CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Verordening jeugd en mo 2025

Commissie Trouwzaal 13 mei 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2025 (Portefeuillehouders Rep & Leibbrand)21.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

VERORDENING jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2025 Zaaknummer:

1044066

De raad van de gemeente Dijk en Waard; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 april 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gezien het advies van de Cliëntenadviesraad Dijk en Waard, besluit vast te stellen de volgende verordening: jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2025.

Artikel 1. Begripsbepalingen (Jeugdwet en Wmo 2015) Deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaat onder: -algemeen gebruikelijke voorziening: maatwerkvoorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, en die betaald kan worden met een inkomen op minimumniveau; -algemene voorziening: voorziening op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige, zijn ouders of de cliënt; -bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste en derde lid en artikel 2.1.4a, vierde lid van de Wmo 2015; -budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet of de Wmo 2015. -cliënt: ingezetene van de gemeente Dijk en Waard die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid Wmo 2015; -collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt verstrekt maar die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt, zoals het collectief vraagafhankelijk vervoer. -college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dijk en Waard.

-eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) of de cliënt zelf of met behulp van het sociale netwerk om te voorzien in of bij te dragen aan het oplossen van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, problemen rond zelfredzaamheid en participatie. -gemaximeerde financiële tegemoetkoming: een financiële tegemoetkoming in de kosten die los van het inkomen en gebaseerd op de werkelijke kosten tot een maximum wordt verstrekt en waarvoor geen eigen bijdrage verschuldigd is; -gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouders, echtgenoot, inwonende kinderen of andere huisgenoten. -gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; -hoofdverblijf: woonruimte bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de gemeentelijke basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres; -huiselijke kring: een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot, de partner of voormalig echtgenoot of partner, voor zover die nog op hetzelfde adres wonen.

-individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden, niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de Jeugdwet; -ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Dijk en Waard; -jeugdige: voor deze begripsbepaling wordt de begripsbepaling uit de jeugdwet gevolgd; -hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de jeugdwet of de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; -maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen: - kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, - het daarvoor noodzakelijke vervoer, - alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3. ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

-melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; -overige voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Jeugdwet; -plan: een persoonlijk plan of een pgb-plan zoals in de begripsomschrijving verder omschreven. -persoonlijk plan: een door de jeugdige, ouders of cliënt, al dan niet tezamen met het sociale netwerk, opgesteld plan waarin wordt beschreven wat de ondersteuningsbehoefte is, wat persoonskenmerken zijn, wat de eigen mogelijkheden zijn, het netwerk, mantelzorg, algemeen (gebruikelijke) voorzieningen en voorliggende voorzieningen en waarin de jeugdige, ouders of cliënt aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning het meest is aangewezen;

-persoonsgebonden budget: een door het college verstrekt budget aan een jeugdige, zijn ouders of de cliënt, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort dan wel diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken. -pgb-plan: een door de aanvrager van een pgb op te stellen plan waarin in ieder geval wordt aangegeven welke hulp hij/zij denkt nodig te hebben, bij welke aanbieder, tegen welk tarief en met welk beoogd resultaat, waarom hulp in natura niet volstaat, en op welke manier aan de doelen zal worden gewerkt. -professionele organisatie: een professionele organisatie is een niet-gecontracteerde organisatie die aan dezelfde voorwaarden voldoet als een gecontracteerde aanbieder. Een professionele organisatie is HKZ/ISO 9001 gecertificeerd. -professional: het betreft organisaties die niet voldoen aan bovenstaande criteria of bijvoorbeeld een zelfstandig werkende professional (ZZP'er) zijn.

De professional (al dan niet werkend binnen een organisatie) voldoet aan de volgende voorwaarden: - heeft diploma(s) en/of aantoonbare relevante werkervaring op het gebied van begeleiding; - is ingeschreven bij het kwaliteitsregister (SKJ-registratie) of het Registerplein van betreffende beroepsvereniging; - werkt volgens de richtlijnen van de betreffende beroepsgroep (zoals het toepassen van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de meldplicht calamiteit en geweld) en overige richtlijnen die van toepassing zijn op de uitvoering van het beroep; - heeft een inschrijfnummer Handelsregister Kamer van Koophandel; - kan een VOG (verklaring omtrent gedrag) overleggen. -sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder of de cliënt een sociale relatie onderhoudt; -voorliggende voorziening: algemene voorziening of een andere al dan niet wettelijke voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen waardoor er geen individuele voorziening of maatwerkvoorziening nodig is; -Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: Wmo 2015. Artikel 2. De vormen van hulp (Jeugdwet en Wmo 2015) 2.1 Vormen van jeugdhulp 2.1.1 De volgende voorzieningen zijn in ieder geval vrij toegankelijk: -

Informatie en advies; Voorlichting, trainingen en cursussen; Jeugdgezondheidszorg; Jeugd- of schoolmaatschappelijk werk; Jeugd- en jongerenwerk; Welzijnswerk; Huisartsenzorg; Kortdurende ambulante opgroei- en opvoedondersteuning; Cliëntondersteuning; Advies- en meldpunten.

2.1.2 De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval niet vrij toegankelijk: - Ambulante jeugdhulp (waaronder begeleiding, behandeling, persoonlijke verzorging); - Verblijf;

-

Crisishulp; Diagnostiek en behandeling bij ernstige dyslexie; Vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder waar de jeugdhulp wordt geboden.

2.1.3 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de vormen van jeugdhulp. 2.2 Maatwerkvoorzieningen in de Wmo 2015 2.2.1 De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen zijn gericht op: het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en/of participatie; of het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt dan wel het voorkomen van achteruitgang van de zelfredzaamheid en/of participatie; of het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt. Gelet hierop wordt de cliënt zoveel als mogelijk in staat gesteld om: 2.2.1.1 een huishouden te voeren; 2.2.1.2 te beschikken over een geschikte woning; 2.2.1.3 zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; 2.2.1.4 medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; 2.2.1.5 regie te voeren over het dagelijkse leven; 2.2.1.6 een dagstructuur te hebben; 2.2.1.7 te beschikken over een rolstoel voor het zich dagelijks verplaatsen. Artikel 3. Toegang tot hulp 3.1 Toegang tot jeugdhulp in de Jeugdwet 3.1.1

Toegang jeugdhulp via de gemeente:

3.1.1.1 Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. 3.1.1.2 In spoedeisende gevallen treft het college onverwijld een passende voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk vast in een beschikking. 3.1.2

Toegang jeugdhulp via andere volgens de Jeugdwet bevoegde verwijzers:

3.1.2.1 Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. De jeugdhulpaanbieder doet hierbij onderzoek aan de hand van de stappen die zijn opgenomen in artikel 4 van deze Verordening. 3.1.2.2 Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel en die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging gesloten jeugdhulp. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van een justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van

een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een jeugdreclasseringsmaatregel. 3.1.2.3 Het college kan het toekennen van de in artikel 3.1.2.1 bedoelde individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vastleggen in een beschikking. 3.2 Toegang tot de Wmo 2015 3.2.1 Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 3.2.2 Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen vijf werkdagen. 3.2.3 In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 3.3 Cliëntondersteuning en persoonlijk plan 3.3.1 Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de jeugdige of cliënt uitgangspunt is. 3.3.2 Het college wijst de jeugdige en zijn ouders of cliënt en zijn mantelzorger in de ontvangstbevestiging voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van deze cliëntondersteuning.

3.3.3 Het college wijst de jeugdige en zijn ouders of cliënt er in de ontvangstbevestiging op dat hij de mogelijkheid heeft tot het indienen van een persoonlijk plan gedurende zeven dagen na de aanvraag of melding. Artikel 4. Het onderzoek (Jeugdwet en Wmo 2015) 4.1 Het onderzoek 4.1.1 Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders of de cliënt over de gang van zaken bij het onderzoek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Daarbij wordt tevens gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning en het opstellen van een persoonlijk plan. 4.1.2 Het college volgt bij het onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp of een maatwerkvoorziening met inachtneming van een (eventueel) persoonlijk plan het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep met de volgende stappen: a. Wat is de hulpvraag? b. Is sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn, of welke problemen er zijn bij de zelfredzaamheid en/of de participatie of bij het handhaven in de samenleving? c. Welke hulp of ondersteuning is naar aard en omvang nodig? d. Wat zijn de mogelijkheden van eigen kracht en het zelf oplossend vermogen wat betreft gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociaal netwerk of voorliggende al dan niet algemene of wettelijke voorzieningen of collectieve voorzieningen?

e. Voor zover de eigen kracht of het zelf oplossend vermogen niet toereikend zijn dient een individuele voorziening of maatwerkvoorziening verstrekt te worden. 4.1.3 Een gesprek maakt zo nodig deel uit van het onderzoek. 4.1.4 Indien een individuele voorziening of maatwerkvoorziening wordt verstrekt en de jeugdige of zijn ouders of de client geeft de voorkeur aan een pgb als leveringsvorm, dan wordt dit na de 5e stap (lid e) van het stappenplan onderzocht. 4.1.5 Beoordeling aanwezigheid eigen kracht, probleemoplossend vermogen en gebruikelijke hulp (Jeugdwet en Wmo 2015) 4.1.5.a (Jeugdwet en Wmo 2015) In deze paragraaf wordt verstaan onder: Eigen kracht: datgene wat de jeugdige of zijn ouders of de cliënt zelf bij kunnen dragen aan het oplossen van het probleem; Gebruikelijke hulp: datgene wat huisgenoten van de cliënt of ouders van de jeugdige bij kunnen dragen aan de (dagelijkse) hulp en ondersteuning en aan het oplossen van het probleem; Mantelzorg: datgene wat personen rond de jeugdige en zijn ouders of de cliënt aan hulp ter oplossing van het probleem kunnen bieden die; a. rechtstreeks voortvloeit uit een tussen die personen bestaande sociale relatie en b. die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. 4.1.5.1.

(Jeugdwet en Wmo 2015) Een individuele of maatwerkvoorziening (respectievelijk in aansluiting op artikel 2.3, lid 1 Jeugdwet en artikel 1.2.1, onder a en 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015) wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige of zijn ouders of de cliënt de problematiek, waarvoor een voorziening wordt aangevraagd, op eigen kracht kunnen oplossen of kunnen bijdragen aan het oplossen of het verminderen of wegnemen: a. door gebruik te maken van zijn eigen kracht en probleemoplossend vermogen; b. met gebruikelijke hulp van ouders of huisgenoten; c. met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk; d. door gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen; d. door gebruik te maken van algemene of collectieve voorzieningen; e. door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zaken of diensten. 4.1.5.2. (Jeugdwet) Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. 4.1.5.3 (Wmo 2015) a.

Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de Wmo 2015 beoordeelt het college of er naast eigen kracht ook gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015, mantelzorg, of andere hulp uit het netwerk mogelijk is. b. Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wmo 2015. 4.1.5.4. (Jeugdwet en Wmo 2015) Om te bepalen wat de jeugdige/ouders of cliënt op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval: a. De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige of de cliënt;

b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o. p.

De voor de jeugdige of cliënt benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of huisgenoten; De samenstelling van het gezin en de woonsituatie van de jeugdige of de cliënt waarbij bij gescheiden ouders ook gekeken wordt naar wat de ouder waar het kind niet woont bij kan dragen; Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan; De mogelijkheden van het sociale netwerk, inclusief steungezinnen, om de jeugdige of de ouders of cliënt te ondersteunen; De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen; Overige relevante omstandigheden van de jeugdige/ouders of cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden; De aard van de relatie tussen de ouders en de jeugdige of de cliënt en diens huisgenoten; De inhoudelijke aard , de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of de cliënt; De beschikbaarheid van de ouders of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; De vraag in hoeverre het gaat om een ondersteuningsbehoefte die beantwoord moet worden met de inzet van professionele hulpverlening; De vraag in hoeverre de ouders of huisgenoten

medische beperkingen hebben om de gebruikelijke hulp te leveren; Het al dan niet dreigend overbelast raken van de ouders of huisgenoten of al overbelast zijn op basis van factoren die te maken hebben met de te leveren gebruikelijke hulp, waarbij beoordeeld wordt of de draaglast de draagkracht te boven gaat; De mate waarin en de wijze waarop de jeugdige of de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens ouders of huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; Overige relevante omstandigheden van de ouders, de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

4.1.5.5 (Jeugdwet en Wmo 2015) Bij (dreigende) overbelasting neemt het college nog het volgende in de beoordeling mee: Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige of cliënt. Wanneer de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulp aan de jeugdige of cliënt om, moet de ouder of huisgenoot eerst een oplossing zoeken in het verminderen van de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening of maatwerkvoorziening bekijkt het college wat al is of wordt gedaan om de (dreigende) overbelasting te verminderen. Wanneer de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het accepteren van andere vormen van ondersteuning, het herinrichten van de dagstructuur, het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder of huisgenoot verwacht. Het verlenen van hulp aan jeugdige of cliënt gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten of vrijetijdsbesteding. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige of cliënt wordt beëindigd of niet toegekend als er sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder of huisgenoot. Een andere hulpverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

4.1.5.6 (Jeugdwet en Wmo 2015) Het gestelde in de voorgaande leden is ook van toepassing op heronderzoek als bedoeld in artikel 8.1.3 Jeugdwet en artikel 2.3.9, lid 1 van de Wmo 2015.

4.2 Advisering 4.2.1 Deskundigheid onderzoekers (Jeugdwet) 4.2.1.1.Het college zet voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager. 4.2.1.2. Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van SKJ- of BIGgeregistreerde professionals. 4.2.2 Indien bij één of meerdere stappen van het onderzoek deskundigenonderzoek noodzakelijk is, zal advies worden gevraagd. Daarbij wordt steeds dat advies met die deskundigheid gevraagd dat passend is bij de betreffende stap. 4.3 Het verslag en de aanvraag (Wmo 2015) 4.3.1 Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, waarbij de cliënt in staat wordt gesteld zijn of haar akkoord voor de inhoud van het verslag te geven of aanvullingen te geven. 4.3.2 Als de cliënt van mening is dat hij of zij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij of zij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Het verslag wordt daarmee een aanvraagformulier. 4.3.3 Een cliënt of zijn gemachtigde kan direct een aanvraag indienen als binnen de termijn van zes weken na de melding geen onderzoek is verricht. 4.4.

1 gezin, 1 plan, 1 regisseur (Jeugdwet) Het college zorgt er waar nodig voor dat de jeugdhulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt geboden volgens het principe 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. Om dat te bereiken maakt het college afspraken met zorg- en hulpverleners, instellingen, het onderwijs en andere betrokken personen of organisaties. Die afspraken gaan onder meer over: a. procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; b. communicatie met andere organisaties en het college; c. afbakening van taken en verantwoordelijkheden; d. aansluiting tussen voorliggende voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen.

Artikel 5. Afwijzingsgronden jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (Jeugdwet en Wmo 2015) 5.1 Algemeen Geen individuele voorziening of maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot jeugdhulp of ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. indien het een individuele of maatwerkvoorziening betreft die de cliënt na de melding (Wmo 2015) of aanvraag (Jeugdwet) en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; c. voor zover de aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die

niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; d. indien de individuele of maatwerkvoorziening is gerealiseerd binnen een redelijke termijn (maximaal 6 maanden) voor de melding (Wmo) danwel de aanvraag (jeugd) zonder toestemming van het college, terwijl de noodzaak niet meer vastgesteld kan worden; e. voor zover de maatwerkvoorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht; f. als de maatwerkvoorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase; g. als de maatwerkvoorziening niet langdurig noodzakelijk is, behoudens thuisondersteuning en kortdurend verblijf; h. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Dijk en Waard. Uitzondering hierop is opvang en beschermd wonen of als het gaat om een voorgenomen verhuizing naar de gemeente Dijk en Waard; i. indien de individuele of maatwerkvoorziening niet als goedkoopst compenserend aan te merken is; j. indien naar het oordeel van het college een voorliggende al dan niet wettelijke voorziening of regeling aanwezig is en de cliënt weigert van die regeling gebruik te maken om redenen die niet met de inhoudelijke aspecten van de maatwerkvoorziening te maken hebben. k.

indien de maatwerkvoorziening gezien de beperkingen van de cliënt, niet veilig is voor hemzelf en zijn omgeving, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, vrijheidsbeperkend of antirevaliderend werkt. 5.2 Vervoersvoorzieningen (Wmo 2015) 5.2.1 Het college hanteert het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer, zijnde het Wmo-vervoer. 5.2.2 Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden terwijl het bezoek noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. 5.3 Woonvoorzieningen (Wmo 2015) 5.3.1 Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het college het primaat van verhuizen toepassen.

Dit primaat geldt voor zover de cliënt binnen een medisch aanvaardbare termijn kan verhuizen naar een geschikte woning of een goedkoper geschikt te maken woning Bij het toepassen van het primaat van de verhuizing zal eerst beoordeeld worden of dit kan leiden tot voldoende compensatie ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie. Onderzoek of het primaat van de verhuizing gehanteerd kan worden zal in ieder geval plaatsvinden indien de kosten van aanpassing van de woning het bedrag van € 7.500 euro overstijgt. Een onafhankelijk medisch advies kan in het kader van deze beoordeling worden opgevraagd. Hieruit moet blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dit is afhankelijk van de individuele situatie. 5.3.2. Een woonvoorziening is gericht op normaal gebruik van de eigen woning, waaronder wordt verstaan: a het bereiken van de woning b het zich kunnen verplaatsen in en om de eigen woning c gebruik maken van woonruimten (de elementaire woonfuncties)

5.3.3 Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen. c. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen, gehuurde kamers, kraak en anti-kraak woningen met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; d. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. e. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; f. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; g.

indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; h. indien de cliënt al geruime tijd weet dat zijn woning door toename van de beperkingen niet meer geschikt zal zijn en hij ondanks dat hij hier door het college schriftelijk op gewezen is onvoldoende actie heeft genomen om een passende woning te vinden of meerdere malen een door de gemeente aangeboden woning weigert. Artikel 6. De beschikking (Jeugdwet en Wmo 2015) 6.1 Inhoud beschikking 6.1.1 Bij het verstrekken van een individuele voorziening of maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. waaruit de te verstrekken voorziening bestaat en wat daarvan de omvang en het resultaat is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 6.1.2 Bij het verstrekken van een individuele voorziening of maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; c.

wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het persoonsgebonden budget zijn verbonden; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld, f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 6.1.3 Het onderzoeksverslag kan deel uitmaken van de beschikking. 6.2 Eigen bijdrage Wmo 2015 6.2.1 Als op de te verstrekken maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten verschuldigd is, wordt de cliënt van deze eigenbijdrageplicht in kennis gesteld.

Artikel 7. Het persoonsgebonden budget (Jeugdwet en Wmo 2015) 7.1 Leveringsvorm pgb 7.1.1 Het college verstrekt indien daarom is verzocht een persoonsgebonden budget in overeenstemming met het gestelde in art. 8.1.1 van de Jeugdwet of artikel 2.3.6, lid 2 van de Wmo 2015. 7.2 De hoogte van het pgb 7.2.1 De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt als volgt samengesteld. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele hulp bedraagt: a. maximaal 100% van het referentietarief voor gecontracteerde jeugdhulp of ondersteuning in natura voor een professionele organisatie; b. maximaal 75 % van het referentietarief voor gecontracteerde jeugdhulp of ondersteuning in natura voor een professional, niet zijnde een professionele organisatie. 7.2.2 Indien het op basis van artikel 6.2.1 vastgestelde persoonsgebonden budget in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp of ondersteuning hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder of aanbieder van maatschappelijke ondersteuning kan worden ingekocht. 7.2.3 Het tarief voor een persoonsgebonden budget voor de inzet van het sociaal netwerk bedraagt: 7.2.3.1 Voor de Jeugdwet: a. begeleiding: € 20,00 per uur 7.2.3.2 Voor de Wmo 2015: a.

hulp bij het huishouden: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. b. begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 7.2.4 De peildatum van de genoemde bedragen is 1 januari 2024. Bij de vaststelling van het tarief wordt geen rekening gehouden met de opleiding of professionaliteit van degene uit het sociaal netwerk die met het persoonsgebonden budget wordt ingehuurd. 7.2.5 Het college kan de in het kader van deze verordening geldende bedragen voor een of meerdere categorieën persoonsgebonden budgetten indexeren. 7.2.6 De hoogte van een persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening is gelijk aan de tegenwaarde van het bedrag dat de gemeente heeft bedongen of zou hebben bedongen indien zij de woonvoorziening zelf zou hebben ingekocht. 7.2.7 Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel voor verplaatsingen wordt gebaseerd op de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende te verstrekken voorziening in natura. De gemeente Dijk en Waard werkt met een huurconstructie met de zorgleveranciers.

Dit vormt de basis voor de hoogte van het persoonsgebonden budget met een maximale looptijd van 5 jaar. 7.2.8 Indien een maatwerkvoorziening wordt verstrekt die niet bedoeld is voor woningaanpassingen of hulpmiddelen wordt het persoonsgebonden budget vastgesteld op basis van het programma van eisen en de laagste kostprijs aan de hand van een tweetal offertes.

7.3 Voorwaarden ten aanzien van het betrekken van personen uit het sociaal netwerk 7.3.1 De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt kan de benodigde hulp of ondersteuning slechts onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk: 1. Op basis van het pgb-plan stelt het college vast of de hulp die de zorgverlener uit het sociale netwerk biedt passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de jeugdige of cliënt; 2. De budgethouder kan alleen hulp of ondersteuning betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk voor zover die persoon 18 jaar of ouder is; 3. Bij de beoordeling van inzet vanuit het sociale netwerk moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: a. De geboden hulp is passend, adequaat en veilig; b. De hulp wordt niet geboden door een persoon/personen die overbelast is/zijn of dreigt dat te worden en het bieden van hulp leidt niet tot (dreigende) overbelasting van de persoon/personen die de hulp bieden; 4. In aanvulling op het derde lid, wordt bij mogelijke inzet van het sociaal netwerk met een pgb onder andere meegenomen of één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. de hulp is vooraf niet goed in te plannen; b. de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; c. de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden; d.

de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd; e. de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn; f. de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie de jeugdige of cliënt vertrouwd is en goed contact heeft. 5. Indien de hulp of ondersteuning wordt geboden door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de budgethouder, ontvangt diegene het tarief voor inzet van sociaal netwerk; 6. Familieleden in de eerste of tweede graad van de budgethouder behoeven geen Verklaring Omtrent het Gedrag te overleggen. Overige personen uit het sociaal netwerk dienen wel een Verklaring Omtrent het Gedrag te overleggen die niet ouder is dan drie maanden; 7. De hulpverlener uit het sociale netwerk is verplicht vermoedens van Huiselijk Geweld en Kindermishandeling te melden; 8. Bij de inzet van een persoon uit het sociale netwerk kan door het college advies worden opgevraagd bij een extern bureau of de inzet van een informeel zorgverlener passend is; 9. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden voor inzet van het sociale netwerk, waarbij uitvoering en beheer niet tot belangenverstrengeling mogen leiden (gewaarborgde hulp). Artikel 8.

Besteding en verantwoording persoonsgebonden budget, intrekking bij niet gebruik (Jeugdwet en Wmo 2015) 8.1 De jeugdige of zijn ouders of de cliënt stemt in en handelt conform de bepalingen van de gemeente zoals opgenomen in deze verordening en beschikking. 8.2 De jeugdige of zijn ouders of de cliënt stemt in en handelt conform de (algemene) voorwaarden van de Sociale Verzekeringsbank en de voorwaarden zoals de gemeente die is overeengekomen met de SVB. 8.3 Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan ingetrokken worden als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 9. Financiële tegemoetkoming (Wmo 2015) 9.1 Het college kan aan een cliënt een gemaximeerde financiële tegemoetkoming verstrekken. 9.2 De maximale financiële tegemoetkoming wordt toegekend los van het inkomen en op basis van de werkelijke kosten. 9.3 Het college kan onder meer een tegemoetkoming verstrekken voor: a. verhuis- en inrichtingskosten (maximaal € 3.000); b. sportvoorziening (maximaal € 3.000 per drie jaar). 9.4 Het college kan criteria vaststellen in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke financiële tegemoetkoming. Artikel 10. Een bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en van maatwerkvoorzieningen (eigen bijdrage) (Wmo 2015) 10.1 Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van een maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van een persoonsgebonden budget, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 10.2 Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 10.3 De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget zijn gelijk aan de kostprijs. De bijdrage is maximaal het landelijk vastgestelde maximum voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen.

Dit is anders als geen of een lagere bijdrage is verschuldigd op grond van de Wmo 2015 en de daarbij horende regelingen of de bepalingen in deze verordening. 10.4 In afwijking van het vorige lid bedraagt de bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening collectief vervoer het door de vervoerder te innen bedrag per rit. 10.5 Vervallen. 10.6 De bijdragen in de kosten van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget worden vastgesteld en geïnd door het CAK. 10.7 In afwijking van lid 1 is de eigen bijdrage niet verschuldigd voor: a. rolstoelen; b. een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt heeft. Artikel 11. Wijziging situatie: nieuwe feiten en omstandigheden (Jeugdwet en Wmo 2015) De jeugdige en zijn ouders, die een individuele voorziening heeft ontvangen of de cliënt die een maatwerkvoorziening heeft ontvangen doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening, maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor een individuele of maatwerkvoorziening.

Artikel 12. Herziening, intrekking en terugvordering (Jeugdwet en Wmo 2015) 12.1 Jeugdwet 12.1.1 Artikel 8.1.4, eerste lid, Jeugdwet is van overeenkomstige toepassing op een beslissing aangaande zorg in natura. 12.1.2 Als het college een beslissing op grond van artikel 8.1.4, eerste lid sub a van de Jeugdwet heeft ingetrokken of herzien, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening. 12.1.3 Als de voorziening aan de jeugdige en zijn ouders is toegekend, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening. 12.2 Wmo 2015 12.2.1 Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet (meer) voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; e.

de maatwerkvoorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet f. de maatwerkvoorziening door de client is verkocht zonder toestemming van het college. 12.2.2 Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken a. als blijkt dat het persoonsgebonden budget niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor grote woningaanpassingen geldt dat binnen zes maanden na betaling van het persoonsgebonden budget op verzoek van het college door de cliënt aangetoond moet kunnen worden waar het persoonsgebonden budget aan besteed is. Voor overige voorzieningen geldt dat binnen een maand na betaling van het persoonsgebonden budget op verzoek van het college door de cliënt aangetoond moet kunnen worden waar het persoonsgebonden budget aanbesteed is. b. indien de client de voorziening niet, of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor hij is verstrekt.

12.2.3 Als het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 Wmo 2015 met toepassing van artikel 2.3.10 tweede lid, onder a Wmo 2015 heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. 12.2.4 In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan de geldwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd. De aldus ontstane vordering kan worden afgelost door de cliënt maar kan desgewenst worden voldaan door de in eigendom verstrekte voorziening aan het college terug in eigendom over te dragen. 12.2.5 Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening wordt beëindigd of ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald. Aan de vordering kan worden voldaan door de in bruikleen verstrekte voorziening aan het college te retourneren.

12.2.6 Het college kan onder andere uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van een persoonsgebonden budget onderzoeken. 12.2.7 Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden. Artikel 13. Kwaliteitseisen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (Jeugdwet en Wmo 2015) 13.1 Aanbieders van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouders of de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende certificeringen en keurmerken.

13.2 Onverminderd andere toezichtsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliënt ervarings- onderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 13.3 In aanvulling op artikel 13.1 gelden voor professionele (zelfstandige) aanbieders van jeugdhulp die worden ingekocht met een pgb de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. 13.4 Het college kan nadere regels stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 14. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een individuele of maatwerkvoorziening (Jeugdwet en Wmo 2015) 14.1 De gemeenteraad geeft het college de opdracht te zorgen voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wetten. 14.2 De gemeenteraad stelt periodiek een toezichtsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven. 14.3 Het college stelt in opdracht van de gemeenteraad ter nadere uitvoering van het toezicht periodiek een toezichtsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het toezichtsbeleidskader.

14.4 Dit toezichtsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Jeugdwet en de Wmo 2015 alsmede welke toezichtsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. 14.5 Het college rapporteert eenmaal per jaar aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van toezicht in relatie tot de beleidsuitgangspunten en prioriteiten zoals vastgelegd in het toezichtsbeleidskader.

14.6 Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 14.7 Het college kan voor het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet en de daarop gebaseerde regels, waaronder deze verordening, op grond van artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht een toezichthouder aanwijzen, die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 14.8 Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden (Jeugdwet en Wmo 2015) 15.1 Het college houdt ten aanzien van de Jeugdwet in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die zij hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d.

een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. 15.2 Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1° een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 15.3 Het college stelt de prijzen, bedoeld in het tweede lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 15.4 Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het tweede lid, op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c.

kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen,

Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld (Wmo 2015) 16.1 Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 16.2 Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 16.3 De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 16.4 Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. 16.5 Eenieder is verplicht om actief en volledig mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. Artikel 17. Klachtregeling gemeente en aanbieders (Jeugdwet en Wmo 2015) 17.1 Klachten van jeugdigen, ouders en cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, worden behandeld volgens de bestaande klachtenregeling van de gemeente Dijk en Waard, voor zover deze gedragingen aan het bestuursorgaan zijn toe te rekenen.

17.2 Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp stellen een regeling vast voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 17.3 Onverminderd andere toezichtsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders al dan niet ondersteund door een jaarlijks te overleggen schriftelijk verslag, door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 18. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) 18.1 Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 18.2 Onverminderd andere toezichtsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliënt-ervaringsonderzoek en het door de toezichthouder zo nodig ter plaatse controleren van de gestelde kaders in deze Verordening, overeenkomsten en andere geldende regelgeving. Artikel 19.

Betrekken van inwoners bij beleid (Jeugdwet en Wmo 2015) 19.1 Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen, hun ouders en cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

19.2 Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen en andere inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 19.3 Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers (Wmo 2015) Het college bepaalt in de beleidsregels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten en andere mantelzorgers in de gemeente bestaat. Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen (Wmo 2015) Voor inwoners met een inkomen tot en met 120% van de bijstandsnorm, biedt de gemeente een collectieve ziektekostenverzekering. Dit is een zorgverzekering van de zorgverzekeraar Univé in samenwerking met de gemeente. Het Univé Gemeente Pakket is hiervoor speciaal ontwikkeld. Deze verzekering vergoedt veel meer medische kosten dan andere zorgverzekeringen.

Uit de aanvullende verzekering kan een extra vergoeding voor onder andere brillen, fysiotherapie, tandartskosten en de eigen bijdrage Wmo verstrekt worden. De uitvoering hiervan ligt bij Zaffier. Artikel 22. Antispeculatiebeding woonvoorzieningen (Wmo 2015) Voor woonvoorzieningen geldt dat de eigenaar-bewoner, die krachtens de verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereed melding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college dient te melden. De meerwaarde van de woning dient bij verkoop volgens onderstaand afschrijvingsschema te worden terugbetaald voor het 1e jaar 100% van de meerwaarde; voor het 2e jaar 90% van de meerwaarde; voor het 3e jaar 80 %van de meerwaarde; voor het 4e jaar 70% van de meerwaarde; voor het 5e jaar 60% van de meerwaarde; voor het 6e jaar 50% van de meerwaarde; voor het 7e jaar 40% van de meerwaarde; voor het 8e jaar 30% van de meerwaarde; voor het 9e jaar 20% van de meerwaarde; voor het 10e jaar 10% van de meerwaarde, in alle gevallen minus het percentage dat voor rekening van de eigenaar van de woonruimte is gekomen. Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht (Jeugdwet en Wmo 2015) 23.1 De verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2024 wordt ingetrokken.

23.2 Een jeugdige, ouders of cliënt houdt in het kader van het overgangsrecht tot uiterlijk 31 december 2025 recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de aan deze verordening voorafgaande verordeningen.

23.3 Aanvragen die zijn ingediend onder de aan deze verordening voorafgaande verordeningen en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 23.4 Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de aan deze verordening voorafgaande verordeningen, wordt beslist met inachtneming van die verordening. 23.5 Van het in lid 3 en lid 4 van dit artikel gestelde kan ten gunste van de jeugdige, ouders of de cliënt worden afgeweken. Artikel 24. Evaluatie (Jeugdwet en Wmo 2015) Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. SLOTBEPALING Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel (Jeugdwet en Wmo 2015) 25.1 Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot 1 juni 2025. 25.2 Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2025. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 mei 2025. De griffier, M. (Menno) Horjus {{esl:Signer1:Capture:size(320,100)}}

De voorzitter, M. (Maarten) Poorter {{esl:Signer2:Capture:size(320,100)}}

Toelichting Artikelsgewijs Artikel 1. Begripsbepalingen Ondanks dat de Jeugdwet en de Wmo 2015 een flink aantal begripsbepalingen kennen die ook bindend zijn voor deze verordening, is een aantal begripsbepalingen desondanks ter verduidelijking opgenomen in deze verordening. De wettelijke begripsbepalingen die niet zijn opgenomen worden in de verordening overeenkomstig de Jeugdwet en de Wmo 2015 gebruikt. Bij de uit de wetten overgenomen begripsbepalingen is de wettelijke toelichting hier niet opgenomen. -algemeen gebruikelijke voorziening: deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015. Het gaat hier om voorzieningen waarvan je mag veronderstellen dat ook mensen die geen behoefte hebben aan een maatwerkvoorziening daar gebruik van kunnen maken. Een niet algemeen gebruikelijke voorziening is dan ook speciaal bedoeld voor mensen met een beperking. Door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) moet de algemeen gebruikelijke voorziening wel betaalbaar zijn met een inkomen op minimumniveau. -bijdrage: deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015. De Wmo 2015 bepaalt dat een cliënt die een maatwerkvoorziening ontvangt soms een bijdrage moet betalen. Door het zogenaamde tariefsysteem is die bijdrage gemaximeerd. Het bedrag wordt jaarlijks vastgesteld door het Ministerie van VWS.

-cliënt: deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015. Een cliënt is iemand die in het kader van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening verstrekt heeft gekregen. Dit laat onverlet dat iemand die nog niet in de gemeente Dijk en Waard woont maar naar de gemeente wil verhuizen, contact op kan nemen met de gemeente om af te stemmen de voorwaarden die daarbij gelden en rond de mogelijkheden van aanpassen van een woning. -gemaximeerde financiële tegemoetkoming: deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015. Een gemaximeerde financiële tegemoetkoming is een tegemoetkoming in de kosten die los van het inkomen en gebaseerd op de werkelijke kosten tot een maximum wordt verstrekt en waarvoor geen eigen bijdrage verschuldigd is. Het is geen persoonsgebonden budget en wordt door het college rechtstreeks aan de cliënt uitbetaald zodra er recht op bestaat. Het bedrag is een maximumbedrag zodat aangetoond moet worden waaraan het al dan niet gedeeltelijk is besteed. -gesprek: in artikel 2.3.2, lid 1 bepaalt de Wmo 2015 dat na een melding een onderzoek moet plaatsvinden. Dit onderzoek kan plaatsvinden via een gesprek. In het kader van de Jeugdwet wordt na indiening van de aanvraag onderzoek gedaan. Ook hiervoor geldt dat dit onderzoek kan plaatsvinden via een gesprek. -hoofdverblijf: deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015.

Het hoofdverblijf is in ieder geval de woning waar betrokkene staat ingeschreven in de Basisregistratie personen. Ook als men niet ingeschreven staat maar daadwerkelijk wel in de gemeente verblijft kan men in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Zelfs in de situatie dat men het hoofdverblijf in de toekomst kan hebben binnen de gemeente kan men in het kader daarvan een melding doen bij de gemeente. -individuele voorziening: deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Jeugdwet. Als de jeugdige en/of ouder daar op is aangewezen kan het college een individuele voorziening treffen ten behoeve van de jeugdige. Dit gebeurt pas als er geen oplossing gevonden kan worden in een voorliggende al dan niet wettelijke voorziening, andere voorziening, vrij toegankelijke voorziening of de eigen kracht.

-ingezetene: deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015. Om een melding te kunnen doen in het kader van de Wmo 2015 moet men in principe ingezetene zijn van de gemeente Dijk en Waard. Een uitzondering hierop vormen in de Wmo 2015 de opvang of het beschermd wonen. Dat kan wettelijk gezien bij elke gemeente in Nederland. -hulpvraag: De term hulpvraag wordt door de Centrale Raad van Beroep gebruikt in het kader van het zogenaamde stappenplan om onderzoek te doen naar de benodigde jeugdhulp of ondersteuning vanuit de Wmo 2015. -maatwerkvoorziening: Deze begripsomschrijving heeft betrekking op de Wmo 2015. De ondersteuning die de gemeente moet leveren, bestaat allereerst uit de algemene voorzieningen. Voor zover iemand niet op eigen kracht of met hulp van zijn sociale netwerk zelfredzaam kan zijn of maatschappelijk kan participeren en gebruikmaken van een algemene voorziening dit probleem niet of onvoldoende oplost, beziet de gemeente op aanvraag van betrokkene welk pakket van op de persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden van die persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen kan worden bewerkstelligd, zodat de zelfredzaamheid kan worden bevorderd, betrokkene maatschappelijk kan participeren of wordt voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=8135d133-0145-41aa-83e8-16fad140284e