Bijlage 2 - Nota ruimtelijke kwaliteit Heerhugowaard 2016
Tekst van het document
NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT HEERHUGOWAARD 2016
Concept versie d.d. 18 april 2016
sector dienstverlening - cluster omgevingsvergunning vastgesteld in de raadsvergadering van
28 juni 2016
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING 1.1 Nota ruimtelijke kwaliteit Stroomschema : toetsing aanvraag 1.2 Beleid ruimtelijke kwaliteit 1.3 Toezicht op ruimtelijke kwaliteit 1.4 de KAN bepaling 1.5 aansluiting met landelijke wetgeving 1.6 definitie van openbaar toegankelijk gebied
3 3 6 7 8 9 9 10
2
ALGEMEEN 2.1 Toetsscriteria bij excessen 2.2 Hardheidsclausule 2.3 Algemene criteria ruimtelijke kwaliteit
12 12 14 15
3
GEBIEDSGERICHTE CRITERIA Kaart met de deelgebieden 1 Buitengebied en lintbebouwing 2A Bestaande woonwijken 2B Woonwagenterreinen 2C Nieuwe woonwijken 3 Centrumzone: Stadshart, Stationsgebied, Centrumwaard 4A Zandhorst I, II & III, De Frans, Harlingerstraat 4B Beveland 4C Overtoom 4D De Vaandel en RTIC 5 Kassenconcentratiegebied: Alton I & II 6 Sport-, recreatie- en groene terreinen
20 20 21 23 27 28
OBJECTGERICHTE CRITERIA 4.1 Bestaande stolpboerderijen 4.2 Agrarische bedrijfsgebouwen 4.3 Kunstwerken: hoofdwegenstructuur en beeldende kunst 4.4 Reclames
39 39 41
4
5
SNELTOETSCRITERIA VOOR KLEINE BOUWPLANNEN 5.1 Aan- of uitbouw woning 5.2 Bijgebouw of overkapping 5.3 Dakkapel op woningen 5.4 Dakopbouw op aaneengebouwde woningen met een symmetrisch zadeldak 5.5 Gevelwijziging 5.6 Erfafscheiding 5.7 Rolhek, luik of rolluik in winkelgebied 5.8 Antennes 5.9 Technische installaties 5.10 Beschoeiingen 5.11 Containers voor permanente opslag
29 31 34 35 36 37 38
43 45
58 58 60 62 64 66 67 68 69 71 72 73
1 1.1
INLEIDING NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT
Heerhugowaard is een dynamische en aantrekkelijke plaats om te wonen, te werken en te leven. Veranderingen in onze stad gaan soms snel en soms geleidelijk en door kleinere en grote bouwinitiatieven is Heerhugowaard constant in ontwikkeling. Het beleid in de gemeente bestaat globaal uit drie hoofdzaken: Het Economisch domein, Sociaal domein en het Fysiek domein. Ingrepen op een van de drie domeinen heeft invloed op de andere twee domeinen.
Fysiek domein De nota ruimtelijke kwaliteit valt onder het Fysieke domein. Samen met het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan maakt deze onderdeel uit van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het zijn de instrumenten waarmee de gemeente regie kan voeren op de ruimtelijke verschijningsvorm van gebouwen en hun omgeving en waarin de aanwezige cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een belangrijke rol spelen bij de beleving van ontwikkelingen en (ver)bouwplannen. Het bestemmingsplan stuurt met name op de situering en de hoofdvorm. De nota ruimtelijke kwaliteit en het beeldkwaliteitsplan op gevels, materialisatie en detaillering. Het bestemmingsplan geeft een bouwrecht, maar geen bouwplicht en stuurt niet op beeldkwaliteit. Dit is de reden dat er een overlap aanwezig is tussen het bestemmingsplan en de nota ruimtelijk beleid als het gaat om de situering en de hoofdvorm. Dit gaat voornamelijk op bij de historische linten, het buitengebied en inbreilocaties.
Omgevingsplan Medio 2018 zal het bestemmingsplan en de nota ruimtelijke kwaliteit samengaan in het omgevingsplan. Het nieuwe omgevingsplan geeft regels ter bescherming van de fysieke leefomgeving. De nota wordt hier op hoofdlijnen op aangepast en is samen met het bestemmingsplan te raadplegen op de website: www.ruimtelijkeplannen.nl Ambitie Met de nieuwe nota ruimtelijke kwaliteit wil de gemeente drie onderdelen verwezenlijken: 1. Het beleid vereenvoudigen, minder regels en daar waar het kan vrij laten; 2. De minst kwetsbare gebieden, zoals de bestaande woonwijken en de bestaande industrieterreinen de meeste vrijheid te geven door het welstandsvrije achtererfgebied te introduceren; 3. Bij de meer kwetsbare gebieden zoals de historische linten de ruimtelijke kwaliteit zoveel mogelijk behouden, maar wel door middel van een minimale set van regels. We willen meer vrijheid bieden waardoor iedereen zijn of haar droomhuis kan realiseren. We hebben met deze nota geprobeerd een evenwicht te vinden tussen enerzijds het terugdringen van overbodige en knellende regels waardoor meer vrijheid ontstaat voor de aanvrager en anderzijds het beschermen van onder andere de buren tegen buitensporigheden in het straatbeeld (excessen). We willen allemaal meer vrijheid, zolang dit maar niet tot een chaotisch straatbeeld leidt.
Want welstandsvrij bouwen is leuk, totdat je als bewoner tegen een lelijk bouwwerk aankijkt op het erf van de buren. Ambtelijke toetsing In de nieuwe nota heeft ambtelijke toetsing van de ruimtelijke kwaliteit de grootste rol gekregen. De toetscriteria zijn hierop aangepast. Hiermee komt de huidige constructie met de welstandscommissie te vervallen. In plaats hiervan wordt de onafhankelijke extern adviseur ruimtelijke kwaliteit geïntroduceerd. Deze wordt alleen op afroep ingeschakeld voor ingrijpende plannen en bij beroep- en bezwaarprocedures. Dit is een versnelling en vereenvoudiging van het proces om te komen tot een vergunning. Afhankelijk van de zwaarte van een plan bestaat de mogelijkheid om meerdere soorten externe adviseurs in te schakelen, zoals een stedenbouwkundige, landschapsarchitect en /of architect. Deze onafhankelijke adviseurs kunnen ook in eerdere fasen in het proces ingeschakeld worden bij bijvoorbeeld beoordeling van concept beeldkwaliteitsplannen.
4
Bestaande reclamebeleid Het huidige reclamebeleid stamt uit 2008. Het reclamebeleid bestaat uit een algemeen deel waarin is aangegeven welke reclames niet zijn toegestaan. De basis van wat echt niet mag heeft betrekking op verkeersveiligheid en overlast naar buren. Simpel gezegd: als verkeersdeelnemer let je op je voorganger, verkeer links en recht van je, op stoplichten, verkeersborden etc. Op het moment dat je oog valt op knipperende schermen en ledschermen bij gebouwen langs de weg, dan wil je weten wat er staat. Op dat moment ben je afgeleid en let je niet meer op het verkeer. Op verzoek en in samenwerking met de bedrijfskring is het beleid voor de bedrijventerreinen in 2012 aangepast. Dit had voornamelijk betrekking op afmetingen van zuilen en vlaggenmasten en het vergunningsvrij maken van reclameborden met standaard afmetingen. Heerhugowaard heeft vier specifieke deelgebieden die van elkaar verschillen door voornamelijk het gebruik. Elk gebied heeft eigen regels. - Buitengebied en lintbebouwing: wonen en agrarische functies; - Woonwijken: wonen en werken aan huis; - Centrumgebieden: wonen en winkels; - Bedrijventerreinen; bedrijven
Nieuw Reclamebeleid In de nota Ruimtelijke kwaliteit die op 28 juni in de Raad wordt behandeld is een simpelere versie van het bestaande reclamebeleid gevoegd, maar kan wel gewoon vastgesteld worden. In de Raad van 27 september zal het nieuwe reclamebeleid worden behandeld en aan de nota Ruimtelijke kwaliteit worden toegevoegd. Voor het nieuwe reclamebeleid zijn we op dit moment nog in overleg met de stakeholders van de diverse gebieden. Zij komen met adviezen die de gemeente zal verwerken in het nieuwe beleid. In het nieuwe reclamebeleid blijven de vier deelgebieden behouden. Het gebruik en de activiteiten in deze deelgebieden zijn te verschillend van elkaar. Het buitengebied, lintbebouwing en de woonwijken zijn qua reclamevoering kwetsbaardere gebieden dan bijvoorbeeld de bedrijventerreinen en het stadshart. Voor de vier gebieden wordt een set met regels opgesteld, waarbij steeds gekeken wordt naar de invloed van de reclamevoering ten opzichte van de verkeersveiligheid en de overlast naar buren. Ze zullen globaal bestaan uit: 1. Specifieke onderdelen die niet zijn toegestaan; 2. Standaard afmetingen voor borden en zuilen. Deze zijn vergunningsvrij voor de activiteit ‘Reclame’; 3. Uitzonderingen: zijn altijd mogelijk en worden apart getoetst.
Leeswijzer Op de volgende bladzijde is schematisch aangegeven hoe toetsing aan de nota werkt. Na een korte inleiding over de inhoud en werking van het vernieuwde welstandbeleid zijn in de hoofdstukken 2 tot en met 5 de feitelijke toetscriteria uitgewerkt.
5
6
1.2
BELEID RUIMTELIJKE KWALITEIT
De ruimtelijke kwaliteit bepaald in belangrijke mate de aantrekkelijkheid van Heerhugowaard als plek om te wonen te werken en te recreëren. De nota is één van de instrumenten die erop is gericht om als stad ook aantrekkelijk te blijven. Enerzijds door meer vrijheid te geven aan bewoners maar ook door kwaliteiten te benoemen. Het is lastig om het begrip ruimtelijke kwaliteit eenduidig te definiëren. Het is eerder een gevoel dat hoort bij een plek en wordt bepaald door de beleving van die plek. Er zijn veel aspecten die van invloed zijn op de beleving van ruimtelijke kwaliteit, zoals: gebouwen, ruimte, groen, water, terreininrichting, gebruiksmogelijkheden, enzovoort. Het doel van de nota is om de ruimtelijke kwaliteit van de (gebouwde) omgeving een rol te geven in het proces van ontwikkelen en bouwen, en daarmee bij te dragen aan het behouden of maken van een aantrekkelijke leefomgeving. Daarbij kan het gaan om waarden die betrekking hebben op stedebouw, architectuur, cultuurhistorie, groen en landschap. De belangrijkste hiervan zijn vertaald in de nota. De gebiedsgerichte aanpak voor de ruimtelijke kwaliteit blijft van toepassing. De gebieden zijn net als in de vorige nota samengevoegd op basis van ruimtelijke kenmerken en mate van samenhang en voorzien van passende toetsingscriteria. De indeling van de deelgebieden is uitgewerkt op de overzichtskaart op bladzijde 20.
Het ene gebied is gevoeliger voor ingrepen dan het andere. Het historisch lint en het buitengebied heeft meer bescherming nodig dan de Overtoom en gebieden die niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied. Dit bepaald ook de keuze waar wel en niet voldaan hoeft te worden aan de toets ruimtelijke kwaliteit en waar de toetscriteria soepeler en minder soepel zijn. Bij geheel nieuwe wijken of ontwikkelingen grijpt de gemeente haar kans om met behulp van het beeldkwaliteitsplan een robuuste basiskwaliteit neer te leggen. In de nota wordt onderscheid gemaakt tussen vier verschillende gebieden: 1. deelgebieden die vrij zijn van de toets ruimtelijke kwaliteit: o 2B Woonwagenterreinen; o 4C Overtoom; o 5 Kassenconcentratiegebied: Alton I en II o 6 sportcomplex de Vork 2. deelgebieden die vallen onder de toets ruimtelijke kwaliteit: o Alle overige deelgebieden. 3. deelgebieden die vallen onder de toets ruimtelijke kwaliteit, maar waarvan het achtererfgebied vrij is van toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: o 2A Bestaande woonwijken; o 4A Zandhorst, de Frans en Harlingerstraat 4. ontwikkelgebieden die door een supervisieteam getoetst worden aan een beeldkwaliteitsplan. Na gereedkomen van een ontwikkelgebied vervalt de toetsing aan het beeldkwaliteitsplan en wordt teruggevallen op bestaande deelgebieden van de nota, net zoals dat voor de bestaande woonwijken geldt.
7
Daar waar de toets van ruimtelijke kwaliteit wordt losgelaten ligt de verantwoordelijkheid van het uiterlijk van een bouwwerk nu voor het grootste gedeelte bij de bewoners en gebruikers. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de gemeente nog gebruik maken van de excessenregeling. Let op: De excessenregeling geld voor het hele grondgebied van de gemeente Heerhugowaard. De kern van de nota ruimtelijke kwaliteit wordt verder gevormd door de toetscriteria. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten criteria voor: 1. gebieden; 2. objecten zoals stolpen, agrarische bedrijfsgebouwen en reclames; 3. sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen.
1.3
TOEZICHT OP RUIMTELIJKE KWALITEIT
Iedereen die iets nieuws wil bouwen of iets aan een bestaand gebouw wil veranderen, kan vooraf nagaan of hiervoor een omgevingsvergunning nodig is. Wanneer voor een bouwplan een vergunning nodig is, zal de gemeente de aanvraag toetsen aan de nota ruimtelijke kwaliteit. De gemeenteraad is de instantie die de nota ruimtelijke kwaliteit vaststelt. De nota bevat criteria en kaders waaraan het uiterlijk van een bouwplan moet voldoen. Het college van B&W voert het beleid uit en heeft hiervoor de ambtelijke organisatie en de onafhankelijke extern adviseur omgevingskwaliteit aangesteld. Toetsing van ontwikkelingen en (ver)bouwplannen geschiedt op basis van de criteria uit de nota. Ook het reclamebeleid is een onderdeel van de nota ruimtelijke kwaliteit. Het college van B&W volgt in de regel het advies van de ambtelijk adviseur omgevingskwaliteit en/of de onafhankelijke extern adviseur ruimtelijke kwaliteit, maar heeft de mogelijkheid om hier gemotiveerd van af te wijken. De onafhankelijke extern adviseur omgevingskwaliteit werkt in volle openbaarheid aan de hand van de vastgestelde criteria die voor iedereen beschikbaar zijn. Initiatiefnemers en/of architecten en ontwerpers worden gestimuleerd om een afspraak maken om bij de behandeling van hun bouwplan in de vergadering aanwezig te zijn of een toelichting te geven. Belangstellenden kunnen als toehoorder de vergadering bijwonen.
De vergadering is openbaar. Wij vinden het belangrijk en stimuleren de initiatiefnemers om een plan dat zich in de ontwikkelfase bevind voor te leggen aan de adviseurs en te laten beoordelen op aspecten van ruimtelijke kwaliteit. In het vooroverleg kan door de ambtenaar of extern adviseur op hoofdlijnen worden aangegeven of een te zijner tijd in te dienen definitief plan aan de nota kan gaan voldoen. Wanneer een negatief advies over een aanvraag wordt gegeven, kan een zogenaamd collegiaal overleg worden aangevraagd. Tijdens dit informele overleg wordt het advies toegelicht en bestaat de mogelijkheid om een gewijzigd voorstel te bespreken. Het collegiale overleg helpt een aanvrager bij het wijzigen van een (bouw)plan en versoepelt een verdere afhandeling.
8
1.4
KAN-BEPALING
Met ingang van 1 maart 2013 is een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden waarmee de ‘kan-bepaling’ is geïntroduceerd. Dit houdt in dat het verplichte advies van de welstandscommissie of stadsbouwmeester, is vervangen door de keuzemogelijkheid van een onafhankelijk advies, of een ambtelijke toets. Op grond hiervan heeft het college van B&W er voor gekozen om de toetsing op de meeste onderdelen ambtelijk te laten uitvoeren. Dit betekent vereenvoudiging van toetsing en minder regeldruk. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt nog advies gevraagd aan een onafhankelijke extern adviseur ruimtelijke kwaliteit. Dit gebeurt bij ingrijpende plannen en bij beroep- en bezwaarprocedures. De mogelijkheid bestaat om meerdere soorten externe adviseurs in te schakelen, zoals een stedenbouwkundige, landschapsarchitect en /of architect.
1.5
AANSLUITING MET LANDELIJKE WETGEVING: TOETS RUIMTELIJKE KWALITEIT - VERGUNNINGSVRIJ BOUWEN
De regels voor de toets ruimtelijke kwaliteit moeten vooral makkelijk en eenvoudig toetsbaar zijn en zoveel mogelijk verwarring voorkomen. Dit is de reden dat we aansluiting hebben gezocht bij de systematiek en definities van de landelijke regeling vergunningsvrij bouwen. Bouwmogelijkheden Op het moment dat je wilt gaan bouwen op een perceel moeten eerst twee zaken worden uitgezocht: 1. past het bouwwerk in het bestemmingsplan? 2. is het bouwwerk vergunningsvrij? Om dit te kunnen bepalen moet men zich eerst verdiepen in het bestemmingsplan en de landelijke regeling vergunningsvrij bouwen. Het bepalen of een bouwwerk vergunningsvrij is werkt als volgt: a. bepaal het oppervlak van het oorspronkelijke hoofdgebouw (archief); b. bepaal het oppervlak van het huidige hoofdgebouw; c. bereken het oppervlak van het achtererfgebied; d. bereken het bebouwingsgebied; e. bereken het maximaal oppervlakte aan vergunningsvrije bouwwerken. Dit is een ingewikkelde zaak en moet altijd op voorhand uitgezocht worden voordat men aan de nota ruimtelijke kwaliteit toekomt. Met bovenstaande gegevens kan men bepalen of het bouwplan vergunningsvrij is. Zie ook de website www.omgevingsloket.nl. Met deze gegevens is het daarna makkelijk te controleren of het bouwplan volgens de nota ruimtelijke kwaliteit welstandsvrij is, omdat deze ook van hetzelfde gebied uitgaat.
9
Uitzondering op de regel In de uitzonderlijke situatie waar het achtererf van een perceel gericht is naar het openbaar gebied en er links en/of rechts woningen of bedrijven staan met de voorkant gericht naar dit openbaar gebied, dan valt dit gebied onder de toets ruimtelijke kwaliteit. Voor deze uitzondering op de regel is bewust gekozen, voor een gelijke beoordeling als het om nagenoeg een zelfde locatie gaat. Het betreft gebieden langs de openbare weg waar we als gemeente de ruimtelijke kwaliteit belangrijk genoeg vinden om deze uitzondering te maken. Het geld alleen voor deelgebied 2A Bestaande woonwijken en 4A Zandhorst I, II, III, De Frans en Harlingerstraat. Het principe is verbeeld op de tekening op bladzijde 24 en 32.
1.6
OPENBAAR TOEGANKELIJK GEBIED
De nota gaat in veel gevallen uit van de zichtbaarheid vanuit het openbaar toegankelijk gebied. Om misverstanden te voorkomen is hierbij aansluiting gezocht bij de definitie zoals deze vanaf 01 november 2014 wordt gehanteerd bij de landelijke regeling vergunningsvrij bouwen: Openbaar toegankelijk gebied: Een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. Zie hieronder de toelichting. Wat wordt bedoeld met ‘openbaar toegankelijk gebied’? De 'voor-achterkant' benadering uit bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) gaat er kort gezegd vanuit dat aan de 'publieke' voorzijde van gebouwen minder vergunningvrij gebouwd mag worden dan aan de 'private' achterzijde. Daartoe wordt in het Bor gewerkt met het begrip: 'naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd'. Onder openbaar toegankelijk gebied vallen wegen, vaarwater en openbaar groen. Voor de duidelijkheid zullen wij per deel van het openbaar toegankelijk gebied toelichten wat er wel en niet onder valt.
Groen Onder het deel groen van het openbaar toegankelijk gebied moet worden verstaan datgene wat daaronder ook in het normale spraakgebruik wordt verstaan: parken, plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek algemeen toegankelijk zijn. Een element uit het begrip is dat sprake moet zijn van toegankelijk openbaar groen. Het gaat er dus om dat het park of plantsoen 'betreden' kan worden. Snippergroen-restgroen (bijvoorbeeld begroeiing aan de kopzijde van een hoekwoning) is veelal niet toegankelijk en niet bedoeld om te 'betreden'. Dergelijke begroeiing kan dus niet worden aangemerkt als 'openbaar groen'. Ook weiland, bos of water kan niet aangemerkt worden als 'openbaar groen' omdat het niet (voortdurend openbaar) toegankelijk is. Ook al is snippergroen geen openbaar groen, dit betekent niet altijd dat daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde 'niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd'. Van belang hierbij is dat de aanwezigheid van snippergroen de relatie met het openbaar toegankelijk gebied niet 'verbreekt'.
10
De definitie van de wegenverkeerswet die van toepassing is op de definitie van openbare weg beschrijft dat de weg bestaat uit de weg inclusief bermen, etc. Een strook snippergroen langs een weg behoort dan ook tot de openbare weg. Een bouwwerk op een perceel waarnaast eerst een strook snippergroen ligt en daarnaast de weg is dus naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd.
Wegen Uit de definitie van “wegen” uit de Wegenverkeersweg 1994 ("alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten") valt af te leiden dat sprake moet zijn van voor openbaar verkeer openstaande wegen of paden. Een stoep of parkeerplaats direct naast de weg gelegen behoort ook tot de weg. Brandgangen, achterpaden en zijpaden worden in de definitie van openbaar toegankelijk gebied specifiek uitgezonderd: ‘met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaamverkeer’. Dus paden voor voetgangers en fietser die alleen de percelen ontsluiten en dus niet ook voor doorgaand voet- of fietsverkeer worden gebruikt zijn geen openbaar toegankelijk gebied. Op het moment dat er over een brandgang of achterpad ook gemotoriseerde voertuigen mogen rijden is er wel sprake van openbaar toegankelijk gebied.Indien u twijfelt of het pad langs uw erf gezien dient te worden als openbaar toegankelijk gebied, dan adviseren wij u contact op te nemen met de gemeente. Opmerking: Overigens valt het spoor niet onder ‘openbaar toegankelijk gebied’. Vaarwater Het begrip vaarwater geeft aan dat een doorsnee sloot geen openbaar toegankelijk gebied is.
Alleen water, zoals een rivier, gracht, beek, kanaal of weteringen, dat geschikt is om te worden gebruikt door scheepvaart en pleziervaart is openbaar toegankelijk gebied. Achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; Bebouwingsgebied: achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw.
11
2 ALGEMEEN 2.1
CRITERIA BIJ EXCESSE N
EXCESSEN De excessenregeling geeft het kader tussen onder andere burgers (voornamelijk buren) onderling over wat echt een uitspatting, een buitensporigheid is. Als men er gezamenlijk niet uitkomt dan kan een beroep gedaan worden op de gemeente om te bemiddelen en in het uiterste geval in te grijpen in excessieve situaties. De excessenregeling moet gezien worden als een stuk gereedschap indien het echt uit de hand loopt. Een dergelijk systeem past goed bij een gemeente die grote verantwoordelijkheid wil toekennen aan burgers en ondernemers, maar niet wil uitsluiten dat in bepaalde uitzonderlijke gevallen correctief wordt opgetreden. Artikel 12 van de Woningwet biedt het College van B&W de mogelijkheid om repressief tegen excessen op te treden. Met de excessenregeling kunnen buitensporigheden worden aangepakt die de kwaliteit van de stad echt aantasten. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan, maar om een minimale ondergrens te waarborgen. Voordat de gemeente overgaat tot een aanschrijving zal de onafhankelijke adviseur omgevingskwaliteit verzocht worden het bouwwerk te beoordelen. Het advies wordt schriftelijk gemotiveerd en wordt gebaseerd op de criteria genoemd in de excessenregeling.
Daar waar de toets van ruimtelijke kwaliteit wordt losgelaten legt de verantwoordelijkheid van het uiterlijk van een bouwwerk voor het grootste gedeelte bij de bewoners en gebruikers. Een bouwwerk dat niet zichtbaar is vanaf de openbare ruimte wordt overigens niet gezien als een exces. Let op: de excessenregeling is van toepassing op het hele grondgebied van de gemeente Heerhugowaard.
12
CRITERIA BIJ EXCESSEN De gemeente Heerhugowaard hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een echte buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Daarbij geldt, dat er eerder sprake is van exces naarmate een bouwwerk meer zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Er is in ieder geval sprake van een exces bij:
Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, zoals het afdichten van gevelopeningen. Het beplakken/dichtplakken van ruiten met folie, reclames met plakletters, etsglas etc. bij winkels en bedrijven, die zich juist naar de openbare ruimte dienen te presenteren met een optimale transparantie. Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk, waaronder ook aantasting van de kenmerkende hoofdvorm van karakteristieke bebouwing. Armoedig materiaalgebruik bij gevelbetimmeringen en dakbedekkingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaalgebruik zijn bijvoorbeeld industriële beplating en betonplaten met steenmotief tussen beton staanders in woonwijken. (Technische) installaties, antennes met tuidraden en airco’s die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Toepassing van felle of contrasterende kleuren op gevels en daken die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
Opdringerige reclames die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
Reclame voor derden (geld niet voor de sportterreinen).
LCD/LED schermen, bewegende beelden en lichtkranten. Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria).
Indien één van deze aspecten aan de orde is, kan met gebruikmaking van de overige informatie uit de nota ruimtelijke kwaliteit een motivering worden opgezet die bij de aanschrijving wordt toegepast. Ook is de excessenregeling van toepassing indien er sprake is van het nalaten van bepaald handelen waardoor er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand ontstaat. Het gaat daarbij om de volgende situaties: Bij gedeeltelijke afbraak, instorting of verwaarlozing (achterstallig onderhoud) van een bouwwerk.
Indien een bouwwerk aan de buitenzijde geheel of gedeeltelijk in ernstige mate is beschadigd. Indien de detaillering van gevels in ernstige mate wordt verstoord door (onderdelen van) installaties of andere toevoegingen.
Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn in elk geval geen exces.
13
2.2
HARDHEIDSCLAUSULE
In uitzonderlijke gevallen kan het College van B&W afwijken van de nota ruimtelijke kwaliteit. Bijvoorbeeld als het bouwwerk of reclame een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving, maar niet voldoet aan de beleidsregels. In de nota ruimtelijke kwaliteit zijn daarvoor ‘Algemene criteria’ opgenomen. Deze ‘Algemene criteria’ zijn voor onverwachte, experimentele of bijzondere objecten. Stelregel is dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap, naarmate het bouwwerk of reclame zich nadrukkelijker van haar omgeving onderscheidt. Alleen voldoen aan de nota ruimtelijke kwaliteit is dus niet genoeg. Om af te kunnen wijken van de nota moet het plan voorzien zijn van: Een positief advies (schriftelijk gemotiveerd) van de ambtelijk- of onafhankelijke extern adviseur omgevingskwaliteit. Bij reclames dient het plan ook voorzien te zijn van: Een positief advies (schriftelijk gemotiveerd) van de gemeentelijke verkeersdeskundige.
14
2.3
ALGEMENE CRITERI A
Toelichting De algemene criteria die in deze paragraaf worden genoemd richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn 1 terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes . De algemene criteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria. In praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties – wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria ontoereikend zijn – kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte criteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving, maar door bijzondere schoonheid wél voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene criteria. De adviseur omgevingskwaliteit kan burgemeester en wethouders in een dergelijk geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria.
In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. In het volgende worden de algemene criteria stuk voor stuk beschreven. En dat zijn:
Relatie tussen vorm, gebruik en constructie
Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context
Schaal en maatverhoudingen
Relatie tussen bouwwerk en omgeving
Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Materiaal, textuur, kleur en licht
1
De algemene criteria zijn opgesteld in samenwerking met prof. ir Tj. Dijkstra en gebaseerd op de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’ die hij schreef als Rijksbouwmeester in 1985 en die in 2001 werd uitgegeven door 010 Uitgevers.
15
RELATIE TUSSEN VORM, GEBRUIK EN CONSTRUCTIE Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.
RE L AT I E T U S S EN B O UW W E RK EN O M G E VI NG Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de gevels van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.
16
BET EK E NI S S EN V AN VO R M EN IN SO C I AAL - CULT U R EL E CO NT E XT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht.
De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.
17
E V ENW IC HT T US S E N H EL D ER H EI D E N CO M PLE XIT E IT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.
SC H AAL E N M AAT V E RHO U D ING E N Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie.
Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
18
M AT E RI AAL , T E XT UU R, KL E UR EN LI CHT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tastbare kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.
19
3 GEBIEDSGERICHTE CRITERIA
20
1. BUITENGEBIED EN LINTBEBOUWING NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Het open buitengebied en de op de kaart aangegeven historische lintbebouwing vallen onder de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit. Het beleid is hier vooral gericht op het in stand houden en bij nieuwe ontwikkelingen versterken van het karakter en de eenheid van de lintbebouwing langs de weg. De mogelijkheid blijft open tot vernieuwen binnen de bestaande context met behoud van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
CRITERIA Situering
Bij de lintbebouwing gaat het om het behouden en herstellen van het kleinschalige, diverse en ruimtelijke karakter. Waarbij zoveel mogelijk doorzichten mogelijk blijven. Bebouwing is in positie en massa afgestemd op de verkavelingsrichting. Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op de straat. Er wordt niet gebouwd tegen gebouwen die in vorm en massa afwijken. In uitzonderlijke gevallen wordt samengevoegd via een tussenlid met platte afdekking.
Hoofdvorm Per kavel is er één hoofdmassa met een eenduidige hoofdvorm.
De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. De gebouwen bestaan uit een onderbouw met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden. Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa. Nokhoogte van bijgebouwen zijn minimaal 1 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen. Uitzondering hierop zijn de agrarische bedrijven en woonboerderijen, hier geldt dat bijgebouwen in positie en uitwerking ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. In geval van een dwarskap is bij vervangende nieuwbouw de oorspronkelijke richting van de kap maatgevend. Samenvoeging van woningen mag slechts met instandhouding van de korrelgrootte van het lint (de verhoudingen tussen de verschillende bouwvolumes in de directe omgeving moeten visueel intact blijven). Bij hoeksituaties gericht naar het openbaar gebied is er ontwerpaandacht voor de naar het openbaar gebied gerichte gevels. Gevels zijn niet compleet gesloten, maar voorzien van raampartijen.
21
Materiaal, Detail en kleur Renovaties, aan- of verbouwing worden in stijl aangepast aan het oude gebouw: hedendaagse interpretatie op historische kenmerken is mogelijk.
Er wordt aandacht geschonken aan de zorgvuldige vormgeving van de entrees, erkers, dakkapellen, kroonlijsten en dergelijke. Vormgeving, kleur en materiaalgebruik worden afgestemd op het karakter van het pand of de omgeving, zoals baksteen en pannendak. In het algemeen zijn niet toegestaan: wit/grijze betonsteen/ kalkzandsteen, beton-, kunststof- of aluminiumbeplating, geglazuurde dakpannen. Stucwerk van vrijstaande gemetselde woningen is in uitzonderlijke situaties mogelijk. Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn toegestaan als de uitstraling en detaillering vergelijkbaar is met de uitstraling en detaillering van hout. Winkelpuien en straatgerichte gevels van bedrijven en maatschappelijke functies hebben een open karakter, zijn transparant en representatief.
OVERIGE CRITERIA
Voor agrarische gebouwen, oorspronkelijk agrarische stolpboerderijen en reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria. Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria.
22
2A BESTAANDE WOONWIJKEN NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT De bestaande woonwijken vallen gedeeltelijk onder de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en het toezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. Vrij van toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Kleine bouwwerken bij het hoofdgebouw op het achtererf die passen binnen de regels van het bestemmingsplan zijn vrij van de toets ruimtelijke kwaliteit. de excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied. Zie ook het plaatje ‘toets ruimtelijke kwaliteit in bestaande woonwijken’ op de volgende bladzijde. Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Een compleet nieuwe woning en het vergroten van de bestaande woning binnen het bouwvlak (bestemmingsplan) van het hoofdgebouw moet altijd voldoen aan de criteria voor ruimtelijke kwaliteit. Voor de binnenstedelijke herstructureringslocaties zijn aparte criteria opgesteld. Herstructureringslocaties zijn zo beeldbepalend en ingrijpend in de huidige structuur, dat een extra kwaliteitsinspanning gewenst is. Zodra de herstructurering afgerond is, valt deze locatie weer onder de criteria van de bestaande woonwijken.
23
CRITERIA Situering Er wordt aangesloten bij massa, opbouw en hoofdvorm binnen een samenhangend cluster, op het niveau van het blok, de straat of de buurt/wijk. Hoofdvorm
Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken. De eenheid van de totale compositie van de rij wordt bewaakt, maar daarbinnen is variatie van individuele woning mogelijk. De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. De gebouwen bestaan uit een onderbouw met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden. Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa. De nokhoogte van bijgebouwen is minimaal 1,0 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen. Bij rijtjeswoningen worden de ritmische delen van de voorgevels in het blok in stand gehouden (de individuele woning is herkenbaar). Winkels in een groter blok worden in de compositie opgenomen als plint. Op begane grond niveau worden geen gesloten gevels gericht op de openbare ruimte. Bij maatschappelijke en publieksgerichte functies is er aandacht voor gebouwentrees in relatie tot de omgeving. vormgeving van gevels en dak worden afgestemd op de karakteristiek van het pand of de belendende panden
Materiaal, Detail en kleur De materialisatie en kleurgebruik wordt per blok of deelgebied afgestemd (hoofdkleur gevels handhaven). Het toevoegen van kleuraccenten door variatie in de kleur van kozijnen en/of panelen en dergelijke is mogelijk.
Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn toegestaan als de uitstraling en detaillering vergelijkbaar is met de uitstraling en detaillering van hout. De bebouwing heeft aan de kant van de openbare ruimte representatieve gevels. Winkelpuien en straatgerichte gevels van bedrijven en maatschappelijke functies hebben een open karakter, zijn transparant en representatief.
OVERIGE SCRITERIA
Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria.
25
AANVULLENDE CRITERIA BINNENSTEDELIJKE HERSTRUCTURERINGSLOCATIES Herstructureringslocaties zijn zo beeldbepalend en ingrijpend in de huidige structuur, dat een extra kwaliteitsinspanning gewenst is. Naast de criteria van het deelgebied gelden voor de herstructureringslocaties de volgende criteria: Situering Schaalvergroting is alleen mogelijk indien de korrelgrootte in stand wordt gehouden (de verhoudingen tussen de verschillende bouwvolumes in de directe omgeving moeten visueel intact blijven). Bij vervangende nieuwbouw en de invulling van leegtes en bij de wandvorming door grotere volumes, wordt aandacht geschonken aan de geleding van de gevels en vormgeving van de ‘koppen’.
Eigen terreininrichting maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave.
Hoofdvorm
Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken. Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op de straat. Aan de verschijningsvorm van meerzijdig georiënteerde gebouwen worden hoge architectonische eisen gesteld. Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één of meer lagen met een hellend dak of een terugliggende verdieping. Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen. Geen gesloten gevels op straatniveau. Accentuering in bouwhoogte van hoeken is mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie. De schaal van de bebouwing wordt aangesloten bij de gewenste wandvorming. Speciale aandacht is er in geval van aansluiting op de historische lintbebouwing, bijvoorbeeld door middel van lagere bebouwing.
Materiaal, Detail en kleur Afwisseling van gebouwen met hedendaagse of historische detaillering en materiaalgebruik is mogelijk.
Er is bijzondere aandacht voor de vormgeving van de ingangen. Kleuraccenten zijn mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie. Waar achtererfafscheidingen grenzen aan openbaar gebied, wordt deze mee ontworpen. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria.
Zodra de herstructurering afgerond is, valt deze locatie weer onder de criteria van de bestaande woonwijken.
26
2B
WOONWAGENTERREINEN
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Géén toetsing aan ruimtelijke kwaliteit In de gemeente zijn aan de Diamant, Kopermolen, Van Veenweg en Tijm woonwagenterreinen gelegen. Deze terreinen kenmerken zich door de toename van permanente bouwwerken dicht op elkaar, op een terrein dat vroeger een semi-permanent karakter had. In het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden om op deze plekken een woning te bouwen. De terreinen zijn voornamelijk naar binnen gericht. Om deze reden is toetsing aan ruimtelijke kwaliteit niet noodzakelijk. Er worden geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de woonwagens en woningen gesteld zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan. De excessenregeling is wel van toepassing voor dit gebied.
27
2C
NIEUWE WOONWIJKEN
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Voor nieuwe woonwijken zoals de Draai, Broekhorn en Noordereiland is de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit van toepassing. Om toetsing mogelijk te maken zijn door de raad beeldkwaliteitplannen vastgesteld.
CRITERIA In de beeldkwaliteitplannen zijn de criteria opgenomen die tijdens de ontwikkelingsfase fungeren als kader voor de toets van de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit. Als een deelgebied of de wijk is afgebouwd, wordt daarna getoetst aan deelgebied ‘2A Bestaande woonwijken’.
28
3
CENTRUMZONE: STADSHART, STATIONSGEBIED, CENTRUMWAARD
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit De centrumzone valt onder de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit vanwege de centrale ligging en centrumfunctie voor Heerhugowaard. Het toezicht is gericht op het, binnen de diversiteit van de bebouwingsvormen, behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Gebaseerd op de uitgangspunten voor de ontwikkeling van de verschillende gebieden zijn criteria opgesteld die de gewenste ruimtelijke kwaliteit ondersteunen.
CRITERIA Situatie Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op het openbaar gebied.
Gebouwen zijn zo in de omgeving geplaatst, dat een aangename openbare ruimte tussen de verschillende gebouwen ontstaat die als straat, steeg of voetgangers- of langzaamverkeerszone gebruikt kan worden. Eigen terreininrichting maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave.
Hoofdvorm Gebouwen zijn individueel en afwisselend, met een heldere krachtige hoofdvorm.
Maat en schaal van de gebouwen sluit aan bij de belendende panden. Bij functiemenging op gebouwniveau zijn functies afleesbaar in de gevelopbouw. Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken. Winkels in een groter blok worden in de compositie opgenomen als plint. De hoofdingangen van de gebouwen zijn gelegen aan voorzijde/straatzijde en zijn duidelijk herkenbaar in het gevelbeeld.
de
Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen. Aan de verschijningsvorm van de voorgevel en in het zicht zijnde zijgevels wordt extra ontwerpaandacht gevraagd. Op beganegrond niveau worden geen gesloten gevels gericht op de openbare ruimte. Bijgebouwen ontbreken of zijn in opzet en schaal sterk ondergeschikt. Deze worden bij voorkeur ondergebracht in het hoofdgebouw. Bebouwing in Centrumwaard heeft een kapvorm of de kap is terugliggend met een gevel vormgegeven.
29
Toegangen naar parkeergarages, parkeergarage-inritten, opslagruimten, laad- en losruimten en andere utilitaire ruimten moeten van hoge kwaliteit zijn en passen bij de architectuur van het totale gebouw. Winkelpuien hebben een open karakter, zijn transparant en representatief. Afvoerkanalen (lucht/rookgas/ventilatie) worden in hoogte beperkt. Er worden geen buizen langs de gevel aangebracht. Afvoerkanalen worden bij voorkeur uitgevoerd als filter, waarmee de hoogte minimaal kan blijven. Voor de plaatsing van het filter gelden de sneltoetscriteria voor technische installaties.
Materiaal, Detail en kleur Kleuraccenten zijn mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie. Materialen en detaillering zijn van hoge kwaliteit.
Materiaal en kleurgebruik worden afgestemd op het gebouwontwerp en de omgeving. Bijzondere functies/situaties kunnen hiervan afwijken.
OVERIGE CRITERIA
Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria.
30
4A
ZANDHORST I, II & III, DE FRANS, HARLINGERSTRAAT
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT De bestaande bedrijventerreinen vallen gedeeltelijk onder de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en het toezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied.
Vrij van toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Kleine bouwwerken op het achtererf die passen binnen de regels van het bestemmingsplan zijn vrij van de toets ruimtelijke kwaliteit. de excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied. Zie ook het plaatje ‘toets ruimtelijke kwaliteit op bedrijventerreinen’ op de volgende bladzijde.
Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Een compleet nieuw bedrijfsgebouw en het vergroten van het bestaande bedrijfsgebouw binnen het bouwvlak (bestemmingsplan) van het hoofdgebouw moet altijd voldoen aan de criteria voor ruimtelijke kwaliteit. Kleine bouwwerken op het hoofdgebouw zijn in veel gevallen vrij van de toets ruimtelijke kwaliteit’. Zie hiervoor de sneltoetscriteria in hoofdstuk 5.
31
32
CRITERIA Situatie Als er sprake is van meerdere gebouwen op één perceel dan wordt aandacht gevraagd voor samenhang en positie tussen de gebouwen en de inrichting van het terrein.
De bebouwing die de bebouwingsgrens (rooilijn) overschrijdt, levert in kwalitatief opzicht een meerwaarde voor het straatbeeld op. Bij de inrichting van het buitenterrein met parkeerplaatsen is altijd sprake van een groenzone met ruimte voor beplantingen en /of bomen.
Hoofdvorm Gevels zichtbaar vanaf doorgaande hoofdroutes dienen als voorgevel uitgevoerd te worden. Bijvoorbeeld langs Westerweg en Westtangent, waar bebouwing een tweezijdige oriëntatie heeft.
Er is ontwerpaandacht voor naar het spoor gerichte gevels. De hoofdingangen van de gebouwen zijn gesitueerd aan de voorzijde/ straatzijde en zijn duidelijk herkenbaar in het gevelbeeld. Representatieve ruimtes worden zoveel mogelijk aan de voorzijde gesitueerd. Op beganegrond niveau worden geen gesloten gevels gericht op de openbare ruimte. Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen. Technische installaties op het gebouw worden geïntegreerd vormgegeven. Losgeplaatste bijgebouwen, zoals fietsenstallingen en technische ruimtes, zijn ondergeschikt en tonen verwantschap met het ontwerp en het materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
Materiaal, Detail en kleur Het materiaalgebruik (productie)hal.
van
het
kantoorgedeelte
wijkt
af
van
de
Per bedrijfspand wordt één hoofdkleur gebruikt. Hekwerken worden bij voorkeur gecombineerd met groene hagen of beplanting in beperkte hoogte en op eigen terrein.
OVERIGE CRITERIA
Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria.
33
4B
BEVELAND
NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Beveland valt onder de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit dat vooral gericht is op de ontwikkeling van een aantrekkelijk bedrijventerrein. De nadruk in het beleid ligt op het bewaken van de samenhang op het terrein en de bebouwing. Hierin zijn naast het karakter van het gebied zelf de ontwikkelingen van een ziekenhuis en het Stationsgebied mede bepalend. CRITERIA Situatie De gebouwen zijn vormgegeven als zelfstandige elementen en ruim op de kavel gesitueerd.
Er is één helder vormgegeven hoofdgebouw per kavel. Er is samenhang tussen de gebouwen en de inrichting van het terrein Bij de inrichting van het buitenterrein met parkeerplaatsen is altijd sprake van een groenzone met ruimte voor beplantingen en /of bomen.
Hoofdvorm Er is diversiteit in vormgeving. Elk gebouw heeft een eigen vormgeving met aandacht voor architectonische kwaliteit en representatie.
Gevels zichtbaar vanaf doorgaande hoofdroutes (Westtangent en spoorzijde), dienen als voorgevel uitgevoerd te worden. (De betreffende bebouwing heeft een tweezijdige oriëntatie.) De hoofdingangen van de gebouwen zijn gesitueerd aan de voorzijde/ straatzijde en zijn duidelijk herkenbaar in het gevelbeeld. Representatieve ruimtes worden zoveel mogelijk aan de voorzijde gesitueerd. Er worden geen gesloten gevels gericht op het openbaar gebied. Technische installaties op het gebouw worden geïntegreerd vormgegeven. Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen.
Materiaal, Detail en kleur Materiaaltoepassing en kleurgebruik is op basis van één hoofdmateriaal en hoofdkleur per bedrijfspand.
Detaillering wordt afgestemd op de gebruikte architectuurstijl. Losgeplaatste bijgebouwen, zoals fietsenstallingen en technische ruimtes tonen verwantschap met het ontwerp en de materialisering van het hoofdgebouw.
OVERIGE CRITERIA
Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria. Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria.
34
4C
OVERTOOM
NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT Géén toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit Vanwege de geïsoleerde ligging en autonome ontwikkeling van deze locatie acht de gemeente de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit hier minder zinvol. De gemeente stelt geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en reclames zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan.
CRITERIA Indien de gemeente wil meewerken aan een bouwplan dat niet past binnen het bestemmingsplan, zal in ieder geval goedkeuring van de adviseur omgevingskwaliteit nodig zijn. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de algemene criteria.
RECLAMES Reclames in het gebied zijn welstandsvrij zolang er géén reclame wordt gemaakt voor derden, geen LED schermen en bewegende beelden worden toegepast en er geen vergunning nodig is voor de activiteit Bouwen waarbij een ontheffing van het bestemmingsplan nodig is. Zie ook paragraaf 4.4: Reclames, deelgebied 4C: Overtoom.
EXCESSEN De excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied.
35
4D
DE VAANDEL EN RTIC
NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT: DE VAANDEL Wel toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit Het bedrijventerrein de Vaandel is nog in ontwikkeling. Door de raad is een beeldkwaliteitplan vastgesteld.
CRITERIA DE VAANDEL Tijdens de ontwikkelingsfase fungeert het beeldkwaliteitplan als toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit. In het beeldkwaliteitplan zijn kwaliteitszones benoemd en criteria opgenomen aan de hand waarvan een supervisieteam een bouwplan beoordeeld. Zodra de ontwikkeling van de locatie is afgerond en alle kavels bebouwd zijn zal het toezicht conform het nabij gelegen bedrijventerrein Zandhorst van toepassing worden. Er zal dan getoetst worden aan de criteria van deelgebied 4A Bedrijventerreinen.
RECLAMES Voor reclames zijn er aanvullende objectcriteria opgenomen in paragraaf 4.4: Reclames, deelgebied 4, bedrijventerreinen 4A, 4B en 4D.
WELSTANDSNIVEAU RTIC RTIC is het gebied in het verlengde van deelgebied 4B Beveland. Voor dit gebied is een beeldkwaliteitplan vastgesteld.
CRITERIA RTIC Tijdens de ontwikkelingsfase fungeert het beeldkwaliteitplan als toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit.. Zodra de ontwikkeling van de locatie is afgerond en alle kavels bebouwd zijn zal het toezicht conform het nabij gelegen bedrijventerrein Beveland van toepassing worden. Er zal dan getoetst worden aan de criteria van deelgebied 4B Beveland.
RECLAMES Voor reclames zijn er aanvullende objectcriteria opgenomen in paragraaf 4.4: Reclames, deelgebied 4, bedrijventerreinen 4A, 4B en 4D.
36
5 KASSENCONCENTRATIEGEBIED: ALTON I & II NIVEAU RUIMTELIJKE KWALITEIT Géén toetsing aan de nota ruimtelijke kwaliteit
Vanwege de autonome ontwikkelingen van deze locaties acht de gemeente de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit hier minder zinvol. Aan de randen van dit gebied zijn beperkingen opgelegd in het kader van het bestemmingsplan. Daarbinnen zijn de agrarische ontwikkelingen het voornaamste uitgangspunt. De gemeente stelt geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en reclames op deze locatie zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan.