Bijlage 1 - Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022
Tekst van het document
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING 1.1 Harmonisatie van twee beleidsdocumenten 1.2 Nota ruimtelijke kwaliteit Stroomschema : toetsing aanvraag 1.3 Beleid ruimtelijke kwaliteit 1.4 Toezicht op ruimtelijke kwaliteit 1.5 de KAN bepaling 1.6 aansluiting met landelijke wetgeving 1.7 definitie van openbaar toegankelijk gebied
3 3 4 7 8 9 10 10 11
2
ALGEMEEN 2.1 Toetscriteria bij excessen 2.2 Hardheidsclausule 2.3 Algemene criteria ruimtelijke kwaliteit
13 13 15 16
3
GEBIEDSGERICHTE CRITERIA Kaart met de deelgebieden 1 (historische) Lintbebouwing 2A Bestaande woonwijken 2B Bestaande woonwijk – Oosterdel gebied 2C Woonwagenterreinen 2D Nieuwe woonwijken 3 Centrumzones 4A Zandhorst, De Frans, Harlingerstraat, de Mossel, Zuiderdel 4B Beveland 4C Overtoom 4D De Vaandel en Breekland 5 Buitengebied – landelijk gebied 6 Kassenconcentratiegebied: Alton I & II 7 Sport-, recreatie- en groene terreinen
21 21 23 27 32 35 37 39 42 46 47 48 50 53 55
4
OBJECTGERICHTE CRITERIA 4.1 Monumenten, Karakteristieke en beeldbepalende panden 4.2 Bestaande stolpboerderijen 4.3 Agrarische bedrijfsgebouwen 4.4 Koolboeten en koolhuizen 4.5 Kunstwerken - bruggen en beeldende kunst 4.6 Reclames
58 58 59 61 63 65 69
5
SNELTOETSCRITERIA VOOR KLEINE BOUWPLANNEN 5.1 Aan- of uitbouw woning 5.2 Bijgebouw of overkapping 5.3 Dakkapel op woningen 5.4 Dakopbouw op aaneengebouwde woningen met een symmetrisch zadeldak 5.5 Gevelwijziging 5.6 Erfafscheiding 5.7 Rolhek, luik of rolluik in winkelgebied 5.8 Antennes 5.9 Technische installaties 5.10 Beschoeiingen 5.11 Containers voor permanente opslag
2
87 87 89 91 94 96 97 98 99 101 102 103
1 INLEIDING 1.1
HARMONISATIE VAN TWEE BELEIDSDOCUMENTEN
Niet strenger, niet soepeler, wel duidelijker. De nieuwe Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022 is een samenvoeging van de nota Ruimtelijke kwaliteit Heerhugowaard 2017 en de Welstandsnota Langedijk 2013. In het kader van de harmonisatie is er in de nieuwe nota géén nieuw beleid opgenomen. Het huidige beleid van de voormalige gemeenten is samengevoegd. Daar waar er verschillen in toetscriteria zijn, is gekozen voor de beste en duidelijkste regels. Het beleid is per deelgebied niet strenger of soepeler geworden, maar wel duidelijker. De aanpassingen zitten voornamelijk in de sneltoetscriteria voor kleine bouwwerken. In de voormalige gemeenten zaten hier de grootste verschillen. Ook de toetscriteria voor reclame-uitingen zijn samengevoegd. Daar waar de voormalige gemeente Langedijk werkte met toetscriteria op hoofdlijnen, werkte de voormalige gemeente Heerhugowaard met toetscriteria op hoofdlijnen en uitgewerkte criteria per deelgebied voor bedrijventerreinen, landelijk gebied, winkelgebieden en woonwijken. Vanaf begin 2020 is de welstandscommissie Langedijk en de commissie ruimtelijke kwaliteit Heerhugowaard al samengevoegd tot één gezamenlijke commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij de aanpassingen van de criteria is uitgegaan van de adviezen van deze commissie ruimtelijke kwaliteit.
De adviezen van de commissie zullen door de aangepaste criteria in deze geharmoniseerde nota in basis niet anders zijn dan in het verleden. Deze nieuwe nota ruimtelijke kwaliteit kan de basis vormen voor toekomstig interactief beleid.
3
1.2
NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT
Dijk en Waard is een dynamische en aantrekkelijke gemeente om te wonen, te werken en te leven. Veranderingen in onze gemeente gaan soms snel en soms geleidelijk en door kleinere en grote bouwinitiatieven is Dijk en Waard constant in ontwikkeling. Het beleid in de gemeente bestaat globaal uit drie hoofdzaken: Het Economisch domein, Sociaal domein en het Fysiek domein. Ingrepen op een van de drie domeinen heeft invloed op de andere twee domeinen.
Fysiek domein De nota ruimtelijke kwaliteit valt onder het Fysieke domein. Samen met het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan maakt deze onderdeel uit van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het zijn de instrumenten waarmee de gemeente regie kan voeren op de ruimtelijke verschijningsvorm van gebouwen en hun omgeving en waarin de aanwezige cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een belangrijke rol spelen bij de beleving van ontwikkelingen en (ver)bouwplannen. Het bestemmingsplan stuurt met name op de situering en de hoofdvorm. De nota ruimtelijke kwaliteit en het beeldkwaliteitsplan op gevels, materialisatie en detaillering. Het bestemmingsplan geeft een bouwrecht, maar geen bouwplicht en stuurt niet op beeldkwaliteit. Dit is de reden dat er een overlap aanwezig is tussen het bestemmingsplan en de nota ruimtelijke kwaliteit als het gaat om de situering en de hoofdvorm. Dit gaat voornamelijk op bij de historische linten, het buitengebied en inbreilocaties.
4
Omgevingsvisie, Omgevingsplan en de nota ruimtelijke kwaliteit De op handen zijnde inwerkingtreding van de Omgevingswet geeft op dit moment geen directe aanleiding tot inhoudelijk aanpassing van het huidige welstandbeleid. De inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft niet direct gevolgen voor het huidige welstandsbeleid. Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. In het overgangsrecht van de Omgevingswet is geregeld dat een groot deel van de gemeentelijke regels, zoals die in bestemmingsplannen en welstandsregels, automatisch deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan. De bestaande welstandsnota en beeldkwaliteitsplannen blijven hun gelding behouden. Gemeenten hebben tot 2029 de tijd om het tijdelijk omgevingsplan in een nieuw omgevingsplan om te zetten.
Concept Visiekaart
De visiekaart laat zien welke ontwikkelingen of plekken een belangrijke rol hebben bij het oppakken van vraagstukken uit de omgevingsvisie de komende jaren. Deze is dus toekomstgericht. Het gaat hierbij om de fysieke leefomgeving en kent een ruimtelijke en ook sociale invulling. De nota ruimtelijke kwaliteit gaat over het toetskader voor bouwplannen in de bestaande bebouwing. Ook een aantal nieuwe deelgebieden zoals de Vaandel en Breekland zijn al opgenomen in deze nota. Bij de nieuwste en toekomstige ontwikkelingen worden voornamelijk beeldkwaliteitsplannen opgesteld die als toetskader gelden. Dit zal ook gelden voor nieuw te ontwikkelen gebieden die passen in de visiekaart. De nota ruimtelijke kwaliteit staat deze ontwikkelingen niet in de weg. Als een ontwikkelingsgebied volledig is volgebouwd, gaat de toetsing van een bouwplan weer over naar de nota ruimtelijke kwaliteit.
5
Ambitie Gelijk aan de oude nota’s van Heerhugowaard en Langedijk wil de gemeente met deze nota ruimtelijke kwaliteit drie onderdelen verwezenlijken: 1. Het beleid vereenvoudigen, minder regels en daar waar het kan vrij laten; 2. De minst kwetsbare gebieden, zoals de bestaande woonwijken en de bestaande industrieterreinen de meeste vrijheid te geven in het achtererfgebied; 3. Bij de meer kwetsbare gebieden zoals de historische linten de ruimtelijke kwaliteit zoveel mogelijk behouden, maar wel door middel van een minimale set van regels. We willen meer vrijheid bieden waardoor iedereen zijn of haar droomhuis kan realiseren. Met deze nota wordt een evenwicht gevonden tussen enerzijds het terugdringen van overbodige en knellende regels waardoor meer vrijheid ontstaat voor de aanvrager en anderzijds het beschermen van onder andere de buren tegen buitensporigheden in het straatbeeld (excessen). We willen allemaal meer vrijheid, zolang dit maar niet tot een chaotisch straatbeeld leidt. Want welstandsvrij bouwen is leuk, totdat je als bewoner tegen een lelijk bouwwerk aankijkt op het erf van de buren.
Reclamebeleid In de Algemeen Plaatselijke Verordening APV is bij het onderdeel reclame een algemeen aanwijsbesluit opgenomen dat de nadere regels zijn opgenomen in deze nota ruimtelijke kwaliteit. De toetscriteria van de twee voormalige gemeenten was verschillend van elkaar. Daar waar de voormalige gemeente Langedijk werkte met criteria op hoofdlijnen, werkte de voormalige gemeente Heerhugowaard met criteria op hoofdlijnen en uitgewerkte criteria per deelgebied voor bedrijventerreinen, landelijk gebied, winkelgebieden en woonwijken. De criteria op hoofdlijnen in beide voormalige gemeenten verschilden niet van elkaar. De criteria van de deelgebieden in de voormalige gemeente Heerhugowaard is in 2017 tot stand gekomen in samenwerking met belanghebbenden zoals de bedrijfskring Heerhugowaard, de stakeholders van Winkelcentrum Middenwaard, Stationsplein, Centrumwaard en de sportverenigingen. In het kader van de Harmonisering zijn de uitgewerkte criteria voor de deelgebieden van de voormalige gemeente Heerhugowaard overgenomen in de huidige reclamecriteria. Deze zijn wat betreft de bedrijventerreinen op voorhand besproken met en akkoord bevonden door de nieuw opgerichte bedrijfskring Dijk en Waard.
6
Leeswijzer Hieronder is schematisch aangegeven hoe toetsing aan de nota werkt. Na een korte inleiding over de inhoud en werking van het welstandbeleid zijn in de hoofdstukken 2 tot en met 5 de feitelijke toetscriteria uitgewerkt.
7
1.3
BELEID RUIMTELIJKE KWALITEIT
Er zijn vele definities voor het begrip ruimtelijke kwaliteit. Daar willen we niet teveel op ingaan. Door de jaren heen is er door middel van het bestemmingsplan en de welstandsnota een robuuste woonomgeving gebouwd, waar voornamelijk de hoofdgebouwen en grote agrarische schuren een grote invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Verder kenmerkt Dijk en Waard zich door de verscheidenheid van vele soorten gebieden, zoals de historische linten, de bestaande woonwijken en bedrijventerreinen. De gebiedsgerichte aanpak voor de ruimtelijke kwaliteit blijft dan ook van toepassing. De gebieden zijn net als in de vorige nota’s samengevoegd op basis van ruimtelijke kenmerken en mate van samenhang en voorzien van passende toetsingscriteria. De oude toetscriteria blijven de basis voor deze nieuwe nota. Daar waar verschillen in de oude nota’s werden geconstateerd, zijn de meest relevante criteria overgenomen. De indeling van de deelgebieden is uitgewerkt op de overzichtskaart op bladzijde 21. Het ene gebied is gevoeliger voor ingrepen dan het andere. Het historisch lint en het buitengebied heeft meer bescherming nodig dan gebieden die niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied. Dit bepaalt ook de keuze waar wel en niet voldaan hoeft te worden aan de toets ruimtelijke kwaliteit en waar de toetscriteria soepeler en minder soepel zijn.
Bij geheel nieuwe wijken of ontwikkelingen grijpt de gemeente haar kans om met behulp van het beeldkwaliteitsplan een robuuste basiskwaliteit neer te leggen. In de nota wordt onderscheid gemaakt tussen vier verschillende gebieden: 1. deelgebieden die vrij zijn van de toets ruimtelijke kwaliteit: o 2C Woonwagenterreinen (gedeeltelijk); o 4C Overtoom; o 6 Kassenconcentratiegebied: Alton I en II; o 7 sportcomplex de Vork. 2. deelgebieden die vallen onder de toets ruimtelijke kwaliteit: o Alle overige deelgebieden. 3. deelgebieden die vallen onder de toets ruimtelijke kwaliteit, maar waarvan het achtererfgebied vrij is van toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: o 2A Bestaande woonwijken; o 4A Zandhorst, de Frans en Harlingerstraat. 4. ontwikkelgebieden die door de Commissie ruimtelijke kwaliteit of een supervisieteam getoetst worden aan een beeldkwaliteitsplan. Na gereedkomen van een ontwikkelgebied vervalt de toetsing aan het beeldkwaliteitsplan en wordt teruggevallen op bestaande deelgebieden van de nota, net zoals dat voor de bestaande woonwijken geldt. Daar waar de toets van ruimtelijke kwaliteit wordt losgelaten ligt de verantwoordelijkheid van het uiterlijk van een bouwwerk nu voor het grootste gedeelte bij de bewoners en gebruikers. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de gemeente nog gebruik maken van de excessenregeling.
Let op: De excessenregeling geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Dijk en Waard.
8
De kern van de nota ruimtelijke kwaliteit wordt verder gevormd door de toetscriteria. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten criteria voor: 1. gebieden; 2. objecten zoals stolpen, agrarische bedrijfsgebouwen en reclames; 3. sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen.
1.4
TOEZICHT OP RUIMTELIJKE KWALITEIT
Iedereen die iets nieuws wil bouwen of iets aan een bestaand gebouw wil veranderen, kan vooraf nagaan of hiervoor een omgevingsvergunning nodig is. Wanneer voor een bouwplan een vergunning nodig is, zal de gemeente de aanvraag toetsen aan de nota ruimtelijke kwaliteit. De gemeenteraad is de instantie die de nota ruimtelijke kwaliteit vaststelt. De nota bevat criteria en kaders waaraan het uiterlijk van een bouwplan moet voldoen. Het college van B&W voert het beleid uit en heeft hiervoor de ambtelijke organisatie en de onafhankelijke extern adviseur omgevingskwaliteit aangesteld. Toetsing van ontwikkelingen en (ver)bouwplannen geschiedt op basis van de criteria uit de nota. Ook het reclamebeleid is een onderdeel van de nota ruimtelijke kwaliteit. Het college van B&W volgt in de regel het advies van de ambtelijk adviseur omgevingskwaliteit en/of de onafhankelijke extern adviseur ruimtelijke kwaliteit, maar heeft de mogelijkheid om hier gemotiveerd van af te wijken. De onafhankelijke extern adviseur omgevingskwaliteit werkt in volle openbaarheid aan de hand van de vastgestelde criteria die voor iedereen beschikbaar zijn. Initiatiefnemers en/of architecten en ontwerpers worden gestimuleerd om een afspraak maken om bij de behandeling van hun bouwplan in de vergadering aanwezig te zijn of een toelichting te geven. Belangstellenden kunnen als toehoorder de vergadering bijwonen.
De vergadering is openbaar. Wij vinden het belangrijk en stimuleren de initiatiefnemers om een plan dat zich in de ontwikkelfase bevindt voor te leggen aan de adviseurs en te laten beoordelen op aspecten van ruimtelijke kwaliteit. In het vooroverleg kan door de ambtenaar of extern adviseur op hoofdlijnen worden aangegeven of een te zijner tijd in te dienen definitief plan aan de nota kan gaan voldoen. Wanneer een negatief advies over een aanvraag wordt gegeven, kan een zogenaamd collegiaal overleg worden aangevraagd. Tijdens dit informele overleg wordt het advies toegelicht en bestaat de mogelijkheid om een gewijzigd voorstel te bespreken. Het collegiale overleg helpt een aanvrager bij het wijzigen van een (bouw)plan en versoepelt een verdere afhandeling.
9
1.5
KAN-BEPALING
Met ingang van 1 maart 2013 is een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden waarmee de ‘kan-bepaling’ is geïntroduceerd. Dit houdt in dat het verplichte advies van de welstandscommissie of stadsbouwmeester, is vervangen door de keuzemogelijkheid van een onafhankelijk advies, of een ambtelijke toets. Op grond hiervan hebben beide voormalige gemeenten er voor gekozen om de toetsing op de meeste onderdelen ambtelijk te laten uitvoeren. Dit betekent vereenvoudiging van toetsing, snellere planafhandeling en minder regeldruk. Deze werkwijze wordt ook nu bij de nieuwe nota gecontinueerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt advies gevraagd aan een onafhankelijke extern adviseur ruimtelijke kwaliteit. Dit gebeurt bij ingrijpende plannen en bij beroep- en bezwaarprocedures. De mogelijkheid bestaat om meerdere soorten externe adviseurs in te schakelen, zoals een stedenbouwkundige, landschapsarchitect en /of architect. Deze onafhankelijke adviseurs kunnen ook in eerdere fasen in het proces ingeschakeld worden bij bijvoorbeeld beoordeling van concept beeldkwaliteitsplannen. In deze gevallen wordt advies gevraagd aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard.
1.6
AANSLUITING MET LANDELIJKE WETGEVING TOETS RUIMTELIJKE KWALITEIT - VERGUNNINGSVRIJ BOUWEN
De regels voor de toets ruimtelijke kwaliteit moeten vooral makkelijk en eenvoudig toetsbaar zijn en zoveel mogelijk verwarring voorkomen. Dit is de reden dat we aansluiting hebben gezocht bij de systematiek en definities van de landelijke regeling ‘Vergunningsvrij bouwen’. Bouwmogelijkheden Op het moment dat je wilt gaan bouwen op een perceel moeten eerst twee zaken worden uitgezocht: 1. past het bouwwerk in het bestemmingsplan? 2. is het bouwwerk vergunningsvrij? Om dit te kunnen bepalen moet men zich eerst verdiepen in het bestemmingsplan en de landelijke regeling vergunningsvrij bouwen. Het bepalen of een bouwwerk vergunningsvrij is werkt als volgt: a. bepaal het oppervlak van het oorspronkelijke hoofdgebouw (archief); b. bepaal het oppervlak van het huidige hoofdgebouw; c. bereken het oppervlak van het achtererfgebied; d. bereken het bebouwingsgebied; e. bereken het maximaal oppervlakte aan vergunningsvrije bouwwerken. Dit is een ingewikkelde zaak en moet altijd op voorhand uitgezocht worden voor dat men aan de nota ruimtelijke kwaliteit toekomt. Met bovenstaande gegevens kan men bepalen of het bouwplan vergunningsvrij is. Zie ook de website www.omgevingsloket.nl. Met deze gegevens is het daarna makkelijk te controleren of het bouwplan volgens de nota ruimtelijke kwaliteit welstandsvrij is, omdat deze ook van hetzelfde gebied uitgaat.
10
Uitzondering op de regel In de uitzonderlijke situatie waar het achtererf van een perceel gericht is naar het openbaar gebied en er links en/of rechts woningen of bedrijven staan met de voorkant gericht naar dit openbaar gebied, dan valt dit gebied onder de toets ruimtelijke kwaliteit. Voor deze uitzondering op de regel is bewust gekozen, voor een gelijke beoordeling als het om nagenoeg eenzelfde locatie gaat. Het betreft gebieden langs de openbare weg waar we als gemeente de ruimtelijke kwaliteit belangrijk genoeg vinden om deze uitzondering te maken. Het geldt alleen voor deelgebied 2A Bestaande woonwijken en 4A Zandhorst, De Frans, Harlingerstraat, de Mossel en Zuiderdel. Het principe is verbeeld op de tekening op bladzijde 29 en 44.
1.7
OPENBAAR TOEGANKELIJK GEBIED
De nota gaat in veel gevallen uit van de zichtbaarheid vanuit het openbaar toegankelijk gebied. Om misverstanden te voorkomen is hierbij aansluiting gezocht bij de definitie zoals deze vanaf 01 november 2014 wordt gehanteerd bij de landelijke regeling vergunningsvrij bouwen: Openbaar toegankelijk gebied: Een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. Zie hieronder de toelichting.
Wat wordt bedoeld met ‘openbaar toegankelijk gebied’? De 'voor-achterkant' benadering uit bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) gaat er kort gezegd vanuit dat aan de 'publieke' voorzijde van gebouwen minder vergunningvrij gebouwd mag worden dan aan de 'private' achterzijde. Daartoe wordt in het Bor gewerkt met het begrip: 'naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd'. Onder openbaar toegankelijk gebied vallen wegen, vaarwater en openbaar groen. Voor de duidelijkheid zullen wij per deel van het openbaar toegankelijk gebied toelichten wat er wel en niet onder valt. Groen Onder het deel groen van het openbaar toegankelijk gebied moet worden verstaan datgene wat daaronder ook in het normale spraakgebruik wordt verstaan: parken, plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek algemeen toegankelijk zijn. Een element uit het begrip is dat sprake moet zijn van toegankelijk openbaar groen. Het gaat er dus om dat het park of plantsoen 'betreden' kan worden. Snippergroen-restgroen (bijvoorbeeld begroeiing aan de kopzijde van een hoekwoning) is veelal niet toegankelijk en niet bedoeld om te 'betreden'. Dergelijke begroeiing kan dus niet worden aangemerkt als 'openbaar groen'. Ook weiland, bos of water kan niet aangemerkt worden als 'openbaar groen' omdat het niet (voortdurend openbaar) toegankelijk is.
Ook al is snippergroen geen openbaar groen, dit betekent niet altijd dat daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde 'niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd'. Van belang hierbij is dat de aanwezigheid van snippergroen de relatie met het openbaar toegankelijk gebied niet 'verbreekt'.
11
De definitie van de wegenverkeerswet die van toepassing is op de definitie van openbare weg beschrijft dat de weg bestaat uit de weg inclusief bermen, etc. Een strook snippergroen langs een weg behoort dan ook tot de openbare weg. Een bouwwerk op een perceel waarnaast eerst een strook snippergroen ligt en daarnaast de weg is dus naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd.
Wegen Uit de definitie van “wegen” uit de Wegenverkeersweg 1994 ("alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten") valt af te leiden dat sprake moet zijn van voor openbaar verkeer openstaande wegen of paden. Een stoep of parkeerplaats direct naast de weg gelegen behoort ook tot de weg. Brandgangen, achterpaden en zijpaden worden in de definitie van openbaar toegankelijk gebied specifiek uitgezonderd: ‘met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaamverkeer’. Dus paden voor voetgangers en fietser die alleen de percelen ontsluiten en dus niet ook voor doorgaand voet- of fietsverkeer worden gebruikt zijn geen openbaar toegankelijk gebied. Op het moment dat er over een brandgang of achterpad ook gemotoriseerde voertuigen mogen rijden is er wel sprake van openbaar toegankelijk gebied. Indien u twijfelt of het pad langs uw erf gezien dient te worden als openbaar toegankelijk gebied, dan adviseren wij u contact op te nemen met de gemeente. Opmerking: Overigens valt het spoor niet onder ‘openbaar toegankelijk gebied’. Vaarwater Het begrip vaarwater geeft aan dat een doorsnee sloot geen openbaar toegankelijk gebied is.
Alleen water, zoals een rivier, gracht, beek, kanaal of weteringen, dat geschikt is om te worden gebruikt door scheepvaart en pleziervaart is openbaar toegankelijk gebied. Achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; Bebouwingsgebied: achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw.
12
2 ALGEMEEN 2.1
CRITERIA BIJ EXCESSEN
EXCESSEN De excessenregeling geeft het kader tussen onder andere burgers (voornamelijk buren) onderling over wat echt een uitspatting, een buitensporigheid is. Als men er gezamenlijk niet uitkomt dan kan een beroep gedaan worden op de gemeente om te bemiddelen en in het uiterste geval in te grijpen in excessieve situaties. De excessenregeling moet gezien worden als een stuk gereedschap indien het echt uit de hand loopt. Een dergelijk systeem past goed bij een gemeente die grote verantwoordelijkheid wil toekennen aan burgers en ondernemers, maar niet wil uitsluiten dat in bepaalde uitzonderlijke gevallen correctief wordt opgetreden. Artikel 12 van de Woningwet biedt het College van B&W de mogelijkheid om repressief tegen excessen op te treden. Met de excessenregeling kunnen buitensporigheden worden aangepakt die de kwaliteit van de omgeving echt aantasten. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan, maar om een minimale ondergrens te waarborgen. Voordat de gemeente overgaat tot een aanschrijving zal de onafhankelijke adviseur omgevingskwaliteit verzocht worden het bouwwerk te beoordelen. Het advies wordt schriftelijk gemotiveerd en wordt gebaseerd op de criteria genoemd in de excessenregeling.
Daar waar de toets van ruimtelijke kwaliteit wordt losgelaten legt de verantwoordelijkheid van het uiterlijk van een bouwwerk voor het grootste gedeelte bij de bewoners en gebruikers. Een bouwwerk dat niet zichtbaar is vanaf de openbare ruimte wordt overigens niet gezien als een exces. Let op: de excessenregeling is van toepassing op het hele grondgebied van de gemeente Dijk en Waard.
13
CRITERIA BIJ EXCESSEN De gemeente hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een echte buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Daarbij geldt, dat er eerder sprake is van een exces naarmate een bouwwerk meer zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Er is in ieder geval sprake van een exces bij: •
Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, zoals het afdichten van gevelopeningen.
•
Het beplakken/dichtplakken van ruiten met folie, reclames met plakletters, etsglas etc. bij winkels en bedrijven, die zich juist naar de openbare ruimte dienen te presenteren met een optimale transparantie.
•
Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk, waaronder ook aantasting van de kenmerkende hoofdvorm van karakteristieke bebouwing.
•
Armoedig materiaalgebruik bij gevelbetimmeringen en dakbedekkingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaalgebruik zijn bijvoorbeeld industriële beplating en betonplaten met steenmotief tussen beton staanders in woonwijken.
•
Armoedig materiaalgebruik bij erfafscheidingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaalgebruik zijn bijvoorbeeld rietmatten, beddenspiralen, oude deuren, golfplaten, zeildoek etc.
•
(Technische) installaties, antennes met tuidraden en airco’s die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
•
Toepassing van felle of contrasterende kleuren op gevels en daken die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
•
Opdringerige reclames die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
•
LCD/LED schermen, bewegende beelden en lichtkranten.
•
Reclame voor derden (geld niet voor de sportterreinen).
•
Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria).
Indien één van deze aspecten aan de orde is, kan met gebruikmaking van de overige informatie uit de nota ruimtelijke kwaliteit een motivering worden opgezet die bij de aanschrijving wordt toegepast. Ook is de excessenregeling van toepassing indien er sprake is van het nalaten van bepaald handelen waardoor er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand ontstaat. Het gaat daarbij om de volgende situaties: • Bij gedeeltelijke afbraak, instorting of verwaarlozing (achterstallig onderhoud) van een bouwwerk. •
Indien een bouwwerk aan de buitenzijde geheel of gedeeltelijk in ernstige mate is beschadigd.
•
Indien de detaillering van gevels in ernstige mate wordt verstoord door (onderdelen van) installaties of andere toevoegingen.
Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn in elk geval geen exces.
14
2.2
HARDHEIDSCLAUSULE
In uitzonderlijke gevallen kan het College van B&W afwijken van de nota ruimtelijke kwaliteit. Bijvoorbeeld als het bouwwerk of reclame een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving, maar niet voldoet aan de beleidsregels. In de nota ruimtelijke kwaliteit zijn daarvoor ‘Algemene criteria’ opgenomen. Deze ‘Algemene criteria’ zijn voor onverwachte, experimentele of bijzondere objecten. Stelregel is dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap, naarmate het bouwwerk of reclame zich nadrukkelijker van haar omgeving onderscheidt. Alleen voldoen aan de nota ruimtelijke kwaliteit is dus niet genoeg. Om af te kunnen wijken van de nota moet het plan voorzien zijn van: • Een positief advies (schriftelijk gemotiveerd) van de ambtelijk- of onafhankelijke extern adviseur omgevingskwaliteit. Bij reclames dient het plan ook voorzien te zijn van: • Een positief advies (schriftelijk gemotiveerd) van de gemeentelijke verkeersdeskundige.
15
2.3
ALGEMENE CRITERIA
Toelichting De algemene criteria die in deze paragraaf worden genoemd richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes 1. De algemene criteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria. In praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties – wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria ontoereikend zijn – kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte criteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving, maar door bijzondere schoonheid wél voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene criteria. De adviseur omgevingskwaliteit kan burgemeester en wethouders in een dergelijk geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria.
In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. In het volgende worden de algemene criteria stuk voor stuk beschreven. En dat zijn: •
Relatie tussen vorm, gebruik en constructie
•
Relatie tussen bouwwerk en omgeving
•
Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context
•
Evenwicht tussen helderheid en complexiteit
•
Schaal en maatverhoudingen
•
Materiaal, textuur, kleur en licht
1
De algemene criteria zijn opgesteld in samenwerking met prof. ir Tj. Dijkstra en gebaseerd op de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’ die hij schreef als Rijksbouwmeester in 1985 en die in 2001 werd uitgegeven door 010 Uitgevers.
16
RELATIE TUSSEN VORM, GEBRUIK EN CONSTRUCTIE Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.
RE LAT I E TU S S EN B O U W WE RK EN O MG E VI NG Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de gevels van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.
17
BE T EK E NI S S EN VA N VO RM E N IN SO C IA AL - CUL TU R EL E CO NT E X T Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht.
De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuwof verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.
18
E V EN W IC HT TU S S E N H EL D ER H EI D E N CO M PL E XIT E IT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.
SC HA AL EN M AA T V E RHO UD ING E N Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie.
Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
19
MA TE RI AA L, T E XT UU R, KL E UR EN LI CH T Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tastbare kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.
20
21
3. TOELICHTING 3.1 Algemeen Een belangrijke pijler van de nota ruimtelijke kwaliteit is het gebiedsgerichte beleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuren in de gemeente. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van de gemeente en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving niet te veel uit de toon te vallen, en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. Per welstandsgebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld, waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen: -
Het voor het gebied geldende niveau van ruimtelijke kwaliteit. De welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de relatie van het bouwwerk met de omgeving, situatie, hoofdvorm, materiaal, detail en kleur.
. 3.2. Gebiedsindeling en welstandsambities In de gemeente Dijk en Waard kunnen op basis van overeenkomsten in functionele, stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken 7 welstandsgebieden worden onderscheiden. De afzonderlijke gebieden vormen een samenvoeging van de eerdere deelgebieden. Zo is de ‘historische lintbebouwing’ van Heerhugowaard samengevoegd met de ‘Dorpslinten’, ‘Dwarsverbindingen’ en ‘Eilanden’ van Langedijk. Hoewel deze gebieden in sommige opzichten sterk verschillen in uitstraling kunnen deze toch met dezelfde set toetscriteria worden beoordeeld. Het beleid is hier namelijk vooral gericht op het in stand houden en bij nieuwe ontwikkelingen versterken van het karakter en de eenheid van de reeds aanwezige bebouwing. De mogelijkheid blijft open tot vernieuwen binnen de bestaande context met behoud van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden. 1 2A 2B 2C 2D 3 4A 4B 4C 4D 5 6 7
Lintbebouwing Bestaande woonwijken Bestaande Woonwijk – Oosterdelgebied Woonwagenterreinen Nieuwe woonwijken Centrumzones Bedrijventerreinen Beveland Overtoom De Vaandel en Breekland Buitengebied – landelijk gebied Kassenconcentratiegebied: Alton I & II Sport-, recreatie- en groene terreinen
bijzonder regulier regulier regulier-welstandsvrij bijzonder regulier regulier regulier welstandsvrij bijzonder regulier welstandsvrij regulier-welstandsvrij
Als er naar aanleiding van de gebiedsindeling twijfel bestaat in welk gebied een gebouw thuishoort, zal de commissie ruimtelijke kwaliteit op basis van de beschrijvingen en afbeeldingen aangeven welke criteria van toepassing worden geacht.
22
23
DEELGEBIED 1:
LINTBEBOUWING
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT:
Bijzonder
Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Het betreft hier de historische dorpslinten van Oudkarspel, Noord- en Zuid Scharwoude, Broek op Langedijk, Sint Pancras, Koedijk en Heerhugowaard, de dwarsverbindingen en de eilandenverbindingswegen, watergangen en de kleinere bebouwingslinten en de eilanden in Langedijk. Hoewel deze gebieden in sommige opzichten sterk verschillen in uitstraling kunnen deze toch met dezelfde set toetscriteria worden beoordeeld. Het beleid is hier vooral gericht op het in stand houden en bij nieuwe ontwikkelingen versterken van het karakter en de eenheid van de reeds aanwezige bebouwing. De mogelijkheid blijft open tot vernieuwen binnen de bestaande context met behoud van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Bij een aantal inbreilocaties zijn er beeldkwaliteitsplannen die als aanvullende toetsingscriteria gelden voor nieuwe ontwikkelingen. Indien de bouwlocatie is gerealiseerd, dan vervalt het beeldkwaliteitsplan en gelden de toetscriteria van de nota ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkellocatie ‘Broekerwerf’ valt als dit is gerealiseerd onder deelgebied 1. CRITERIA Situering •
Bij de lintbebouwing gaat het om het behouden en herstellen van het kleinschalige, diverse en ruimtelijke karakter, waarbij zoveel mogelijk doorzichten mogelijk blijven. In de aaneengesloten dorpslinten zijn doorzichten vaak niet meer van toepassing.
•
Er dient te worden aangesloten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt.
•
Samenvoeging van woningen mag slechts met instandhouding van de korrelgrootte van het lint (de verhoudingen tussen de verschillende bouwvolumes in de directe omgeving moeten visueel intact blijven).
•
Bebouwing is in positie en massa afgestemd op de verkavelingsrichting.
•
Er wordt niet gebouwd tegen gebouwen die in vorm en massa afwijken. In uitzonderlijke gevallen wordt samengevoegd via een tussenlid met platte afdekking.
•
De voorgevelrooilijn volgt de loop van de straat met kleine verspringingen.
•
Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op de straat.
Hoofdvorm • Per kavel is er één hoofdmassa met een eenduidige hoofdvorm met een eigen individuele karakteristiek. •
De gebouwen bestaan uit een onderbouw van één tot twee bouwlagen met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden.
24
•
De nokrichting is conform wat in het gebied gebruikelijk is
•
De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel.
•
In geval van een dwarskap is bij vervangende nieuwbouw de oorspronkelijke richting van de kap maatgevend.
•
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt in vorm en situering aan de hoofdmassa en in een afgeleide architectuur. Dit geldt ook voor erkers en dakkapellen aan de voorzijde.
•
Nokhoogte van bijgebouwen zijn minimaal 1 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen. Uitzondering hierop zijn de agrarische bedrijven en woonboerderijen, hier geldt dat bijgebouwen in positie en uitwerking ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw.
•
Gebouwen hebben tenminste één naar de straat gekeerde representatieve zijde;
•
Winkelpuien en straatgerichte gevels van bedrijven en maatschappelijke functies hebben een open karakter, zijn transparant en representatief.
•
Bij hoeksituaties gericht naar het openbaar gebied is er ontwerpaandacht voor de naar het openbaar gebied gerichte gevels. Gevels zijn niet compleet gesloten, maar voorzien van raampartijen.
•
Terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. In ieder geval niet toepassen aan de zijde van het openbaar gebied.
Materiaal, Detail en kleur • Elk hoofdgebouw kent een eigen identiteit en detaillering; •
Vormgeving, kleur en materiaalgebruik worden afgestemd op het karakter van het pand of de omgeving, zoals baksteen en pannendak.
•
Renovaties, aan- of verbouwing worden in stijl aangepast aan het oude gebouw.
•
Kleurgebruik is overwegend traditioneel, geen felle contrasterende kleuren; Hedendaagse interpretatie op historische kenmerken is wel mogelijk. Eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd;
• •
•
Er wordt aandacht geschonken aan de zorgvuldige vormgeving van de entrees, erkers, dakkapellen, kroonlijsten en dergelijke.
•
Gevels in aardkleurige baksteen (rood tot roodbruin), incidenteel gele baksteen;
•
Stucwerk van vrijstaande gemetselde woningen is in uitzonderlijke situaties mogelijk.
•
Incidenteel houten topgevels en/of pleisterwerk is mogelijk;
• •
Daken met gebakken zwarte, antraciet of rode dakpannen en/of riet; In het algemeen zijn niet toegestaan: wit/grijze betonsteen/ kalkzandsteen, beton-, kunststof- of aluminiumbeplating, geglazuurde dakpannen en geprofileerde dakplaten;
•
Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn toegestaan als de uitstraling en detaillering vergelijkbaar is met de uitstraling en detaillering van hout.
•
In de historische linten traditionele en eenvoudige gevelindeling waarbij de gevelopeningen overwegend een verticale gerichtheid hebben;
25
• •
•
Bij winkelpuien onder de niet draaiende delen altijd een plint, uitgevoerd in hardsteen of een rollaag; In de historische linten: duidelijke dakranden en fijne en ambachtelijke detailleringen (zoals te zien aan gootlijsten op klossen, zwaar kozijnhout e.d.); Bijgebouwen, voor zover in het zicht gelegen, zijn qua materiaal en kleur verwant aan het hoofdgebouw.
OVERIGE CRITERIA •
Voor specifieke bouwwerken, zoals oorspronkelijk agrarische stolpboerderijen, agrarische bedrijfsgebouwen, koolboeten en koolhuizen, bruggen en reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in hoofdstuk 4. objectgerichte criteria;
•
Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de in hoofdstuk 5 vermelde sneltoetscriteria.
26
27
DEELGEBIED 2A
BESTAANDE WOONWIJKEN
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Regulier De bestaande woonwijken vallen gedeeltelijk onder de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen en het toezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. Vrij van toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Kleine bouwwerken bij het hoofdgebouw op het achtererf die passen binnen de regels van het bestemmingsplan zijn vrij van de toets ruimtelijke kwaliteit. de excessenregeling is wel van toepassing op het hele gebied.
Zie ook het plaatje ‘toets ruimtelijke kwaliteit in bestaande woonwijken’ op de volgende bladzijde. Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit: Een compleet nieuwe woning en het vergroten van de bestaande woning binnen het bouwvlak (bestemmingsplan) van het hoofdgebouw moet altijd voldoen aan de criteria voor ruimtelijke kwaliteit. Voor de binnenstedelijke herstructureringslocaties zijn aparte criteria opgesteld. Herstructureringslocaties zijn zo beeldbepalend en ingrijpend in de huidige structuur, dat een extra kwaliteitsinspanning gewenst is. Zodra de herstructurering afgerond is, valt deze locatie weer onder de criteria van de bestaande woonwijken.
28
29
CRITERIA Situering • Er wordt aangesloten bij massa, opbouw en hoofdvorm binnen een samenhangend cluster, op het niveau van het blok, de straat of de buurt/wijk. Hoofdvorm •
Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken.
•
De eenheid van de totale compositie van de rij wordt bewaakt, maar daarbinnen is variatie van individuele woning mogelijk.
•
De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. De gebouwen bestaan uit een onderbouw met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden.
•
Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa. De nokhoogte van bijgebouwen is minimaal 1,0 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen.
•
Bij rijtjeswoningen worden de ritmische delen van de voorgevels in het blok in stand gehouden (de individuele woning is herkenbaar).
•
Winkels in een groter blok worden in de compositie opgenomen als plint.
•
Op begane grond niveau worden geen gesloten gevels gericht op de openbare ruimte.
•
Bij maatschappelijke en publieksgerichte functies is er aandacht voor gebouwentrees in relatie tot de omgeving.
•
vormgeving van gevels en dak worden afgestemd op de karakteristiek van het pand of de belendende panden
Materiaal, Detail en kleur • De materialisatie en kleurgebruik wordt per blok of deelgebied afgestemd (hoofdkleur gevels handhaven). Het toevoegen van kleuraccenten door variatie in de kleur van kozijnen en/of panelen en dergelijke is mogelijk. •
Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn toegestaan als de uitstraling en detaillering vergelijkbaar is met de uitstraling en detaillering van hout.
•
De bebouwing heeft aan de kant van de openbare ruimte representatieve gevels.
•
Winkelpuien en straatgerichte gevels van bedrijven en maatschappelijke functies hebben een open karakter, zijn transparant en representatief.
OVERIGE CRITERIA •
Voor veelvoorkomende kleine bouwwerken gelden (daar waar de toets ruimtelijke kwaliteit wel van toepassing is) tevens de sneltoetscriteria.
•
Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria.
30
AANVULLENDE CRITERIA BINNENSTEDELIJKE HERSTRUCTURERINGSLOCATIES Herstructureringslocaties zijn zo beeldbepalend en ingrijpend in de huidige structuur, dat een extra kwaliteitsinspanning gewenst is. Naast de criteria van het deelgebied gelden voor de herstructureringslocaties de volgende criteria: Situering • Schaalvergroting is alleen mogelijk indien de korrelgrootte in stand wordt gehouden (de verhoudingen tussen de verschillende bouwvolumes in de directe omgeving moeten visueel intact blijven). Bij vervangende nieuwbouw en de invulling van leegtes en bij de wandvorming door grotere volumes, wordt aandacht geschonken aan de geleding van de gevels en vormgeving van de ‘koppen’. •
Eigen terreininrichting maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave.
Hoofdvorm •
Gebouwen met een bijzondere functie kunnen in massa, opbouw en vorm afwijken.
•
Voorgevel en publieksgerichte functies zijn gericht op de straat.
•
Aan de verschijningsvorm van meerzijdig georiënteerde gebouwen worden hoge architectonische eisen gesteld.
•
Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één of meer lagen met een hellend dak of een terugliggende verdieping.
•
Bij grote gevelvlakken wordt de gevel van het gebouw opgedeeld in kleinere verticale zichtbare geledingen.
•
Geen gesloten gevels op straatniveau.
•
Accentuering in bouwhoogte van hoeken is mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie.
•
De schaal van de bebouwing wordt aangesloten bij de gewenste wandvorming. Speciale aandacht is er in geval van aansluiting op de historische lintbebouwing, bijvoorbeeld door middel van lagere bebouwing.
Materiaal, Detail en kleur • Afwisseling van gebouwen met hedendaagse of historische detaillering en materiaalgebruik is mogelijk. •
Er is bijzondere aandacht voor de vormgeving van de ingangen.
•
Kleuraccenten zijn mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden en indien passend in de compositie.
•
Waar achtererfafscheidingen grenzen aan openbaar gebied, wordt deze mee ontworpen.
•
Voor reclames zijn er aanvullende criteria opgenomen in de objectcriteria.
Zodra de herstructurering afgerond is, valt deze locatie weer onder de criteria van de bestaande woonwijken.
31
32
DEELGEBIED 2B:
OOSTERDELGEBIED
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Regulier
Gebiedsbeschrijving Het woongebied Oosterdelgebied onderscheidt zich qua bebouwingsdichtheid, plaatsing van gebouwen op de kavels, de bouwmassa’s en de architectuur van alle andere woongebieden. Het gebied is onderdeel van het restant van het rijk der 1000 eilanden. De eilandenstructuur is in dit gebied grotendeels in tact gebleven en bebouwd met vrijstaande woningen in diverse vormen en stijlen. Er sprake van woningbouw uitgaande van het principe van het wonen aan het water, met één woning per (schier)eiland. De grotere eilanden zijn bebouwd met meerdere woningen die soms in onderlinge samenhang zijn gebouwd. De bebouwing is individueel door de ruimtelijke karakteristiek van het gebied en door de architectuur van de woningen. De woningen zijn in de basis veelal eenvoudig en traditioneel van opbouw met overwegend één bouwlaag met zadelkap. Regelmatig is er sprake van verwijzing naar traditionele en agrarische bebouwing door toepassing van bijvoorbeeld wolfseinden of puntdaken zoals bij stolpboerderijen. Vaak zijn de dakvlakken voorzien van dakkapellen of ramen. De woningen hebben veelal mee-ontworpen op- en aanbouwen, waaronder erkers, carports en ook boothuizen. De mate aan detaillering is meestal eenvoudig, maar er zijn uitschieters naar boven met een rijke zorgvuldig ontworpen uitvoering.
Het materiaalgebruik is vaak traditioneel met eigentijdse accenten en enkele versieringen. Naast baksteen komen ook houten rabatdelen en plaatmateriaal als gevelmateriaal voor. Opvallend is dat er vaak sprake is van een (houten) betimmering in de topgevel. Daken zijn voorzien van rode of donkere pannen en een enkele keer van riet. Het kleurgebruik is veelal traditioneel, licht en terughoudend. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het handhaven van de bestaande situatie. Nieuwe ontwikkelingen bestaan veelal uit (sloop en) nieuwbouw van woningen. Er is sprake van een opmerkelijk gebied vanwege de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur. Voor de ruimtelijke indeling van het gebied is uitgegaan van de wegen en waterlopen en het landschapsplan. Hierdoor heeft het gebied een bijzondere eigen uitstraling en identiteit. Het beleid is gericht op het behoud van deze eigen identiteit, de relatie met een water- en groenrijke omgeving en een afwisselend beeld zonder te grote dissonanten tussen de individuele woningen.
33
Situering •
aansluiten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt;
•
overwegend vrijstaand en sterke relatie met groene en waterrijke omgeving door relatie woning met water.
Hoofdvorm • aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; •
één bouwlaag met een kap;
•
woningen hebben een individuele uitstraling;
•
De gekozen kapvorm moet passen bij de al aanwezige kapvormen op het perceel. De gebouwen bestaan uit een onderbouw met een hellend dak dat niet is afgeplat. Minimale dakhelling 30 graden, maximale dakhelling 65 graden.
•
Aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en in een afgeleide architectuur. De nokhoogte van bijgebouwen is minimaal 1,0 meter lager dan het hoofdgebouw. Indien de goothoogte van de woning op de eerste verdiepingsvloer ligt, moet het boeideel van het bijgebouw op gelijke hoogte of lager liggen.
•
erkers, aanbouwen en dakkapellen zijn mee ontworpen dan wel ondergeschikt en herkenbaar als zelfstandig deel;
•
terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur.
Materiaal, Detail en kleur • samenhang van individuele woning behouden; •
eigentijdse uitwerking van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken van de individuele woning uitgevoerd;
•
gevelopbouw en detaillering is fijn, maar sober;
•
samenhang van individuele woning behouden;
•
eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk;
•
kleur- en materiaalgebruik is individueel, geen felle contrasterende kleuren.
34
35
DEELGEBIED 2C
WOONWAGENTERREINEN
In Heerhugowaard zijn aan de Diamant, Kopermolen, van Veenweg en Tijm woonwagenterreinen gelegen. In Oudkarspel is een woonwagenterrein aan de Zaagmolenweg 2, 4, 6. Deze terreinen kenmerken zich door de toename van permanente bouwwerken dicht op elkaar, op een terrein dat vroeger een semi-permanent karakter had. In het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden om op deze plekken een woning te bouwen.
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Zaagmolen 2, 4, 6 Oudkarspel: Dit terrein kenmerkt zich door de openheid richting het openbaar gebied. Het is duidelijk zichtbaar vanaf de openbare weg en duidelijk zichtbaar vanaf de bestaande woonwijk. Om die reden valt dit woonwagenterrein onder de toetscriteria van Deelgebied 2A Bestaande woonwijken van bladzijde 27 t/m 30.
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT: Géén toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Diamant, Kopermolen, Van Veenweg en Tijm te Heerhugowaard: De terreinen zijn voornamelijk naar binnen gericht. Om deze reden is toetsing aan ruimtelijke kwaliteit niet noodzakelijk. Er worden geen eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de woonwagens en woningen gesteld zolang gebouwd wordt binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan. De excessenregeling is wel van toepassing voor dit gebied.
36
37
DEELGEBIED 2D:
NIEUWE WOONWIJKEN
NIVEAU VAN RUIMTELIJKE KWALITEIT Wel toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Voor nieuwe woonwijken zoals de Draai, Broekhorn, Noordereiland, Tuinen van Luna, Westpoort, de Scheg, Westerdel, Koolvlinder, Nieuwe Veiling en Broekerveiling is de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit van toepassing. Om toetsing mogelijk te maken zijn door de raad beeldkwaliteitsplannen vastgesteld.
CRITERIA In de beeldkwaliteitsplannen zijn de criteria opgenomen die tijdens de ontwikkelingsfase fungeren als kader voor de toets van de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit. Als een deelgebied of de wijk is afgebouwd, wordt daarna getoetst aan deelgebied ‘2A Bestaande woonwijken’.