Bijlage 2 - i - Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Woningbouw Gildestraat Pagina 28 van 50
Woningen zijn geluidsgevoelige functies en worden beschermd door middel van zonering, waarvan de meting plaatsvindt op de gevel van het gebouw. De Wgh kent voor wegverkeerslawaai voor woningen een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De Wgh kent voor railverkeerslawaai een voorkeursgrenswaarde voor geluidbelasting op de gevels van een woning 55 dB. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 68 dB. Gebiedsgerichthogere waarde beleid Stationsgebied Dijk en Waard Het Gebiedsgericht Hogere Waarde beleid Stationsgebied Dijk en Waard, december 2022 is in samenwerking met de Omgevingdienst Noord-Holland Noord tot stand gebracht en wordt ingezet bij de gebiedsontwikkeling van het Stationsgebied. Het Stationsgebied is een redelijk tot zwaar geluidbelast gebied. Binnenstedelijke wegen (o.a. Zuidtangent, Westtangent), het spoor en de provinciale weg (N242) en in beperkte mate industrie veroorzaken tezamen een hogere geluidbelasting dan de voorkeursgrenswaarde op de gevels van de te ontwikkelen woningen en andere geluidgevoelige objecten. Het beheersen en voorkomen van geluidhinder wordt in landelijke wetten en richtlijnen geregeld met als doel ongewenste gezondheidseffecten te beperken. Binnen de grenzen van de regelgeving heeft de gemeente beleidsvrijheid. Die vrijheid vullen we in met dit gebiedsgericht hogere waarde beleid.
Dit hogere waarde beleid is een gebiedsgerichte uitwerking van het voorgaande beleid “Nota ontheffingsbeleid Wet geluidhinder” (Heerhugowaard) van maart 2008 en dient ertoe een optimaal akoestisch woon- en leefklimaat na te streven met inzet van wet- en regelgeving, stedenbouwkundige toepassingsmogelijkheden en bouwkundige voorwaarden. Voor het vaststellen van hogere waarde op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) liggen de geluidwaarden per bronsoort tussen de 53 dB Lden tot ten hoogste 68 dB Lden. Aan de binnenwaarde van 33dB Lden van het Bouwbesluit 2012 of diens opvolger moet altijd worden voldaan, bij een gevelbelasting van meer dan 49 dB Lden moet bij een aanvraag omgevingsvergunning worden aangetoond dat voldaan wordt aan de binnenwaarde zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (of diens opvolger, het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL)). Verder zijn er aanvullende eisen aan het aanvragen van hogere waarden verbonden. Vanuit het beleid zijn de volgende aanvullende voorwaarden gesteld: Iedere woning/appartement moet over een geluidluwe gevel beschikken. Iedere woning/appartement moet beschikken over een geluidluwe buitenruimte (tuin/balkon). Aangepaste indeling van de woning, met relatief ongevoelige ruimten als keuken, badkamer, hal e.d. aan de “lawaaizijde” van de woning en de gevoelige ruimten als slaap- en woonkamers aan de rustige zijde.
Al het mogelijke moet zijn gedaan om de afstand naar de bron te vergroten, zodat slechts -in het geval van het opvullen van een open plaats tussen bestaande bebouwing en/of ter plaatse van vervangende nieuwbouw- nieuwe gevoelige bestemmingen kunnen worden gebouwd. De bewoners van een woonlocatie met deze geluidbelasting moeten beschikken over een met hoorbaar verschil geluidluwe buitenruimte aan de woning- /appartement en als dat niet kan, toegang krijgen tot een gemeenschappelijke groene buitenruimte/dakterras. Beschouwing Ten behoeve van de ontwikkeling is er een geluidsonderzoek uitgevoerd. Zie Bijlage 4. De verkeerscijfers zijn door de Gemeente Dijk en Waard aangeleverd voor het toetsjaar 2030. Volgens de Wet geluidhinder moet de situatie in het planjaar tien jaar na wijziging van het bestemmingsplan worden getoetst. In dit geval is gekozen voor het hanteren van de verkeersgegevens voor het toetsjaar 2030 verhoogd met en autonome groei van 1% tot het toetsjaar 2034. In dit verkeersmodel zijn de ontwikkelingen in het Stationsgebied meegenomen. Zie een overzicht van de verkeersintensiteiten in tabel 4-6.
Woningbouw Gildestraat Pagina 29 van 50
Tabel 4-6: Weekdagintensiteiten voor het toetsjaar 2034 Voor de invoer van het railverkeer is gebruik gemaakt van brongegevens behorende bij het TB PHS Alkmaar-Amsterdam. Vooruitlopend op vaststelling van dit tracébesluit is door ProRail het rekenmodel ter beschikking gesteld en dient deze als uitgangspunt voor de berekeningen. De geluidbelasting ten gevolge van verkeer over de wegen is inzichtelijk gemaakt ter plaatse van de gevels van de geplande woningen. Dit is ook gedaan voor het railverkeer. Tevens is de gecumuleerde geluidbelasting veroorzaakt door alle wegen samen en railverkeer bepaald. RekenresultatenN242 In figuur 4-4 is de berekende geluidbelasting door het verkeer over de N242 op de randen van het bouwvlak gegeven.
Figuur 4-4: Geluidbelasting in dB door verkeer op de N242 excl. aftrek art 3.4 RMG2012
Uit de rekenresultaten blijkt dat de optredende geluidbelasting ten hoogste 59 dB bedraagt, exclusief aftrek art. 3.4 RMG 2012. Na toepassing van de aftrek zoals beschreven in paragraaf 2.1 bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 57 dB. De ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt hierdoor overschreden. De ten hoogste toegestane ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Maatregelenonderzoek Aangezien de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de waarneempunten gelegd op de gevels van de woningen wordt overschreden, dienen in eerste instantie mogelijke (aanvullende) Woningbouw Gildestraat Pagina 30 van 50
geluidreducerende maatregelen te worden onderzocht. In de Wet geluidhinder wordt een voorkeur uitgesproken voor de volgorde waarin de haalbaarheid van de diverse categorieën maatregelen onderzocht moet worden. Te denken valt aan: a. Bronmaatregelen (bijvoorbeeld het toepassen van geluidreducerend wegdek of snelheidsverlaging); b. Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld schermen/wallen of het in acht nemen van een grotere afstand tussen bron en woningen); c. Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld toepassing gevelisolatie of afschermende balkons (loggia's)). Toepassing van gevelisolatie is alleen mogelijk indien via een ontheffingsverzoek aan het College van burgemeester en wethouders een hogere waarde dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (maar lager dan de uiterste grenswaarde) wordt vastgesteld. Hierbij dient het binnenniveau in de verblijfsgebieden/-ruimten van de woningen gewaarborgd te worden. a. Bronmaatregelen Geluidreducerende wegdekverharding Een geluidreducerend wegdek is reeds aanwezig: het wegdek van de N242 bevat het geluidreducerend wegdektype Microflex. De akoestische verbetering met een ander wegdektype is volgens de huidige stand der techniek slechts zeer beperkt (<1 dB). Daarbij komt nog dat de kosten te groot worden voor de ontwikkeling op deze schaal. Een stiller wegdektype als bronmaatregel voor de N242 is daarmee niet wenselijk en niet effectief.
Snelheidsverlaging Een bronmaatregel in de vorm van een snelheidsverlaging van 80 km/uur naar 60 km/uur verlaagt de optredende geluidbelasting met circa 2 dB. Dit is onvoldoende om de geluidbelasting te reduceren tot de maximaal toegestane waarde van 48 dB. Daarnaast is de N242 een doorgaande provinciale weg. Verkeerskundig is het niet wenselijk om 60 km/uur te realiseren op een stroomweg of gebiedsontsluitingsweg. Een snelheidsverlaging stuit hiermee op verkeerskundig bezwaar. b. Overdrachtsmaatregelen Schermen Een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm is geen reële optie. Vanwege gebouwhoogte is een hoog scherm nodig om effectief te zijn. Dit past niet in het straatbeeld en is daarom niet gewenst vanuit stedenbouwkundige oogpunt. Vanwege de afstand van het plan tot de weg (minimaal 120 meter) is een relatief lang scherm nodig om voldoende afscherming te geven (langer dan 400 meter). De kosten van een dergelijk scherm wegen niet op tegen de grootte van de ontwikkeling. c.Ontvangersmaatregelen Indien maatregelen ter vermindering van de geluidbelasting financieel niet doelmatig zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of technische aard en er een ontheffingsgrond aanwezig is, kan het bevoegd gezag besluiten om over te gaan tot het verlenen van hogere grenswaarden.
Indien dit besloten wordt, dan dient het binnenniveau in de verblijfsgebieden/-ruimten van de woningen gewaarborgd te worden door middel van ontvangersmaatregelen. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen dient aangetoond te worden dat wordt voldaan aan het gestelde in afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten van het Bouwbesluit. Gebiedsgerichte hogere waarde beleid Stationsgebied Gemeente Dijk en Waard In de nadere uitwerking van het plan moet rekening gehouden worden met de aanvullende voorwaarden die zijn gesteld in het Gebiedsgerichte hogere waarde beleid Stationsgebied van de gemeente. RekenresultatenRailverkeer Woningbouw Gildestraat Pagina 31 van 50
In figuur 4-5 is de berekende geluidbelasting door het railverkeer op de randen van het bouwblok gegeven.
Figuur 4-5: Geluidbelasting in dB vanwege railverkeer Uit de rekenresultaten blijkt dat de optredende geluidbelasting op de randen van het bouwvlak ten hoogste 65 dB bedraagt. De ten hoogste toelaatbare waarde van 55 dB uit de Wet geluidhinder wordt hierdoor overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Aanvullend onderzoek naar bron- en/of overdrachtsmaatregelen is noodzakelijk. Bronmaatregelen Het is mogelijk om rails zodanig (bij) te slijpen dat ze gladder worden en minder oneffenheden bevatten. Hierdoor treden in het contact tussen treinwiel en spoorstaaf minder trillingen op, waardoor de geluidafstraling van de rails beperkt wordt. Deze oplossing is echter van tijdelijke aard. Het trillen, en daarmee het geluid afstralende karakter, van spoorstaven kan tevens beperkt worden door toepassing van raildempers. Raildempers kunnen een reductie tot maximaal 3 dB opleveren. Hierdoor wordt de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting nog steeds op de waarneempunten overschreden. Ook in het door ProRail beschikbaar gestelde rekenmodel dat hoort bij het TB PHS Alkmaar-Amsterdam blijkt dat er geen extra voorzieningen aan het spoor ter plaatse van het plangebied plaatsvinden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de spoorbeheerder op dit moment geen plannen heeft om op korte termijn voorzieningen te treffen.
Particulier initiatief voor het aanbrengen van maatregelen aan het spoor is niet mogelijk. Op projectbasis kan de spoorbeheerder maatregel uitvoeren. Hiervoor dient de betreffende gemeente een verzoek voor het treffen van maatregelen bij de spoorbeheerder te doen. De kosten voor de uitvoering van de afgesproken maatregelen zijn voor de gemeente. Indien gekozen wordt voor toepassing van raildempers dan dient het effect hiervan in het Geluidsregister te worden verwerkt. Er zal hiervoor een gpp (geluidproductieplafonds)-wijzigingsprocedure doorlopen moeten worden, waarbij de vigerende geluidproductieplafonds lager vastgesteld dienen te worden. Deze procedure zal door Burgemeester en Wethouders van de betreffende gemeente in werking gesteld moeten worden bij de minister. Vooralsnog heeft de gemeente geen plannen om voorgenoemde inwerking te zetten.
Woningbouw Gildestraat Pagina 32 van 50
Verder zijn er ook Overdrachts- en ontvangersmaatregelen te treffen. Deze zijn reeds genoemd bij het maatregelen onderzoek voor het weggeluid van de N242. Ook voor de hogere waarden aangaande het railverkeer zal er voldaan moeten worden aan het geluidbeleid van de gemeente Dijk En Waard. Het treffen van bronmaatregelen of van maatregelen in het overdrachtsgebied bieden onvoldoende soelaas om aan de ten hoogste waarden van 48 dB (wegverkeer) en 55 dB (railverkeer) te voldoen. Hierdoor resteert het aanvragen van hogere waarden. Het bouwplan van de te realiseren 107 woningen kan nog gewijzigd worden, dus is het verzoek om voor het gehele bouwvlak de hogere waarden vast te stellen In tabel 4-7 zijn de volgende ten hoogste optredende waarden voor wegverkeer (N242) en voor railverkeer weergegeven.
Tabel 4-7: Overzicht van aan te vragen hogere waarden aan de randen van het bouwvlak in dB.
Conclusie Er vinden overschrijdingen van de maximale ontheffingswaarden plaats als gevolg van weg- en railverkeer. Hiervoor dienen hogere waarden te worden verleend waarbij er voldaan moet worden aan het geluidbeleid van de gemeente Dijk en Waard. In de nadere uitwerking van het stedenbouwkundig plan dient rekening gehouden te worden met het creëren van een geluidluwe gevel/buitenruimte en een aangepaste indeling van de woning. Dit is als randvoorwaardelijke regel opgenomen in dit bestemmingsplan (zie 3.2.3). Daarmee is het plan in het kader van geluid uitvoerbaar.
4.6
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Uit artikel 5.16 lid 1 van de Wm blijkt dat het project toelaatbaar is indien het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: 1. 2. 3. 4.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt alleen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. Voor woningbouwlocaties zijn de volgende twee categorieën opgenomen: 1. Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; 2. Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen; Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een goede ruimtelijke ordening. Beschouwing
Woningbouw Gildestraat Pagina 33 van 50
Duidelijk is dat een onderzoek naar de luchtkwaliteit niet nodig is voor dit project. Ter zekerstelling is hierna een weergave zichtbaar van de NIBM-tool. Deze tool is in 2008 ontwikkeld door het toenmalige ministerie van I&M. Het doel van de NIBM-tool is: I. Eenvoudig en snel bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. II. Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. III. Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens.
Uit de NIBM-tool blijkt dat de grens niet wordt overschreden. Daarnaast volgt uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL dat de jaargemiddelde concentraties fijnstof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van het gehele plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie In het kader van luchtkwaliteit is het plan uitvoerbaar.
4.7
Externe Veiligheid
Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt; transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd; ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor LPG-tankstations geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen tevens de circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations. Woningbouw Gildestraat Pagina 34 van 50
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Beschouwing Aan de hand van de gegevens op de Risicokaart is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied bevindt zich naast het spoor. Er is géén sprake van structureel transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn en daarom is deze niet verder beoordeeld. De bebouwing binnen het plangebied is daarnaast gesitueerd nabij de N242. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N242. Er is onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s door het transport van gevaarlijke stoffen over de N242. Er is een berekening uitgevoerd naar de bestaande en de toekomstige situatie (zie Bijlage 5). Uit het onderzoek volgen onderstaande conclusies: Plaatsgebonden risico Het plaatsgevonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en neemt door de voorgenomen ontwikkeling toe met minder dan 10%. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Wel dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in ieder geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Conclusie In het kader van externe veiligheid is het plan uitvoerbaar.
4.8
Bodem
Inleiding In een bestemmingsplan dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Beschouwing Er is voor de ontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6). In de zwak puin houdende bovengrond (mengmonster bg1) zijn lichte verhogingen van koper en PCB’s geconstateerd. In de overige mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. Op basis van het geactualiseerde handelingskader mag de bovengrond van mengmonster bg2 (boringen 1, 3, 6, 12 en 16) op basis van de gemeten gehalten aan PFOS alleen als “wonen of industrie” worden toegepast, als dat niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied plaatsvindt. De overige grond van de locatie mag tevens als “landbouw/natuur” worden toegepast, als dat niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied plaatsvindt. Deze grond kan als niet verontreinigd ten
Woningbouw Gildestraat Pagina 35 van 50
aanzien van PFAS worden beschouwd. In het grondwater is een lichte verhoging van molybdeen aangetroffen. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van het onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij elk beoogd gebruik. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Langs de randen van het terrein is in de grond ondefinieerbaar puin aangetroffen, wat als asbestverdacht kan worden aangemerkt. Om cijfermatig uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Dit onderzoek zal in een later stadium worden uitgevoerd. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Naar de toepassingsmogelijkheden van de aanwezige puinverharding onder de stelconplaten van het parkeerterrein is geen onderzoek uitgevoerd.
Vanuit milieuhygiënische oogpunt zijn er naar verwachting geen belemmeringen om het terrein te ontwikkelen voor woningbouw. De bodemkwaliteit is geschikt of kan geschikt worden gemaakt om aan de kwaliteitseisen voor de te realiseren functies te voldoen. Conclusie In het kader van bodemkwaliteit wordt het plan uitvoerbaar geacht.
4.9
Water
Inleiding De watertoets is een verplicht onderdeel van een bestemmingsplan. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Het plangebied maakt onderdeel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het HHNK heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2022-2027) opgesteld. In het Waterprogramma 2022-2027 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het HHNK opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2016.
Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Beschouwing Voor het overleg is er een watertoets opgesteld (zie Bijlage 7). De resultaten zijn hieronder beschreven. De watertoets is opgesteld op basis van het schetsontwerp dat voorligt. Watersysteem In figuur 4-4 is een uitsnede van de legger Wateren 2022 van het HHNK weergegeven. Hierin is het Woningbouw Gildestraat Pagina 36 van 50
vigerende waterpeilgebied in de omgeving van het plangebied meegenomen. Het plangebied is gelegen in het waterpeilgebied met de code 03150-34. Het vigerende streefwaterpeil is NAP -3,7 m. Volgens de Legger is in het plangebied geen open water aanwezig. Het plangebied grenst wel in het zuiden aan open water. Dit betreft een secundaire watergang. Er zijn geen kunstwerken aanwezig in het plangebied of de directe omgeving.
Figuur 4-4: Uitsnede van de legger wateren 2022 van het HHNK.
Waterveiligheid Er zijn geen regionale of primaire waterkeringen aanwezig in of rondom het plangebied. Compensatie waterberging De waterhuishouding in het plangebied verandert in de toekomstige situatie. Het totaal aan verhard oppervlak verandert. Er wordt vooralsnog in het schetsontwerp geen open water gereserveerd (gegraven) of gedempt. De minimale hoeveelheid open water is bepaald aan de hand van de “Keur 2016” van HHNK. Conform de Keur 2016 van HHNK gelden de volgende regels bij een toename van verhard oppervlak: Extra verhard oppervlak < 800 m2 : Geen minimaal benodigd oppervlak extra water Extra verhard oppervlak = 800 2 < 2.000 m2 : 10% oppervlak extra water van toename verharding Extra verhard oppervlak = > 2.000 m2 : maatwerkberekening Voor de analyse van de mate van verhardingstoename is een oppervlakteanalyse gemaakt van de huidige en toekomstige situatie. Voor een kaart van de type oppervlakten in de huidige situatie is gebruik gemaakt van de gegevens uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Zie hiervoor Figuur 4-5. De toekomstige situatie is weergegeven in figuur 4-6.
Woningbouw Gildestraat Pagina 37 van 50
Figuur 4-5: Huidige verhardingssituatie
Figuur 4-6: Nieuwe situatie (concept) In tabel 4-6 is de oppervlakte analyse van het plan weergegeven. Voor de analyse zijn de tuinen conform beleid van HHNK voor 50% als onverhard meegenomen.
Woningbouw Gildestraat Pagina 38 van 50
Tabel 4-6: Oppervlakte analyse van ontwerp Gildestraat binnen de plangrens.
Uit de analyse komt naar voren dat er sprake is van een verhardingstoename van ongeveer 3443 m2 . Het HHNK dient de maatwerkberekening van het geldende percentage compensatie verhardingstoename te delen. voor nu is uitgegaan van 15% aan compensatiefactor. Die levert de berekening van de netto watercompensatie zoals weergegeven in tabel 4-7.
Tabel 4-7: Watercompensatie berekening Uit de tabel komt naar voren dat er in het schetsontwerp een tekort aan water is van circa 500 m2. Dit tekort kan worden gecompenseerd met de Waterbank Broekhorn, waar in 2021 een overschot van circa 85.000 m2 aanwezig was. Er wordt van uitgegaan dat de ontwikkeling aan de Gildestraat hier ook gebruik van kan maken. Afstemming met de gemeente Dijk en Waard hierover is wel benodigd. Na gebruikmaken van het overschot aan oppervlaktewater uit de Waterbank is geen verdere watercompensatie nodig. Hoogteligging maaiveld Voor de hoogteligging van het maaiveld is een uitsnede gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN-4), zie ook Figuur 4-7. Bij de beschikbaarheid van een actuele inmeting kan deze informatie nog veranderen. Uit de hoogtekaart komt naar voren dat het plangebied een hoogteligging heeft van circa NAP -2,9 – -2,6 m. Het maaiveld loopt daarbij af richting het westen. Uitzonderingen op de gemiddelde hoogteligging zijn de oost- en westgrens, waar het maaiveld oploopt richting NAP -2,3 m. De drooglegging is in de huidige situatie minimaal 0,8 m en loopt op tot circa +1,1 m.
Woningbouw Gildestraat Pagina 39 van 50
Figuur 4-8: Hoogteligging van de omgeving van het plangebied. Bron: AHN-4. Bodemopbouw De regionale bodemopbouw is weergegeven in Tabel 4-8. Er zijn geen openbare gegevens beschikbaar ter hoogte van het plangebied. De gegevens uit deze tabel zijn ontleend aan het DINOloket, GeoTOP v1.4 model. Hieruit volgt dat er ter hoogte van het plangebied een zandige bodemopbouw aanwezig is. Bij de beschikbaarheid van boringen of sonderingen kan deze informatie nog veranderen. Tabel 4-8: Bodemopbouw. Bron: GeoTOP v1.4, DINOloket.
Grondwater in Figuur 4-9 is een uitsnede van de isohypsen van de stijghoogtes van het eerste watervoerend pakket van Grondwatertools weergegeven. Deze isohypsen zijn berekend aan de hand van peilbuizen in de omgeving van het plangebied. Uit de isohypsen komt naar voren dat de gemiddelde stijghoogte van het eerste watervoerend pakket ter hoogte van het plangebied circa NAP -3,6 m is. Dit is circa 0,7 m – 1,0 m onder Woningbouw Gildestraat Pagina 40 van 50
maaiveld. In de Klimaateffectatlas zijn de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) gemodelleerd (Nationaal Water Model, 2016). Hieruit komt naar voren dat er een GHG is van 0,8 m – 1,0 m onder maaiveld, en een GLG van 1,0 m – 1,5 m onder maaiveld. Dit komt overeen met de isohypsen. Uit de modelleringen in de Klimaateffectatlas blijkt dat er enige kwel (0,1-0,5 mm/dag) aanwezig is ter hoogte van het plangebied (Nationaal Water Model, 2016).
Figuur 4-9: Isohypen van de stijghoogtes van het eerste watervoerend pakket. Bron: Grondwatertools. Riolering en hemelwater Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat er een HWA-stelsel wordt aangelegd onder de toekomstige verharding. Het dak van het woningcomplex wordt op dit HWA-stelsel aangesloten. Via dit HWA-stelsel wordt het hemelwater afgevoerd naar de watergang ten zuiden van het plangebied. Indien er waterbergende funderingen worden gerealiseerd wordt uitgegaan van een oppervlakkige waterafvoer richting deze bergingen. Ook de daken kunnen mogelijk aangesloten worden op deze waterbergingen. Er is dan geen HWA-stelsel nodig. De bergingen krijgen daarbij een overstort richting het open water. Door de nieuwe ontwikkeling komt er afvalwaterproductie. Er wordt uitgegaan van 107 woningen. De berekening van de toename van de afvalwaterproductie van de appartementen wordt berekend op basis van de Tweede Rioleringsnota (WrW, 2002). Er wordt rekening gehouden met 2,5 inwoners per woning (107 stuks) en een productie van 12 L /i.e./uur (met een maximale productie van 120L /i.e./ dag). De afvalwaterproductie bedraagt 2,5 i.e.'s * 107 woningen * 12 L/uur = 3.210 L/uur = 3,2 m³/uur. In de huidige situatie is geen riolering aanwezig in het plangebied. Onder de Gildestraat is wel een rioleringsstelsel aanwezig.
Deze is (mogelijk) recent aangelegd rekening houdend met de toekomstige ontwikkelingen rondom Gildestraat en heeft daarom (waarschijnlijk) voldoende capaciteit voor het woningbouwcomplex. Afstemming hierover met de gemeente Dijk en Waard is
Woningbouw Gildestraat Pagina 41 van 50
nodig. Klimaatadaptatie Binnen het plan zijn maatregelen genomen met betrekking tot klimaatadaptatie. Hieronder wordt een kort overzicht gegeven. Een volledig overzicht is terug te vinden in de watertoets. Wateroverlast Om wateroverlast tegen te gaan zijn een aantal maatregelen genomen: 1. Groen wordt lager aangelegd, waardoor het water wat op het dak valt via dit groen vertraagd kan worden afgevoerd richting het open water. 2. Het parkeerterrein krijgt een open bestrating. In de cunetten kan water worden gebufferd. Dit is circa 900 m2. Met een waterbergende schijf van 0,1 m levert dit circa 90 m3 waterberging op. 3. De oever van het plangebied aan de zuidoost rand wordt daarnaast waarschijnlijk als plasdraszone ingericht, wat zorgt voor meer afstroming richting het water en een grotere buffercapaciteit van het water. Daarmee is er voldoende waterberging in het plan aanwezig. 4. Het parkeerterrein loopt af richting de watergang. Hierdoor kan water infiltreren in het cunet onder de parkeerplaatsen, kan infiltreren bij het aanwezige groen, en wordt daardoor vertraagd afgevoerd naar het open water. 5. Door het vasthouden van water en het vertraagd afvoeren hiervan wordt vanuit gegaan dat de ontwikkeling waterneutraal wordt vormgegeven. Door de halfverharding infiltreert zoveel mogelijk water de cunetten in. Vanaf hier stroomt het water af naar de watergang.
Droogte Ook is er rekening gehouden met een droogtebestendige inrichting. De verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte zijn sturend voor de inrichting van het plangebied. In een vervolgfase kan het groen in het plan worden afgestemd op de verwachtte grondwaterstanden. Gezien de drooglegging van circa 1 m wordt verwacht dat de grondwaterstanden in de winter <1 onder maaiveld liggen en in de zomer >1 m. Daarnaast wordt door de afkoppeling van het dak en de oppervlakkige afstroming van water het openbaar groen zoveel mogelijk voorzien van (hemel)water in droge perioden. Gezien de zandige bodemopbouw en de diepte van de eerste kleilaag (ca 16 m onder maaiveld) wordt niet verwacht dat bodemdaling van het openbaar gebied een groot knelpunt wordt. In een vervolgfase kan door middel van een bouwrijp maak advies verder invulling worden gegeven aan de verwachte zettingen en het bouwrijp maken. Hitte In het ontwerp wordt voorzien van een bomenrij langs de Gildestraat. Daarnaast zal er voldoende schaduwwerking van het gebouw zijn op de stoep langszij de Gildestraat. De schaduwwerking op deze route is ruim voldoende. In het verblijfsgebied ten zuiden van het gebouw zijn bomen opgenomen. Dit betreffen zowel bomen langs het water als bomen tussen de parkeergelegenheid en het gebouw.
Een eerste inschatting van de mate van schaduw in het schetsontwerp levert circa 35-40% aan schaduw op. In een vervolgfase kan deze eis als uitgangspunt worden aangehouden op het groenontwerp. Er wordt vanuit gegaan dat met het huidig ontwerp kan worden voldaan aan de eis, gezien de eerste schatting. Er wordt uitgegaan van (rode) bakstenen klinkers voor de wegen en stoepen. De parkeerplaatsen worden in halfverharding gerealiseerd, wat een groen uiterlijk geeft. Het gebouw zelf zal waarschijnlijk een zandkleurige metselwerk krijgen, met mogelijk een grindlaag op het dak. Er wordt dus zoveel mogelijk warmtewerende kleuren gebruikt. Er wordt daarnaast gebruik gemaakt van uitstekende balkons, waardoor er een schaduwwerking ontstaat bij lagere raampartijen. Overstromingen In het plan moeten maatregelen getroffen worden om veilig te kunnen schuilen in het geval van een Woningbouw Gildestraat Pagina 42 van 50
overstroming. Dit geldt voor een overstroming met een (extreem) kleine kans. Belangrijkste punt hierbij is dat alle bewoners inpandig een hogere verdieping kunnen bereiken. Dit door bijvoorbeeld voor alle bewoners altijd binnenpands de (nood)trappen bereikbaar te houden. In een vervolgfase zal hier rekening mee worden gehouden. Conclusie Water Hieronder zijn de belangrijkste conclusies puntsgewijs benoemd: Voor het plan aan de Gildestraat te Heerhugowaard dient in totaal circa 500 m2 watercompensatie te worden gerealiseerd. Dit oppervlak wordt gecompenseerd met de Waterbank Broekhorn, waar een overschot aan oppervlak water aanwezig is. Afstemming hierover met de gemeente Dijk en Waard en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft plaatsgevonden. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd aan de watergang en/of de oever aan de zuidrand van het plangebied. De gemeente Dijk en Waard onderhoudt toekomstig de oever van de watergang aan de zuidrand van het plangebied. De watergang blijft in beheer van ProRail, zoals dat nu ook het geval is. Er wordt een gescheiden rioleringsstelsel toegepast in het plan. Het vuilwater wordt mogelijk aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel onder de Gildestraat. Afstemming hierover met de gemeente Dijk en Waard is nodig. Het plan voldoet aan de eisen voor klimaatadaptatie.
Er zijn een aantal punten die verder technisch uitgewerkt kunnen worden in een vervolgfase. Voor de start van de uitvoering wordt een watervergunning aangevraagd. Hierin worden onder andere de volgende werkzaamheden opgenomen: Aanbrengen verharding. Met de watervergunning zijn de waterkundige aspecten voldoende geborgd en is het plan uitvoerbaar.
4.10
Ecologie
4.10.1 Soortenbescherming Wettelijk kader Voor alle in de Wet natuurbescherming genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Indien bij werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is een ontheffing noodzakelijk. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.
Beschouwing In het kader van de ontwikkeling (en die van de ontwikkeling van de Scheg) is er een ecologische quickscan uitgevoerd. Deze is toegevoegd in Bijlage 8. Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels,
Woningbouw Gildestraat Pagina 43 van 50
grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Verder zijn de volgende bevindingen gedaan: In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli; Om vestiging van Oeverzwaluwen (cat. 5) te voorkomen wordt daarom aanbevolen om voor aanvang van de broedperiode (vóór 10 maart) de steile taluds van grondhopen af te vlakken (tot een hoek van minder dan 40 graden). Als alternatief kunnen steile wanden vóór 10 maart afgedekt worden met steigergaas om vestiging van Oeverzwaluwen te voorkomen. In het onderzoeksgebied kunnen beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om kleine marterachtigen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk.
Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. In 2022 is het aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van marterachtigen. Zie Bijlage 9. Uit dit onderzoek volgt dat het plangebied niet wordt gebruikt door marterachtigen. Er is daarom geen ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming bij uitvoer van het werk.
Wel geldt de zorgplicht en dient dekking biedende vegetatie voorafgaand aan de ingreep kort te worden gemaaid en minimaal een nacht te blijven liggen voordat werkzaamheden starten. Ook de overige resultaten van het natuuronderzoek staan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. De hiervoor genoemde mitigerende maatregelen zullen bij de uitvoering in acht worden genomen. Het is aanbevolen om een onderzoek te doen naar de aanwezigheid van rugstreeppadden, omdat het plangebied mogelijk een geschikt habitat is. In 2023 is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de rugstreeppad. Zie hiervoor Bijlage 10. Uit het aanvullend onderzoekt volgt dat er in het plangebied geen rugstreeppadden of andere beschermde, niet vrijgestelde amfibieën zijn waargenomen. De rugstreeppad wordt in de directe omgeving van het plangebied dan ook niet voortplantend of overwinterend verwacht. Er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op beschermde, niet vrijgestelde, amfibieën mogelijk. Conclusie soortenbescherming Met inachtneming van de zorgplicht is het plan in het kader van soortenbescherming uitvoerbaar. 4.10.2 Gebiedsbescherming Wettelijk kader Natura 2000-gebieden De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden.
Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhouding doelstellingen opgesteld voor een of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn ('door externe werking') op die beschermde Woningbouw Gildestraat Pagina 44 van 50
natuurgebieden, gelden strenge restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een "habitattoets" dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden en een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegd gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Beschouwing Natura-2000 gebieden Het plangebied ligt op meer dan 7,5 kilometer afstand van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de Schoorlse Duinen en het Noordhollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring.
Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Gezien de waarschijnlijke uitstoot van stikstofemissies gedurende de aanlegfase en gebruiksfase zijn stikstofberekeningen met het programma AERIUS Calculator (2023.0.1) uitgevoerd. Zie Bijlage 11 in deze toelichting. Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Uitvoering van de plannen leidt niet tot een verslechtering van de natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Bijzonder provinciaal landschap. Externe werking is niet aan de orde. Deze gebieden liggen op ruime afstand van het plangebied. De bepalingen van de Omgevingsverordening NH2020 worden niet overtreden. Conclusie gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is het plan uitvoerbaar.
4.11
Trillingshinder
Inleiding Voor de beoordeling van trillingen is in Nederland geen wetgeving van toepassing. Wel heeft de SBR (Stichting Bouwresearch) richtlijnen uitgebracht op het gebied van trillingen (meet- en beoordelingsrichtlijnen). Dit zijn landelijk geaccepteerde richtlijnen voor het meten en beoordelen van trillingen in gebouwen. De SBR richtlijn – deel A "schade aan gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft grenswaarden met betrekking tot schade. De SBR richtlijn – deel B "Hinder voor personen in gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft streefwaarden met betrekking tot hinder. De SBR richtlijn – deel C "Storing aan apparatuur" geeft een procedure voor het meten van trillingen aan opgestelde apparatuur en geeft streefwaarden met betrekking tot het voorkomen van storingen aan deze apparatuur. Beschouwing In het kader van de ontwikkeling is er een trillingshinderonderzoek uitgevoerd omdat het plangebied op korte afstand tot spoorlijn Alkmaar-Hoorn/Den Helder ligt. Het onderzoek is toegevoegd in Bijlage 12. Om de trillingsbelasting op het perceel in beeld te brengen is een Woningbouw Gildestraat Pagina 45 van 50
trillingsonderzoek uitgevoerd, waarbij er verkennende trillingsmetingen zijn uitgevoerd. Uit de uitgevoerde trillingsmetingen blijkt dat reizigerstreinen een zeer beperkte trillingsbelasting geven op het plangebied. De prognose, gemaakt op basis van deze metingen, laat zien dat trillingen van treinen geen belemmering vormen voor het realiseren van woningen op deze kavel als een minimale afstand wordt aangehouden van 35 meter tot het spoor in het geval van op staal gefundeerde woningen en 25 meter bij op palen gefundeerde woningen. Voor appartementgebouwen met vier tot zes bouwlagen zoals in het planvoornemen kan er een minimum afstand van 20 meter aangehouden worden. Er is daarom dan ook een bouwvlak opgenomen die op 20 meter afstand tot het spoor ligt. Als in afwijking van de prognoses minder stijve woningvloeren worden aangehouden, met een laagste buig-eigenfrequentie van minder dan 16 Hz, dan zijn deze afstanden met 5 meter te verhogen. Een verdere restrictie voor het huidige bouwplan is dat er traditioneel gebouwd moet worden met betonnen en steenachtige materialen om ook voldoende gebouwmassa te realiseren. Uitgangspunt is dat met het aanhouden van voldoende afstand (minimaal 20 meter), de toepassing van stijve vloeren, betonbouw en een paalfundering geen sprake zal zijn van een overschrijding van de streefwaarden.
In de regels van dit bestemmingsplan zijn hiervoor voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Conclusie Met de toepassing van voldoende afstand en de voorgeschreven bouwmaterialen is het plan in het kader van trillingshinder uitvoerbaar.
4.12
Archeologie
Inleiding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. De gemeente Heerhugowaard heeft sinds 2023 archeologisch beleid dat is vastgelegd in een beleidsnota met archeologiekaart. Beschouwing Op 7 juni 2022 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid Dijk en Waard vastgesteld. Uit de beleidsnota volgt dat de gronden in het plangebied deels zijn aangewezen als categorie 5. Voor de gronden in categorie 5 betekent dit dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en die dieper rijken dan 40 cm onder maaiveld. Dit is omdat de bodem in het verleden al vaak geroerd is waardoor de archeologische waarden heel laag zijn. Voorliggend plan heeft een oppervlak van ca. 4.200 m2 . Er hoeft daarom geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Conclusie In het kader van archeologie zijn er geen belemmeringen voor het plan en wordt daarom uitvoerbaar geacht.
4.13
Cultuurhistorie
Inleiding Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om in de toelichting van het bestemmingsplan een gemotiveerde beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening gehouden is met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Beschouwing De locatie zelf heeft geen specifieke cultuurhistorische waarden. Er is ook geen sprake van een
Woningbouw Gildestraat Pagina 46 van 50
aardkundig waardevol gebied. Het bouwplan leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden.
Woningbouw Gildestraat Pagina 47 van 50
Hoofdstuk 5 Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1
Financiële uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij het onderhavige plan als bouwplan kan worden aangemerkt. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het bouwplan: Woonstichting Langedijk. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. In een koop-realisatieovereenkomst worden die afspraken verder uitgewerkt. De basis van de samenwerking en principiële financiële afspraken zijn in juli 2023 opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst die tussen de corporatie en de gemeente is gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn ingerekend in de grondexploitatie Stationsgebied - Gildestraat e.o..
Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd. Bovendien heeft het bouwplan in november 2023 een subsidie toegewezen gekregen in het kader van de Start Bouw Impuls van het Ministerie van BZK.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Participatie en vooroverleg
Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan vooroverleg gevoerd met de besturen van de instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan betrokken zijn. Van de volgende instantie is een overlegreactie ontvangen: Prorail De ontvangen reactie is hieronder samengevat en van reactie voorzien: 1. Door Prorail is opgemerkt dat in de paragraaf over Externe Veiligheid (4.7) in de toelichting is opgenomen: "Voor infrabesluiten zijn de regels vastgelegd in de Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten (de Beleidsregels) [2]." Zij geven aan dat dit klopt, maar dat het niet van toepassing omdat het hier immers géén Tracébesluit betreft maar een bestemmingsplan voor woningbouw. Voorgesteld wordt om deze tekst te verwijderen. Verder geeft Prorail aan dat in de inleiding het spoor nog wordt genoemd, maar dat dit verder niet terugkomt. Het voorstel is om het spoor ook in de beoordeling mee te nemen, bijvoorbeeld met een volgende zin: "Er is géén sprake van structureel transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn en daarom is Woningbouw Gildestraat Pagina 48 van 50
deze niet verder beoordeeld." Reactie gemeente: De genoemde tekst betreffende tracébesluiten is verwijderd en de tekst over de beoordeling van het spoor is opgenomen. 2. Aangegeven wordt door Prorail dat op pagina 9 van de rapportage van het trillingsonderzoek een onduidelijke zin is opgenomen: "In tabel 3 is te zien dat de top-15 treinen bestaat uit reizigerstreinen. Dit betekent niet dat ze niet zijn voorgekomen, maar dat als ze wel zijn langsgekomen ze lage trilniveaus opwekken." Onduidelijk is waar 'ze' uit de zin naar verwijst. Reactie gemeente: Het woord 'ze' verwijst naar goederentreinen. Dit is verduidelijkt in de rapportage. 3. Prorail merkt op dat op pagina 12 is opgenomen "De prognoses zijn opgesteld voor de qua trillingsopwekking maatgevende treinen. Voor de Vper berekening (gemiddelde trillingssterkte) is de verdelingsfunctie van de Vmax gebruikt, zoals gemeten op het eerste bodemmeetpunt. Hierdoor wordt qua trillingssterkte gerekend met een reële mix van treinen." Onduidelijk is met welke intensiteit qua treinverkeer rekening is gehouden. En ook is onduidelijk of en in welke mate rekening is gehouden met het Ontwerp Tracébesluit PHS-Alkmaar Amsterdam. Reactie gemeente: In de rapportage is verduidelijkt met welke intensiteit rekening is gehouden en er is aangegeven dat rekening is gehouden met het Tracébesluit PHS Alkmaar - Amsterdam. 4.
Prorail maakt een technische opmerking omtrent de bepaling (rekenwijze) van de overdracht van trillingen in de grond. Reactie gemeente: Het onderzoeksbureau dat het trillingsonderzoek heeft uitgevoerd heeft aanpassingen uitgevoerd aan het onderzoek en de rapportage. Over de aanpassingen is rechtstreeks contact geweest tussen Dgmr en Prorail. 5. Prorail geeft aan graag het Ontwerp Tracébesluit opgenomen te zien worden in de toelichting onder Rijksbeleid in paragraaf 3.2. Reactie gemeente: De paragraaf Rijksbeleid is aangevuld. Op grond van de inspraakverordening is - vanwege het ontbreken van direct omwonenden afgezien van inspraak. Eenieder wordt in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Voor de ontwikkeling van de Gildestraat heeft op twee momenten participatie plaats gevonden: Ten behoeve van het vaststellen van het Masterplan voor het Stationsgebied waar de Gildestraat deel van uitmaakt. Verder heeft er recent een informatiebijeenkomst plaatsgevonden met alle eigenaren/belanghebbenden in de omgeving van de Gildestraat, over de Gildestraat zelf en ook andere ontwikkelingen in het Stationsgebied die voornemens zijn. Tijdens de terinzagelegging wordt een inloopavond voor belangstellenden, specifiek voor het woningbouwplan Gildestraat gehouden. Deze avond wordt gehouden op 20 december 2023. 5.2.2
Procedure
Het ontwerpbestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij door een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad kunnen worden ingediend. De zienswijzen worden vervolgens bij de besluitvorming in het kader van de vaststelling door de gemeenteraad betrokken. Na een beroepstermijn van zes weken treedt het bestemmingsplan in werking, tenzij conform artikel 8.4 Wro een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het bestemmingsplan de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisis- en Herstelwet van toepassing. Dit betekent onder andere dat bij het instellen van beroep op dit bestemmingsplan het beroep versneld wordt behandeld door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast is indienen van een zogenaamd pro forma beroepschrift niet mogelijk en geldt een relativiteits-eis. Dat betekent dat het bestemmingsplan niet wordt vernietigd wegens strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen, indien
Woningbouw Gildestraat Pagina 49 van 50
deze kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van diegene die zich erop beroept.
Woningbouw Gildestraat Pagina 50 van 50