Bijlage 2 Toelichting BP Rodeoterrein Broek op Langedijk
Tekst van het document
Toelichting (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 4.9.2
Relatie tot het plangebied
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 52 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden kan geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.2.2) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Tabel 5. Worst-case benadering voor de planbijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit (bron:NIBM-tool,
7 juni 2023)
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 6 mei 2022) met bijbehorende grenswaarden.
Tabel 6. GCN-achtergrondconcentraties
ter plaatse van rekenpunt 9880 (bron: nsl-monitoring.nl)
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
52
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
4.9.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde plan. Er is sprake van een goed woon-en leefklimaat.
4.10
Ecologie
4.10.1 Kader Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming (Wnb). De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen.
Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). Op het moment dat een ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie vraagt dit om nadere aandacht. Wanneer sprake is van een bijdrage zal worst case een passende beoordeling gemaakt moeten worden. In geval van een bestemmingsplan leidt dit tot een planMER-plicht. Soortenbescherming De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. 4.10.2 Relatie tot het plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Van der Goes en Groot een ecologische quickscan uitgevoerd, zie Bijlage 5.
De resultaten zijn hieronder weergegeven. Soortenbescherming Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.
Toelichting (vastgesteld)
53
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer, Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Voor mogelijk incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Nader onderzoek huismus en vleermuis Uit de quickscan blijkt dus dat nader onderzoek nodig is. Van der Goes en Groot heeft dit nader onderzoek naar huismus en vleermuis in de periode april - september 2021 uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 6 terug te vinden en de resultaten zijn hieronder vermeld. Huismus: In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels (huismus) voor. In het plangebied kunnen wel broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli.
Vleermuizen: In het plangebied is een verblijvende vleermuis aangetroffen. Het gaat om één zomerverblijf van Gewone dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwen of bomen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit is in voorliggend plan het geval en hiervoor is inmiddels ook een ontheffing aangevraagd. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen 'essentieel' deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Ontheffing Wnb Uit het nader onderzoek bleek dat een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8 Wet natuurbescherming (Wnb) nodig was in verband met de aanwezigheid (verblijfplaats) van de gewone dwergvleermuis. Op 15 november 2022 is deze ontheffing aangevraagd en op 19 december 2022 is deze verleend door de omgevingsdienst Noord-Holland Noord namens Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. De ontheffing is verleend voor de periode tot en met 1 mei 2026. De ontheffing is als Bijlage 7 terug te vinden.
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op meer dan 6 kilometer afstand van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de Schoorlse Duinen en Noord Hollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
54
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000gebieden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig. Stikstofberekening Om nader te onderzoeken of de woningen qua stikstofdepositie een negatief effect hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is een stiikstofberekening uitgevoerd door Van der Goes en Groot. Deze berekening is terug te vinden als Bijlage 8, de conclusie wordt hieronder weergegeven. De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de grondgebonden woningen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen.
De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. De hoogste bijdrage van het project betreft de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten. In de aanlegfase wordt uitgegaan van het gebruik van materieel met stageklasse IV of nieuwer. Bij gebruik van ouder materieel dient een nieuwe berekening te worden gemaakt. In de gerealiseerde bebouwing (waarvan sommige “nul op de meter” woningen) wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.
4.10.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt zowel voor soortenbescherming als gebiedsbescherming geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Voor de aangetroffen verblijfplaats van vleermuizen is inmiddels een ontheffing verleend die geldig is tot 1 mei 2026. Indien volgens de aanbevelingen uit de quickscan en de toelichting van het bestemmingsplan wordt gewerkt, zijn overige negatieve effecten voor beschermde soorten uitgesloten. Daarnaast is op basis van de uitgevoerde stikstofberekening geen sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.
4.11
Duurzaamheid
4.11.1 Kader De gemeente Dijk en Waard streeft er naar dat nieuwe woningen duurzaam gebouwd worden. Duurzaam bouwen wordt in de brede zin van het woord beschouwd en betreft een wijze van plannen, bestemmen, ontwerpen, bouwen, inrichten en beheren (inclusief slopen en hergebruik) van de te realiseren woningen. Een duurzame woning heeft een hogere mate van kwaliteit en een lagere mate van milieubelasting. Wie tegenwoordig een woning bouwt, doet dit al bijna energieneutraal en bij voorkeur met duurzame materialen. De regels hiervoor zijn de afgelopen jaren aangescherpt en vragen nu om nieuwe bouwconcepten. Nieuwe woningen mogen niet worden aangesloten op het gasnet.
Toelichting (vastgesteld)
55
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
4.11.2 Relatie tot ontwikkeling De woningen krijgen geen gasaansluiting. Er wordt gebruik gemaakt van duurzame energieopwekking. De woningen zullen verwarm of gekoeld worden door middel van warmtepompen. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat voldoet zal worden aan de geluidsnormen van het Bouwbesluit. PV panelen zorgen voor de opwekking van groene stroom. Ventilatie zal verzorgd worden middels een mechanisch gestuurde balansventialtie met warmteterugwinning (WTW). Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of de woningen ook een douche WTW zullen krijgen. Alle woningbouw wordt conform het Bouwbesluit volgens de BENG normering gebouwd. Om te anticiperen op de klimaatverandering en de toename van heftige regenbuien wordt ten opzichte van de huidige situatie meer groen toegevoegd in de openbare ruimte rondom de woningen. Er wordt extra water gerealiseerd ten behoeve van de doorvaarbaarheid, maar ook vanwege de klimaatbestendigheid. Daarnaast wordt nagestreefd om de uit te geven achtertuinen niet volledig te verharden en verharding voor maximaal 50% in de achtertuinen toe te staan. Langs de watergang worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd en hebben deze gronden binnen het bestemmingsplan ook de bestemming Groen gekregen. Verder wordt er natuurinclusief gebouwd door onder meer het aanbrengen van nestkasten voor vogels en vleermuizen.
4.11.3 Conclusie Met voorliggend plan wordt een bijdrage geleverd aan de duurzaamheidsambities die de gemeente Dijk en Waard voorstaat.
4.12
Kabels en leidingen
4.12.1 Kader Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.
Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen: buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.
56
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla.
Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband op wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval.''' De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn. Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk. 4.12.2 Relatie tot het plangebied Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een relevante buisleiding in het kader van externe veiligheid (zie ook paragraaf 4.6).
Figuur 17. Uitsnede HoogspanningsNet
Netkaart
De dichtstbij gelegen hoogspanningslijn is de 50 kV lijn richting verdeelstation Warmerhuizen. Deze lijn ligt op ruim 1 kilometer afstand van het plangebied. De breedte van een magneetveldzone bij een 50 kV leiding is 50 meter. Het plangebied ligt dus ruim buiten deze zone en de hoogspanningslijn vormt geen belemmering voor het woningbouwplan. Voor de realisatie van het woongebied zal bij de uitwerking in overleg met de leidingbeheerders de
Toelichting (vastgesteld)
57
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk niet-planologisch relevante leidingen inzichtelijk worden gemaakt in verband met de bescherming, eventuele verlegging of aanleg van deze kabels en leidingen. 4.12.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.13
M.e.r.-beoordeling
4.13.1 Kader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. 4.13.2 Relatie tot het plangebied Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 52 woningen. Voor de voorgenomen ontwikkeling is D11.2 relevant.
Tabel 7. Relevant onderdeel D: activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 t/m 7.20 van de wet van toepassing is (bron: bijlage II Besluit m.e.r.)
Het bevoegd gezag is verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport. In dit kader is een aanmeldnotitie opgesteld. Hieruit volgt dat de kenmerken van de activiteit en de mogelijke gevolgen voor het milieu geen aanleiding geven voor het opstellen van een milieueffectrapportage. De aanmeldnotitie is terug te vinden als bijlage 13. 4.13.3 Conclusie Er zijn geen significant negatieve milieueffecten te verwachten van de realisatie van voorliggend woningbouwplan.
58
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
De vorm van het bestemmingsplan wordt in belangrijke mate bepaald door de vereisten ten aanzien van uitwisselbare, vergelijkbare en digitale plannen. Deze standaarden zijn vanaf 1 januari 2010 wettelijk van kracht en worden periodiek aangepast. Voor de planopzet (en vorm) is vooral de momenteel geldende SVBP 2012 van belang. De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmings- en wijzigingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De standaarden hebben geen betrekking op de inhoud van een bestemmingsplan. Dit blijft een zaak van het bevoegde gezag (de gemeente). Het bestemmingsplan is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting. Tevens is het plan aangepast aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2
Planregels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels en hier komen de onderstaande artikelen in voor. Artikel 1: Begrippen Dit artikel geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Artikel 3: Groen De hoofdgroenstructuur in het plangebied is bestemd als Groen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Ook is een zone langs de woningen die grenst aan het water bestemd als groen, enerzijds om een natuurvriendelijke oever te stimuleren en anderszijds om vergunningvrij bouwen tegen te gaan. Er is middels de groenbestemming dan ook geen achtererfgebied meer, waardoor vergunningvrij bouwen op grond van Bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor) op die locatie is uitgesloten.
Binnen deze groenbestemming zijn wel steigers toegestaan (één steiger per woning) en worden hier beperkingen qua afmetingen aan gegeven. Daarnaast is langs het blokje levensloop woningen en de hofwoningen (beide aan de zuidoostkant van het plangebied) een strook van 2 meter aangegeven langs de woonbestemming met de functieaanduiding 'Tuin'. Binnen deze functieaanduiding is het mogelijk om op de begane grond tuinen te realiseren, zonder dat daar gebouwen in worden geplaatst. Ook maakt deze functieaanduiding het mogelijk om bovenhangende balkons (van max 2 meter) te realiseren. Artikel 4: Verkeer
Toelichting (vastgesteld)
59
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
De gronden waar de wegen en parkeerplaatsen in het plangebied zijn voorzien, zijn bestemd als Verkeer. Binnen de bestemming mogen ook watergangen en groenvoorzieningen gerealiseerd worden. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Artikel 5: Water Voor de aanwezige en toekomstige waterpartijen binnen het plangebied is de bestemming Water opgenomen. Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd en zijn bruggen mogelijk. Artikel 6: Wonen De gronden met de bestemming Wonen toegepast waarbinnen een bouwvlak is opgenomen. Het maximaal aantal woningen en de maximale goot- en bouwhoogte is op de verbeelding weergegeven. Het maximum aantal woningen bedraagt in totaal 52. De beleidseis van minimaal 30% sociale woningen is ook in de regels opgenomen. Daarnaast wordt middels bouwaanduidingen de typologie van de woningen aangeduid wanneer het gaat om rijenwoningen, dubbele woningen en woongebouwen (appartementen). Er is geen specifieke regeling opgenomen voor het realiseren van bijbehorende bouwwerken. Hiervoor wordt aangesloten bij de regels voor vergunningvrij bouwen. Op een aantal plekken zijn wel specifieke aanduidingen opgenomen voor de mee-ontworpen schuren in het plangebied. De aanduiding bepaald de plaats en grootte en ook is hier een goot- en bouwhoogte aangegeven.
Om volledige verharding van de achtertuinen tegen te gaan, is een gebruiksregel opgenomen die beperkingen oplegt voor het volledig verharden van de achtertuin, waarbij een maximum van 50% is opgelegd. Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van geluid om te waarborgen dat voor de woningen aan een goed woon- en leefklimaat kan worden voldaan met inachtneming van de te nemen maatregelen op basis van het hogere waarde besluit en de aangrenzende bedrijvigheid (Mulder). Artikel 7 en 8: Waarde - Archeologie 1 en 5 Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid is een aantal bestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ opgesteld. Dit zijn dubbelbestemmingen. In samenhang met het gemeentelijk archeologiebeleid is ervoor gekozen elke gebiedswaarde te vertalen naar een passend beschermingsregime met betrekking tot de bouwregels. Voor het plangebied gelden 3 regimes van bescherming. In de bestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 5’ mogen geen dan wel onder gestelde voorwaarden bouwwerken worden gebouwd. Voor werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist. De vergunning is niet vereist voor het normale onderhoud, gebruik en beheer. Onder voorwaarden kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden worden verleend.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen zullen hieronder kort worden toegelicht. Artikel 9: Anti-dubbeltelregel Op grond van de antidubbeltelregel is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft (artikel 3.2.4 Bro). Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing. Artikel 10: Algemene bouwregels In deze regels wordt aangegeven wat de toegestane regels zijn ten aanzien van ondergronds bouwen. Artikel 11: Algemene gebruiksregels In deze regels wordt aangegeven welk gebruik beschouwd wordt als strijdig met het bestemmingsplan en wordt geborgd dat voor de ingebruikname van gronden en bouwwerken in de parkeerbehoefte conform de geldende normering is voorzien. Ook wordt hier geborgd dat de aan te leggen natuurvriendelijke oevers in stand gehouden moeten worden.
60
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk Artikel 12: Algemene afwijkingsregels Deze bepaling geeft de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten aanzien van het bouwen van het geringe overschrijdingen inzake goothoogte, hoogte, oppervlakte en inhoud van bouwwerken. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht. Artikel 13: Overgangsrecht Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. Artikel 14: Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
Toelichting (vastgesteld)
61
bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden binnen het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen worden. Het kostenverhaal van de door de gemeente voor dergelijke ontwikkellocaties te maken kosten, dient verzekerd te zijn. Met de initiatiefnemer is op 23 juli 2020 een overeenkomst gesloten, waarin de gemeentelijke kosten zijn verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Participatie
Ten behoeve van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is door de ontwikkelende partij een participatietraject opgezet. Dit participatietraject is voorafgaand aan de start getoetst en goedgekeurd door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Langedijk. Het traject is vormgegeven door middel van diverse bijeenkomsten voor omwonenden, belanghebbenden en geïnteresseerden. Op 28 april 2021, 19 mei 2021 en 8 juni 2021 hebben bijeenkomsten plaatsgevonden. Ten behoeve van de kennisgeving en transparantie is een website (www.woningbouwrodeo.nl) opgericht waar verslaglegging van bijeenkomsten en nadere informatie wordt gepubliceerd. Op 12 juli 2023 is een informatieavond gehouden waarbij de stedenbouwkundige en programmatische aanpassingen ten opzichte van het eerdere ontwerp zijn gepresenteerd. Ook zijn impressies getoond van de toekomstige woningen en is het vervolgproces inzichtelijk gemaakt. 6.2.2
Bro 3.1.1 reacties
Het ontwerp bestemmingsplan is toegestuurd aan diverse bestuurlijke partners in het kader van het artikel 3.1.1 Bro-overleg. De volgende instanties hebben gereageerd: Veiligheidsregio Noord-Holland Noord; Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; Gemeente Alkmaar; Gemeente Hollandskroon; Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. De reacties zijn verzameld en beantwoord in de 'Reactienota bestemmingsplan Rodeoterrein Broek op Langedijk' die terug te vinden is als bijlage 14. Samenvattend kan gesteld worden dat enkele reacties hebben geleid tot een aanvulling in de toelichting, maar het plan niet gewijzigd hebben.
6.2.3
Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor zes weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om binnen deze periode een zienswijze in te dienen. Binnen de gestelde periode zijn echter geen zienswijzen ingediend.
62
Toelichting (vastgesteld)