Bijlage 1a Verordening BIZ
Tekst van het document
Verordening
bedrijveninvesteringszone
Centrumwaard 2023 - 2027 Besluit van de raad van de gemeente Dijk en Waard tot vaststelling van de Verordening bedrijveninvesteringszone Centrumwaard 2023-2027 De raad van de gemeente Dijk en Waard ; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones; gezien de uitvoeringsovereenkomst van [datum] gesloten met Ondernemersvereniging Centrumwaard; besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening bedrijveninvesteringszone Centrumwaard 2023-2027
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bedrijveninvesteringszone: het op de bij deze verordening behorende kaart aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven;
- college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente;
- uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en Ondernemersvereniging Centrumwaard op [datum] gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet; - wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones; - vereniging: Ondernemersvereniging Centrumwaard.
Hoofdstuk II Belastingbepalingen Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de belasting 1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de
bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de
openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak. 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4. Belastingplicht 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al
dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak gebruikt;
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik
heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in b.
gebruik is gegeven;
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen c.
op degene aan wie die onroerende zaak ter beschikking is gesteld;
als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de
basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
3. Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2023.
2. Indien met betrekking tot de onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV
van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6. Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking
gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
b. c.
d.
gebruiken;
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende e.
gebouwde eigendommen;
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen,
moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
f. g.
h.
i.
worden;
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j.
k.
onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de
gemeente met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde
gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
l.
monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
2. In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZ-bijdrage van de gebruiker buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 7. Tarief BIZ-bijdrage 1. Het tarief van de BIZ-bijdrage bedraagt: a. voor de gebruiker, bij een waarde van: 1° niet meer dan € 100.000: € 300,00; 2° meer dan € 100.000, maar niet meer dan € 200.000: € 400,00 3° meer dan € 200.000: € 500,00
Artikel 8. Wijze van heffing De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.
2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 10. Looptijd belastingheffing De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar.
Hoofdstuk III Subsidiebepalingen Artikel 11. Buiten toepassing algemene subsidieverordening Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene Subsidieverordening Heerhugowaard 2014 niet van toepassing.
Artikel 12. Aanwijzing Ondernemersvereniging Centrumwaard Ondernemersvereniging Centrumwaard wordt aangewezen als de vereniging bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is
gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.
Artikel 13. Subsidieverlening 1. De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de vereniging voor de uitvoering van de
activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken. 2. De subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen.
Artikel 14. Subsidieverplichtingen Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de vereniging ook andere doelgebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de vereniging gesloten uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 15. Subsidievaststelling 1. De vereniging is verplicht om binnen 3 maanden na afloop van het subsidiejaar de in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken te overleggen.
2. De subsidie wordt vastgesteld uiterlijk 3 maanden na ontvangst van de in het voorgaande lid genoemde stukken.
Artikel 16. Melding van relevante wijzigingen De vereniging stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van: - meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie, - een wijziging van de statuten,
- verandering of beëindiging van activiteiten.
Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 18. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking door het college dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023
Artikel 19. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bedrijveninvesteringszone Centrumwaard 20232027
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Bijlage behorende bij de Verordening bedrijveninvesteringszone Centrumwaard 2023-2027
Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 1 van de Verordening bedrijveninvesteringszone Centrumwaard 2023-2027geldt het op de kaart aangegeven gedeelte.
Behoort bij raadsbesluit van [datum]
De griffier van Dijk en Waard
Toelichting op de Modelverordening bedrijveninvesteringszone A. Algemeen
1. Inleiding Van 2009 tot en met 2011 maakte de Experimentenwet bedrijveninvesteringszones het mogelijk dat ondernemers gezamenlijk investeren in een veilige en aantrekkelijke bedrijfsomgeving, waarbij alle
ondernemers meebetalen. Het instrument hiervoor was een gebiedsgerichte heffing die door de gemeente op verzoek van een (nader bepaalde) meerderheid van de ondernemers kon worden ingesteld. Uit de
evaluatie van deze experimentenwet is naar voren gekomen dat het opnieuw en permanent beschikbaar stellen van deze faciliteit gewenst was. Om die reden is 1 januari 2015 de Wet op de
bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ; Kamerstukken 33 917) in werking getreden (Stb. 2014, 506 en 507).
2. Doel van de Wet BIZ Zowel ondernemers als gemeenten hebben belang bij investeringen in de bedrijfsomgeving. Voor het bedrijfsleven is de kwaliteit en veiligheid van de bedrijfsomgeving een belangrijke factor voor de
aantrekkelijkheid van een onderneming voor klanten. Voor de lokale overheid is een veilige en leefbare
openbare ruimte van belang om bedrijven (werkgelegenheid) en bezoekers aan te trekken. Een leefbare
bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te werken, te wonen en te winkelen. Het collectieve belang van de
ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige
bedrijfsomgeving. Gezamenlijke investeringen liggen voor de hand omdat dit synergievoordelen oplevert en het effect van de investeringen groter wordt.
Gemeenten hebben met de Wet BIZ de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen (de
bedrijveninvesteringszone (BIZ)) waarbinnen een bestemmingsbelasting (de BIZ-bijdrage) mag worden geheven ter financiering van door een meerderheid van de bijdrageplichtigen gewenste extra
voorzieningen. De voorzieningen dienen zowel het gezamenlijk belang van de ondernemers als het algemeen belang. De BIZ kan echter niet worden ingezet voor de financiering van concrete
verantwoordelijkheden die de wetgeving exclusief aan de gemeente opdraagt. De BIZ is alleen bedoeld om een hogere kwaliteit aan voorzieningen tot stand te brengen die de gemeente op grond van een optimale verdeling van de beschikbare middelen zelf niet kan en hoeft te realiseren.
Hoewel de Wet BIZ evenals de Experimentenwet BIZ vooral bedoeld is om ondernemers te faciliteren, is de wettelijke opzet ruimer. Door de gekozen begrippen zijn alle gebruikers en/of eigenaren van niet-
woningen in de bedrijveninvesteringszone onderworpen aan de BIZ-bijdrage. Naast ondernemers die
commerciële activiteiten verrichten, kunnen dat ook maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk
zijn zoals club- en buurthuizen, sportverenigingen, culturele instellingen, kerken of overheidsinstellingen. Ondanks deze nuancering zal hierna kortweg steeds over ondernemers worden gesproken.
3. Stappenplan In de kern komt de opzet van de Wet BIZ erop neer dat de gemeente haar exclusieve recht om belastingen te heffen, inzet om initiatieven van een groep ondernemers te financieren. Om die reden is de Wet BIZ
gebouwd op een groot aantal waarborgen tussen initiatief en uitvoering. Na een informele fase waarin eerst de ondernemers onderling en vervolgens met de gemeente de mogelijkheden voor een
bedrijveninvesteringszone verkennen, volgt de formele fase die bestaat uit (1) de oprichting van een BIZ-
organisatie, (2) de subsidieverlening onder vaststelling van een uitvoeringsovereenkomst (3) het vaststellen van een verordening (4) een draagvlakmeting en (5) inwerkingtreding van de verordening. Deze opzet leidt tot het volgende stappenplan.
Stap 1 - Ondernemersinitiatief De bedrijveninvesteringszone is er voor en door ondernemers. Het is dus aan de ondernemers in een bepaald gebied om met elkaar te bekijken of zij in hun gebied activiteiten willen uitvoeren om de aantrekkelijkheid en veiligheid van dat gebied te verbeteren. De wetgever gaat ervan uit dat de
initiatiefnemers de animo voor hun plannen bij de overige ondernemers in het gebied toetsen en
vervolgens in onderling overleg de plannen uitwerken in een projectplan. Overigens bleek tijdens de
experimentenwet dat ondernemers voor raad en advies vaak ook terechtkonden bij adviseurs van de Kamer van Koophandel en gemeentelijke gebiedsmanagers.
Aandachtspunten bij een projectplan zijn: - Wat willen de ondernemers bereiken met de BIZ? - Welke activiteiten willen zij daartoe gaan ontplooien? - In welke periode willen zij dat bereiken (maximaal 5 jaar)? - Wat zijn de kosten? - Hoe moeten deze kosten worden verdeeld? - Hoe groot is het gebied van de bedrijveninvesteringszone en hoe wordt de zone afgebakend? - Hoe wordt de organisatie geregeld?
Maar ook: - Wat gaat er gebeuren als er te weinig geld is, of juist te veel geld? - Wat gebeurt er als een bedrijveninvesteringszone tussentijds wordt opgeheven? De ervaring leert dat stap 1 een van de allerbelangrijkste fases is die tijd kost omdat de ondernemers onderling draagvlak voor de plannen moeten creëren.
Stap 2 - Overleg met gemeente Zodra de initiatiefnemers een goed beeld hebben van de wensen en de mogelijke uitvoering ervan, start het overleg met de gemeente. De ondernemers en de gemeente bekijken samen de plannen. Passen de
plannen wel binnen de kaders van de wet? In hoeverre voert de gemeente de activiteiten al uit? Is de gemeente bereid een deel extra bij te dragen?
Stap 1 en stap 2 lopen door elkaar heen. Eerst moeten ondernemers een goed beeld hebben van wat zij
willen. Maar door in een vroeg stadium al met de gemeente te overleggen kunnen de ondernemers sneller tot een concreet eindplan komen en kunnen eventuele teleurstellingen worden voorkomen.
Stap 3 - Oprichten BIZ-organisatie Als duidelijk is dat bij de ondernemers een breed draagvlak is voor hun plan en de gemeente bereidheid heeft getoond hieraan mee te werken, richten de ondernemers een vereniging of stichting op die de
bedrijveninvesteringszone gaat uitvoeren. Artikel 7 Wet BIZ stelt speciale eisen aan de inhoud van de
statuten van deze BIZ-organisatie. Zo mag de BIZ-organisatie zich alleen bezighouden met de uitvoering van de BIZ-activiteiten. Als de BIZ-organisatie een vereniging is, moeten daarnaast de betrokken
ondernemers tegen betaling van een kleine contributie lid kunnen worden van die vereniging. Bij een stichting moeten de betrokken ondernemers in voldoende mate bij het bestuur betrokken zijn.
Stap 4 – Subsidieverlening en uitvoeringsovereenkomst Voordat de gemeenteraad de BIZ-verordening vaststelt, moet het college met de BIZ-organisatie in het kader van de subsidieverlening een zogenoemde uitvoeringsovereenkomst hebben gesloten. Deze
overeenkomst bevat de afspraken tussen de ondernemers en de gemeente. De meeste zaken kunnen direct overgenomen worden van het projectplan, zoals de doelstelling van BIZ, het tijdpad en dergelijke.
Daarnaast kunnen afspraken worden vastgelegd over een eventuele extra subsidie van de gemeente, en over de verdeling van de perceptiekosten die de gemeente in rekening kan brengen.
Uit de Wet BIZ (en titel 4.2 van de Awb) kan worden opgemaakt dat de uitvoeringsovereenkomst in ieder geval het volgende moet regelen:
- de activiteiten die de BIZ-organisatie gaat uitvoeren gedurende de verschillende jaren van de BIZ; - het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode van de BIZ-bijdrage (de zogenoemde service level agreement (SLA));
- de verplichting dat de BIZ-organisatie de activiteiten verricht waarvoor de subsidie wordt verstrekt;- het
bepalen van het maximale (voorlopige) subsidiebedrag (bijvoorbeeld op basis van geraamde inkomsten en perceptiekosten) en daarbij regels op te nemen over de verrekening van meer- of minderopbrengsten; - de (eventuele) wijze van bevoorschotting.
Stap 5 - BIZ-verordening De gemeenteraad kan de BIZ-verordening vaststellen nadat de initiatieven voldoende zijn uitgewerkt en de
afspraken zijn vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst. De BIZ-verordening is tweeledig. Enerzijds regelt de verordening de noodzakelijke voorwaarden om de BIZ-bijdrage te kunnen heffen en invorderen.
Anderzijds regelt de BIZ-verordening dat de belastingopbrengst als subsidie zal worden verstrekt aan de BIZ-organisatie.
Stap 6 - Draagvlakmeting Als de gemeenteraad instemt met de BIZ-verordening kan de verordening pas in werking treden nadat een draagvlakmeting is gehouden. Uit de draagvlakmeting moet blijken of de bedrijveninvesteringszone op
voldoende steun onder de ondernemers in het gebied kan rekenen. Van voldoende steun is sprake als aan de volgende vereisten is voldaan:
- De respons bij de draagvlakmeting is minimaal 50%. - Van de respondenten is minimaal 2/3 voor. - En bij een tarief afhankelijk van de WOZ-waarde: de voorstemmers vertegenwoordigen meer WOZwaarde dan de tegenstemmers.
Als zowel eigenaren als gebruikers de BIZ-bijdrage moeten gaan betalen, vindt de hiervoor beschreven
toets plaats voor alle belanghebbenden gezamenlijk. Aanvullend daarop moet er ook onder de eigenaren en onder de gebruikers voldoende draagvlak zijn. Dit zal moeten blijken uit de volgende aanvullende vereisten:
- De respons van de betrokken eigenaren bij de draagvlakmeting is minimaal 50%. - De respons van de betrokken gebruikers bij de draagvlakmeting is minimaal 50%. - Van de responderende eigenaren heeft ten minste 50% zich voor inwerkingtreding uitgesproken. - Van de responderende gebruikers heeft ten minste 50% zich voor inwerkingtreding uitgesproken.
Zodra de gemeenteraad de BIZ-verordening heeft vastgesteld, organiseert de gemeente de
draagvlakmeting. Deze wordt dus georganiseerd in de loop van het jaar (en niet op 1 januari). De
draagvlakmeting vindt plaats onder de potentiële belastingplichtigen ten tijde van die draagvlakmeting. Dit
vereiste brengt met zich dat de gemeente niet een-op-een de bestanden van de aanslagregeling in het jaar van de draagvlakmeting kan volgen, maar op zijn minst moet nagaan welke mutaties er hebben plaatsgevonden tot aan de draagvlakmeting.
Het college is verantwoordelijk voor de draagvlakmeting en moet ervoor zorgen dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening. Daarnaast moet het college waarborgen dat de schriftelijke draagvlakmeting vertrouwelijk plaatsvindt. Omdat het college verantwoordelijk is voor de
draagvlakmeting, zal hij ook de uitslag moeten vaststellen. Naast een (verkorte) weergave van de uitslag, kan dit collegebesluit ook de beslissing inhouden dat de verordening zal worden gepubliceerd op de
daarvoor gebruikelijke wijze. Het collegebesluit over de vaststelling van de uitslag zal op grond van artikel 139 Gemeentewet bekend moeten worden gemaakt.
De eis van voldoende draagvlak staat los van de gebruikelijke regels voor de bekendmaking van de
verordening. Zo moet de verordening worden opgenomen in de daartoe bestemde digitale registers en op internet raadpleegbaar zijn.
Stap 7 - Heffing, subsidie en uitvoering Nadat de verordening in werking is getreden, kan de bedrijveninvesteringszone van start gaan. De
gemeente zal zorgdragen voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdrage en afdoening van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. De BIZ-organisatie zal de activiteiten uitvoeren en zorgdragen voor de verantwoording van de inkomsten en uitgaven.
Op afgesproken momenten (meestal jaarlijks) controleert de gemeente of de BIZ-organisatie nog steeds aan de subsidievoorwaarden voldoet. Dit zal het geval zijn als ondernemers hun afgesproken plan uitvoeren.
Stap 8 - Einde bedrijveninvesteringszone De bedrijveninvesteringszone kan op twee manieren eindigen. 1. De bedrijveninvesteringszone eindigt doordat de looptijd van de BIZ-verordening eindigt. 2. De bedrijveninvesteringszone eindigt voortijdig omdat gaande weg het draagvlak wegvalt. Ondernemers kunnen tussentijds verzoeken om een hernieuwde draagvlakmeting met als doel de opheffing van de BIZ.
Dit verzoek moet door minimaal 20% van de ondernemers worden ondersteund en kan pas na een jaar na
de vorige draagvlakmeting worden ingediend. In afwijking van de voorwaarden bij eerste draagvlakmeting hoeft niet 2/3 maar 50% voor voortzetting van de draagvlakmeting te zijn.
4. Aandachtspunten gemeenteraad De vaststelling van de bedrijveninvesteringszone door de gemeenteraad is een belangrijk moment bij de totstandkoming van de BIZ. Het is goed om te benadrukken dat de gemeenteraad een autonome positie
heeft om de bedrijveninvesteringszone in te voeren. De gemeenteraad heeft dan ook de vrijheid om af te zien van het vaststellen van de verordening, of deze op punten anders in te richten. Het is aan de
gemeenteraad om te besluiten dat zij het exclusieve recht om belastingen te heffen wil inzetten voor een groep ondernemers.
Naast de aandachtspunten die uit de Wet BIZ voortvloeien, is bij de parlementaire behandeling van de wet ook een aantal aandachtspunten meegegeven aan de gemeenteraad. Met het oog op een eventuele
rechterlijke toetsing van de bedrijveninvesteringszone tijdens een beroepsprocedure tegen de BIZ-
bijdrage, is het goed om deze aandachtspunten in de besluitvorming te betrekken. Dat kan door er
aandacht aan te schenken in de begeleidende stukken. Het gaat hierbij om de volgende aandachtspunten: - Statuten BIZ-organisatie: De gemeenteraad zal zich ervan moeten overtuigen dat de aan te wijzen BIZorganisatie voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 7, tweede lid, Wet BIZ. In het bijzonder vraagt de (beperkte) statutaire doelstelling en de samenstelling van het bestuur aandacht.
- Uitvoeringsovereenkomst: Deze overeenkomst moet de verplichting bevatten dat de activiteiten waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt ook daadwerkelijk worden uitgevoerd (de afdwingverplichting). Daarnaast is van belang dat de uitvoeringsovereenkomst alleen van toepassing is als de verordening uiteindelijk ook daadwerkelijk in werking treedt.
- Activiteiten: De gemeenteraad kan het initiatief van de ondernemers niet klakkeloos overnemen omdat de gemeenteraad dient te waken tegen instelling van een bedrijveninvesteringszone die leidt tot
willekeurige of onredelijke belastingheffing. De gemeenteraad zal daarom elementen als tariefstelling, de verdeling van de lasten, de wijze waarop de grens van de bedrijveninvesteringszone is getrokken en het soort activiteiten zorgvuldig en in het licht van het algemeen belang moeten bezien. Wat de activiteiten
betreft zal de gemeenteraad kenbaar moeten aangeven in hoeverre de afgesproken concrete activiteiten
aansluiten op het abstracte begrip “activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone”. Zie over de mogelijke activiteiten ook de toelichting op artikel 2, tweede lid, modelverordening.
- Vastlegging basisserviceniveau: Op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet BIZ moeten gemeenteraad en de BIZ-organisatie schriftelijke afspraken maken over het minimale niveau van de gemeentelijke
dienstverlening voor de periode dat de BIZ-bijdrage wordt geheven. Uit de toelichting op de Wet BIZ (en de daaraan voorafgaande Experimentenwet waarin dezelfde bepaling was opgenomen) blijkt dat deze
afspraken in de uitvoeringsovereenkomst kunnen worden vastgelegd (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2007–2008, 31430, nr. 3, pag. 11). Omdat het college de uitvoeringsovereenkomst aangaat, is het
kennelijk de bedoeling van de wetgever dat het college deze afspraken maakt. Met het vaststellen van de
verordening bekrachtigt de gemeenteraad als het ware deze afspraken (zie aanhef en artikel 15, eerste lid). Ook is het raadzaam om in de uitvoeringsovereenkomst een bepaling op te nemen die de invloed op het
afgesproken basisserviceniveau regelt van latere ingrijpende aanpassingen in de algemene gemeentelijke dienstverlening en activiteiten. Het basisserviceniveau geldt immers voor de looptijd van de BIZ-bijdrage (maximaal 5 jaar) en in die periode kunnen de (financiële) omstandigheden van de gemeente aanzienlijk wijzigen.
- Staatssteun: Door de systematiek van de bedrijveninvesteringszones kan volgens de wetgever de
subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie geen staatssteun zijn. Maar dat de subsidie van de
gemeente aan de BIZ-organisatie niet leidt tot staatssteun laat onverlet dat gemeenten wel moeten nagaan in hoeverre het gerechtvaardigd is dat de perceptiekosten eventueel niet in mindering op de ontvangen BIZ-bijdragen wordt gebracht. Ook moeten gemeenten zich bewust zijn van staatssteunaspecten bij eventuele aanvullende bijdragen aan bedrijveninvesteringszones uit de algemene middelen.
5. Wettelijke basis De modelverordening bedrijveninvesteringszone is gebaseerd op de Wet BIZ. Omdat aan het vaststellen
van de verordening een aantal stappen voorafgaat, waaronder het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst waarin een afdwingverplichting is opgenomen, moet de raad ook kennis hebben genomen van deze
overeenkomst. Dit is in de aanhef tot uitdrukking gebracht.
Gekozen is voor een zogenaamd ‘aangekleed model’, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. Bij deze keuze speelt mee dat de
gemeenteraad moet laten zien dat hij bij de invoering van de belasting alle essentiële elementen in
ogenschouw heeft genomen. De meest voor de hand liggende manier waarop de gemeenteraad dat kan
laten zien, is de tekst van de verordening. Die is immers bedoeld om de belastingschuldigen de omvang van de belastingschuld kenbaar te maken alsook de omstandigheden waaronder.
De wetgever heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om voor de heffing zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bepalingen voor de onroerendezaakbelastingen in de Gemeentewet. Daardoor zijn naast de bepalingen in de Wet BIZ ook de artikelen 220a, 220b, eerste lid, 220d, 220e en 220h van de Gemeentewet voor de vormgeving van de modelverordening van belang.
6. Nadere regels, uitvoeringsregels en beleidsregels Een toelichting op het vaststellen van nadere regels, uitvoeringsregels en beleidsregels is opgenomen in de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Nadere regels, uitvoeringsregels en beleidsregels.
B. Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de modelverordening voorkomende begrippen, is daarvan een definitie opgenomen in artikel 1.
Bij de omschrijving van het begrip ‘bedrijveninvesteringszone’ kunt u aangeven dat het aangewezen
gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart. Het is ook
mogelijk om in de verordening of in de bijlage bij de verordening alle straten te noemen waar de gemeente een BIZ-bijdrage heft. Onvoldoende is dat de kaart of bijlage is opgenomen in de
uitvoeringsovereenkomst, maar niet in of bij de verordening (Rechtbank Oost-Brabant 1 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:455 (Bladel)). De kaart of bijlage horen bij de verordening en moeten dus ook op
dezelfde wijze bekendgemaakt worden. Als dat technisch niet mogelijk is, kan de kaart of bijlage ook ter
inzage worden gelegd. De verordening moet dat vermelden (artikel 139, derde lid, Gemeentewet; vergelijk Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:HR2015:1669). Hoofdstuk II Belastingbepalingen
Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de belasting Het eerste lid beschrijft het belastbaar feit. In de bepaling wordt benadrukt dat het een jaarlijkse heffing
betreft gedurende de looptijd van de verordening. Dit is gedaan om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat het om een eenmalige bijdrage zou gaan. Door de verwijzing naar artikel 220a Gemeentewet wordt aangegeven dat het begrip niet-woning conform de daar gegeven regels moet worden uitgelegd. De
jurisprudentie die voor artikel 220a Gemeentewet is gewezen, is daarmee ook van toepassing op de BIZ-
bijdrage. Een nadere toelichting inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 2 van de Modelverordening onroerendezaakbelastingen.
Het tweede lid is opgenomen om er geen twijfel over te laten bestaan dat de heffing alleen bedoeld is ter
bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de wettelijk toegestane activiteiten. Dit zijn activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de
bedrijveninvesteringszone. Inpandige activiteiten kunnen in beginsel niet met een BIZ-bijdrage worden
gefinancierd, tenzij het gaat om activiteiten die gericht zijn op een publiek belang in de openbare ruimte. Deze bepaling impliceert ook dat de gemeenteraad bij haar besluitvorming van mening is dat de
afgesproken activiteiten voldoen aan de eisen van de Wet BIZ. Naar onze mening is het niet nodig om de omschrijving nader af te stemmen op afgesproken activiteiten.
Nieuw ten opzichte van de Experimentenwet zijn de activiteiten die op of via het internet plaatsvinden. De
wenselijkheid van deze aanvulling komt voort uit het gegeven dat de detailhandel zich meer en meer richt op de mogelijkheden die het internet en het ‘nieuwe winkelen’ biedt. Deze activiteiten kunnen ook de
economische ontwikkeling stimuleren en daarmee in het publiek belang zijn. Voorbeelden hiervan zijn een gezamenlijke website of activiteiten die via de sociale media worden ontplooid. Concreet betekent de
toevoeging dat activiteiten die op het internet plaatsvinden en volgens de gemeente bijdragen aan de
leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ, ook kunnen worden gefinancierd met opbrengsten van de BIZ-bijdrage.
Een bedrijveninvesteringszone is uitdrukkelijk gericht op het verrichten van aanvullende activiteiten ten
opzichte van de diensten van de gemeente. Het bestaande voorzieningenniveau dient als uitgangspunt te worden genomen bij het bepalen van de gewenste voorzieningen. Een bedrijveninvesteringszone kan
alleen dan tot een verbetering van de kwaliteit leiden als het bestaande voorzieningenniveau minimaal gehandhaafd blijft. De activiteiten die de ondernemers in aanvulling daarop willen uitvoeren kunnen nieuwe aanvullende voorzieningen betreffen of kunnen gaan om een intensivering van bestaande activiteiten.
Activiteiten waar concreet aan gedacht kan worden zijn: het verbeteren van de verkeersvoorzieningen, de bewegwijzering, de groenvoorziening, afvalinzameling, verlichting, schoonmaak, onderhoud,
brandveiligheid, graffitiverwijdering, het vergroten van de veiligheid door bijvoorbeeld extra surveillance, hekwerken en camerabewaking. Bij activiteiten die zich richten op de economische ontwikkeling gaat het om het versterken van de economische kracht van een gebied, door het versterken van het
ondernemerschap in de zone. Dit kan bijvoorbeeld door het versterken van het zelforganiserend
vermogen, bepaalde vormen van gebiedspromotie, of de inzet van een park- of winkelstraatmanager. Onder ‘economische ontwikkeling’ zijn allerlei activiteiten te rangschikken die men als winkeliers- of
ondernemersgroep kan ondernemen omdat men ervan denkt dat men er in economisch opzicht met elkaar beter van kan worden. Meer concreet is te denken aan kerst- of sfeerverlichting, sinterklaasintocht of speciale evenementen.
De BIZ beperkt zich overigens niet tot winkelcentra of industrieterreinen. Ook land- en tuinbouwgebieden
of toeristische gebieden kunnen gebruikmaken van bedrijveninvesteringszones. De wettelijke systematiek
gaat uit van aanwijzing van een bepaald gebied in de gemeente, maar stelt geen beperkingen aan het soort gebied waar het om moet gaan.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting Doordat artikel 220a Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is, is de objectafbakening zoals die
voor de Wet WOZ en de OZB geldt, ook van toepassing voor de BIZ-bijdrage. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 3. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om hier niet te verwijzen naar artikel 220a Gemeentewet zoals de Wet BIZ doet, maar direct naar hoofdstuk III van de Wet WOZ.
Artikel 16 Wet WOZ merkt als onroerende zaak aan: a. een gebouwd eigendom; b. een ongebouwd eigendom; c. een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd eigendom; d. een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een zelfstandig gedeelte daarvan;
e. een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee of meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige gedeelten;
f. het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd
eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel.
Op grond van jurisprudentie zijn schepen roerende zaken zodat daarvan geen BIZ-bijdrage kan
worden geheven.
Een nadere toelichting op de objectafbakening inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de
Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Voorwerp van de belasting.
Artikel 4. Belastingplicht
Redactiewijzer keuzes modelverordening De volgende artikelleden zijn van toepassing als de BIZ-bijdrage wordt geheven van: Tabel bij toelichting artikel 4 Belastingdienst uitsluitend de gebruikers
Variant 1
Noodzakelijk:
- lid 1 aanhef en onderdeel
de tekst van lid 1 kan doorlopend zonder letter worden overgenomen
a
- lid 2 aanhef en onderdelen a en b
Keuze: - lid 3 eigenaren en gebruikers
Variant 1
Noodzakelijk:
- lid 1 aanhef en onderdelen a en b
- lid 2 aanhef en onderdelen a t/m c Keuze: - lid 3 uitsluitend de eigenaren
Variant 2
Noodzakelijk: - lid 1 - lid 2
Eerste lid Onder de Experimentenwet werd de BIZ-bijdrage geheven van de gebruikers van de niet-woningen in de
bedrijveninvesteringszone. De Wet BIZ is hier echter verruimd en biedt de mogelijkheid om te heffen van de gebruikers, de eigenaren of van beide categorieën. De keuze die de gemeente voor de bedrijveninvesteringszone heeft gemaakt, ligt vast in dit artikellid.
Aan de mogelijkheid om zowel gebruikers als eigenaren aan de bedrijveninvesteringszone te laten
bijdragen, ligt de gedachte ten grondslag dat eigenaren mogelijk ook een belang hebben bij collectieve
investeringen. Lokaal moet wel goed worden gekeken of ondernemers te maken krijgen met een stapeling van BIZ-bijdragen, doordat de ondernemer zowel de eigen heffing als de heffing van de eigenaar betaalt (bijvoorbeeld omdat de heffing wordt doorberekend in de huur of omdat iemand zowel eigenaar als gebruiker is).
Doordat bij de draagvlakmeting binnen iedere categorie belastingplichtigen een meerderheid moet
bestaan, wordt voorkomen dat er sprake is van een oneigenlijke afwenteling van lasten door gebruikers op eigenaren of andersom.
Tweede lid Artikel 220b van de Gemeentewet geeft nadere invulling aan de begrippen ‘gebruik’ en ‘eigenaar’. Deze begrippen zijn overeenkomstig van toepassing op de BIZ-bijdrage.
Tweede lid, onderdeel a Op grond van het tweede lid kunnen in bepaalde situaties belastingplichtigen aangewezen worden die niet feitelijk gebruik maken van een niet-woning. Zo regelt artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de
modelverordening dat gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is
gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Door deze
bepaling is de verhuurder (al of niet tevens eigenaar) ook belastingplichtig voor de BIZ-bijdrage als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de niet-woning is. Dit betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met
meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ als één object kunnen gelden), de verhuurder in de heffing van de BIZ-bijdrage moet worden betrokken. De huurders zijn dan niet belastingplichtig. Voor alle
duidelijkheid: de bepaling ziet alleen op situaties waarin (onzelfstandige) delen van de onroerende zaak
worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als gebruiker worden aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan
bijvoorbeeld één onderneming of één persoon. Verhuurt hij de verschillende (onzelfstandige) delen aan
verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij staat dan
immers niet een deel van de niet-woning in gebruik af. Degene die het gebruik afstaat, mag overigens de gebruikersbelasting wel verhalen op degene aan wie het gebruik van een deel wordt afgestaan.
Tweede lid, onderdeel b Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik
wordt aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet vooral op niet-woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig gebruik. Dit is alleen anders indien gebruik wordt gemaakt van een verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële risico van
meer- of minderopbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit handen geven van de bemiddeling (al
dan niet tegen een beperkt percentage van de verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari 2001, nr. 35865,
ECLI:NL:HR:2001:AA9843 (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37361, ECLI:NL:HR:2002:AF0960 (Oostburg). Degene die de niet-woning ter beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
Tweede lid, onderdeel c (bij eigenarenbijdrage: tweede lid) De basisregistratie kadaster geeft in bijna alle gevallen uitsluitsel over de vraag wie de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. De gemeente heeft een keuzemogelijkheid als er naast
eigendom ook sprake is van een afgeleid recht (bijvoorbeeld recht van vruchtgebruik). De aanwijzing van een belastingplichtige vindt plaats op basis van beleidsregels die door het college van burgemeester en
wethouders of de heffingsambtenaar zijn vastgesteld en bekendgemaakt. Als er meer genothebbenden zijn die met betrekking tot één onroerende zaak in dezelfde hoedanigheid verkeren (bijvoorbeeld in geval van mede-eigendom twee eigenaren) geldt hetzelfde. De gemeente zal bij de keuze van de belastingplichtige handelen volgens vastgestelde en bekendgemaakte beleidsregels.
Een uitgebreidere toelichting op het voorgaande inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 1, tweede en derde lid, van de Modelverordening onroerendezaakbelastingen.
Derde lid [facultatief bij gebruikersbijdrage of eigenaren- en gebruikersbijdrage] In sommige gevallen is er als gevolg van leegstand geen sprake van een gebruiker in de zin van de Wet BIZ. In de verordening kan worden bepaald dat als een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, de BIZ-bijdrage wordt geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom,
bezit of beperkt recht heeft. Deze krijgt dan eenzelfde positie (dus ook qua draagvlakmeting en dergelijke) als een gebruiker.
Artikel 5. Maatstaf van heffing
Redactiewijzer keuzes modelverordening De keuze voor de maatstaf van heffing bepaalt ook de vormgeving en de keuze voor de vrijstellingen in artikel 6 en de keuze voor de tarieven in artikel 7. De volgende artikelen en artikelleden zijn van toepassing als de maatstaf van heffing is bepaald op: Tabel bij toelichting artikel 5 Maatstaf van heffing WOZ-waarde: vast voor looptijd BIZ
Noodzakelijk:
- artikel 5, lid 1 (variant 1) - artikel 5, lid 2
- artikel 6, lid 1, aanhef en
onderdelen a t/m i (variant 1) - artikel 6, lid 2 (alleen als
Bij artikel 6 vervalt de aanduiding ‘lid 1’ als er uitsluitend een eigenarenbijdrage wordt geheven. Bij artikel 7, vervalt de aanduiding ‘lid 1’ als lid 2 en lid 3 niet worden toegepast.
(mede) van gebruikers wordt geheven) - artikel 7, lid 1 (één van de varianten A1 t/m A5 of B1 t/m B5) Keuze:
- artikel 6, lid 1, onderdelen j t/m p (variant 1) - artikel 7, lid 2 - artikel 7, lid 3 WOZ-waarde:
jaarlijks wijzigend
Noodzakelijk:
- artikel 5, lid 1 (variant 2) - artikel 5, lid 2
- artikel 6, lid 1, aanhef en
onderdelen a t/m i (variant 1) - artikel 6, lid 2 (alleen als
Bij artikel 6 vervalt de aanduiding ‘lid 1’ als er uitsluitend een eigenarenbijdrage wordt geheven. Bij artikel 7, vervalt de aanduiding ‘lid 1’ als lid 2 en lid 3 niet worden toegepast.
(mede) van gebruikers wordt geheven) - artikel 7, lid 1 (één van de varianten A1 t/m A5 of B1 t/m B5) Keuze:
- artikel 6, lid 1, onderdelen j t/m p (variant 1) - artikel 7, lid 2 - artikel 7, lid 3 Vast bedrag
Noodzakelijk:
- artikel 5 (variant 3) - artikel 6, aanhef en onderdelen a t/m h (variant 2) - artikel 7 (variant C1 of variant C2) Keuze:
- artikel 6, onderdelen i t/m o (variant 2)
Algemeen Artikel 2 Wet BIZ benoemt de mogelijke heffingsmaatstaven en tariefdifferentiaties voor de BIZ. De
mogelijke heffingsmaatstaven zijn in dit artikel uitgewerkt; de tariefmogelijkheden komen in artikel 7 aan de orde.
Eerste lid De Wet BIZ hanteert de vastgestelde WOZ-waarde als heffingsmaatstaf voor het betreffende kalenderjaar (variant 1). Van deze heffingsmaatstaf kan worden afgeweken door de WOZ-waarde voor het eerste
kalenderjaar ook te gebruiken in latere belastingjaren (variant 2). Daarnaast kan de WOZ-waarde als
heffingsmaatstaf achterwege worden gelaten als een vast tarief per categorie belastingplichtigen wordt gehanteerd (variant 3).
Tweede lid Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling'. Deze bepaling maakt het mogelijk om toch een aanslag BIZ-bijdrage op te leggen in het geval er voor de onroerende zaak geen WOZ-waarde is
vastgesteld. De vangnetbepaling is niet van toepassing als de WOZ-beschikking wel is vastgesteld maar niet is bekendgemaakt. In dat geval geldt de gewone hoofdregel van het eerste lid van dit artikel (Hoge
Raad 13 mei 2005, nr. 39569, ECLI:NL:HR:2005:AR6816). De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel een
WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel 220d, vierde lid, van de Gemeentewet.
Artikel 6. Vrijstellingen
Redactiewijzer keuzes modelverordening De keuze voor de maatstaf van heffing in artikel 5 bepaalt ook de vormgeving en de keuze voor de vrijstellingen. De redactiewijzer bij artikel 5 geeft aan welke artikelleden van toepassing zijn bij de gemaakte keuze voor de heffingsmaatstaf.
Algemeen Bij de toepassing van de WOZ-waarden gelden de wettelijke vrijstellingen zoals vermeld in artikel 220d Gemeentewet. Ter voorkoming van misverstanden daarover zijn deze als uitzondering geformuleerde
vrijstellingen overgenomen in de modelverordening. Dit geldt ook voor de facultatieve vrijstellingen die de modelverordening onroerendezaakbelastingen vermeldt. Gelet op de beoogde doelmatige uitvoering door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de OZB, is het raadzaam ook de facultatieve vrijstellingen aan te laten sluiten op de verordening onroerendezaakbelastingen van uw gemeente.
Naast de vrijstellingen uit de onroerendezaakbelastingen, vermeldt artikel 6 nog enkele mogelijke
vrijstellingen voor onroerende zaken die als niet-woning worden aangemerkt, maar die niet in gebruik zijn
bij ondernemers. Tijdens de parlementaire behandeling zijn amendementen die niet-commerciële objecten standaard vrijstellen, verworpen omdat deze verplichte vrijstellingen te veel de autonome vrijheid van de
gemeenteraad zouden aantasten. Dat laat onverlet dat dergelijke vrijstellingen op lokaal niveau wel worden ingevoerd. De gemeenteraad moet daarbij wel afwegen of een dergelijke vrijstelling wenselijk en uitvoerbaar is, en niet zal leiden tot schending van het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel.
Onder de Experimentenwet zijn facultatieve vrijstellingen ook wel vormgegeven in de vorm van een
nultarief. Omdat een dergelijk nultarief materieel dezelfde uitwerking heeft als een vrijstelling, zal de
gemeenteraad ook daarbij moeten afwegen of een dergelijk nultarief wenselijk en uitvoerbaar is, en niet zal leiden tot schending van het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel.
Variant 1 Variant 1 is bestemd voor de gemeenten die de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf hanteren (artikel 5, variant A of B). Evenals de vrijstellingen voor de onroerendezaakbelastingen, is de vrijstelling hier
vormgegeven als een uitzondering. Een object als zodanig wordt niet vrijgesteld, maar de waarde van (een deel) van een object wordt buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het mogelijk dat een onroerende zaak
gedeeltelijk wordt belast en gedeeltelijk wordt vrijgesteld. De vrijstellingen zijn dus eigenlijk geen echte vrijstellingen, maar vormen een onderdeel van de maatstaf van heffing. Immers, bij het bepalen van de maatstaf van heffing wordt (een gedeelte van) de waarde buiten aanmerking gelaten.
Een nadere toelichting op de vrijstellingen inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 4, van de Modelverordening onroerendezaakbelastingen.
Eerste lid, onderdelen a t/m i De onderdelen a t/m i zijn op grond van artikel 220d Gemeentewet verplicht voorgeschreven.
Eerste lid, onderdelen j t/m p De onderdelen j t/m p zijn facultatief. De gemeente kan per onderdeel een afweging maken over
wenselijkheid van de vrijstelling. De onderdelen j t/m k zijn overgenomen uit de modelverordening OZB. Het is raadzaam om deze vrijstellingen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. De onderdelen n t/m p zijn een invulling van onroerende zaken die weliswaar als niet-woning zijn aan te merken, maar waarin geen commerciële activiteiten plaatsvinden.
Bij de onderdelen j t/m p geldt dat per onderdeel moet worden beoordeeld of de aard van de onroerende zaak voldoende onderscheidend is ten opzichte van de onroerende zaken waarvan de BIZ-bijdrage wel
wordt geheven. Ook zal de gemeenteraad moeten afwegen of het opnemen van de vrijstelling past binnen de grenzen van de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Eerste lid, onderdeel j De tekst van onderdeel j wijkt af van de vergelijkbare bepaling in de modelverordening
onroerendezaakbelastingen. Daarnaast is het aan onderdeel j gelieerde tweede lid uit de modelverordening OZB evenmin overgenomen. Achtergrond van beide bepalingen in de OZB is het voorkomen van het
rondpompen van geld in de gemeentelijke administratie. Zonder deze vrijstellingen in de OZB zou de
gemeente belasting aan zichzelf moeten betalen. Deze doelmatigheidsreden geldt niet bij de BIZ-bijdrage, omdat de belastingopbrengst ten goede komt aan de activiteiten van de BIZ-organisatie. Dit laatste maakt dat een vrijstelling aan de hand van het gebruik voor de publieke dienst zal moeten worden getoetst (zie ook hierna bij de onderdelen n t/m p). Wie de eigenaar van het betreffende pand is, is daarbij niet van belang.
Eerste lid, onderdelen n t/m p Het kan voorkomen dat onroerende zaken in de bedrijveninvesteringszone niet voor commerciële
doeleinden worden gebruikt, maar in gebruik zijn bij een onderwijsinstelling, een maatschappelijke
organisatie of een overheidsinstantie niet zijnde de gemeente. Deze organisatie zal niet altijd profijt
hebben bij de BIZ-activiteiten. Als de aard van de organisatie en de activiteiten duidelijk onderscheidend
zijn van de commerciële activiteiten in de bedrijveninvesteringszone, is een vrijstelling voor deze objecten denkbaar. Bijvoorbeeld omdat de BIZ-activiteiten allemaal gericht zijn op de economische ontwikkeling. Hierbij geldt dat per vrijstelling moet worden beoordeeld of de aard van de onroerende zaak voldoende onderscheidend is ten opzichte van de onroerende zaken waarvan wel wordt geheven. Ook zal de
gemeenteraad moeten afwegen of het opnemen van de vrijstelling past binnen de grenzen van de
algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Tweede lid Het tweede lid bevat de woondelenvrijstelling van artikel 220e Gemeentewet en beperkt zich tot de
gebruikersbelasting. Deze bepaling vervalt als uitsluitend van de eigenaren wordt geheven. De vrijstelling is relevant voor bijvoorbeeld woon-winkelpanden waarbij de woning op grond van de afbakeningsregels niet als een afzonderlijk object is aan te merken.
Variant 2 Op grond van artikel 1, vijfde lid, Wet BIZ is artikel 220d Gemeentewet ook van overeenkomstige
toepassing op een BIZ-bijdrage die naar een vast bedrag wordt geheven. Omdat artikel 220d Gemeentewet een deel van de waarde buiten beschouwing laat, kan de bepaling niet letterlijk worden overgenomen
(daarom heet het ook ‘van overeenkomstige toepassing’). Variant 2 voorziet daarom in een aangepaste redactie die onroerende zaken vrijstelt als die een specifieke functie hebben. In dat geval blijft de hele
onroerende zaak buiten de heffing. Daarmee kan de vrijstelling verder strekken dan de vrijstellingen in variant 1.
Om te voorkomen dat een onroerende zaak wordt vrijgesteld zodra een klein deel bestemd en in gebruik is voor een vrijgestelde activiteit, is bepaald dat de onroerende zaak uitsluitend bestemd en in gebruik moet zijn voor de vrijgestelde activiteit. Dat betekent dat objecten die ook voor andere activiteiten bestemd en in gebruik zijn, niet in de vrijstelling delen. Een uitzondering is gemaakt bij de ‘kerkenvrijstelling’ omdat de wettelijke bepaling daar spreekt over ‘in hoofdzaak’. Het is denkbaar dat een onroerende zaak naast
delen voor een vrijgestelde activiteit ook delen voor bewoning bevat. In dat geval zou er geen sprake zijn
van uitsluitend een vrijgestelde activiteit. Omdat de Wet BIZ de heffing van de BIZ-bijdrage echter beperkt
tot niet-woningen, is bij enkele vrijstellingen de zinsnede ‘naast delen die dienen tot woning’ opgenomen. Zo wordt voorkomen dat objecten voor vrijgestelde activiteiten waarin bijvoorbeeld personeel woont, onbedoeld in de belastingheffing worden betrokken.
Onderdelen a t/m h De onderdelen a t/m h zijn ontleend aan de verplichte uitzonderingen in artikel 220d Gemeentewet. De
verplicht voorgeschreven werktuigenvrijstelling is niet opgenomen. Deze vrijstelling kan naar onze mening niet zien op een hele onroerende zaak, maar uitsluitend op een (beperkt) deel ervan. Deze keuze in de
modelverordening laat onverlet dat een belastingplichtige de rechter kan vragen om het achterwege laten van de werktuigenvrijstelling bij de BIZ-bijdrage te toetsen.
Onderdelen i t/m o De onderdelen i t/m o zijn facultatief. De gemeente kan per onderdeel een afweging maken over
wenselijkheid van de vrijstelling. De onderdelen i t/m l sluiten aan bij de facultatieve vrijstellingen in de
modelverordening OZB. Het is raadzaam om deze vrijstellingen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.
De onderdelen m t/m o zijn een invulling van onroerende zaken die weliswaar als niet-woning zijn aan te merken, maar waarin geen commerciële activiteiten plaatsvinden.
Bij de onderdelen i t/m o geldt dat per onderdeel moet worden beoordeeld of de aard van de onroerende zaak voldoende onderscheidend is ten opzichte van de onroerende zaken waarvan de BIZ-bijdrage wel
wordt geheven. Ook zal de gemeenteraad moeten afwegen of het opnemen van de vrijstelling past binnen de grenzen van de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Artikel 7. Belastingtarief
Redactiewijzer keuzes modelverordening De keuze voor de maatstaf van heffing in artikel 5 bepaalt ook de vormgeving en de keuze voor de
belastingtarieven. De redactiewijzer bij artikel 5 geeft aan welke artikelleden van toepassing zijn bij de gemaakte keuze voor de heffingsmaatstaf.
Algemeen Artikel 2 Wet BIZ benoemt de mogelijke heffingsmaatstaven en tariefdifferentiaties voor de BIZ. De
mogelijke tariefdifferentiaties zijn in dit artikel uitgewerkt; de heffingsmaatstaven zijn in artikel 5 aan de orde gekomen.
Als de BIZ-bijdrage zowel van de gebruikers als van de eigenaren wordt geheven, is het niet vereist dat de
tariefstelling voor beide categorieën gelijk is. Zo kan men de tarieven voor gebruikers differentiëren, terwijl de eigenaren een vast bedrag betalen. De afweging ligt uiteindelijk bij de gemeenteraad die moet beoordelen of de tariefstelling niet leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing.
Eerste lid De modelbepalingen onderscheiden drie typen varianten, waarbij de keuze afhankelijk is van de in artikel 5 gekozen maatstaf van heffing.
Varianten A en B De varianten A en B horen bij de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf. De varianten A gaan uit van
gelijkluidende tarieven gedurende de hele periode. De varianten B gaan uit van jaarlijks wisselende
tarieven. De basisvorm is, in navolging van de onroerendezaakbelastingen, een percentage van de WOZwaarde. Daarnaast zijn binnen deze varianten de verschillende tariefstellingen uitgewerkt die in artikel 2 Wet BIZ zijn benoemd. Naast de variant met waardeklassen differentiëren de uitgewerkte varianten naar
vestigingslocatie, de bestemming van de onroerende zaak en bij de gebruikers: naar de branche of sector.
De basisvorm is samen met een heffing naar waardeklassen het eenvoudigst en minst risicovol. Deze
varianten hebben de voorkeur boven de andere genoemde varianten. Artikel 2 Wet BIZ laat ook ruimte voor
andere differentiatievormen. Als uw gemeente daarvoor kiest, adviseren wij daarover nader juridisch advies in te winnen.
Varianten C De varianten C zijn bruikbaar als heffingsmaatstaf uitgaat van een vast bedrag.
Leden 2 en 3 (alleen bij varianten A en B) Deze facultatieve bepalingen voorkomen dat de gemeente grote inspanningen moet verrichten waarbij de opbrengsten niet opwegen tegen de kosten. De genoemde maximumbedragen zijn ontleend aan artikel 220h Gemeentewet dat overeenkomstig van toepassing is.
Artikel 8. Wijze van heffing Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege
van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de modelverordening hebben wij gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. Voor een toelichting wordt verwezen naar de
Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Wijze van heffing, onder 'Heffing bij wege van aanslag'.
Artikel 9. Termijnen van betaling Een toelichting op dit artikel is opgenomen in de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Termijnen van betaling.
Artikel 10. Looptijd belastingheffing De Wet BIZ schrijft voor dat een BIZ-bijdrage voor ten hoogste vijf jaar kan worden geheven. Een kortere
termijn is ook mogelijk. De gemaakte keuze wordt in dit artikel geregeld. Overigens kan de gemeenteraad, al dan niet op verzoek van de bijdrageplichtigen, besluiten de verordening eerder in te trekken. Een dergelijk besluit moet bij afzonderlijke belastingverordening worden vastgesteld.
Op grond van artikel 6 Wet BIZ kunnen ondernemers de gemeenteraad vragen om de BIZ-verordening in te trekken. Een dergelijk verzoek moet afkomstig zijn van minimaal 20% van de bijdrageplichtigen. Als de gemeente een voldoende ondersteund verzoek krijgt, organiseert het college van burgemeester en wethouders onder alle bekende bijdrageplichtigen een draagvlakmeting.
Het verschil met de draagvlakmeting bij de invoering is dat bij een tussentijdse draagvlakmeting wordt gevraagd naar steun voor intrekking. Voor een geldige tussentijdse draagvlakmeting is vereist dat ten
minste de helft van de bijdrageplichtigen deelneemt. Omdat in deze situatie artikel 5, derde lid, Wet BIZ
niet van toepassing is, is bij een heffing van gebruikers en eigenaren gezamenlijk niet vereist dat in iedere categorie afzonderlijk de helft deelneemt. Van voldoende steun voor intrekking is gebleken als ten minste de helft van deelnemers voor intrekking hebben gestemd en deze deelnemers ten minste de helft van de som aan WOZ-waarden representeren. Dit laatste vereiste geldt niet als de BIZ-bijdrage naar een vast bedrag wordt geheven.
Hoofdstuk III Subsidiebepalingen
Artikel 11. Buiten toepassing Algemene subsidieverordening Veel gemeenten hebben een algemene subsidieverordening die de essentiële elementen bevat van het
proces van subsidieverstrekking. Aan de totstandkoming van de BIZ-verordening gaan stappen vooraf
waardoor de te subsidiëren activiteiten bekend zijn en ook duidelijk is dat de vereniging of stichting die de bedrijveninvesteringszone feitelijk beheert (de BIZ-organisatie) de belastingopbrengst (eventueel na aftrek van de perceptiekosten) zal ontvangen. Daarnaast is de BIZ-organisatie verplicht om die subsidie te
besteden aan de overeengekomen activiteiten. Deze verplichtingen liggen vast in de BIZ-verordening. De
totstandkoming en verstrekking van de BIZ-subsidie wijkt daarmee sterk af van de overige subsidies die de gemeente verstrekt. Vanwege deze afwijkingen is bepaald dat de Algemene subsidieverordening niet van toepassing is. Als de gemeente er toch voor kiest om ook de Algemene subsidieverordening van
toepassing te laten zijn, moeten deze BIZ-verordening en de Algemene subsidieverordening kritisch met
elkaar worden vergeleken. De artikelen uit de Algemene subsidieverordening die niet van toepassing zijn, moeten expliciet worden uitgesloten. Duidelijkheid over de regels die voor de subsidierelatie met de BIZorganisatie gelden, moet daarbij voorop staan.