bijlag 2 - Woonzorganalyse gemeente Dijk en Waard - Eindrapport
Tekst van het document
Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Gemeente Dijk en Waard 30 januari 2023 Eindrapport
DATUM
30 januari 2023
TITEL
Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
OPDRACHTGEVER
Gemeente Dijk en Waard
AUTEUR(S)
Valentine Reijers Roosje van Leer
PROJECTNUMMER
398.104/G
STATUS
Eindrapport
Tivolilaan 205 6824 BV Arnhem Postbus 1174 6801 BD Arnhem www.companen.nl info@companen.nl 026 351 25 32 KvK-nummer: 09035291 BTW-nummer: NL001826517B01
Inhoud 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Onderzoeksvragen Verantwoording Afbakening Leeswijzer
5 5 6 6 6
2 2.1 2.2
Managementsamenvatting De huisvestingsopgave Aandachtspunten voor de visie wonen, zorg en welzijn
8 8 13
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
Ouderen Doelgroep en context Woonwensen en woonvormen Zorgvraag in beeld Vraaganalyse Aanbodinventarisatie ouderen De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Financiële aspecten Aandachtspunten voor de visie
18 18 19 21 23 29 31 32 33
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Mensen met een lichamelijke beperking Doelgroep en context Woonwensen en woonvormen Vraaganalyse Aanbodanalyse geschikte voorraad Huisvestingsopgave geschikt wonen Aandachtspunten voor de visie
36 36 36 37 39 40 42
5
Mensen met een verstandelijke beperking
46
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Doelgroep en context Woonwensen en woonvormen Woonvraag van mensen met een verstandelijke beperking Aanbodanalyse VG De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod Aandachtspunten voor de visie
46 46 47 48 49 50
6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Mensen met psychische problematiek Doelgroep en context Woonwensen en woonvormen Vraaganalyse Aanbodanalyse BW Huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Aandachtspunten voor de visie
52 52 52 54 55 56 56
7 7.1 7.2 7.3
Maatschappelijke Opvang Doelgroep en context Aanbod Maatschappelijke Opvang Aandachtspunten voor de visie
57 57 57 58
8 8.1 8.2 8.3
Kwetsbare jongeren Doelgroep en context Vraaganalyse Aandachtspunten voor de visie
60 60 60 61
9 9.1 9.2 9.3
Uitstroom uit BW, MO en Jeugdzorg Context: Regionale afspraken uitstroom Analyse behoefte uitstroomplekken Gerealiseerde uitstroom via Transferpunt Wonen
63 63 65 68
9.4 9.5 9.6
Uitstroommogelijkheden op de reguliere woningmarkt Financiële aspecten Aandachtspunten voor de visie
69 72 73
Bijlage 1: Aanbodoverzicht
75
Bijlage 2: Geschiktheid woningvoorraad per wijk
80
Bijlage 3: De Doorzonscan
81
Bijlage 4: Afkortingen en begrippen
82
Bijlage 5: Organisatie en bekostiging van langdurige zorg
84
Bijlage 6: Zorggebruik
86
Bijlage 7: Kaarten woonzorgaanbod en wijkvoorzieningen
87
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
4
1 Inleiding We staan aan de vooravond van een flinke vergrijzing: Nederland kent steeds meer ouderen, en ook steeds meer ‘oudere ouderen’. Steeds meer ouderen blijven tot op hoge leeftijd zelfstandig wonen. Ook andere groepen met een zorg- of ondersteuningsvraag, zoals mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking en mensen met psychische problemen, blijven langer zelfstandig wonen of gaan sneller weer thuis wonen na een verblijf in een instelling. Dat zorgt voor grote veranderingen in de wereld van wonen, zorg en welzijn. Als gevolg van de beweging naar ‘langer en weer thuis wonen’, neemt het aantal zorgbehoevenden op de reguliere woningmarkt toe. Dit leidt tot veranderingen in de vraag naar woonruimte - bijvoorbeeld ten aanzien van de mogelijkheid om zorg te ontvangen, de vraag naar betaalbare woonruimte, levensloopbestendigheid en samenleven met leeftijds- of woonstijl-genoten. Succesvolle extramuralisering is mogelijk, maar alleen als wonen, woonomgeving en de sociale- en zorginfrastructuur zodanig op elkaar worden afgestemd dat men kan terugvallen op een steunnetwerk. De vraag is in hoeverre het huidige woonzorgvastgoed en de huidige woningen voldoen aan de gewenste kwaliteiten, en of de woonomgeving en het aanbod van zorg en ondersteuning aansluiten bij de vraag.
De gemeente Dijk en Waard heeft Companen gevraagd onderzoek te doen naar de huisvestingsopgave wonen met zorg voor de verschillende doelgroepen. De resultaten van dit onderzoek dienen als onderlegger voor de woonzorgvisie die de gemeente Dijk en Waard samen met partners wil opstellen. Naast de resultaten van de woonzorganalyse vormen ook de uitgangspunten uit het visiedocument ‘Vitaal Oud in Noord-Kennemerland’ belangrijke input voor de gemeentelijke woonzorgvisie.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
1.1 Onderzoeksvragen Dit onderzoek heeft als hoofddoel om inzicht te krijgen in de huidige en toekomstige vraag naar en het aanbod aan passende woningen en woonvormen voor mensen met een (toekomstige) zorgvraag/-hulpvraag in de gemeente Dijk en Waard. De uitkomsten vormen de input voor de woonzorgvisie van de gemeente Dijk en Waard. De hoofdvraag is: Wat is de verwachte ontwikkeling van de vraag naar verschillende vormen van wonen met zorg in de gemeente, rekening houdend met de demografische ontwikkeling in de gemeente Dijk en Waard en (maatschappelijke) trends en ontwikkelingen? De onderzoeksvragen zijn: • Wat is de ontwikkeling van de doelgroepen als gevolg van demografische ontwikkelingen (op basis van gemeentelijke bevolkingsprognoses), maatschappelijke trends en beleidsontwikkelingen tot 2040? • Hoe ziet het huidige aanbod aan wonen met zorg voor de verschillende doelgroepen in de gemeente eruit? • Wat is, op basis van een vergelijking tussen (toekomstige) vraag en het huidige aanbod, de huisvestingsopgave voor de verschillende doelgroepen? We hanteren als zichttermijn voor de vraagontwikkeling en huisvestingsopgave de peilmomenten 2022 - 2025 - 2030 - 2040, waarbij de doorkijk naar 2040 is bedoeld om de stip op de horizon voor de langere termijn te verkennen.
5
1.2 Verantwoording Bij het inschatten van de toekomstige behoefte hebben wij gebruik gemaakt van de Woonzorgweter van Companen. Met dit model maken wij prognoses van de toekomstige vraag naar woonvormen voor mensen met een zorgvraag op basis van gegevens over het huidig zorggebruik en demografische ontwikkelingen. Om de invloed van (lokale) trends en ontwikkelingen ook mee te kunnen nemen in de prognoses hebben wij werksessies gehouden met vertegenwoordigers van de gemeente, zorgkantoor, zorgaanbieders, corporaties en welzijnspartijen. In deze bijeenkomsten zijn trends en ontwikkelingen besproken die volgens deze partijen van invloed zullen zijn op de vraag naar woonvormen. Het gaat dan om de gevolgen van nieuw beleid, maar bijvoorbeeld ook om technologische ontwikkelingen en de ontwikkeling van nieuwe woonconcepten. De opbrengst van deze bijeenkomsten is gebruikt om aannames te bepalen die zijn meegenomen in de modelmatige berekeningen. Op deze manier zijn prognoses opgesteld die zoveel mogelijk aansluiten bij de praktijk in de gemeente Dijk en Waard.
1.3 Afbakening De focus ligt in dit onderzoek op de woonvraag die samenhangt met de behoefte aan zorg en ondersteuning. Om die reden hanteren we in dit rapport niet het in de zorgwereld gebruikelijke onderscheid tussen intramurale en extramurale zorg. In de praktijk zien we namelijk veel voorbeelden waarbij vastgoed voor zowel intramurale als extramurale zorg wordt ingezet. In dit rapport sluiten wij aan bij de verschijningsvorm van het vastgoed. Daarom maken we onderscheid tussen geclusterde woonvormen en regulier wonen. Mensen met een zware zorgvraag wonen meestal in een geclusterde woonvorm, waar zij zware/intensieve zorg/begeleiding ontvangen. Het is soms ook mogelijk om in een reguliere woning intensieve zorg te ontvangen. Andersom komt het bij ouderen voor dat mensen zonder zware zorgvraag er toch
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
voor kiezen om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen. Bij een aantal doelgroepen hanteren we ook de term ‘gespikkeld wonen’. Dit zijn reguliere, nietgeclusterde woningen die in de nabijheid liggen van een woonvorm waarvandaan ondersteuning en begeleiding geboden wordt. De definities en begrippen staan in de bijlage.
Doelgroepen In het onderzoek worden de volgende doelgroepen onderscheiden: • Ouderen (65+) • Mensen met een verstandelijke beperking (VG) • Mensen met een lichamelijke beperking (LG) • Mensen in Beschermd wonen (GGZ) • Mensen in de Maatschappelijke opvang (MO) • Kwetsbare jongeren/jongvolwassenen die uitstromen uit de Jeugdzorg
1.4 Leeswijzer Dit rapport begint met een samenvatting van de belangrijkste bevindingen. In de daarop volgende hoofdstukken (3 tot en met 8) behandelen we steeds de woonopgave van één doelgroep, om af te sluiten met de groep uitstromers op de woningmarkt: • Hoofdstuk 3. Ouderen • Hoofdstuk 4. Mensen met een lichamelijke beperking • • • • •
Hoofdstuk 5. Mensen met een verstandelijke beperking Hoofdstuk 6. Mensen met een psychische problematiek Hoofdstuk 7. Maatschappelijke opvang Hoofdstuk 8. Jongeren met problematiek Hoofdstuk 9. Uitstroom uit BW, MO en Jeugdzorg
6
In de bijlage is een overzicht van het aanbod aan woonzorgplekken voor de verschillende doelgroepen opgenomen (bijlage 1), figuren over geschiktheid en uitleg over de geschiktheidsanalyse (bijlage 2 en 3), een overzicht van afkortingen en definities in dit onderzoek (bijlage 4), uitleg en overzicht over de organisatie en bekostiging van de langdurige zorg (bijlage 5), inzicht in het huidig zorggebruik per doelgroep (bijlage 6) en kaarten met voorzieningen en aanbod per wijk (bijlage 7). Naast de uitgewerkte kaarten die in bijlage 7 te vinden zijn, is er ook een interactieve kaart ontwikkeld waarop relevante wijkvoorzieningen en woonzorglocaties te zien zijn, evenals het aandeel 65-plussers/75-plussers op wijkniveau. Deze kaart is te vinden via de volgende link: www.companen.nl/arcgis/woonzorgdijkenwaard
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
7
2 Managementsamenvatting Dit onderzoeksrapport geeft weer hoe de (toekomstige) vraag naar wonen met zorg of ondersteuning zich verhoudt tot het huidige aanbod voor verschillende zorgdoelgroepen in de gemeente Dijk en Waard. In dit hoofdstuk vatten we de huisvestingsopgave samen en geven we een aantal aandachtspunten voor visie en beleid. In de afzonderlijke hoofdstukken gaan we hier dieper op in.
2.1 De huisvestingsopgave In dit onderzoek geven we een beeld van de verwachte ontwikkeling van de vraag naar verschillende vormen van wonen met zorg. Voor de meeste doelgroepen zijn hierbij verschillende prognosevarianten uitgewerkt: een ‘basisprognose’ die een demografische doorrekening geeft van de huidige vraag en een ‘trendprognose’ waarin rekening is gehouden met maatschappelijke trends die zorgen voor verschuivingen in de vraag. Eén van die ontwikkelingen is de toename van intensieve zorg voor ouderen buiten het traditionele verpleeghuis (via het Volledig Pakket Thuis). Binnen de zorg aan mensen met een psychische kwetsbaarheid is de decentralisatie van de middelen voor Beschermd Wonen een belangrijke ontwikkeling, naast de ontwikkeling dat steeds meer mensen ondersteuning krijgen in de thuissituatie in plaats van in een instelling.
1
In dit onderzoek maken we voor de doelgroep ouderen een onderscheid tussen ‘regulier wonen’, ‘geclusterd wonen voor ouderen’ en ‘woonzorgcentra’. De definities hiervan zijn te vinden in bijlage 4. We kijken naar de woonbehoefte van de totale groep 65-plussers. Hoe hoger de leeftijd, hoe vaker
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Ouderen en mensen met een lichamelijke beperking
• De groep ouderen in de gemeente Dijk en Waard zal in de komende jaren sterk gaan groeien: in 2022 zijn er circa 10.770 65-plushuishoudens, in 2040 zal dit aantal zijn opgelopen tot ruim 16.390 huishoudens (+52%). • Lang niet alle 65-plussers hebben een zorgvraag, en lang niet alle ouderen hebben behoefte aan een specifieke ouderenwoning. Om een inschatting te kunnen maken van het deel van de senioren dat behoefte heeft aan een bijzondere woonvorm zoals geclusterd wonen voor ouderen, is met het ‘vitaliteitstredenmodel’ een prognose gemaakt van het toekomstige zorggebruik van ouderen. De prognose van de behoefte aan verschillende woonvormen is hiervan afgeleid. • De vergrijzing leidt de komende jaren tot een groeiende vraag naar woonvormen voor ouderen waar zij samen wonen in een beschutte omgeving (‘geclusterd wonen’) en naar plekken in een woonzorgcentrum/verpleeghuis1. • Hoe sterk deze groei is, hangt af van welke trends en ontwikkelingen worden meegewogen. In de basisprognose (demografische doorrekening van de huidige situatie) stijgt de totale vraag naar vormen van geclusterd wonen voor ouderen en plekken in een woonzorgcentrum tussen 2022 en 2040 met 1.590 plekken/woningen (+210 woonzorgcentrum SOM, +470 woonzorgcentrum PG, +910 geclusterd wonen voor ouderen).
In de trendprognose gaan we ervan uit dat meer mensen uit voorzorg verhuizen naar geclusterd wonen, en dat intensieve zorg vaker buiten het verpleeghuis of woonzorgcentrum wordt gegeven. In die variant stijgt de totale vraag naar vormen van geclusterd wonen tussen 2022 en 2040 met 2.480 plekken/woningen (+70 woonzorgcentrum SOM, +170 woonzorgcentrum PG, +2.240 geclusterd wonen voor ouderen).
mensen behoefte hebben aan een vorm van geclusterd wonen of een plek in een woonzorgcentrum. Hier is in de analyses rekening mee gehouden.
8
• Het aanbod aan plekken in woonzorgcentra voor mensen met dementie (PG) is op dit moment niet voldoende om in de vraag te voorzien. We zien een klein tekort van 30 plekken. Uitgaande van het huidige aanbod loopt het tekort in de basisprognose op tot 500 plekken in 2040; in de trendprognose loopt het tekort op tot 200 plekken in 2040. • Het aanbod aan plekken in woonzorgcentra voor mensen met somatische problematiek (SOM) is op dit moment ongeveer in balans met de vraag (klein tekort van 10 plekken). In de basisprognose loopt het tekort – bij gelijkblijvend aanbod - op tot 220 plekken in 2040 en in de trendprognose loopt het tekort op tot 80 plekken in 2040. • In de categorie geclusterd wonen zien we op dit moment een tekort aan 480 woningen. In 2040 ligt het tekort – als er geen woningen worden toegevoegd aan de voorraad – tussen de 1.390 (basisprognose) en 2.720 woningen (trendprognose). • Aanbieders hebben nieuwbouwplannen voor circa 210 wooneenheden waar zorg wordt geboden aan ouderen (intramuraal of met een Volledig Pakket Thuis). De opleverdatum is bij een deel van deze plannen nog niet bekend. • In de sociale huurvoorraad is het aanbod aan geclusterd wonen voor ouderen op dit moment ruim vergeleken bij de vraag. Wanneer we uitgaan van de basisprognose en het huidige aanbod, dan zien we dat er vanaf 2035 een tekort ontstaat.
• De corporaties hebben plannen om het aanbod aan geclusterd wonen voor ouderen uit te breiden. Op het moment van schrijven van dit rapport waren de exacte aantallen hiervan nog niet bekend. • In de vrije sector huur is het aanbod aan geclusterde woningen voor ouderen op dit moment niet voldoende om in de vraag te voorzien. We zien een tekort aan
80 particuliere huurwoningen. Uitgaande van de basisprognose loopt dit tekort op tot 200 woningen in 2040. Uitgaande van de trendprognose loopt dit tekort op tot 390 woningen in 2040. • In de koopsector zien we op het moment een tekort aan 650 geclusterde woningen voor ouderen. Wanneer we uitgaan van de basisprognose loopt dit tekort op tot 1.150 woningen in 2040 en wanneer we uitgaan van de trendprognose loopt het tekort op tot 1.830 woningen in 2040. Reguliere woningen in de sociale voorraad zijn vaker ‘geschikt’ voor mensen met een mobiliteitsbeperking dan woningen in de particuliere huur- en koopsector. • Van de totale woningvoorraad van circa 36.700 woningen is 20% ‘geschikt’, 46% relatief eenvoudig geschikt te maken en 34% ‘ongeschikt’ voor mensen met een mobiliteitsbeperking.2 • Corporatiewoningen zijn volgens de doorzonscan het vaakst ‘geschikt’ (52% van de sociale huurvoorraad, 4.860 woningen). Een relatief klein deel van de corporatiewoningen bestaat uit woningen die geschikt te maken zijn (14%, 1.330 woningen).3 • Koopwoningen zijn volgens de doorzonscan juist relatief vaak ‘geschikt te maken’ (57%, 14.860 woningen). Een relatief klein deel van de koopvoorraad is al geschikt (8%, 2.130 woningen).
2
3
Definities van een ‘geschikte’ en ‘potentieel geschikte woning’ zijn te vinden in bijlage 4.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Mensen met een verstandelijke beperking • In Dijk en Waard wonen circa 900 volwassenen met een verstandelijke beperking. Het grootste deel van hen heeft een Wlz-indicatie (660) en woont in een geclusterde woonvorm van een zorgaanbieder. Een groep van circa 240
Volgens de eigen opgave van Woonwaard en Woonstichting Langedijk verhuren zij in de gemeente ongeveer 1.550 ‘rollatorgeschikte’ woningen; dat is ongeveer een kwart van het totaal aantal woningen dat beide corporaties verhuren in de gemeente.
9
mensen ontvangt begeleiding vanuit de Wmo; deze mensen wonen over het algemeen zelfstandig. • Een vergelijking van het huidige aanbod met de huidige vraag naar woonplekken voor mensen met een verstandelijke beperking in de gemeente laat een tekort zien van 15 geclusterde plekken. Dit tekort loopt bij gelijkblijvend aanbod op tot 125 plekken in 2040. • Er is op dit moment geen aanbod aan ‘gespikkeld wonen’ voor deze doelgroep in de gemeente (zelfstandig wonen in de nabijheid van een woonvorm van waaruit ondersteuning wordt geboden); volgens de vraaganalyse zou de vraag hiernaar ongeveer 80 wooneenheden zijn. De vraag naar dergelijke woonvormen wordt op dit moment waarschijnlijk (deels) ingevuld doordat mensen bij hun ouders blijven wonen, of in een reguliere woning wonen met ambulante begeleiding.
Mensen met psychische problematiek • Mensen met een psychische kwetsbaarheid wonen steeds vaker zelfstandig in de wijk. Een deel woont in woonvormen binnen Beschermd Wonen. Op 1 januari 2022 hadden 105 mensen in Dijk en Waard een indicatie voor Beschermd Wonen: 45 vanuit de Wlz en 60 vanuit de Wmo. • Een vergelijking van het huidige aanbod met de huidige vraag naar beschermde woonplekken voor mensen met psychische problematiek laat een tekort zien van circa 20 plekken. • Vanuit de regio wordt voor het deel van Beschermd Wonen dat wordt betaald vanuit de Wmo ingezet op meer ondersteuning in de thuissituatie (met Beschermd Thuis) in plaats van in beschermde woonvormen. Op termijn kan dit ervoor zorgen dat er minder beschermde woonplekken nodig zijn.
Kwetsbare jongeren
• Jeugdzorg met verblijf kent verschillende varianten: een deel van de jongeren verblijft in een pleeggezin, een ander deel in een gezinshuis of in een
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
‘residentiële setting’ zoals een behandelgroep. Begeleiding vanuit de jeugdwet stopt in principe na het 18e jaar, waarna jongeren ofwel uitstromen naar zelfstandig wonen ofwel doorstromen naar een instelling voor Wlz-zorg of Beschermd Wonen. • Op jaarbasis zijn er in Dijk en Waard ongeveer 35 jongeren die vanuit een vorm van jeugdzorg met verblijf kunnen uitstromen. Een deel van hen stroomt door naar een plek in een zorginstelling voor (jong)volwassenen (Wlz, (L)VG, GGZ-W, BW), een deel naar een tussenvorm zoals een trainingshuis of geclusterd wonen met begeleiding, en een deel kan zelfstandig gaan wonen.
Maatschappelijke opvang
• Mensen die (tijdelijk) geen vorm van onderdak hebben, kunnen terecht bij de Maatschappelijke Opvang. De Maatschappelijke Opvang kent een grote verscheidenheid aan vormen, en ook een grote diversiteit aan cliënten, variërend van mensen die te maken hebben met huiselijk geweld, psychische problemen, schulden of verslaving tot mensen die als gevolg van een scheiding, al dan niet in combinatie met werkloosheid, op straat komen te staan. • Het aanbod aan opvangplekken in de gemeente Dijk en Waard is beperkt; het bestaat uit 21 plekken voor volwassenen en 5 woningen voor zwerfjongeren. De regionale nachtopvang is gevestigd in Alkmaar. • In het jaar 2021 meldden 19 mensen vanuit de gemeente Dijk en Waard zich voor een MO-traject. Dit zijn alle mensen met een huisvestingsvraag, vaak in combinatie met een andere hulpvraag. De jaarlijkse uitstroom vanuit opvangvoorzieningen ramen we op circa 20.
Uitstroom richting de reguliere woningmarkt
• Een verblijf in Beschermd Wonen, opvang en jeugdzorg is in principe tijdelijk; elk jaar stromen er dan ook mensen uit deze voorzieningen uit richting de woningmarkt. In regionaal verband zijn er afspraken gemaakt over het beschik-
10
•
•
• • •
baar stellen van woningen aan deze ‘uitstromers’ in het Woonzorg Pact Wonen met ondersteuning. Hoe groot de jaarlijkse vraag naar uitstroomwoningen zal zijn, is moeilijk te voorspellen. Dit is immers afhankelijk van veel factoren waaronder het effect van de inzet op preventie (wie niet instroomt in een voorziening, hoeft ook niet uit te stromen) en ambulantisering, en de ontwikkeling van de gemiddelde verblijfsduur van mensen die in een instelling verblijven. Voor de verwachte uitstroom uit jeugdzorgvoorzieningen is een uitvraag gedaan onder zorgaanbieders; voor Beschermd Wonen en Maatschappelijke opvang is een inschatting gemaakt op basis van de omvang van de huidige cliëntpopulatie en een aantal aannames. We verwachten dat in de komende jaren ieder jaar circa 26 tot 36 mensen zullen uitstromen vanuit jeugdzorg, Beschermd Wonen en de Maatschappelijke Opvang richting de reguliere woningmarkt in Dijk en Waard. Deze groep heeft over het algemeen behoefte aan een betaalbare sociale huurwoning. In de afgelopen jaren kwamen per jaar circa 590 betaalbare sociale huurwoningen vrij voor een nieuwe huurder (met een huurprijs tot de eerste aftoppingsgrens). Bij een gelijk blijvend aantal vrij komende huurwoningen betekent dat, dat 4 tot 6% van de vrijkomende betaalbare sociale huurwoningen nodig is om de groep uitstromers te huisvesten.
Vanuit de groep vergunninghouders zien we een vraag naar 32 tot 60 woningen per jaar. Ook deze groep heeft behoefte aan een betaalbare sociale huurwoning. In totaal gaat het dus om 58 tot 96 zelfstandige woningen per jaar, plus 10 tot 13 eenheden in ‘tussenvormen’ (geclusterd wonen met begeleiding). Bij een gelijk blijvend aantal mutaties betekent dat, dat 10% tot 16% van de vrijkomende betaalbare sociale huurwoningen nodig is om de groep uitstromers én vergunninghouders die behoefte hebben aan een zelfstandige woning te huisvesten.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Tabel 2.1: Totale vraag naar woonruimte per jaar naar woonvorm (in wooneenheden) Zelfstandig/ Geclusterd Totaal gespikkeld wonen met Uitstroom vanuit: wonen begeleiding Jeugdzorg met verblijf 8 6 14 Beschermd Wonen 10 - 20 4-7 14 - 27 Maatschappelijke opvang 8 8 Subtotaal 26 - 36 10 - 13 36 - 49 Vergunninghouders Totaal
32 - 60 58 - 96
10 – 13
32 - 60 68 - 109
Figuur 2.1 en 2.2: Vraag-aanbod balans woonvormen voor ouderen (2022-2040)
Figuur 2.3: Vraag-aanbod balans woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking (2022-2040)
11
Tabel 2.2 Vraag en aanbod woonvormen voor ouderen Woonzorgcentrum SOM Woonzorgcentrum PG Aanbod Vraag Vraag Aanbod Vraag Vraag 2022 basisscenario trendscenario 2022 basisscenario trendscenario 2022 170 180 180 380 410 410 2025 200 190 470 440 2030 270 230 620 520 2035 330 250 760 570 2040 390 250 880 580
Geclusterd wonen ouderen Aanbod Vraag Vraag 2022 basisscenario trendscenario 1.210 1.690 1.690 1.870 2.020 2.170 2.650 2.410 3.290 2.600 3.930
Regulier wonen ouderen Aanbod Vraag Vraag 2022*) basisscenario trendscenario Ca. 21.500 8.490 8.490 9.380 9.260 10.680 10.340 11.790 11.190 12.510 11.620
*) Vrijwel de gehele woningvoorraad in de gemeente behoort tot de categorie ‘regulier wonen’; het hier genoemde aantal betreft het aantal geschikte + potentieel geschikte woningen, met aftrek van het aantal woningen in ‘geclusterd wonen voor ouderen’. Tabel 2.3 Vraag en aanbod woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking Geclusterd wonen VG (Wlz)
2022
Gespikkeld wonen VG (Wlz)
Aanbod 2022
Vraag
Aanbod 2022
Vraag
565
580
0
80
2025
610
80
2030
670
80
2035
670
90
2040
690
90
Tabel 2.4 Vraag en aanbod woonvormen voor doelgroep BW Geclusterd/gespikkeld wonen BW (Wlz / Wmo)
2022 2025
Aanbod 2022 80
Beschermd Thuis
Vraag basisscenario 100 100
Vraag trendscenario 100 95
105 100 100
90 85 85
2030 2035 2040
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Aanbod 2022
Vraag basisscenario 5 5
Vraag trendscenario 5 10
5 5 5
15 20 20
12
2.2 Aandachtspunten voor de visie wonen, zorg en welzijn Op dit moment werkt 1 op de 7 mensen in Nederland in de zorg. Als de inrichting van de zorg zo blijft als nu dan moet dat in 2040 - vanwege de vergrijzing - zijn toegenomen tot 1 op de 4. Dat is niet realistisch; op dit moment is er al een groot tekort aan personeel in de zorg. In het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen (WOZO) roept minister Helder daarom op tot een andere blik op de zorg: ‘zelf als het kan, thuis als het kan en digitaal als het kan’. Daarmee bouwt ze voort op een ontwikkeling die al langer gaande is, waarbij ouderen steeds langer zelfstandig blijven wonen en alleen als de zorgvraag dat echt noodzakelijk maakt, naar een woonzorgcentrum of verpleeghuis gaan. ‘Omzien naar elkaar’ wordt steeds belangrijker aangezien niet elke hulpvraag kan meer door professionele zorgverleners worden ingevuld. De komende jaren zal het aantal mensen met een zorgvraag dat woont in een reguliere woning in de wijk toenemen. Dat stelt eisen aan de woonomgeving in termen van toegankelijkheid en de spreiding van voorzieningen. Het is te verwachten dat een toenemend aantal ouderen een beroep zal doen op de gemeente voor een bijdrage voor een woningaanpassing en voor huishoudelijke ondersteuning.
Daarnaast groeit de vraag naar tussenvormen voor ouderen tussen regulier wonen en het verpleeghuis in: geclusterde woonvormen waar mensen zorg kunnen krijgen vanuit de zorgverzekeringswet of een Volledig Pakket Thuis (Wlz). Of ouderen nu wonen in een reguliere woning of in een geclusterde woning; in beide gevallen betekent de groei van de groep thuiswonende ouderen een extra belasting voor de huisartsenzorg en de wijkverpleging.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Niet alleen ouderen, maar ook andere mensen met een zorgvraag wonen steeds vaker ‘gewoon in de wijk’. Bijvoorbeeld mensen met een verstandelijke beperking of een psychische kwetsbaarheid. Om ervoor te zorgen dat zij zich hier goed kunnen redden, moet er een goed aanbod zijn aan ambulante begeleiding; daarnaast is aandacht nodig voor dagbesteding of werk en financiën. Contact met medebewoners is voor deze mensen minstens zo belangrijk als voor andere inwoners, maar het leggen van die contacten gaat niet altijd vanzelf - ook daar is dus vaak hulp bij nodig. In gesprekken met medewerkers van de gemeente Dijk en Waard en verschillende stakeholders is gesproken over deze en andere ontwikkelingen die spelen in de wereld van wonen, zorg en welzijn. Uit deze gesprekken kunnen we een aantal aandachtspunten destilleren voor de visie op wonen, welzijn en zorg die de gemeente samen met haar partners wil opstellen. Hieronder geven we deze aandachtspunten kort weer; in de verschillende hoofdstukken wordt elk van de punten nader toegelicht.
Algemeen Om mensen met een zorgvraag goed en prettig te laten wonen in Dijk en Waard is meer nodig dan alleen voldoende passende woningen. Hieronder volgt een aantal aandachtspunten die voor verschillende groepen mensen met een zorgvraag relevant zijn. • Aandacht voor welzijn en zingeving Het is belangrijk om oog te hebben voor het welzijn, zingevingsvraagstukken en het voorkomen van eenzaamheid onder ouderen en andere zorgvragers. Belangrijk hierbij zijn mogelijkheden voor ontmoeten nabij de woning. • Gemengd wonen met een mix van ‘doelgroepen’ Er liggen mogelijkheden om ‘vragers’ en ‘dragers’ vanuit verschillende doelgroepen gezamenlijk te huisvesten. Wederkerigheid is hierin het fundament. Dergelijke gemengde woonvormen kunnen ook plek bieden aan mensen die net buiten de definities van bepaalde doelgroepen vallen.
13
• Eigen plek als basis voor herstel Om stappen te kunnen zetten richting herstel van een gezonde leefsituatie is het belangrijk voor mensen om een eigen plek te hebben waar zij zoveel mogelijk autonomie en privacy ervaren. Dit geldt zeker voor mensen die uitstromen vanuit Beschermd Wonen of een opvangvoorziening. • Voldoende mogelijkheden voor uitstroom De doorstroming naar zelfstandig wonen vanuit jeugdzorg, Beschermd wonen en opvang is moeilijk door een combinatie van een laag inkomen, hoge huren in de particuliere sector en lange wachttijden voor een sociale huurwoning. Dit zorgt ervoor dat mensen soms langer dan gewenst en noodzakelijk in een dure voorziening blijven wonen.
Ouderen en mensen met een lichamelijke beperking • Doorstroming stimuleren - Ouderen zijn over het algemeen niet erg verhuisgeneigd. Met het oog op het voorkomen van eenzaamheid onder ouderen, het voorkomen van hoge kosten voor woningaanpassing en een efficiënte inrichting van de zorg verdient het aanbeveling om ouderen wel tijdig te laten nadenken over hoe zij willen wonen als ze ouder worden - en ouderen die willen verhuizen naar een geschiktere woning hierbij te ondersteunen. Meer doorstroming op de woningmarkt komt ook andere woningzoekenden ten goede. - Een voorwaarde voor meer doorstroom is dat er voldoende aanbod en variëteit is in geclusterde en levensloopgeschikte (toegankelijke) woningen. • Heldere eisen voor nieuwbouw - Om hoge kosten voor woningaanpassing te voorkomen is het verstandig om bij alle nieuwbouwprojecten eisen te stellen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning en de directe woonomgeving. - Ouderen die verhuizen naar een vorm van geclusterd wonen, doen dat vaak omdat zij hopen daar gemakkelijker contact te kunnen maken met medebewoners. Het is dus belangrijk om in deze complexen te zorgen voor
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
mogelijkheden om andere bewoners te ontmoeten, bijvoorbeeld door een ontmoetingsruimte of een gezamenlijke tuin te realiseren. - De actieradius van ouderen en mensen met een lichamelijke beperking is beperkt; het is daarom verstandig om nieuwbouw voor deze groepen vooral dicht bij voorzieningen te realiseren (winkels, eerstelijnszorg, OV). • Mantelzorg beter mogelijk maken - In de toekomst zal een steeds groter beroep worden gedaan op mantelzorgers. Om hen in staat te stellen deze rol vol te houden, is een goed aanbod aan mantelzorgondersteuning essentieel (advies, respijtzorg, logeerzorg). - Sommige mantelzorgers willen graag dicht bij degene wonen voor wie ze zorgen. Het is daarom te overwegen om de regels voor ‘preventieve mantelzorgwoningen’ te verruimen. Dit zijn units die kunnen worden geplaatst voordat daadwerkelijk sprake is van een zorgvraag. • Efficiënte inrichting van de zorg - Als ouderen met een zorgvraag dichter bij elkaar wonen (bijvoorbeeld in geclusterde woonvormen), dan is zorgpersoneel minder tijd kwijt aan reizen tussen cliënten. Geclusterd wonen helpt ook tegen eenzaamheid bij ouderen en kan het ‘omzien naar elkaar’ bevorderen - waardoor het beroep op professionele zorg wordt verminderd. - Ook technologie kan helpen om het werk van zorgpersoneel te verlichten.
Daarnaast kan technologie ervoor zorgen dat ouderen comfortabeler en veiliger kunnen wonen, en daarmee ook een verhuizing kunnen uitstellen. - Op dit moment zijn veel verschillende zorgaanbieders voor thuiszorg en wijkverpleging actief in dezelfde buurt of hetzelfde complex. Dit is (vanwege de reistijd) niet efficiënt en daarmee voor de toekomst wellicht niet houdbaar. Een betere afstemming tussen zorgorganisaties kan helpen om goede én betaalbare zorg aan cliënten te kunnen blijven bieden. • Meer aanbod aan flexibele zorg - Landelijk zien we een groeiende behoefte aan plekken waar mensen ‘tijdelijke zorg’ ontvangen, bijvoorbeeld als zij na een ziekenhuisopname niet
14
meteen terug naar huis kunnen. Om langer thuis wonen mogelijk te maken, zijn dergelijke voorzieningen essentieel. • Groeiend potentieel aan vrijwilligers - Lang niet alle ouderen hebben een zorgvraag; de groei van de groep gepensioneerden betekent ook een groei van de groep potentiële vrijwilligers - goud in tijden van personeelskrapte in de zorg. Daarbij is wel een aandachtspunt dat deze ‘nieuwe ouderen’ vaak liever incidenteel vrijwilligerswerk doen dan dat zij een langdurige verplichting aangaan. • Wachtlijstbeheer en woningtoewijzing aangepaste woningen - Een groot deel van de levensloopgeschikte woningen in Dijk en Waard wordt op dit moment bewoond door mensen zonder mobiliteitsbeperkingen. Gerichte woningtoewijzing binnen de sociale huursector kan ervoor zorgen dat in de toekomst minder woningen hoeven worden aangepast. - Dit geldt nog sterker voor huurwoningen die zijn aangepast voor mensen die afhankelijk zijn van een rolstoel. Zorgvuldig wachtlijstbeheer en een zorgvuldige procedure voor matching en woningtoewijzing kan voorkomen dat rolstoelwoningen naar een regulier woningzoekende gaan en daardoor langdurig niet meer beschikbaar zijn voor de doelgroep.
Mensen met een verstandelijke beperking
• Woonvormen op de juiste plek - Vanuit het oogpunt van inclusie en het versterken van zelfredzaamheid verdient het de voorkeur om woonvormen voor mensen met een lichte verstandelijke beperking dicht bij voorzieningen zoals winkels en openbaar vervoer te realiseren. - Ook mensen met een verstandelijke beperking worden steeds ouder. Voor deze ouder wordende groep kan een woonplek in het buitengebied, dus meer in de luwte in plaats van in de drukte van de stad, wenselijk zijn.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
-
Cliënten wonen verspreid over de gemeente en worden vervoerd naar plekken voor werk en dagbesteding. Een deel van de cliënten kan wellicht dichter bij huis aan het werk of dichter bij het werk gaan wonen. • Kwaliteitsslag in woonvormen - Woonvormen met eigen voorzieningen hebben de voorkeur; met name eigen sanitair is hierbij belangrijk. - Een ontmoetingsruimte of een gezamenlijke woonkamer in een woonvorm kan ook een functie vervullen voor cliënten die in de nabije omgeving (‘ - ’) wonen en voor andere bewoners uit de wijk; denk aan dagbesteding of een gezamenlijke maaltijd. - Technologische ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het meer zelfstandig laten wonen van de VG-doelgroep. Daarbij blijft het essentieel dat bewoners kunnen terugvallen op zorgverleners als zij dat nodig hebben. • Domeinoverstijgende samenwerking - Om goede zorg te kunnen bieden aan ouder wordende VG-cliënten is samenwerking tussen VG-zorgaanbieders en zorgaanbieders voor ouderenzorg wenselijk. Dit vraagt om een flexibele, domein-overstijgende inzet van financiële middelen. • Meer ruimte voor eigen regie - Landelijk zien we een stijgende behoefte aan kleinschalige woonvormen met meer ruimte voor eigen regie van cliënten en ouders en meer verbinding met de rest van de samenleving.
Mensen met psychische problematiek
• Randvoorwaarden voor ambulantisering - Vanuit de regio wordt ingezet op meer begeleiding in de thuissituatie in plaats van in een intramurale setting. Een belangrijke voorwaarde is dat er voldoende woningen zijn voor mensen die kunnen uitstromen. Daarnaast vereist deze ontwikkeling dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om adequate begeleiding te kunnen bieden.
15
-
Goede ambulante begeleiding en inzet op steunstructuren in de wijk zijn ook belangrijk om instroom in Beschermd Wonen te voorkomen.
• Tussenvormen - De stap van een beschermde woonvorm naar (begeleid) zelfstandig wonen is vaak groot. Zorg voor tussenvormen, bijvoorbeeld in de vorm van geclusterd wonen met ambulante begeleiding. - Een ruimer aanbod aan tussenvormen kan wellicht ook instroom in Beschermd Wonen en opvangvoorzieningen voorkomen.
Maatschappelijke Opvang
• Groei jongeren en economisch daklozen in Maatschappelijke Opvang - Landelijk is er in de afgelopen jaren een groei te zien van het aantal jongeren en economisch daklozen die zich melden bij de Maatschappelijke Opvang. Deze mensen hebben lang niet allemaal een begeleidingsvraag en zijn dus meer geholpen met een (tijdelijke) woning dan met een opvangplek. • Tijdelijke woonvormen - Tijdelijke woonvormen (flexwonen) kunnen een oplossing zijn om aan de acute nood tegemoet te komen. Flexwoningen kunnen zowel worden ingezet voor urgent woningzoekenden (om dakloosheid te voorkomen) als als uitstroomwoning voor mensen die vanuit de opvang komen. • Preventie - Naast mogelijkheden voor uitstroom is er aandacht nodig voor preventie van dak- en thuisloosheid, onder meer door vroegsignalering van schuldenproblematiek en goede ambulante begeleiding van mensen die moeite hebben om helemaal zelfstandig te functioneren in de maatschappij (laatste kans beleid).
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Kwetsbare jongeren
• Voldoende mogelijkheden voor uitstroom - De doorstroming naar zelfstandig wonen is moeilijk door een combinatie van een laag inkomen, hoge huren in de particuliere sector en lange wachttijden voor een sociale huurwoning. De inschrijftijd van jongeren is per definitie kort, aangezien zij zich pas vanaf hun 18e kunnen inschrijven bij een corporatie. - Hierdoor ontstaat er onbedoeld een perverse prikkel voor sommige jongeren om langer dan noodzakelijk in een jeugdzorgvoorziening te blijven (met een verlengde jeugdzorgindicatie) of om elders verblijf te zoeken, zoals in het (dure) Beschermd Wonen. • Tussenvormen - Voor sommige jongeren is de stap naar (begeleid) zelfstandig wonen na hun jeugdzorgtraject nog te groot. Zij hebben behoefte aan een tussenstap, bijvoorbeeld in een woonvorm voor ‘geclusterd wonen met begeleiding’ of in een trainingshuis. Een goed aanbod aan ‘tussenvormen’ kan ook instroom bij instellingszorg (Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang) voorkomen. - Biedt maatwerk; niet voor alle jongeren is een geclusterde woonvorm geschikt.
Uitstroom richting reguliere woningmarkt
• Blijvend voldoende woningen beschikbaar stellen voor uitstroom - De werkafspraken uit het Pact Wonen met ondersteuning, commitment op leefbaarheid, bieden een goede basis om uitstromers vanuit Beschermd Wonen, opvang en jeugdzorgvoorzieningen aan een woning te helpen. Eind 2022 worden de afspraken geactualiseerd. Hierbij zal niet alleen de inschatting van de behoefte vanuit verschillende doelgroepen leidend zijn, maar ook de mogelijkheden van de corporaties om woningen te leveren.
16
-
Om de druk op de woningmarkt te verlichten en mensen uit aandachtsgroepen meer kans te geven op een woning, is het goed om ook de mogelijkheden van nieuwbouw van tijdelijke woningen te verkennen. • Zachte landing in de wijk - Om uitstroom succesvol te laten zijn, is aandacht voor een ‘zachte landing in de wijk’ belangrijk. Voldoende begeleiding na uitstroom, bij voorkeur van een vertrouwde begeleider, is een basisvoorwaarde. Hierbij moet aandacht uitgaan naar de financiën, dagbesteding of werk en de eisen die aan een ‘goede huurder’ kunnen worden gesteld. Dit vergroot de kans op herstel en/of doorgroei naar zelfredzaamheid. • Aandacht voor leefbaarheid - Goede begeleiding voor uitstromers helpt bij het voorkomen van overlast en het behouden van een goede leefbaarheid in de wijk. Daarmee draagt het ook bij aan het draagvlak in buurten en wijken voor het huisvesten van uitstromers. - Vanuit het oogpunt van leefbaarheid is het ook belangrijk om oog te hebben voor het voorkomen van concentraties van kwetsbare inwoners. Bij het zoeken van een geschikte woning voor uitstromers is dit een aandachtspunt. - Een goede ‘infrastructuur’ voor ‘omzien naar elkaar’ helpt om de draagkracht van wijken en buurten te versterken (ontmoetingsruimtes, ondersteuning via community building)
een zorgvraag. Dit gaat uiteraard het gemakkelijkste op grond die in eigendom is van de gemeente. Voor de meeste doelgroepen is de uitbreidingsopgave voor de komende jaren beperkt. Voor de doelgroep ouderen is er wel een grote uitbreidingsopgave: afhankelijk van de prognosevariant groeit de totale vraag naar geclusterd wonen en plekken in woonzorgcentra (inclusief plekken waar de zorg op basis van scheiden wonen-zorg wordt geboden) in de periode 2022 tot 2040 met 1.590 tot 2.480 wooneenheden. Als dit volledig via nieuwbouw zou moeten worden gerealiseerd, dan zou 17% tot 27% van de bouwopgave van Dijk en Waard tot 2040 gereserveerd zou moeten worden voor vormen van geclusterd wonen voor ouderen. Dit lijkt niet realistisch; een deel van de uitbreiding zal dus gerealiseerd moeten worden via aanpassing van de bestaande voorraad.
Ontwikkelpotentie Dijk en Waard Volgens de Monitor Plancapaciteit van de provincie Noord-Holland worden er tussen nu en 2040 circa 9.200 nieuwe woningen gebouwd in de gemeente Dijk en Waard. Voor iets minder dan 25% staat het programma vast, voor nog eens 25% wordt het programma voorbereid. Dat wil zeggen dat er voor nog ongeveer 4.500 woningen plannen gemaakt moeten worden. Dat biedt ruimte om in het woningbouwprogramma ruimte te maken voor passende woonruimte voor groepen met
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
17
3 Ouderen
leeftijdsgroepen binnen die totale groep, op basis van de zorg- en ondersteuningsbehoefte per leeftijdsgroep en de woonbehoefte die daarmee samenhangt.
In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag naar specifieke huisvesting voor ouderen. Lang niet alle ouderen (65-plussers) hebben een zorgvraag, en lang niet alle ouderen hebben behoefte aan een specifiek soort woning vanwege die zorgvraag. Verreweg de meeste ouderen wonen thuis en zijn vitaal. De meesten zijn dan ook niet afhankelijk van langdurige zorg en ondersteuning. Ook van de 85-plussers woont 70% nog thuis, al dan niet met ondersteuning vanuit de wijkverpleging.
Demografie
3.1 Doelgroep en context In dit hoofdstuk gaan wij in op de woonvraag van drie groepen ouderen: • Ouderen die vanwege hun gezondheidssituatie een beroep doen op Wlz-zorg. Dat betekent dat zij ‘levenslang en levensbreed’ ondersteuning nodig hebben, thuis of in een zorginstelling. Het gaat om mensen die permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. De meeste van deze mensen wonen in een verpleeghuis of woonzorgcentrum, een deel in een geclusterde woonvorm zoals een serviceappartement. • Daarnaast gaan wij in op de woonvraag van ouderen met een lichtere zorgvraag: welk deel van hen doet een beroep op een geclusterde woonvorm en welk deel zal in de toekomst wonen in een (aangepaste) reguliere woning? • Ook hebben we aandacht voor de groep ouderen zonder zorgvraag; een deel van hen anticipeert op een mogelijke zorg- of ondersteuningsvraag in de toekomst en wenst daarom ook een specifiek soort woning. De leeftijd waarop mensen zich ‘oud’ voelen verschilt van persoon tot persoon. Wij kiezen er in dit onderzoek voor om de totale groep 65-plussers te betrekken in de analyses. In de gebruikte methodiek wordt wel een onderscheid gemaakt naar
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
In januari 2022 woonden er 87.858 mensen in de gemeente Dijk en Waard. Volgens de bevolkingsprognose van de gemeente zal Dijk en Waard in 2040 uit 98.481 inwoners bestaan (+12%). De gemeente Dijk en Waard heeft in vergelijking met veel andere gemeenten in Nederland een relatief jonge bevolking, maar het aantal ouderen in de gemeente neemt in de komende jaren sterk toe - en daarmee ook het aandeel op de totale bevolking. In onderstaand figuur zien we dat het aandeel 65-plussers op de totale bevolking groeit van 20% nu, naar 25% in 2040. Figuur 3.1: Bevolkingssamenstelling gemeente Dijk en Waard, 2022 - 2040
12% 11%
7% 9% 2%
4%
65-74 jaar 75-84 jaar 85+ jaar
2022 2040
Bevolking < 65 jaar
Bron: Bevolkingsprognose Dijk en Waard.
Wanneer we kijken naar het aandeel 65-plushuishoudens ten opzichte van het totaal aantal huishoudens in de gemeente, zien we dat het aandeel nu 30% is en in 2040 38%. Er is met name een sterke groei te zien in de oudste groep (85-plus).
18
Figuur 3.2: Huishoudenssamenstelling gemeente Dijk en Waard, 2022 - 2040
17% 16% 65-74 jaar
11% 14% 3%
2022 2040
75-84 jaar 85+ jaar Huishoudens < 65 jaar
7%
Bron: Huishoudensprognose Dijk en Waard.
3.2 Woonwensen en woonvormen Wensbeelden ouderen De woonvraag onder ouderen valt uiteen in de groep die een beroep doet op regulier wonen, een groep die woont in (kleinschalig) geclusterd wonen en de groep die woont in geclusterde woonconcepten waar intensieve zorg geboden wordt. Op basis van literatuuronderzoek en gesprekken met ouderen en mantelzorgers die we elders in het land hebben gehouden, geven we hieronder een beschrijving van de belangrijkste woonwensen van (toekomstige) ouderen. Verhuisgeneigdheid • De verhuisgeneigdheid onder ouderen is over het algemeen laag, vooral onder ouderen met een eigen woning. Met woningaanpassingen en de scootmobiel is langer thuis wonen goed mogelijk, mits ouderen hier zelf tijdig op anticiperen. Als veel ouderen hun woning willen aanpassen en hiervoor een beroep doen op de Wmo, dan kan dit tot hoge kosten leiden voor de gemeente.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
• Ouderen die wonen in een woning die niet makkelijk aanpasbaar is hebben vaker een verhuiswens, net als ouderen die ver van voorzieningen wonen. Daarnaast is de eigen gezondheid en de gezondheid van de partner een belangrijke reden om wel of niet te verhuizen. • Een veel genoemde reden om niet te willen verhuizen, is de angst voor hogere woonlasten na een verhuizing. De verkoop van een koopwoning levert veel ouderen weliswaar vermogen op, maar een grote groep hikt er tegenaan om dit vermogen in te zetten om een huur te gaan betalen die (veel) hoger ligt dan de eerdere maandelijkse hypotheeklasten. Woning • De eisen die een persoon aan zijn of haar woning stelt, verschillen van persoon tot persoon. Om voorbereid te zijn op fysieke ongemakken en mobiliteitsproblemen, geven veel ouderen aan dat zij graag willen wonen in een levensloopgeschikte woning die voldoet aan de volgende uitgangspunten: de woning moet gelijkvloers zijn, zonder drempels, met één of twee slaapkamers en een verhoogd toilet. • Voor ouderen zonder zorgvraag of met een lichte zorgvraag zijn hofjes een aantrekkelijke woonvorm vanwege de mogelijkheid van sociaal contact. Met een ‘hofje’ bedoelen we hier overigens niet alleen grondgebonden woningen rondom een binnentuin; het belangrijkste is dat het ontwerp uitnodigt tot onderling contact en betrokkenheid.
Dat kan bijvoorbeeld ook in een appartementencomplex met een gezamenlijk atrium en restaurant. • Een belangrijke woonwens voor veel ouderen is een ontmoetingsplek in de nabijheid, bij voorkeur in het complex. Gezelligheid, activiteiten en samen zijn, zijn belangrijk voor ouderen. De ervaring leert dat activiteiten niet overal vanzelf tot stand komen; enige ondersteuning is hier vaak wel bij nodig.
19
Woonomgeving • Vanwege een afnemende mobiliteit is het voor veel ouderen prettig om dicht bij voorzieningen te wonen. De belangrijkste voorzieningen zijn daarbij de huisarts en ontmoetingsplekken. Een supermarkt of apotheek worden ook vaak genoemd, maar boodschappen en medicijnen kunnen ook met een koerierdienst thuis worden geleverd. • Voor mensen met dementie geldt dat de nabijheid van een woonzorgcentrum en dagopvang gewenst is, zodat zorg en ondersteuning kan worden opgeschaald als dat nodig is. • Ook mensen met dementie blijven graag wonen in de vertrouwde woonomgeving. Om hen in staat te stellen hier te blijven wonen is het goed om te werken aan een ‘dementievriendelijke buurt’. In deze aanpak worden buurtbewoners, winkeliers, et cetera voorgelicht over hoe dementie te herkennen. Zo kunnen zij rekening houden met mensen met dementie en hen bijvoorbeeld als zij verdwaald zijn, terug naar huis begeleiden. Zorg en ondersteuning • De persoonlijke aard van de zorgverlening is belangrijk voor ouderen. Het afstemmen van zorg en ondersteuning op het individu blijft een belangrijk aandachtspunt. • Voor de huidige generatie ouderen zijn technologische oplossingen in zorg en ondersteuning in sommige gevallen te ingewikkeld en te duur. Enkelen geven aan hier moeilijk mee om te kunnen gaan en mensen met dementie kunnen het veelal niet meer aanleren.
Ook zijn sommige mantelzorgers onvoldoende bekend met de werking. De veelvoud aan keuzes creëert onvoldoende zicht op wat goed is en wat werkt. Voorlichting over de inzet van vernieuwende technologieën aan zorgverleners en ouderen zelf is belangrijk. Over het algemeen zullen toekomstige ouderen echter adaptief genoeg zijn om met het gros van de technologische vernieuwingen overweg te kunnen.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Woonvormen voor ouderen Wij maken in dit rapport een onderscheid tussen ‘regulier’ en ‘geclusterd’ wonen. Reguliere woningen zijn ‘gewone’, niet-geclusterde woningen. Het gaat hierbij zowel om gezinswoningen als om appartementen of studio’s. In alle gevallen betreft het woningen waar ook jongere mensen en mensen zonder zorgvraag kunnen wonen. Onder geclusterde woonvormen valt een uiteenlopend palet aan woonvormen: van klassieke seniorencomplexen en aanleunwoningen tot hofjes en woonzorgboerderijen. Het gezamenlijke kenmerk van de woningen is dat ze een zekere mate van beschutting en gemeenschap bieden, en dat ze bestaan uit levensloopgeschikte woningen. In ‘geclusterd wonen voor ouderen’ kunnen ouderen ook zonder zorgindicatie komen wonen. Een beperkt deel van het geclusterde aanbod richt zich op specialistische verpleeghuiszorg. In deze complexen is een zorgindicatie wél een voorwaarde om er te kunnen wonen. Deze woonvormen vatten we samen onder de noemer ‘woonzorgcentrum’. Van de ouderen met een (zware) zorgvraag woont een groot deel in een woonzorgcentrum of in geclusterd wonen voor ouderen. Daarnaast zijn er ook ouderen zonder zorgvraag die er - uit voorzorg, of vanwege een behoefte aan comfort of sociale contacten - voor kiezen om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen.
De onderstaande illustraties geven een indruk van de variëteit aan woonvormen die vallen onder de noemer ‘geclusterd wonen’.
20
Figuur 3.3: Voorbeelden van geclusterd wonen voor ouderen
3.3 Zorgvraag in beeld De groep ouderen in de gemeente Dijk en Waard zal in de komende jaren sterk gaan groeien: in 2022 zijn er circa 10.770 65-plushuishoudens, in 2040 zal dit aantal zijn opgelopen tot ruim 16.390 huishoudens (+52%). De meerderheid van de 65-plussers in Dijk en Waard is vitaal en kan nog prima uit de voeten in een reguliere woning. Veel ouderen zijn niet afhankelijk van langdurige zorg en ondersteuning; een deel van de ouderen ontvangt wel ondersteuning vanuit de wijkverpleging en/of Wmo. Ook ouderen die beperkingen beginnen te krijgen, kunnen nog heel veel wél. Vanuit de positieve gezondheidsbenadering is het van belang om niet te denken vanuit beperkingen, maar vanuit de mogelijkheden en wensen die mensen hebben. Tegelijkertijd weten we dat met het afnemen van de vitaliteit de woonwensen van ouderen veranderen.
Wij maken in dit rapport geen onderscheid tussen ‘intramuraal’ en ‘extra-muraal’. Het komt steeds meer voor dat mensen met een Wlz-indicatie gebruik maken van ‘extramurale woonvormen’ waarbij zij zelf huur betalen voor hun woning en zorg en ondersteuning ontvangen vanuit de Wet langdurige zorg. Er bestaan ook hybride vormen: woon-zorgcomplexen waar een deel van de bewoners zowel de zorg als het verblijf betalen vanuit een Wlz-indicatie en andere bewoners die daar wonen op basis van scheiden wonen en zorg. Het verschil tussen ‘intramuraal’ en ‘extramuraal’ is in die gevallen zuiver administratief. De verwachting van zorgaanbieders is dat er in de toekomst steeds meer van dit soort hybride concepten zullen komen.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
Om een inschatting te kunnen maken van het deel van de senioren dat behoefte heeft aan een bijzondere woonvorm, zoals geclusterd wonen voor ouderen, maken wij gebruik van het vitaliteitstredenmodel van Companen. Dit model bevat vier treden. In de eerste trede zitten de meest vitale ouderen, die niet of nauwelijks gebruik maken van zorg; in de vierde trede vallen ouderen met een zware zorgvraag. In het model worden ouderen (65+) ingedeeld op basis van de ‘zwaarste’ zorgvorm die zij het afgelopen jaar ontvingen. Als voorbeeld: ouderen die zowel huishoudelijke hulp vanuit de Wmo krijgen als wijkverpleging vanuit de Zvw, tellen we mee in vitaliteitstrede 3.
21
Toelichting Vitaliteitstredenmodel • De meest vitale ouderen zitten in vitaliteitstrede 1. Zij hebben geen zorgindicatie, maar maken hooguit gebruik van eerstelijns huisartsenzorg of zorg van de specialist (vanwege een acute zorgvraag, chronische ziekte of specialistische geestelijke gezondheidszorg). • Als ouderen gebruik maken van Wmo-ondersteuning, dan vallen ze in vitaliteitstrede 2. Het gaat hier ook om relatief vitale ouderen. De ondersteuning die zij krijgen bestaat uit hulpmiddelen, voorzieningen, huishoudelijke hulp of andere ondersteuning waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. • In vitaliteitstrede 3 vallen ouderen die wijkverpleging ontvangen vanuit de Zvw. Een deel van deze mensen ontvangt ook ondersteuning vanuit de Wmo. • In vitaliteitstrede 4 vallen ouderen die een Wlz-indicatie hebben. Ouderen met een Wlz-indicatie kunnen terecht in een verpleeghuis, maar zij kiezen er tegenwoordig vaker voor om zelfstandig te blijven wonen met intensieve zorg (vanuit een Volledig Pakket Thuis). Op die manier kunnen zij zo lang mogelijk zelf regie houden over hun woon(zorg)situatie.
Figuur 3.4: Vitaliteitstredenmodel
De indeling in treden geeft inzicht in de zorgvraag en vitaliteit van ouderen, en is daarmee een goede voorspeller van de woonvraag. De ervaring leert dat ouderen naarmate ze minder vitaal worden, vaker kiezen om te verhuizen naar een geclusterd woonconcept voor ouderen. Een deel van de ouderen in vitaliteitstrede 1 of 2 kiest er ook voor om te verhuizen naar geclusterd wonen: niet vanwege hun actuele zorgvraag, maar vaak uit voorzorg of vanwege een behoefte aan sociaal contact of comfort. Ouderen in vitaliteitstrede 3 maken vaker de keuze om te verhuizen, al woont ook van deze groep nog een aanzienlijk deel in een reguliere woning. In vitaliteitstrede 4 woont een aanzienlijk deel van de ouderen in een geclusterd woonconcept waar intensieve zorg geboden wordt (zoals een verpleeghuis); ook voor deze groep geldt echter dat een deel nog in een reguliere woning woont. Het volgende figuur laat zien wat de huidige verdeling is van ouderen in de gemeente Dijk en Waard naar de verschillende vitaliteitstreden. In paragraaf 3.3 gaan wij in op de huidige woonsituatie van ouderen in Dijk en Waard.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
22
Figuur 3.5 laat zien hoeveel mensen in de komende jaren zullen vallen in de verschillende vitaliteitstreden, uitgaande van het huidige zorggebruik per leeftijdscategorie en de demografische prognose. De groei is met name fors in vitaliteitstrede 4.
Tabel 3.1: Prognose aantal mensen met dementie in Dijk en Waard (2021 - 2040) 2021 2025 2030 2040 2050 Heerhugowaard 760 1.000 1.400 1.900 2.300 Langedijk 440 550 720 970 1.100 Totaal 1.200 1.550 2.120 2.870 3.400 Bron: Alzheimer Nederland.
Figuur 3.5: Prognose vitaliteit ouderen in Dijk en Waard, naar vitaliteitstrede (in personen)
3.4 Vraaganalyse 1.370
1.120 850
760
2.460 730
2.150 600
3.300 1.160
2.960 960
1.560 3.560 1.360
16.330
18.840
14.730
17.740
13.680
2022
2025
2030
2035
2040
Vitaliteitstrede 1
Vitaliteitstrede 2
Vitaliteitstrede 3
Een zwaardere zorgvraag gaat vaak samen met fysieke, psychosociale en/of mobiliteitsbeperkingen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat mensen met een hogere zorgvraag buitenshuis minder grote afstanden afleggen, binnenshuis niet alle algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) kunnen ondernemen of dat zij minder sociale contacten hebben. Als gevolg zien we dat deze ouderen vaker behoefte hebben aan een geclusterde woonvorm, die meer uitnodigt tot ontmoeting, meer beschutting biedt en waar voorzieningen aanwezig of dichtbij zijn. Ouderen met de zwaarste zorgvraag (vitaliteitstrede 4) wonen in een verpleeghuis of krijgen Wlz-zorg in een reguliere woning of geclusterde woonvorm via een Volledig Pakket Thuis. In de gemeente Dijk en Waard valt op dit moment 4% van de hele groep 65-plussers in deze vitaliteitstrede 4.
Vitaliteitstrede 4
Bron: Woonzorgweter Companen, bevolkingsprognose gemeente Dijk en Waard, CBS Microdata, 2022.
Dementie In Nederland hebben 290.000 mensen dementie; 100.000 van hen hebben nog geen diagnose. Het grootste deel van de mensen met dementie woont zelfstandig; circa 80.000 mensen met dementie wonen in een verpleeg- of verzorgingshuis.
Ouderen in de andere zorgtreden wonen in meerderheid in een reguliere woning. Hoe hoger de zorgtrede, hoe groter de kans dat een oudere ervoor kiest om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen. Het volgende figuur geeft weer in welke woonvormen ouderen in de verschillende vitaliteitstreden op dit moment wonen. De percentages zijn gebaseerd op CBS-Microdata.
Het aantal mensen met dementie neemt sterk toe. Uit een prognose van Alzheimer Nederland blijkt dat er, in de periode tot 2040, sprake is van meer dan een verdubbeling. In de periode tot 2050 zien we zelfs bijna een verdriedubbeling.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie
23
Figuur 3.6: Verdeling woonvraag per vitaliteitstrede (situatie 2022) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
10%
20%
33% 76%
90%
80%
Bron: Bevolkingsprognose Dijk en Waard 2022, indicatiegegevens CIZ.
67% 12%
Trendvariant
12%
Met de basisprognose als vertrekpunt zijn we in gesprek gegaan met stakeholders. In deze bijeenkomst hebben we trends en ontwikkelingen besproken die van invloed kunnen zijn op de toekomstige vraag naar wonen met zorg voor ouderen. Op basis van de bespreking hebben we een trendvariant van de behoefteprognose uitgewerkt waarin we rekening hebben gehouden met de volgende punten die uit het gesprek naar voren kwamen: • Generatiewissel en nieuwe woonvormen: Het huidige aanbod in de gemeente Dijk en Waard voldoet niet volledig aan de wensen van nieuwe ouderen. Op het moment hebben ouderen de keus om langer thuis te blijven of naar een plek in een verpleeghuis te verhuizen. Tussenvormen zijn er weinig. De nieuwe generatie ouderen blijft langer vitaal en wil meer keuzemogelijkheden hebben die aansluiten bij hun wensen/behoeften. Als er een gevarieerder aanbod komt, dan verwachten de deelnemers aan de werksessie dat meer ouderen zullen verhuizen naar vormen van geclusterd wonen. • Technologische ontwikkelingen: In Dijk en Waard is er mondjesmaat sprake van inzet op technologische innovatie. Het is niet de verwachting dat de inzet van technologie op korte termijn voor hele revolutionaire veranderingen in de woonwensen van ouderen zal leiden.
De inzet van technologie kan er wel voor zorgen dat ouderen met een zorgvraag iets langer in een reguliere of geclusterde woning kunnen blijven wonen.
Vitaliteitstrede 1 Vitaliteitstrede 2 Vitaliteitstrede 3 Vitaliteitstrede 4 Regulier wonen
Geclusterd wonen
Woonzorgcentrum
Bron: CBS-Microdata.
In figuur 3.5 lieten we zien welke groei we in de komende jaren verwachten voor de verschillende vitaliteitstreden. Wanneer we deze informatie combineren met de huidige woonsituatie per vitaliteitstrede (figuur 3.6), dan volgt daar een beleidsvrije vraagprognose voor woonvormen uit. Deze prognose noemen we de basisprognose. Tabel 3.2 toont het resultaat. In de tabel is te zien dat ook in de toekomst het grootste deel van de 65-plussers zal wonen in een reguliere woning. De toename in de vraag naar regulier wonen zal zich niet in zijn geheel vertalen in een nieuwbouwopgave; veel toekomstige ouderen wonen per slot van rekening al in een woning en zullen in deze zelfde woning blijven wonen als ze ouder worden. Doordat er steeds meer 75- en 85-plussers in de gemeente Dijk en Waard wonen, zal onder ouderen de behoefte aan geclusterd wonen (met of zonder zorg) in verhouding meer gaan toenemen dan de behoefte aan regulier wonen. Het aantal oudere huishoudens blijft gestaag toenemen tot 2040. Als gevolg zien we een stijging in de vraag naar geclusterd wonen met én zonder Wlz-zorg.
398.104/G | Woonzorganalyse als basis voor de Woonzorgvisie