Bijlage 2 toelichting op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Tekst van het document
25
bestaat of inmiddels is verdwenen. De ligging van de Zijtwinde (tussen Koedijk en Noord-Scharwoude) is globaal gereconstrueerd aan de hand van enkele publicaties door de Stichting RAG. 42 BEWONINGSLINTEN Aan de hand van oude kaarten en de historische ontwikkeling van de verschillende dorpskernen zijn de historische bewoningslinten in kaart gebracht. Binnen de gemeente Dijk en Waard liggen de volgende dorps-/bewoningslinten: Broek op Langedijk, Oudkarspel, Noord- en Zuid-Scharwoude De bewoning rond de ‘Langedijk’ (huidige Dorpsstraat) dateert al vanaf het einde van de 11e eeuw. Aanvankelijk was sprake van vier afzonderlijke dorpskernen. In de loop van de late middeleeuwen zijn deze aaneengegroeid tot één langgerekt bewoningslint. De middeleeuwse bewoningslinten vallen deels samen met de historische kernen die op de AMK zijn onderscheiden. Sint Pancras/Vroonen De zone rondom de geesten van Sint Pancras en Vroonen (Bovenweg, Benedenweg, Noordeinde, A.V.H. Destreelaan) en de westelijke voet van de strandwal (Benedenweg/Gedempte Veert). De bewoning in Vroonen dateert vermoedelijk al vanaf de vroege middeleeuwen. 43 In 1297 kwam hieraan echter een abrupt einde, toen het dorp door graaf Jan I van Holland werd verwoest, waarna een deel van de bewoners zich in het huidige Koedijk vestigden.
Sint Pancras ontstond rond 1400 en heeft zich in de loop van de tijd uitgebreid over het voormalige grondgebied van Vroonen. Koedijk Het bewoningslint van Koedijk, tussen de Kanaaldijk/Achtergraft dateert vanaf het begin van de 14e eeuw, toen de bewoners van het verwoeste Vroonen zich hier vestigden. Veenhuizen Rond het oostelijk deel van de Kerkweg is sprake van verspreide bebouwing, die in elk geval teruggaat tot het begin van de 19de eeuw, maar mogelijk een laatmiddeleeuwse oorsprong heeft. Het is niet zeker of buiten de bekende historische erven/bebouwing ook nog sprake is geweest van verdwenen middeleeuwse bewoningsresten. Heerhugowaard De bewoningslinten in de Heerhugowaard (Middenweg, Veenhuizerweg, Jan Glijnisweg, Rustenburgerweg en de Stationsweg) vormen het 17e-eeuwse geraamte van de droogmakerij. De linten zijn het resultaat van de 17e-eeuwse, planmatige (kavel)indeling van de droogmakerij, waarbij de boerderijen op regelmatige afstand van elkaar waren gepland. De historische ontwikkeling en het karakter van deze 17e-eeuwse (bewonings)linten verschilt sterk van de middeleeuwse bewoningslinten/dorpskernen. In plaats van een dichtbebouwd bewoningslint zijn de 17eeeuwse linten op te vatten als ontginningslinten waarbinnen verspreide boerderijen liggen.
Hoewel de historische bebouwing hoofdzakelijk binnen de historische erven (zie hieronder) wordt verwacht, kunnen in de tussenliggende lege zones, in theorie nog bebouwingsresten aanwezig zijn. Dit betreft bebouwing die vóór de 19e eeuw al was verdwenen. De middeleeuwse bewoningslinten hebben een breedte van 60 meter aan weerszijden van het hart van de middeleeuwse dijk. Met deze breedte wordt het grootste deel van de 19 e-eeuwse verkaveling op de kadastrale minuutplannen ‘afgedekt’, zonder dat de bewoningslinten onnodig veel lege ruimte bevatten. Ook voor de bufferzones rondom de geesten is een breedte van 60 meter aangehouden. Ten aanzien van het bewoningslint in Veenhuizen en de ontginningslinten in de Heerhugowaard is een breedte van 50 meter aan weerszijden van de wegen aangehouden (de totale breedte van de linten is dus 100 meter).
42 o.a. Kalverdijk & Van Rossum 2010/2012. 43
Vroonen ('Uranlo') wordt genoemd in 11de-eeuwse kopie van een goederenlijst uit de 10de eeuw (Künzel et al. 1989).
26
HISTORISCHE BEBOUWING Historische erven Met behulp van de kadastrale minuutplans uit het begin van de 19 e eeuw is de historische bebouwing buiten de (historische) dorpskernen gekarteerd. Hierbij zijn niet de afzonderlijke gebouwen weergegeven, maar zijn de voormalige erven op de kaart opgenomen. Naast de sporen/structuren van vroegere bebouwing, zijn immers ook zaken als mogelijke waterputten en erfinrichting van belang. Een enkele uitzondering daargelaten, is alleen in de Heerhugowaard sprake van historische bebouwing in het ‘buitengebied’. In het Geestmerambacht is historische bebouwing vrijwel uitsluitend in de dorpskernen aanwezig. Hierbij dient rekening te worden gehouden met onnauwkeurigheden in de oorspronkelijke kadastrale kaarten en afwijkingen als gevolg van als gevolg van onzuivere projecties van de minuutplans ten opzichte van de huidige topografie. Dit speelt met name voor de – door de ruilverkaveling – zeer sterk gewijzigde polders van het Geestmerambacht een rol. Stolpboerderijen Voor de ligging van (verdwenen) stolpboerderijen is gebruik gemaakt van de gegevens van het Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland. 44 Deze dataset omvat zowel bestaande, gesloopte en ‘nieuwbouw’ stolpen. Op de kaartbijlagen zijn alleen de nog bestaande stolpboerderijen weergegeven. In de gemeente Dijk en Waard staan maar liefst 267 stolpen geregistreerd.
Overigens zijn niet alle stolpen historische boerderijen: 163 stolpen zijn na 1900 gebouwd (tabel 3.5). Een groot deel van de historische erven in de Heerhugowaard bevat een stolp. Plaats
Broek op Langedijk Heerhugowaard Koedijk Noord-Scharwoude Oudkarspel Sint Pancras Veenhuizen Zuid-Scharwoude
16001700 2 1 -
17001800 3 1 1
18001850 12 1 1 3 -
3
5
17
totaal
Bouwperiode stolpboerderij 1850- 1900- 1950- 20001900 1950 2000 heden 2 32 80 32 8 5 9 2 1 1 29 4 2 1 4 5 2 5 6 1 5 2 1 79
106
43
11
onb.
totaal
3 -
2 172 17 4 36 10 17 9
3
267
Tabel 3.5. Overzicht van stolpen in de gemeente Dijk en Waard.
Gebouwde monumenten De panden en bouwwerken die door het rijk, de provincie of de gemeente zijn aangewezen als gebouwd monument zijn opgenomen op de kaart. Voor zover mogelijk is de Basis Administratie Gebouwen (BAG) gebruikt om de contouren van de desbetreffende monumentenpanden weer te geven. In de gemeente Dijk en Waard zijn 95 gemeentelijke, 7 provinciale en 17 rijksmonumenten aangewezen (tabel 3.6):
44
https://kaarten.mooinoord-holland.nl/
27
Plaats
gemeentelijke monumenten 42 4 3 8 9 18 7 4 95
Heerhugowaard 't Kruis Veenhuizen Broek op Langedijk Koedijk Noord-Scharwoude Oudkarspel Sint-Pancras Zuid-Scharwoude totaal
provinciale monumenten 1 5 1 7
rijksmonumenten 3 3 1 3 2 2 2 1 17
Tabel 3.6. Overzicht van gebouwde monumenten in de gemeente Dijk en Waard.
MOLENS Gegevens over verdwenen en nog bestaande molens zijn geïnventariseerd via de landelijke molendatabases.45 De gegevens zijn opgenomen in bijlage 4 (molencatalogus). In de gemeente Dijk en Waard zijn nog drie bestaande molens. Alle drie zijn het poldermolens en hebben een wettelijk beschermde status (rijksmonument). Het betreft: de Twuyvermolen aan de Oosterdijk in Sint Pancras (gebouwd in 1663); de Molen D aan de Oosterdel in Broek op Langedijk (gebouwd in 1868); de Veenhuizer molen aan de Veenhuizerkade in Veenhuizen (gebouwd in 1603). Voor zover bekend hebben in het verleden nog 75 molens op het gemeentelijk grondgebied gestaan, deze zijn inmiddels verdwenen. Van zes verdwenen molens is bekend dat deze op de plek stonden van een oudere – al eerder verdwenen – voorganger. Deze molens hebben in de catalogus hetzelfde nummer gekregen maar zijn met een a en b onderscheiden (catalogusnummers 6a/b, 18a/b, 63a/b, 64a/b, 70a/b en 71a/b). Voor de locatie van de molens zijn aanvankelijk de x- en y-coördinaten aangehouden die in de molendatabase staan vermeld. Vervolgens zijn deze locaties vergeleken met de (gegeorefereerde) kadastrale minuutplans. Waar een molenlocatie niet correspondeerde met de weergave op de kadastrale minuutplan, is de locatie op de kadastrale minuut aangehouden als juiste molenlocatie. De x- en ycoördinaten zijn hierop aangepast.
Het overgrote deel van de verdwenen molens (57) betrof poldermolens. In 1633 waren alleen al voor de bemaling van de Heerhugowaard 47 molens nodig – een deel hiervan lag overigens niet op het grondgebied van de huidige gemeente Dijk en Waard, maar in een omliggende gemeente. 46 Verder hebben op het huidige grondgebied van de Dijk en Waard nog twaalf korenmolens, drie zaagmolens en een tweetal grutmolens gedraaid. Alle bestaande en verdwenen molens zijn weergegeven op kaartbijlage 3 (historische geografie). plaats
totaal
Broek op Langedijk Heerhugowaard Koedijk Noord-Scharwoude Oudkarspel Sint Pancras Veenhuizen Zuid-Scharwoude
grutmolen 1 1 -
molentype (functie) korenmolen poldermolen* 1 3 2 42 3 3 1 1 5 4 2 1 2
zaagmolen 1 2 -
4 44 3 5 10 6 1 2
totaal
2
12
3
75
57
Tabel 3.7. Overzicht van verdwenen molens per plaats (*: incl. 1 weidemolen).
45 Respectievelijk www.molendatabase.org (verdwenen molens) en www.molendatabase.nl (bestaande molens). 46
Schilstra 1981.
28
4.
De Archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 2)
4.1.
Algemeen
ARCHEOLOGISCHE WAARDEN EN ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Archeologische vindplaatsen (of algemener gesteld: ‘archeologische waarden’) bestaan uit resten en grondsporen die zich in de bodem bevinden. Vaak zijn de archeologische waarden onzichtbaar. 47 Door deze onzichtbaarheid zijn archeologische waarden ook kwetsbaar en kunnen bodemingrepen onmerkbaar leiden tot vernietiging van archeologische waarden. Wat archeologische waarden extra kwetsbaar maakt, is dat het archeologisch bodemarchief na aantasting niet meer hersteld kan worden: wat weg is, is voorgoed weg. Behalve dat het bodemarchief een bron van informatie en kennisvergaring voor de wetenschap vormt, dragen het archeologisch bodemarchief en de cultuurhistorische waarden ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Om deze redenen is een goede bescherming van het archeologisch bodemarchief via gemeentelijk archeologiebeleid noodzakelijk. Met het begrip archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten bedoeld. Een archeologische verwachtingskaart geeft per kaarteenheid een indicatie van de verwachte dichtheid aan archeologische vindplaatsen (met name nederzettingsterreinen). De verwachtingskaart vormt de grafische weergave van een verwachtingsmodel.
Aan de kaarteenheden is voor elke periode een archeologische verwachting toegekend, dit betreft een ordinaal onderscheid variërend van (zeer) hoog, middelhoog, (zeer) laag of onbekend. Het betreft bovendien een kwalitatieve indeling die niet onderbouwd is met de spreiding en dichtheid van bekende vindplaatsen (deductief model). De onderscheiden verwachtingen kunnen als volgt worden vertaald: (zeer) hoge verwachting impliceert dat in deze zones de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen wordt verwacht; een middelhoge verwachting impliceert dat in deze zones archeologische vindplaatsen worden verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in de zones met een hoge verwachting; een (zeer) lage archeologische verwachting impliceert dat de kans op aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (zeer) klein wordt geacht. De kans hierop wordt evenwel niet uitgesloten; een onbekende archeologische verwachting betekent simpelweg dat te weinig gegevens beschikbaar zijn om tot een betrouwbare archeologische verwachting te komen.
HET VERWACHTINGSMODEL Het verwachtingsmodel is gebaseerd op het principe dat archeologische vindplaatsen niet willekeurig verspreid liggen in het vroegere landschap, maar dat deze gerelateerd zijn aan bepaalde landschappelijke kenmerken of eigenschappen.48 Het vaststellen van de archeologische verwachting voor een gebied kan gebaseerd zijn op een statistische analyse van de ligging van de bekende vindplaatsen (een zogenaamde inductieve benadering), maar er zijn ook verwachtingsmodellen die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering). Om een goed onderbouwd, statistisch verwachtingsmodel te krijgen, is een grote en representatieve dataset nodig; dit is bij gemeentelijke verwachtingskaarten vrijwel nooit het geval. De deductieve benadering leunt op meer algemene kennis over vroegere samenlevingen. Hoe werd het landschap gebruikt? In welke delen van het landschap lagen de nederzettingen, welke delen werden gebruikt voor andere activiteiten? Door algemene kennis over de ligging en verspreiding van archeologische vindplaatsen te combineren met landschappelijke gegevens (welk type vindplaats ligt in welk type landschap) kunnen aan de gekarteerde landschappelijke eenheden (bijv. strandwal, restveen, meerwal e.d.) archeologische verwachtingen worden toegekend.
Voor een archeologische verwachtingskaart worden voornamelijk locatiekeuzefactoren gebruikt die betrekking hebben op de bestaanseconomie. Om deze reden heeft de verwachtingskaart alleen betrekking op vindplaatstypen als nederzettingen en – in mindere mate – akkerarealen. Hoewel andere aspecten (politieke, strategische, religieuze en/of sociale overwegingen) ook een belangrijke rol gespeeld
47 Een beperkte groep vindplaatsen zoals grafheuvels, hunebedden, terpen e.d. uitgezonderd. 48
Van Leusen & Kamermans 2005.
29
kunnen hebben bij de locatiekeuze, is het (m.n. voor de prehistorie) lastig om deze aspecten te incorporeren in een verwachtingsmodel. Door de veranderingen die het Westfriese kustgebied in de loop van de voorbije millennia tijd heeft ondergaan, kan de archeologische verwachting van een landschappelijke eenheid door de tijd heen veranderen: wat een prima nederzettingslocatie was in de ijzertijd, vormde gedurende de vroege middeleeuwen niet noodzakelijkerwijs nog steeds een goede woonplek. BEPERKINGEN De basis voor de archeologische verwachtingskaart wordt gevormd door de landschappelijke eenhedenkaart (kaartbijlage 2). Aan de verschillende landschappelijke eenheden zijn voor de perioden neolithicum/bronstijd, ijzertijd/Romeinse tijd en middeleeuwen een archeologische verwachting toegekend. De archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat paleolithicum en mesolithicum zijn niet opgenomen op de kaart. De reden hiervoor is dat het landschap uit deze perioden op een dusdanig grote diepte ligt, dat het niet mogelijk is een realistische verwachting op te stellen (zie paragraaf 4.2.1). Ook vindplaatsen uit de (late middeleeuwen en) nieuwe tijd worden niet ‘gedekt’ door de landschappelijke eenhedenkaart. De reden hiervoor is dat men vanaf de middeleeuwen in steeds sterkere mate ingreep in het natuurlijk landschap.
De bewoonbaarheid of gebruiksmogelijkheden liet men steeds minder bepalen door de natuurlijke (terrein)gesteldheid. Zo werden in de loop van de middeleeuwen de voorheen onbewoonbare veengebieden in cultuur gebracht. Waar de vroegste veenontginningen gedicteerd werden door het natuurlijke landschap – veenriviertjes bepaalden de ligging van de ontginningslinten – zetten de ontginners het landschap in de loop van de eeuwen juist naar hun hand. De bewoningsmogelijkheden werden vanaf toen niet meer bepaald door mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood, maar werden gecreëerd door een rationele verkaveling en ontwatering van het gebied. Kades en dijken zorgden ervoor dat lager gelegen gebiedsdelen, die gedurende natte perioden voorheen onder water kwamen, grotendeels gevrijwaard bleven van overstromingen. Met de opkomst van bemaling door windmolens konden vanaf de 17 e eeuw niet alleen kleine plassen, maar ook grote binnenmeren worden drooggemaakt, ingepolderd en ingericht. De archeologische verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd is daarom niet zozeer gebaseerd op landschappelijke ondergrond, maar vooral op een combinatie van archeologische en historisch-geografische gegevens (kaartbijlage 3).
4.2.
Archeologische verwachtingen
4.2.1. Pleistocene ondergrond De pleistocene ondergrond waarop de geologische landschapsontwikkeling in de gemeente Dijk en Waard hebben plaatsgevonden, wordt grotendeels gevormd door een omvangrijke riviervlakte waar door vlechtende rivieren hoofdzakelijk grove zanden en grind werden afgezet. 49 Een uitzondering vormt het noordoostelijke deel van de Heerhugowaard, waar in de ondergrond eolische dekzanden voorkomen.50 De hoogste delen van dit pleistocene landschap liggen op een diepte van 15 m -NAP (circa 13 tot 16 tot meter onder maaiveld). Het pleistocene landschap wordt doorsneden door de hoofdtakken van de pleistocene rivierlopen, die tot 35 m -NAP diep liggen (mogelijk is nog sprake van latere erosie door mariene getijdengeulen). Op basis van de hoogteligging van het pleistocene oppervlak en de zeespiegelstijgingscurve voor WestNederland kan een globale indruk worden verkregen van de periode waarin het pleistocene landschap verdronk en vervolgens overgroeide raakte met veen.51 De verdronken gebiedsdelen waren ongeschikt (want te nat) voor bewoning. Op grond van de hoogteligging van de pleistocene ondergrond (rond 15 m NAP), waren rond 8000 jaar geleden de hoogste delen van het pleistocene landschap in de huidige gemeente Dijk en Waard verdronken.
49 De sedimenten worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (Busschers & Weerts 2003). 50 Het dekzand wordt gerekend het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel (Schokker et al. 2003). 51
Jelgersma 1979.
30
Dit betekent dat in de diepere ondergrond van de gemeente Dijk en Waard bewoningsresten uit het laatpaleolithicum en mesolithicum aanwezig kunnen zijn. De archeologische verwachting voor de vindplaatsen van deze jager-verzamelaarssamenlevingen wordt bepaald door de morfologie (en intactheid) van het pleistocene landschap. De vindplaatsen bevinden zich bij voorkeur in ecologische gradiëntzones (overgangen van nat naar droog, zoals bijvoorbeeld gebiedsdelen langs rivier- en beekdalen). In dergelijke zones kunnen in principe zowel nederzettingsterreinen met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal, als kleine jachtkampementjes met een ijle vondststrooiing aanwezig zijn. Bij dergelijke vindplaatsen wordt voornamelijk strooiing van houtskool, (bewerkt) vuursteen en (ander) natuursteen verwacht. De resten bevinden zich in de top van het (ongestoorde) natuurlijke dekzand. Uit de geologische boringen blijkt dat delen van het pleistocene oppervlak zijn afgedekt met basisveen, en naar verwachting dus nog intact zijn. Het aantal beschikbare geologische waarnemingen (boringen) is evenwel te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van de intactheid, opbouw en reliëf van het pleistocene landschap te krijgen. De archeologische verwachting is dan ook onbekend.
De grote diepteligging (dieper dan 13 m -mv) betekent bovendien dat de archeologische verwachting voor het pleistocene landschap vooral een formele en theoretische aangelegenheid is: het niveau zal zelden door (omvangrijke) bodemingrepen worden bedreigd (funderingspalen uitgezonderd). De kans dat eventueel aanwezige archeologische resten van vindplaatsen van jager-verzamelaars worden aangetast is dan ook gering.52 Omwille van deze deels theoretische verwachting is voor het pleistocene landschap geen afzonderlijke verwachtingskaart vervaardigd.
4.2.2. Het strandwallenlandschap Het strandwallenlandschap was in principe bewoonbaar vanaf het (midden) neolithicum. Strandwallen hebben vanaf hun ontstaan een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op de (pre-)historische bewoners van het Nederlandse kustgebied. 53 Het kan gaan om relatief grote nederzettingsterreinen waarvan de resten zich in de top van de afzettingen, mogelijk al vrijwel direct onder de bouwvoor aanwezig kunnen zijn. De (omvangrijkere) vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische (cultuur)laag met een lage tot hoge vondstdichtheid (aardewerk, houtskool, bot, baksteen, natuursteen, glas en/of metaal). Ook kunnen vindplaatsen/bewoningsniveaus aanwezig zijn die zich niet manifesteren door een herkenbare archeologische laag. Tot slot kunnen ook sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Deze zijn met regulier (prospectief) booronderzoek vrijwel niet of nauwelijks op te sporen en blijven in de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) doorgaans buiten beschouwing. 54 De bewoning bleef in principe mogelijk totdat de strand-/haakwallen overgroeid raakten met veen of overslibd werden door jongere getijdenafzettingen. Ten aanzien van de dagzomende (duin- op) strandwalafzettingen geldt: een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat neolithicum-nieuwe tijd.
Ten aanzien van de (met veen en klei) afgedekte strandwalafzettingen geldt: een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode neolithicum-Romeinse tijd; een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de middeleeuwen-nieuwe tijd. Ten aanzien van de haakwallen geldt: een middelhoge archeologische voor vindplaatsen uit het neolithicum; een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit overige perioden. Ten aanzien van de afgedekte strandvlakte geldt: een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen alle perioden.
52 Nog los van de praktische beperkingen/onmogelijkheid om onderzoek te doen. 53 De strandwalzanden worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk (Weerts 2003). 54 Opsporing hiervan is in theorie wel mogelijk, maar tegen veel hogere onderzoeksintensiteit en de kosten die maatschappelijk
gezien niet redelijk worden geacht. In de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) blijft dit type vindplaatsen om deze reden vaak buiten beschouwing.
31
4.2.3. Het getijdenlandschap Het getijdenlandschap omvat oude getijden landschap (neolithicum); verjongd getijdenlandschap (bronstijd); overstroomd en afgedekt veenlandschap (vanaf eind vroege middeleeuwen). Neolithische bewoning in het oude getijdenlandschap Vanaf het midden-neolithicum maakte de westelijke helft van de gemeente deel uit van een getijdengebied.55 Het landschap bestond uit een actieve geul met hoger opgeslibde oevers, kwelders en lagergelegen wadvlaktes. Dit landschap bood volop bestaansmogelijkheden: veeteelt en kleinschalige akkerbouw op de hoger opgeslibde oevers langs de geulen, jacht en visvangst in de lagergelegen moerassen en kreken. In de Kop van Noord-Holland en het aangrenzende deel van de Wieringermeerpolder zijn op meerdere plekken nederzettingsterreinen uit het midden- en laatneolithicum gevonden (vgl. afbeelding 3.5).56 Het kan gaan om bewoningssporen (losse boerderijen van enkele honderden m² of nederzettingsterreinen tot meer dan 1000 m²), maar ook om sporen van tijdelijke activiteiten (jacht, visvangst e.d.). De nederzettingsterreinen uit het midden- en laat-neolithicum zijn veelal herkenbaar aan een donkere cultuur-/vondstlaag met houtskool, aardewerkfragmenten, botresten, vuursteen en/of natuursteen. Eventuele aanwezige archeologische lagen kunnen op enige diepte (binnen 1,5 m -mv, ca. 2,0 m -NAP) onder de bouwvoor aanwezig zijn.
Ten aanzien van die gebieden waar het oude getijdenlandschap niet is geërodeerd, geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het midden-/laat-neolithicum (pikklei, Rekereklei). Voor de eenheden waar wel sprake is van erosie (zandige meerbodem, delgronden en wadafzettingen) geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het midden-/laat-neolithicum. Bewoning in het verjongde getijdenlandschap (bronstijd) Rond 3800 jaar geleden traden plotse veranderingen op in het Westfriese getijdensysteem. Waar het getijdengebied in oostelijk West-Friesland in een eeuw tijd veranderde in een hoger opgeslibd kwelderlandschap dat gedurende de bronstijd gunstige omstandigheden bood voor bewoning, gold dat niet voor de omgeving van Dijk en Waard. Hier veranderde het getijdenlandschap met relatief hoog opgeslibde en bewoonbare oeverwallen in een slufterachtig gebied, waar de zee tweemaal per dag binnenstroomde en dat juist relatief ongeschikt was voor bewoning. Vermoedelijk tussen 3500 en 3200 jaar geleden slibde het zeegat van Bergen definitief dicht. 57 Middeleeuwse bewoning in het overstroomde getijdenlandschap Verspreid door het gebied komen middeleeuwse vindplaatsen voor. Met uitzondering van de middeleeuwse bewoningslinten is geen sprake van een duidelijke zonering, die duidt op een voorkeur voor bepaalde landschappelijke eenheden.
Om deze reden geldt voor de landschappelijke eenheden die gedurende de middeleeuwen aan het oppervlak lagen een middelhoge verwachting (pikklei, Rekereklei en meerwalgronden). Ten aanzien van de geërodeerde gebieden (delgronden, zandige meerbodemgronden en wadafzettingen) geldt een (zeer) lage archeologische verwachting.
4.2.4. Het veenlandschap Na het dichtslibben van het zeegat van Bergen en de sluiting van de kustbarrière, verslechterde de afwatering in het gebied achter de strandwallen en vond op uitgebreide schaal veengroei plaats.58 De bewoningsmogelijkheden van dit veenmoeras waren over het algemeen zeer beperkt. Voor vindplaatsen uit de periode late bronstijd / Romeinse tijd geldt om deze reden een lage archeologische verwachting. Het veengebied zal gedurende deze periode vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. De archeologische neerslag hiervan is veel beperkter dan in het geval van 55 De holocene mariene afzettingen worden gerekend de Formatie van Naaldwijk (Weerts 2003). 56 Van Heeringen & Theunissen 2001. 57 Westerhof et al. 1987. Lohof & Roessingh (2014) suggereren op basis van archeologisch onderzoek een latere datering. 58 Overigens gold voor de gebieden die buiten bereik van het Westfriese geulsysteem lagen – grofweg het westelijk deel van de
gemeente – dat hier al eerder veengroei optrad. Het veen behoort tot de Formatie van Nieuwkoop (Weerts & Busschers 2003).
32
nederzettingen. Gedacht kan worden aan (al dan niet) rituele deposities of resten die samenhangen met transport (achtergelaten kano, knuppelwegen). Dergelijke resten bevinden zich in het veenpakket, maar zijn met de gebruikelijke prospectiemethoden nauwelijks structureel op te sporen. Tegen het eind van de vroege middeleeuwen werd het veenlandschap ontgonnen. 59 Voor deze periode dient daarom wel rekening te worden gehouden met bewoning. Zoals hierboven al is aangegeven, is hierin met uitzondering van de middeleeuwse bewoningslinten, geen sprake van een duidelijke zonering, die duidt op een voorkeur voor bepaalde landschappelijke eenheden. Ten aanzien van alle drie landschappelijke eenheden (binnen het veenlandschap) geldt: een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen; een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit overige perioden. Een uitzondering wat betreft de (on)bewoonbaarheid van het veengebied betreft het westelijk deel van Langedijk waar talrijke ijzertijd- en (inheemse) Romeinse vondsten zijn aangetroffen.
Hoewel de bewoning plaatsvond op een dun veen(rest)laag, lijkt het reliëf en de ontwatering van het onderliggende kwelderlandschap te hebben gezorgd voor de relatief gunstige bewoningscondities.60 Dit geldt eveneens voor het aansluitende gebied van de gemeente Schagen, waar diverse vindplaatsen uit deze periode bekend zijn.61 De oorzaak hiervoor ligt vermoedelijk in de ontwatering van dit deel van de kustvlakte – enkele eeuwen voor het ontstaan van het Zijper zeegat – door de voorlopers van de Zijpe en Rekere. De aanwezigheid van de afdekkende laag pikklei- en Rekereklei vormt een (indirecte) aanwijzing dat het onderliggende veenlandschap mogelijk nog intact is. Om deze reden is aan beide kaarteenheden een middelhoge archeologische verwachting toegekend voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd/Romeinse tijd.
4.2.5. Historische waterbodems De eenheid ‘historische waterbodems’ omvat die delen van het oppervlaktewater waar sporen van watergerelateerde activiteiten en/of historisch gebruik verwacht kunnen worden in de waterbodem. Hierbij kan gedacht worden aan resten van waterkundige elementen (bruggen, dammen, sluisjes e.d.), boten en/of afvaldumps die samenhangen met historische bewoning in de directe omgeving. Een belangrijk aspect bij de waterbodems is dat dergelijke ‘natte’ archeologische resten over het algemeen goede conserveringsomstandigheden kennen ten aanzien van organisch materiaal, waardoor het archeologisch informatiepotentieel hoog is. De eenheid historische waterbodems is gedefinieerd als die delen van het oppervlaktewater die binnen 100 meter van historische elementen liggen: het water in en rondom AMK-terreinen, de historische bewoningslinten en de molens. Het maakt daarbij niet uit of het om natuurlijke of gegraven watergangen gaat. De historische waterbodems hebben een middelhoge verwachting voor archeologische resten die gerelateerd zijn aan het historisch gebruik van het water en/of met de bewoning in de omgeving ervan. Ten aanzien van het overige oppervlaktewater geldt geen afzonderlijke verwachting voor waterbodems, maar geldt de archeologische verwachting van de omliggende verwachtingszone.
59 De Cock 1965, 1969 60 Boreel 2008, Houkes & Kodde 2009, Zandboer 2012. 61
vgl. Schermer 1968, 1969, 1971 en 1973.
33
5.
De Archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlage 4)
5.1.
Algemeen
De archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlage 4) is de ruimtelijke verbeelding van het voorgestelde archeologiebeleid. De kaart laat zien binnen welke gebieden in de gemeente Dijk en Waard welk beleid van toepassing is. Daartoe is op de beleidsadvieskaart een achttal beleidscategorieën onderscheiden, waaraan beleidsregels zijn gekoppeld. Deze regels (vrijstellingsgrenzen) schrijven voor wat de maximale omvang (in termen van diepte en oppervlakte) van beoogde bodemingrepen kan zijn, zonder dat voorafgaand archeologisch onderzoek vereist is. De oppervlakte betreft hierbij het totale ruimtelijke beslag (de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien)) die in het kader van de omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden worden uitgevoerd (zie paragraaf 5.2) De beleidsadvieskaart is gebaseerd op de archeologische inventarisatiekaart, de archeologische verwachtingskaart en de historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlagen 1, 2 en 3). Bij het bepalen van de vrijstellingsgrenzen is verder gelet op de aard en omvang van de achterliggende archeologische waarden. Zo heeft een relatief kleine bodemingreep op een historisch erf al een relatief grote kans dat aanwezige archeologisch erfgoed ongezien verdwijnt, wat voor deze historisch-landschappelijke eenheden een lagere vrijstellingsgrens legitimeert.
Uiteindelijk kan de beleidskaart gezien worden als de uitkomst van de afweging tussen (archeologisch en historisch-geografisch) inhoudelijke belangen en een praktische uitvoering. Achtergrond bij het tot stand komen van de beleidsadvieskaart is dat bekende en nog onbekende archeologische resten zoveel beschermd worden, zonder dat dit tot onevenredige inspanningen en overbodig archeologisch onderzoek – en dus kosten – leidt.
Afbeelding 5.1. Dobbelsteen, ‘De Druppels’ Fase II (Koedijk), Broek op Langedijk, Langedijk, datering: 100300 (bron: Provinciaal depot Noord-Holland). VERANKERING VAN HET ARCHEOLOGIEBELEID De archeologische beleidsadvieskaart is tevens een instrument waarmee (aangetoonde en verwachte) archeologische waarden kunnen worden geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Bij het opstellen van het bestemmingsplan (en waarschijnlijk vanaf januari 2023 het omgevingsplan) dient de gemeente rekening te houden met alle terreinen die als ‘archeologisch monument’ of ‘zones van archeologische verwachtingswaarde’ zijn aangemerkt. De gebieden waarop de beleidscategorieën betrekking hebben
34
dienen planologisch te worden beschermd door opname op de bestemmingsplankaart (en bijbehorende planregels) met de aanduiding (dubbel)bestemming ‘archeologische waarde’. Uitgangspunt van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) in geval van ruimtelijke ontwikkelingen is het behoud van archeologische waarden in de bodem (behoud ‘in situ’) en aantasting door bodemingrepen te vermijden. Planaanpassing heeft dus de voorkeur boven uitvoering van archeologisch onderzoek. Indien dit – ook na eventuele planaanpassing – niet mogelijk is, is archeologisch onderzoek pas aan de orde (zie hoofdstuk 6). Concreet betekent dit dat bodemverstorende activiteiten of (grootschalige of langdurige) grondwaterpeilverlagingen niet worden toegestaan, tenzij door waardestellend archeologisch onderzoek blijkt dat archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen activiteiten. In de praktijk komt een dergelijk beleid erop neer dat wanneer besloten is om de economische en maatschappelijke belangen zwaarder te laten wegen dan de cultuurhistorische belangen – en dat derhalve toestemming wordt verleend om in een gebied bodemverstorende activiteiten te laten plaatsvinden – altijd een waardestellend archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.
5.2.
Beleidscategorieën
ALGEMEEN In de gemeente Dijk en Waard liggen geen archeologische rijksmonumenten. Om deze reden zijn op de beleidsadvieskaart geen terreinen aangewezen waar geen bodemingrepen zijn toegestaan.62 CATEGORIE 0 Categorie 0 omvat terreinen waar archeologische resten aanwezig zijn. Het betreft: de AMK-kerkterreinen van Sint Pancras, Langedijk, Oudkarspel, Noord- en Zuid-Scharwoude; het deel van het kerkterrein van Veenhuizen met de resten van de middeleeuwse kerk; het voormalige kerkhof Vroonen te Sint-Pancras; de vindplaatsen 10 en 12 van de Druppels in Langedijk. Voorschrift Categorie 0: Het uitgangspunt voor de terreinen binnen deze categorie om het behoud van archeologische waarden in originele context (behoud ‘in situ’) na te streven en bodemverstoringen te vermijden. Dit betekent dat voor alle bodemingrepen (ongeacht de omvang en diepte) een vergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente. Gezien de archeologische en historische waarde alsmede de kwetsbaarheid van de archeologische resten (begravingen en prehistorische sporen) zijn in principe geen bodemingrepen toegestaan, Doel hiervan is het veiligstellen van de archeologische waarden in de grond (behoud in situ). In het geval van ruimtelijke ontwikkelingen op deze terreinen heeft inpassing van archeologische waarden te allen tijde de voorkeur boven het opgraven ervan (behoud ex situ).
CATEGORIE 1 Categorie 1 omvat terreinen waar archeologische resten aanwezig zijn. Het betreft: de overige AMK-terreinen (zijnde geen kerkterreinen); bekende vindplaatsen, bestaande en verdwenen molens (met een bufferzone van 50 meter); zones met historische bebouwing: de historische dorpskernen en bewoningslinten van Sint Pancras, Koedijk, Langedijk, Oudkarspel, Noord- en Zuid-Scharwoude en Veenhuizen); de historische erven in de Heerhugowaard. Voorschrift Categorie 1: Een waardestellend archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij een omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden waarbij de som van het
62 Binnen de gemeente zijn weliswaar gebouwde rijksmonumenten aanwezig, deze vallen echter niet binnen het bereik van de
archeologische beleidskaart / Archeologische Monumentenzorg.
35
oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) groter is dan 50 m² en dieper dan 40 cm onder maaiveld. Gezien het archeologisch en historisch belang dat aan deze terreinen wordt gehecht, en het kleinschalige karakter van de archeologische resten (gebouwstructuren, erfinrichting, begravingen e.d.) is een vrijstellingsgrens van 50 m² gehanteerd voor bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv. Bij het hanteren van een ruimere vrijstellingsgrens wordt het risico te groot geacht dat archeologische en/of cultuurhistorische resten ongezien verdwijnen. Doel van het archeologisch onderzoek op terreinen van categorie 1 is het vaststellen van de aanwezigheid van waardevolle archeologische resten. CATEGORIE 2 Categorie 2 omvat terreinen waar archeologische resten verwacht worden en de landschappelijke eenheden waaraan een hoge archeologische verwachting is toegekend. Het betreft: de druiplanden in de Heerhugowaard; de bewoningslinten in de Heerhugowaard; de dagzomende strandwal van Sint Pancras (duin- op strandwalafzettingen); de afgedekte strandwal van Sint Pancras (met klei en/of veen afgedekt).
Voorschrift Categorie 2: Een waardestellend archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij een omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) groter is dan 500 m² en dieper dan 40 cm onder maaiveld. Hoewel in de gebieden die binnen categorie 2 vallen archeologische resten aanwezig kunnen zijn (druiplanden en de bewoningslinten in de Heerhugowaard), is de verwachte dichtheid van deze resten lager dan in de gebieden onder categorie 1. Ten aanzien van de gebieden met een hoge verwachting (strandwal van Sint Pancras) is geen sprake van vastgestelde archeologische waarden maar gaat het om verwachte archeologische waarden. Omdat de kans dat bodemingrepen in categorie 2 leiden tot aantasting van archeologische resten kleiner is, wordt het verantwoord geacht een ruimere vrijstellingsgrens te hanteren. Primair doel van het archeologisch onderzoek in gebieden van categorie 2 is het toetsen van de archeologische verwachting: het vaststellen van de aanwezigheid van archeologische kansrijke niveaus. CATEGORIE 3 Categorie 3 omvat de landschappelijke eenheden waaraan een middelhoge archeologische verwachting is toegekend.
Het betreft: de afgedekte haakwallen in de Heerhugowaard; de veengronden in het buitengebied van Langedijk en Heerhugowaard; de (afgedekte) kwelderlandschappen in het buitengebied van Langedijk (meerwal-, pikkklei, en Rekeregronden) het kwelder landschap in de polder Veenhuizen (kwelder- op wadafzettingen). Voorschrift Categorie 3: Een waardestellend archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij een omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) groter is dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm onder maaiveld. De gebieden die binnen categorie 3 vallen hebben een middelhoge archeologische verwachting. Het gaat hierbij om diverse landschappen met een zeer uiteenlopend archeologisch potentieel: haakwallen die in de periode neolithicum-bronstijd mogelijk aantrekkelijk waren voor bewoning, afgedekte kwelderlandschappen waar gedurende de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen bewoning heeft plaatsgevonden en veengebieden die vanaf de vroege middeleeuwen in gebruik 36
waren. Geadviseerd is een ondergrens te hanteren van 2.500 m² voor bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv. Primair doel van het archeologisch onderzoek in gebieden van categorie 3 is het toetsen van de archeologische verwachting: het vaststellen van de aanwezigheid van archeologische kansrijke niveaus. CATEGORIE 4 Categorie 4 omvat de landschappelijke eenheden met een middelhoge archeologische verwachting, waarvan is aangenomen dat de (kans op) recente verstoring aanzienlijk en reëel is. Verder omvat categorie 4 de landschappelijke eenheden met een lage tot zeer lage archeologische verwachting waarvan is aangenomen dat de recente verstoring beperkt is. Het betreft: de veengronden in Langedijk en Heerhugowaard die vrijwel vlakdekkend overbouwd zijn; de (afgedekte) kwelderlandschappen in Langedijk die vrijwel vlakdekkend overbouwd zijn (meerwal-, pikkklei, en Rekeregronden); de erosiegebieden (delgronden) en 17e-eeuwse polders (zandige meerbodemgronden) in het Geestmerambacht; de gebieden met wadafzettingen in het buitengebied van de Heerhugowaard. Voorschrift Categorie 4: Een waardestellend archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij een omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) groter is dan 5.000 m² en dieper dan 40 cm onder maaiveld.
Zowel in het veen- als in het kwelderlandschap ligt het potentieel archeologisch niveau relatief dicht onder het maaiveld. Enerzijds gaat het om landschappelijke eenheden met een middelhoge archeologische verwachting, waar verschillende archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Tegelijkertijd is de kans reëel dat deze (en nog onbekende) archeologische resten verstoord zijn geraakt door uitgebreide (woning)bouwwerkzaamheden sinds het laatste kwart van de 20ste eeuw. Geadviseerd is een ondergrens te hanteren van 5.000 m² voor bodemingrepen dieper dan 40 cm mv. Primair doel van het archeologisch onderzoek in gebieden van categorie 4 is het toetsen van de archeologische verwachting: het vaststellen van de aanwezigheid van archeologisch kansrijke niveaus en het bepalen van de intactheid van het bodemprofiel. CATEGORIE 5 Categorie 5 omvat de landschappelijke eenheden met een lage tot zeer archeologische verwachting, waarvan is aangenomen dat de (kans op) recente verstoring aanzienlijk en reëel is. Het betreft: de gebieden met wad- en afgedekte strandvlakte-afzettingen in de Heerhugowaard die vrijwel vlakdekkend overbouwd zijn; buitendijkse/recent verwerkte gronden.
Voorschrift Categorie 5: Een waardestellend archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij een omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) groter is dan 10.000 m² en dieper dan 40 cm onder maaiveld. Gelet op de lage archeologische verwachting van de gebieden die onder categorie 5 vallen, wordt een licht onderzoeksregime verantwoord geacht. Alleen bij zeer grootschalige ingrepen (groter dan 10.000 m² en dieper dan 40 cm) wordt archeologisch onderzoek voorgesteld. Primair doel van het archeologisch onderzoek in gebieden van categorie 5 is het toetsen van de archeologische verwachting: het vaststellen van bodemverstoringen en het bepalen van de intactheid van het bodemprofiel. 37
CATEGORIE 6 Categorie 6 omvat die delen van het oppervlaktewater in de gemeente die binnen 100 meter van historische elementen (AMK-terreinen, historische bewoningslinten en molens) liggen. Deze zones van het oppervlaktewater zijn gedefinieerd als ‘historische waterlopen’. Het kan zowel om natuurlijke als aangelegde watergangen gaan. Voorschrift Categorie 6: Bij bodemingrepen in de waterbodems van ‘historische waterlopen’ dient een archeologisch (bureau)onderzoek plaats te vinden indien de som van de totale bodemingrepen groter is dan 50m2. Doel van het archeologisch bureauonderzoek is om vast te stellen of aanvullend archeologisch veldonderzoek nodig is. CATEGORIE 7 Categorie 7 omvat de nog bestaande, historische dijktracés in de gemeente Dijk en Waard. Voorschrift Categorie 7: In geval van door- of vergraving van dijken dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Het doel van het archeologisch onderzoek is het krijgen van inzicht in de opbouw en ouderdom van de dijken. CATEGORIE 8 Categorie 8 omvat die gebieden die die in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) afdoende zijn onderzocht en waar het archeologisch onderzoekstraject als afgerond kan worden beschouwd. Het gaat om: gebieden waar het archeologisch proces na een gravend archeologisch onderzoek is afgerond – d.w.z.
terreinen waar een opgraving, proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding heeft plaatsgevonden; gebieden kleiner dan 5.000 m² waar een verkennend booronderzoek is uitgevoerd en die op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurde rapportage reeds zijn vrijgegeven. Voorschrift Categorie 8: Bodemingrepen kunnen zonder beperkingen ten aanzien van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Er is een aantal redenen om niet alle gebieden vrij te geven waar in het verleden archeologisch booronderzoek heeft plaatsgevonden. De onderzoeksopzet (boordiepte) die bij booronderzoeken wordt gehanteerd, wordt vaak bepaald door de voorgenomen ontwikkelingsplannen. Concreet betekent dit dat waar de plannen niet voorzien in diepe bodemingrepen, de bodem ook maar tot beperkte diepte wordt onderzocht. Dieper gelegen archeologische niveaus worden niet onderzocht en blijven dus buiten beeld. Hierdoor is de kans aanwezig dat dieper gelegen archeologische resten ongezien verdwijnen. Verder speelt -mee dat als gevolg van kennisontwikkeling een deel van de terreinen die in het verleden zijn onderzocht, een methodiek/onderzoeksintensiteit is gehanteerd die nu niet meer als adequaat wordt beschouwd.63 Om de lasten van archeologisch onderzoek te beperken, is voorgesteld om relatief kleine onderzoeken (onderzoeken met een omvang kleiner dan 5.000 m²) die op basis van een
63 Een illustratief voorbeeld is een booronderzoek uit 2003 ten behoeve van de ontwikkeling van het industrieterrein Breekland in
Langedijk (zaakidentificatienummer 2039964100), waar verspreid over een gebied van ruim 43 ha slechts 12 archeologische boringen werden gezet (1 boring per 3,5 ha). Omdat in de boringen geen archeologische resten werden aangetroffen is besloten het gebied vrij te geven voor de ontwikkeling. Voor een adequaat onderzoek – en conform de huidige inzichten – zouden minimaal 6 boringen per ha gezet dienen te worden.
38
verkennend booronderzoek zijn vrijgegeven, op te nemen als categorie 8 (‘vrijgeven’) op de beleidsadvieskaart. Voor grotere terreinen waar in het verleden al wel een verkennend onderzoek heeft plaatsgevonden wordt geadviseerd om deze in voorkomende gevallen in het kader van een nieuwe vergunningsverlening niet zonder meer vrij te geven, maar nogmaals tegen het licht te houden. SAMENVATTING Een samenvatting van de beleidscategorieën met de behorende vrijstellingsgrenzen en een omschrijving van de archeologische en landschappelijke eenheden is weergegeven in tabel 5.1: Beleidscategorie
Vrijstellingsgrens
Cat-0
omvang tot 0 m²
diepte tot 0 cm -mv
Cat-1
50 m²
40 cm -mv
Cat-2
500 m²
40 cm -mv
Cat-3
2.500 m²
40 m -mv
Cat-4
5.000 m²
40 cm -mv
Cat-5
10.000 m²
40 cm -mv
Cat-6
bodemingrepen tot 50 m²
in de waterbodem
Cat-7
bij doorvergravingen n.v.t. / vrijgeven
Cat-8
Omschrijving
AMK-terreinen (kerkterreinen); het voormalige kerkhof Vroonen; vindplaatsen 10 en 12 van de Druppels. overige AMK-terreinen; bekende vindplaatsen en molens (incl. bufferzone); historische bewoningslinten/-kernen (Langedijk, Oudkarspel, Noord- /Zuid-Scharwoude, Langedijk, Sint Pancras, Koedijk en Veenhuizen); historische erven in de Heerhugowaard. druiplanden; bewoningslinten in de Heerhugowaard; landschappelijke eenheden met een hoge archeologische verwachting (strandwal van Sint Pancras). landschappelijke eenheden met een middelhoge archeologische verwachting: - afgedekte haakwallen; - veengronden in het buitengebied; - (afgedekte) kwelderlandschappen in het buitengebied; - kwelderlandschap in de polder Veenhuizen. landschappelijke eenheden met een middelhoge archeologische verwachting die vlakdekkend overbouwd zijn: - veengronden in het bebouwd gebied; - (afgedekte) kwelderlandschappen in het bebouwd gebied. landschappelijke eenheden met een (zeer) lage archeologische verwachting in het buitengebied: - geërodeerde delen in het kwelderlandschap; - wadafzettingen in het bebouwd gebied van Heerhugowaard; - veengronden in het buitengebied. landschappelijke eenheden met een (zeer) lage archeologische verwachting die vlakdekkend overbouwd zijn: - wadafzettingen in het bebouwd gebied van Heerhugowaard; - afgedekte strandvlakte-afzettingen.
buitendijkse en recent geroerde gronden. Oppervlaktewater binnen 100 meter van AMK-terreinen, (verdwenen) molens, en middeleeuwse bewoningslinten bestaande dijken
n.v.t. / vrijgeven
reeds afdoende onderzochte gebieden
Tabel 5.1. Overzicht van de gehanteerde beleidscategorieën met de vrijstellingsgrenzen
39
6.
Het Archeologisch onderzoekstraject
6.1.
Algemeen
Archeologisch onderzoek in Nederland dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA is bindend en bevat alle eisen waaraan archeologisch onderzoek en het beheer van archeologisch vondst- en documentatiemateriaal minimaal moet voldoen. Ook de eisen waaraan de uitvoerders van het onderzoek moeten voldoen staan hierin vermeld. Dit geldt voor zowel de commerciële archeologische bedrijven als voor de (gravende) overheidsdiensten. Het archeologische traject is opgesplitst in een drietal stappen. De drie onderzoeksstappen bestaan achtereenvolgens uit een bureauonderzoek (stap 1), een Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) en indien noodzakelijk, behoud van de vindplaats (stap 3). In het diagram in afbeelding 6.1 is het gehele traject schematisch weergegeven. Elke door een archeologisch instelling uitgevoerde stap dient te resulteren in een KNA-conform onderzoeksrapport en bevat een advies waarin wordt toegelicht en onderbouwd of een vervolgonderzoek (in de vorm van een volgende stap) al dan niet noodzakelijk is. In met name de kleinere onderzoekslocaties kunnen evenwel stap 1 en 2 worden samengevoegd, met de resultaten van zowel het bureauonderzoek als het inventariserend veldonderzoek in één onderzoeksrapport. Dit is een veel gebruikte praktische oplossing om de (veelal particuliere) verstoorder niet onnodig op kosten te jagen.
In binnenstedelijke situaties wordt vaak afgeweken van bovenstaande stappen. In de praktijk blijkt dat veelal wordt gekozen om na een zogenaamde quickscan meteen over te gaan op een opgraving of een archeologische begeleiding. De ervaring heeft namelijk geleerd dat de overige stappen in de binnenstad weinig tot geen toegevoegde waarde hebben. De bevoegde overheid, meestal de gemeente, dient het onderzoeksrapport te toetsen en op basis van het (selectie)advies een (selectie)besluit te nemen waarmee een vervolgonderzoek al dan niet dient te worden uitgevoerd.64 De gemeente kan op elk gewenst moment in het archeologisch traject bepalen of zij in relatie tot de bouwplannen een voldoende waardestelling heeft waarop zij een beslissing kan nemen met betrekking tot de omgang met archeologische waarden.
64
Wat is selectieadvies en een selectiebesluit? Dit houdt verband met de waardering van een vindplaats, wanneer de definitieve
omgang met archeologische waarden bekend is. In principe kan pas op basis van een waardering een selectieadvies gegeven worden en kan het selectiebesluit genomen worden. Voor die tijd betreft het slechts adviezen voor vervolgonderzoek. Wel kan de gemeente als op basis van het onderzoek een besluit kan worden genomen over de omgang met archeologische waarden binnen een bouwplan een ‘selectiebesluit’ nemen. Daartoe worden dan voorschriften m.b.t. de omgang met archeologische waarden in de omgevingsvergunning opgenomen.
40
Afbeelding 6.1. Het archeologisch proces (AMZ) (bron: SIKB).
6.2.
Wettelijke eisen aan het archeologisch onderzoek en de uitvoerders
De Erfgoedwet stelt voor uitvoerders van archeologisch onderzoek certificering verplicht (artikel 5.1). 65 Volgens het “Besluit aanwijzing richtlijn op professionele wijze verrichten van opgravingen” moeten de certificaathouders voldoen aan de Beoordelingsrichtlijn 4000 Archeologie (BRL 4000) versie 4.166, en het archeologische onderzoek moet voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1). De KNA bevat verplichte protocollen en andere eisen en richtlijnen. Enkele KNA-protocollen (PvE, bureauonderzoek en specialistisch onderzoek) zijn weliswaar verplicht, maar hiervoor stelt de wet geen certificaat verplicht (vrijwillig certificaat). Om zeker te zijn van een geborgde kwaliteit wordt geadviseerd ook het uitvoeren van PvE's, bureauonderzoeken en specialistisch onderzoek door gecertificeerde uitvoerders verplicht te stellen (in navolging van enkele provincies en gemeenten).
65 Hierbij geldt een aantal uitzonderingen: zie het Besluit Erfgoedwet archeologie. 66
https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000
41
6.3.
Onderzoeksystematiek volgens de KNA
Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens een getrapt systeem; een zogenaamde onderzoekstrechter die van grofschalig/extensief tot fijnschalig/intensief onderzoek voert. Na elke onderzoeksfase kan op basis van het bijbehorende onderzoeksrapport blijken dat van verder onderzoek afgezien kan worden. Dit laatste is echter ter beoordeling van de gemeente: de gemeente toetst alle archeologische onderzoeksrapporten. Zij kan deze afkeuren. Goedkeuring betekent niet automatisch dat de gemeente het onderzoeksadvies (geheel) volgt, al zal dit meestal wel het geval zijn. Hieronder wordt een globale omschrijving gegeven van de gebruikelijke stappen bij archeologische onderzoek – die in de meeste gevallen niet alle nodig blijken te zijn. Voor de details zie de KNA https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000. BUREAUONDERZOEK Door middel van een bureaustudie, waarbij literatuur over landschappelijke ontwikkeling, historische gegevens, bekende archeologische waarden en recent uitgevoerde archeologische onderzoeken in de nabije omgeving worden geraadpleegd, wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. Aangezien een gemeentelijke verwachtingskaart aanwezig is, voorziet het raadplegen hiervan, inclusief achterliggende informatie, in hoge mate in de noodzakelijke informatie ten behoeve van een bureauonderzoek. De onderzoeksinspanning kan beperkt blijven.
Desalniettemin dient in deze fase indien aanwezig lokaal aanwezige expertise (o.a. gemeentelijk archiefmedewerkers, amateurarcheologen en beroepsarcheologen) te worden geraadpleegd. Mogelijk dat zich recent verstoringen hebben voorgedaan die niet op de verwachtingskaart staan weergegeven. Binnen de historische kernen loont het altijd om het bouwarchief te raadplegen. Mogelijk zijn gebouwen onderkelderd waardoor de kans op het aantreffen van nog intacte archeologische vindplaatsen afneemt. Het bureauonderzoek resulteert derhalve in een gedetailleerd beeld van de betreffende locatie op basis waarvan een goed onderbouwd advies kan worden gegeven. Dit advies kan zijn dat geen of wel vervolgonderzoek noodzakelijk is. Indien vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek nodig is, dient te zijn vermeld middels welke methode. INVENTARISEREND VELDONDERZOEK Bij het inventariserend veldonderzoek (IVO) wordt een veldonderzoek uitgevoerd dat is toegespitst op de kansrijke zones zoals deze uit het bureauonderzoek naar voren zijn gekomen. Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting middels waarnemingen in het veld, waarbij aanvullende informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied.
Het inventariserend veldonderzoek resulteert in een rapport met een inhoudelijk (selectie-) advies. Op basis van dit rapport dient het bevoegd gezag een selectiebesluit te nemen. Het rapport dient te zijn uitgewerkt tot het niveau waarop het selectiebesluit gefundeerd genomen kan worden. Deze onderzoeksfase kan worden onderverdeeld in een drietal substappen, te weten de verkennende, karterende en waarderende fase. Het doel van een verkennende fase is het vaststellen van de intactheid van de bodem. Een karterende fase is gericht op de opsporing van archeologische vindplaatsen. In de waarderende fase wordt beoordeeld of de nieuwe vindplaats wel of niet behoudenswaardig is. Afhankelijk van de fase binnen het inventariserende onderzoek, de locatie, de bodemopbouw, de diepte van de te verwachten archeologische resten en het verwachte type vindplaats zijn verschillende onderzoeksmethoden mogelijk. Hierbij moet gedacht worden aan een oppervlaktekartering, geofysisch onderzoek, een booronderzoek, een archeologische begeleiding of een proefsleuvenonderzoek. In onderstaande alinea's zal kort worden ingegaan op de verschillende onderzoeksmethoden.
Verkennende fase De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om na te gaan of de verwachte bodemopbouw daadwerkelijk intact aanwezig is. Binnen de gemeente Dijk en Waard kan het uitvoeren van een landschappelijk gericht booronderzoek een zeer geschikte methode zijn voor de verkennende fase, gezien het feit dat in grote gebieden niet op voorhand bekend is op welke diepte de archeologisch relevante bodemlaag zich bevindt. Het doel hierbij is om binnen het plangebied kansarme zones uit te sluiten en
42
kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. In het geval van begraven bodems is een verkennend booronderzoek een goede methode om te achterhalen wat de dikte van de afdekkende laag is en of nog een intacte bodem aanwezig is onder de afdekkende pakketten. Het verkennend veldonderzoek is extensief van karakter. Er dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat een verkennend veldonderzoek kan resulteren in een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend dan wel waarderend veldonderzoek. Indien middels een verkennend booronderzoek kan worden aangetoond dat een plangebied geheel is verstoord tot onder het niveau waarop archeologische resten worden verwacht, dan resulteert de verkennende fase in het geheel vrijgeven van een gebied. Karterende fase Tijdens de karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tot dusver bestaat een karterende fase meestal uit een booronderzoek, zo mogelijk aangevuld met een oppervlaktekartering. De voordelen van karterend booronderzoek bestaan uit het feit dat het snel uitgevoerd kan worden en in verhouding tot een proefsleuvenonderzoek goedkoop is. Van belang is ook dat het een non-destructief onderzoek betreft. Eventueel aanwezige vindplaatsen worden bij dit type onderzoek niet onnodig beschadigd.
Het nadeel van karterend booronderzoek is dat dit type onderzoek niet geschikt is om vindplaatsen, waarvan de archeologische resten voornamelijk uit grondsporen bestaan, op te sporen. Grondsporen zijn middels een booronderzoek vaak niet te traceren. Voorbeelden van dergelijke vindplaatsen zijn grafvelden of nederzettingen waar weinig of geen mobilia (meer) aanwezig zijn, zoals nederzettingen uit de metaaltijden. Ook voor stads- en dorpskernen is karterend booronderzoek ongeschikt. In dergelijke gevallen is karterend onderzoek door middel van proefsleuven (of proefputten) een betere methode. De nadelen van dergelijk onderzoek zijn echter de hogere kosten en de langere voorbereidingstijd. Een voordeel is dat direct uitsluitsel verkregen wordt over de aanwezigheid van een vindplaats. Karterend proefsleuvenonderzoek kan, mits goed gecoördineerd, naadloos overgaan in waarderend proefsleuvenonderzoek waardoor binnen het gehele traject tijd gewonnen wordt. Voor de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist.
Afbeelding 6.2. Een doorsnede/coupe van een kuil tijdens het archeologische proefsleuven onderzoek. ‘De Druppels’ Fase I, Broek op Langedijk, Langedijk (bron: Provinciaal depot Noord-Holland, foto ADC ArcheoProjecten).
43
Waarderende fase Indien tijdens de verkennende of karterende fase van het veldonderzoek een archeologische vindplaats is aangetroffen, is een waarderende fase noodzakelijk. Een dergelijke waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard, omvang, diepteligging, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten. Op deze wijze kan gekomen worden tot een waardebepaling van de betreffende site. Een waarderend inventariserend veldonderzoek bestaat meestal uit een proefsleuven/proefputten onderzoek. Alleen bij sommige steentijdsites is een waarderend booronderzoek een optie. 67 Bij een waarderend onderzoek dient voor zover in dit stadium mogelijk de Nationale Onderzoeksagenda (NOaA) en indien beschikbaar, de provinciale en/of gemeentelijke onderzoeksagenda te worden betrokken. 68 Op basis van de waardestelling zoals deze uit het waarderend onderzoek naar voren is gekomen volgt een selectieadvies en selectiebesluit. Dit advies/besluit heeft betrekking op de volgende stap in het traject, namelijk behoud van de vindplaats (stap 3).
6.4.
Behoud
Indien op basis van de waardering van een vindplaats wordt besloten dat de vindplaats behoudenswaardig is, dan kan worden gekozen uit 2 vervolgstappen; behoud in situ of opgraven (behoud ex situ). Bij behoud in situ mag de aanwezige vindplaats niet worden verstoord. Bij behoud ex situ wordt de betreffende vindplaats niet in de bodem behouden, maar wordt de in de bodem aanwezige informatie door middel van een definitief onderzoek veiliggesteld. Hierbij moet worden gedacht aan het opgraven van de vindplaats of aan een archeologische begeleiding. BEHOUD IN SITU Bij behoud in situ wordt de vindplaats behouden door planaanpassing, zodat de bodem niet verstoord wordt ter plaatse van de vindplaats dan wel tot op het archeologisch relevante niveau. Een dergelijk besluit is het beste instrument dat voorhanden is om een bijzondere vindplaats te kunnen beschermen. Het is tevens het meest ingrijpende instrument, aangezien het kan betekenen dat een geplande ontwikkeling niet door kan gaan, dan wel aangepast dient te worden. Logisch vervolg op een dergelijk besluit is een aangepaste inrichting, eventueel ook beheer, waardoor duurzaam fysiek behoud wordt bereikt. Tot slot is een administratieve vervolgmaatregel nodig, zodat bescherming via het bestemmingsplan (kenmerken als monument) wordt gerealiseerd.