CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Gemeenteraad 10 oktober 2023, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Harmonisatie Klimaatadaptatiestrategie uitvoeringsagenda regio Alkmaar12.957 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Oud beleid (na intrekking) Beleidsprogramma klimaatadaptatie 20212026

33

Bodem als een spons. Wadi vangt (hevige) buien op. Hemelwater infiltreert in de bodem, de omgeving is daardoor minder kwetsbaar voor droogte. Combinatie met speelaanleidingen. Venkel, Heerhugowaard

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

7 Bijlage: toelichting maatlat klimaatbestendige bouw 7.1 Vitale en kwetsbare functies Uitval of beschadiging van belangrijke functies door overstroming, wateroverlast, droogte of hitte kan leiden tot ernstige gevolgen voor mens, milieu of economie op nationaal niveau. Denk daarbij aan functies zoals de energievoorziening, de hoofdinfrastructuur en ziekenhuizen. Doordat uitval van deze belangrijke functies tot ernstige gevolgen kan leiden, noemen we ze vitaal en kwetsbaar. Daarnaast kunnen vitale en kwetsbare functies noodzakelijk zijn om een gebied te herstellen, bijvoorbeeld na een overstroming. Er is vaak samenhang tussen verschillende vitale en kwetsbare functies. Uitval van één functie leidt vaak tot uitval van een andere functie. Uitval van stroom heeft bijvoorbeeld gevolgen voor het verkeer: stoplichten vallen uit en bruggen kunnen niet meer worden bediend. Het Deltaprogramma heeft een overzicht gemaakt van nationale vitale en kwetsbare functies:

Deze nationale functies kunnen bij uitval leiden tot ernstige gevolgen voor heel Nederland. Daarnaast zijn er ook functies op decentraal niveau die bij uitval tot grote schade kunnen leiden. Denk bijvoorbeeld aan een zorginstelling, bedrijventerrein, datacentrum of een museum. Er bestaat geen complete lijst van vitale en kwetsbare functies op decentraal niveau. Bij ieder project wordt daarom een afweging gemaakt of er vitale en kwetsbare functies zijn die tot grote schade kunnen leiden in het geval van overstroming, wateroverlast, droogte en hitte.

35

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

7.2 Wateroverlast Toelichting doel Hevige neerslag leidt niet tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar. Toelichting norm - hevige neerslag Hevige neerslag (1/100 jaar, 70 mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en beschikbaar. Met de landelijke maatlat groene klimaatadaptieve omgeving heeft het rijk aangegeven dat dit een landelijke norm (ondergrens) betreft die ongeacht de gebiedsspecifieke condities geldt. Dijk en Waard heeft dit daarom als norm overgenomen. De norm gaat uit van een stationaire bui van 1/100 jaar, 70 mm in een uur als maatgevende ondergrens. Voor vitale en kwetsbare functies geldt een zwaardere bui van 1/250 jaar, 90 mm in een uur. In 2018 is gewerkt aan de standaarden voor de stresstest wateroverlast. Het ministerie van I&W, STOWA en Stichting RIONED hebben gezamenlijk de Notitie Standaarden voor de stresstest wateroverlast uitgebracht. De referentienorm uit deze notitie is gebruikt als uitgangspunt voor de norm binnen het thema wateroverlast.

De intensiteit van de neerslaggebeurtenissen is gebaseerd op de herhalingstijden in het huidige klimaat, de daaruit volgende intensiteiten en de door het KNMI / HKV Lijn in Water gehanteerde factoren voor de vertaling van het huidige klimaat naar het klimaat van 2050. Onderstaande tabel geeft de verwachte herhalingstijden weer voor neerslaggebeurtenissen voor het huidige klimaat en het klimaat in 2050. Schaal

Duur

Lokaal

1 uur

Regionaal

2 uur 48 uur*

Herhalingstijd huidige klimaat (jaar) 100 250 1000 100 250 1000

Hoeveelheid huidig klimaat (mm) 60 75 130 100 (115) 115 (140) 135 (190)

Hoeveelheid klimaat 2050 (mm) 70 90 160 120 (135) 130 (165) 160 (220)

Factor 21% 21% 21% 15% 15% 15%

Tabel 2: Herhalingstijden voor neerslaggebeurtenissen (bron: STOWA, 2015 & 2018, KNMI 2018 en tussentijdse berekeningen KNMI.

Voor wateroverlast in bebouwd gebied zijn de korte hevige buien (lokaal) van 1 uur veelal maatgevend. Dit zijn vaak onweersbuien in de lente of de zomer die de capaciteit van het rioolstelsel te boven gaan. Dit kan leiden tot water op straat, overlast en schade. Derhalve zijn deze buien als maatgevend genomen voor de maatlat klimaatbestendige bouw.

36

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Bij elk nieuw ruimtelijk project dient voor buien tot en met een herhalingstijd van 1x per 100 jaar aangetoond te worden dat water op het maaiveld niet leidt tot waterschade. De verwerking van de buien vindt plaats via infiltratie in de bodem, tijdelijke berging op het maaiveld, berging en afvoer in de riolering en in het watersysteem. Voor het riool- en watersysteem kunnen andere buien maatgevend zijn. Hiervoor wordt het Programma Stedelijk Water en Riolering van Dijk en Waard geraadpleegd en afstemming gezocht met het waterschap. De maatlat klimaatbestendige bouw bestaat nadrukkelijk naast de watertoets van het waterschap. Een ruimtelijk plan voldoet als aan beiden wordt voldaan. Toelichting norm – Waterberging privaat terrein en openbaar terrein Neerslag van een hevige bui (70 mm) op het verharde deel van privaat terrein en openbaar terrein wordt verwerkt (geïnfiltreerd, opgevangen en/of vertraagd afgevoerd) op het terrein zelf of in extra (water)voorzieningen in of toegerekend aan het plangebied. De voorzieningen voeren de eerste 24 uur vertraagd af en zijn in maximaal 60 uur weer beschikbaar. Het doel is dat er bij een extreme bui van 70 mm in een uur geen schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen mag optreden. Binnen de bebouwde kom is slechts 35% in eigendom van gemeente Dijk en Waard. Buiten de bebouwde kom is dit slechts 23%.

Het is daarom van belang dat alle partijen in zowel de openbare ruimte als op privaatterrein maatregelen nemen. De norm rekent met het verharde deel van privaat- en openbaar terrein en beloont daarmee het realiseren van een groene leefomgeving. Daarnaast stimuleert het groene klimaatadaptieve maatregelen toe te passen (zoals wadi’s) in plaats van puur technische oplossingen (zoals retentiekratten). Dit betekent overigens niet dat groen automatisch een bui van 70 mm kan verwerken. Nog steeds zal het bovenliggende doel dat een hevige bui niet leidt tot waterschade in ogenschouw genomen moeten worden. Het verharde deel op privaat terrein bestaat uit: - het bebouwd deel dat het Kadaster via de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) vastlegt, plus - een inschatting van de overige verharde delen op het privaat terrein gedurende de gebruiksfase. Volgens de Waterwet (later Omgevingswet) is de verwerking van hemelwater dat valt op privaat terrein de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar. Pas wanneer redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verlangd het afvloeiende hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen, kan van de gemeente worden verlangd het hemelwater doelmatig in te zamelen.

Op privaat terrein zijn een verscheidenheid aan oplossingen mogelijk, denk aan groene daken, water- en/of polderdaken, waterzuilen, waterkelders, waterzakken in kruipruimten, laagteberging, retentiekratten. Een combinatie met andere opgaven ligt voor de hand, denk aan de benutting van hemelwater voor bevloeiing groenvoorzieningen of toiletspoeling. Indien afvoeren nodig is, dan wordt dit vertraagd gedaan. De norm geeft aan dat de eerste 24 uur vertraagd wordt afgevoerd. Doel is om de afvoer van hemelwater zo veel als mogelijk te vertragen om het riool- en watersysteem te ontlasten. Een afvoer van 2 mm/uur heeft de voorkeur boven een afvoer van 10 mm/uur. Desondanks zal de voorziening na 60 uur weer beschikbaar moeten zijn om een eventuele volgende bui op te kunnen vangen.

37

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

In sommige gevallen is het niet mogelijk om volledig aan het norm te voldoen op privaat terrein. Het kan ook zijn dat een oplossing in de openbare ruimte wenselijker is, bijvoorbeeld omdat het een betrouwbaardere en duurzamere oplossing biedt. In deze gevallen kan een compensatieregeling met de eigenaar van de openbare ruimte overeengekomen worden. De regeling bevat afspraken over een realisatie-, beheer- en onderhoudsvergoeding. De gecompenseerde waterverwerking komt uiteraard bovenop de normen en richtlijnen die al in de openbare ruimte gelden. Toelichting norm – Waterdiepte Bij een waterdiepte van 20 cm op (het laagste punt van) de rijbaan door extreme regen en/of overstromingen mag geen schade optreden aan gebouwen en elektrische installaties in de openbare ruimte en blijven hoofdwegen begaanbaar. Dit uitgangspunt gaat over de schade door wateroverlast in het gehele plangebied, dus op privaat en/of openbaar terrein. Bij het aantonen hiervan wordt rekening gehouden met de wisselwerking tussen het omliggende gebied en watersysteem en wordt afwentelen op de omgeving voorkomen. Tijdelijke water op straat of op het maaiveld is toegestaan.

Schade kan bijvoorbeeld voorkomen worden door het hoger plaatsen van elektrische installaties in de openbare ruimte en een voldoende hoog vloerpeil van bebouwing en voorzieningen (zonder afbreuk te doen aan de toegankelijkheid van gebouwen voor mensen met een lichamelijke beperking). Toelichting norm – Waterneutraal De ontwikkeling gebeurt waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. Voor een waterneutrale ontwikkeling mag de bergingscapaciteit van het gebied niet afnemen. Het doel is om overbelasting met als gevolg mogelijke overstromingen van het regionale en hoofdwatersysteem te voorkomen. Door de watercyclus zoveel mogelijk te sluiten en hemelwater zoveel mogelijk te bergen en her te gebruiken binnen het plangebied in plaats van af te voeren ontstaat er een robuust watersysteem dat beter bestand is tegen langdurige droge periodes. Ook wordt overbelasting van het hoofdwatersysteem voorkomen. Toelichting richtlijn – Natuurlijke afwatering In het gebied is natuurlijke en oppervlakkige afwatering zoveel mogelijk aanwezig. Nieuwbouw biedt kansen om het maaiveld zo vorm te geven dat water zoveel mogelijk oppervlakkig en op een natuurlijke wijze afgevoerd wordt naar lager gelegen plekken, groen en/of open water, zonder dat er overlast ontstaat.

De plooiing van het maaiveld kan slim ingezet worden of het bouwpeil kan verhoogd worden. Op deze manier wordt het riool tijdens extreme buien minder belast. Een maaiveldanalyse kan inzichtelijk maken waar knelpunten ontstaan en waar kansen zijn voor verbetering van de natuurlijke afwatering.

38

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Toelichting voorkeursvolgorde – Ontwerp en maatregelen - Benutten en besparen - Vasthouden en infiltreren - Bergen - Afvoeren Een voorkeursvolgorde wordt gehanteerd bij het kiezen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan. Door hemelwater te benutten, bijvoorbeeld voor bevloeiing groenvoorziening en toiletspoeling, wordt bespaard op drinkwaterverbruik. Daaropvolgend heeft het vasthouden en infiltreren van hemelwater de voorkeur. Denk hierbij aan groene daken, wadi’s en retentiekratten. Dit zorgt voor grondwateraanvulling, wat mogelijk schade voorkomt gedurende droge periodes. Pas daarna wordt gekeken naar het bergen van overtollig hemelwater in het stedelijke watersysteem en afvoer naar het regionale watersysteem. Afstemming met het waterschap is hierbij van belang.

39

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

7.3 Droogte Toelichting doel De hoeveelheid neerslagtekort is maatgevend voor droogte. Als gedurende het groeiseizoen (1 april tot 30 september) de referentieverdamping hoger is dan de neerslag, is er sprake van een neerslagtekort. Het neerslagtekort dat nu eens per 10 jaar voorkomt, zal in de toekomst in het hoge scenario duidelijk vaker voorkomen. In 2050 bedraagt het neerslagtekort gemiddeld 300 mm met een kans van eens in de tien jaar optreden. Momenteel is dat 225 mm. De kans op schade aan groen, verslechtering van de waterkwaliteit, verzilting of uitzakkend grondwater neemt bij dergelijke tekorten aanzienlijk toe. Wanneer gerefereerd wordt aan droogte wordt hier uitgegaan van een neerslagtekort van 300 mm, eens per 10 jaar.

Toelichting norm – Droogtebestendige inrichting De verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte zijn sturend voor de inrichting van het plangebied. Voor het grondwater wordt rekening gehouden met de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) en de verwachting van de grondwaterstand in extreme jaren, die bekend zijn vanuit klimaatstresstesten en grondwateronderzoeken. De ontwerppeilen van verharding, groen en bebouwing worden afgestemd op de verwachte hoge en lage (grond)waterstanden. Dit betekent dat het uitzakken van het grondwaterpeil niet leidt tot extra bodemdaling, sterfte van (openbare) groenvoorzieningen en bomen. Door de inrichting van het plangebied af te stemmen op de grondwaterstanden in periode van droogte kunnen extra maatregelen of grote investeringskosten op de lange termijn, door schade aan groen en infrastructuur, voorkomen worden. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met beperkte beschikbaarheid van het oppervlaktewater en verzilting tijdens droogte. Noodmaatregelen als het bewateren met schaars drink- of oppervlaktewater zijn daarom ongewenst. Maatregelen als gestuurde drainage hebben niet de voorkeur omdat hierbij de zoetwatervraag in droge periode toeneemt.

Toelichting richtlijn – Grondwateraanvulling Buitenstedelijke ontwikkeling is infiltratieneutraal: grondwateraanvulling blijft gelijk ondanks verhardingstoename, mits dit niet leidt tot grondwateroverlast gezien de grondwatersituatie, bebouwingsdichtheid en bodemtype. Binnenstedelijke ontwikkeling is infiltratiepositief: er is meer infiltratie (range 0 tot +10 %) dan voor de ontwikkeling, mits dit niet leidt tot grondwateroverlast gezien de grondwatersituatie, bebouwingsdichtheid en bodemtype. Het gaat hier om de vergelijking voor en na de ontwikkeling. Het regelt dat de grondwateraanvulling in het gebied door infiltratie op peil blijft en de verharding voor en na ontwikkeling geen negatieve impact heeft. Buitenstedelijke ontwikkelingen zijn infiltratieneutraal: de grondwateraanvulling blijft gelijk ondanks de verhardingstoename.

40

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Binnenstedelijke ontwikkelingen zijn infiltratiepositie: er is minder verharding (range 0 tot -10 %) of meer infiltratie (range 0 tot +10 %) dan voor de ontwikkeling. Zowel voor buitenstedelijke als binnenstedelijke ontwikkelingen is randvoorwaardelijk dat dit niet leidt tot grondwateroverlast gezien de grondwatersituatie, bebouwingsdichtheid en bodemtype. Groene, biodiverse invullingen voor het vergroten van de infiltratie hebben de voorkeur.

Toelichting richtlijn – Hergebruik water, zuinig gebruik drinkwater en waterkwaliteit . Hergebruik van water, zuinig gebruik van drinkwater en verbeteren waterkwaliteit is onderdeel van het ontwerp. Veel functies in Nederland zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van zoetwater. In (droge) zomers kunnen tijdelijke watertekorten optreden als de neerslag en aanvoer via de grote rivieren en kanalen kleiner is dan de vraag. Dit kan effect hebben op het peilbeheer van kanalen, vaarten en sloten, het doorspoelen hiervan en het gebruik voor beregening. In een extreem droog jaar kunnen er ook in Dijk en Waard tekorten optreden omdat er te weinig water vanuit het hoofdsysteem beschikbaar is. Klimaatverandering heeft ook effect op de ecologische kwaliteit van het stedelijk oppervlaktewater. Hoge watertemperaturen kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat de concentratie zuurstof in water afneemt. Dit heeft weer invloed op alles wat in het water leeft, zoals vissen, waterplanten, algen en muggen. Dit ontstaat bijvoorbeeld in ondiep water of water met een slechte doorstroming. Ook kan de voedselrijkdom van het water toenemen door opwarming, het inlaten van gebiedsvreemd water bij droogte, riooloverstorten bij hevige regenbuien, bladinval en vogelpoep. Dit bevordert de groei van algen en kroos, die nuttige waterplanten wegconcurreren.

De landelijke maatlat vraagt daarom in het ontwerp/plan te motiveren hoe water hergebruikt wordt, drinkwatergebruik beperkt wordt en wat de beoogde verbetering van de waterkwaliteit is, afgestemd op de gebiedsspecifieke condities. Toelichting voorkeursvolgorde – Ontwerp en maatregelen - Benutten en besparen - Vasthouden en infiltreren - Bergen - Afvoeren Een voorkeursvolgorde wordt gehanteerd bij het kiezen van maatregelen om schade door droogte tegen te gaan. Door hemelwater te benutten, bijvoorbeeld voor bevloeiing groenvoorziening en toiletspoeling, wordt bespaard op drinkwaterverbruik. Daaropvolgend heeft het vasthouden en infiltreren van hemelwater de voorkeur. Denk hierbij aan groene daken, wadi’s en retentiekratten. Dit zorgt voor grondwateraanvulling, wat mogelijk schade voorkomt gedurende droge periodes. Pas daarna wordt gekeken naar het bergen van overtollig hemelwater in het stedelijke watersysteem en afvoer naar het regionale watersysteem. Afstemming met het waterschap is hierbij van belang.

41

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

7.4 Bodemdaling Toelichting doel Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar. Toelichting norm: draagkracht bodem Draagkracht bodem is mede sturend bij keuze functie, systeem en inrichting. Motiveer in hoeverre bebouwing en infrastructuur binnen het plangebied afgestemd is op de draagkracht van de bodem. De bodemdaling wordt hiermee zoveel mogelijk gemitigeerd en beperkt, zodat bodemdaling nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar blijft. Hierbij is het van belang dat bebouwing en infrastructuur geconcentreerd is op draagkrachtige bodem, het (grond)waterpeil gelijk blijft of hoger wordt en de ontwerppeilen en bouwwijzen zijn afgestemd op het bodemtype en de verwachte restzetting. Toelichting norm: restzetting bodem De bodem heeft een maximale restzetting van 10 cm over een periode van dertig jaar voor openbaar en privaat terrein. Voor wat betreft bouw- en woonrijp maken is restzetting een concretisering van de norm voor bodemdaling. Restzetting wordt berekend op basis van bodemmonsters, (sonderings)metingen en de beoogde maatregelen in het gebied. Tijdens de uitvoering kan het gemeten worden met zakbakens. 10 cm in 30 jaar na oplevering is in onderzoeken van voormalig platform Beter Bouwen beter wonen als het meest duurzaam bepaald.

Volgens de landelijke maatlat komt dit overeen met het uitgangspunt dat drinkwaterbedrijven hanteren voor de maximale restzetting. Een kleine restzetting voorkomt een sterk afnemende drooglegging, grondwateroverlast en grote beheerkosten voor het ophogen van tuinen, bestrating en herstellen van leidingbreuken.

42

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

7.5 Hitte Toelichting doel Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het weer bepaalt voor een deel de gevoelstemperatuur. Het weer is niet alleen de luchttemperatuur, maar ook de zonnestraling, windsnelheid en luchtvochtigheid. Hoe krachtiger de straling van de zon en hoe minder wind, hoe hoger de gevoelstemperatuur. Ook de omgeving bepaalt voor een deel de gevoelstemperatuur. In de schaduw van bomen en gebouwen is de gevoelstemperatuur lager dan in de zon. Bomen en beplanting koelen de omgeving doordat ze water verdampen. Een omgeving met veel verharding (straten en gebouwen) warmt juist meer op, doordat ze de warmte van de zon vasthouden. Daarnaast kunnen gebouwen verkoelende wind blokkeren. De gevoelstemperatuur in stedelijk gebied is dan ook vaak hoger dan in landelijk gebied. De gevoelstemperatuur stijgt volgens de klimaateffectatlas met ongeveer 3 °C in 2050. Als de gevoelstemperatuur te hoog is, kunnen mensen last krijgen van hittestress. De gevoelstemperatuur hangt niet alleen af van het weer en de omgeving, ook persoonlijke factoren zoals leeftijd, gezondheid en lichaamsgewicht spelen een rol. Door extreme hittestress kunnen mensen zelfs komen te overlijden.

Figuur 2: Hittestress (bron: klimaateffectatlas, kaartverhalen).

Het slim inrichten van steden kan de gevoelstemperatuur verlagen en daarmee hittestress verminderen. Denk aan maatregelen die zorgen voor meer verdamping, schaduw, wind, materiaalgebruik dat minder warmte vasthoudt of vermindering van warmte door mensen, bijvoorbeeld door airco’s. Verdamping is het meest effectief om de luchttemperatuur op stadsschaal te verlagen, waarmee je het stedelijk hitte-eilandeffect kunt verminderen. Schaduw en ventilatie zijn het meest effectief om de gevoelstemperatuur te verlagen. Afhankelijk van de locatie en de context zijn verschillende verkoelende maatregelen mogelijk. In dichtbebouwde gebieden kan het moeilijk zijn om ruimte te vinden voor verkoelende maatregelen. Denk daarom ook aan andere manieren om de ruimte slim te gebruiken. Bijvoorbeeld groene gevels en groene daken, de oriëntatie en hoogtebreedteverhouding van straten, materiaalgebruik of het (tijdelijk) creëren van schaduw.

43

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Toelichting richtlijn: koele plekken. Koele groene plekken (minimaal 200 m2) zijn op loopafstand (300 meter) aanwezig. Een koele plek in de openbare ruimte is een plek met een minimale oppervlakte van 200 vierkante meter waar de gemiddelde gevoelstemperatuur koeler is dan of gelijk is aan 35°C en die als een aantrekkelijke verblijfplaats is ingericht. Een koele plek ontstaat door een groene omgeving met schaduw van bomen. Koele en verfrissende windstromen kunnen ook bijdragen aan een aangenaam microklimaat tijdens hitte. Door randen open te laten en wind te geleiden via groenstroken kan koele lucht doorstromen naar de omliggende buurt. Om koelte bereikbaar te houden voor kwetsbare groepen is de afstand tot een koele plek vanaf de woning bepaald op niet meer dan 300 meter. Deze afstand is voor gezonde ouderen te lopen in zo’n 5 minuten. Naast koele plekken in de (semi)openbare ruimte wordt er ook aandacht gevraagd voor koele gebouwde voorzieningen. Wanneer het extreem warm (30 °C >) is verliezen koele plekken in de openbare ruimte hun koelende functie. Voor dergelijke extreme situaties is het van belang dat er koele gebouwde voorzieningen aanwezig zijn zoals openbare voorzieningen en centrale plekken in gebouwen. Toelichting richtlijn: schaduw.

Er is tenminste 40% schaduw op belangrijke loop- en fietsroutes, verblijfsplekken en drinkwaterstroken in het plangebied tijdens de hoogste zonnestand in de zomer. Dit geeft mensen een gezonde en prettige omgeving om te verblijven en te verplaatsen. Het nodigt mensen uit om tijdens hitte naar buiten te gaan en te bewegen. Er wordt gerekend met de hoogste zonnestand op 21 juni. De richtlijn kan bijvoorbeeld bereikt worden door schaduw van bomen, gebouwdelen of zonneschermen. De boomkroon van volgroeide bomen kan worden meegerekend bij de berekening van de hoeveelheid schaduw in een gebied, mits de (ondergrondse en bovengrondse) groeiplaats volwassen groei mogelijk maakt. Voldoende spreiding van de schaduw is nodig om het comfort op de verblijfsplekken en op belangrijke loop- en fietsroutes te waarborgen. Wat deze belangrijke routes zijn is afhankelijk van de inrichting en de voorzieningen in het gebied. Dit zijn bijvoorbeeld hoofd wandel- en fietsroutes, routes van en naar voorzieningen voor kwetsbare groepen zoals verzorgingstehuizen, kinderdagverblijven en verblijfsplekken als school(pleinen), sportvelden, speelplekken en bushaltes. De landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving vraagt ook om schaduw op drinkwaterstroken.

Drinkwaterbedrijven geven namelijk aan dat het tijdens hittegolven moeilijker wordt aan de drinkwatertemperatuureis van 25 graden Celsius uit de Drinkwaterwet te voldoen.

44

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Toelichting richtlijn: horizontale en verticale oppervlakten. Tenminste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/ gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied (het hitte-eiland effect) te beperken. Door het maaiveld en de gebouwen warmtewerend te ontwerpen en in te richten wordt de opwarming van stedelijk gebied (het hitte-eiland effect) beperkt. Groen inrichten heeft de grootste impact. Groen verhoogt de verdampingscapaciteit en daarmee de verkoeling van de stad. Het betreft hierbij niet alleen groen in de openbare ruimte. Ook groene daken en gevels dragen hier sterk aan bij. Ook is het zinvol om materialen toe te passen die weinig warmte absorberen en vasthouden. Hanteer hiervoor bijvoorbeeld de minimale SRI-waarden (Solar Reflectance Index) van BREAAM-NL gebied (onderdeel gebiedsklimaat, thermische buitenklimaat). Noemenswaardig is dat zonnepanelen die niet in het dak geïntegreerd zijn als warmtewerend worden beschouwd.

Figuur 3: Minimale SRI-waarde in BREAM gebied 1.4 De SRI-waarde geeft weer hoe sterk het oppervlak en de directe omgeving van dat oppervlak door zonnestraling kunnen opwarmen. Hoe hoger de SRI, des te lager de bijdrage aan opwarming. De SRI-waarde wordt berekend op basis van twee delen, namelijk de reflectiegraad (albedo-effect) en de thermische emissiegraad (warmteafgifte).

Toelichting richtlijn: vitale en kwetsbare functies Vitale en kwetsbare functies blijven beschikbaar bij hitte. Voor vitale en kwetsbare functies moet het falen van de infrastructuur voorkomen worden tijdens hitte. Voorbeelden van problemen bij hitte is het uitzetten van bruggen, defecten bij transformatorhuisjes -bijvoorbeeld vanwege een donkere kleur die opwarmt- en het opwarmen van waterleidingen. Wat betreft drinkwaterleiding, zowel in de straat, als naar de woningen, als bij het leveringspunt mag de temperatuur van het drinkwater niet uitstijgen boven de wettelijke grens van 25 °C bij het leveringspunt in de woning. Mogelijke oplossingen zijn leidingtracés in de schaduw van bebouwing, bomen of lage beplanting. Voor de vitale en kwetsbare functies en infrastructuur in het gebied moet geïnventariseerd worden wat de risico’s van hitte betekenen. Op basis van deze inventarisatie moeten er nadere ontwerpeisen opgenomen worden.

45

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Toelichting richtlijn: opwarming verblijfsplekken. Geen directe opwarming van verblijfsplekken in de private of openbare buitenruimte door gebouwinstallaties. Gebouwen passen in sommige gevallen installaties toe die warmte naar buiten uitstoten. Denkt daarbij aan installaties zoals airco’s en lucht-water-warmtepompen. Een prangend advies is om deze warmte niet te richten op verblijfsplekken buiten gebouwen, zoals (dak)terrassen. Toelichting voorkeursvolgorde: De ladder van koeling door OSKA (Overleg Standaarden KlimaatAdaptatie): - Koele omgeving (zoals bomen en groene daken). - Warmte werend (zoals stedenbouwkundige oriëntatie en zonwering). - Passief koelen (zoals nachtventilatie en bodemenergie). - Actief koelen (zoals lucht/water warmtepompen en airco’s). In het voorjaar van 2021 jaar ondertekende een brede coalitie van bedrijven, overheden en kennisinstellingen de OSKA Intentieverklaring koeling gebouwen. Centraal daarin staat de ladder van koeling, die is ontwikkeld om in het ontwerp van gebouwen rekening te houden met het veranderende klimaat en steeds vaker optredende hittegolven. In de intentieverklaring hebben partijen afgesproken dat de inzichten op termijn opgenomen zullen worden in de NTA 8800 en daarmee de Nederlandse bouwvoorschriften. Het is in de maatlat klimaatbestendige bouw opgenomen om bouwende partijen te stimuleren de ladder van koeling toe te passen.

46

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

7.6 Overstroming Toelichting doel De gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen in buitendijks gebied, vanuit het regionale watersysteem en door dijkdoorbraken. Toelichting richtlijn Afhankelijk van de plaatselijke overstromingskans en optredende waterdiepte wordt ingezet op het voorkomen van schade, het beperken van schade of het voorkomen van slachtoffers. Voor vitale en kwetsbare functies gelden aanvullende eisen. Welke eisen van toepassing zijn op het plangebied is dus afhankelijk van de overstromingskans en diepte. Wat de overstromingskans per waterdiepte is, is te vinden in de klimaateffectatlas.

Per gebied is bekend wat de kans op een overstroming is (plaatsgebonden overstromingskans) en de waterdieptes waarin dat resulteert. Dijken, sluizen en duinen zorgen voor bescherming tegen overstromingen, maar bieden geen honderd procent veiligheid. Een gebied kan door verschillende overstromingen worden getroffen vanuit zowel het hoofdwatersysteem (de Noordzee, grote rivieren, kanalen en IJsselmeer) als het regionale watersysteem (kleinere rivieren, kanalen, vaarten, e.d.). De plaatsgebonden overstromingskans geeft de totale kans weer van al deze overstromingen in een specifiek gebied. Inzicht in de plaatsgebonden overstromingskans is waardevol, omdat er binnen een gebied grote verschillen kunnen bestaan in overstromingskansen en optredende waterdieptes. Dit betekent dat ook de noodzaak en mogelijkheden voor gevolgbeperkende maatregelen lokaal sterk kunnen verschillen. De plaatsgebonden overstromingskans gaat over de kans dat een locatie in één jaar te maken krijgt met een overstroming. De overstromingskansen zijn gebaseerd op de veiligheidseis van de betreffende waterkering.

47

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Voor overstromingen is het beleid met betrekking tot meerlaagseveiligheid van belang. Dit beleid (meerlaagseveiligheid) is gebaseerd op 3 lagen: 1. Preventie. 2. Duurzame ruimtelijke planning en inrichting. 3. Crisisbeheersing op orde. Preventie wordt gewaarborgd door dijken, sluizen en duinen en is de verantwoordelijkheid van de waterbeheerders. Met name de tweede laag is in het geval van het klimaatbestendige bouw van belang. Deze laag is erop gericht overstromingsrisico’s expliciet mee te wegen bij de locatiekeuze en de inrichting van gebieden, infrastructuur en gebouwen. Welke gevolgbeperkende maatregelen in een gebied mogelijk zijn, hangt af van de waterdieptes die in dat gebied kunnen optreden. Hoe hoger de bijbehorende overstromingskans is, hoe hoger de noodzaak om ook daadwerkelijk maatregelen te treffen. Inzicht in de kans op een overstroming, geeft aanknopingspunten om een afweging te maken over de haalbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen. Inzicht in de optredende waterdieptes is bepalend voor het type maatregelen die genomen kunnen worden. Bij kleine waterdieptes kunnen effectief maatregelen genomen worden om schade aan gebouwen en infrastructuur te voorkomen en is een koppeling mogelijk met maatregelen om wateroverlast te voorkomen.

Bij grotere waterdieptes is het voorkomen van schade niet altijd mogelijk en moet vooral worden ingezet op het voorkomen van slachtoffers door goede schuilplekken en evacuatieroutes. Nieuwe ontwikkelingen kunnen ook bijdragen aan de veiligheid van omringende kwetsbare gebieden door het bieden van hoger gelegen schuilplekken. Voor vitale en kwetsbare voorzieningen en infrastructuur zijn aanvullende richtlijnen opgenomen. Voor dergelijke functies kan een overstroming meer impact hebben. Het is daarom wenselijk om hier eerder maatregelen voor te nemen en aanleg van deze functies in gebieden met grote waterdieptes zo veel mogelijk te voorkomen of ze afdoende te beschermen. Wat deze maatregelen zijn is afhankelijk van de functie.

Figuur 4: Maatregelen gevolgbeperkingen overstromingen (bron: klimaateffectatlas, kaartverhaal overstroming).

48

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

7.7 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit Toelichting doel Groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit worden versterkt op alle schaalniveaus. Mede door klimaatverandering en verstedelijking neemt de biodiversiteit af. Door een juiste inrichting kan ook de bebouwde omgeving bijdragen aan de biodiversiteit. Het is hierbij belangrijk een groenblauw netwerk te creëren met habitats die passen bij de gebiedseigen biodiversiteit. Toelichting richtlijn: groen, tenzij Groene oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen en structuren van het specifieke gebied hebben de voorkeur boven 'puur technische' oplossingen: groen, tenzij. Een bovengrondse groene oplossing heeft in principe de voorkeur boven een (ondergrondse) technische oplossing. Het is essentieel om aan te sluiten bij de natuurlijke processen van het bodem-, water- en ecosysteem op een ontwikkellocatie. Kijk bij een ontwerp altijd eerst naar welke natuurgebaseerde oplossingen in een gebied passen. Toelichting richtlijn: 30% groen op buurtniveau Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren en ecosystemen in de bredere omgeving ingericht met minimaal 30% groen op buurtniveau (volgroeide boomkroonoppervlak telt mee).

Groenblauwe structuren zijn meer dan alleen visueel water en groen voor beleving, ze zijn ook een ecologisch betekenisvolle structuur met klimaatadaptieve meerwaarde. De indicator van het percentage groen is een maatstaf voor vergroening op buurtniveau. Privaat (incl. dak) en openbaar terrein tellen mee in het te berekenen groenoppervlak en percentage. De boomkroon van volgroeide bomen kan worden meegerekend bij de berekening, mits de (ondergrondse en bovengrondse) groeiplaats volwassen groei mogelijk maakt. Voor de bepaling van het boomkroonoppervlak wordt rekening gehouden met de orde van grootte van bomen (1e, 2e of 3e orde) en de kroonomvang van de boomsoort als deze volgroeid is.

49

Beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard

Figuur 5: Percentage groen, opgebouwd uit % boomkroon en % laag groen in openbaar gebied, niet-openbaar gebied en daken. Agrarisch gebied is niet meegerekend (bron: klimaateffectatlas, basiskaart groen en grijs).

Toelichting richtlijn: hoogwaardige habitats Het plangebied creëert, afhankelijk van de grootte, een hoogwaardig habitat voor een of meer soortencategorieën. Habitat Gebouw bewonende soorten Middelgroot project <2000 m2 en/of 15-30 m Gebouw bewonende soorten + een andere soortencategorie. Grootschalig project >2000 m2 en/of >30 m Tenminste 3 soortencategorieën. Soorten categorieën: gebouw bewonend, boom bewonend, aan struweel gebonden, aan bloemrijk grasland gebonden, aan water en oevers gebonden. Kleinschalig project

Footprint <500 m2

Hoogte en <15 m

Met de term ‘hoogwaardige’ habitat worden de eisen van een soort bedoeld waar men redelijkerwijs op het perceel of met behulp van de directe omgeving aan kan voldoen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een soort die lokaal gerealiseerd kunnen worden, samengevat in de 4 v’s: voedsel, veiligheid, voortplantingsmogelijkheden en variatie.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=71840b13-935e-4fe8-bfdd-797c0a730743