Bijlage 2 TAM-omgevingsplan 'Actualisatieplan 2 Dijk en Waard'
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Actualisatieplan 2 Dijk en Waard
INHOUDSOPGAVE regels
4
hoofdstuk 1 inleidende regels
5
artikel 1 begrippen
5
artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
9
hoofdstuk 2 bestemmingsregels
11
artikel 3 Recreatie
11
artikel 4 Tuin
11
artikel 5 Tuin - 1
12
artikel 6 Wonen - 1
13
artikel 7 Wonen - Broekhorn 2017
14
artikel 8 Wonen - Buitengebied
15
artikel 9 Wonen - Vrijstaand
17
artikel 10 Waarde - Archeologie 2
19
artikel 11 Waarde - Archeologie 4
21
artikel 12 Waarde - Archeologie 5
22
hoofdstuk 3 algemene regels
25
artikel 13 Juridische regelingen TAM-omgevingsplan
25
artikel 14 Anti-dubbeltelbepaling
26
artikel 15 Toepassingsbereik Bouw- en gebruiksactiviteiten
26
artikel 16 Algemene gebruiksactiviteiten
26
artikel 17 Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten
30
artikel 18 Algemene bouwactiviteiten
31
artikel 19 Dynamische beleidsverwijzingen
32
hoofdstuk 4 overgangs- en slotregels
34
artikel 20 Locatiegericht overgangsrecht
34
artikel 21 Slotregel
34
bijlagen bij regels toelichting
35 36
1 Inleiding
37
1.1 Aanleiding en doel
37
1.2 Huidige situatie
37
1.3 Voorgenomen ontwikkeling
42
1.4 Geldend omgevingsplan
46
2 Beleidskader
53
2.1 Inleiding
53
2.2 Rijksbeleid
53
2.3 Provinciaal beleid
54
2.4 Regionaal beleid
57
1
2.5 Beleid van het Waterschap
58
2.6 Gemeentelijk beleid
59
3 Aspecten fysieke leefomgeving
63
3.1 Inleiding
63
3.2 Cultureel erfgoed, archeologie, landschap en stedenbouw
63
3.3 Welstand
64
3.4 Mer-beoordeling
65
3.5 Gezondheid
65
3.6 Milieuzonering
65
3.7 Geluid door milieubelastende activiteiten en geluid door weg-, railverkeer en industrieterreinen 66 3.8 Geur
70
3.9 Trillingen
71
3.10 Lichthinder
71
3.11 Luchtkwaliteit
71
3.12 Windhinder
72
3.13 Bodem
72
3.14 Water
73
3.15 Klimaatadaptatie
74
3.16 Natuur, ecologie en duurzaamheid
74
3.17 Omgevingsveiligheid
74
3.18 Nutsvoorzieningen
75
3.19 Mobiliteit
75
3.20 Samenvatting relevante omgevingsaspecten
76
4 Uitvoerbaarheid
77
4.1 Financiële haalbaarheid
77
4.2 Maatschappelijke haalbaarheid
77
5 Procedure
78
6 Belangenafweging en conclusie
79
6.1 Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
79
6.2 Eindconclusie
79
7 Juridische vormgeving
80
7.1 Algemeen
80
7.2 Verhouding tijdelijk omgevingsplan en TAM-omgevingsplan
80
bijlagen bij toelichting
81
Bijlage 1 Kavelnummers t.b.v. verruiming bebouwingspercentage
82
Bijlage 2 Akoestisch onderzoek M+P raadgevende ingenieurs BV 7 juli 2025
83
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Grondslag 11 juli 2025
84
Bijlage 4 Reactienota TAM-omgevingsplan H22K Actualisatie 2 Dijk en Waard
85
2
REGELS
3
hoofdstuk 1 inleidende regels artikel 1 begrippen Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op deze regels, tenzij in artikel 1 daarvan is afgeweken met onderstaande 'van toepassing verklaren aanvullende begrippen'. Voor de toepassing van deze regels gelden de volgende begrippen:
1.1 archeologie de bestudering van menselijke geschiedenis door middel van de overblijfselen van materiële cultuur, de omgeving en van dierlijke resten;
1.2 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden;
1.3 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.4 bedrijfsvloeroppervlakte het totale gebouwde vloeroppervlak van de ruimte die wordt gebruikt voor de in het plan aangegeven gebruiksactiviteiten, inclusief opslag- en administratieruimten, en overige dienstruimten;
1.5 bestaand a. het vergunde gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit aanwezig is; en/of b. de vergunde bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit aanwezig of in uitvoering of vergund is, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel vergunningsvrij is; en/of c. in gevallen wanneer gebruik en/of bebouwing na het tijdstip van inwerkingtreding van het voorgaande geldende omgevingsplan van rechtswege (bestemmingsplan) op basis van een vergunde omgevingsvergunning mag of is gerealiseerd dan wel vergunningsvrij is, wordt het nieuwe gebruik en/of bebouwing als onderdeel van dit wijzigingsbesluit;
1.6 bijbehorend bouwwerken uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
1.7 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.8 bouwlaag
4
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
1.9 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.10 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel;
1.11 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren;
1.12 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps of bedrijfsactiviteit;
1.13 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio’s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;
1.14 dienstverlening het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden;
1.15 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond;
1.16 extensieve dagrecreatie die vormen van openluchtrecreatie waarbij rust voorop staat en het aantal recreanten per oppervlakte-eenheid beperkt is;
1.17 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.18 gevelbreedte de breedte van een naar de weg gekeerde zijde van een hoofdgebouw;
5
1.19 hoofdgebouw een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.20 horecabedrijf een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt;
1.21 huishouden de huisvesting van één afzonderlijk huishouden waarbij sprake is van onderlinge duurzame verbondenheid, continuïteit in de samenstelling van het huishouden en het gemeenschappelijk voeren van het huishouden, niet zijnde bedrijfsmatige kamerverhuur;
1.22 kunstobject voortbrengsel van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of overkapping;
1.23 kunstwerk een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;
1.24 maatschappelijke voorzieningen levensbeschouwelijke, medische, sociale, culturele en educatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, kinder- en buitenschoolse opvang, alsook ondergeschikte dienstverlening en/of ondergeschikte detailhandel en/of ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen;
1.25 nutsvoorziening (bouwkundige) voorzieningen ten behoeve van (de aansluiting op) het openbare net van afvalstoffen, gas, water, elektriciteit, riolering, stadsverwarming en het telecommunicatieverkeer, of daaraan gelijk te stellen voorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen zoals transformatorgebouwen, gebouwen ten behoeve van gasvoorziening en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen;
1.26 omgevingsplan het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard;
1.27 ondergeschikt(e) van beperkte functionele en/of ruimtelijke omvang, zodat de hoofdactiviteit qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft;
6
1.28 overkapping een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts met één wand is omgeven;
1.29 peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. voor een bouwwerk op, in of boven het water: de hoogte van het ter plaatse geldende waterpeil;
1.30 permanente bewoning de bewoning van een verblijf als hoofdverblijf;
1.31 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt;
1.32 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;
1.33 webwinkel uitoefening van detailhandel waarbij goederen uitsluitend worden verkocht door middel van een schriftelijke en/of elektronische opdracht, die niet ter plaatse ter hand worden gesteld en waarbij geen uitstalling van goederen ten verkoop bestaat (geen showroom);
1.34 wijzigingsbesluit het besluit met bij dit besluit behorende toelichting (en bijlagen), regels (en bijlagen) en verbeelding met identificatienummer NL.IMRO.1980.TAM22KACTUALSATIE2-VA01;
1.35 wonen het huisvesten van één huishouden in een (bedrijfs)woning of in een woning van een woongebouw, waarbij de woning uitsluitend mag worden gebruikt voor permanente bewoning;
1.36 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
1.37 woongebouw een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
7
artikel 2 Meet- en rekenbepalingen 2.1 algemeen De bepalingen in dit artikel zijn een aanvulling op en gaan bij strijdigheid vóór op de meet- en rekenbepalingen zoals bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan. Er wordt als onderstaand aangegeven gemeten.
2.2 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
2.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij bouwdelen als dakkapellen, dakopbouwen en wolfseinden niet worden meegerekend bij de bepaling van de goothoogte van een bouwwerk;
2.4 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.6 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk, waarbij overschrijdingen van niet meer dan 1 meter niet worden meegerekend bij de bepaling van een oppervlakte van een bouwwerk;
2.7 de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel;
2.8 uitzondering Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de locaties in hoofdstuk 2 van deze regels wordt buiten beschouwing gelaten: a. galerijen, balkons en luifels, mits de afwijking van de plaatsingseisen niet meer dan 2 m mag; b. (brand)trappen en trappenhuizen.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de locaties in hoofdstuk 2 van deze regels worden: a. ondergeschikte bouwdelen als goot- en dakoverstekken, plinten, pilasters, kozijnen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel en kroonlijsten buiten beschouwing gelaten, mits de afwijking van de plaatsingseisen niet
8
meer dan 1 m bedraagt; b. buitenunits ten behoeve van duurzaamheidsmaatregelen buiten beschouwing gelaten, mits: 1. het gezamenlijk aantal buitenunits aan een bouwwerk per bouwperceel niet meer dan 2 bedraagt; 2. de buitenunits worden geplaatst aan een bouwwerk in het achtererfgebied; 3. de afwijking van de plaatsingseisen niet meer dan 1 m bedraagt.
9
hoofdstuk 2 bestemmingsregels artikel 3 Recreatie 3.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Recreatie.
3.2 Gebruiksactiviteiten De voor Recreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor extensieve dagrecreatie.
3.3 Bouwactiviteiten
3.3.1 Gebouwen Er mogen geen gebouwen worden gebouwd.
3.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 3.00 m bedragen; b. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer dan 6.00 meter bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 8.00 m. bedragen; d. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer dan 12.00 m. bedragen.
artikel 4 Tuin 4.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Tuin.
4.2 Gebruiksactivtieiten De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, al dan niet behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. groenvoorzieningen; c. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. water en oeverstroken.
4.3 Bouwactiviteiten 4.3.1 bijbehorend bouwwerk aan de gevel van het hoofdgebouw, Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van het bouwen van een bijbehorend bouwwerk aan de gevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat:
10
a. de diepte van een bijbehorend bouwwerk niet meer dan 1,5 m mag bedragen; b. de breedte van een bijbehorend bouwwerk ten hoogste 2/3e deel van de bestaande gevelbreedte mag bedragen, tot een maximum van 4 m; c. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk ten hoogste gelijk is aan die van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw tot een maximum van 3,5 m.
4.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevel (en het verlengde daarvan) van het dichtst bij de openbare weg en het openbaar groen gesitueerde hoofdgebouw mag niet meer dan 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige erf- en perceelafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; c. voor het overige mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
4.4 Afwijken van de bouwactiviteiten 4.4.1 Afwijkingsmogelijkheid Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.3.2 sub c, onder c, voor het bouwen van een overkapping, met dien verstande dat: a. de overkapping in het verlengde van of achter de voorste bouwgrens van de bestemming 'Wonen - Vrijstaand' dient te worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag niet meer dan 10 m² bedragen met een bouwhoogte van niet meer dan 3 m, en is voldaan aan de beoordelingsregels van lid 4.4.2
4.4.2 Beoordelingsregels Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. de verschijningsvorm van karakteristieke panden; c. het straat- en/of bebouwingsbeeld; d. de verkeersveiligheid; e. de milieusituatie; f. de sociale veiligheid.
artikel 5 Tuin - 1 5.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Tuin - 1.
5.2 Gebruiksactiviteiten De voor Tuin - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, water en erfverhardingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing; b. het parkeren van maximaal 1 motorvoertuig per woning.
11
5.3 Bouwactiviteiten 5.3.1 Uitbouw en entree Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: a. een uitbouw met een diepte van 1,50 meter en een lengte van maximaal 2/3e deel van de gevellengte van de voorgevel van het hoofdgebouw of een entree met een breedte van 1/3e deel van de voorgevellengte van het hoofdgebouw en/of een uitbouw aan de zijgevel van de woning met een lengte van maximaal 4,50 meter, gerekend vanuit de voorgevellijn van de uitbouw of entree aan de voorgevel en een diepte van 1,50 meter; b. de bouwhoogte van de uitbouw of entree mag niet hoger zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bouwwerk waarop wordt aangesloten en zoveel hoger als constructie- en isolatietechnisch op grond van geldende bouwtechnische regelgeving nodig is; c. voor de uitbouw aan de zijgevel geldt dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens tot de uitbouw tenminste 1,50 meter moet bedragen.
5.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,50 meter, met uitzondering van erfafscheidingen achter de naar de weg toegekeerde gevellijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2,00 meter mag bedragen en erfafscheidingen vóór de naar de weg toegekeerde gevellijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,30 meter mag bedragen.
artikel 6 Wonen - 1 6.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen-1.
6.2 Gebruiksactiviteiten De voor Wonen - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in de vorm van vrijstaande woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven; b. de bij de bestemming behorende verkeers- , parkeer- en groenvoorzieningen, kunstwerken, nutsvoorzieningen, water, tuinen, erven en terreinen;
6.3 Bouwactiviteiten 6.3.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan één woning per bouwvlak; c. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven; d. indien op de verbeelding geen bebouwingspercentage staat aangegeven, mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd; e. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de aangegeven bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)";
12
f. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan aangegeven goothoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m)" ;
6.3.2 Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. voor het bouwen van bijgebouwen buiten het bouwvlak geldt dat: 1. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1/3e deel van de bij het hoofdgebouw behorende gronden buiten het bouwvlak, mits het gezamenlijk oppervlak van de bouwwerken niet meer bedraagt dan 40 m²; 2. voor zover de gronden buiten het bouwvlak een oppervlakte hebben van meer dan 120 m², 10% van het oppervlak meer dan 120 m² mag worden bebouwd tot ten hoogste 20 m² boven de onder het vorige lid genoemde maximum oppervlakte; c. bijgebouwen mogen zowel vrijstaand als aangebouwd, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw worden gebouwd; d. ten aanzien van aangebouwde, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw gebouwde bijgebouwen geldt, dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,50 meter; 2. de goothoogte niet hoger mag zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waarop wordt aangesloten en zoveel hoger als constructie- en isolatietechnisch op grond van geldende bouwtechnische regelgeving nodig is; e. ten aanzien van vrijstaande bijgebouwen geldt, dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3,50 meter; 2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 2,50 meter.
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,50 meter, met uitzondering van erfafscheidingen achter de naar de weg toegekeerde gevellijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2,00 meter mag bedragen en erfafscheidingen vóór de naar de weg toegekeerde gevellijn, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,20 meter mag bedragen.
artikel 7 Wonen - Broekhorn 2017 7.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen - Broekhorn 2017.
7.2 Gebruiksactiviteiten De voor 'Wonen - Broekhorn 2017 ' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven; met de daarbij behorende erven;bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.3 Bouwactiviteiten 7.3.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
13
a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd; b. het aantal woningen per bouwvlak mag niet meer bedragen dan één woning; c. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; d. de goot- en bouwhoogte van een gebouw mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
7.3.2 Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied Bijbehorende bouwwerken zoals bedoeld in artikel 22.36 in het omgevingsplan zijn uitsluitend toegestaan in het achtererfgebied.
artikel 8 Wonen - Buitengebied 8.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen - Buitengebied.
8.2 Gebruiksactiviteiten De voor ‘Wonen - Buitengebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven; b. bijbehorende bouwwerken; c. bed & breakfast accommodatie; d. één bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden, met de daarbij behorende: d. erven; e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.3 Bouwactiviteiten 8.3.1 Hoofdgebouwen Voor het (her)bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden ge(her)bouwd; b. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak worden ge(her) bouwd of indien op de verbeelding een bouwvlak staat aangegeven binnen het bouwvlak; c. per bestemmingsvlak mogen niet meer woningen worden ge(her)bouwd dan ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" staat aangegeven en bij de tervisielegging van het bestemmingsplan in het bestemmingsvlak aanwezig zijn; d. het hoofdgebouw dient vrijstaand worden ge(her)bouwd en mag alleen als twee onder één kap woning worden ge(her)bouwd als de woning ten tijde van de tervisielegging van dit bestemmingsplan ook als twee onder één kap woning bestond; e. de oppervlakte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 120 m2 of indien het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan een oppervlakte groter dan 120 m2 had, dat oppervlak; f. de bouwbreedte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10,00 m of, indien het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan een bouwbreedte groter dan 10,00 m had, die
14
bouwbreedte; g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 12,00 m of, indien het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan een bouwdiepte groter dan 12,00 m had, die bouwdiepte; h. de afstand van het hoofdgebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 2,00 m te bedragen of zoveel minder als de woning ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan op een afstand kleiner dan 2,00 m uit de perceelsgrens stond; i. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 4,00 m; j. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 9,00 m; k. het hoofdgebouw mag aan de voorzijde worden uitgebreid met een uitbouw met lengte van maximaal 2/3 deel van de gevellengte en een diepte van 1,50 m of een entree met een lengte van maximaal 1/3 deel van de gevellengte en een diepte van 1,50 m en/of een erker aan de zijgevel van de woning met een lengte van maximaal 4,50 m, gerekend vanuit de voorgevellijn van de uitbouw of entree aan de voorgevel en een diepte van 1,50 m, waarbij de uitbouw of entree niet wordt gerekend tot het oppervlak van de woning; l. de dakhelling mag niet minder dan 35 en niet meer dan 75 graden bedragen; m. indien de dakhelling ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan minder dan 35 graden was, mag die dakhelling worden toegepast; n.
ondergeschikte delen van de kap mogen plat worden afgedekt; o. het hoofdgebouw mag maximaal 3,00 m achter de voorgevelrooilijn of het denkbeeldig verlengde daarvan worden gebouwd.
8.3.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd; b. bijbehorende bouwwerken en overkappingen dienen ten minste 3,00 m achter (het verlengde van) de naar de weg toegekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw te worden gebouwd; c. het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 70 m2; d. bijbehorende bouwwerken mogen zowel vrijstaand als aangebouwd, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw worden gebouwd; e. ten aanzien van aangebouwde, dan wel als uitbreiding van het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken geldt, dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,50 m; 2. de goothoogte niet hoger mag zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waarop wordt aangesloten en zoveel hoger als constructie- en isolatietechnisch op grond van geldende bouwtechnische regelgeving nodig is; f. ten aanzien van vrijstaande bijbehorende bouwwerken geldt, dat: 1. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,00 m; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,50 m.
8.3.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat: a. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,50 m, met uitzondering van erfafscheidingen achter de naar de weg toegekeerde voorgevelrooilijn van de woning en het denkbeeldig verlengde daarvan, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2,00 m mag bedragen en erfafscheidingen vóór de naar de weg toegekeerde voorgevelrooilijn en het denkbeeldig verlengde daarvan, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,30 m mag bedragen; b. de oppervlakte van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden mag niet meer bedragen dan 1.500 m2;
15
c. de hoogte van een omheining van een bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden mag niet meer bedragen dan 1,50 m.
8.3.4 Hobby agrarisch bedrijf Voor het gebruik en (her)bouwen van gebouwen ten behoeve van het hobby agrarisch bedrijf gelden de volgende regels; a. oorspronkelijk aan het agrarisch bedrijf onttrokken bedrijfsgebouwen worden niet gezien als bijgebouwen behorende bij de woning en mogen ten behoeve van de hobby in stand worden gehouden, alsmede herbouwd worden, waarbij de volumes van 2 of meer gebouwen mogen worden samengevoegd; b. bouwwerken met een bouwhoogte lager dan 2,00 m en kassen zijn van deze regeling uitgesloten.
artikel 9 Wonen - Vrijstaand 9.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen - vrijstaand.
9.2 Gebruiksactiviteiten De voor Wonen - vrijstaand aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, uitsluitend in de vorm van vrijstaande woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven; b. groenvoorzieningen; c. sport- en speelvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. verkeer- en verblijfsvoorzieningen; f. water en oeverstroken.
9.3 Bouwactiviteiten 9.3.1 Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken die binnen het bouwvlak Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken die binnen het bouwvlak worden gebouwd gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouwen mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd; b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; c. het aantal woningen mag niet meer dan het bestaande aantal per bouwvlak bedragen dan wel het aangegeven aantal woningen ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden"; d. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer dan respectievelijk 3,5 m en 8,5 m bedragen, dan wel de bestaande hoogten indien deze meer zijn; e. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 3 m te bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is.
9.3.2 Bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:
16
a. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 50% van de oppervlakte van het erf dat zich op meer dan 1 m afstand achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van het dichtst bij de openbare weg gesitueerde hoofdgebouw bevindt; b. bijbehorende bouwwerken en overkappingen dienen ten minste 3 m achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van het dichtst bij de openbare weg gesitueerde hoofdgebouw te worden gebouwd, met dien verstande dat:indien het bouwperceel groter is dan 500 m² de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen ten hoogste 75 m² mag bedragen; c. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen niet meer dan 20 m² mag bedragen; d. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer dan 3 m bedragen; e. in uitzondering op het bepaalde onder b mag een overkapping achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van het dichtst bij de openbare weg gesitueerde gebouw worden gebouwd; f. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken en aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw bedragen tot een maximum van 3,5 m, dan wel de bestaande goothoogte; g.
de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken en aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6,5 m bedragen, met dien verstande dat:de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken en aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken ten minste 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; h. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken en aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken die binnen een afstand van 3 m tot de bouwperceelgrens worden gebouwd, niet meer dan 5 m mag bedragen; i. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer is; j. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 5 m bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is.
9.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de voorgevel (en het verlengde daarvan) van het dichtst bij de openbare weg gesitueerde hoofdgebouw mag niet meer dan 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; c. per bouwperceel mag niet meer dan 1 zwembad worden gerealiseerd, met dien verstande dat: 1. de oppervlakte van het zwembad niet meer dan 40 m² mag bedragen; 2. het zwembad ten minste 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw dient te worden gebouwd; 3. de afstand van het zwembad tot de perceelgrens niet minder dan 3 m mag bedragen; 4. de bouwhoogte van het zwembad niet meer dan 1 m boven het peil mag bedragen; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
9.4 Afwijken van de bouwactiviteiten
9.4.1 Hogere goothoogte Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.3.1 onder d voor een hogere goothoogte van niet meer dan 6 m over een lengte van maximaal 6 m binnen het bestaand dakvlak, met dien verstande dat de goothoogte uitsluitend aan één zijde van het hoofdgebouw mag worden verhoogd en is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 9.4.2.
9.4.2 Beoordelingsregels
17
Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. de verschijningsvorm van karakteristieke panden; c. het straat- en/of bebouwingsbeeld; d. de verkeersveiligheid; e. de milieusituatie; f. de sociale veiligheid.
artikel 10 Waarde - Archeologie 2 10.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 2. In geval van strijdigheid van regels, gaan de regels van dit artikel vóór de overige regels die ingevolge andere artikelen opgenomen in deze regels van toepassing zijn.
10.2 Gebruiksactiviteiten De voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen locatie heeft, naast de andere voor die gronden aangewezen gebruiksactiviteiten tevens de functie voor het herstel en behoud van archeologische waarden.
10.3 Bouwactiviteiten 10.3.1 Toegestaan Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten te verlenen, mits het bouwplannen betreft: a. die betrekking hebben op het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. b. waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 500 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm -Mv; c. die plaatsvinden ter plaatse van een bestaande spoorweg die zich boven het oorspronkelijke maaiveld bevindt. Hier geldt dat de verplichting in lid 10.3.2 sub a pas van toepassing is bij werkzaamheden die het oorspronkelijk maaiveld verstoren, waarbij ook de regels zoals opgenomen in lid 10.3.3 van toepassing zijn.
10.3.2 Vergunningplicht a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend mits archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarbij is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 10.3.3 Beoordelingsregels. b. Indien de aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld is lid 10.3.3 sub b, is lid 10.3.1 niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Lid 10.3.3 blijft overeenkomstig van toepassing.
10.3.3 Beoordelingsregels a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt
18
overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
10.4 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.4.1 Toegestaan Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren die: a. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van dit wijzigingsbesluit; b. het normale onderhoud betreffen; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; d. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
10.4.2 Vergunningplicht Met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is het toegestaan de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 500 m2; b. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden; mits is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 10.4.3 Beoordelingsregels
10.4.3 Beoordelingsregels a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de
19
omgevingsvergunning niet verleend.
artikel 11 Waarde - Archeologie 4 11.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 4. In geval van strijdigheid van regels, gaan de regels van dit artikel vóór de overige regels die ingevolge andere artikelen opgenomen in deze regels van toepassing zijn.
11.2 Gebruiksactiviteiten De voor ‘Waarde – Archeologie 4' aangewezen locatie heeft, naast de andere voor die gronden aangewezen gebruiksactiviteiten tevens de functie voor het herstel en behoud van archeologische waarden.
11.3 Bouwactiviteiten Aanvullend op de voor de locaties toegestane bouwactiviteiten gelden óók de bouwregels van dit lid.
11.3.1 Toegestaan Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten te verlenen, mits het bouwplannen betreft: a. die betrekking hebben op het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. b. waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 5.000 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm Mv; c. die plaatsvinden ter plaatse van een bestaande spoorweg die zich boven het oorspronkelijke maaiveld bevindt. Hier geldt dat de verplichting in lid 11.3.2 sub a pas van toepassing is bij werkzaamheden die het oorspronkelijk maaiveld verstoren, waarbij ook de regels zoals opgenomen in lid 11.3.3 van toepassing zijn.
11.3.2 Vergunningplicht a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend mits archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarbij is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 11.3.3 Beoordelingsregels b. Indien de aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld is lid 11.3.3 sub b, is lid 11.3.1 niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Lid 11.3.3 blijft overeenkomstig van toepassing.
11.3.3 Beoordelingsregels a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de
20
gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
11.4 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.4.1 Toegestaan Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren die: a. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van dit wijzigingsbesluit; b. het normale onderhoud betreffen; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; d. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
11.4.2 Vergunningplicht Met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is het toegestaan de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 5.000 m2; b. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden; mits is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 11.4.3 Beoordelingsregels
11.4.3 Beoordelingsregels a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
artikel 12 Waarde - Archeologie 5
21
12.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 5. In geval van strijdigheid van regels, gaan de regels van dit artikel vóór de overige regels die ingevolge andere artikelen opgenomen in deze regels van toepassing zijn.
12.2 Gebruiksactiviteiten De voor ‘Waarde – Archeologie 5' aangewezen locatie heeft, naast de andere voor die gronden aangewezen gebruiksactiviteiten tevens de functie voor het herstel en behoud van archeologische waarden.
12.3 Bouwactiviteiten 12.3.1 Toegestaan Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten te verlenen, mits het bouwplannen betreft: a. die betrekking hebben op het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. b. waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 10.000 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm Mv; c. die plaatsvinden ter plaatse van een bestaande spoorweg die zich boven het oorspronkelijke maaiveld bevindt. Hier geldt dat de verplichting in lid 12.3.2 sub a pas van toepassing is bij werkzaamheden die het oorspronkelijk maaiveld verstoren, waarbij ook de regels zoals opgenomen in lid 12.3.3 van toepassing zijn.
12.3.2 Vergunningplicht a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend mits archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarbij is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 12.3.3 Beoordelingsregels. b. Indien de aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld is lid 12.3.3 sub b, is lid 12.3.1 niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Lid 12.3.3 blijft overeenkomstig van toepassing.
12.3.3 Beoordelingsregels a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de
22
Erfgoedwet. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
12.4 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.4.1 Toegestaan Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren die: a. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van dit wijzigingsbesluit; b. het normale onderhoud betreffen; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; d. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
12.4.2 Vergunningplicht Met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is het toegestaan de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 10.000 m2; b. het verlagen van het waterpeil of het bemalen van gronden; mits is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 12.4.3 Beoordelingsregels
12.4.3 Beoordelingsregels a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
23
hoofdstuk 3 algemene regels artikel 13 Juridische regelingen TAM-omgevingsplan 13.1 Relatie met Omgevingsplan Dijk en Waard Dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Actualisatieplan 2 Dijk en Waard gericht op het herstel van ommisies en het herbestemmen van enkele locaties en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22K) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
13.2 Leeswijzer TAM-regels en Omgevingsplan Dijk en Waard De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) moet als volgt worden gelezen: Voorliggend TAMomgevingsplan
Omgevingsplan Dijk en Waard
Regels
Hoofdstuk 22K Actualisatieplan 2 Dijk en Waard
Hoofdstukken 1, 2, 3, en 4
Paragrafen (22K.1 t/m 22K.4) van hoofdstuk 22K Actualisatieplan 2 Dijk en Waard
Artikelen
Artikel 22K.x.x in de paragrafen
Bijlagen
Bijlagen 22K inclusief nummering en naam
13.3 Toepassingsbereik 13.3.1 Bestemmingsplannen in omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in lid 1.3.
13.3.2 Relatie met de Bruidsschat De regels in afdeling 22.2 ,met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in deze regels.
13.3.3 Aanvraagvereisten De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze regels.
13.3.4 Geometrische werkingssfeer voorliggend TAM-omgevingsplan Deze regels zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Actualisatieplan 2 Dijk en Waard,
24
waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1980.TAM22KACTUALSATIE2-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en 'Regels op de kaart'
artikel 14 Anti-dubbeltelbepaling Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
artikel 15 Toepassingsbereik Bouw- en gebruiksactiviteiten Op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Actualisatieplan 2 Dijk en Waard zijn uitsluitend de bouw- en gebruiksactiviteiten toegestaan zoals die zijn opgenomen in deze regels. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
artikel 16 Algemene gebruiksactiviteiten 16.1 Activiteit aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven Het is toegestaan om aan huis verbonden beroepen en bedrijven uit te oefenen, mits: a. een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken vallen binnen de locaties ‘Wonen-1’, ‘Wonen-Broekhorn 2017’ , 'Wonen-Buitengebied' en 'Wonen-Vrijstaand'; b. de gezamenlijke vloeroppervlakte van de activiteit maximaal 30% van de bestaande bebouwing per bouwperceel bedraagt; c. bij een webwinkel opslag van goederen binnen het maximaal toegestane oppervlak voor de bedrijfsmatige activiteit blijft, geen afhaaladres en geen uitstalling ten verkoop aanwezig is; d. bij gastouderopvang het aantal op te vangen kinderen niet meer mag bedragen dan 6 kinderen; e. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven plaatsvindt; f. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt; g. de activiteit geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving; h. een beroep of bedrijf aan huis wordt door de bewoner zelf uitgeoefend.
16.2 Bestemmingsplan Westrand in Sint Pancras - artikel 3 Tuin 16.2.1 Toepassingsbereik De regel in artikel 16, lid 16.2 is van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als "overige zone - tuinen Gedempte Veert" en wijzigt het bestemmingsplan Westrand in Sint Pancras, vastgesteld op 13 september 2022, artikel 3 Tuin, lid 3.1 Bestemmingsomschrijving. De aanpassing is met doorhalen (verwijderd) en vet (nieuwe tekst) in lid 16.2.2 weergegeven. De regel in 16.2.2 gaat vóór op artikel 3 Tuin, lid 3.1 bestemmingsplan Westrand in Sint Pancras.
16.2.2 Aanpassing artikel 3 Tuin, lid 3.1 3.1 Bestemmingsomschrijving
25
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. groenvoorzieningen; c. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. water en oeverstroken. De gronden die zijn bestemd voor 'Tuin' maken geen deel uit van het achtererfgebied zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 Bijlage II Besluit omgevingsrecht “gebouwerf” zoals bedoeld in bijlage I. bij artikel 1.1 Besluit bouwwerken leefomgeving (A. Begrippen: algemeen) dan wel diens rechtsopvolger en zijn daardoor geen achtererfgebied. Het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken (zoals bijgebouwen, uitbouwen en overkappingen) is daardoor niet toegestaan.
16.3 Bedrijfsverzamelgebouwen 16.3.1 Toepassingsbereik De regel in artikel 16, lid 16.3.2 is van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als "overige zone bedrijfsverzamelgebouwen niet toegestaan" en wijzigt de bedrijfsbestemmingen in de volgende bestemmingsplannen met bijbehorende wijzigingsplannen: a. bestemmingsplan Bedrijventerreinen in Langedijk NL.IMRO.0416.BPBTLangedijk2012-va01 b. bestemmingsplan De Vaandel Midden NL.IMRO.0398.BP49DEVAANDEL-VA01 c. bestemmingsplan De Vork NL.IMRO.03980000DeVorkd. bestemmingsplan Zandhorst e.o. NL.IMRO.03980000ZandhorstOHDe aanpassing is met vet in lid 16.3.2 weergegeven en vult de geldende bedrijfsbestemmingen in de bovengenoemde bestemmingsplannen aan.
16.3.2 Aanpassing Begrippen en bedrijfsbestemmingen 1 Begrippen Aan de 'Begrippen' van de in lid 16.3.1 genoemde bestemmingsplannen wordt het volgende begrip toegevoegd: "bedrijfsverzamelgebouw": een gebouw, dat dient voor de huisvesting van verschillende bedrijven en kantoren
2 Bedrijfsbestemmingen Aan de bedrijfsbestemmingen van de in lid 16.3.1 genoemde bestemmingsplannen wordt de volgende gebruiksregel toegevoegd: Strijdig gebruik: • Tot een gebruik is strijd met de bedrijfsbestemmingen van de in lid 16.3.1 genoemde bestemmingsplannen wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken als bedrijfsverzamelgebouw, met uitzondering van bedrijfsverzamelgebouwen die met een verleende omgevingsvergunning zijn toegestaan.
16.4 Bedrijfswoning toegestaan 16.4.1 Toepassingsbereik De regel in artikel 16, lid 16.4.2 is van toepassing op de locatie die is aangewezen als "overige zone - bedrijfswoning toegestaan" en vult de bestemming 'Bedrijf - 2' in het bestemmingsplan Zandhorst e.o.
26
NL.IMRO.03980000ZandhorstOH- aan. De aanpassing is met vet in lid 16.4.2 weergegeven.
16.4.2 Aanvulling Bedrijf - 2 Aan de bestemming 'Bedrijf - 2 ' van het in lid 16.4.1 genoemde bestemmingsplan wordt op de locatie die is aangewezen als "overige zone - bedrijfswoning toegestaan" toegevoegd dat er één bestaande inpandige bedrijfswoning is toegestaan.
16.5 Aanvulling TAM-omgevingsplannen 16.5.1 Toepassingsbereik De regel in artikel 16, lid 16.5.2 is van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als "overige zone – aanvulling TAM-omgevingsplannen" en vult het: • TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C Woonontwikkeling Westpoort Heerhugowaard, NL.IMRO.1980.TAM22CWESTPOORTHHW-VA01, vastgesteld 2025-06-24, bestemming Woongebied; • TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Woonontwikkeling Vronermeerweg Sint Pancras, NL.IMRO.1980.TAM22BVRONERMWGSP-VA01, vastgesteld 2025-09-09, bestemming Wonen, aan met de in lid 16.5.2 vet weergegeven regel.
16.5.2 Aanvulling gebruiksactiviteiten Op de voor 'Woongebied” dan wel ‘Wonen’ aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven, met dien verstande dat zelfstandige bewoning van bijbehorende bouwwerken niet is toegestaan;
16.6 Bestemmingsplan De Vaandel Noord - artikel 3 Bedrijf, artikel 4 Groen 16.6.1 Toepassingsbereik De regel in artikel 16, lid 16.6 is van toepassing op de locaties met bestemming 'Bedrijf' en wijzigt het bestemmingsplan De Vaandel Noord, vastgesteld op 9 september 2025, artikel 3 Bedrijf, lid 3.1 Bestemmingsomschrijving. De aanpassing is met vet (nieuwe tekst) in lid 16.6.2 weergegeven. De regel in 16.6.2 gaat vóór op artikel 3 Bedrijf, lid 3.1 bestemmingsplan De Vaandel Noord. De regel in artikel 16, lid 16.6 is van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als "overige zone hoofdontsluiting" en wijzigt het bestemmingsplan De Vaandel Noord, vastgesteld op 9 september 2025, artikel 4 Groen, lid 4.1 Bestemmingsomschrijving. De aanpassing is met vet (nieuwe tekst) in lid 16.6.3 weergegeven. De regel in 16.6.3 gaat vóór op artikel 4 Groen, lid 4.1 bestemmingsplan De Vaandel Noord.
16.6.2 Aanvulling artikel 3 Bedrijf, lid 3.1 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven vanaf milieucategorie 2 tot en met milieucategorie 3.2 als bedoeld in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten,
27
conform de op de verbeelding aangegeven categorie/functieaanduiding, met uitzondering van geluidzoneringsplichtigeen Bevi inrichtingen; b. kantoren en facilitaire voorzieningen slechts ter ondersteuning van bedrijven, zoals bedoeld in 3.1 onder a waaronder begrepen ontvangst-, presentatie-, instructie- en vergaderaccommodatie, fitness- en sportvoorzieningen met daarbij behorende ondergeschikte horeca, met uitzondering van bar/dancings en discotheken; c. afhaalpunten; d. in afwijking op het bepaalde onder a geldt dat ter plaatse van de functieaanduiding 'glastuinbouw' uitsluitend glastuinbouw als bedoeld in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - glastuinbouw is toegestaan; e. ter plaatse van de functieaanduiding 'zonneweide' voor een reeds aanwezige zonneweide voor zonnepanelen; f. ter plaatse van de functieaanduiding 'agrarisch' tevens bestaande agrarische bedrijvigheid; g. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' tevens voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; h.