Bijlage 3 - Actualisatieplan LD samengevoegd
Tekst van het document
48
22.4 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de lid 22.4, sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.
artikel 23 Waarde - Archeologie 3 Voor de gronden gelegen binnen dit plan, zijn de in regels van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in lid 1.39 geldende ruimtelijke plannen van overeenkomstige toepassing. Voorgaande met inachtneming van de regels die in dit plan zijn aangegeven met: • vet (toegevoegde teksten); • doorgehaald (verwijderde teksten) Deze regels gaan vóór op de regels in de geldende ruimtelijke plannen dan wel de regels van het specifiek aangegeven plan.
23.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
23.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 22.2, sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 22.2, sub a geldt niet voor bouwplannen die: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 2.
bouwplannen waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 2.500 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40cm -Mv. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een
49
omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in 22.2 lid a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in het 22.2 lid b, is 22.2 lid c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. 22.2 lid b 1 tot en met 2 blijft overeenkomstig van toepassing. e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 22.2, sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
23.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, betreft die dieper gaan dan 40cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 2.500 m2. 2. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden b. Een omgevingsvergunning als bedoeld lid 22.3, sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord: i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of ii.
een verplichting tot het doen van een opgraving, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 22.3, sub b, onder 2 wordt deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. d. Het verbod als bedoeld lid 22.3, sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan;het normale onderhoud betreffen;mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;op archeologisch onderzoek gericht zijn.
23.4 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de lid 23.4, sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.
artikel 24 Waarde - Archeologie 4 Voor de gronden gelegen binnen dit plan, zijn de in regels van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in lid 1.39 geldende ruimtelijke plannen van overeenkomstige toepassing.
50
Voorgaande met inachtneming van de regels die in dit plan zijn aangegeven met: • vet (toegevoegde teksten); • doorgehaald (verwijderde teksten) Deze regels gaan vóór op de regels in de geldende ruimtelijke plannen dan wel de regels van het specifiek aangegeven plan.
24.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
24.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 24.2, sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 24.2, sub a geldt niet voor bouwplannen die: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 2.
bouwplannen waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 5.000 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40cm -Mv. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in 24.2 lid a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in het 24.2, sub b, is 24.2, sub c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. 24.2, sub b 1 tot en met 2 blijft overeenkomstig van toepassing. e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 24.2, sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
24.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
51
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, betreft die dieper gaan dan 40cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 5.000 m2. 2. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden b. Een omgevingsvergunning als bedoeld lid 24.3, sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord: i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of ii. een verplichting tot het doen van een opgraving, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c.
Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 24.3, sub b onder 2 wordt deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. d. Het verbod als bedoeld lid 24.3, sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 4. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
24.4 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de lid 24.4, sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.
artikel 25 Waarde - Archeologie 5 Voor de gronden gelegen binnen dit plan, zijn de in regels van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in lid 1.39 geldende ruimtelijke plannen van overeenkomstige toepassing. Voorgaande met inachtneming van de regels die in dit plan zijn aangegeven met: • vet (toegevoegde teksten); • doorgehaald (verwijderde teksten) Deze regels gaan vóór op de regels in de geldende ruimtelijke plannen dan wel de regels van het specifiek aangegeven plan.
25.1 Bestemmingsomschrijving
52
De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn
25.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 25.2, sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 25.2, sub a geldt niet voor bouwplannen die: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 2.
bouwplannen waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 10.000 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40cm -Mv. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in 25.2 lid a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in het 25.2 lid b, is 25.2 lid c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. 25.2 lid b 1 tot en met 3 blijft overeenkomstig van toepassing e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 25.2, sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
25.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, betreft die dieper gaan dan 40cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 10.000 m2. 2. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden b. Een omgevingsvergunning als bedoeld lid 25.3, sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het
53
archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord: i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of ii. een verplichting tot het doen van een opgraving, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 25.3, sub b, onder 2 wordt deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. d. Het verbod als bedoeld lid 25.3, sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 4. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
25.4 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de lid 25.4, sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.
artikel 26 Waarde - Archeologie 6 Voor de gronden gelegen binnen dit plan, zijn de in regels van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in lid 1.39 geldende ruimtelijke plannen van overeenkomstige toepassing. Voorgaande met inachtneming van de regels die in dit plan zijn aangegeven met: • vet (toegevoegde teksten); • doorgehaald (verwijderde teksten) Deze regels gaan vóór op de regels in de geldende ruimtelijke plannen dan wel de regels van het specifiek aangegeven plan.
26.1 Bestemmingsomschrijving De Voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen waterbodems zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
26.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende waterbodems aangewezen bestemmingen gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door
54
de aanvrager een archeologisch onderzoek worden aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in lid 26.2, sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de waterbodems door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de waterbodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. De verplichting in lid 26.2, sub a geldt niet voor bouwplannen die: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 2. bouwplannen waarbij de som van de totale bodemroerende werkzaamheden in de (water)bodem niet groter is dan 50 m². d.
Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in 26.2 lid a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in het 26.2 lid b, is 26.2 lid c onder 2, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. 26.2 lid b 1 tot en met 3 blijft overeenkomstig van toepassing. e. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 26.2, sub b, wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend
26.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het afgraven (onder andere saneren), baggeren (waaronder saneren), onderzuigen van de waterbodem en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; 2. het dempen, graven, verdiepen of verbreden van vaargeulen, watergangen en waterpartijen; 3. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden; 4. het uitvoeren van overige grondbewerkingen; 5. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 6. bemalen of grondwaterpeilverlagingen. b. In afwijking van het in artikel 26.3 onder sub a, lid 1 tot en met 5 genoemde verbod geldt een uitzondering voor werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, waarbij de som van de totale bodemingrepen in de (water)bodem groter is dan 50m2. c. Een omgevingsvergunning als bedoeld lid 26.3, sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord.
Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
55
i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de waterbodem kunnen worden behouden; of ii. een verplichting tot het doen van opgravingen, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet d. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoel in lid 26.3, sub c, onder 2 wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. e. Het verbod als bedoeld lid 26.3, sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 3. op archeologisch onderzoek gericht zijn
26.4 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de waterbodems de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de lid 26.4, sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.
artikel 27 Waarde - Archeologie 7 Voor de gronden gelegen binnen dit plan, zijn de in regels van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in lid 1.39 geldende ruimtelijke plannen van overeenkomstige toepassing. Voorgaande met inachtneming van de regels die in dit plan zijn aangegeven met: • vet (toegevoegde teksten) • ;doorgehaald (verwijderde teksten) Deze regels gaan vóór op de regels in de geldende ruimtelijke plannen dan wel de regels van het specifiek aangegeven plan.
27.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 7' aangewezen voormalige en nog functionerende dijken zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
27.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag dijkcoupures (doorsnijdingen) uit te voeren. b. Een omgevingsvergunning als bedoeld lid 27.2, sub a wordt slechts verleend indien: 1. door de aanvrager een archeologisch onderzoek wordt aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden van de dijk worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan op basis van het archeologisch onderzoek voorwaarden aan de vergunning verbinden, zoals:
56
i. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische opbouw van de dijk wordt behouden; of ii. een verplichting tot een archeologische opgraving, in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet, waardoor de historische opbouw van de dijk inzichtelijk wordt. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 27.2, sub b, onder 2 wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. d. Het verbod als bedoeld lid 27.2, sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 4. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
27.3 Wijzigingsbevoegdheid a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 7' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. Alvorens de lid 27.3, sub a bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt een ter zake kundig bureau om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de wijziging niet toegepast.
artikel 28 Waarde - Karakteristieke en beeldbepalende panden 28.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Karakteristieke en beeldbepalende panden' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), tevens bestemd voor het herstel en behoud van de aanwezige karakteristieke en beeldbepalende panden. In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
28.2 Bouwregels Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen bestemmingen, geldt voor bestaande karakteristieke en beeldbepalende panden de volgende bouwregel: • de bestaande hoofdvorm (goothoogte, bouwhoogte, dakhelling en kapvorm), gevelindeling en karakteristieke elementen van karakteristieke en beeldbepalende panden dient gehandhaafd te blijven.
28.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de vormgeving van bestaande karakteristieke en/of beeldbepalende panden, in die zin dat aangesloten moet worden bij de uitwendige hoofdvorm bepaald door onder meer de dakvorm, goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakhelling en gevel-indeling en karakteristieke elementen, in samenhang met het stedenbouwkundige beeld zoals dit is op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en met het oog op het voorkomen van onevenredige aantasting van: • de cultuurhistorische waarden van het pand; • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; • het straat- en/of bebouwingsbeeld;
57
• de verkeersveiligheid; • de milieusituatie; • de sociale veiligheid.
28.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 28.2 voor het bouwen van een nieuw hoofdgebouw na sloop van een karakteristiek of beeldbepalend pand, met dien verstande dat naar evenredigheid rekening moet worden gehouden met de oorspronkelijke hoofdvorm en de oorspronkelijke nokrichting van het voorheen bestaande karakteristieke of beeldbepalende pand, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en/of bebouwingsbeeld; • de verkeersveiligheid; • de milieusituatie; • de sociale veiligheid.
28.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bestaande karakteristieke en beeldbepalende panden geheel of gedeeltelijk te slopen. b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a, wordt slechts verleend indien: 1. geen onevenredige schade aan de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde van het gebouw optreedt, die wordt gevormd door: ◾ de situering van de bebouwing in relatie tot het bebouwings- en omgevingsbeeld; ◾ de schaal van de bebouwing; ◾ de vorm en richting van de kap(pen); ◾ de geleding van de bebouwing; of 2. sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep; of 3. op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet verlangd kan worden; of 4. het delen van een hoofdgebouw betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek of beeldbepalend zijn aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de bestaande karakteristieke of beeldbepalende hoofdvorm plaatsvindt. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub b onder 1, wordt de Erf-goedcommissie om advies gevraagd. d. Het verbod als bedoeld in sub a , is niet van toepassing op: 1.
werkzaamheden die: ◾ reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; ◾ het normale onderhoud betreffen voor zover detaillering, profilering en vormgeving niet wijzigen; ◾ mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende bouw/sloopvergunning/omgevingsvergunning; 2. gebouwen die ten gevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan.
artikel 29 Waterstaat - Waterkering 29.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere voor die gronden aangewezen
58
bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering en de waterbeheersing. In geval van strijdigheid van regels, gaan de regels van dit artikel vóór de re -gels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
29.2 Bouwregels a. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen, mag op of in de gronden binnen de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de waterkering en met uitzondering van bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. b. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. c. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 5 m mag bedragen. d. Voor het bouwen van omgevingsvergunningvrije bouwwerken als genoemd in artikel 2.1 lid 3 Wet algemene bepalingen omgevings-recht in samenhang met artikel 2 bijlage II Besluit omgevingsrecht dient vooraf advies te worden ingewonnen van de betreffende dijkbeheerder.
29.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag mag, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de desbetreffende waterkering, bij omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in lid 29.2 sub a en lid 29.2 sub b en toestaan dat de in de andere bestemming genoemde gebouwen worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende dijkbeheerder; b. het bepaalde in lid 29.2 sub a en lid 29.2 sub c en toestaan dat de in de andere bestemming genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende dijkbeheerder.
29.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. het afgraven of ophogen van gronden; 2. het aanbrengen van beplanting. b. De in sub a bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; 3. mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden. c. De omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien door de uitvoering van de in sub a bedoelde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de waterkerende functie niet in onevenredige mate kan worden aangetast.
59
hoofdstuk 3 Algemene regels artikel 30 Anti-dubbeltelregel Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
artikel 31 Algemene bouwregels In aanvulling op de bouwregels behorende bij de bestemmingen waarin (vrijstaande en/of dienst)woningen zijn toegestaan gelden voor dakkapellen en dakopbouwen bij de volgende aanvullend bouwregels.
31.1 Dakkapellen 31.1.1 Achterdakvlak Voor het bouwen van dakkapellen op het achterdakvlak van (vrijstaande bedrijfs- en/of dienst)woningen gelden de volgende regels: a. de hoogte van een dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, mag niet meer dan 2 m bedragen; b. de afstand tussen de onderzijde van een dakkapel en de dakvoet mag niet minder dan 0,5 m en niet meer dan 1 m bedragen; c. de afstand tussen de bovenzijde van een dakkapel en de daknok mag niet minder dan 0,5 m bedragen; d. de afstand van zijkanten van de dakkapel tot de zijkanten van het dakvlak mag niet minder dan 0,5 m bedragen. dan wel de bestaande afstand inden deze minder is. e. voor de bestemmingen ‘Wonen - Dubbel’ en ‘Wonen - Rij’ geldt aanvullend dat een dakkapel op de tussenmuur mag worden geplaatst indien een verzoek tot plaatsing op aangrenzende woningen gelijktijdig wordt ingediend en uitgevoerd.
31.1.2 Zijdakvlak Voor het bouwen van dakkapellen op het zijdakvlak van (vrijstaande bedrijfs- en/of dienst)woningen gelden de volgende regels: a. de hoogte van een dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, mag niet meer dan 2 m bedragen; b. de afstand tussen de onderzijde van een dakkapel en de dakvoet mag niet minder dan 0,5 m en niet meer dan 1 m bedragen; c. de afstand tussen de bovenzijde van een dakkapel en de daknok mag niet minder dan 0,5 m bedragen; d. de afstand van de dakkapel tot de voorgevel en tot de achtergevel van het gebouw mag niet minder dan 1 m bedragen.
31.1.3 Voordakvlak Voor het bouwen van dakkapellen op het voordakvlak van (vrijstaande bedrijfs- en/of dienst)woningen gelden de volgende regels: a. de hoogte van een dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, mag niet meer dan 1,5 m bedragen; b. de afstand tussen de onderzijde van een dakkapel en de dakvoet mag niet minder dan 0,5 m en niet meer dan 1 m bedragen; c. de afstand tussen de bovenzijde van een dakkapel en de daknok mag niet minder dan 0,5 m bedragen; d. de afstand van zijkanten van de dakkapel tot de zijkanten van het dakvlak mag niet minder dan 1 m bedragen. dan wel de bestaande afstand indien deze minder is. e. voor de bestemmingen ‘Wonen - Dubbel’ en ‘Wonen - Rij’ geldt aanvullend dat een dakkapel op de tussenmuur mag worden geplaatst indien een verzoek tot plaatsing op aangrenzende woningen gelijktijdig wordt ingediend
60
en uitgevoerd.
31.2 Dakopbouwen 31.2.1 Achterzijde Voor het bouwen van dakopbouwen aan de achterzijde van (vrijstaande bedrijfs- en/of dienst)woningen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van een (vrijstaande bedrijfs- en/of dienst)woning voorzien van een dakopbouw mag niet meer dan 8,5 m bedragen; b. de afstand tussen de onderzijde van een dakopbouw en de dakvoet mag niet minder dan 0,5 m en niet meer dan 1 m bedragen; c. de afstand tussen de zijkanten van een dakopbouw en de zijkanten van de buiten- en/of tussenmuur dient mag niet minder dan 1 m bedragen; d. de dakhelling van een dakopbouw en een (vrijstaande bedrijfs- en/of dienst)woning dient hetzelfde aantal graden te bedragen. e. voor de bestemmingen 'Wonen - Dubbel' en 'Wonen - Rij' geldt aanvullend dat een dakopbouw op de tussenmuur mag worden geplaatst, indien een verzoek tot plaatsing op aangrenzende woningen gelijktijdig wordt ingediend en uitgevoerd.
31.2.2 Optrekken gevel of goot a. Voor het bouwen van dakopbouwen door het optrekken van een gevel of vanuit de goot (topgevel) gelden de volgende regels: 1. het gebouw waarop de dakopbouw wordt geplaatst is een hoofdgebouw; 2. de dakopbouw heeft een kap met een kaprichting haaks op het dakvlak van het hoofdgebouw; 3. de dakopbouw is symmetrisch aangebracht op het dakvlak; 4. de breedte van de dakopbouw dient niet meer dan 1/3 van de gevelbreedte te bedragen; 5. de hoogte van de dakopbouw is ten minste 1 m lager dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. 6. de afstand van de zijkant van de dakopbouw tot de hoekkeper dient ten minste 1 m te bedragen. b. Voor het bouwen van een dakopbouw, door het verhogen van de nok, met zowel een kozijn in het voordakvlak als in het achterdakvlak (zogenaamde 'kamelenrug'), gelden de volgende regels: 1. het realiseren van een dakopbouw is alleen toegestaan binnen het plangebied zoals weergegeven in figuur 1; 2. de bouwhoogte van een (vrijstaande bedrijfs- en/of dienst-)woning voorzien van een dakopbouw mag niet meer dan 8,5 m bedragen; 3. een dakopbouw is uitsluitend toegestaan op een hoofdgebouw met een zadeldak met een dakhelling van kleiner dan wel gelijk aan 30 graden; 4. de afstand tussen de onderzijde van een dakopbouw en de dakvoet mag niet minder dan 1 m en niet meer dan 1,5 m bedragen; 5.
de afstand tussen de zijkanten van de dakopbouw en de zijkanten van de buiten- en/of tussenmuur mag niet minder dan 1 m bedragen; 6. de hoogte van het kozijn in de dakopbouw in het achter- en/of voor-dakvlak mag niet meer dan 1 meter bedragen; 7. de dakhelling van de dakopbouw en het hoofdgebouw dienen hetzelfde aantal graden te bedragen.
verplicht
figuur 1: Plangebied dakopbouwen over de nok (kamelenrug). Toegestaan in de gehele gemeente uitgezonderd
61
bijzonder welstandsgebied (oranjebruin gekleurd).
31.3 Bestaande afmetingen Wanneer een bestaand gebouw, overkapping of bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde: a. een grotere goothoogte; b. een grotere bouwhoogte; c. een grotere dakhelling; d. een kleinere dakhelling,
heeft dan in de bouwregels in de van toepassing zijnde bestemming is toegestaan, dan mag: • de goot- en/of bouwhoogte en/of dakhelling niet meer dan de bestaande goot- en/of bouwhoogte en/of dakhelling bedragen; • de dakhelling ten minste de bestaande dakhelling bedragen.
artikel 32 Algemene gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met dit bestemmingsplan, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor risicovolle inrichtingen; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor seksinrichtingen; d. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; e. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor ondergronds bouwen, met uitzondering van het bepaalde in artikel 14, lid 14.2, sub b onder 3 (Verkeer); f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bed & breakfast; g. het gebruik van gronden ten behoeve van paardenbakken.
artikel 33 Algemene aanduidingsregels 33.1 geluidzone - spoor 33.1.1 Aanduidingsomschrijving Op gronden met de aanduiding "geluidzone - spoor" is het niet toegestaan het aantal geluidgevoelige functies toe te laten nemen.
33.2 milieuzone - geurzone 1 33.2.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding “milieuzone – geurzone 1” zijn tevens aangeduid voor de geurzone behorende bij de waterzuiveringsbassin ten behoeve van een zuurkoolfabriek.
33.2.2 Bouwregels Ten behoeve van geurgevoelige objecten, anders dan woningen, mag niet worden gebouwd.
33.3 milieuzone - geurzone 2 33.3.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding “milieuzone – geurzone 2” zijn tevens aangeduid voor de geurzone
62
behorende bij de bij de waterzuiveringsbassin ten behoeve van een zuurkoolfabriek.
33.3.2 Bouwregels Ten behoeve van geurgevoelige objecten in de vorm van woningen, mag niet worden gebouwd.
33.4 overige zone - Algemene aanvulling geldende ruimtelijke plannen 33.4.1 Van toepassing verklaring Voor de gronden gelegen binnen dit plan, zijn de in regels van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in lid 1.39 geldende ruimtelijke plannen van overeenkomstige toepassing. Voorgaande met inachtneming van de regels die in dit plan zijn aangegeven met: a. vet (toegevoegde teksten); b. doorgehaald (verwijderde teksten) Deze regels gaan vóór op de regels in de geldende ruimtelijke plannen dan wel de regels van het specifiek aangegeven plan.
33.4.2 Beleidsverwijzingen 1 Beleidsnotitie kangoeroewoningen Langedijk en Heerhugowaard 2021 Bij de verlening van: a. een omgevingsvergunning voor het bouwen; en/of b. een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering; en/of c. een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, waarbij het kangoeroewonen zonder zorgindicatie wordt aangevraagd, is het beleid in de 'Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard houdende regels omtrent kangoeroewoningen in Langedijk en Heerhugowaard 2021' (16 juli 2021) dan wel diens rechtsopvolger van toepassing.
1 Algemeen verboden bouwen en gebruik Voor de geldende plannen zoals bedoeld in bijlage 1 bij de regels dat het zonder omgevingsvergunning niet is toegestaan om gronden en bouwwerken te bbeouwen en/of gebruiken voor kangoeroewonen als bedoeld in het beleid in de 'Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard houdende regels omtrent kangoeroewoningen in Langedijk en Heerhugowaard 2021' (16 juli 2021) dan wel diens rechtsopvolger.1
2 Afwijkingsmogelijkheid In afwijking van het bepaalde onder kan het bevoegd gezag: a. een omgevingsvergunning voor het bouwen; en/of b. een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering; en/of c. een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, verlenen het kangoeroewonen zonder zorgindicatie als is voldaan aan het beleid in de 'Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard houdende regels omtrent kangoeroewoningen in Langedijk en Heerhugowaard 2021' (16 juli 2021) dan wel diens rechtsopvolger.
63
2 Beleidsvisie op het agrarische gebied De 'Beleidsvisie op het agrarische gebied' opgenomen als bijlage 8. Visie op agrarisch gebied Langedijk bij deze regels dan wel diens rechtsopvolger geldt voor de bestemmingen 'Agrarisch gebied' en 'Agrarisch gebied met natuurlijke en recreatieve waarden' in het bestemmingsplan Buitengebied en Koedijk. De beleidsvisie geldt voor aanvragen omgevingsvergunning die zien op (ondergeschikte) nevenactiviteiten, aanvullend op de agrarische bedrijfsvoering en in strijd met het geldende bestemmingsplan, en daarnaast mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en/of bebouwingsbeeld; • de verkeersveiligheid; • de milieusituatie; • de sociale veiligheid.
33.4.3 Woon - zorginitiatieven in de bestemming Gemengd Deze regeling geldt voor de bestemming 'Gemengd' in de bestemmingsplannen: • bestemmingsplan Oudkarspel en Koedijk • bestemmingsplan Noord- en Zuid-Scharwoude en het facetbestemmingsplan bestemming Gemengd Noord- en Zuid-Scharwoude • bestemmingsplan Broek op Langedijk • bestemmingsplan Sint Pancras 2012
1 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met maatschappelijke voorzieningen in de bestemming 'Gemengd', wordt in ieder geval gerekend maatschappelijke voorzieningen in de vorm van woon-zorginitiatieven en maatschappelijke dienstverlening in de vorm van woon-zorginitiatieven.
2 Afwijken van de gebruiksregels In afwijking van het bepaalde in lid 33.3 onder 1 kunnen in de bestemming ‘Gemengd’ woon-zorginitiatieven worden toegestaan, als a. er sprake is van een maatschappelijk belang zoals bedoeld in bijlage 7. Afwegingskader woon - zorg initiatieven bij deze regels en waarbij vanuit het sociaal domein een positief advies is verstrekt ; en b. voldaan is aan de parkeernormen zoals bedoeld in het parapluplan Parkeernormen en normen laad- en losvoorzieningen Langedijk dan wel diens rechtsopvolger; en mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en/of bebouwingsbeeld; • de verkeersveiligheid; • de milieusituatie; • de sociale veiligheid.
33.4.4 Regeling aan huis verbonden beroepen en bedrijven De regeling voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven wordt aangevuld met het toestaan van
64
webwinkels. Webwinkels moeten voldoen aan de gestelde voorwaarden in de regeling voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven. Onder webwinkel wordt verstaan: Uitoefening van detailhandel waarbij goederen uitsluitend worden verkocht door middel van een schriftelijke en/of elektronische opdracht, die niet ter plaatse ter hand worden gesteld en waarbij geen uitstalling van goederen ten verkoop bestaat (geen showroom).
33.4.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bestemmingsplan Sint Pancras 2012 Deze regeling geldt voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de bestemming Tuin van het Bestemmingsplan Sint Pancras 2012 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 1 meter bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevelvan het hoofdgebouw mag niet meer dan 2 meter bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 1,5 meter bedragen, metdien verstande dat er geen overkappingen mogen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevel (en het verlengde daarvan) van het dichtst bij de openbare weg en het openbaar groen gesitueerde hoofdgebouw mag niet meer dan 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige erf- en perceelafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; c. voor het overige mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
33.5 vrijwaringszone - straalpad Ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - straalpad" mag de bebouwing niet hoger zijn dan 25 m, ter bescherming van het straalverbindingstraject van de KPN.
artikel 34 Algemene afwijkingsregels 34.1 Afwijkingsmogelijkheden Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. de in het plan gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, teneinde deze bij de definitieve uitmeting van het plan in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie; b. het bepaalde in het plan ten aanzien van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan en een grotere gezamenlijke oppervlakte hebben dan is toegestaan in de regels, met dien verstande dat: 1. de afwijkingsmogelijkheid uitsluitend betrekking heeft op bestaande legale bijbehorende bouwwerken met een grotere gezamenlijke oppervlakte dan is toegestaan in de bouwregels van de betreffende bestemming; 2. bij vervanging van de bestaande legale bijbehorende bouwwerken, waaronder kassen, met een grotere gezamenlijke oppervlakte dan is toegestaan in de bouwregels van de betreffende bestemming, mag de toegestane gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken zoals opgenomen in de bouwregels van de betreffende bestemming worden teruggebouwd, vermeerderd met ten hoogste 50% van het verschil tussen de te slopen gezamenlijke oppervlakte aan bestaande legale bijbehorende bouwwerken,
65
waaronder kassen, en de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken dat op grond van de bouwregels van de betreffende bestemming is toegestaan; 3. bij gedeeltelijke vervanging van de bestaande legale bijbehorende bouwwerken, waaronder kassen, met een grotere gezamenlijke oppervlakte dan is toegestaan in de bouwregels van de betreffende bestemming wordt de regel onder 2 naar evenredigheid toegepast (evenredige verlaging van het bepaalde onder 2); 4. in afwijking van het bepaalde onder 2 mag bij de vervanging van een karakteristieke bijbehorende bouwwerkende toegestane gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken zoals opgenomen in de bouwregels van de betreffende bestemming worden teruggebouwd, vermeerderd met 100 % van het verschil tussen de te slopen gezamenlijke oppervlakte aan bestaande legale bijbehorende bouwwerken, waaronder kassen, en de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken dat op grond van de bouwregels van de betreffende bestemming is toegestaan; 5. bij toepassing van het bovenstaande mogen geen kassen worden teruggebouwd; 6. het bepaalde onder 1 t/m 5 is tevens van toepassing op bijbehorende bouwwerken waarvan redelijkerwijs kan worden gesteld dat ze bij een eerstvolgende planherziening onder het overgangsrecht worden geplaatst; c.
het bepaalde in het plan en toestaan dat het beloop of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; d. het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; e. het bepaalde in het plan voor het bouwen van antennes en openbare lichtmasten waarvan de bouwhoogte niet meer dan 15 m mag bedragen; f. het bepaalde in het plan en toestaan dat bouwwerken ten behoeve van openbare (nuts)voorzieningen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits: 1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 30 m² bedraagt; 2. de bouwhoogte per gebouwtje niet meer dan 3 m bedraagt. g. het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden met ten hoogste 25 cm, indien sprake is van een overschrijding die het gevolg is van het aanbrengen van isolatie bij hoofdgebouwen.
34.2 Toetsingscriteria De in lid 33.1 bedoelde omgevingsvergunningen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en/of bebouwingsbeeld; • de verschijningsvorm van karakteristieke gebouwen; • de verkeersveiligheid; • de milieusituatie; • de sociale veiligheid.
artikel 35 Algemene wijzigingsregels 35.1 Algemeen a. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat een transformatorstation, gasdrukmeeten regelstation, rioolgemaal en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerk van openbaar nut mag worden gebouwd tot een maximum inhoud van 400 m³ en een maximum bouwhoogte van 4 m.
b. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de afmeting (vergroten) en/of situering (verplaatsen) van de aangegeven bouwvlakken worden gewijzigd met dien verstande dat: 1. de zijwaartse verbreding van een bouwvlak ten hoogste 3 mag bedragen; 2. het bouwvlak op ten minste 1 m uit de zijdelingse perceelgrens blijft;
66
3. de diepte van het bouwvlak niet meer dan de bestaande diepte mag bedragen; 4. de bouwregels van de betreffende bestemming voor het overige onverkort van toepassing zijn; 5. de wijzigingsbevoegdheid niet van toepassing is op bouwvlakken die betrekking hebben op hoofdgebouwen die zijn aangewezen als rijksmonument als bedoeld in de Rijksmonumentenwet of zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristieke en beeldbepalende panden'; 6. de afstand van een bouwvlak tot de grens van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer' en 'Water' ten minste 1,5 bedraagt.
artikel 36 Overige regels 36.1 Specifieke gebruiksregels In aanvulling op de specifieke gebruiksregels behorende bij de bestemmingen gelegen in het lint zoals weergegeven in Bijlage 4 Gebiedskaart Het lint behorende bij deze regels, gelden de volgende aanvullende specifieke gebruiksregels:
Tot een strijdig gebruik, wordt in ieder geval gerekend: • het gebruik van gronden en bouwwerken voor het wonen in de tweede lijn; • het gebruik van gronden en bouwwerken voor ondergeschikte kamerverhuur; • het gebruik van gronden en bouwwerken voor het splitsen van bouwwerken; • het gebruik van gronden en bouwwerken als recreatiewoning en bed & breakfast.
36.2 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 36.1 voor het gebruiken van karakteristieke en beeldbepalende bijgebouwen ten behoeve van het wonen in de tweede lijn, met dien verstande dat: 1. wonen in de tweede lijn uitsluitend is toegestaan in Het lint als bedoeld in de bij deze regels behorende Bijlage 4 'Gebiedskaart Het lint'; 2. wonen in de tweede lijn uitsluitend is toegestaan in karakteristieke en beeldbepalende bijgebouwen; 3. wonen in de tweede lijn niet mag leiden tot meer dan 1 hoofdgebouw per bouwperceel; 4. de bouwregels van de betreffende bestemming van overeenkomstige toepassing zijn; 5. geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk mag ontstaan. b. voor het gebruiken van hoofdgebouwen en karakteristieke en beeldbepalende bijgebouwen ten behoeve van ondergeschikte kamerverhuur, met dien verstande dat: 1. de verhuur van kamers in hoofdgebouwen uitsluitend is toegestaan binnen de bestemmingen 'Wonen Dubbel', 'Wonen - Rij' en 'Wonen - Vrijstaand'; 2. de verhuur van kamers in bijgebouwen uitsluitend is toegestaan in karakteristieke en beeldbepalende bijgebouwen; 3. de gezamenlijke oppervlakte aan ondergeschikte kamerverhuur per bouwperceel bestemd voor 'Wonen Rij' niet meer mag bedragen dan 30 m²; 4.
de gezamenlijke oppervlakte aan ondergeschikte kamerverhuur per bouwperceel bestemd voor 'Wonen Dubbel' niet meer mag bedragen dan 40 m²; 5. de gezamenlijke oppervlakte aan ondergeschikte kamerverhuur per bouwperceel bestemd voor 'Wonen Vrijstaand' niet meer mag bedragen dan 50 m²; 6. de te verhuren kamer(s) uitsluitend gebruik mogen maken van gedeelde voorzieningen als keuken, douche etc.; 7. de te verhuren kamer(s) geen eigen opgang mogen hebben; 8. geen afbreuk mag worden gedaan aan het woonkarakter van de omgeving; 9. geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk mag ontstaan.
67
c. lid 36.1 voor het gebruiken van hoofdgebouwen voor splitsing, met dien verstande dat: 1. uitsluitend een hoofdgebouw in de bestemming 'Wonen - Vrijstaand' mag worden gesplitst in niet meer dan twee woningen; 2. na splitsing van een hoofdgebouw mag bestaan uit een bovenwoning en een benedenwoning, horizontale splitsing; 3. indien sprake is van een stolp mag na splitsing het hoofdgebouw tevens bestaan uit een linkerwoning en een rechterwoning, verticale splitsing; 4. het splitsen van een hoofdgebouw in twee woningen niet leidt tot extra bouwrechten ten opzichte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; 5. geen sprake mag zijn van aantasting van het bestaande straat- en bebouwingsbeeld; 6. geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk mag ontstaan. d. lid 36.1 voor het gebruiken van hoofdgebouwen en karakteristieke en beeldbepalende bijgebouwen ten behoeve van een recreatiewoning en/of bed & breakfast, met dien verstande dat: 1. het gebruik als recreatiewoning en/of bed & breakfast uitsluitend is toegestaan in Het lint als bedoeld in de bij deze regels behorende Bijlage 4 'Gebiedskaart Het lint'; 2. een recreatiewoning en/of bed & breakfast in hoofdgebouwen uit-sluitend is toegestaan binnen de bestemmingen 'Gemengd', 'Wonen - Dubbel', 'Wonen - Rij' en 'Wonen - Vrijstaand'; 3.
een recreatiewoning en/of bed & breakfast in bijgebouwen uitsluitend is toegestaan in karakteristieke en beeldbepalende bijgebouwen; 4. de bouwregels van de betreffende bestemming van overeenkomstige toepassing zijn; 5. de gezamenlijke oppervlakte van een recreatiewoning en/of bed & breakfast per bouwperceel bestemd voor 'Wonen - Rij' niet meer mag bedragen dan 30 m²; 6. de gezamenlijke oppervlakte van een recreatiewoning en/of bed & breakfast per bouwperceel bestemd voor 'Wonen - Dubbel' niet meer mag bedragen dan 40 m²; 7. de gezamenlijke oppervlakte van een recreatiewoning en/of bed & breakfast per bouwperceel bestemd voor 'Gemengd' of 'Wonen - Vrijstaand' niet meer mag bedragen dan 50 m²; 8. geen afbreuk mag worden gedaan aan het woonkarakter van de omgeving; 9. geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk mag ontstaan.
36.3 Parkeernormen en laad- en losvoorzieningen bouwen, gebruik, afwijking en wijziging a. Bij de verlening van: 1. een omgevingsvergunning voor het bouwen; en/of 2. een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering; en/of 3. een omgevingsvergunning voor het afwijken, dient, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van: ◾ een te verwachten behoefte aan het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen en/of andere voertuigen krachtens een voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning in voldoende mate verzekerd te zijn dat voldoende parkeervoorzieningen zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort en dat deze parkeervoorzieningen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden; ◾ een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort en dat deze laad- en losvoorzieningen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden.
b. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid dient, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van: 1. een te verwachten behoefte aan het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen en/of andere voertuigen
68
krachtens een voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning in voldoende mate verzekerd te zijn dat voldoende parkeervoorzieningen zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort en dat deze parkeervoorzieningen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden; 2. een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort en dat deze laad- en losvoorzieningen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden.
c. Van voldoende mate van parkeervoorzieningen zoals bedoeld in sub a en/of sub b is sprake indien is voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in het parkeerbeleid Nota Parkeernormen 2016 zoals vastgesteld op 13 december 2016, dan wel het vastgestelde parkeerbeleid zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag als bedoeld in sub a en/of sub b voor het bouwen en/of voor een gebruiksverandering en/of afwijking of het wijzigen.