CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 toelichting op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Gemeenteraad 9 september 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Woonontwikkeling Vronermeerweg Sint Pancras19.994 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Een toelichting op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Dijk en Waard G.H. DE BOER, M.S. DE WAAL, C.Y. BURNIER, A. HAKVOORT

Colofon NMF Erfgoedadvies Rapport 12 Auteurs: G.H. de Boer, M.S. de Waal, C.Y. Burnier, A. Hakvoort Status: definitief Datum: 22 maart 2022 In opdracht van: Gemeente Dijk en Waard ISSN: 2589-1057 (print) ISSN: 2589-1065 (online) © NMF Erfgoedadvies, 2022 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Het NMF Erfgoedadvies aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. Foto's en tekeningen: NMF Erfgoedadvies, tenzij anders vermeld

NMF Erfgoedadvies Westerplein 4a 1901 NA Castricum info@nmferfgoedadvies.nl www.nmferfgoedadvies.nl

Inhoud 1.

Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Ligging van de gemeente 1.3. Opzet en leeswijzer 1.4. Woord van dank 2. Archeologie en ruimtelijke ordening: wettelijk kader en beleid 2.1. Wet- en regelgeving 2.2. Rol en verantwoordelijkheden overheden 2.3. Archeologie in de ruimtelijke ordening 2.4. Gemeentelijk archeologiebeleid 3. Inventarisatie van gegevens 3.1. Beknopte opzet 3.2. Archeologische Inventarisatiekaart (kaartbijlage 1) 3.3. Landschappelijke eenhedenkaart (kaartbijlage 2) 3.4. Historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3) 4. De Archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 2) 4.1. Algemeen 4.2. Archeologische verwachtingen 5. De Archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlage 4) 5.1. Algemeen 5.2. Beleidscategorieën 6. Het Archeologisch onderzoekstraject 6.1. Algemeen 6.2. Wettelijke eisen aan het archeologisch onderzoek en de uitvoerders 6.3. Onderzoeksystematiek volgens de KNA 6.4. Behoud 6.5. Depotbeheer 6.6. Vrijgeven 6.7. Toevalsvondsten Geraadpleegde bronnen Websites Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Lijst met kaartbijlagen Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen Bijlage 2. Catalogus van archeologische terreinen (‘AMK-terreinen’) Bijlage 3. Catalogus van archeologische onderzoeken Bijlage 4. Catalogus van (verdwenen) molens Bijlage 5. Catalogus van gemeentelijke monumenten Bijlage 6. Catalogus van gebouwde rijksmonumenten Bijlage 7.

Catalogus van stolpen

4 4 5 5 6 7 7 11 12 12 13 13 14 19 22 29 29 30 34 34 35 40 40 41 42 44 46 47 47 48 49 51 51 51 52 53 54 55 56 57 58

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding

In opdracht van de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk heeft NMF Erfgoedadvies in 2021 een archeologische beleidskaart vervaardigd voor het grondgebied van de aanstaande gemeente Dijk en Waard. De nieuwe gemeente is ontstaan op 1 januari 2022, uit het samengaan van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard. De archeologische beleidskaarten van de huidige gemeenten Langedijk en Heerhugowaard dateren uit 2010. 1 Sinds het opstellen van deze kaarten zijn verscheidene nieuwe archeologische onderzoeken uitgevoerd en zijn nieuwe archeologische vindplaatsen aan het licht gekomen. Verder ontstond door het samengaan van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard tot de gemeente Dijk en Waard de noodzaak om de archeologische beleidskaart te actualiseren en te harmoniseren. BODEMARCHIEF, BELEID EN DRAAGVLAK Het archeologisch bodemarchief verdient een goede bescherming: zowel voor de wetenschap (het vormt een bron voor kennisvergaring) als vanuit maatschappelijk oogpunt (het draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving). Elke gemeente behoort dan ook een gedegen archeologiebeleid te voeren. 2 Een gedegen beleid betekent niet dat archeologie altijd prevaleert boven andere maatschappelijke belangen.

Wel betekent het dat de archeologisch-inhoudelijke onderbouwing van het beleid gebaseerd dient te zijn op actuele kennis van het bodemarchief, zodat op basis hiervan evenwichtige en beredeneerde keuzes gemaakt kunnen worden. Op uitvoeringsniveau kan de gemeente op verschillende manieren bijdragen aan vergroting van het maatschappelijk draagvlak: het faciliteren bij projecten die de zichtbaarheid van het archeologisch erfgoed bevorderen (zoals het vervaardigen van een publieksvriendelijke versie van het archeologiebeleid). Maar ook het verschaffen van duidelijkheid aan burgers/initiatiefnemers (‘wat mag waar wel/niet’) en een goede handhaving hiervan vallen hier onder. Dit vraagt om een goed onderbouwde uitleg van nut en de noodzaak van archeologisch onderzoek richting burgers en initiatiefnemers. Amateurarcheologen spelen hierbij een belangrijke rol als ambassadeurs van de lokale archeologie. Een belangrijke voorwaarde voor effectief archeologiebeleid is dat dit op maatschappelijk draagvlak kan rekenen.3 Dit betekent dat het bodemarchief, hoewel het onder de grond ligt, niet onzichtbaar moet zijn. Zichtbare en herkenbare cultuurhistorische waarden (waaronder archeologie) kunnen eerder rekenen op interesse en betrokkenheid van burgers dan waardevolle, maar onzichtbare archeologische vondsten, die veilig zijn weggestopt in een depot.

Tot slot blijft het zaak dat geen onnodig archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Waar nodig dient onderzoek vooral op de juiste wijze plaats te vinden. Hiervoor is een solide, inhoudelijk gemeentelijk archeologiebeleid nodig. ACTUALISATIE De actualisatie van de gemeentelijk beleidsadvieskaart heeft zich niet alleen gericht op het toevoegen en analyseren van nieuwe archeologische vindplaatsen en onderzoeken. Ten opzichte van de vorige beleidskaarten zijn enkele aanvullingen/wijzigingen doorgevoerd: informatiekaarten waarop de uitgevoerde archeologische onderzoeken en bekende archeologische vindplaatsen zijn weergegeven; een landschappelijke ondergrondkaart die de basis vormt voor de archeologische verwachtingen uit de verschillende perioden; een historisch-landschappelijke kaart waarop de historisch-geografische elementen zijn weergegeven. De drie kaarten vormen de onderbouwing van de beleidskaart en het gemeentelijk beleid. In het beleid heeft de actualisatie geleid tot een aanpassing van de categorieën en de vrijstellingsgrenzen voor onderzoek. Zo zijn er drie nieuwe categorieën toegevoegd (4 - onderzoek bij gebieden met een 1 resp. Den Boon & Husken 2010, Nyst 2010. 2 Erfgoedwet 2016 3

Zie Kloosterman 2018.

4

omvang van 5000m2, 6 - onderzoek waterbodems hoge archeologische waardering en 7- dijken) om de archeologische waarden zorgvuldiger te kunnen beschermen.

1.2.

Ligging van de gemeente

Het grondgebied van de nieuwe gemeente Dijk en Waard beslaat ongeveer 67 km². De gemeente valt binnen de kaartbladen 14D, 14G, 19B en 19E van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000). Ongeveer 40% van de gemeente (28 km²) bestaat uit dicht bebouwd gebied. Dit betreft de bebouwde kommen van een negental, deels aaneengegroeide dorpen: Broek op Langedijk, Heerhugowaard, Koedijk, De Noord, Noord- en Zuid-Scharwoude, Oudkarspel, Sint Pancras en Veenhuizen. Het buitengebied kent hoofdzakelijk agrarisch gebruik, maar omvat ook nog een aanzienlijk gedeelte water (krap 5 km²). Behalve de recente waterpartijen (de Stad van de Zon en het recreatiegebied Geestmerambacht) gaat het om de voormalige, kleinschalige vaarpolders rondom Broek op Langedijk en Zuid-Scharwoude (het Rijk der 1000 Eilanden en Oosterdel).

1.3.

Opzet en leeswijzer

Dit rapport vormt in essentie een verantwoordingsdocument voor en toelichting op de totstandkoming van de archeologische beleidskaart van de gemeente Dijk en Waard (kaartbijlage 4). In hoofdstuk 2 wordt het kader beschreven waarbinnen het gemeentelijk archeologiebeleid een rol speelt. Dit betreft zowel het beleid op provinciaal en rijksniveau, als de veranderingen op gemeentelijk niveau, voortkomend uit de Omgevingswet. In hoofdstuk 3 worden de geïnventariseerde gegevens behandeld. Het gaat om de archeologische vindplaatsen en onderzoeken (kaartbijlage 1), de landschappelijke ondergrond (kaartbijlage 2) en de historisch-geografische elementen (kaartbijlage 3). Hoofdstuk 4 beschrijft de achtergrond en het principe van de archeologische verwachtingskaart. Ook wordt hier de onderbouwing gegeven van de archeologische verwachtingen die aan de gekarteerde landschappelijke eenheden zijn gekoppeld. In hoofdstuk 5 wordt de vertaling van de verwachtingskaart naar de archeologische beleidskaart toegelicht en komen de hieruit volgende beleidsregimes aan bod. Hoofdstuk 6 geeft handvatten voor het gebruik van de beleidskaart in de gemeentelijke praktijk.

De kern van de rapportage bestaat feitelijk uit de cartografische weergave van de uitgevoerde inventarisaties en het gehanteerde archeologische verwachtingsmodel: Een overzichtskaart met de bekende vindplaatsen en uitgevoerde archeologische onderzoeken (kaartbijlage 1); Een landschappelijke eenhedenkaart met archeologische verwachtingen (kaartbijlage 2); Een overzichtskaart met historisch-landschappelijke eenheden en historisch-geografisch elementen/waarden (kaartbijlage 3); De archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlage 4). Behalve een update van de uitgevoerde archeologische onderzoeken in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), zijn ook meldingen van amateurs en historische verenigingen en bekende vindplaatsen geïnventariseerd en verwerkt in de geactualiseerde archeologische waardenkaart (paragraaf 3.2). De bijlagen 1 tot en met 6 betreffen catalogi met overzichten van: de bekende archeologische vindplaatsen (bijlage 1) zie kaartbijlage 2; archeologische (rijks)monumenten (bijlage 2) zie kaartbijlage 1; uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 3) zie kaartbijlage 1; bestaande en verdwenen molens (bijlage 4) zie kaartbijlage 3; stolpboerderijen (bijlage 5) zie kaartbijlage 3; gebouwde gemeentelijke monumenten (bijlage 6) zie kaartbijlage 3.

5

1.4.

Woord van dank

In de loop van het onderzoek is een aantal historische verenigingen en lokale archeologen met grondige kennis van de archeologie en historie van de regio benaderd. Het betreft de heer H. Komen, Stichting Historisch Heerhugowaard, Stichting Hart van Oudkarspel, Historische Vereniging Koedijk, Stichting Langedijker Verleden, Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht (RAG) en de Historische Vereniging Sint Pancras. Zij worden allen bedankt voor hun bijdragen. Wij zijn ook dank verschuldigd aan Gerlof Kloosterman voor het initiëren van de actualisatie en aan Linda Driesen (interim beleidsadviseur erfgoed binnen de Werkorganisatie Langedijk & Heerhugowaard) voor haar kritische blik en professionele commentaar gedurende het traject.

6

2.

Archeologie en ruimtelijke ordening: wettelijk kader en beleid

2.1.

Wet- en regelgeving

2.1.1. Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) In 1998 keurde de Tweede en Eerste Kamer het Verdrag van Valletta (‘Malta’) uit 1992 goed. Implementatie van dit Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed leidde in 2007 tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), tot herziening van de Monumentenwet 1988 en tot aanpassing van wetten zoals de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening (WRO) en vervolgens tot de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). De Wamz heeft twee centrale uitgangspunten. Allereerst staat behoud in situ centraal, waarbij archeologische waarden op een verantwoorde manier in de bodem bewaard worden, onder andere met behulp van planinpassing en beheersmaatregelen (artikel 4). Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat economische belangen van voorgenomen ingrepen groter geacht worden dan het belang van het behoud van aanwezige archeologische waarden, dan kan overgegaan worden tot behoud ex situ (opgraving, documentatie en deponering). Ten tweede staat het ‘verstoorder-betaalt’-principe centraal (artikel 6). Hierbij moet de initiatiefnemer voor bodemverstorende ingrepen vroegtijdig archeologisch (voor)onderzoek van de betreffende locaties (laten) uitvoeren en betalen voor dat onderzoek en voor maatregelen die genomen moeten worden om eventuele archeologische waarden te behouden.

Voor 2007 was de bescherming van stads- en dorpsgezichten en van individuele monumenten, inclusief de archeologische, vastgelegd in de Monumentenwet 1988. In de Wamz kwam daar de bescherming van te verwachten archeologische waarden bij. Dit heeft gevolgen voor verschillende partijen, zowel voor gemeenten als voor de aanvrager van een vergunning. Door de koppeling van de Wamz en Wabo moet bij vaststelling van een bestemmingsplannen rekening gehouden worden met archeologie en is een gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart nodig. Gemeentes moeten ook nieuwe bestemmingsplannen opstellen wanneer provincies archeologisch waardevolle attentiegebieden vaststellen, waarvoor de bescherming vanuit bestaande bestemmingsplannen onvoldoende geacht wordt. Voor aanvragers van vergunningen voor bodemingrepen betekent dit dat voldaan moet worden aan de hiervoor opgestelde voorwaarden, zoals bijvoorbeeld een archeologische onderzoeksplicht. De wet hanteert 100 m2 als vrijstellingsondergrens van de onderzoeksverplichting, maar gemeentes mogen hier beargumenteerd van afwijken. Een laatste punt betreft de mogelijkheid voor marktwerking voor archeologisch onderzoek binnen de Wamz, waarvoor kwaliteitsnormen zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).4

4

https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000

7

Afbeelding 2.1. Van Monumentenwet 1988 naar Erfgoedwet en Omgevingswet (bron: Rijksdienst voor het Cultuur Erfgoed).

2.1.2. Erfgoedwet Vanuit de behoefte versnippering binnen de erfgoedwetgeving tegen te gaan en duidelijkheid te bieden, is in 2016 de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld in één Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het cultureel erfgoed zoals museale objecten, musea, monumenten, archeologie en archieven wordt omgegaan. In de wet wordt ook omschreven wie daarbij welke verantwoordelijkheid heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgevoerd. Daarbij wordt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het culturele erfgoed zo veel mogelijk gelegd bij de beheerders en erfgoedadviseurs zelf, zoals; musea, collectiebeheerders, archeologen, monumentenorganisaties, eigenaren en de overheid. Elk type erfgoed heeft haar eigen beschermingsregime, dat overeenkomt met de oude wet- en regelgeving zoals vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Samen met de in januari 20235 te implementeren nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Na het in werking treden van de Omgevingswet vervalt de, in 2007 geactualiseerde, Monumentenwet 1988. Ook in de Erfgoedwet staat centraal dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven en dat zo vroeg mogelijk in de ruimtelijke planvorming rekening moet worden gehouden met het aspect archeologie.

In de Erfgoedwet zijn enkele aanvullingen doorgevoerd ten opzichte van de Wamz. De belangrijkste hiervan betreft het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening, het bijhouden van een erfgoedregister, de instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten en de invoering van een wettelijk geregelde certificering voor bedrijven die archeologisch onderzoek uitvoeren. Zonder certificering mogen organisaties geen gravend en borend onderzoek verrichten. Onder bepaalde omstandigheden, die in de Erfgoedwet met bijbehorende strikte voorwaarden en beperkingen zijn opgenomen, is dit wel toegestaan, bijvoorbeeld in geval van opgravingen van niet-behoudenswaardige terreinen door verenigingen van amateurarcheologen, en bepaalde activiteiten van metaaldetectoramateurs.

5 https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/02/24/kabinet-besluit-tot-nieuwe-invoeringsdatum-omgevingswet-1-januari-

2023

8

Afbeelding 2.2. Infographic certificeringsstelsel archeologie (bron: Rijksdienst Cultureel Erfgoed). Het ‘certificeringsstelsel voor de archeologie’ bepaalt dat de opgravingsvergunning voor archeologische onderzoeksbureaus is vervangen door een beroepscertificering, uit oogpunt van kwaliteitsbewaking. Daarvoor is door de archeologische beroepsgroep zelf ook een ‘beroepsregister archeologie’ in het leven geroepen. Twee andere belangrijke aanvullingen zijn dat maritiem archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet beter beschermd wordt (bijvoorbeeld door een verbod op metaaldetectie onder water), en dat de excessieve kostenregeling, waarbij gemeenten of provincies bij onverwacht hoge archeologiekosten een beroep konden doen op de Rijksoverheid, is vervangen door tegemoetkomingen in het Gemeentefonds en door de oprichting van een nationaal fonds voor onderzoek van terreinen met bijzondere (inter)nationale betekenis.6

6

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2016.

9

Afbeelding 2.3. Uitzonderingen certificeringsplicht (bron: Rijksdienst Cultureel Erfgoed).

2.1.3. Omgevingswet Het omgevingsrecht omvat een enorme verscheidenheid aan wetten en regelingen over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water, waar archeologie ook onder valt. Deze hebben allemaal hun eigen criteria en procedures. Dit maakt het omgevingsrecht niet alleen ingewikkeld, maar in sommige gevallen ook traag. Daarom is besloten om bovengenoemde verscheidenheid samen te voegen en onder te brengen in één wet, de Omgevingswet, die naar verwachting in januari 2023 7 zal ingaan. De Omgevingswet moet besluitvorming sneller doen verlopen, en ruimte bieden voor lokaal maatwerk en bevordering van burgerparticipatie. Uitgangspunt is dat beleid in plaats van beperkend steeds meer uitnodigend wordt ingericht. Ten aanzien van ruimtelijke initiatieven en ruimtelijk beleid wordt daarom ook wel eens gesproken over een omslag van bestemmings- naar uitnodigingsplanologie. Het vooroverleg wordt belangrijker waardoor overheden meer gesprekspartner worden en minder toetser. Het bij planvorming betrekken van belanghebbenden en de omgeving wordt bovendien een inspanningsverplichting voor zowel de toetsende overheid als de initiatiefnemer zelf.8 De omgevingswet zal onder andere de Wet Ruimtelijke Ordening omvatten, maar ook alle onderdelen over omgevingsrecht uit de herziene Monumentenwet 1988.

De omgang met rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologie in de leefomgeving valt hiermee onder de nieuwe wet. Uitgangspunt voor de Omgevingswet is gebiedsgericht beleid, met één, inhoudelijk goed afgestemde, set regelingen. Dit geldt ook voor archeologie. Een belangrijke bepaling in de Omgevingswet is dat overheden een omgevingsplan moeten vaststellen. Dit plan zal alle bestemmingsplannen en ruimtelijke structuurvisies vervangen. Het omgevingsplan bundelt alle bepalingen en verordeningen die van toepassing zijn op de ruimtelijke inrichting en beheer. De Omgevingswet stelt nadrukkelijk dat in het omgevingsplan ‘rekening moet worden gehouden met het cultureel erfgoed’. Hiervoor zullen gemeenten hun erfgoed moeten waarderen en afbakenen in welke mate en onder welke bepalingen dit in het omgevingsplan gaat worden beschermd. Goed onderbouwde archeologische beleidskaarten met 7 https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/02/24/kabinet-besluit-tot-nieuwe-invoeringsdatum-omgevingswet-1-januari-

2023 8 https://www.rijksoverheid.nl

10

beleidsregels kunnen bij in werking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het omgevingsplan, waarin een gemeente algemene regels voor de fysieke leefomgeving vastlegt.

2.2.

Rol en verantwoordelijkheden overheden

VERANTWOORDELIJKHEDEN NATIONALE OVERHEID Sinds 2007 zijn gemeenten (mede) verantwoordelijk voor archeologie in hun grondgebied. Daarmee hebben zij een sterkere rol als bevoegde overheid gekregen. Wanneer het gaat om monumentale, archeologische of cultuurlandschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang, of wanneer de nationale overheid (het Rijk) initiatiefnemer is bij projecten, dan liggen de benodigde verantwoordelijkheden op nationaal niveau. Andere rollen voor de nationale overheid zijn de wettelijke adviesrol bij projecten waarvoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) nodig is, het vaststellen van de omgang van beschermde (archeologische) rijksmonumenten, het onderhouden van een nationaal archeologisch informatiesysteem (ARCHIS) en het laten stilleggen van bodemverstorende werkzaamheden in het geval van overtreding van de wet.9 Deze taken zijn belegd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie. VERANTWOORDELIJKHEDEN PROVINCIALE OVERHEDEN Ook provinciale overheden hebben een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed. De provincie is bijvoorbeeld bevoegd gezag bij gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r.-procedures of bij gemeente-overstijgende projecten. Ook zijn provincies volgens de Erfgoedwet eigenaar van archeologische vondsten en onderzoeksdocumentatie binnen de provincie.

Provincie NoordHolland is daarmee eigenaar van en verantwoordelijk voor de Noord-Hollandse archeologische collecties. Deze worden ondergebracht in het archeologisch depot voor bodemvondsten in Huis van Hilde in Castricum, waar ook publiekstentoonstellingen plaatsvinden. Een aantal gemeenten (Alkmaar, Amsterdam, Haarlem, Hoorn en Zaanstad) onderhoudt een eigen archeologisch depot. Gemeente Dijk en Waard heeft geen eigen depot.10 De Provincie Noord-Holland betrekt het publiek ook door het uitgeven van archeologische tijdschriften, informatiebijeenkomsten, archeologische kroniek van Noord-Holland en verschillende andere toegankelijke archeologische publicaties, onder andere over de tien Archeologiegebieden die de Provincie heeft aangewezen. Het erfgoedbeleid van de provincie Noord-Holland is sterk verankerd in het ruimtelijk domein. Dit is vastgelegd in het Beleidskader Erfgoed en Cultuur 202211, en in de provinciale Omgevingsvisie NoordHolland 2050. Uitgangspunt van de provincie is dat cultuurhistorische waarden sturing geven aan ruimtelijke ontwikkelingen. Zelf investeert de provincie daarvoor in de provinciaal cultuurhistorische structuurdragers. Voor gemeenten en initiatiefnemers heeft de provincie de aan de omgevingsvisie gekoppelde Leidraad Landschap en Cultuurhistorie opgesteld.

12 Samen beschrijven deze basis- en ontwikkelprincipes op basis van het uitgangspunt dat erfgoed kwaliteit kan geven aan ontwikkelingen en zo kan leiden tot duurzaam behoud. Dit ‘behoud door ontwikkeling’ wordt door de provincie ook gestimuleerd voor de herbestemming van monumentaal erfgoed. VERANTWOORDELIJKHEDEN LOKALE OVERHEDEN Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid bij bodemingrepen van enige omvang rekening te houden met archeologische waarden die in de ondergrond aanwezig (kunnen) zijn. Zij toetsen vergunningsaanvragen aan de bestemmingsplannen en straks het omgevingsplan, en informeren initiatiefnemers over onderzoeksplicht en voorwaarden waaronder omgevingsvergunningen verleend kunnen worden. Dit staat ook in het bestemmingsplan. Bestemmingsplannen hebben een archeologische paragraaf, met daarin opgenomen de waarde die aan archeologie wordt toegekend, bestemmingsplanregels met daarin specifieke archeologie-regels waaraan voldaan moet worden en plankaarten met daarop de archeologische verwachting op basis van de archeologische beleidskaart, de archeologische monumenten en de gebieden van archeologische verwachtingswaarde. Deze regels 9 Erfgoedwet of in de toekomst de Omgevingswet 10 https://www.noord-holland.nl 2021. 11 https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Cultuur_en_Erfgoed/beleid/Beleidskader_erfgoed_en_cultuur_2022 12

https://leidraadlc.noord-holland.nl/

11

dienen ook als basis te worden meegenomen in het omgevingsplan en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

2.3.

Archeologie in de ruimtelijke ordening

Doordat in de Wamz en Erfgoedwet uitgegaan wordt van behoud van archeologische waarden in situ, zijn voor projecten met bodemverstorende ingrepen vroegtijdige inventarisaties van de betreffende archeologische waarden van belang. Voor eventuele planaanpassing of -inpassing is het noodzakelijk om in een vroeg stadium van de planontwikkeling te weten met welke archeologische waarden rekening gehouden moet worden. Dit is zowel in het belang van de archeologie, die hierdoor beter bewaard kan blijven doordat ontwikkelplannen kunnen worden aangepast of doordat technische details ervan worden gewijzigd om de archeologie te ontzien. Maar het is ook in het belang van de initiatiefnemer, voor wie mogelijk opgravingskosten en/of projectvertragingen vermeden kunnen worden. Inpassing van archeologische en cultuurhistorische waarden kan een belangrijke positieve impuls geven aan de inrichting van de openbare ruimte. Het biedt mogelijkheden om de cultuurhistorische identiteit van een locatie te versterken, terwijl de betreffende waarden in situ bewaard kunnen worden.

2.4.

Gemeentelijk archeologiebeleid

Een archeologisch veldonderzoek dat in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) en op grond van het gemeentelijk beleid plaatsvindt, dient conform vastgestelde voorschriften te worden uitgevoerd. Deze voorschriften moeten zijn vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) of een Programma van Eisen (PvE) dat voor aanvang van het veldonderzoek is goedgekeurd door de gemeente. Een PvA of PvE moet voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en aan eventuele specifieke richtlijnen die de gemeente aan archeologisch onderzoek heeft gesteld. Voor uitvoering van archeologische bureauonderzoeken is het dus niet nodig een PvA of PvE op te stellen. In de gemeente Dijk en Waard zijn initiatiefnemers van ruimtelijke plannen met bodemverstorende activiteiten verantwoordelijk voor het laten opstellen van PvE's en PvA's voor het benodigde archeologische onderzoek. De gemeente, als bevoegd gezag, is verantwoordelijk voor het goedkeuren hiervan. Hiervoor kan de gemeente zowel interne als externe professionals inzetten.

Op basis van het goedgekeurde PvA of PvE vraagt de initiatiefnemer een gecertificeerd archeologisch bedrijf om het benodigde archeologische onderzoek uit te voeren en een rapportage te vervaardigen waarin op basis van de onderzoeksuitkomsten een advies wordt geformuleerd over hoe om te gaan met eventueel aanwezige archeologische waarden. De gemeente onderzoekt of het onderzoek conform de geldende richtlijnen is uitgevoerd, en controleert de inhoud en het betoog dat tot het archeologisch advies leidt. Op basis van de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek neemt de gemeente een formeel besluit (selectiebesluit) over de omgang met eventueel aanwezige archeologie. Ook hiervoor kan de gemeente interne en externe professionals inzetten. Een selectiebesluit kan inhouden dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Als behoudenswaardige archeologische waarden zijn aangetroffen, dan houdt het selectiebesluit in principe in dat behoud in situ mogelijk gemaakt moet worden, bijvoorbeeld door planaanpassing of -inpassing. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld door zwaarwegende economische belangen, dan kan besloten worden om de archeologische waarden ex situ te behouden, door middel van een opgraving, of als het logistiek niet anders kan door de opgravingsvariant archeologische begeleiding.

Gemeente Dijk en Waard streeft naar bescherming van het archeologisch bodemarchief door middel van het opnemen van het aspect archeologie in bestemmingsplannen – en op termijn in het omgevingsplan – en door hier vroeg in gemeentelijke planvormingsprocessen rekening mee te houden. Onderhavige rapportage met de bijbehorende geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vormt hierin een belangrijk instrument.

12

3.

Inventarisatie van gegevens

3.1.

Beknopte opzet

Voor het vervaardigen van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is een stapsgewijze aanpak gevolgd. De eerste stap betrof het inventariseren van de bekende archeologische gegevens en historisch-geografische relicten en elementen binnen de gemeente Dijk en Waard. De gegevens zijn geanalyseerd en op kaart gezet. Parallel hieraan zijn geologische en bodemkundige gegevens geïnventariseerd. Aan de hand van de gekende geologische ontstaansgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied en met behulp van geïnventariseerde gegevens is een landschappelijke eenhedenkaart vervaardigd. Het karteren van de verschillende kaarteenheden is met een ‘archeologische bril’ gebeurd, wat wil zeggen dat de landschappelijk indeling in functie staat van de bewoningsgeschiedenis van het gebied. Deze archeo-landschappelijke kaart fungeert als ‘onderlegger’ voor de archeologische waarden en vormt de basis voor de archeologische verwachtingskaart. Door gebruik te maken van de spreiding van de bekende vindplaatsen enerzijds en algemene kennis over de relatie tussen (pre)historische bewoning en het vroegere landschap anderzijds, is de landschappelijke eenhedenkaart vertaald naar een archeologische verwachtingskaart. Deze verwachtingskaart zal in hoofdstuk 4 nader worden toegelicht.

De geïnventariseerde gegevens zijn weergegeven op afzonderlijke kaartbijlagen: de archeologische inventarisatiekaart (kaartbijlage 1), de archeo-landschappelijke verwachtingskaart (kaartbijlage 2) en de historisch-geografische waarden- en relictenkaart (kaartbijlage 3). Deze kaartbijlagen vormen de weerslag van de tussentijdse uitkomsten. De archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlage 4) vormt het eindresultaat. Deze uitkomsten van de hierboven beschreven inventarisaties zullen per discipline/kaartbijlage worden toegelicht. Na vervaardiging van de conceptkaarten is een aantal heemkundige verenigingen/stichtingen en personen benaderd met het verzoek input en aanvullingen te leveren. 13 De commentaren zijn verwerkt in de definitieve versies van de kaarten en het rapport.

Afbeelding 3.1. Archeologen aan het werk. Proefsleuven onderzoek, ‘De Druppels’ Fase I, Broek op Langedijk, Langedijk (bron: Provinciaal Depot Noord-Holland, foto ADC ArcheoProjecten).

13 Stichting Historisch Heerhugowaard, Stichting Hart van Oudkarspel, Historische Verenging Koedijk, Stichting Langedijker Verleden,

Historische Vereniging Sint Pancras, AWN, afdeling Noord-Holland Noord, Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht en dhr. Henk Komen.

13

3.2.

Archeologische Inventarisatiekaart (kaartbijlage 1)

3.2.1. Bronnen De gegevens die voor de archeologische inventarisatiekaart zijn geraadpleegd, zijn afkomstig uit verschillende bronnen: Archeologische MonumentenKaart (AMK); Landelijke databank ARCHIS; CultuurHistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Holland; Archeologische onderzoeksrapporten; Resultaten van de archeologische waarnemingen tijdens de ruilverkaveling Geestmerambacht:  Geestmerambacht III (Schermer, 1971);  Geestmerambacht IV (Schermer, 1973). Het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is geraadpleegd voor de inventarisatie van archeologische waarnemingen en vondstmeldingen.14 Ook de terreinen van de Archeologische Monumenten Kaart (AMK-terreinen) en de gegevens van uitgevoerde archeologische onderzoeken zijn afkomstig uit ARCHIS. Deze gegevens zijn aangevuld met waarnemingen van/door amateurarcheologen. Voor de gemeente Dijk en Waard vormden enkele artikelen van dhr. Schermer een significante aanvulling op de gegevens uit ARCHIS. 15 Hierin worden de archeologische waarnemingen beschreven die in de jaren '60 en '70 zijn gedaan tijdens de uitvoering van de ruilverkaveling Geestmerambacht. Alle bekende archeologische waarden zijn weergegeven op de archeologische inventarisatiekaart (kaartbijlage 1).

De gegevens uit ARCHIS vormen samen met de meldingen van lokale heemkundigen de basis voor de vindplaatscatalogus. Ook de archeologische onderzoeken zijn op de inventarisatiekaart weergegeven, waarbij onderscheid is gemaakt naar het type onderzoek dat is uitgevoerd. De AMKterreinen, archeologische vindplaatsen, en archeologische onderzoeken zijn tevens opgenomen in afzonderlijke catalogi (bijlagen 1, 2 en 3).

3.2.2. Archeologische gegevens ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN (KAARTBIJLAGE 1) In de gemeente Dijk en Waard liggen negen archeologische monumententerreinen (zie bijlage 2 voor de volledige beschrijving van de terreinen). Het gaat om archeologische terreinen waaraan door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op grond van toetsing (op kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde) een archeologische waarde is toegekend. Aan de hand hiervan worden de volgende categorieën onderscheiden:16 terreinen van zeer hoge archeologische waarde (al dan niet wettelijk beschermd); terreinen van hoge archeologische waarde; terreinen van archeologische waarde. Alle archeologische terreinen in de gemeente Dijk en Waard zijn terreinen van hoge archeologische waarde. Archeologische rijksmonumenten, provinciale en/of gemeentelijke archeologische monumenten komen niet voor in de gemeente Dijk en Waard. De aangewezen terreinen van hoge archeologische waarde zijn op grond van kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde door de RCE aangewezen als behoudenswaardig. Op grond van een waardestellend onderzoek zou een dergelijk terrein alsnog bij een hogere categorie kunnen worden ingedeeld. Ook kunnen terreinen geselecteerd worden met de bedoeling deze voor te dragen voor bescherming ex art. 3, teneinde een wettelijke bescherming te verkrijgen ex art. 6 van de Monumentenwet 1988.

14 Bij archeologische vondsten moet gedacht worden aan materiële resten, zoals aardewerk, vuursteenartefacten of organische

artefacten al dan niet in combinatie met antropogene grondsporen. 15 Schermer 1971 en 1973. 16 Sinds 2014 wordt de Archeologische Monumentenkaart (AMK) niet meer bijgehouden door de RCE; de AMK is daardoor een statisch bestand.

14

De negen terreinen omvatten archeologische resten uit de periode vroege/late middeleeuwen en nieuwe tijd, oudere perioden (Romeinse tijd en prehistorie) ontbreken. De terreinen betreffen de volgende complexen (tabel 3.1): ouderdom vroege middeleeuwen-nieuwe tijd late middeleeuwen late middeleeuwen late middeleeuwen-nieuwe tijd nieuwe tijd nieuwe tijd

complextype nederzetting kerk dijk stad stad molen

aantal 1 4 1 1 1 1

Tabel 3.1. Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente Dijk en Waard.

ARCHEOLOGISCHE VINDPLAATSEN (KAARTBIJLAGE 2) In ARCHIS staan voor de gemeente Dijk en Waard 56 unieke zaakidentificatienummers geregistreerd (peildatum september 2021). Een zaakidentificatienummer kan zowel verwijzen naar archeologische vondsten/waarnemingen, als naar archeologische onderzoeken en/of vondsten die bij dat onderzoek zijn aangetroffen. Bovendien kan een zaakidentificatienummer meerdere vondstcategorieën of vindplaatstypen omvatten, waardoor het daadwerkelijke aantal ‘archeologische records’ (527) aanmerkelijk groter is dan het aantal unieke zaakidentificatienummers. In de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw werd de ruilverkaveling Geestmerambacht uitgevoerd, waarbij delen van het grondgebied van (de huidige gemeente) Langedijk werden heringericht. Enkele lokale archeologen hebben tijdens de ruilverkavelingswerkzaamheden een groot aantal archeologische waarnemingen gedaan, deze zijn door de heer A. Schermer gepubliceerd.17 Met behulp van de kaartjes met vondstmeldingen (afbeelding 3.2) zijn deze waarnemingen geïnventariseerd. Het betreft overwegend aardewerkvondsten, daterend uit de perioden bronstijd tot en met Romeinse tijd en (vroege en late) middeleeuwen.

17

Schermer 1971 en 1973.

15

Afbeelding 3.2. Uitsnede van het gebied pal oostelijk van Koedijk met de archeologische vondsten ter hoogte van de latere vindplaats ‘De Druppels’ (bron: Schermer 1973). In de publicaties is een deel van de waarnemingen voorzien van een uitgebreide beschrijving (deels met gedetailleerde tekeningen) van het aangetroffen aardewerk, eventuele bodemprofielen en vondstomstandigheden (afbeelding 3.3). Van andere waarnemingen is de toelichting beperkt gebleven tot de vermelding ‘plaats van enkele verspreide scherven’. Binnen het grondgebied van de gemeente Dijk en Waard zijn tijdens de ruilverkaveling 32 archeologische waarnemingen gedaan, hiervan bleken 13 waarnemingen niet in ARCHIS opgenomen. 18 Deze waarnemingen (‘vindplaatsen Schermer’) zijn als afzonderlijke categorie opgenomen op de archeologische inventarisatiekaart (kaartbijlage 1) Verder zijn door de heer H. Komen nog twee meldingen gedaan die niet in ARCHIS stonden. De ene betreft de vondst van een Pingsdorfpot en enkele middeleeuwse scherven die op de hoek van de Rustenburgerweg/Middenweg zijn gevonden (vindplaatscatalogusnummer 84). De andere melding betreft een walvisbot (vermoedelijk van een vinvis), dat in de jaren 80 met diepploegen aan het maaiveld is gekomen (vindplaatscatalogusnummer 85).19

18 Van de waarnemingen die wel in ARCHIS zijn opgenomen, wijkt de vondstlocatie opvallend vaak af van de ligging op de door

Schermer gepubliceerde kaartjes. 19 Hoewel het niet duidelijk is of het bot afkomstig is van een walvis die hier (vanuit de Noordzee) via het zeegat van Bergen in het voormalige Westfriese getijdengebied is terecht gekomen en een al dan niet, natuurlijke dood is gestorven, of dat het om de vangst van een walvisvaarder gaat, is het walvisbot als archeologische vindplaats opgenomen.

16

Afbeelding 3.3. Gedetailleerde profieltekening van vondstlocatie 23 (bron: Schermer 1973). Om tot een eenduidig vindplaatsenbestand te komen zijn de gegevens uit ARCHIS en de amateurwaarnemingen geanalyseerd en daar waar nodig samengevoegd of juist opgesplitst. Na deze filtering/opschoning zijn de ongeveer 550 records teruggebracht tot 85 vindplaatsen (bijlage 1 vindplaatscatalogus). Voor zover mogelijk is op basis van omschrijvingen (in ARCHIS) aan elke vindplaats een ouderdom en complextype (het soort vindplaats) gekoppeld. Met name het toekennen van een complextype is lang niet altijd mogelijk: voor de gemeente Dijk en Waard is deze voor 35 van de 85 vindplaatsen onbekend (tabel 3.2). Verder valt op dat het in bijna de helft van de gevallen (40 vindplaatsen) om bewoning gaat: nederzettingen, historische bewoningslinten, losse huisplaatsen en dergelijke.

ijzertijd/ Romeinse tijd

(vroege) middeleeuwen

late middeleeuwen

nieuwe tijd

totaal

bronstijd

Complextype Onbekend Bewoning Dijk, weg Kerk, kerkhof nijverheid (akker/tuin, molen/e.d.)

meso-/ neolithicum

ouderdom (beginperiode)

2 -

5 2 -

2 14 1

13 7 2 -

7 12 1 2 2

6 5 1 1

totaal 35 40 2 3 4

2

7

17

22

24

13

85

Tabel 3.2. Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering.

Wanneer gekeken wordt naar de ouderdom van de vindplaatsen (in dit geval de begindatering) valt op dat meer dan twee derde deel (59 vindplaatsen) dateert uit de middeleeuwen of nieuwe tijd (tabel 3.2). De vindplaatsen met een prehistorische ouderdom (bronstijd tot en met Romeinse tijd) liggen zonder uitzondering in het getijdengebied westelijk van de Diepsmeerpolder of op de strandwal van Sint Pancras. ARCHEOLOGISCHE ONDERZOEKEN (KAARTBIJLAGE 1) Uit ARCHIS zijn de gegevens van uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd (peildatum september 2021). In de periode 1991 tot 2020 zijn op het grondgebied van de gemeente Dijk en Waard 17

218 archeologische onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeksgebieden zijn weergegeven op de archeologische inventarisatiekaart (kaartbijlage 1). De onderzoeken zijn gecategoriseerd naar het type onderzoek: bureauonderzoek, booronderzoek, proefsleuven, opgraving e.d. (zie tabel 3.3, afbeelding 3.4). Het verloop van de archeologische onderzoeken door de tijd heen laat zien dat sinds het opstellen van de vorige beleidskaarten in 2010 129 nieuwe onderzoeken zijn uitgevoerd. Een overzicht van de onderzoeken met een rapportverwijzing (voor zover deze in ARCHIS/Dans Easy of bij de gemeente achterhaald konden worden) staat in bijlage 3. jaar <2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal

archeologische onderzoeksvorm bureau boren proefsleuven 2 4 5 2 1 4 4 7 18 3 7 6 3 3 11 1 3 5 3 6 6 5 5 5 4 4 5 5 7 10 8 1 10 4 4 2 8 1 7 2 85

99

17

begeleiding 2 1 1 1 1 1 2

opgraving 1 1 2 1 1 1 -

anders 1 -

9

7

1

Tabel 3.3. Overzicht van uitgevoerde archeologische onderzoeken.

Afbeelding 3.4. Overzicht van de uitgevoerde archeologische onderzoeken in de periode 1996-2020.

18

3.3.

Landschappelijke eenhedenkaart (kaartbijlage 2)

3.3.1. Bronnen De aardwetenschappelijke gegevens die zijn geraadpleegd om de landschappelijke eenhedenkaart te vervaardigen betreffen in hoofdzaak analoge kaarten. Deze informatie is aangevuld met bevindingen uit bodemkundige en/of geologische studies (regionaal en landelijk), hoogtegegevens en historische kaarten. Het gaat om de volgende bronnen: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000 (Blad 19 West Alkmaar);20 Bodemkaart van het Geestmerambacht, schaal 1:16.667;21 Bodemkaart van de polder Heerhugowaard, schaal 1:10.000;22 het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); (supra-)regionale geologische studies;23 Historische kaarten (zie paragraaf 3.4.1). Vanwege de ligging van de gemeente Dijk en Waard in het Westfriese kustgebied, is het landschap in de afgelopen millennia voortdurend aan veranderingen onderhevig geweest. Zo is het oude getijdenlandschap uit de late steentijd aan het begin van het tweede millennium voor de jaartelling afgedekt met een pakket jongere sedimenten die het verjongde getijden-/kwelderlandschap uit de bronstijd vormden. Maar ook in de ijzertijd en middeleeuwen zorgden veengroei en overstromingen voor afdekking met nieuwe sedimenten en de vorming van nieuwe landschappen. Behalve sedimentatie kon bovendien nog erosie plaatsvinden. De ondergrond van de gemeente Dijk en Waard is dan ook op te vatten als een stapeling van archeologische landschappen.

Aan de hand van beschikbare aardwetenschappelijke (kaart)gegevens is getracht om deze geologische ontwikkelingen zo goed mogelijk te vertalen naar een archeo-landschappelijke eenhedenkaart. Uitgangspunt voor de landschappelijke eenhedenkaart vormen de (gedetailleerde) bodemkaarten van het Geestmerambacht en de ruilverkaveling Heerhugowaard. 24 Voor beide geldt dat deze een veel hoger detailniveau hebben dan de landsdekkende bodemkaart en dus een gedetailleerder beeld opleveren van de bodemopbouw – en daarmee het (paleo)landschap van Dijk en Waard. Beide bodemkaarten zijn vervaardigd voordat de omvangrijke uitbreiding van de bebouwde kernen van Oudkarspel, Broek op Langedijk, Noord- en Zuid-Scharwoude en Heerhugowaard plaatsvonden en geven dus ook inzicht in de bodemopbouw ter hoogte van de huidige bebouwde kommen. Doordat aan de zogeheten ‘oude bodemkaarten’, zoals die van het Geestmerambacht, een andere classificatiesystematiek ten grondslag ligt zijn dan aan de huidige 1:50.000-bodemkaarten, zijn juist deze oude kaarten bruikbaarder voor paleogeografische reconstructies.25 De kaarten zijn met behulp van de andere gegevens verfijnd, hierbij is met name gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland, de boorgegevens uit het DINOloket en in een enkel geval resultaten van uitgevoerde archeologische onderzoeken.

De uiteindelijke landschappelijke eenhedenkaart heeft een schaal van 1:20.000. Een nadeel van de bodemkaarten is dat deze alleen informatie verschaffen over de opbouw van het bovenste deel van de bodem (tot ongeveer 1,5 m onder maaiveld). In een sedimentair gebied als NoordHolland betekent dit dat sommige archeologisch relevante lagen, die dieper liggen dan 1,5 meter dus buiten het ‘bereik van de bodemkaart’ vallen. Concreet geldt dit voor Dijk en Waard met name voor de afgedekte flanken van de strandwal van Sint Pancras. Om de informatie over dieper gelegen afzettingen ook mee te kunnen nemen is de geologische kaart gebruikt.26

20 Westerhoff et al. 1987. 21 Du Burck 1957. 22 Van den Hurk 1960. 23 Van Zijverden 2017; Vos et al. 2011; Schoorl 1999; Westerhoff et al. 1987; De Mulder & Bosch 1982; 24 Du Burck 1957, Van den Hurk 1960. 25 Bij

oude bodemkaarten vormde het landschap (o.a. reliëf en genese) het uitgangspunt, terwijl bij latere bodemkaarten landbouwkundige bodemeigenschappen de opzet van de kaart bepaalden (bijv. organisch stofgehalte en zuurtegraad). Dergelijke landbouwkundige indeling laat zich veel moeilijker vertalen naar geo-archeologisch relevante kenmerken, die de basis vormen voor de verwachtingskaart. 26 Westerhoff et al. 1987.

19

Zeer grofschalige kaarten (zoals de paleogeografische kaartenset van Nederland) 27 bieden weliswaar een fraai en vlakdekkend inzicht in de (veranderende) landschappen door de tijd heen, maar zijn voor het gewenste doel te globaal en onnauwkeurig. De landsdekkende bodem- en geomorfologische kaarten (beide schaal 1:50.000) zijn om deze reden niet gebruikt bij het opstellen van de landschappelijke eenhedenkaart.28 Ook voor de geologische kaart (1:50.000), die voor het overgrote deel van de gemeente Dijk en Waard is gepubliceerd, geldt dat deze te weinig recht doet aan de landschappelijke variabiliteit en dus niet ideaal is voor gebruik op gemeentelijk schaalniveau (want te weinig gedetailleerd).

3.3.2. Landschappelijke eenheden Binnen de gemeente Dijk en Waard zijn de volgende landschappelijke eenheden onderscheiden: het strandwallenlandschap; het getijdenlandschap; het veenlandschap. HET STRANDWALLENLANDSCHAP Het strandwallenlandschap wordt gevormd door de strandwal van Sint Pancras-Oudorp en de oostelijk hiervan gelegen haakwallen. De strandwal is omstreeks 4500 jaar geleden ontstaan in het mondingsgebied van de Westfriese getijdengeul aan de zuidkant van het zeegat van Bergen. 29 Het westelijk deel van de strandwal is afgedekt met duinzanden, deze reiken tot aan het maaiveld. Dit gedeelte (‘dagzomende duin- op strandwal’) vormt het hoogste deel van de strandwal. Oostelijk hiervan ligt de strandwal lager en is deze overdekt met een pakket veen en klei (‘afgedekte strandwal'). Uit de geraadpleegde geologische boringen blijkt dat dikte van het afdekkende (klei- op) veenpakket varieert van grofweg 50 cm tot 1 meter. Nog verder oostelijk, in de Heerhugowaard, liggen de zuidwest-noordoost georiënteerde haakwallen (‘haakwallen’). De haakwallen zijn minder fors (zowel kleiner als lager) ontwikkeld dan de strandwal zelf. Doordat in de voormalige Waard het afdekkende veenpakket ontbreekt (want weggeslagen door de uitbreidende Waard), liggen de haakwallen al direct aan het maaiveld.

HET GETIJDENLANDSCHAP Het overgrote deel van het grondgebied van de gemeente Dijk en Waard wordt gevormd door mariene afzettingen. Door stijging van de zeespiegel vanaf het Holoceen, kwam de omgeving van het gebied in de loop van het Atlanticum binnen bereik van de zee. In het zuidelijk deel van de Wieringermeer en de Kop van Noord-Holland was een getijdengebied ontstaan. In de wadgeulen en op de tussenliggende platen werd overwegend zandig materiaal afgezet, terwijl de fijnere kleideeltjes op de hoger opgeslibde oevers of in de wadvlakte tot bezinking kwamen. De globale bodemopbouw van het getijdenlandschap wordt gekenmerkt door dieper gelegen zandige wadafzettingen die naar boven toe overgaan in kleiige wad- en kwelderafzettingen. De opbouw representeert de opslibbing en geleidelijke verlanding van het getijdengebied. Na de sluiting van het zeegat van Bergen, verslechterde de afwatering het gebied achter de duinen en strandwallen, waardoor het oude getijdenlandschap overgroeid raakte met een pakket veen. Tegen het eind van de vroege middeleeuwen drong de zee via de Rekere – een veenstroompje dat vanaf Alkmaar via Bergen en Schoorl in noordelijke richting liep – door het duingebied tussen Petten en Callantsoog.

Aanvankelijk drong de zee alleen bij extreem hoogwater het achterland binnen, waarbij een overstromingsdek van zware en kalkloze klei werd afgezet: de zogeheten pikklei. Door getijdenwerking en inklinking van het achterliggende veengebied ontwikkelde het veenstroompje zich in de loop van enkele eeuwen tot een getijdengeul die uitmondde in het Zijper zeegat. Hierdoor kon de zee verder landinwaarts en werden ook zandiger en kalkrijke Rekerekleien afgezet. De afzettingen van pikklei in het Geestmerambacht worden gedateerd rond 1100 na Chr., de Rekere-afzettingen zijn ongeveer 100 jaar jonger.30

27 Vos et al. 2011. 28 Rosing 1995. 29 Westerhoff et al. 1987. 30

De Cock 1965, Kasse 1987.

20

Voor het Geestmerambacht is met behulp van de bodemkaart onderscheid gemaakt tussen de delen waar wel of geen middeleeuwse overstromingsdek (pik- en/of Rekereklei) aanwezig is. Voor de polder Veenhuizen was geen gedetailleerde bodemkaart beschikbaar voor nadere detaillering van het getijdenlandschap. Door de verdere ligging van de Rekeregeul, wordt in de polder Veenhuizen evenwel geen jonger middeleeuws kleidek verwacht. Verder gaf de uitgevoerde AHN-analyse geen aanleiding om de aanwezigheid van grotere geul- en oeverwalsystemen te veronderstellen. Hier is dan ook geen nader onderscheid gemaakt dan ‘kwelder- op wad afzettingen’. Wadafzettingen, delgronden, meerbodemgronden en meerwallen De del- en meerbodemgronden markeren die delen waar door het ontstaan van binnenmeren het vroegere veenlandschap is verdwenen. De middeleeuwse (pik- en Rekere) kleilagen die op het veen zijn afgezet zijn hierbij eveneens geërodeerd. 31 Deze aantasting is het sterkst bij de meerbodemgronden. Zowel de del- als de zandige meerbodemgronden vormen de lage delen in het getijdenlandschap. Voor de wadafzettingen in de Heerhugowaardpolder geldt in feite eenzelfde genese, maar dan op grote schaal: in de vroegere Zuiderwaard is de bovenzijde van het getijdenlandschap (kwelder- op wadafzettingen) geërodeerd, waardoor de wadafzettingen nu aan het oppervlak liggen.

Langs de oostelijke oevers van de voormalige veenmeren zijn door golfwerking zandige ‘oeverwallen’ ontstaan: de meerwalgronden. Deze meerwallen hebben over het algemeen een zandige opbouw en kennen een hogere ligging dan de omgeving. Buitendijkse/recent verwerkte gronden Verder zijn enkele kaartvlakken onderscheiden waar naar verwachting sprake is van recent verwerkte/omgezette gronden. Het gaat bijvoorbeeld om buitendijkse gronden die door dijkverleggingen binnen de huidige polder zijn komen te liggen. Westfriese getijdengeul Bepalend in de vorming van het getijdenlandschap is de Westfriese getijdengeul. Deze geul volgde (in omgekeerde richting) de rivier- en beekdalen die vanuit het huidige Friesland en Overijssel in de richting van de Noord-Hollandse kust stroomden. De geul vormde geen statisch systeem dat op min of meer dezelfde plek lag, maar verplaatste zich in een periode van ongeveer anderhalf millennium door WestFriesland (afbeelding 3.5). Vanuit archeologisch oogpunt is echter vooral de ligging van het geulsysteem in het midden- en laat-neolithicum van belang. Juist gedurende deze periode vormden de hoger opgeslibde oevers langs – met name – de kleinere (zij-)geulen aantrekkelijke locaties voor bewoning en gebruik.32 Voor het bepalen van de vermeende ligging van de vroegere getijdengeul is gebruik gemaakt van de paleogeografische gegevens van Deltares.

33 Aanvullend is met behulp van boorgegevens uit het DINOloket getracht om dit beeld te verfijnen, dat bleek niet mogelijk. Om deze reden is het (globalere) verloop van de getijdengeul, die in regionale studies is gebruikt, overgenomen op de kaart.34

31 Du Burck 1957 32 Van Heeringen & Theunissen 2001. 33 Vos et al. 2011. 34

Ontleend aan Vos et al. 2011

21

Afbeelding 3.5. Het landschap rond 4000 jaar geleden met bekende vindplaatsen uit de Enkelgrafcultuur (naar Van Zijverden 2017). Goed te zien is dat de vindplaatsen vooral langs de zijtakken van de Westfriese getijdengeul liggen. HET VEENLANDSCHAP Het veenlandschap beslaat die delen van de gemeente Dijk en Waard waar het veen aan het maaiveld ligt, of waar het veen is afgedekt door een dun pakket middeleeuwse afzettingen (resp. Veengronden en Afgedekte veengronden). Bij het bepalen van de verbreiding hiervan is uitgegaan van de bodemkaart van het Geestmerambacht.35 Langs de randzone van het voormalige Zuidwaard zijn zones onderscheiden waar nog resten van het veenlandschap aanwezig is (Veenrestant).

3.4.

Historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3)

3.4.1. Bronnen Voor het inventariseren van de historisch-geografische waarden en elementen zijn zowel digitale databronnen als oude kaarten geraadpleegd. Het gaat om de volgende gegevens: Databanken van bestaande en verdwenen molens; CultuurHistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Holland; Gebouwde monumenten; Stolpenkaart Noord-Holland (https://kaarten.mooinoord-holland.nl/); Dijkenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://services.rce.geovoorziening.nl/dijken/wfs?); Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); Regionale historisch-geografische studies:36

35 Du Burck 1957. 36 De Cock 1965, Westenberg 1973, Schilstra 1981, Geus 1989, Geus 1990, Komen 1992, Van der Veen et al. 2012, Komen 2014,

Komen 2016.

22

-

-

Oude kaarten:  ‘Noord-Holland en Friesland’ door Christiaan Sgrooten, uit 1573;  ‘Kaart van 'De Groote Zuyder Waert’ door Baert Claeszoon, uit 1626;  ‘Caerte van de Heer-Huygen-Waert, met de omliggende dorpen en huysen.’ door Anthonis Metius, Cornelis Corneliss, Baert Claess, Dirk Verdoes en Thomas Sevenhuysen, uit 1631;  ‘Grote Manuscriptkaart van West-Friesland’ door Johannes Dou, uit 1655;  ‘Kaart van Holland’ door Jacob Aertsz. Colom, uit 1681;  ‘Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland’ door Johannes Dou, uit 1680 (herdruk uit 1745);  Bonnekaarten en topografische kaarten vanaf ca.

1850; Kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832:37  gemeente Broek op Langedijk, sectie A (blad 1) en sectie B (blad 1);  gemeente Harenkarspel, sectie F (blad 1);  gemeente Heerhugowaard, sectie A (blad 1, 2 en 3), sectie B (blad 1 en 2), sectie C (blad 1, 2 en 3), sectie D (blad 1 en 2), sectie E (blad 1 en 2), sectie F (blad 1 en 2), sectie G (blad 1 en 2) en sectie H (blad 1 en 2);  gemeente Hensbroek, sectie A (blad 1);  gemeente Koedijk, sectie A (blad 1 en 2);  gemeente Noord-Scharwoude, sectie A (blad 1) sectie B (blad 1) en sectie C (blad 1 en 2);  gemeente Oudkarspel, sectie A (blad 1), sectie B (blad 1, 2 en 3), sectie C (blad 1, 2 en 3) en sectie D (blad 1 en 2);  gemeente Oudorp, sectie B (blad 1);  gemeente Sint Pancras, sectie A (blad 1 en 2);  gemeente Veenhuizen, sectie A (blad 1 en 2) en sectie C (blad 1 en 2);  gemeente Zuid-Scharwoude, sectie A (blad 1), sectie B (blad 1) en sectie C (blad 1).

De geïnventariseerde gegevens zijn verwerkt tot een historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3). De digitale gegevens (met name de al dan niet verdwenen dijktracés en de locaties van verdwenen molens) zijn met behulp van de gegeorefereerde kadastrale minuutplans, recentere topografische kaarten en/of het AHN gecorrigeerd. Naast deze historisch-geografische relicten en elementen omvat de kaart ook de onderliggende, historisch-landschappelijke eenheden. De (verdwenen) molens, gebouwde rijks- en gemeentelijke monumenten en stolpen zijn tevens opgenomen in afzonderlijke catalogi (bijlagen 4, 5, 6 en 7).

3.4.2. Historisch-geografische elementen HISTORISCH-LANDSCHAPPELIJKE EENHEDEN Binnen de gemeente Dijk en Waard zijn drie historische hoofdlandschappen te onderscheiden: het strandwallenlandschap; het veenontginningslandschap; het droogmakerijlandschap. Het strandwallenlandschap omvat de dagzomende en de afgedekte strandwal van Sint Pancras-Oudorp. Op de hoger gelegen strandwal liggen de vroegmiddeleeuwse nederzetting Vroonen en de 15de-eeuwse opvolger Sint Pancras. Beide nederzettingen hadden een akkercomplex, geest genoemd. Geesten zijn deels vergelijkbaar met de oude bouwlanden op de zandgronden elders in Nederland.38 Rondom de geest werd meestal een ringweg aangelegd, waar de boerderijen/huizen lagen. Deze ringweg is nog grotendeels herkenbaar in het huidige stratenpatroon. Zowel de nederzettingen als de geesten bevinden zich op het hogere deel van de strandwal. Het lager gelegen land ten oosten van de geesten, de Beverkoog, is verkaveld vanaf de strandwal. Het verkavelingspatroon is duidelijk afwijkend van het gebied verder noordelijk van Sint Pancras (omgeving Broek op Langedijk). De geest zelf diende doorgaans als weiland, terwijl de verder van de geest gelegen natte broeklanden vooral als hooiland zullen zijn gebruikt.39

37 Gedownload via https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ 38 Vergelijkbaar in de zin dat het oude akkerlandcomplexen zijn (vgl. Zeiler 2020). 39

De Cock 1965.

23

Het veenontginningslandschap omvat het veengebied met de vaarpolders in het oostelijk deel van Langedijk. Met name in de zuidelijke helft van het veengebied is het middeleeuwse verkavelingspatroon nog goed herkenbaar. In het westelijk deel van Langedijk, dat eveneens een veenontginningslandschap is, heeft de ruilverkaveling Geestmerambacht het middeleeuwse verkavelingspatroon goeddeels uitgewist. De polder Veenhuizen, die in tegenstelling tot de naastgelegen Heerhugowaard nooit (langdurig) overstroomd is geweest, maakt eveneens deel uit van het veenontginningslandschap. Hoewel het veen hier is verdwenen, wijst het verkavelingspatroon op de ontginning in een periode dat de huidige polder nog wel met veen was bedekt.40 Het droogmakerijlandschap omvat uiteraard de Zuiderwaard/Heerhugowaard (drooggemaakt in 1631), maar ook de vijf kleinere droogmakerijen in het Geestmerambacht (Kerkmeer, Kleimeer, Diepsmeer, Zuider Koog en Vroonermeer). De polders zijn bedijkt vanaf halverwege de 16de eeuw en zijn daarmee enkele decennia ouder dan de Heerhugowaard (tabel 3.4). Bedijking/polder Kerkmeer Kleimeer Diepsmeer * Heerhugowaard (Zuiderwaard) Zuider Koogpolder Vroonermeer *

jaar 1547 ca.1568 1594-1595 1631

oppervlakte (ha) 65 70 182 3500

onbekend (voor 1631) 1562

12 105

Tabel 3.4. Overzicht van bedijkingen in de gemeente Dijk en Waard (*: polder ligt deels binnen de gemeente).41

DRUIPLANDEN Aan het begin van de 17de eeuw, vlak voor de inpoldering van de Zuiderwaard/Heerhugowaard waren op verscheidene plekken nog restanten land aanwezig (afbeelding 3.6). Het gaat enerzijds om resten veenland langs de oevers van de Zuiderwaard, die door rechte aanleg van de ringdijk werden afgesneden en binnen de polder Heerhugowaard zijn komen te liggen. Anderzijds gaat het om eilandjes die in het voormalige meer lagen. Wat beide met elkaar gemeen hebben, is dat het om ‘oudland’ gaat, gronden die ouder zijn dan de inpoldering van de Heerhugowaard in 1631. De historische kaarten van vlak voor de drooglegging van de Zuiderwaard geven deze zogeheten ‘druiplanden’ weer. In veel gevallen dragen de druiplanden toponiemen die eindigen op -werf (Grootewerf, Sappewerf, Nessewerf) of op -bos ('t Groote Bos, Lutkebos, Koebos, Paardenbos). De druiplanden liggen iets hoger dan het omliggende landschap van de Heerhugowaardpolder. Het is niet duidelijk of dit betekent dat de druiplanden ook voor de vorming van de Zuiderwaard al de hogere delen van het middeleeuwse veenlandschap vormden en daarmee aantrekkelijk waren voor bewoning. Op het druipland Butterhuizen (pal oostelijk van Sint Pancras) was dit wel het geval, maar mogelijk is dit een uitzondering.

In de 17de eeuw – de periode van de grootste omvang van de Zuiderwaard – vormden de druiplanden hoogstwaarschijnlijk drassige riet- of graslanden in de randzone van de Zuiderwaard. De verkaveling van de druiplanden wijkt veelal af van de rationele indeling van de omliggende droogmakerij. De afwijkende verkaveling, die in een aantal gevallen herkenbaar is op de kadastrale minuutplans – en in enkele gevallen ook nog in de huidige percelering – is gebruikt om de druiplanden te karteren. Voor druiplanden die niet op deze wijze konden worden gekarteerd, is de ligging (globaal) bepaald, na georeferentie van de kaart van Metius uit 1631.

40 Van der Veen et al. 2012. 41

Gegevens ontleend aan Schultz 1992, Van Zwet 2009.

24

Afbeelding 3.6. De 'Groote Zuyder Waert' met groene druiplanden op de kaart van Baert Claeszoon uit 1626. DIJKEN EN KADES Met behulp van de (voormalige) CHW van de provincie Noord-Holland en de dijkenkaart van de RCE zijn historische dijken en kaden geïnventariseerd en op kaart gezet. Omdat de bestaande datasets voor de gewenste kaartschaal vaak een te grof en onnauwkeurig beeld gaven, is de ligging van de dijktracés gecontroleerd en verfijnd door deze te vergelijken met kadastrale minuutplans en te projecteren op de huidige topografie en het AHN. Op basis van vergelijking met het AHN is tevens aangegeven of de dijk nog

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=1fe55432-f22b-4e14-befb-00349b0221a8