Bijlage 1a Verordening BIZ
Tekst van het document
Artikel 12. Aanwijzing [vereniging/stichting] De wet stelt verplicht dat er een vereniging of stichting wordt opgericht die de bedrijveninvesteringszone
feitelijk beheert. Deze vereniging of stichting is ook de rechtspersoon die de subsidies ontvangt. Voor de leesbaarheid van deze toelichting wordt hierna gesproken over BIZ-organisatie.
Op grond van artikel 7 Wet BIZ moet de BIZ-organisatie aan strikte vereisten voldoen. Zo moet de BIZ-
organisatie uitsluitend ten doel hebben de BIZ-activiteiten uit te voeren. Dat hoeven niet altijd met BIZ-
bijdrage gesubsidieerde activiteiten te zijn. Vereist is dat de activiteiten van de BIZ-organisatie zijn aan te merken als activiteiten in de openbare ruimte en op internet, gericht op het bevorderen van de
leefbaarheid in, de veiligheid in, de ruimtelijke kwaliteit van of de economische ontwikkeling van die zone. Artikel 7 Wet BIZ verhindert wel dat de BIZ-organisatie de algemene belangenbehartiging overneemt van een bestaande ondernemersvereniging.
Bij een vereniging is daarnaast vereist dat alle beoogde bijdrageplichtigen lid kunnen zijn van de
vereniging en dat de jaarcontributie niet hoger is dan € 50. Bij een stichting is vereist dat ten minste 2/3 van de bestuursleden afkomstig is uit de kring van de beoogde bijdrageplichtigen.
Essentieel is dat met de BIZ-organisatie een afdwingovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 4:36,
tweede lid, van de Awb. Daarmee wordt de subsidie-ontvanger verplicht de gesubsidieerde activiteiten te verrichten. De omstandigheid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat het sluiten van een
uitvoeringsovereenkomst aan de vaststelling van een verordening BIZ vooraf moet gaan, brengt niet mee dat een aan een dergelijke uitvoeringsovereenkomst klevend gebrek, zoals het ontbreken van de
afdwingbepaling, niet achteraf kan worden hersteld. Als maar op het moment van het opleggen van de
aanslag BIZ-bijdrage de afdwingbepaling in de uitvoeringsovereenkomst is opgenomen en derhalve op dat moment sprake is van een verbindende verordening (Hoge Raad 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3492 (Midden-Drenthe)).
Artikel 13 Subsidieverlening Rode draad in de BIZ is het heffen van de BIZ-bijdrage om daarmee de afgesproken activiteiten te
subsidiëren. Deze rode draad is vastgelegd in artikel 13 waar in het eerste lid is bepaald dat de subsidie
wordt verleend voor de afgesproken activiteiten. Het tweede lid bepaalt dat de subsidie wordt berekend op basis van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen (eventueel na aftrek van de perceptiekosten).
In dit model is gekozen voor een systeem van subsidieverlening en -vaststelling. Weliswaar bestaat de
verplichting om de overeengekomen activiteiten te verrichten, maar het subsidiebedrag kan pas achteraf definitief worden vastgesteld. De subsidieverlening geeft de subsidieontvanger een voorwaardelijke
aanspraak op financiële middelen. In de uitvoeringsovereenkomst kunnen regels over de bevoorschotting worden opgenomen.
Als de gemeente toch kiest voor een systeem van subsidievaststelling zonder subsidieverlening, moet dit
expliciet in de verordening worden bepaald. Het verdient in dat geval de voorkeur de subsidie pas achteraf vast te stellen, wanneer wordt bezien of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Hiermee wordt voorkomen dat bij niet-naleving van de subsidieverplichtingen
moet worden overgegaan tot intrekking of wijziging van het vaststellingsbesluit op grond van artikel 4:49 van de Awb. Deze intrekking of wijziging is minder gemakkelijk dan het intrekken en wijzigen van een
subsidieverleningsbesluit (artikel 4:48 van de Awb) of het lager vaststellen van de subsidie (artikel 4:46, tweede lid, van de Awb). Omdat de subsidie veelal zal zijn betaald, zal anders ook moeten worden
overgegaan tot terugvordering hiervan. Deze problemen kunnen eenvoudig worden verholpen door de
subsidie pas na afloop van de activiteiten vast te stellen. Wel moet in dat geval een voorziening worden getroffen voor de teruggaaf van het eventueel terug te vorderen geld aan de bijdrageplichtigen. De
opbrengst van de bestemmingsheffing kan immers niet voor andere doeleinden worden aangewend. Met een vaststelling achteraf worden ook problemen voorkomen als de geraamde bedragen lager zijn dan verwacht of de verordening tussentijds wordt ingetrokken en geen bijdragen meer binnenkomen.
Op het proces van subsidieverstrekking is titel 4.2 van de Awb in beginsel onverkort van toepassing evenals bijvoorbeeld de bepalingen in de Awb over aanvraag, beschikking en besluit.
Artikel 14. Subsidieverplichtingen Op grond van afdeling 4.2.4 van de Awb kan het bestuursorgaan verplichtingen opleggen aan de subsidieontvanger. In artikel 4:37 van de Awb zijn acht standaardverplichtingen genoemd die aan de subsidieontvanger kunnen worden opgelegd (doelgebonden verplichtingen). Voor de overige doelgebonden
verplichtingen (zie artikel 4:38 van de Awb) is een wettelijke grondslag in de verordening opgenomen. Bij de voorbereiding van de BIZ kunnen afspraken worden gemaakt over de verplichtingen die in concreto gelden. Deze verplichtingen worden vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst.
Voor de niet-doelgebonden verplichtingen is geen bepaling opgenomen. Deze bepalingen kunnen alleen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteiten worden
verricht. Te denken valt bijvoorbeeld aan de verplichting om activiteiten op milieuvriendelijke wijze uit te voeren. Het opnemen van niet-doelgebonden verplichtingen zal minder vaak voorkomen. Als dit wel het
geval is, moet in de verordening op zijn minst een nadere aanduiding worden opgenomen van de met de subsidie na te streven nevendoeleinden.
Hof Den Haag 16 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3426, oordeelt dat uit de wetsgeschiedenis
nadrukkelijk volgt dat de wetgever het verstrekken van inzicht in de activiteiten van de BI-stichting (of vereniging) en het afleggen van verantwoording daarover aan de ondernemers in de BI-zone tot de
wezenskenmerken van de BIZ-bijdrage rekent. Het hof vernietigt vervolgens een aanslag BIZ-bijdrage,
omdat het volgens de uitvoeringsovereenkomst vereiste activiteitenplan voor het belastingjaar ontbreekt.
Deze uitspraak maakt duidelijk dat men na de totstandkoming de teugels niet kan laten vieren. Ook tijdens de uitvoering moet men alle afspraken nakomen. Zeker als deze betrekking hebben op het concretiseren
van de daadwerkelijke activiteiten. De gemeente zal daarbij een oogje in het zeil moeten houden, omdat zij ook wordt afgerekend op tekortkomingen van de ondernemers en hun uitvoeringsorganisatie.
De gemeente kan via de burgerlijke rechter nakoming afdwingen op grond van de
uitvoeringsovereenkomst als de BIZ-organisatie de afgesproken activiteiten niet uitvoert of de overige overeengekomen verplichtingen niet nakomt. Als dat tot niets leidt, kan de gemeenteraad de subsidie
intrekken (artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a of b dan wel artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder
c, van de Awb). De al betaalde bedragen kunnen dan als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. In dat geval zal moeten worden nagegaan hoe de betaalde BIZ-bijdragen worden teruggegeven aan de bijdrageplichtigen.
Artikel 15. Subsidievaststelling Na de subsidieverlening volgt een tweede beschikking, de subsidievaststelling. Daarin wordt vastgesteld in hoeverre de voorwaarden zijn vervuld en hoeveel het exacte subsidiebedrag bedraagt. Als er gekozen is voor het systeem van enkel subsidievaststelling neemt de vaststelling een aantal elementen van de subsidieverlening over (zie artikel 4:43 van de Awb).
In de uitvoeringsovereenkomst (bij de subsidieverlening) kan concreet worden aangegeven welke stukken bij de aanvraag om subsidievaststelling moeten worden overgelegd en binnen welke termijn de aanvraag
moet worden gedaan. Als een aanvraag uitblijft, kan de subsidie ook ambtshalve worden vastgesteld (artikel 4:44 Awb).
Artikel 16. Melding van relevante wijzigingen Gelet op het feit dat de overeengekomen activiteiten moeten worden verricht door de BIZ-organisatie, is opgenomen dat expliciet melding moet worden gedaan van wijzigingen die de uitvoering van de
activiteiten of de BIZ-organisatie zelf raken. Deze kunnen aanleiding zijn tot het wijzigen van het subsidievaststellingsbesluit (vergelijk artikel 4:49 Awb).
Hoofdstuk IV Slotbepalingen
Artikel 17. Overgangsrecht Een toelichting op dit artikel is opgenomen in de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Overgangsrecht.
Voor lopende BIZ-experimenten is het volgende nog van belang. Artikel 9, eerste lid, Wet BIZ bepaalt dat
de Experimentenwet BIZ wordt ingetrokken. Op grond van artikel 9, tweede lid, Wet BIZ blijven bestaande verordeningen wel in stand. Door artikel 9, eerste lid, Wet BIZ vervalt dus ook artikel 11, tweede lid,
Experimentenwet waarin een verlengingsmogelijkheid voor experimentele bedrijveninvesteringszones was voorzien. Door artikel 9, eerste lid, Wet BIZ kunnen de bestaande experimentele BIZ-verordeningen echter niet worden verlengd. Zij dienen alleen hun looptijd uit onder de regels van de Experimentenwet. Als
voortzetting van de bedrijveninvesteringszone gewenst is, zal daarna een nieuwe verordening moeten worden vastgesteld op basis van de permanente wet.
Artikel 18. Inwerkingtreding Na volledige afweging van alle belangen door de gemeenteraad en vaststelling van de verordening vindt de draagvlakmeting plaats. Dit betekent dat de verordening pas in werking kan treden nadat de
draagvlakmeting is gehouden en er gebleken is van voldoende draagvlak. Om die reden kan artikel 142 Gemeentewet niet zondermeer worden toegepast. In plaats daarvan is voor de inwerkingtreding aangesloten bij de bekendmaking van de uitslag van de draagvlakmeting.
Artikel 19. Citeertitel Een toelichting op dit artikel is opgenomen in de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Citeertitel.