Bijlage 2 Verdiepings- en inspiratiedocument cultuurhistorie
Tekst van het document
Contacten met Heerhugowaard We hebben met tuinders wel enkele contracten in Heerhugowaard Noord gehad. De Noord is wat dat betreft een sterke gemeenschap. Zo liep onze verkoper Gerrie Groot (woonachtig in Heerhugowaard Noord) naar Rome, omdat het dak van de kerk vervangen moest worden en dat liet hij sponsoren per kilometer. Met 2000 kilometer haalde hij genoeg geld op om het dak te laten repareren. Er waren ook wel tuinders uit Schermer, Beemster en Koedijk en zo. Maar echt heel weinig uit Heerhugowaard. We zullen beslist wel op de veiling ook producten uit Heerhugowaard hebben gehad. Maar als bedrijf hadden we niet zoveel contacten met tuinders uit Heerhugowaard. Kool van zwaardere grond kan je beter bewaren en producten van lichtere grond kan je minder lang bewaren. De tuinders die moesten natuurlijk wel weer de sloten uitgraven en de bagger diende als kunstmest. In Heerhugowaard-Noord had je hele lichte grond, de aardappelen waren matig van smaak. Dan had je een gezegde hier: ‘De aardappelen uit Heerhugowaard-Noord zijn voor de handel, maar niet om te eten.’
De zege van de ruilverkaveling Op de vraag of de ruilverkaveling van de jaren zestig en zeventig veel impact heeft gehad op de bedrijfsvoering van Kramer & Zonen, antwoordt Kramer instemmend. ‘Door de ruilverkaveling konden we efficiënt produceren. Vooraf aan
de ruilverkaveling had je twee groepen. De mensen die er product teelden waren voor, degene die geen economisch belang hadden waren tegen. Dat was de stemming van de ruilverkaveling. Uiteindelijk heeft 95% voor gestemd. Voor het hele gebied was het een zegen. Het gaf schaalvergroting. Er waren namelijk tuinders die werkten op 40 eilandjes. Die waren meer aan het varen dan aan het werken op het land.
doet enorm veel goed. Aardappelen teel je in de grond en kool zit daar boven. Alles wat in de grond zit, is hier moeilijker. Dat komt door de zware grond.’
De concurrentie en de verandering van het klantenbestand In de afname van zuurkool is eind 20ste eeuw enorm veel verandering gekomen. Toen Kramers vader nog leidinggaf, waren er ook nog veilingen. Nu wordt met elke teler afspraken gemaakt over de jaarlijkse levering van witte kool. ‘Maar mijn vader’, vertelt Kramer, ‘had een motor en die reed die negen veilingen af. Dan moest hij bieden op de klok. Als hij ernaast zat, dan had hij helemaal niks. De veilingtijden tussen al die veilingen waren op elkaar afgestemd. De ene veiling begon om 9.00 uur en de volgende om 10.30. Dus die kon hij allemaal afrijden. Er waren natuurlijk ook anderen die de kool wilden hebben. Want er waren hier best wel veel zuurkoolfabrieken.’
Met onze huidige kooltelers maken wij losafspraken. Voor de verkaveling kocht mijn vader bootjes kool op de veiling en die voeren na de veiling naar de fabriek en dan werd hier het bootje gelost wanneer ze aan de beurt waren. Zo lagen ze gewoon te wachten tot het gelost kon worden. Dan gingen ze naar een café hier verderop om een borreltje te drinken en dan weer naar huis en dan was de hele dag gevuld. Door de ruilverkaveling kregen ze voor al die uit elkaar liggende eilandjes één perceel terug.’ We leggen Kramer voor dat wij begrepen dat het aandeel van de tuinbouw in de economie van Langedijk wel daalde na de ruilverkaveling. Kramer is het daar niet geheel mee eens: ‘Door de ruilverkaveling keerde de grond helemaal om. Er kwam een soort van verversing en de grond werd daardoor veel vruchtbaarder. Dus de eerste tien jaar was dat geweldig. Daarna werd het weer wat oudere grond en werd de grond wat minder vruchtbaar. Ook ging de export van de witte kool naar bijvoorbeeld Engeland geweldig. Dat waren gouden jaren. De ruilverkaveling was zo omstreeks 1970- 1980. Maar goed, daarna ging Engeland zelf weer meer kool telen en toen was de groei weer over.’
‘Dat veilingsysteem’, vertelt Kramer, ‘ging stuk, omdat de grootste kopers de hoogste prijs betaalden. Dus grote bedrijven, bijvoorbeeld Albert Heijn, die veel nodig had, betaalden de hoogste prijs en daardoor ontstond het systeem dat ze meteen naar de telers gingen. Dat scheelde geld. Vele tuinders hebben hier vaste afspraken met diverse supermarkten. Ik zie hier dat de tuinders die een vaste afspraak hebben met bedrijven, het beste floreren.’ ‘Wij zijn hier nog,’, zegt Kramer niet zonder trots, ’maar daar hadden we ook wel een beetje mazzel bij. Het belangrijkste is, er waren binnen de familie altijd opvolgers. Dat is altijd prettig. Daardoor zijn er een aantal zuurkoolfabrieken gestopt, omdat er geen opvolging was. Maar er waren ook fabrieken die het zakelijk niet goed deden. En dan krijg je zo langzamerhand een afvalrace.
Met de ruilverkaveling werd geprobeerd of er meer gewassen geteeld konden worden. Kramer beaamt dat dat niet helemaal gelukt is: ‘Je moet ze ook kunnen telen’, legt hij uit: ’De grond is relatief zwaar. Voor kool is dat juist heel geschikt. Hier heb je iedere avond een zeewindje. Die wind
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - I NT E RV I E W
23
Wat ook meespeelde is, toen ik hier kwam, hadden we een kaartenbak van 300 klanten. Als er eens twee wegvielen dan bleven er nog 298 over. Tegenwoordig gaat het om de grootwinkelbedrijven zoals AH, Jumbo, Lidl enz. Het gaat nu maar om zes klanten. Als we er nu eentje kwijtraken, dan zijn we zo’n 20% van de omzet kwijt. We leveren producten aan de distributiecentra van die bedrijven. Maar het gaat ook naar Sligro als groothandel van de horeca.
Voor ieder segment hebben we andere verpakkingen. Als eerste: de bakjes en zakjes gaan naar de supermarkten voor de consumenten. De tweede zijn de blikken in alle maten en soorten, dat is voor de export. De emmers zijn voor de horeca en de groentegroothandel. Maar die laatste verdwijnt steeds meer, want die hebben het erg moeilijk. En als laatste segment is er de industrie. Dan moet je denken aan kant en klaar maaltijden en potjes. Neem bijvoorbeeld de potjes van HAK.
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - I NT E RV I E W
Kramer is de enige van alle zuurkoolfabrieken in Nederland die het overleefd heeft. Toen ik begon had je nog Hart & Co, Burcht, Deutekom, De Nijs, Stennenberg, Lamers, Volwater en wij als Kramer. Verder in het land Succes, Rustenburg, De Goed, Harkema, Klaassen en Hoover. Maar die zijn allemaal weg. Het komt echt door de schaalvergroting.’
24
4 Na 1945: Bouwexplosie in Heerhugowaard en fasegewijze uitbreiding van Langedijk Na de oorlog liepen de ruimtelijke ontwikkelingen van Heerhugowaard en Langedijk snel uiteen. De economie van beide gemeentes laat een afname zien in de bijdrage die tuinbouw daaraan leverde. Terwijl Heerhugowaard zich richtte op de uitbreiding van de industrie en de dienstensector, maakt Langedijk zich op voor een grootschalige ruilverkavelingsoperatie voor rationalisatie en mechanisatie van de tuinbouw. Heerhugowaard startte in de jaren vijftig en zestig met de ontwikkeling van een groot bedrijventerrein bij het station en eerst de uitbreiding van de dorpskern dichtbij het kruispunt Middenweg – Van Veenweg, al snel Centrumwaard genoemd, en later, eind jaren zeventig, de verhuizing naar Middenwaard. Langedijk wachtte met grootschaliger uitbreidingen met de ruilverkaveling die eind jaren zestig/begin jaren zeventig plaatsvond. De schaal waarop de uitbreidingen in Heerhugowaard, plaatsvonden is ook veel groter. Rond de tweede wereldoorlog zouden de uitbreidingen in beide gemeenten door het bureau van Wieger Bruin, later Wieger Bruin Vink Van der Kuilen, worden ontworpen, maar na de oorlog neemt de stedenbouwkundige Van der Ban in Langedijk die opdracht over. We volgen de ruimtelijke ontwikkelingen van beide gemeentes in het vervolg los van elkaar.
Aan het slot maken we de balans op van het huidige beeld van het grensgebied die als gevolg van beide ontwikkelingen is ontstaan.
Heerhugowaard: verschuiving van het centrum door schaalvergroting Met de komst van de burgemeester M.F.A Mollema in 1957 zet een ongekend sterke groei van Heerhugowaard in. In de 23 jaar dat hij burgemeester was heeft Heerhugowaard voortvarend gewerkt aan haar groei en wist zij het aanvankelijke emigratieoverschot te keren. Ook als dat tegen de wensen van de provincie en het rijk inging. De belangrijkste middelen om de aantrekkingskracht van Heerhugowaard economisch en maatschappelijk te vergroten waren de aanleg van een bedrijventerrein, de sanering van de land- en tuinbouw zodat schaalvergroting mogelijk werd, de sanering van het winkelbestand, onder meer door de bouw van een nieuw centrum met winkels, de ontwikkeling van een dienstensector en de bouw van nieuwe wijken. Net als in Langedijk werd in Heerhugowaard ruilverkaveling als middel ingezet om de land- en tuinbouw te moderniseren, al gebeurde dat op een veel kleinere schaal dan in het Geestermerambacht. Wat hielp was dat met de uitwerking van de 2de Nota op de ruimtelijke ordening van 1966 die uitging van een gebundelde deconcentratie – aanwijzen van groeikernen
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
om het landschap te sparen – Heerhugowaard niet als officiële groeikern werd aangewezen, maar dan toch als secundaire groeikern ging fungeren. Het inwonertal dat na de oorlog van 5500 inwoners in 1940 mondjesmaat groeide naar 6500 in 1957, kende een explosieve groei naar 32.000 in 1980. De uitbreidingsplannen die vormgaven aan de groei van Heerhugowaard waren vlak voor en net na de oorlog nog vrij traditioneel, maar werden in de jaren zestig steeds globaler en meer planologisch van aard. Die ontwerpbenadering zou ook de aanblik van de Waardse zijde van het grensgebied Dijk & Waard bepalen. Maar hoe de uitbreiding stedenbouwkundig ook werd opgelost, de orthogonale opzet van de droogmakerij bood een handig kader voor welke wijze van invulling dan ook. In de beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling van Heerhugowaard beperken we ons tot de centrale kern, en laten we de kernen Noord en ’t Kruis verder buiten beschouwing. Uitgangspunt van de opeenvolgende structuur- en
25
uitbreidingsplannen was om de bebouwing rond de kernen te concentreren en het landschap zoveel mogelijk te sparen. De eerste centrale kern ontwikkelde zich dichtbij de kruising Middenweg – Van Veenweg waarvoor het uitbreidingsplan door Wieger Bruin in de jaren dertig werd getekend. Het omvatte alleen nog de Lindelaan als zijstraat van de Middenweg en de verbinding daarvan door de Dreef met de Van Veenweg. Toen later ook de Sportlaan werd aangelegd werd
daarmee een toegangslaan van allure gecreëerd voor het Raadhuisplein dat in 1965 werd gerealiseerd met op de kop het nieuwe Raadhuis, een van de mooiste raadhuisontwerpen van J.F. Berghoef. Tussen de Stationsweg en het nieuwe centrum lag nog een open ruimte, maar om de band tussen beide gebieden toch te benadrukken kreeg de Middenweg een breder, met een groenstrook gestoffeerd profiel.
Uitbreidingsplan 1937-42 en legenda (Regionaal Archief Alkmaar: inv.nr. 228)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
itbreidingsplan 1965 en legenda (Regionaal Archief Alkmaar, inv.nr. 328)
26
De wigvormige ruimte van het Raadhuisplein met daarom heen de winkels en andere voorzieningen dat in 1966 werd gerealiseerd is een echo van de verdraaiingen die de verkaveling van de verschillende uitbreidingswijken laten zien en die ingezet is door de knik in de Middenweg. De woonwijken die eerst aan de noordzijde, later aan de zuidzijde worden aangelegd, bestaan uit gesloten bouwblokken in open verkaveling, een beetje zoals tuindorpen
voor de oorlog werden opgezet. Herkenbaar zijn wat dat betreft de stempelstructuren. Langs de grote open, groene ruimten waarop zorginstellingen of onderwijsinstellingen zijn gedacht, zijn soms getrapt geplaatste woningstroken geplaatst. Soms zijn de garages in de binnenhof gebouwd zodat de openbare ruimte voor het groen is gereserveerd. Bijna elke wijk kent wel een centraal gelegen singel.
Tegelijk met de uitbreidingen werd eind jaren vijftig een begin gemaakt met de aanleg van het bedrijventerrein de Zandhorst tussen de spoorlijn en het kanaal in de vorm van een driehoek dat zich in de jaren erna in noordelijke richting zou uitbreiden. Het was het begin van de aanleg van een buffer die tussen Heerhugowaard en Langedijk werd gecreëerd en daarmee mogelijk onbedoeld het teken afgaf dat Heerhugowaard voor haar zelf de spoorlijn als grens van de verstedelijking beschouwde. De Broekhorner polder werd tot 2014 beschouwd als een agrarisch buitengebied dat eigenlijk niet bij de gemeente leek te horen en waarvoor ook nog een tijdje de bestemming van bedrijventerrein was gedacht. Heerhugowaard had op de noordkop ervan, aan de Westdijk al een bedrijventerrein geprojecteerd waar op de hoek met de Westerweg de Electrische Graanmaalderij “De Goede Verwachting” uit 1916-1917 stond. Ontworpen door H.Cramer was dit een initiatief van Coöperatieve Aankoop¬vereeniging met Malerij “De Goede Verwachting” te Heerhugowaard voor de productie en opslag van veevoer ten behoeve van de landbouw in de Broekerpolder en Heerhugowaard. In 1929 liet zij ook een pakhuis voor kunstmest bouwen. De provincie stak echter een stokje voor de uitbreiding van dit bedrijventerrein.
Centrumgebied Heerhugowaard, jaren zestig: hierop is goed te zien hoe de rastervormig verkaveling het raamwerk voor de opeenvolgende uitbreidingen vormt. (Collectie Henk Komen)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
27
Eind jaren zestig maakte het bureau van Wieger Bruin Vink Van der Kuilen een structuurplan met een sterk planologische opzet om de groei van de Heerhugowaard in goede banen te leiden. In de vorm van een vlekkenplan gaf zij aan waar gewoond kon worden, waar bedrijven, onderwijs- en zorginstellingen moesten komen en hoe hoofd- en secundaire ontsluitingen de verbindingen daartussen moesten leggen. De precieze invulling daarvan werd aan de architecten van de opeenvolgende wijken overgelaten. De globale opzet van het structuurplan moest aan de ene kant ruimte open laten voor noodzakelijke wijzigingen als de bevolkingsgroei exponentieel zou toenemen, maar wel enig houvast bieden voor de invulling. Zo werd berekend dat Heerhugowaard bij het bereiken van een inwonertal van 45.000 het centrum zou moeten verschuiven naar een locatie ten zuiden van de Zuidtangent. Bij de groei naar 70.000 inwoners kon het centrum dan verplaatst worden naar een locatie ten noorden van de spoorlijn naar Hoorn. Later werd er echter voor gekozen om de brede groene strook langs de Zuidtangent niet meer te verlaten. Hierop kwam Middenwaard, de naar Amerikaans voorbeeld gebouwde ‘shopping mall’, te staan. Tegenover Middenwaard had het bureau van Wieger Bruin een strook met hoogbouw gedacht om enige afwisseling in de bebouwing aan te brengen, zonder welke vorm de stad daarmee zou kunnen krijgen.
Die hoogbouw is er uiteindelijk niet gekomen, hetgeen de onevenwichtige verhouding tussen de breedte van de Zuidtangent en de aanliggende woonbebouwing verklaart. De geplande uitbreidingen en verschuiving van het centrum betekende een radicale verandering van de infrastructuur van Heerhugowaard. De Westtangent die langs de Westertocht werd geprojecteerd nam de hoofdverbindingsfunctie van de Middenweg over. De Stationsweg werd hierdoor in tweeën gesplitst. Aan de oostzijde werd de Oosttangent gelegd en de Zuidtangent diende als verbinding tussen
Structuurplan Heerhugowaard 1968 en legenda (Regionaal Archief Alkmaar, inv.nr. 1051, 336)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
28
Middenwaard en Langedijk. Deze doorsnijdt het druipland de Vlaarding en verving de Uitvalsweg die juist om dit druipland was gelegd. In de wegenstructuur werd een strakke hiërarchie aangehouden van stadshoofdwegen, wijkwegen en woonstraten om, op basis van voor die tijd nog
maar jonge verkeerskundige benadering, het verkeer zo veilig en vlot mogelijk te laten doorstromen. In de gedachtegang van de ontwerpers was de auto dominant. In de opzet van het structuurplan bestaat een hiërarchische verdeling tussen de stadshoofdwegen zoals de Westtangent, de
Oosttangent en de Zuidtangent en de wijkwegen, denk aan de Krusemanlaan. Nadrukkelijk werd aangegeven dat op de wijkwegen ‘directe toegang tot huizen, winkels of andere panden waar mogelijk moet worden vermeden’. Gevolg daarvan was dat de wijken een naar binnen gekeerd karakter kregen. Wie Heerhugowaard vanuit Langedijk binnenkomt ziet dat de huizen met de rug naar het Zuidtangent toestaan.
‘Projecten stedenbouw’ De verschuiving naar een stedenbouwkundige manier van ontwerpen waarin het accent ligt op het uitzetten van een wegen- en groenstructuur is typerend voor de tijd waarin het groeikernenbeleid vorm kreeg. Met een planologisch instrument als het structuurplan van Heerhugowaard was volgens het stedenbouwkundig bureau het plannen voor een onzekere toekomst en een snel groeiende gemeenschap beter mogelijk, ook omdat het flexibel was in de omgang met een stedelijk programma. Alleen werd zo wel de vormgeving van de stad losgekoppeld van de ruimtelijke identiteit en de kenmerken van de locatie. De orthogonale structuur van de droogmakerij van Heerhugowaard vormde voor deze benadering natuurlijk een ideale onderlegger. Wanneer de wegen waren uitgezet en de groene buffers tussen wegen en wijken bepaald waren, kon elke bebouwingsvlek binnen dat raster van wegen als een wijk met een eigen identiteit worden ontworpen. Hoe de stad als geheel vorm moest krijgen, bleef echter onduidelijk. Deze planologische benadering werkte ‘projecten stedenbouw’ in de hand, een beeld dat ook door oud-projectleiders van de
Middenwaard rond 2000 (Collectie Anton Balm)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
29
gemeente Heerhugowaard wordt bevestigd. De planvorming voor Middenwaard en het Stationsgebied is daarvan een goed voorbeeld. Toen het winkelcentrum van Middenwaard naar een ontwerp van Spruijt en de Jong werd gebouwd, vormde het een enclave op een brede groenstrook langs het in dezelfde tijd aangelegde Zuidtangent. De omvang was in 1968 toen Heerhugowaard 10.323 inwoners telde, berekend op een groei naar 45.000 inwoners in 1980. De ontwerpers die ook betrokken waren bij het ontwerp voor de megastructuur van Hoog Catherijne hadden het naar voorbeeld van de Amerikaanse ‘shopping malls’ vormgegeven als een overdekte straat met aan weerzijden een diversiteit aan winkels. Rondom lagen uitgestrekte parkeerplaatsen. Het naar binnen gekeerde winkelcentrum had geen connectie met de context en de bebouwing was te laag om een ruimtebepalende wand te kunnen vormen voor de Zuidtangent.
Langedijk: incidentele uitbreidingen Voor de inrichting van het gebied in en rond Langedijk zou de ruilverkaveling een alles bepalende invloed hebben. Schaalvergroting, rationalisatie en mechanisering waren niet te combineren met het vervoer over water tussen de verspreid liggende stukken grond die een tuinder in bezit kon hebben. Het aandeel dat tuinbouw in de economie van Langedijk had nam af, omdat ook veel tuinders door de ruilverkaveling stopten. In 1971 was nog maar 12 % van de beroepsbevolking werkzaam in de tuinbouw en de agrarische sector. De vaarpolder veranderde zo in een rijpolder. Met grootschalige uitbreiding van de bebouwing was gewacht tot de uitvoering van de ruilverkaveling.
De eerste uitbreidingen van Broek op Langedijk waartoe we ons in deze gebiedsbiografie beperken waren kleinschalig en vonden vooral aan de zuidkant plaats. Voor de oorlog had Wieger Bruin hiervoor ontwerpen gemaakt die na de oorlog verder werden uitgewerkt door Elze van der Ban. In 1963 werd in een nota inzake stedenbouwkundige ontwikkeling gesteld dat niet voor 1970 woningbouw in het herverkavelde gebied kon plaatsvinden. Wel werden in de periode daarvoor kleine, open stukken land aan de zuid- en oostzijde met kleine aantal woningen bebouwd. Daartoe behoorde de ontwikkeling van het gebied langs de Prins Hendrikkade, in het verlengde van de lintbebouwing langs de Dijk. Van der Ban ontwierp hiervoor in 1963 een uitbreiding en rond de haven die in het bestemmingsplan van 1978 werden vastgelegd en conserverend bestemd.
Uitbreidingsplan Broek op Langedijk, 1939 (Regionaal Archief Alkmaar; inv.nr. 348 )
Broek op Langedijk Zuid, 1960 (collectie Stichting Langedijker Verleden)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
30
Uitsneden van kaarten uit 1950, 1977 en 1980 (Topotijdreis.nl)
Bij het zuidelijk plan werd ernaar gestreefd de bebouwde kom van Broek op Langedijk compact te houden met sportvelden ten zuiden daarvan. Er werd ook ruimte gereserveerd voor een eventuele verbindingsweg tussen Broekhorn en de Zuiderdel dat zich tot een bedrijventerrein ontwikkelde. De afsluiting van de zuidzijde met sportvelden heeft ervoor gezorgd, dat de kade stopt bij de Prins Bernardstraat en de villabebouwing ook de afsluiting van de wijk vormt. Alleen een voetpad geeft toegang tot het pad over de dijk, het tracé waarover tot 1972 het Broeker spoorlijntje liep. Fietsers kunnen pas ter hoogte van de Twuyvermolen op de dijk komen. In de jaren negentig, kwam het industrieterrein op Zuiderdel in fasen tot stand. De demping van de
Zuiderdel was onderdeel van de ruilverkaveling. De bouw van de N.V. Smith’s Potato Crisps in 1958 aan het eindpunt van de toenmalige spoorlijn was hiervan de voorbode. De ruilverkaveling kreeg zijn beslag in de jaren zeventig en startte begin 1970 in het noorden rond Warmenhuizen en Oudkarspel en kwam naar het zuiden toe gefaseerd tot stand. De ruilverkaveling gebeurde op basis van een zogenoemde multi-purpose methode, waarbij de herverkaveling naar het model van de New Deal van F.D. Roosevelt van voor de oorlog werd gebruikt om meerdere opgaven tegelijk op te lossen. Naast verbetering van de productievoorwaarden was dat waterbeheersing, dorpsuitbreidingen
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
Kaart van de Ruilverkaveling waarop de fasering. (uit Otterplaat?)
31
Vooral aan de westzijde van de Langedijk tussen Sint Pancras en Oudkarspel werden vele sloten in het Geestmerambacht gedempt en kwam parallel aan de dijk de Westelijke Randweg te lopen die Alkmaar met Schagen verbond. Op de kaarten van voor en na 1970 is goed te zien dat het centrum van Broek op Langedijk door deze ingrepen zijn waterrijke karakter verloor. De Voorburggracht werd over de hele lengte dicht gegooid en voor autoverkeer geschikt gemaakt. De haven was al rond 1940 voor een deel gedempt, bij de bouw van de nieuwe sluis. In 1975 kwam aan de zuidzijde een loswal met een betonnen kade. Rond de havenkom stond een menging van woningen en bedrijfsgebouwen, gerelateerd aan het tuindersbedrijf en het transport.(42, 43)
Broek op Langedijk 1966 (Topotijdreis.nl)
De riolering die onderdeel was van de ruilverkaveling maakte dat de wc’s die voor vervuiling van het water zorgde, overbodig. (uit: Otterplaat)
realiseren, recreatievoorzieningen scheppen en een riolering aanleggen. In Langedijk werd het afval namelijk nog geloosd op de sloten. Bij het Geestmerambacht ging het om de grootste waterrijke polder van Nederland en ook onder de tuinders leefden de gedachte dat ruilverkaveling het enige middel was om het ‘stervende Geestmerambacht’ weer gezond te maken.
97% van de tuinders ging dan ook akkoord met de ruilverkaveling. Door de toenemende vraag naar fijnere groenten daalde de behoefte aan aardappelen, rode en witte kool en door de eilanden structuur was rationalisatie en mechanisatie onbegonnen werk. Daarnaast zorgde de verzoeting van het water voor plantengroei en dus hinder voor de vaartuigen en de bedrijfsbebouwing stond aan de rand van de polder, ver van de te oogsten groenten. De ruilverkaveling moest al deze belemmeringen voor een toename van de productie en een gezondere woonomgeving wegnemen.
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
Broek op Langedijk nu (Google Maps)
32
Aan de padenstructuur van het dorp en de daaraan liggende bebouwing is nog goed te zien waar de voormalige eilanden zich bevinden. Ze zijn nu geheel opgenomen in het weefsel van de naoorlogse bebouwing. Alleen aan de oostzijde zijn nog van die kenmerkende houten bruggen overgebleven. De eerste uitbreidingen – Centrum-West in Noord-Scharwoude en Barnewiel in Oudkarspel – dateren van voor de ruilverkaveling, na de ruilverkaveling kwamen ook kleinschalige uitbreidingen in Broek op Langedijk tot stand. Bewoners slaagden er onder meer door een handtekeningactie in de demping van Oosterdel te voorkomen, waardoor een deel van het eilandenrijk bewaard bleef. Van de 17 ontwikkelaars die met plannen voor de bebouwing kwamen, kreeg BOHAN uit Utrecht uiteindelijk de opdracht. Omdat het BOHAN door de hogere rente niet lukte woningen te verkopen, verkocht zij
Uitsnede uit kaart van 1965 (Topotijdreis.nl)
Uitsnede uit kaart van 1983 (Topotijdreis.nl)
de eilanden zodat de kopers daarop een eigen huis konden bouwen. Door een grondruil kwam Staatsbosbeheer in het bezit van het zuidelijk deel van Oosterdel. Er werd een ringweg aangelegd – de Lepelaar - om de woningen die op de schiereilanden gebouwd werden, bereikbaar te maken. Iets van het vroegere karakter van bewoning van de vroegere eilanden is nog ervaarbaar op het Schapenland, waar ook nog enkele tuinderswoningen bewaard zijn gebleven.
dieper gelegen polder Westbeverkoog die oorspronkelijk deel uitmaakte van het Geestmerambacht, maar ook een deel van de Heerhugowaard besloeg. In die tijd heette dit deel Achtergeest. De molen was groter dan de andere molens, omdat deze ook als taak had naast de bemaling van Geestmerambacht, dit deel te bemalen. In 1871 stichtten een antal eigenaren een nieuwe polder, de Westbeverkoog en lieten eigen molens bouwen voor de bemaling van dit stukje grond. Sinds 1926 doet de molen geen dienst meer. In 2010 plaatste de toenmalige eigenaar J. Kriek het gaand werk terug, waarna de huidige eigenaren de molen restaureerden en een rondmaal circuit aanlegden. Op termijn hopen zij dat het mogelijk is om de molen het water op het kanaal te laten lozen.
De ruilverkaveling zorgde ook voor een drastische verandering van de omgeving van de Twuyvermolen (Molen A) die uit 1663 dateert. Deze is met Molen D aan de Oosterdijk, dichtbij het station Heerhugowaard, de laatste van de 11 molens die voor de bemaling van het Geestmerambacht zorgden. De molen ligt op de grens van het Geestmerambacht en de
Molen
Luchtfoto van Twuyvermolen en het spoorlijntje naar Broek op Langedijk, c. 1940) (Collectie Stichting Langedijker Verleden)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
33
Interview met
Gem Bot directeur Bot Bouw, Heerhugowaard 16 april 2021
Op 27 november 1912 begint Petrus (Piet) Bot als aannemer vanuit zijn eigen huis aan de Jan Glijnisweg in Heerhugowaard onder de naam ‘Aannemingsmaatschappij P. Bot en Zn’. Hij startte als aannemer met werk voor particuliere opdrachtgevers en kleine bedrijven, maar wist al snel door goede contacten grote opdrachten in de wacht te slepen, zoals het bouwen van de eerste huizen voor de opgerichte woningbouwvereniging in Heerhugowaard. De geschiedenis van zowel de familie Bot als het bedrijf - dat sinds 1994 opereert als ‘Bot Bouw’ - is al ruim een eeuw nauw met Heerhugowaard verbonden. De achterkleinzoon van Piet is Gem Bot (1969). Hij is sinds 1997 directeur en daarmee de vierde generatie Bot die de directie voert over het bedrijf. Net als alle generaties is hij van zeer jongs af aan betrokken bij de onderneming. Als kind mocht hij al meerijden op de vrachtwagens. Hij was 25 jaar oud, toen hij in 1994 bij het bedrijf kwam. ,,Het bedrijf zit in mijn haarvaten en gaat er nooit meer uit. Van huis uit heb je die familietrots meegekregen.’’
Wonen en werken in Heerhugowaard
Daarnaast werd hier kantoor gehouden aan Middenweg 197. Het huis aan de Middenweg 197 werd op een gegeven moment te klein voor én een gezin én een groeiend bedrijf. Daarom verhuisde het kantoor in eind jaren 70 naar de Marsmanstraat in Heerhugowaard. Ook hier groeiden wij uit en zo zijn wij in 2002 naar de K.P.C. de Bazelweg gegaan op bedrijventerrein Beveland.
Oprichter Piet Bot en zijn nazaten zijn altijd aan Heerhugowaard verbonden. Over de woonhuizen van de familie vertelt Gem Bot: ,,Mijn overgrootvader Piet kwam van origine uit Oosterblokker. Dat ligt bij Westwoud en Hoorn. Daar in Westfriesland kom je nog wel wat ‘Botten’ tegen. Hij toog naar Heerhugowaard omdat met de komst van de spoorlijn hier meer om handen was, dan in zo’n klein dorpje als Oosterblokker. Hij ging wonen aan de Jan Glijnisweg, waar nog steeds de materieeldienst is gevestigd. In 1934 verhuisden zij naar de Middenweg 234. Zij kregen 12 kinderen. De ongetrouwde dochters zorgden voor hun ouders. Mijn opa Gem – naar wie ik ben vernoemd--was de oudste. Hij is daarnaast de oudste van mijn voorgangers die ik nog heb gekend. Hij had 9 kinderen, waaronder mijn vader Piet. Opa en oma woonden in een vrijstaand huis aan de Middenweg 197. Voor ons als kleinkinderen was dat een fantastisch huis, want op de overloop waren voor alle kinderen kamers. Het was voor ons een soort hotel.
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - I NT E RV I E W
Mijn vader en moeder woonden ook in Heerhugowaard. Eerst aan de Pieter de Hooghstraat eind jaren 60 in een eigen ontwikkeling. Later aan de Middenweg 234 in het huis van de oprichter, Piet Bot.
Van vader op zoon Volgens Gem Bot heeft het feit dat zijn vader en zijn broers zijn gaan studeren, net als hijzelf, bijgedragen aan het succes van het bedrijf: ,,De directie is steeds van vader op zoon overgegaan. Omdat de derde en vierde generatie heeft kunnen studeren, kon het bedrijf zich mee ontwikkelen.
34
Mijn vader was de eerste die naar Delft ging, dat heette destijds nog de Technische Hogeschool. Mijn ooms hebben ook allemaal gestudeerd. In de jaren ’80 ben ik ook naar Delft gegaan, naar wat inmiddels de Technische Universiteit was geworden. In Delft studeerden heel weinig mensen uit Heerhugowaard. Jongeren uit deze regio zijn redelijk georiënteerd op Amsterdam en er zijn goede vervolgopleidingen in Alkmaar met het HBO, wat voorheen de HTS en HEAO was. Als studenten uit Heerhugowaard vroeger verder dan Amsterdam gingen, dan was dat een wereldreis. Dat was zelfs nog zo in de jaren ’80. Westfriezen zijn redelijk honkvast. Dit is waar ze thuishoren. Je had hier veel tuinders met kinderen die goed konden leren. Maar de kinderen werden eerder gestimuleerd om de ‘kruipersbroek’ aan te doen en mee te helpen op het land, dan dat ze verder gingen studeren. Mijn vader was wel in de gelegenheid om te gaan studeren. Binnen onze familie was dat mogelijk, ook financieel. ‘’
De rol van de katholieke kerk De katholieke kerk heeft altijd een grote rol gespeeld in de familie Bot en het bedrijf. ,,In de eerste helft van de vorige eeuw hadden katholieke gezinnen veel kinderen. Sommige van mijn ooms moesten naar het seminarie. Het was echt een katholiek netwerk in Heerhugowaard. Vanwege de goede contacten bij de leiding van de rooms-katholieke kerk wist mijn overgrootvader Piet grote opdrachten binnen te halen. Hij was een echte handelaar. In Heerhugowaard ‘t Kruis heb je bijvoorbeeld de Heilige Familiekerk, een vrij markant gebouw. Dat was één van de eerste opdrachten van mijn overgrootvader. In 1912 was Heerhugowaard nog niet echt een grote plaats. Je had in die dagen een sterke verzuiling. Omdat de ‘Botten’ van katholieke huize waren, hadden mijn overgrootvader en grootvader contact met de broeders en zusters die in de
Ontwikkeling van het bedrijf
zorg zaten en gelden van de zorg en ziekenhuizen vanuit Rome kregen. Dat zorgde ervoor dat zij in Den Haag en Rotterdam al grote bouwwerken neerzetten. Ook het klooster- en kerkcomplex Sint Willibrordus in Heiloo is door ons bedrijf gebouwd begin jaren dertig van de vorige eeuw. Als ik nu in de kapel van de Sint Willibrordus sta - mijn overgrootvader was daar de uitvoerder en mijn grootvader de aannemer - dan zie ik een heel imposant gebouw en dan denk ik: ‘dat hebben die gasten toch maar geflikt’. Wij zetten nu een kraan neer en alles draait, maar in die tijd werden alle bouwmaterialen omhoog getakeld met behulp van hendels en stoom. Daarvan ben ik altijd wel onder de indruk. Ik heb foto’s van mensen die op de staalconstructie zitten van de kapel. Die is een meter of veertig hoog en dan zitten ze zonder touwen of zekeringen hun brood te eten. Dat zou nu ondenkbaar zijn.’’
De uitbreiding van Heerhugowaard eind jaren zestig betekende een belangrijke stimulans voor de groei van het bedrijf, vertelt Gem Bot: ,,Toen woonden er denk ik zo’n 6.000 mensen in Heerhugowaard”. De Schilderswijk aan de Krusemanlaan richting Obdam was in de jaren zestig de eerste grote bouwopgave, met later in de jaren zeventig ook de Heemradenwijk en de Schrijverswijk. Mijn opa en vader hadden veel contacten binnen de gemeente Heerhugowaard met burgemeester Mollema en andere verantwoordelijken. Toen de melkfabriek Excelsior in 1981 platging bij het spoor, richting Heerhugowaard Noord, heeft Bot Bouw alle woningen daar gebouwd.’’ Onder leiding van de vierde generatie is Bot Bouw zich steeds meer gaan toeleggen op woningbouw. De drie generaties voor Gem Bot bouwden ook theaters of ziekenhuizen. ,,Ons bedrijf heeft alle ziekenhuizen in Alkmaar gebouwd. Een ziekenhuis was in de jaren ’60 en ’70 net als ieder bouwwerk: betonnen wanden, een dak, lampen die branden en misschien een operatiekamer, met wat aparte onderdelen. Maar tegenwoordig is het bouwen van ziekenhuizen ‘hightech’. Onze expertise schiet daarin tekort. Hetzelfde geldt voor bioscopen. Vroeger realiseerden we die gewoon, nu is het bouwen daarvan ook een vak apart.’’
Bouwbedrijven in de regio De teloorgang van de tuinbouw na de Tweede Wereldoorlog en de agrariërs die de overgang maakten naar andere takken van bedrijvigheid, heeft ervoor gezorgd dat meerdere aannemersbedrijven in de regio begonnen te groeien. Ieder dorp had zijn eigen bouwbedrijf. Bot Bouw onderscheidde zich, omdat het voor de Tweede Wereldoorlog al grote opdrachten had gerealiseerd, weet Gem Bot. ,,De aanwezigheid van het spoor heeft ons daarin geholpen. De trein gaf een enorme ontsluiting. Zo konden we bijvoorbeeld in en na de oorlog opdrachten aannemen in Den Haag en Rotterdam. Werknemers, met name opzichters en uitvoerders, maakten gebruik van de trein om op en neer te reizen. Bij zo’n opdracht elders in het land, huurden we uiteraard ook lokale werknemers in.’’
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - I NT E RV I E W
Uitbreiding met projectontwikkeling Het ontwerpen van projecten is ook veranderd, vertelt Gem. ,,In de tijd van mijn grootvader en vader was de architect echt nog de bouwheer. Die had het voor het zeggen, samen met de opdrachtgever. De architect werkte het hele project uit met bestek en tekeningen en hield het toezicht. De aannemer moest aan de hand van de tekeningen het
35
project bouwen. In de jaren ’70 begon de projectontwikkeling echt een beetje op te komen. Aannemers begonnen toen ook zelf de tekeningen te maken. Echter mijn overgrootvader Piet Bot deed voor de oorlog eigenlijk ook al aan projectontwikkeling. Zo is de Sportlaan ontstaan: als er een lacune in de bouw was, dan bouwden we als aannemer op dat perceel zelf een huis. Zo verzamelden wij als bedrijf opdrachten voor woningen. De stenen waren er en arbeid was in die tijd ook niet schrikbarend kostbaar. Veel van die huizen aan de Sportlaan zijn op die manier gebouwd door Bot Bouw. Later ging dat projectontwikkeling heten en werd het ook groter. Mijn vader zag daar ook wel brood in. Daarom heeft hij in de jaren ‘80 een nieuwe poot opgezet voor eigen projectontwikkeling. Dat betekende dat we als Bot Bouw niet alleen maar projecten van opdrachtgevers bouwden, maar ook zelf nieuwbouwprojecten gingen ontwikkelen. Dat gebeurde onder de naam Bot Bouw Initiatief. Het kantoor daarvan zat in het centrum van Alkmaar. Mijn oom Gem bleef de directeur van de aannemerij.’’
Een steeds compacter werknemersbestand In de tijd van grootvader Gem en vader Piet werkten er zo’n 300 medewerkers bij Bot Bouw, vertelt Gem Bot. ,,We deden toen nog alles zelf. Als je terugkijkt dan zie je in de jaren ‘60 dat mensen ook uitvielen in de bouw. Iemand viel van de steiger of brak een been. Mijn grootvader was een heel sociaalvoelend en empathisch mens. Dan zorgde hij voor vervangend werk voor die mensen op de werf. Zo ontstond daar een timmerfabriek, waar we in de toptijd met wel 25 medewerkers elke dag houten kozijnen maakten. Als je lang bestaat, verzamel je ook heel veel bouwmaterieel: terreinen vol met steigers, bekisting en kranen. Als je dat goed onderhoudt, dan blijft het goed. Daar hadden we ook mensen voor in dienst. Tegenwoordig
Relatie tot de regio en het netwerk aan bedrijven
werken we met een compact team van 90 medewerkers. We realiseren wel twee keer zoveel omzet. De klant vindt het niet meer echt belangrijk of je veel mensen in dienst hebt. De bouw is zo verzelfstandigd met alle zzp’ers. Je kunt altijd over voldoende mensen beschikken, ook al zijn ze niet in dienst. Kwaliteit blijft tellen. Zelf ben ik momenteel heel erg bezig met het proces van het bouwen en dat we samen met ons team op een effectieve en efficiënte manier een bouwwerk in elkaar zetten. Vaak heb je als bouwer enorm geknokt om de opdracht binnen te krijgen en dan wil je zaken doen met gedreven teams. We zijn meer een regisserend bouwbedrijf aan het worden en bereiden alle projecten tot in detail in de computer voor. De bouw van een project begint pas als het object in de computer virtueel al helemaal is gerealiseerd en tot de laatste plint getekend is.’’
En hoe zit het met de concurrentie? Heeft Bot Bouw ook opdrachtgevers in de aangrenzende gemeentes? ,,Zo werkt dat niet’’, vertelt Gem Bot. Zijn clientèle zit of in Heerhugowaard of in de regio’s wat verder daarbuiten. ,,Onze regio kenmerkt zicht door plaatsen waar vroeger de tuinderijen welig tierden. De teloorgang van de tuinderijen en de opkomst van de bouwbedrijven kun je zo over elkaar heen leggen. Regionale bouwbedrijven zitten met name in Warmerhuizen en Langedijk: de dorpen waar mensen vanuit de tuinbouw gewend waren hard te werken. Doordat bouwbedrijven konden beschikken over dat potentieel, konden ze in Noord-Holland grote bouwwerken maken. De betrokkenheid van een bouwbedrijf bij het eigen dorp is altijd groot geweest. Wij hebben bijvoorbeeld relatief weinig in Langedijk gebouwd. Die gemeente had lange tijd een sterke eigen bouwpopulatie. Je hebt dan geen bedrijf uit Heerhugowaard nodig om een woonwijk te realiseren. Of kijk naar Volendam. Bot Bouw heeft in het ruim honderdjarige bestaan ooit twee scholen in dat dorp gebouwd. Ook daar hebben ze geen bouwer nodig van buiten. Toch hebben we nooit om werk verlegen gezeten. Wij hebben altijd het voordeel gehad dat Heerhugowaard als dorp zo gegroeid is, dat er allemaal faciliteiten nodig waren: de bioscoop, het theater, winkelcentrum Middenwaard zijn allemaal door Bot Bouw gebouwd. Net als duizenden woningen in het dorp.
En veel kantoren op de bedrijventerreinen. Doordat Heerhugowaard zo is gegroeid, zijn ook onze ervaring en kennis meegegroeid. Dankzij de expertise die we op al die vakgebieden hebben kunnen ontwikkelen, hebben we zulke objecten later ook in andere delen van de provincie kunnen bouwen. Het Zaantheater in Zaandam is bijvoorbeeld van de hand van Bot Bouw.’’
De onderaannemers die Bot Bouw bij projecten betrekt, komen vaak uit de omgeving van Heerhugowaard, vertelt Gem. ,,Onze kracht is dat we een redelijk vaste ploeg aan onderaannemers hebben. We werken met veel installatiebedrijven, betonbedrijven of metselbedrijven samen. Die komen vooral uit de voormalige tuindersdorpen: Warmenhuizen, Obdam, Heerhugowaard en Heerhugowaard Noord. Een groot pluspunt voor Heerhugowaard is de vestiging van ESPEQ, het opleidingscentrum voor de bouw. Het is fantastisch dat die opleiding hier zit. Veel jongeren uit de regio gaan daar naar school en dat zijn onze toekomstige medewerkers.’’
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - I NT E RV I E W
36
Tegenwoordig bouwt Bot Bouw regelmatig ook grote projecten in Amsterdam, maar Heerhugowaard was en blijft altijd een belangrijk afzetgebied, benadrukt Gem Bot. ,,Zeker in de jaren negentig en de beginjaren van deze eeuw toen Vinex-wijken als Oostertocht, Land van Luna en Stad van de Zon werden aangelegd. De gemeente betrok daar bewust ook de lokale bouwbedrijven bij. We hebben ons toen samen met acht andere bouwbedrijven uit
Heerhugowaard verenigd in de Bouwcombinatie Heerhugowaard (BCH). Aanvankelijk kregen namelijk de landelijke spelers al die grote opdrachten in Heerhugowaard. Om daar meer balans in te brengen, mochten wij van de gemeente als BCH ook een aandeel van die bouwproductie ontwikkelen en bouwen. Ik denk dat we met de BCH wel 1.000 tot 1.500 woningen hebben gerealiseerd in Heerhugowaard met de gemeente als grondeigenaar en wij als projectontwikkelaar.
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - I NT E RV I E W
Daarvoor zijn we de gemeente tot de dag van vandaag dankbaar.’’ Die dankbaarheid blijkt wederzijds, zo is op de website van Bot Bouw te lezen. Toen Bot Bouw in 2012 het 100-jarig jubileum vierde, ontving oom Gem de gemeentelijke onderscheiding de “Gouden Reiger”. Die onderscheiding wordt gezien als een waardering van de gemeente voor alle (oud)medewerkers van het bedrijf.
37
5 Grensgebied Dijk en Waard anno 2021: gebied van twee snelheden Het grensgebied tussen Heerhugowaard en Langedijk is een gebied van twee snelheden. Op de route van de Stationsweg over het spoor, via de Westdijk, naar het Havenplein in Broek op Langedijk zijn nog duidelijk de sporen van het tuindersen visserijverleden van beide gemeenten zichtbaar. De aanwezigheid van Molen D en het panorama dat zich over het Oosterdel ontvouwt maken dat extra manifest. Op de route over de Zuidtangent en de Broekerweg domineert de snelheid van het moderne verkeer en is de ruimtelijke vormgeving bepaald door verkeerskundige overwegingen en de grootschalige ontwikkelingen in Heerhugowaard van na 1968. Dat bleek ook weer in 2014 toen de provincie de kruising met de Zuidtangent inclusief fietsers-onderdoorgang aanpaste en de Broekerweg verbreedde. Deze is tot aan de rotonde die in een grote stad niet zou misstaan, zes banen breed en contrasteert sterk met de nieuwe, kleinschalige bebouwing in de Broekhorner polder. Omdat in de stedenbouwkundige benadering van de jaren zeventig en tachtig het primaat bij het wegenraster lag en de ruimtelijke vormgeving weinig aandacht kreeg, ontstond vanaf de Zuidtangent richting Middenwaard een onduidelijk begrensde entreeruimte.
Aan Dijkse zijde vonden in Broek op Langedijk weliswaar ingrijpende veranderingen plaats zoals de bouw van het nieuwe winkelcentrum aan het Broekerplein en de aanleg van het industrieterrein Zuiderdel, maar die hadden niet zo veel impact op de inrichting van het centrumgebied. Die vonden toch vooral plaats op het grondgebied van de gemeente Heerhugowaard. Vanaf de jaren ’80 is geprobeerd
het monofunctionele gebied rond het station en in Middenwaard door toevoeging van meerdere functies te verstedelijken. Het gebied aan de noordzijde van het station bestond eind jaren tachtig uit een maisveld met olifantspaden en een weg voor de autobus.Op basis van een plan van een combinatie waarvan Dura Vermeer en architectenbureau Claus Brandjes onderdeel vormden, kwam rond het station en later ook op De Frans langzaamaan een gemengd stedelijk gebied tot stand. Aanvankelijk eerst met vooral kantoren en winkels, maar al gauw ook met wonen in de vorm van appartementengebouwen, ondanks het feit dat bij de gemeente en grote voorkeur voor grondgebonden woningen bleef bestaan.
De transformatie van Middenwaard startte met de nota van uitgangspunten uit 1995 dat als basis diende voor het stedenbouwkundig plan van Kraaijevanger Urbis uit 2004. Middenwaard ligt op het startpunt van de Molentocht waarover tuinders hun producten via openingen onder de spoorlijn en de provinciale weg naar de Broeker veiling brachten. Met het plan werd geprobeerd het als introvert ervaren winkelcentrum binnenste buiten te keren en door toevoeging van bebouwing beter in het stedelijk weefsel te verankeren. (49 en 49 a)
Afbeeldingen uit de Nota van Uitgangspunten Hoofdcentrum Heerhugowaard, 1995 (Anton Balm)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
38
Uit: Kwaliteitsdocument Stadshart Heerhugowaard, 2004)
Het verschil tussen Nota en stedenbouwkundig plan is dat in de Nota een waterplein de kern vormt van het plan, terwijl in het ontwerp van Urbis de kruising van een nieuw stadsplein en de horecaboulevard – het stadsterras - het centrum vormt. Door toevoeging van bebouwing zouden adressen aan de rondom lopende wegen ontstaan en een duidelijker afgebakende openbare ruimte gevormd worden. Het parkeren werd zoveel mogelijk overbouwd en het zuidelijk gelegen park werd naar een ontwerp van Jeroen Leemans beter aan Middenwaard gekoppeld. Deze ingrepen gaven vorm aan een sterke, meer stedelijke menging van functies,
waarin vooral culturele en recreatieve functies en gebruik in de vorm van theater- en bioscoopbezoek en avond – naast daghoreca veel aandacht kreeg. Het wat verloren liggende gemeentehuis werd door een horecaboulevard verbonden aan het nieuwe theater Cool. Tussen winkelcentrum en gemeentehuis dat naar een ontwerp van Hans van Heeswijk een nieuwe ingang kreeg en werd uitgebreid met een bibliotheek, kwam een verhoogd plein te liggen. Rondom werden ook woningen in de vorm van woontorens in het park en woongebouwen als wanden voor het plein toegevoegd.
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
De beide transformaties werden los van elkaar uitgevoerd, ondanks pogingen van Urbis en verschillende projectleiders van de gemeente om een koppeling tussen beide projecten te leggen, zodat een samenhangende openbare ruimte tussen Middenwaard en het Stationsgebied kon worden gecreëerd. De planologische benadering van het vlekkenplan, waarbij de brede wegen, onderbroken door rotondes, de grenzen vormden van de in te vullen vlekken, bleef leidend. Met het in 2020 vastgestelde Masterplan Stationsgebied wordt die relatie wel gelegd.
39
In de ontwikkeling van het stationsgebied dat eind jaren tachtig begon werd de spoorlijn en de provinciale weg toch steeds als grens van de gemeente beschouwd. De polder Broekhorn leek zich buiten het blikveld van de gemeentelijke plannenmakers op te houden. De planvorming voor de invulling van de polder met woningbouw en de herinrichting van de kruising Zuidtangent/N242 en de Broekerweg kwam voort uit een overeenkomst tussen de provincie en BPD in 2004. Het eerste ontwerp voor de wijk is gemaakt door Marc van der Heide, toen nog in dienst bij landschapsarchitectuurbureau Hosper. Hij deelde de polder op in een aantal deelgebieden met elk een eigen karakter, gescheiden door veel water. Zo wilde hij een verbinding leggen met het ten noorden van het kanaal gelegen Oosterdel. Het noordelijk deel is ontworpen als een compacte woonbuurt, waarin ook een passantenhaven is opgenomen. Het zuidelijk deel is ingedeeld als een droogmakerij door de lange centrale weg die hij daarin projecteerde. Aan weerszijden van deze weg liggen door water en windsingels omgeven buurten.
Ontwerp voor Broekhorn, Marc van der Heide Urban Design, 2004 (uit: Marcvanderheide.nl)
Het stedenbouwkundig bureau RRog zou in 2014 het definitieve plan voor het deel ten zuiden van het druipland de Vlaerdinge maken. Verantwoordelijk landschapsarchitect Richard Colombijn haalde de centrale verkeersas weg uit Van der Heides ontwerp en vormde het plan om tot een verzameling groene kamers. Het welstandregiem gaat uit van reguliere, specifieke en welstandsvrije buurtjes, elk gelegen in het groen en elk met een eigen architectonische kwaliteit. Met deze opzet van ten opzichte van elkaar verschoven buurtjes, ingebed in het groen en omgeven door water, zocht ook hij inspiratie bij het 1000 eilanden gebied. Colombijn gaf het restant van de Uitvalsweg ten zuiden van de Vlaerding, die aan weerszijden beplant is met populieren, een plek in de groene natuurwal die de wijk afschermt van de N 242.
Ontwerp voor Broekhorn, RROG/ Ricard Colombijn, 2019 (collectie Richard Colombijn)
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
40
Tot slot
De landschappen van Langedijk en Heerhugowaard – de één een onderdeel van een mozaïeklandschap, de ander met de grid-structuur van een droogmakerij – verschillen in aanzien zo sterk, dat je bijna zou vergeten dat er historisch gezien fysiek, sociaal en economisch vele verbindingen over en weer bestonden. Langedijk, waar al vroeg de tuinbouw tot bloei kwam, was tot aan de ruilverkaveling van de jaren 70 van de twintigste eeuw een vaarpolder; de landbouw en veeteelt in de Heerhugowaard was meer gebaat bij een rijpolder. Toen na 1870 ook veel agrariërs in Heerhugowaard overstapten op de tuinbouw, ging ook hier veel transport over water. Over land mogen dan weinig verbindingen tussen beide gemeentes zijn, het water vormt sinds lang een prachtig netwerk van verbindingen. Het grensgebied van Dijk en Waard was een belangrijk knooppunt van de vervoersstromen door de ligging van het station Heerhugowaard, omdat het spoor de verbinding met de regio, de handelssteden in Noord- en Zuid- Holland en het buitenland legde. Tussen 1903 en 1973 had Broek op Langedijk hiervoor een eigen spoorlijntje dat bij de Bolbrug aantakte op het landelijke spoornet. Na de Tweede Wereldoorlog gingen beide gemeenten hun eigen weg.
De gridstructuur van Heerhugowaard en de aanwezigheid van het Station en de provinciale weg en de nabijheid van de groeikern Alkmaar vormden de ideale voorwaarden voor een bouwexplosie, waardoor Heerhugowaard de snelst groeiende gemeente van Noord-Holland
werd. De economische overgang van land- en tuinbouw naar de nijverheid en de dienstensector gaf daaraan een flinke stimulans. Die verstedelijking van Heerhugowaard had een introvert karakter. Het kanaal, de spoorlijn en de breder wordende zone van bedrijven en voorzieningen vormden een buffer waarachter de opeenvolgende wijken werden aangelegd. Dat ging zelfs zover, dat de planvorming van de Broekhorner polder buiten die buffer zonder veel inbreng van de gemeente gebeurde. Projecten als Middenwaard, het stationsgebied en De Frans werden vanuit de in de jaren zestig ingezette benadering van ‘project-stedenbouw’ zonder samenhang met elkaar uitgevoerd. Reflectie op de geschiedenis van de eigen ontwikkeling van dorp naar stad en de cultuurhistorische waarden die daaruit benut kunnen worden, spelen hierin nauwelijks een rol.
De explosieve groei van Heerhugowaard en de grootschalige stedelijke ontwikkeling die dat tot gevolg had, heeft ervoor gezorgd dat het centrumgebied van Dijk en Waard twee snelheden kent. Het moderne snelverkeer speelt zich af over de Zuid- en Westtangent waar een wat onduidelijk vormgegeven entreegebied is ontstaan als opmaat naar Middenwaard. Langs de Stationsweg, de overgang naar de Westdijk met uitzicht op het Oosterdel en de route richting het Havenplein in Broek zijn nog veel elementen aanwezig die herinneren aan de periode dat dit tussengebied het economisch centrum van de tuinbouw was. Dan kun je denken aan de Groene Brug over de Ringsloot, Molen D, het 1000 eilandenrijk, de restanten van de overhaal en de Molentocht waarover het transport van tuinbouwproducten vanaf de Middenweg plaatsvond, en even uitzoomend, de Broekerveiling, de Twuyvermolen en de bebouwing langs de Dorpsstraat en de Dijk. Dat hybride karakter van het centrumgebied Dijk en Waard omvat vele aanleidingen om van het landschap rond het kanaal een rijk geschakeerd verblijfsgebied te maken. Maar ook om, wanneer de benadering van de ‘projecten stedenbouw’ wordt ingeruild voor een integrale benadering, de Zuidtangent om te vormen tot een entreegebied van stedelijke allure.
In Langedijk had de ruilverkaveling een enorme impact, omdat daarbij het waterrijke karakter van het landschap aan weerszijden van de vier dorpskernen (en Sint Pancras) verdween, waardoor er ruimte kwam voor meerdere dorpsuitbreidingen. Op het karakter van het centrumgebied van Dijk en Waard had dit echter weinig invloed. De dorpse schaal van de bebouwing en het organische gegroeide dorpsweefsel rond de haven van Broek op Langedijk veranderde niet zoveel. Al sinds de jaren zeventig wordt dit historisch karakter en de daarbij passende morfologie van de bebouwing als een belangrijk kenmerk gekoesterd.
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
41
Bronnen Andela, G., Kneedbaar landschap, kneedbaar volk – de heroïsche jaren van de ruilverkavelingen in Nederland, Bussum 2000.
Komen, H.E., Noemenswaard – het zichtbare verleden van Heerhugowaard, Heerhugowaard 2006.
Broekhorn – Beeld en kwaliteitsplan, BPD ontwikkeling BV; RRog Stedenbouw en landschap, juni 2016
Kraaijvanger-Urbis, Kwaliteitsdocument Stadshart Heerhugowaard, 2004.
Regionaal Archief Alkmaar Archief gemeente Heerhugowaard 1945- 1975; 1950-1976; 1976-1988: inv.nr.1051, 0487 Archief van de gemeente Langedijk, 1941-1989, inv. nr. 0506
Cultuur Compagnie Noord Holland, i.s.m. Cultuurland Advies, Gemeente Heerhugowaard – Een historisch geografische inventarisatie, 2012 Dekker, E., ‘Heerhugowaard, de landman werd stedeling’, West-Friesland Oud & Nieuw, jaarboek 2000, 7-18. Glas, P. e.a., Het dorpsleven van de Langedijk vroeger en nu …, [Langedijk .z.j. (1980?)) Komen, H.E., ‘Tussen Dijk en Waard -Geschiedenis van Broekhorn’, De Overhaal (2020), 8-14. Komen, Henk, ‘Over overhalen, overtomen of windassen’, De Overhaal (2005), 29-36.
Langedijk, D., De geschiedenis van de Langedijk, Bergen 1969.
Interviews
Nota van Uitgangspunten Hoofdcentrum Heerhugowaard, Heerhugowaard 1995
Historische Stichting Langedijker Verleden: Piet van Kleef, Tanja Kuiper, 4 februari 2021
Otto, J; IJff, J, Geestmerambacht, 1986.
Henk Kauw, 8 en 25 februari 2021,
Otto, j, Tussen buitenland en luizenknip – negen eeuwen ontwikkeling Langedijk, Langedijk , z.j. (1980)
Henk van der Starre, Poldermuseum, 4 februari 2021 Henk Komen, 12 februari 2021
Schilstra, J.J., De Heerhugowaard. De geschiedenis van de Huygenwaert, 1981
Gerrit Arkesteijn, Veldzorg Oosterdel, 24 februari 2021 Anton Balm, oud-projectleider Middenwaard, 5 maart 2021
Steenhuis Meurs, De lagen van Langedijk – Cultuurhistorische verkenning, 2008.
Komen, Henk, ‘Heerhugowaard - Een polder zonder dorp’, Stolpboerderijen in Heerhugowaard, deel III, Schoorl 2011, 12-31.
Vader, N., ‘De overhaal naar Heerhugowaard’, schuitenhelling.wordpress.com
Komen, H.E., Kapellen aan de dijk – Ontstaan en ontwikkeling van de Langedijker kapellen en hun gemeenschap, Heerhugowaard 2006.
Wagter, B.J., Heerhugowaard – Historisch overzicht van ruimtelijke ordening en stedenbouw in polder en plaats, scriptie, januari 2000 (internet)
Kees Kruithof, projectleider Heerhugowaard, 24 maart 2021 Gem Bot, Bot Bouw, Heerhugowaard, 16 april 2021 Piet Kramer, Zuurkoolfabriek Kramer & Zn20 april 2021 Wouter Eecen, Houthandel Eecen, 30 april 2021 Rob Basten, molenaar Twuyvermolen, 20 april 2021
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
42
Colofon
De gebiedsbiografie Centrum Dijk en Waard: een gebied van twee snelheden is in opdracht van gemeente Langedijk en gemeente Heerhugowaard gemaakt in het kader van de visie Grenzeloos Dijk & Waard.
Onderzoek en tekst Bureau op het Plein: Els Bakker, Jouke van der Werf Marinus Kooiman Cultuurhistorische projecten: Marinus Kooiman Grafische vormgeving Hanneke de Graaf Opdrachtgever Marianne Zeedijk, gemeente Langedijk Gerlof Kloosterman, gemeente Heerhugowaard
Voor het onderzoek is gebruikt gemaakt van secundaire literatuur, interviews met leden van historische verenigingen en vertegenwoordigers van bedrijven die al lang in de gemeenten aanwezig zijn, observaties ter plekke en archiefonderzoek.
Koog aan de Zaan/Weesp 2021
We willen Lisette Blokker van Regionaal Archief Alkmaar heel erg bedanken voor de tijd die zij heeft besteed in het digitaal aanleveren van archiefstukken. We danken Nico Vader, Piet van Kleef, Henk Komen, Rob Basten en Tanja Kuiper voor het kritisch lezen van de tekst.
C E NT RU M D I JK E N WA A R D: E E N G E B I E D VA N T W E E S N E LH E D E N - E E N G E B I E D S B I O G R A F I E
43