de beheerder van de verbinding omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden de belangen in verband met de verbinding niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

artikel 35 Waarde - Archeologie 1 35.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

35.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 35.2 sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 35.2 sub a geldt niet voor: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 2.

bouwplannen waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 50 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm -Mv. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in lid 35.2 sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in lid 35.2 sub b, is sub c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de

88

aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.lid 35.2 sub b onder 1 tot en met 2 blijft overeenkomstig van toepassing. e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 35.2 sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

35.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 50 m2. 2. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden. b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 35.3 sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord: i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of ii.

een verplichting tot het doen van een opgraving, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; of c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 35.3 sub b onder 2 wordt deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. d. Het verbod als bedoeld in lid 35.3 sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 4. op archeologisch onderzoek gericht zijn.

35.4 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de in lid 35.4 sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.

artikel 36 Waarde - Archeologie 2 36.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen

89

bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

36.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 36.2 sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 36.2 sub a geldt niet voor bouwplannen die: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 2.

bouwplannen waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 500 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm -Mv. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld lid 36.2 in sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in het lid 36.2 sub b, is sub c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Lid 36.2 sub b onder 1 tot en met 2 blijft overeenkomstig van toepassing. e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 36.2 sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

36.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgendewerken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstandedat het werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden hetbestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 500 m2. 2. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden. b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 36.3 sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan wordenvastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologischonderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologischemonumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek isaangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en

90

werkzaamheden kunnen worden verstoord: i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in debodem kunnen worden behouden; of ii. een verplichting tot het doen van een opgraving, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; of c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden alsbedoeld in lid 36.3 sub b onder 2 wordt deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt deomgevingsvergunning niet verleend. d. Het verbod als bedoeld in lid 36.3 sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, enwerkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 4. op archeologisch onderzoek gericht zijn.

36.4 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de in lid 36.4 sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.

artikel 37 Waarde - Archeologie 3 37.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

37.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 37.2 sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 37.2 sub a geldt niet voor: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

91

2. bouwplannen waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 2.500 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm -Mv. 3. bouwplannen die plaatsvinden ter plaatse van een bestaande spoorweg die zich boven het oorspronkelijke maaiveld bevindt. Hier geldt dat de verplichting in lid 37.2 sub a pas van toepassing is bij werkzaamheden die het oorspronkelijk maaiveld verstoren, waarbij ook de regels zoals opgenomen in lid 37.2 sub b en sub c onder 1 en 2 van toepassing zijn. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in lid 37.2 sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in lid 37.2 sub b, is sub c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Lid 37.2 sub 1 tot en met 2 blijft overeenkomstig van toepassing. e. indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 37.2 sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

37.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 2.500 m2. 2. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden. b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 37.3 sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord: i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of ii.

een verplichting tot het doen van een opgraving, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; of c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 37.3 sub b onder 2 wordt deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. d. Het verbod als bedoeld in lid 37.3 sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 4. op archeologisch onderzoek gericht zijn; 5. plaatsvinden ter plaatse van een bestaande spoorweg die zich boven het oorspronkelijke maaiveld bevindt, tenzij de werkzaamheden het oorspronkelijk maaiveld wel verstoren.

37.4 Wijzigingsbevoegdheid

92

a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de in lid 37.4 sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.

artikel 38 Waarde - Archeologie 4 38.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

38.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 38.2 sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 38.2 sub a geldt niet voor bouwplannen die: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 2.

bouwplannen waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 5.000 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm -Mv. 3. bouwplannen die plaatsvinden ter plaatse van een bestaande spoorweg die zich boven het oorspronkelijke maaiveld bevindt. Hier geldt dat de verplichting in lid 38.2 sub a pas van toepassing is bij werkzaamheden die het oorspronkelijk maaiveld verstoren, waarbij ook de regels zoals opgenomen in lid 38.2 sub b en sub c onder 1 en 2 van toepassing zijn. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in lid 38.2 sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in lid 38.2 sub b, is lid 38.2 sub c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Lid 38.2 sub b onder 1 tot en met 2 blijft overeenkomstig van toepassing. e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 38.2 sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

93

38.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 5.000 m2. 2. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden. b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 38.3 sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord: i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of ii.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=3fefa016-7f13-4e7d-be2f-0bec19cb9185