Bijlage 1 Verordening jeugd en mo 2025
Tekst van het document
In de formulering is nadrukkelijk vastgelegd dat een maatwerkvoorziening voor een cliënt ook de toewijzing van een voorziening omvat voor kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger. Hetzelfde geldt voor het (op zijn behoefte afgestemde) vervoer dat iemand nodig heeft om aan het maatschappelijke verkeer te kunnen deelnemen of gebruik te kunnen maken van algemene voorzieningen en van een maatwerkvoorziening. Het begrip «maatwerkvoorziening» duidt beter dan het voorheen gebruikelijke begrip «individuele voorziening» aan dat het niet alleen gaat om een of meer concrete en herhaalbaar in te zetten vormen van een aanbod aan activiteiten, maar onder omstandigheden ook om een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen; daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. -melding: Deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015. Volgens de Wmo 2015 start een verzoek om maatschappelijke ondersteuning niet met een aanvraag maar met een melding. Een aanvraag komt pas aan de orde als na de melding in het kader van het onderzoek een gesprek plaats heeft gevonden waar een verslag van is gemaakt. Alleen na het doorlopen van deze stap is een aanvraag mogelijk.
De Wmo 2015 maakt een uitzondering voor situaties dat er binnen de voorgeschreven zes weken geen onderzoek of gesprek heeft plaatsgevonden. -persoonlijk plan: Met betrekking tot de Jeugdwet wordt hiermee het familiegroepsplan bedoeld zoals volgt uit artikel 1.1 Jeugdwet. Een persoonlijk plan is eigenlijk niet anders dan het onderzoek dat het college op basis van artikel 2.3.2, lid 4 a tot en met g van de Wmo 2015 moet uitvoeren en waarvoor thans het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep wordt gehanteerd. -persoonsgebonden budget: Zowel in de Jeugdwet als in de Wmo 2015 bestaat de mogelijkheid tot het ontvangen van de individuele of maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget. Om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen moet wel aan de in beide wetten (zo goed als) gelijk geformuleerde voorwaarden worden voldaan.
Artikel 2. De vormen van hulp 2.1 Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen overige voorzieningen en individuele voorzieningen. Artikel 2.1.1 biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan vrij toegankelijke voorzieningen dat het college ter beschikking staat. Hiervan kunnen jeugdigen en hun ouders gebruik maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of besluit van het college nodig hebben. Artikel 2.1.2 biedt een opsomming van een aantal algemene categorieën van individuele voorzieningen. Om voor een individuele voorziening in aanmerking te komen is een verwijzing door een wettelijke verwijzer of besluit van het college nodig. De specifieke vormen van jeugdhulp zijn terug te vinden in de inkoopdocumenten Ambulante jeugdhulp en Jeugdhulp met verblijf van regio Alkmaar. 2.2 Maatwerkvoorzieningen in de Wmo 2015 In artikel 2.1.1 lid 1 Wmo 2015 is bepaald dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.2 Wmo 2015 is bepaald dat de gemeenteraad periodiek een plan vaststelt met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.
Onderdeel hiervan is de bevordering en ondersteuning van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van cliënten opdat zij zo lang als mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. In verband met de wettelijke opdracht heeft de landelijke wetgever aan de gemeente een ruime mate van beleidsvrijheid gegeven om hieraan nadere invulling te geven. Echter tegelijkertijd heeft de wetgever in artikel 2.1.3 lid 2 onder a Wmo 2015 bepaald, dat voor zover hieruit rechten en verplichtingen voortvloeien voor een cliënt, de raad dit moet vastleggen in een verordening. Het is onmiskenbaar dat de beleidskeuze om een maatwerkvoorziening en eventueel een algemene voorziening ter bevordering van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, nader uit te werken hoe dan ook meerdere raakvlakken heeft met de rechten en verplichtingen van een cliënt. De te bereiken resultaten en mogelijke voorwaarden bij een maatwerkvoorziening worden beschreven in de beschikking. Het is om deze reden dat de keuze is gemaakt om in dit artikel aandacht te besteden aan de te bereiken resultaten als uitwerking van de zorgplicht van de gemeente voor de bevordering van maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.1.1 Wmo 2015.
In artikel 2.2.1 van deze verordening worden uitgaande van de taakstelling van de gemeente op grond van artikel 2.1.1 Wmo 2015 de belangrijkste resultaten benoemd bij de vaststelling van maatwerkvoorzieningen. De specifieke vormen van een deel van de maatschappelijke ondersteuning zijn terug te vinden in de inkoopdocumenten Wmo van regio Alkmaar. Artikel 3. Toegang tot jeugdhulp of maatwerkvoorziening 3.1 Toegang tot jeugdhulp in de Jeugdwet In artikel 3.1.1 is beschreven hoe de toegang tot jeugdhulp is geregeld in de gemeente Dijk en Waard. In het kader van de Jeugdwet wordt de reguliere procedure volgens de Algemene wet bestuursrecht gehanteerd: aanvraag, onderzoek binnen acht weken en dan een beschikking. De procedure in de Wmo 2015 wijkt hiervan af. In het kader van de Jeugdwet hebben de jeugdige en/of zijn ouders het recht om gebruik te maken van onafhankelijke clientondersteuning. Dit is geregeld in de Wmo 2015, maar geldt ook voor de jeugdige en/of zijn ouders. In artikel 3.1.2 is de toegang tot jeugdhulp via andere volgens de Jeugdwet bevoegde verwijzers geregeld. De Jeugdwet regelt dat, naast toegang tot jeugdhulp via de gemeente, ook jeugdhulp
toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke vorm van jeugdhulp een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Met een verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk is het de jeugdhulpaanbieder zelf die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (omvang) en hoe lang (de duur). De aanbieder zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente gemaakt heeft in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Het college maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder wordt doorverwezen. De gezamenlijke verplichting om tot dergelijke afspraken te komen volgt uit artikel 2.7 lid 4 Jeugdwet. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.
Deze afspraken zullen ook verder ingaan op hoe de artsen op de hoogte zijn van het gemeentelijk aanbod en hoe de artsen en gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn bij de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe verkokering zal plaatsvinden waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. In artikel 3.1.2.2 is de wijze waarop het college omgaat met de toegang tot jeugdhulp wanneer een gecertificeerde instelling, de rechter, het openbaar ministerie en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting (JJI) dit nodig achten. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is bevoegd in het kader van de maatregel te besluiten tot inzet van jeugdhulp. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente.
Uit de Jeugdwet volgt dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en dat zij hiertoe overlegt met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet blijkt dat het overleg er primair op is gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd. Uit die jeugdhulp kan de gecertificeerde instelling een keuze maken. De gemeente heeft vervolgens een leveringsplicht. In die gevallen dat de gecertificeerde instelling jeugdhulp noodzakelijk acht die niet is gecontracteerd, zal overleg op individueel niveau volgen (Kamerstukken I 2013/14, 33 684, F). In artikel 3.1.2.3 is opgenomen dat het college de te verlenen individuele voorziening kan vastleggen in een beschikking. Het college doet dit in ieder geval indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen of in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder. Dit om jeugdigen en ouders rechtsbescherming te bieden en ze te wijzen op de mogelijkheid van bezwaar. 3.2 Toegang tot de Wmo 2015 De Wmo 2015 kent een van de Algemene wet bestuursrecht afwijkende procedure. Die begint met een melding, die vormvrij is.
Daarna heeft het college zes weken de tijd om onderzoek te doen en een verslag van het onderzoek te maken. Na die zes weken kan een aanvraag worden ingediend (ook als het onderzoek nog niet afgerond is), waarop binnen twee weken een beschikking moet worden afgegeven. Deze procedure is anders dan de procedure in de Jeugdwet, waar de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht wordt gehanteerd: aanvraag, onderzoek binnen acht weken en dan een beschikking.
3.3 Cliëntondersteuning en persoonlijk plan in de Wmo 2015 Artikel 3.3.1 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo 2015. De Wmo 2015 richt zich rechtstreeks tot het college en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wmo 2015 is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de Wmo 2015 voor de cliënt kosteloos is. In de Memorie van Toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Artikel 4. Het onderzoek 4.1 Het onderzoek 4.1.1 Het is van belang dat de ouders en de jeugdige of de cliënt en zijn vertegenwoordiger weten hoe de procedure er verder uit zal gaan zien.
Daartoe wordt bij de bevestiging kort een overzicht gegeven van de te volgen procedure. Tevens wordt gewezen op de mogelijkheid om hulp te krijgen van een onafhankelijk cliëntondersteuner en de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. 4.1.2 De Jeugdwet stelt geen eisen ten aanzien van het onderzoek. Dat betekent dat de eisen van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd moeten worden. De Wmo 2015 bepaalt in artikel 2.3.2 lid 4 welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) bepaald dat in het kader van de Jeugdwet het onderzoek bepaalde stappen moet volgen. Dit zogenaamde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep volgt datgene dat in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015 is voorgeschreven. Later heeft de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak uit 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819) dit stappenplan ook voor de Wmo 2015 voorgeschreven. Het stappenplan is iets uitgebreider dan de inhoud van artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015 en wordt inmiddels door rechters in zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 als toetsingskader gehanteerd om te beoordelen of een besluit zorgvuldig is voorbereid. Het grote voordeel van deze ontwikkeling is dat het onderzoek zowel in de Jeugdwet als in de Wmo 2015 op gelijke wijze uitgevoerd dient te worden.
Met betrekking tot de Jeugdwet heeft de Centrale Raad van Beroep de volgende omschrijving gegeven: ‘Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een
voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.’ In de uitspraak over de Wmo 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep de volgende formulering gebruikt: ‘Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.
Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken (vergelijk de uitspraak van de Raad van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477).’ Uit deze omschrijvingen komen de vijf stappen: 1. Vaststellen van de hulpvraag; 2.
Vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet) of het vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (Wmo 2015); 3. Vaststellen welke hulp of ondersteuning naar aard en omvang nodig is; 4. Vaststellen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen; 5. Vaststellen wat na aftrek van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de behoefte aan jeugdhulp of ondersteuning overblijft om in het kader van de Jeugdwet of de Wmo 2015 een individuele voorziening of maatwerkvoorziening te verstrekken. 4.1.3 In dit lid is bepaald dat een gesprek zo nodig onderdeel uitmaakt van het onderzoek. 4.1.4 Via het onderzoek wordt aan de hand van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld of een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Pas als vastgesteld is of er inderdaad een verstrekking zal volgen, is er aanleiding te onderzoeken of, als men dat in de vorm van een pgb wil, een pgb tot de mogelijkheden behoort.
4.1.5 Beoordeling aanwezigheid eigen kracht, probleemoplossend vermogen en gebruikelijke hulp (Jeugdwet en Wmo 2015) Inleiding Zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 gaan er van uit dat het allereerst de verantwoordelijkheid is van de ouders of de jeugdige zelf (Jeugdwet) als van de cliënt en zijn huisgenoten en anderen in zijn omgeving om problemen die zij ondervinden op te lossen.
Dit blijkt uit de aanhef van alle twee de wetten: Jeugdwet: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van, de ondersteuning, hulp en zorg bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering bij de gemeente te beleggen, om te komen tot betere samenwerking van hulpverleners rond gezinnen, eerdere ondersteuning bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, hulp op maat en meer ruimte voor professionals en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren van de jeugdsector, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; Wmo 2015: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan; dat het tevens wenselijk is nieuwe regels te stellen om de rechten en plichten van de burger meer met elkaar in evenwicht te brengen; dat burgers die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen
doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning; dat de ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, erop gericht moet zijn dat burgers zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; dat het in de rede ligt de overheidsverantwoordelijkheid voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie zo dicht mogelijk bij de burger te beleggen; dat het daarom wenselijk is nieuwe regels te stellen inzake de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van personen met een beperking en personen met psychische of psychosociale problemen; dat het voorts wenselijk is dat daarbij zorg wordt gedragen voor een goede toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking; Verder is dit uitgangspunt nog nader uitgewerkt in beide wetten: De Jeugdwet geeft in artikel 2.3, lid 1 aan: Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en (…..) De Wmo 2015 kent iets uitgebreidere bepalingen: Artikel
2.3.2, lid 4 geeft aan waar onderzoek naar moet worden gegaan: Het college onderzoekt: a.de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b.de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c.de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e.de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f.de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid,
jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; De tegenhanger van dit artikel: artikel 2.3.5, dat bepaalt wanneer een maatwerkvoorziening moet worden toegekend, herhaalt nog eens wat afwijzingsgronden zijn: Lid 3: Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. (….) Dit moest wel nadrukkelijk geregeld worden omdat de voorzieningen waar het om gaat (met name begeleiding) tot 2015 onder de AWBZ vielen waarbij de eigen verantwoordelijkheid in feite geen of nauwelijks een rol speelden. In het zogenaamde Protocol Gebruikelijke Zorg dat tot 2015 werd gehanteerd werd in feite alles dat boven-gebruikelijk was, financieel gecompenseerd. Het gevolg was dat ouders betaald werden voor het opvoeden van hun kind met problemen. Dat omdat die problemen boven-gebruikelijk waren.
Dat uitgangspunt is in de Jeugdwet verlaten. Ouders moeten, ook al vraagt hun kind met problemen veel meer aandacht, eerst alles doen dat in hun vermogen ligt. Pas als de ouders bijna aan hun grens zijn kom de gemeente te hulp. Dat zal veelal hulp van buitenaf betekenen: ouders hebben immers aangegeven het zelf niet te kunnen. Dat heeft vaak ook te maken met het gemis aan bepaalde professionele kennis die een kind met problemen vaak nodig kan hebben. In de Wmo 2015 geldt hetzelfde. Echtgenoten worden verondersteld voor elkaar te doen wat in hun vermogen ligt. Ook al is dat veel meer dan andere echtgenoten moeten doen. De hoeveelheid doet er minder toe, het in staat zijn de hulp te bieden is doorslaggevender. Uiteraard wordt er op tijd hulp geboden: het kan niet zo zijn dan de eigen verantwoordelijkheid zo ver gaat dat men eerst volledig moet vastlopen voordat er hulp geboden kan worden. Het is best lastig om van het AWBZ-verleden af te komen. Een financiële tegemoetkoming voor extra inzet die men doet is iets geworden waar we aan gewend waren. Ouders of cliënten die dat kwijtraken zijn het er niet mee eens. Ouders of cliënten die het na aanvraag de vergoeding niet krijgen zijn het er ook niet mee eens. Dat leidt tot bezwaar en beroep, waarbij aanvankelijk volstrekt onduidelijk was wat de speelruimte was die gemeenten hadden.
Dat is pas heel langzaam via jurisprudentie duidelijk geworden. Gemeenten hebben dus lang moeten zoeken naar een weg. In dit onderdeel is aangegeven hoe de Raad van de gemeente Dijk en Waard aankijkt tegen deze eigen verantwoordelijkheid. Het afwegingskader is geregeld in de Verordening, omdat de Centrale Raad van Beroep bepaald heeft dat dit moet. Artikelsgewijs: Artikel 4.1.4 geeft onder a enkele begripsomschrijvingen. Onder eigen kracht wordt verstaan datgene wat de jeugdige of zijn ouders of de cliënt zelf kunnen bijdragen aan het oplossen van het probleem. Dat kan een veelheid van zaken zijn. Allereerst kan het zijn het doen van activiteiten of handelingen die dan meer dan gebruikelijk zijn tussen ouders en hun kind of partners en andere huisgenoten. Het is niet zo dat als je als ouders een kind krijgt en dat kind is (veel) moeilijker dan een doorsneekind, je compensatie mag verwachten voor alle extra inspanning die je je als ouders
moet getroosten. Het hebben van een kind betekent immers dat je tot zijn 23e levensjaar verantwoordelijk bent voor dat kind. Dit betekent verantwoordelijk voor de opvoeding van het kind met als grens je eigen mogelijkheden als ouders. Uiteraard kan er niet meer van ouders gevraagd worden dan zij aan kunnen. Wat wel van ouders gevraagd mag worden is dat zij keuzes maken. Keuzes zullen allereerst gericht moeten zijn op hun kind(eren). Daarna kunnen zij andere keuzes maken. Zoals de aanhef van de Jeugdwet het omschrijft: “waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;”. Dit geldt in de Wmo 2015 ook voor de cliënt. Wat de cliënt zelf op kan lossen zal hij op moeten lossen. Bij de Wmo zal meer de nadruk liggen op gebruikelijke hulp, toch speelt de eigen kracht ook een rol. Want voor zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 geldt dat onder eigen kracht ook valt: gebruik maken van andere wettelijke mogelijkheden. In de Wmo 2015 kan dat bijvoorbeeld zijn, zich laten behandelen. Dan kan op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en als bijvoorbeeld gebleken is dat behandeling mogelijk is, mag van een cliënt verwacht worden dat hij zich laat behandelen. Of gebruik maakt van de Wet langdurige zorg (Wlz) door zich te laten indiceren door het CIZ.
Kortom: alles wat men zelf kan oplossen valt onder het begrip eigen kracht. Onder gebruikelijke hulp verstaan wij al datgene wat huisgenoten van de cliënt of de jeugdige bij kunnen dragen aan de (dagelijkse) hulp en ondersteuning en aan het oplossen van het probleem. De Wmo 2015 heeft een officiële begripsomschrijving van het begrip gebruikelijke hulp: “ hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;” De begrippen: “naar algemeen aanvaarde opvattingen” en “in redelijkheid” zijn echter zo algemeen en daardoor vaag dat dit om heel veel verduidelijking vraagt. Naast eigen kracht van de cliënt is het in de Wmo 2015 duidelijk dat de huisgenoten daarna een heel belangrijke rol spelen. Wat een cliënt zelf niet kan, daar kunnen de huisgenoten wellicht bij helpen. Dat is niet vrijblijvend: op huisgenoten rust een plicht om diegenen die op basis van een band bij elkaar wonen naar vermogen bij te staan, zoals de aanhef van de Wmo 2015 ook duidelijk stelt: “dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan;”. Naar vermogen bijstaan betekent: doen wat je kunt.
In de Jeugdwet zou je kunnen discussiëren of wat de ouders kunnen doen voor hun kind valt onder eigen kracht of onder gebruikelijke hulp. In wezen maakt dat niet uit: in beide situaties wordt van ouders verwacht dat zij alles doen dat in hun vermogen ligt. Er is gebruikelijke hulp en niet-gebruikelijke hulp. Ook bij niet-gebruikelijke hulp mag je van huisgenoten verwachten dat zij die (naar vermogen) bieden. Het oude onderscheid uit de AWBZ van gebruikelijke zorg en bovengebruikelijke zorg wordt NIET meer gehanteerd. Het begrip mantelzorg heeft weer alleen een begripsomschrijving in de Wmo 2015, maar daaruit blijkt dat die ook geldt voor de Jeugdwet (en de Zvw): “hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;”. Vrij vertaald: het gaat om datgene wat personen rond de jeugdige en zijn ouders of de cliënt aan hulp ter oplossing van het probleem kunnen bieden die; - a. rechtstreeks voortvloeit uit een tussen die personen bestaande sociale relatie en - b. die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Omdat het gaat om vrijwilligheid is mantelzorg niet afdwingbaar.
Toch mag je natuurlijk, als dat gewoon mogelijk is, bijvoorbeeld van een opa en een oma van een jeugdige verwachten dat die de jeugdige helpt als dat nodig en mogelijk is. Vrijwillig: er bestaat immers een band die liefde voor elkaar veronderstelt.
In artikel 4.1.4.1 wordt nog eens herhaald wat in de Jeugdwet en de Wmo 2015 bepaald is over het toekennen van individuele of maatwerkvoorzieningen. Er wordt (niet vrijblijvend) van ouders en jeugdige of van cliënt en huisgenoten verwacht dat zij eerst zelf oplossen wat zij op kunnen lossen. Beide wetten geven het college nadrukkelijk de opdracht dat te onderzoeken en beide wetten bepalen dat geen individuele of maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt als de mogelijkheid bestaat het zelf op te lossen. Voor de Jeugdwet wordt in artikel 4.1.4.2 nog eens herhaald dat de verantwoordelijkheid van ouders voor hun kind niet ophoudt als een jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. Het hebben van een kind met een ziekte, aandoening of beperking vraagt vaak (veel) meer van ouders. Daar bestaat onder de Jeugdwet geen “automatische compensatie” voor. Ouders zullen hun verantwoordelijkheid naar vermogen waar moeten maken. Dat betekent dat als zij de situatie aankunnen, dit ook van hen verwacht wordt. Als zij de situatie niet meer aankunnen, staat de mogelijkheid open een beroep op de gemeenschap te doen middels de Jeugdwet. Dat zal bijna altijd betekenen dat er deskundigheid ingebracht gaat worden om het probleem het hoofd te bieden. Ouders betalen middels een pgb, voor het opvoeden van hun kind met een ziekte, aandoening of beperking, ligt niet in de lijn van de Jeugdwet.
Onder de AWBZ gold dat wanneer je kind een grondslag (diagnose op basis van een ziekte aandoening of beperking) had, dat je dan betaald kon worden voor bovengebruikelijke zorg. Voor de Wmo 2015 wordt in artikel 4.1.4.3 nog eens uiteengezet dat de cliënt en/of zijn huisgenoten bij moeten dragen waar mogelijk is. Dat dient de gemeente volgens artikel 2.3.2 te onderzoeken en dat mag volgens artikel 2.3.5 afgetrokken worden van de eventueel noodzakelijke maatwerkvoorziening. Dat heeft tot consequentie dat ook de medewerking van huisgenoten een verplicht karakter heeft. Onderzoek is niet mogelijk zonder medewerking. Aangezien het onderzoek wettelijk verplicht is, is ook de medewerking wettelijk verplicht. Als er niet wordt meegewerkt en zonder het onderzoek is geen zorgvuldig besluit mogelijk, dan kan afwijzing volgen! Artikel 4.1.4.4 benoemt een aantal factoren waar naar gekeken moet worden als de eigen kracht of gebruikelijke hulp onderzocht worden. Het zijn allemaal overwegingen die vanuit de jurisprudentie bij elkaar gezet zijn. Noch de wetten, nog de jurisprudentie op basis van beide weten, geven een helder afwegingskader. Het is een groot aantal punten en niet alle punten zullen altijd een rol spelen. Bovendien is de omvang van alle punten niet altijd even groot. Net als het gewicht van de diverse punten. Er moet dus per punt onderzoek worden gedaan.
De verschillende punten zijn: a.De behoeften, wat is er nodig voor het gezond en veilig opgroeien en mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders of de cliënt; Wat kunnen ouders zelf? Waar zijn zij toe in staat? Datzelfde geldt voor de cliënt: wat kan hij zelf, waartoe is hij zelf in staat? Meewerken aan een behandeling is iets dat men zelf kan. Dat is dan eigen kracht. b.De voor de jeugdige of cliënt benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; Dat wil niet zeggen dat als de intensiteit groot is en de duur lang, dat dat op zich reden is voor een individuele of maatwerkvoorziening. Bepalend is eerder de vraag: kunnen de personen die de hulp moeten bieden dat aan? Ligt het in hun mogelijkheden? Als dat zo is, hoeven de intensiteit en de duur geen bepalende rol te spelen. Ligt de hulp buiten de mogelijkheden, dan zal extra hulp geboden moeten worden, waarbij overbelasting voorkomen dient te worden. In deze situatie zal het bijna altijd gaan om hulp van buiten af. c.De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of huisgenoten; Dit onderdeel is congruent aan het vorige onderdeel: draagkracht en draaglast moeten in balans zijn en dat blijven. Is dat zo dan hoeft er geen hulp geboden te worden. Bij disbalans moet er wellicht wel hulp geboden worden: primair gericht op het herstel van de balans draagkracht-
draaglast. Zodat wellicht de hulp weer afgebouwd kan worden. Dit soort hulp zal dus heel vaak tijdelijk zijn. d.De samenstelling van het gezin en de woonsituatie van de jeugdige of de cliënt waarbij bij gescheiden ouders ook gekeken wordt naar wat de ouder waar het kind niet woont bij kan dragen; Dit onderdeel kan invloed hebben op de draagkracht en draaglast. Een enig kind kan meer aandacht krijgen dan een kind in een grotere gezinssituatie. Toch is dat lang niet altijd zo: het hangt er ook vanaf hoe ouders hun gezin hebben georganiseerd. Bij een slechte organisatie zal de te bieden hulp eerder te veel lijken dan bij een goede organisatie. Dat betekent dat in dit onderdeel de geinsorganisatie ook onderdeel van onderzoek kan zijn. e.Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan; Een individuele voorziening in de vorm van een pgb is niet bedoeld als gezinsinkomen. Minder gaan werken om beter voor een kind te kunnen zorgen, met financiële compensatie vanuit een pgb, is in principe ongewenst. Wanneer beide ouders moeten werken zullen zij, evenals andere ouders, eerst gebruik moeten maken van alle mogelijke voorzieningen die werkende ouders gebruiken. Loopt dat vast, dan kan onderzocht worden wat voor bijdrage de Jeugdwet kan bieden. Bijvoorbeeld hulp bij gespecialiseerde kinderopvang.
Als ouders minder gaan werken om meer voor hun kind te zorgen heeft dat vaak niet het verwachtte effect. Bij de normale inzet van de ouders is er immers een probleem ontstaan. Beoordeeld moet worden of dat niet beter via professionele hulp opgelost kan worden. De ouders hebben het immers zelf niet gered? Wat doet veronderstellen dat zij het wel kunnen als zij er meer tijd voor hebben? Vaak is het de manier van opvoeden of omgang die problemen oplevert. Daar kan een professional bij helpen. f.De mogelijkheden van het sociale netwerk, inclusief steungezinnen, om de jeugdige of de ouders of cliënt te ondersteunen ; Als het gaat om het ondersteunen van problemen met jeugdigen mag je wellicht ook het nodige verwachten van mensen om de jeugdige heen. Opa en oma zijn al genoemd, maar soms zijn er ooms en tantes met een sterke band waarvan, als zij kunnen en willen, ondersteuning kan worden verwacht. Het ligt in de lijn van de bedoeling van Jeugdwet en Wmo 2015 om ook hier te kijken of er bereidheid en mogelijkheid is een bijdrage te leveren aan de oplossing van de problemen. g.De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen; Uiteraard mag je verwachten, zowel in de Jeugdwet als in de Wmo 2015, dat gebruik gemaakt wordt van deze (voorliggende) voorzieningen.
Toch komt het regelmatig voor dat cliënten liever afzien van bijvoorbeeld een indicatie Wlz, waar zij voor in aanmerking komen, omdat zij liever onder de Wmo 2015 blijven vallen vanwege de veel lagere eigen bijdrage. Hoe begrijpelijk dat soort redeneringen misschien ook lijkt: het is geen enkele reden om af te zien van een Wlzindicatie. h.Overige relevante omstandigheden van de jeugdige/ouders of cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden; Natuurlijk kan het ook zijn dat er andere helpende factoren aanwezig zijn die een bijdrage kunnen leveren aan het zelfoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders of de cliënt. Dat zal per situatie onderzocht moeten worden. Maar ook andere, misschien minder voor de hand liggende oplossingen, kunnen meegenomen worden in de afweging of een individuele of een maatwerkvoorziening wel nodig is. i.De aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten; Dit is een punt dat kan meespelen. Het is overigens lastig te onderzoeken. In principe mag je er van uitgaan dat verwanten, ouders en kinderen, echtgenoten, broers en zussen, die onder één dak wonen, een goede relatie met elkaar hebben. Dat zal niet altijd het geval zijn. Maar het kan ook niet zo zijn dat een slechte relatie wordt gefingeerd om onder hulp uit te komen. Helaas
komen dit soort situaties in praktijk voor. Net als de situatie dat partners doen voorkomen dat zij geen partner zijn maar hooguit bekenden. j.De inhoudelijke aard, wat houdt de ondersteuningsbehoefte in aan activiteiten, wat moet er gedaan worden, wat is de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of de cliënt; Ook dit is een belangrijk punt waarbij snel speelt of er wel een balans is tussen draagkracht en draaglast. Als er heel veel activiteiten gevraagd worden, kan het zijn dat dit zorgt voor overbelasting en zal er wellicht een aantal activiteiten overgenomen moeten worden om dit te voorkomen. Hier zal dus, als het speelt, onderzoek naar gedaan moeten worden. k.De beschikbaarheid van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; Uiteraard moeten er mogelijkheden zijn om te ondersteunen. Daarbij geldt dat een druk leven geen reden kan zijn om af te zien van ondersteuning. In het leven moeten voortdurend keuzes worden gemaakt en met een kind of andere huisgenoot met beperkingen kan men zich niet verschuilen achter andere keuzes waardoor men geen tijd heeft zoals veel sporten, veel trainen, veel vergaderen, of veel andere activiteiten. Ook dan kan verwacht worden dat er keuzes worden gemaakt. l.
De vraag in hoeverre het gaat om een ondersteuningsbehoefte die beantwoord moet worden met de inzet van professionele hulpverlening; Dit is een heel belangrijk punt. Heel vaak kan veel meer bereikt worden met professionele ondersteuning dan wanneer ouders of partners of andere huisgenoten de ondersteuning bieden. Als ouders vastlopen met hun kind tonen zij daarmee aan dat zij het probleem niet kunnen oplossen. Anders was immers het probleem niet ontstaan. Vaak heeft dat te maken met de systeemproblemen waar ouders en kinderen mee te maken hebben. De kinderen kennen hun ouders en weten hoe ver ze kunnen gaan. Dat geldt ook bij partners: die kennen elkaar en kunnen voorspellen hoe de ander gaat reageren. Dit kan een slechte basis zijn om problemen mee op te lossen. Bijvoorbeeld: ouders die eindeloos hun kinderen waarschuwen, hebben problemen met het zelfstandig laten functioneren van hun kinderen. Die weten immers dat het zo’n vaart niet loopt. Of ouders die zaken van hun kinderen overnemen en blijven overnemen, zullen hen nooit tot zelfstandigheid kunnen brengen. Dat geldt ook voor partners. Daarom is het heel vaak veel beter en effectiever om een professional in te schakelen. Die heeft geen probleem met systeemproblematiek. Die staat boven de situatie en kan van daaruit beoordelen wat nodig is en wat gedaan moet worden. Iets wat door gezinsgenoten niet kan worden gedaan.
Dit leidt heel vaak tot zinloze situaties die leiden tot onbedoelde benadeling van jeugdigen en partners. Het gesprek hierover is meestal heel lastig maar van groot belang in het belang van de jeugdigen of de partner! m.De vraag in hoeverre de huisgenoten medische beperkingen hebben om de gebruikelijke hulp ter leveren; Als er medische beperkingen zijn kan dat hulpverlening blokkeren. Dat zal onderzocht moeten worden. n.Het al dan niet dreigen overbelast te raken van de huisgenoten of al overbelast zijn op basis van factoren die te maken hebben met de te leveren gebruikelijke hulp, waarbij beoordeeld wordt of de draaglast de draagkracht te boven gaat; Overbelasting is iets dat voorkomen moet worden. Overbelasting is moeilijk in te schatten. Het heeft ook een heel persoonlijke invulling. De ene persoon heeft een veel grotere draagkracht dan de ander. Daar zal rekening mee gehouden moeten worden. Onderzoek is dus van groot belang. Daarom wordt in artikel 4.1.4.5 daar nader aandacht aan besteed. o.De mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
Het is opmerkelijk dat oplossingen soms wel gevonden worden als er geen hulp geboden (kan) worden. Zo zie je bij een wachtlijst voor hulp bij het huishouden dat het betrokkenen meestal lukt om het probleem op een andere manier op te lossen. Dan worden familie of vrienden ingeschakeld. Als men dan aan de beurt is wordt heel simpel gezegd: die willen het niet doen, want ik heb recht op deze hulp. Het is heel lastig deze grens vast te leggen. Goed onderzoek doen is daarom van groot belang. p.Overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; Wat zich nog meer kan voordoen is lastig in te schatten. Ook hier moet het onderzoek op gericht zijn. Hierbij komt het aan op de professionaliteit van de onderzoeker. Om alles overzichtelijk samen te vatten: Eigen kracht of gebruikelijke hulp kan wellicht ingezet worden als: 1.Degene die moet helpen dat kan doen omdat hij of zij beschikbaar is; 2.Degene die moet helpen kan dat doen omdat hij of zij de handelingen waar het om gaat uit kan voeren, 3.Het gaat om hulp waarvoor geen professionaliteit nodig is.
En ook wanneer de ouder of partner of andere naaste beroepsmatig professional is, ook dan zal het zelf bieden van (professionele) hulp meestal onmogelijk zijn door systeemproblemen. De rol als professional komt dan in conflict met de rol als ouder of huisgenoot. 4.Er zijn geen medische contra-indicaties waardoor de hulp niet geboden kan worden, 5.Er is geen sprake van overbelasting, 6.Waarbij geldt dat een druk bestaan geen reden kan zijn om af te zien van het bieden van hulp aan jeugdigen, kinderen of partners of andere cliënten. Artikel 4.1.4.5 Overbelasting en dreigende overbelasting is een lastig vast te stellen probleem. Het kan ook heel verschillende oorzaken hebben, oorzaken die niet te maken hebben met de problematiek van de jeugdige of de cliënt. Daarom worden ten aanzien van overbelasting, al dan niet dreigend, een aantal aandachtpunten benoemd. - Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige of cliënt. Wanneer ouders of een partner of andere huisgenoot overbelast dreigen te raken door te veel te werken, door te veel vrijwilligerswerk te verrichten of door welke andere reden, kan het niet zo zijn dat er geindiceerde hulp geboden wordt. De overbelasting is dan geen direct gevolg van de hulp of ondersteuning die moet worden geboden aan de jeugdige of client.
Op dat moment mag verwacht worden dat er keuzes gemaakt worden om de balans te herstellen. Zo zijn er nog meer situaties waar onderzoek naar gedaan moet worden. - Wanneer de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulp aan de jeugdige of cliënt om, moet de ouder of huisgenoot eerst een oplossing zoeken in het verminderen van de oorzaak van die spanningen. Dit punt is complementair aan het vorige punt. De overbelasting moet het gevolg zijn van het probleem, niet van een andere situatie. In dat geval zullen keuzes moeten worden gemaakt. Het kan nodig zijn dat dat bespreekbaar wordt gemaakt. -Bij een aanvraag voor een individuele voorziening of maatwerkvoorziening bekijkt het college wat al is of wordt gedaan om de (dreigende) overbelasting te verminderen. Als er sprake is van overbelasting mag je aannemen dat er al pogingen worden ondernomen daar een eind aan te maken. Wat is in dat kader al gedaan? Of is er niets gedaan? En waarom is er niets gedaan? Ook dit onderzoek is van groot belang.
- Wanneer de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het accepteren van andere vormen van ondersteuning , het herinrichten van de dagstructuur, het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder of huisgenoot verwacht. Het spreekt voor zich dat vanwege de eigen verantwoordelijkheid er eerst gekeken moet worden naar welke (voorliggende) oplossingen er zijn. Dat moet bespreekbaar zijn. Is dat niet bespreekbaar, dan kan het leiden tot het niet inzetten van geïndiceerde hulp. -Het verlenen van hulp aan jeugdige of cliënt gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten of vrijetijdsbesteding. Dit is volstrekt logisch. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de ouders en huisgenoten en die dienen daar hun consequenties uit te trekken. Zijn ze daar niet toe bereid dan kan dat geen reden zijn om toch hulp te bieden. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige of cliënt wordt beëindigd of niet toegekend als er sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder of huisgenoot. Een andere hulpverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. Bij overbelasting is het probleem niet met geld op te lossen.
Dus is er bij overbelasting in principe geen ruimte voor een pgb vanuit het netwerk en kan hulp of ondersteuning wellicht beter worden geboden door een professional, omdat (dreigende) overbelasting een contra-indicatie is. Artikel 4.1.4.6 Als een indicatie ten einde loopt, moet er een nieuwe indicatie worden gesteld. Dit wordt soms ten onrechte een heronderzoek genoemd. Een heronderzoek bestaat niet. Na het aflopen van een indicatie moet er gewoon opnieuw onderzoek worden gedaan. Soms kan dat (een stuk) eenvoudiger door bekende informatie. Doch ook in de situatie van een heronderzoek zal het gehele toetsingskader moeten worden toegepast. Er zijn geen verworven rechten: uit wordt gegaan van de situatie op het moment van het onderzoek. 4.2 Advisering 4.2.1 In de Jeugdwet is in artikel 2.3 opgenomen dat het college waarborgt dat er een deskundige toeleiding is naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening. De CRvB heeft dit ook benoemd in het kader van het zogenoemde stappenplan. Daaruit volgt dat de verschillende stadia van onderzoek vragen om aangepaste deskundigheid. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid is gewaarborgd. Maar ook dat de deskundigheid kenbaar is voor de hulpvrager (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477).
De CRvB heeft hierop expliciet gewezen in zijn uitspraak van 29 mei 2024 (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, r.o. 4.9). Dit betekent dat, als daar aanleiding toe bestaat, aangegeven zal moeten worden met welke deskundigheid (een deel van) het onderzoek is uitgevoerd. 4.2.2 Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek te doen, is het zelfs verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de jeugdige en zijn ouders of de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 8.1.2 lid 3 Jeugdwet en in artikel 2.3.8 lid 3 van de Wmo 2015 is een medewerkingsplicht opgenomen. De jeugdige, ouders en cliёnt zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo 2015. 4.3 Het verslag en de aanvraag Dit artikel is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het artikel is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015 opgenomen.
Artikel 4.3.1 borgt dat er altijd een verslag wordt gemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo 2015. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de omvang van de weergave van de uitkomsten van het onderzoek afhankelijk zijn van wat er uit het onderzoek is gekomen. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd.
Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt het verslag ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Artikel 4.3.2 slaat een brug tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering. Dit is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerkingkomt. De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Algemene wet bestuursrecht worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In deze verordening wordt hierover niets bepaald, wat betekent dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend.
Dit kan middels het ondertekende verslag. Naast de cliënt kan alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. 4.4. 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur Het doel van de Jeugdwet is mede om samenwerking tussen hulpverleners te verbeteren en procedures gemakkelijker te maken. Met het oog hierop zal zo veel mogelijk gestreefd worden naar gecoördineerde aanpak, waarbij uitgangspunt is dat er één plan is en dat dit plan door één persoon bewaakt wordt in samenwerking met (alle) andere betrokkenen. Ook al staat in de Wmo 2015 deze doelstelling niet nadrukkelijk vermeld, ook ten aanzien van de Wmo 2015 zal er naar gestreefd worden bij situaties waar meerdere hulpverleners aanwezig zijn te komen tot een gezamenlijk plan met een heldere regievoering. Artikel 5 Afwijzingsgronden jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Om voor de jeugdigen en hun ouders en de cliënt helder te maken welke algemene afwijzingsgronden gehanteerd kunnen worden bij het beoordelen van de vraag of er een
individuele of maatwerkvoorziening moet worden toegekend zijn de veel gebruikte algemene afwijzingsgronden in de verordening opgenomen. Dit is geen limitatieve lijst. Bij gebruik van deze afwijzingsgronden zal steeds beoordeeld worden of het redelijk is de afwijzingsgrond te hanteren. Naast algemene afwijzingsgronden zijn ten aanzien van de Wmo 2015 ook wat specifieke afwijzingsgronden ten aanzien van vervoers- en woonvoorzieningen opgenomen. Ook deze lijst is niet uitputtend. Ook hier zal een afweging worden gemaakt of de afwijzingsgrond in redelijkheid gebruikt kan worden. Artikel 6. De beschikking 6.1 Inhoud beschikking In dit artikel is bepaald wat de inhoud van een beschikking tenminste moet zijn. Dit is van belang in het kader van de rechtszekerheid van de jongeren of zijn ouders of de cliënt. Het gaat hier niet om een uitputtende lijst. In voorkomende situaties kunnen nog andere zaken aan een beschikking worden toegevoegd. 6.2 Eigen bijdrage Wmo 2015 Artikel 6.2.1 dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.
Zie artikel 2.1.4b, eerste lid, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang en een rolstoel, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Artikel 7. Het persoonsgebonden budget Een persoonsgebonden budget is geen hulp of voorziening, maar de verzilveringvorm van een toegekende individuele of maatwerkvoorziening. De jeugdige of zijn ouders of de cliënt zal gemotiveerd moeten aangeven waarom een persoonsgebonden budget meer passend is dan een maatwerkvoorziening in natura. In de verordening moeten ook wat betreft het persoonsgebonden budget, volgens de Centrale Raad van Beroep, tenminste de essentialia worden vastgelegd. Wat het persoonsgebonden budget betreft is dat in ieder geval de wijze waarop de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald, zodat dit voor iedereen transparant is. In dit artikel worden de voorwaarden bepaald waaronder de individuele of maatwerkvoorziening kan worden verzilverd in de vorm van een persoonsgebonden budget. Tevens zijn in dit artikel bepalingen opgenomen die tot doel hebben de kwaliteit van de hulp te borgen en te borgen dat de besteding van het persoonsgebonden budget werkelijk ten goede komt aan de ondersteuning van de kwetsbare jeugdige, zijn ouders of de cliënt.
Artikel 7.2.3 Dat bij de vaststelling van het tarief geen rekening wordt gehouden met de opleiding of professionaliteit van degene uit het sociaal netwerk die met het persoonsgebonden budget wordt ingehuurd is omdat personen uit het sociaal netwerk door de logische netwerkproblemen niet in staat zijn tot professionele hulp. Dit volgt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1999).
Artikel 8. Besteding en verantwoording persoonsgebonden budget, intrekking bij niet gebruik De Jeugdwet en Wmo 2015 bepalen dat het persoonsgebonden budget wordt aangeboden in de vorm van trekkingsrecht dat wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. Dit artikel biedt de juridische basis om de burger te committeren aan de voorwaarden die hiervoor gelden. Voor een pgb dat niet loopt via de Sociale Verzekeringsbank geldt eveneens dat een pgb kan worden ingetrokken als het binnen 6 maanden niet aangewend is voor het doel waarvoor het is verstrekt. Artikel 9. Financiële tegemoetkoming In dit artikel wordt aangegeven in welke situaties een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt. Een financiële tegemoetkoming is geen volledige compensatie van kosten in het kader van de zelfredzaamheid en participatie. Een financiële tegemoetkoming is een maximaal bedrag. Artikel 10. Een bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en van maatwerkvoorzieningen (eigen bijdrage) De Wmo 2015 bepaalt dat er een eigen bijdrage gevraagd kan worden. Dat geldt zowel voor maatwerkvoorzieningen als voor algemene voorzieningen. De hoogte van de eigen bijdrage van de maatwerkvoorzieningen wordt landelijk bepaald. Bij algemene voorzieningen zijn de kosten in principe het uitgangspunt. Artikel 11.
Wijziging situatie: nieuwe feiten en omstandigheden Als zich feiten en omstandigheden voordoen die van invloed kunnen zijn op de verstrekte hulp of voorziening dient de jeugdige, zijn ouders of de cliënt hier zelf melding van te doen bij het college. Het niet doen van melding kan later aanleiding zijn tot het vaststellen dat hulp of een voorziening ten onrechte is verstrekt en leiden tot intrekking en eventueel terugvordering. Artikel 12. Herziening, intrekking en terugvordering Het herzien of intrekken van een beslissing tot verlening van een individuele voorziening is een bevoegdheid van het college en geen verplichting. Hiermee krijgt het college ruimte om de te nemen beslissingen af te stemmen op lokaal beleid en specifieke omstandigheden. In artikel 8.1.4 van de Jeugdwet staan gronden vermeld op grond waarvan het college de beslissing tot verlening geheel of gedeeltelijk kan herzien of intrekken. Op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan dit alleen indien de belanghebbende redelijkerwijs kan begrijpen dat het feit of de omstandigheid aanleiding kan zijn voor een heroverweging van een eerdere beslissing (artikel 8.1.2 van de Jeugdwet). 12.1 Jeugdwet In artikel 12.1.1 wordt het bepaalde in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing verklaard op een beslissing aangaande zorg in natura.
De reden hiervoor is dat artikel 8.1.4 beperkt is tot het persoonsgebonden budget. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d van de Jeugdwet in deze verordening uitgebreid met de individuele voorziening in natura. Zonder aanschijns van de vorm waarin de individuele voorziening wordt verstrekt kan de verlening van de voorziening derhalve worden herzien of ingetrokken. Artikel 12.1.2 regelt dat het college bevoegd is terug te vorderen indien er sprake is van een beschikking waarin het recht op de individuele voorziening wordt herzien of ingetrokken