analyserapport VF
Tekst van het document
Analyserapport Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard
Inhoudsopgave 1. Inleiding ...............................................................................................................................................2 2. Omgevingsplan ....................................................................................................................................4
3. Methode ..............................................................................................................................................5 4. Analyse verordeningsregels ................................................................................................................9
Algemene Plaatselijke Verordening (APV) ...........................................................................................9
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen .................................................................................................9 Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu .........................................9
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen.......................10
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente ...........................................................................................................................11
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente ....................12 Hoofdstuk 6. Slotbepalingen ..........................................................................................................13
Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) .........................................................15
Bouwverordening ...............................................................................................................................17 Erfgoedverordening ...........................................................................................................................18
Afvalstoffenverordening ....................................................................................................................19
Havenverordening..............................................................................................................................20
Marktverordening ..............................................................................................................................21
Huisvestingsverordening ....................................................................................................................21 Parkeerverordening ...........................................................................................................................22
Speelautomatenhalverordening ........................................................................................................22
Winkeltijdenverordening ...................................................................................................................23 Verordening gemeentelijke begraafplaatsen ....................................................................................23
Verordening dode gezelschapsdieren ................................................................................................24
Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving ...............................................25
Verordening naamgeving en nummering ..........................................................................................25
Procedureverordening voor de advisering en tegemoetkoming bij planschade...............................26 Exploitatieverordening .......................................................................................................................26
Coördinatieregeling............................................................................................................................27
Algemene Verordening Recreatieschap Geestmerambacht..............................................................28
5. Samenvatting.....................................................................................................................................29
Bijlage I – Overzicht opname gemeentelijke verordeningen in VFL ......................................................33 Bijlage II – Opname regels APV in VFL....................................................................................................36
Bijlage III – Voorstel prioritering harmonisatie ......................................................................................44
1
1. Inleiding Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet beoogt alle regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving te integreren en overzichtelijk te maken. 26 wetten, tientallen algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ongeveer 75 ministeriële regelingen worden teruggebracht tot één wet, met vier AMvB’s en één ministeriële regeling. In de nieuwe wet wordt het instrument bestemmingsplan ’vervangen’ door het omgevingsplan. In dit omgevingsplan staan alle ruimtelijke plannen en regels over de fysieke leefomgeving. Deze zijn tegenwoordig gevat in de bestemmingsplannen, gemeentelijke verordeningen en in rijksregels die per ingang van de wet naar het gemeentelijke takenpakket worden overgedragen. Net als het bestemmingsplan in de huidige wetgeving is het omgevingsplan het juridisch bindende ruimtelijke instrument. Bij inwerkingtreding van de wet bestaat het omgevingsplan uit een “tijdelijk omgevingsplan”. Dit omgevingsplan van rechtswege bevat alle ruimtelijke plannen op grond van de Wet ruimtelijke ordening (zoals bestemmingsplannen) en op grond van de Crisis- en herstelwet. Het tijdelijke omgevingsplan bevat ook alle regels die nu nog op rijksniveau geregeld worden maar die onder de Omgevingswet onder verantwoordelijkheid van de gemeente vallen. Deze regels komen ongewijzigd in het omgevingsplan van rechtswege.
Op 1 januari 2029 moet het hele omgevingsplan stap voor stap vervangen zijn door het nieuwe omgevingsplan, dat alle regels bevat over de fysieke leefomgeving in de gemeente. Tijdens deze overgangsperiode zullen ook alle regels over de fysieke leefomgeving die nu nog in verordeningen staan in het omgevingsplan gezet worden. Gemeenten zijn niet verplicht om een volledig vastgesteld omgevingsplan gereed te hebben op het moment van inwerkingtreding van de wet, maar moeten wel de bestaande regelgeving die van toepassing kan zijn op de fysieke leefomgeving geïnventariseerd hebben. Uiteindelijk moeten in het omgevingsplan de toedeling van functies aan locaties en de gestelde regels rond activiteiten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Hieronder vallen de regels over de fysieke leefomgeving die nu nog in gemeentelijke verordeningen worden gesteld. Deze regels moeten uiterlijk 1 januari 2029 in het omgevingsplan staan, maar het is met het oog op integraliteit van de regels en het vereenvoudigen van informatievoorziening voor burgers aan te bevelen dit veel eerder te doen. Artikel 2.1, lid 2 van de wet somt op wat er in ieder geval wordt bedoeld met de fysieke leefomgeving: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed, werelderfgoed.
Een aantal verordeningen gaat over één van deze onderwerpen, zoals de erfgoedverordening, terwijl andere verordeningen zijn opgesteld vanuit een ander oogmerk, maar wel betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Het zal dus niet altijd eenduidig zijn of een verordening wel of niet moet worden opgenomen in het omgevingsplan. Gemeenten zullen dan zelf moeten bepalen of de verordening wordt opgenomen of niet. Uiteindelijk zullen er dus regels zijn die in het omgevingsplan moeten, regels die in het omgevingsplan kunnen en mogen, en regels die niet in het omgevingsplan mogen. Tegelijk met het voorbereidingstraject van de Omgevingswet loopt het fusietraject van de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk. Deze gemeenten zijn ambtelijk gefuseerd op 1 januari 2020 en zullen bestuurlijk fuseren op 1 januari 2022. De Omgevingswet treedt dus in werking tegelijk met de bestuurlijke fusie van de gemeenten. Bij het voorbereiden van de Omgevingswet moet rekening gehouden worden met deze fusie, omdat de nieuwe gemeente één omgevingsplan moet hebben. De gemeenten hebben het voornemen om de verordeningen die zij in het omgevingsplan moeten en willen opnemen te integreren in één gezamenlijke Verordening Fysieke Leefomgeving. Bij
2
inwerkingtreding van de Omgevingswet hoeft alleen deze ene verordening te worden opgenomen in het omgevingsplan. Doel Het doel van de Verordening Fysieke Leefomgeving is de verordeningen over de fysieke leefomgeving in Langedijk en Heerhugowaard op één plaats te integreren en te uniformeren voordat deze in het omgevingsplan geplaatst worden. De regels uit de verschillende verordeningen worden al zoveel mogelijk geformuleerd om te passen in het stelsel van de Omgevingswet, en op een logische wijze geordend. Op die manier hoeft alleen deze ene verordening overgezet te worden, die dan bovendien al overeenkomt met de vereisten van het omgevingsplan. Dit document kent een aantal doelen: • • • •
Inventariseren welke verordeningen relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Analyseren welke gevolgen de Omgevingswet heeft voor deze verordeningen. Analyseren hoe deze gevolgen op een goede manier verwerkt kunnen worden. Een voorstel doen om de verwerking op een succesvolle manier uit te voeren.
Leeswijzer Na deze inleiding volgt een uiteenzetting van het omgevingsplan en hoe de gemeentelijke verordeningen zich verhouden tot dit plan. Vervolgens wordt de gebruikte methode die heeft geleid tot de inventarisatie toegelicht. Dan wordt elke relevante verordening individueel beoordeeld op toepasselijkheid in het omgevingsplan, met daarbij een toelichting. Ten slotte volgt een samenvatting waarin de beoordeling van de verordeningen overzichtelijk is weergegeven en een toelichting bij de te nemen vervolgstappen.
3
2. Omgevingsplan Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente binnen haar grondgebied stelt. Het omgevingsplan geeft invulling aan de opgaven die de gemeente stelt in haar omgevingsvisie. Het omgevingsplan bevat regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en aan activiteiten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, voor zover deze niet al geregeld zijn door het Rijk of de provincie. Het omgevingsplan vervangt de huidige bestemmingsplannen, gemeentelijke verordeningen over de fysieke leefomgeving, en de rijksregels die zijn overgedragen aan de gemeente (de bruidsschat). Voor het hele grondgebied van de gemeente geldt één omgevingsplan, in tegenstelling tot de meerdere bestemmingsplannen die gemeenten nu hebben. Daarnaast heeft het omgevingsplan een bredere reikwijdte dan de planologische ordening. Ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving worden in het omgevingsplan geregeld. Het omgevingsplan stelt ook regels over activiteiten. Dit zijn slechts activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan. Dit bestaat uit de huidige bestemmingsplannen en de bruidsschat. Vanaf 1 januari 2029 moet de gemeente het tijdelijke omgevingsplan hebben omgezet naar een “nieuw” omgevingsplan.
Dit gebeurt stapsgewijs per gebied of thema met het nieuwe gemeentelijke besluit “omgevingsplanwijziging”. De bestuurlijke afwegingsruimte van de gemeente wordt ingekaderd door regels die worden gesteld door het Rijk en door de provincie. De rijksregels staan in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en de provinciale regels staan in de provinciale omgevingsverordening. De provinciale Omgevingsverordening moet niet verward worden met de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). De VFL is een facultatieve gemeentelijke verordening die zal worden geïntegreerd in het omgevingsplan. De provinciale Omgevingsverordening stelt instructieregels vast waar gemeenten in die provincie zich aan dienen te houden. Bij het opstellen van de VFL zal dus met de (concept)omgevingsverordening van Noord-Holland rekening gehouden moeten worden. De rijksinstructieregels staan in de AMvB’s, namelijk in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels uit het Bal en het Bbl zijn van toepassing op iedereen; burgers, bedrijven en overheden. De regels uit het Bkl zijn alleen van toepassing op overheden. In het Bkl staan inhoudelijke normen voor alle lagen van de overheid om nationale doelstellingen te halen. Van deze regels kan afgeweken worden voor zover de regels dat zelf toelaten.
Vanaf 1 januari 2022 bestaat het omgevingsplan van rechtswege. Dit plan bestaat uit alle vigerende bestemmingsplannen, al dan niet met verbrede reikwijdte, beheersverordeningen en Rijksregels die worden overgedragen aan de gemeente, bekend als de bruidsschat. Bij de bruidsschat gaat het voornamelijk om milieuregels die nu in het Activiteitenbesluit staan die hoort bij de Wet milieubeheer. Uiteindelijk moeten alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen vervangen worden door één algemeen geldend plan waarin functies aan locaties worden toebedeeld. De bruidsschatregels moeten op maatwerk ingevuld zijn, en de lokale regelgeving over de fysieke leefomgeving moet in het omgevingsplan opgenomen worden. De gemeente heeft tot 1 januari 2029 om deze veranderingen stukje bij beetje door te voeren. Dit rapport richt zich op de gemeentelijke verordeningen die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Voordat regels kunnen worden opgenomen of van regels wordt overwogen of daarin 4
veranderingen wenselijk zijn, moet duidelijk zijn welke verordeningen wel en welke verordeningen niet in het omgevingsplan worden opgenomen. De gemeente is straks in principe verplicht om alle regels over wijzigingen in de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan op te nemen. Hierop zijn enkele uitzonderingen. Het gaat daarbij om regels: • • •
waarover de burgemeester het bevoegd gezag is, die wel raakvlakken hebben met de fysieke leefomgeving maar voornamelijk een ander doel hebben, zoals de openbare orde, die gaan over heffingen, subsidies en strafbepalingen voor overtreding van het omgevingsplan.
De kaders die de Omgevingswet biedt, scheppen ruimte voor drie mogelijkheden als het gaat om gemeentelijke verordeningen: 1) verordeningen die in het omgevingsplan moeten, 2) verordeningen die in het omgevingsplan kunnen, en 3) verordeningen die niet in het omgevingsplan mogen. Sommige verordeningen mogen deels in het omgevingsplan worden opgenomen. Dit is met name van belang voor de APV. Van een aantal regels is in de Omgevingswet expliciet vermeld dat ze in het omgevingsplan moeten komen. Uiteindelijk besluit de gemeenteraad welke regels in het omgevingsplan komen en welke niet. Er zijn belangrijke overeenkomsten en verschillen met de huidige manier van verordenende regels. Het omgevingsplan is gestructureerd als een verordening en moet ook op een zodanige manier gelezen worden. Dit heeft als voordeel dat de structuur van de huidige verordeningen grotendeels overgenomen kan worden. Het belangrijkste verschil is dat tegen een verordening geen bezwaar en beroep ingesteld kan worden en tegen een omgevingsplan wel. Dit betekent dat bij overgang van verordening naar omgevingsplan tegen een regel die nu bestaat beroep ingediend kan worden. Dit zal in de praktijk weinig risico’s opleveren aangezien de gemeente naar alle redelijkheid de regel moet kunnen overzetten. Ook kan bij latere wijzigingen van een regel die uit een verordening komt beroep tegen die wijziging ingediend worden.
Dat betekent dat latere wijzigingen altijd goed gemotiveerd moeten zijn. Bij de overgang naar de Omgevingswet staat de raad voor een aantal grote en kleine keuzes die per onderwerp toegelicht zullen worden. Een aantal artikelen die in de verordeningen staan gaan over de fysieke leefomgeving maar niet per se over een wijziging daarvan. Deze regels mogen in het omgevingsplan staan maar dat hoeft niet. Er zijn voor elk van deze regels wel redenen te verzinnen waarom deze wel of niet in het omgevingsplan opgenomen zou moeten worden. Voor elk van deze regels moet de raad bepalen of deze wel of niet wordt opgenomen. Om de raad daarbij te helpen wordt voor elke regel een toelichting geschreven met het advies om de regel wel of niet op te nemen.
3. Methode Voor een transparante besluitvorming wordt bijgehouden hoe de verordeningen die in het omgevingsplan komen worden geselecteerd. Eerst is een lijst opgesteld van alle geldende verordeningen in de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk. Uit deze lijst zijn de verordeningen gehaald die in ieder geval niet relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Dit zijn de verordeningen over sociale zaken, belastingen en financiën, subsidies, ambtelijke procedures en dergelijke. Er is een lijst overgebleven met 17 verordeningen van Heerhugowaard en 16 verordeningen van Langedijk. Tabel 1: Eerste selectie verordeningen die mogelijke relevantie in de fysieke leefomgeving hebben. 5
Heerhugowaard
Langedijk
Algemene plaatselijke verordening 2019 (APV)
Algemene plaatselijke verordening 2019 (APV)
Afvalstoffenverordening
Algemene verordening ondergrondse infrastructuren (AVOI) Bouwverordening
Erfgoedverordening 2010
Huisvestingsverordening 2019 Marktverordening
Procedureverordening voor advisering en tegemoetkoming in planschade 2009 Verordening dode gezelschapsdieren 2015
Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Verordening naamgeving en nummering (adressen) 2013
Verordening op het beheer en gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen 2015 Verordening winkeltijden 2013 Coördinatieregeling
Afvalstoffenverordening 2016 Algemene verordening infrastructuren 2014 (AVOI)
ondergrondse
Bouwverordening 2012
Erfgoedverordening 2012
Huisvestingsverordening 2019 Marktverordening
Procedureverordening voor advisering en tegemoetkoming in planschade Destructieverordening 2010
Kwaliteitsverordening vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht
Verordening naamgeving en adressering 2014 Beheersverordening begraafplaatsen 2014 Verordening winkeltijden 2014
Parkeerverordening 2007
Speelautomatenhalverordening
Exploitatieverordening 2013 Havenverordening
In beide gemeenten zijn 13 verordeningen die hetzelfde onderwerp regelen. In Heerhugowaard zijn 3 verordeningen over onderwerpen die in Langedijk niet geregeld zijn. Dit zijn de Coördinatieregeling, de Parkeerverordening en de Speelautomatenhalverordening. In Langedijk zijn 2 verordeningen over onderwerpen die niet in Heerhugowaard geregeld zijn. Dit zijn de Exploitatieverordening en de Havenverordening. Aanvullend is ook de Algemene verordening Recreatieschap Geestmerambacht in dit document behandeld, omdat dit verordenende regels zijn die door de gemeenteraden zijn gedelegeerd aan een Gemeenschappelijke Regeling. De VNG heeft een stappenplan opgesteld waarmee beoordeeld kan worden of een verordening wel of niet in het omgevingsplan moet of kan worden opgenomen. De eerste stap is bepalen of de verordening (deels) betrekking heeft op de fysieke leefomgeving. Deze stap is hierboven al uitgevoerd en heeft geleid tot de eerste selectie. De tweede stap is bepalen wat het motief is van de verordening. Dit motief moet voornamelijk gericht zijn op het reguleren van (een aspect van) de fysieke leefomgeving. De derde stap is bepalen of een verordening autonoom geregeld is, of in medebewind, in welk geval de verordening ondergeschikt is aan de regelgeving van een hogere overheid en dus niet zomaar kan worden opgenomen in het omgevingsplan.
De vierde stap is de bepaling van het bevoegd orgaan. Volgens de Omgevingswet mogen er geen regels in het omgevingsplan staan waarover de burgemeester het bevoegd gezag is. De laatste stap is bepalen wat de relevantie is voor het werkingsgebied. Deze stap is pas relevant als er werkingsgebieden bepaald zijn, wat nu nog niet het geval is.
6
Het stappenplan biedt een overzicht van de afwegingen die gemaakt moeten worden, maar biedt voor sommige verordeningen onvoldoende houvast om te beargumenteren waarom deze wel of niet in het omgevingsplan zouden moeten worden opgenomen. Om de juiste motivering te geven voor de uiteindelijke keuze van verordeningen die opgenomen worden in het omgevingsplan wordt het advies ingewonnen van medewerkers van de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk die veelvuldig met desbetreffende verordening te maken hebben. Het gaat daarbij om het vaststellen van het hoofdmotief voor de regelgeving en toelichting bij het gebruik in de praktijk van de verordening. Deze gesprekken zijn gevoerd met onderstaande medewerkers. In deze tabel staan de medewerkers gesorteerd op alfabetische volgorde van achternaam. Heerhugowaard
Onderwerp
Langedijk
Onderwerp
Berkel, J. van
Dode gezelschapsdieren
Bons, F.
Erfgoed; Geestmerambacht
Beentjes, S.
Christiaans, T. Doeland, S. Faas, A. Groenveld, S. Hamers, B. Jansma, S. Jong, J. de
Haven; winkeltijden; Geestmerambacht
Bierman, H.
APV; Speelautomatenhal
Duijs, A.
Parkeren
Hussain, Z.
Ondergrondse infrastructuren
Koning, M.
Planschade
Leegwater, H.
Coördinatieregeling
Miltenburg, D.
APV; winkeltijden
Kwaliteit VTH
Noordeloos, J.
Nijs, S. den
Huisvesting
Servais-Picord, I.
Bouw
APV; Bouw; straatnamen;
Peereboom, M. Smit, M.
Parkeren
Stom, O.
Vulpen, E. van
Afvalstoffen; markt
Voulon, N.
Zweekhorst, R.
Begraafplaatsen
Zwollo, I.
Parkeren Haven
Ouden, C. den
Snoeren, P.
Kwaliteit VTH; straatnamen
Kraakman, M.
Erfgoed
Slats, T.
APV
Straatnamen
Kloosterman, G. Kramer, J.
Ondergrondse infrastructuren
Bouw
Afvalstoffen; begraafplaatsen winkeltijden Huisvesting Planschade
Coördinatieregeling* Dode gezelschapsdieren; markt APV; bouw; straatnamen
Coördinatieregeling
*Langedijk heeft geen coördinatieregeling maar neemt wel coördinatiebesluiten. Er loopt een afzonderlijk traject om een coördinatieregeling in Langedijk vast te stellen die dan geharmoniseerd is met die van Heerhugowaard. Gezien het doel van interbestuurlijke samenwerking van deze regeling heeft een collega van de gemeente Langedijk deelgenomen aan deze gesprekken.
Van elke specifieke verordening is beoordeeld of deze wel of niet in het omgevingsplan opgenomen moet worden, niet mag worden, of kan worden. Van de laatste categorie is tevens een advies
7
meegegeven om deze wel of niet op te nemen. Bij alle verordeningen is een toelichting bij het advies gegeven. In bijlage I van dit rapport is een tabel opgenomen waarin wordt samengevat of de betreffende verordening geheel, gedeeltelijk of niet overgenomen zou moeten of kunnen worden in de Verordening Fysieke Leefomgeving.
8
4. Analyse verordeningsregels Algemene Plaatselijke Verordening (APV) De APV is een grote verordening met veel artikelen. De verordening gaat over een groot aantal onderwerpen, die gaan over de openbare orde en het gebruik van de publieke ruimte. De APV kent artikelen die verplicht moeten worden opgenomen in het omgevingsplan, artikelen die verboden zijn op te nemen in het omgevingsplan, en artikelen waarvan de gemeenteraad afwegingsruimte heeft om deze al dan niet op te nemen in het omgevingsplan. De artikelen die verplicht zijn op te nemen in het omgevingsplan zijn de artikelen die gaan over het wijzigen van de fysieke leefomgeving en omgevingsvergunningsactiviteiten, zoals het kappen van bomen en het aanleggen van een uitrit. De artikelen die verboden zijn op te nemen in het omgevingsplan zijn vooral artikelen waarover de burgemeester het bevoegd gezag is, zoals samenscholingsverboden of regels over prostitutie, kansspelen of drank- en horecagelegenheden. De regels die wel in het omgevingsplan mogen, maar niet hoeven zijn divers. Sommige gaan (gedeeltelijk) over de fysieke leefomgeving.
Om te beoordelen of opname van een artikel in het omgevingsplan passend is, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dit het geval is wanneer het artikel primair is opgesteld ten behoeve van de fysieke leefomgeving, in tegenstelling tot bijvoorbeeld openbare orde en veiligheid, en het artikel niet gaat over tijdelijke hinder in de fysieke leefomgeving. Zo worden regels die zijn opgesteld ter bescherming van het milieu, zoals het oplaten van ballonnen of het beperken van geluidsoverlast, beoordeeld als goed passend in het omgevingsplan. Regels die gaan over bijvoorbeeld het parkeren van voertuigen of wildkamperen worden als niet passend beoordeeld. Ook het aanwijzen van gebieden voor bepaalde activiteiten wordt als wel passend in het omgevingsplan beschouwd. Hieronder volgt per paragraaf een toelichting over de beoordeling van de regels met betrekking tot overname in het omgevingsplan. Hierbij worden ook eventuele aanbevolen wijzigingen van de regels toegelicht in het kader van compatibiliteit met de Omgevingswet of het harmoniseren van regels van Langedijk en Heerhugowaard in het kader van het fusietraject.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
De APV blijft bestaan en dus zullen de algemene bepalingen in de APV blijven staan. Het omgevingsplan krijgt zijn eigen algemene bepalingen en de algemene bepalingen van de Verordening Fysieke Leefomgeving zullen daar zoveel mogelijk op voorsorteren. Deze bepalingen kunnen verschillen van de bepalingen die zijn opgenomen in de APV. In de VFL zullen beslistermijnen moeten worden gehanteerd volgens het huidige recht, maar kunnen waar nodig definities wel al aangepast worden om een soepele overgang naar het Omgevingswetstelsel te faciliteren.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Ongeregeldheden, betogingen, vertoningen en dergelijke. Deze afdeling gaat over samenscholingen, betogingen en dergelijke. Alle artikelen in deze afdeling gaan over onderwerpen die op grond van artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit verboden zijn op te nemen in het omgevingsplan. Deze artikelen blijven dus in de APV staan. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
9
Deze afdeling behandelt onderwerpen die gaan over de fysieke leefomgeving. Een aantal van deze artikelen gaat over permanente wijzigingen van de fysieke leefomgeving en/of kent een omgevingsvergunning. Deze artikelen moeten verplicht worden opgenomen. Het gaat om het aanleggen of veranderen van een weg, het maken of veranderen van een uitweg, het openen en blokkeren van straatkolken en de gedoogplicht voor voorzieningen voor verkeer en verlichting. Regels over winkelwagentjes en veiligheid op het ijs mogen in het omgevingsplan worden opgenomen maar dat hoeft niet. Omdat het in beide gevallen niet gaat om permanente aantasting van de fysieke leefomgeving is het aan te raden deze niet op te nemen in het omgevingsplan. Evenementen Evenementen kennen in beide gemeenten een vergunningplicht. De regels voor evenementen gaan zowel over de fysieke leefomgeving als over openbare orde en veiligheid. Regels met betrekking tot een goede ruimtelijke ordening staan in Heerhugowaard, in navolging van uitspraken van de Raad van State, in bestemmingsplannen. In Langedijk is dit nog niet het geval. Regels met betrekking tot openbare orde en veiligheid en milieu staan in beide gemeenten in de APV. Met de komst van de Omgevingswet wordt ook milieu tot de fysieke leefomgeving gerekend.
Dit betekent dat naast regels over een goede ruimtelijke ordening, ook regels met betrekking tot geluidsproductie en andere milieuregels in het omgevingsplan moeten staan. De regels voor evenementen moeten daarom herzien worden. Regels over openbare orde en veiligheid blijven in de APV staan en regels over geluid en andere milieu-aspecten komen in de Verordening Fysieke Leefomgeving te staan. Sommige regels hebben zowel openbare orde als milieu als oogmerk. Deze regels zullen zowel in omgevingsplan als APV moeten staan, met het aldaar passende oogmerk. Ook staan er regels met betrekking tot geluidsproductie in de definitie van kleine evenementen. Ook deze aspecten zullen in het omgevingsplan moeten staan. Het onderscheidende aspect in de definitie wordt daardoor enkel het aantal aanwezige personen. Zowel in Langedijk als in Heerhugowaard wordt onderscheid gemaakt tussen evenementen op basis van grootte. De criteria en regels voor die verschillende soorten evenementen verschillen in beide gemeenten, en moeten dus geharmoniseerd worden. Toezicht en regulering van openbare plaatsen en gebouwen en horecagelegenheden en dergelijke. Deze afdeling richt zich volledig op het handhaven van de openbare orde en veiligheid en valt buiten het domein van de Omgevingswet. De gehele afdeling zal in de APV blijven staan.
NB: Het gaat in deze afdeling niet om het toekennen van een functie aan een locatie maar op het toezicht op de functie. In het kader van integraliteit is het te overwegen om de Speelautomatenhalverordening van Heerhugowaard in dit deel van de APV te integreren. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar, schade en dergelijke Deze sectie regelt een grote diversiteit aan activiteiten. Een deel daarvan heeft te maken met de fysieke leefomgeving, een deel niet. Zaken die te maken hebben met overlast op het gebied van openbare orde, zoals heling van goederen, drugsgebruik, cameratoezicht en dergelijke, horen niet in het omgevingsplan. Regels over plakken en kladden die te maken hebben met het aanzicht horen wel in het omgevingsplan. Carbid schieten heeft gevolgen voor zowel milieu als veiligheid. De regels in de APV zijn opgesteld met het oogmerk veiligheid en blijven daarom in de APV. De mogelijkheid bestaat om in het omgevingsplan extra regels over dit onderwerp toe te voegen met het oog op de fysieke leefomgeving. Langedijk heeft artikelen over loslopend vee en akkerdistels. Dit zijn regels over de fysieke leefomgeving en horen dus in het omgevingsplan. Deze regels kunnen ook worden geschrapt, omdat deze regels in de praktijk niet toegepast worden.
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Op grond van artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit is opname van regels over prostitutie in het omgevingsplan verboden. Dit hoofdstuk zal dus in zijn geheel in de APV blijven. 10
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Deze sectie gaat voor een groot deel over de fysieke leefomgeving of zaken die te maken hebben met de fysieke leefomgeving. Over het algemeen geldt dat een activiteit die de fysieke leefomgeving langdurig wijzigt, verplicht in het omgevingsplan geregeld moet zijn. Activiteiten die te maken hebben met de fysieke leefomgeving mogen in het omgevingsplan geregeld worden, maar dit is niet altijd het handigste document om dat te doen. Als het gaat om tijdelijk gebruik van die leefomgeving, zoals het stallen van een fiets of het plaatsen van kampeertuig is het praktischer om dit in de APV te laten staan. Geluid Het hoofdstuk begint met een aantal artikelen over geluidsbelasting. Dit zijn regels die verplicht in het omgevingsplan moeten staan. Deze zullen ook op een andere manier geregeld gaan worden, door eenduidiger regels te stellen over geluidsbelasting, minder afhankelijk van de activiteit waarvan ze afkomstig zijn. De wijziging van deze regels valt samen met rijksregels die nu in het Activiteitenbesluit staan, en die worden overgedragen aan de gemeenteraad. Milieuverontreiniging Vervolgens regelt de APV een aantal zaken met betrekking tot verontreiniging van het milieu. Het verbod op parkeren op een plaats waar op korte termijn de straat geveegd zal worden valt onder het tijdelijk gebruik van de fysieke leefomgeving, en past niet goed in het omgevingsplan.
Het is bovendien de vraag of dit artikel nodig is om goed te kunnen straatvegen. Het verbod tot het oplaten van ballonnen gaat zuiver over milieuverontreiniging en hoort dus wel in het omgevingsplan. Het verbod op wildplassen kan zowel een motief van milieubescherming als zedelijkheid hebben. In Langedijk en Heerhugowaard is het verbod opgenomen met het motief zedelijkheid en hoort daardoor niet in het omgevingsplan. De zorgplicht voor sloten, riolen en putten hoort in het omgevingsplan. Kapvergunning De regels voor het kappen van bomen moeten verplicht in het omgevingsplan staan. Langedijk en Heerhugowaard hebben de regels enigszins verschillend geformuleerd. Langedijk beschermt bomen middels een Groene Kaart, Heerhugowaard middels een lijst beschermde bomen. Langedijk en Heerhugowaard hebben beiden de natuurwaarde, de beeldbepalende waarde en de cultuurhistorische waarde van bomen aangewezen als weigeringsgrond. Enkel in Langedijk zijn de landschappelijke waarde, de waarde voor stads- en dorpsschoon en de waarde voor leefbaarheid als weigeringsgronden opgenomen. Enkel in Heerhugowaard is de dendrologische waarde opgenomen als weigeringsgrond. Het is raadzaam om in aanloop naar de Omgevingswet al deze weigeringsgronden op te nemen in de VFL, zodat er geen verschillen bestaan in de juridische tekst.
De aanwijzing van beschermde bomen kan in aanloop naar de Omgevingswet op de huidige manier blijven bestaan. Wel moet worden toegewerkt naar een gezamenlijk beschermingsregime op beleidsniveau. Naast de regels voor het kappen van bomen heeft Heerhugowaard een afwijkingsregel voor de toegestane afstand van een boom tot een erfgrens. De regel is op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld. Dit artikel geeft de gemeente de bevoegdheid per verordening een afwijkende afstand vast te stellen. Hoewel het wenselijk zou zijn de regel op te nemen in het omgevingsplan is het omgevingsplan geen verordening als bedoeld in het genoemde artikel van het Burgerlijk Wetboek en is dit dus niet toegestaan.
11
Hinder en overlast Tot slot staan in deze afdelingen regels over overlastgevende activiteiten. Deze activiteiten zijn allemaal optioneel om te regelen in het omgevingsplan. De enige uitzondering is het aanwijzen van kampeerplaatsen. Dit is een toedeling van een functie aan een locatie en moet verplicht in het omgevingsplan staan. Van sommige regels is het logischer om dit te doen dan van andere regels. De regels die logisch zijn om op te nemen in het omgevingsplan zijn de opslag van goederen die hinderlijk zijn vanwege het aanzicht of de geur. Het gaat om opslag en dus een relatief langdurig gebruik van de fysieke leefomgeving. Niet in het omgevingsplan horen de regels over gevaarlijke en hinderlijke reclame. Dit gaat met name over verkeersveiligheid. Bij herziening van het reclamebeleid kan worden onderzocht of andere motieven een rol moeten spelen en of (delen van) de regels in het omgevingsplan horen. Ook regels over kortdurend kamperen hoeven niet in het omgevingsplan omdat het om tijdelijk gebruik gaat, en niet om een permanente wijziging.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente.
In dit hoofdstuk staan de regels die verder niet passen in de andere hoofdstukken van de APV. Een aantal gaat over de fysieke leefomgeving, een aantal niet. In het hoofdstuk worden parkeerexcessen, collecteren en dergelijke, standplaatsen, openbaar water en enkele milieubelastende activiteiten geregeld. Parkeerexcessen In de APV staat een aantal regels over het parkeren van verschillende soorten voertuigen. Dit gaat om tijdelijk gebruik en heeft nauwe verbondenheid met de Wegenverkeerswet, die niet opgaat in de Omgevingswet. De Wegenverkeerswet staat geen regelgeving over wegverkeer toe in het omgevingsplan. Daarom horen de regels niet in het omgevingsplan. Een aantal artikelen zou in principe wel in het omgevingsplan mogen staan. Het gaat dan om regels over autowrakken, dat valt onder de afvalstoffenwetgeving, en de aantasting van groenvoorzieningen. Toch is het in het kader van integraliteit verstandig de regels met betrekking tot voertuigen bij elkaar te laten. Collecteren Regels over inzamelen, collecteren en venten hebben geen relatie met de fysieke leefomgeving en mogen niet in het omgevingsplan staan. Standplaatsen Standplaatsen mogen in het omgevingsplan staan. Het is goed mogelijk om het instrument omgevingsplan te gebruiken om regels uit de afdeling Standplaatsen en uit de Marktverordening samen te regelen. Een markt bestaat immers ook uit standplaatsen.
In het omgevingsplan kan onderscheid gemaakt worden tussen vergunningen voor marktstandplaatsen en losse standplaatsen. Ook marktgebieden en gebieden waar standplaatsen toegestaan kunnen worden mogen in het omgevingsplan aangewezen worden. Technische eisen waaraan een standplaats moet voldoen, zoals afmetingen, veiligheidsvoorschriften en dergelijke kunnen universeel geregeld worden in een handboek. Het is immers logisch om dezelfde voorschriften te hanteren voor standplaatshouders op markten, evenementen en losse standplaatsen. Snuffelmarkten mogen niet in het omgevingsplan geregeld worden omdat het om een burgemeestersbevoegdheid gaat. Er is, doordat snuffelmarkten in een gebouw plaatsvinden, bovendien weinig relatie met de fysieke leefomgeving. Openbaar water Openbaar water is onderdeel van de fysieke leefomgeving en de regels over openbaar water horen in beginsel in het omgevingsplan te staan. Het gaat om regels over voorwerpen op, in of boven het 12
water, ligplaatsen en het in stand houden van waterstaatswerken. Regels over veiligheid op het water gaat over gedraging en gaat over verkeer op en in het water, en horen niet in het omgevingsplan. Ook de verboden op het beschadigen van reddingsmiddelen en het veroorzaken van overlast aan vaartuigen horen niet in het omgevingsplan. Het is logisch om de regels over openbaar water uit de APV in het omgevingsplan te integreren met de regels uit de Havenverordening Langedijk. Milieubelastende activiteiten In deze afdeling gaat het over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het motief van de regel is van belang om te bepalen of deze in het omgevingsplan hoort of niet. De regels over het gebruik van crossterreinen gaan gemengd over milieuwaarden en over veiligheid. De regel moet in het omgevingsplan staan met het oogmerk van milieubescherming en in de APV met het oogmerk veiligheid. De regel zal dus op twee verschillende plaatsen moeten worden opgenomen maar met andere motieven. Hetzelfde geldt voor het betreden van natuurgebieden met motorvoertuigen, fietsen of paarden. Regels over het stoken van vuren zijn gesteld met het oog op milieu en horen daarom in het omgevingsplan. Langedijk heeft regels opgenomen over asverstrooiing. Deze regels zijn opgesteld met het oog hinder te voorkomen, en horen daarom niet tot de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
De Verordening Fysieke Leefomgeving en het omgevingsplan kennen hun eigen slotbepalingen, dus deze regels hoeven niet overgenomen te worden. BELANGRIJKE KEUZES BESTUUR: In bijlage II is een tabel opgenomen waarin per artikel wordt aangegeven of voor dit artikel opname in het omgevingsplan verplicht, verboden of optioneel is. Van sommige artikelen geldt dat deze deels in een categorie en deels in een andere categorie valt. Dat is aangegeven in de tabel. In de tabel in bijlage II is aangegeven wat het advies daarbij is. Omgevingsvergunningen De APV kent een aantal vergunningstelsels die overgezet moeten worden naar het omgevingsplan. Dit zijn bijvoorbeeld de kapvergunning en de uitritvergunning. Deze vergunningstelsels moeten bovendien voor beide gemeenten geharmoniseerd worden. Dit kan op drie manieren worden aangepakt. Variant 1: Gelijke regels in de VFL – Bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving worden de verschillende regels bij de omgevingsvergunningen direct geharmoniseerd. Hierdoor zal de overgang naar de Omgevingswet soepeler verlopen. Onderliggend beleid dient op den duur ook geharmoniseerd te worden middels de Omgevingsvisie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een bomenbeleidsplan op basis van de waardenkaart in de Omgevingsvisie. Deze variant is moeilijk te behalen door beperkte capaciteit om de regels binnen deze termijn te harmoniseren.
Variant 2: Wijzigen VFL – Bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving worden de huidige regels overgenomen, en worden deze geharmoniseerd in de periode tussen vaststelling van de VFL en overgang naar het omgevingsplan. Dit heeft als voordeel dat er langer de tijd is om een besluit te nemen over de geharmoniseerde regels, maar heeft als sterke nadelen dat er twee verschillende Verordeningen Fysieke Leefomgeving gemaakt moeten worden, de overgang van de regelgeving naar het stelsel van de Omgevingswet stroperiger verloopt. Bovendien geeft dit het gevaar dat door verschuiving van capaciteit deze belangrijke taak niet op tijd wordt uitgevoerd. 13
Variant 3: Huidige regels in stand houden – Bij het opstellen van de VFL worden de huidige regels overgenomen, en deze worden in stand gelaten tot na overgang in het omgevingsplan. Dit levert continuering van de huidige, bekende regels op, maar heeft grote nadelen. Niet alleen moeten er twee Verordeningen Fysieke Leefomgeving vastgesteld worden, met alle beperkingen uit variant 2, maar er is veel meer capaciteit nodig voor het opstellen van het omgevingsplan, het vergunningverleningsproces op grond van het omgevingsplan en de dienstverlening naar de gebruikers van het omgevingsplan. Een combinatie van deze drie varianten is mogelijk. Van tevoren zoveel mogelijk regels harmoniseren, dan tussen vaststelling van de VFL en opname van de VFL in het omgevingsplan zoveel mogelijk regels harmoniseren, en ten slotte alle overige regels harmoniseren. Om dit succesvol te kunnen doen is het noodzakelijk een prioritering vast te stellen. Op basis van adviezen van de VNG en een schatting van het aantal zaken waarin regels worden gebruikt is een voorstel van een prioritering gemaakt. Deze is te vinden in bijlage III. Evenementen Evenementen kennen een tweeledige toestemmingsprocedure. De ene is een ruimtelijke toets, die toetst of een evenement aan een goede ruimtelijke ordening voldoet. Deze eisen moeten in bestemmingsplannen staan.
De uitkomst van deze toets is de toekenning of afwijzing van een omgevingsvergunning. De andere is een toets op openbare orde. De regels hiervoor staan in de APV. Deze regels gaat over het toegestane aantal bezoekers, het schenken van alcohol en dergelijke zaken. De uitkomst van deze toets is een verlening of afwijzing van een evenementenvergunning. Onder de toets voor een evenementenvergunning valt ook de beoordeling op geluidsoverlast. Onder de Omgevingswet worden de onderwerpen openbare orde en fysieke leefomgeving strikter gescheiden. Geluid valt in het domein van de Omgevingswet en wordt gezien als één van de eigenschappen van de fysieke leefomgeving. De toetsing van geluidsoverlast zal onder de Omgevingswet dan ook in de toets voor de omgevingsvergunning plaats moeten vinden. De regels voor evenementen zullen om deze reden voor beide gemeenten geherstructureerd moeten worden. Beide gemeenten kennen bovendien andere regels voor het houden van evenementen. Geluid De regels omtrent geluid gaan op een heel andere manier geregeld worden onder de Omgevingswet. Geluidsproductie valt onder de bruidsschat waardoor normen die nu op rijksniveau geregeld worden, na de invoering van de Omgevingswet op gemeentelijk niveau geregeld worden. De gemeente kan binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte zelf normen voor geluidsproductie vaststellen.
De gemeente kan hiervoor gebiedsgericht werken en voor sommige activiteiten afwijkende regels stellen. Hierdoor kunnen de geluidsregels voor bijvoorbeeld collectieve festiviteiten, horeca en evenementen vereenvoudigd worden. Ook kan de gemeente strengere normen voor meer storende, of soepelere regels stellen voor minder storende geluiden. Het ligt voor de hand om alle regels over geluidsproductie zoveel mogelijk te bundelen. Als deze regels gebundeld zijn kan het geluidsbeleid van de gemeente via het traject van de bruidsschat makkelijk bepaald worden. Het doel hierbij is om eenduidige en makkelijk te begrijpen regels te maken door vanuit de doelstelling van de regel te redeneren. Dit zal in het traject van de bruidsschat verder uitgewerkt worden.
Standplaatsen Er zijn verschillende regels voor verschillende soorten standplaatsen. Deze regels staan over een aantal documenten verspreid, zoals de APV als het gaat om dagstandplaatsen en de 14
Marktverordening als het gaat over marktstandplaatsen. De regels voor deze verschillende soorten standplaatsen kunnen samengevoegd worden in een ruimtelijk en een niet-ruimtelijk spoor, zoals dat ook voor evenementen geregeld is. Voor dagstandplaatsen kunnen geschikte locaties aangegeven worden in het omgevingsplan. Ook andere ruimtelijke regels met betrekking tot bijvoorbeeld de afstand tussen standplaatsen en overige objecten kan, gebundeld met dit soort regels voor marktstandplaatsen in het omgevingsplan staan. De niet-ruimtelijke regels kunnen samen met de niet-ruimtelijke regels voor marktstandplaatsen in een eigen verordening blijven.
DELEGATIES COLLEGE: Art. 2:63 Distelverbod Aanwijzing gronden waar verplichting tot bestrijden van distels niet geldt. Art. 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Aanwijzing collectieve festiviteiten waarvoor geluid- en lichtnormen niet gelden Aanwijzing dagen en dagdelen collectieve festiviteiten Aanwijzing gebied waar festiviteit geldt. Art. 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Aanwijzen beschermde bomen Art. 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Aanwijzing plaatsen waar opslag van overlastgevende, schadelijke en ongezonde voorwerpen en stoffen verboden is Nadere regels bij aanwijzing Art. 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen Aanwijzing kampeerplaatsen Nadere regels kampeerplaatsen Art. 5:25 Ligplaats vaartuigen Aanwijzing locaties met ligplaatsverbod Nadere regels ligplaatsen Art. 5:32 Crossterreinen Aanwijzing crossterreinen Nadere regels crossterreinen Art. 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden Aanwijzing terreinen waar verkeer in natuurgebieden is toegestaan Nadere regels voor gebruik terreinen
Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) De AVOI is opgesteld in samenwerking met een groot aantal andere gemeenten in Noord-Holland. Ze hebben hierdoor identieke regelgeving over werkzaamheden met betrekking tot kabels en leidingen. Het is voor dit onderwerp zeer wenselijk gelijke regelgeving te behouden binnen de regio. Inhoudelijk is de AVOI een bundeling en harmonisering van regels over werkzaamheden aan verschillende typen ondergrondse infrastructuur. Deze bundeling en harmonisering was wenselijk om verschillende netbeheerders aan dezelfde regels te laten voldoen. Hierdoor is de uitvoering vereenvoudigd en wordt een eerlijke markt geborgd. Het is dan ook wenselijk om regels voor alle typen ondergrondse infrastructuur in dezelfde regeling te laten en de regels inhoudelijk onveranderd te laten.
15
Doordat de AVOI gaat over verschillende typen ondergrondse infrastructuur bestaan er verschillende wettelijke grondslagen voor de verordening. Dit betekent dat de juridische kaders van de Omgevingswet in relatie tot de regels in de AVOI helder moet worden afgetekend. De Omgevingswet stelt dat regels over activiteiten die direct de fysieke leefomgeving wijzigen nergens anders dan in het omgevingsplan mogen staan (art. 2.7) tenzij het onderwerp uitputtend wordt geregeld in een andere wet (art. 1.4). Regels die gaan over het heffen van belastingen, die een bevoegdheid zijn van de burgemeester en over boetebepaling bij overtredingen mogen niet in het omgevingsplan staan (art. 2.7). De regels in de AVOI gaan over grondroeren, aanleggen en repareren van infrastructuur. Ze gaan daardoor direct over het wijzigen van de fysieke leefomgeving en moeten daarom in beginsel in het omgevingsplan staan. Dit volgt ook uit de Nota van Toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet (p. 112), waarin het verleggen van kabels en leidingen is genoemd als activiteit waarover regels nergens anders dan in het omgevingsplan mogen staan. De AVOI is opgesteld op grond van de Gemeentewet, de Telecommunicatiewet en de Belemmeringenwet privaatrecht (Bpr). De verordening is gedeeltelijk autonoom en gedeeltelijk in medebewind opgesteld.
De regels die autonoom, op grond van de Gemeentewet zijn opgesteld moeten in het omgevingsplan staan omdat deze niet uitputtend in een andere wet geregeld zijn. De regels in medebewind onder de Belemmeringenwet privaatrecht moeten ook in het omgevingsplan staan omdat bij invoering van de Omgevingswet de Bpr komt te vervallen en wordt opgenomen in de Omgevingswet. De Telecommunicatiewet komt niet te vervallen en de artikelen die de grondslag vormen voor het medebewind worden niet gewijzigd. De regels in medebewind van de Telecommunicatiewet moeten blijven voldoen aan de juridische eisen van deze wet. Inhoudelijk voldoen de regels daar reeds aan. De vraag of het instrument omgevingsplan een rechtsgeldig document is om deze regels in te huisvesten wordt als volgt beantwoord: De verordening gaat over het aanleggen, verleggen, onderhouden en verwijderen van kabel- en leidinginfrastructuur. De regels gaan daarmee over het wijzigen van de fysieke leefomgeving en moeten dus in beginsel verplicht in het omgevingsplan komen te staan. Een uitzondering hierop is als een andere wet onderdelen van de fysieke leefomgeving uitputtend regelt. Dit is het geval bij regels over telecommunicatienetwerken, die geregeld worden in de Telecommunicatiewet. Het instrumentarium van de Omgevingswet voldoet niet aan de eisen die de Telecommunicatiewet stelt.
De Telecommunicatiewet stelt dat de gemeenteraad de vereiste regels met betrekking tot werkzaamheden aan telecommunicatienetwerken bij verordening vaststelt. Een omgevingsplan is geen verordening zoals bedoeld in de Telecommunicatiewet. De regels over onderwerpen die in de Telecommunicatiewet genoemd staan, zijn uitputtend geregeld en deze mogen daarom niet in het omgevingsplan worden geregeld. Het gevolg is dat regels met betrekking tot telecommunicatienetwerken niet in het omgevingsplan mogen staan, en dat regels over alle andere ondergrondse infrastructuren verplicht in het omgevingsplan moeten staan. De regels over de strafbepaling van overtreding van de verordening en regels over het heffen van rechten voor het gebruik van gemeentebezit en openbare diensten mogen niet in het omgevingsplan staan. De strafbepaling van overtreding van het omgevingsplan wordt geregeld in de Wet op de economische delicten. Het heffen van rechten voor het gebruik van openbare diensten en gemeentebezit (AVOI art. 8, lid 7) kan elders worden geregeld. Zoals de wetgeving er nu voor ligt, zullen de regels over telecommunicatienetwerken en andere netwerken uit elkaar gehaald moeten worden. In de huidige regelgeving is bewust gestuurd op een integrale aanpak voor telecom- en nutsvoorzieningen.
Dit heeft als voordeel dat binnen de organisatie de benodigde specifieke kennis en ervaring aanwezig is, en dat deze proactief en
16
coördinerend kan optreden. Het uit elkaar halen van de regels kan nadelig zijn voor dit werkproces en is strijdig met de gekozen beleidsrichting. De VNG heeft aangegeven met de wetgever in overleg te zijn over het alsnog mogelijk maken van het opnemen van de regels over telecomnetwerken in het omgevingsplan. Ook moet de Afdeling Advisering van de Raad van State zich nog uitspreken over de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Hierbij spreekt de Afdeling zich onder andere uit over de afbakening van de verordeningsregels die in het omgevingsplan mogen. Dit oordeel kan gevolgen hebben voor het opnemen van regels over telecomnetwerken in het omgevingsplan. Het advies luidt om de regels over telecommunicatienetwerken en andere netwerken zo lang mogelijk integraal te houden. Wel is het wenselijk om, zodra dit mogelijk is, de gehele regeling zo snel mogelijk in het omgevingsplan te integreren. Dit betekent dat de AVOI voorlopig niet wordt opgenomen in de VFL, maar dat, zodra de wet het toelaat, de gehele AVOI in de VFL dan wel het omgevingsplan wordt opgenomen. Mogen de inspanningen van de VNG en de Raad van State geen gevolgen hebben voor de mogelijkheid tot opname van telecomregels in het omgevingsplan, dan wordt zo lang mogelijk gewacht met het invoegen van de verplichte regels over ondergrondse infrastructuren in het omgevingsplan.
Deze tijd kan worden gebruikt om de verplichte scheiding van de regels zo optimaal mogelijk in te voeren. BELANGRIJKE KEUZES BESTUUR: Kiezen op welk moment verplichte onderdelen van deze verordening worden opgenomen in het omgevingsplan. DELEGATIES COLLEGE:
Artikel 3 Nadere regels
1. Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen. 2. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: a. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering bij de aanleg, instandhouding (inclusief het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen) en opruiming van kabels en/of leidingen; b. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; c. ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding (inclusief het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen) en opruiming van kabels en/of leidingen; d. de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die dienen te worden verstrekt.
Artikel 4 Instemmingsvereiste Instemmingsbesluit Artikel 8 Voorschriften en beperkingen Voorschriften opleggen aan meldingsplichtige werkzaamheden Artikel 11 Breekverbod Instellen breekverbod
Bouwverordening De bouwverordening is een verordening die gaat over bouwen op verontreinigde bodem en over welstand zoals bepaald in artikel 8 van de Woningwet. Oorspronkelijk ging de bouwverordening over een groot aantal meer onderwerpen, maar deze zijn door wetswijzigingen komen te vervallen. Onder de Omgevingswet is bepaald dat de welstandscommissie wordt vervangen door een Gemeentelijke 17
Adviescommissie die een breder domein heeft dan welstand. Deze commissie zal blijven toetsen op welstand, maar heeft daarnaast ook het beoordelen van activiteiten aan monumenten in het takenpakket. De beoordelingsregels voor welstand moeten in het omgevingsplan staan. Dit hoeft niet direct maar kan middels een dynamische verwijzing. In het plan kan bijvoorbeeld worden verwezen naar een welstandsnota. Ook de regels over bouwen op verontreinigde bodem dienen in het omgevingsplan te staan. Hierbij geeft het Rijk instructieregels (Bkl paragraaf 5.1.4.5) en hier zijn bruidsschatregels aan gekoppeld. De regels uit de Regeling omgevingsrecht en de Wet bodembescherming worden in de Omgevingswet gebracht. De formulering van de artikelen moet daarop worden aangepast. De relevante regelgeving in de Woningwet komt te vervallen. De gemeente Langedijk heeft in haar bouwverordening bovendien regels staan over stedenbouwkundige voorschriften. Deze zijn met de Reparatiewet BZK komen te vervallen en moeten dus worden geschrapt. Door de wetswijziging staan dit soort regels tegenwoordig in bestemmingsplannen. Het gaat hierbij met name om parkeernormen. Via het traject van de ruimtelijke plannen komen deze regels in het omgevingsplan terecht. BELANGRIJKE KEUZES BESTUUR: Aanwijzen Gemeentelijke adviescommissie. Opstellen regels Gemeentelijke adviescommissie.
In Langedijk: schrappen stedenbouwkundige regels. DELEGATIES COLLEGE: Geen.
Erfgoedverordening Onder de Omgevingswet is de gemeente verplicht regels in het omgevingsplan te stellen over de bescherming en het gebruik van gemeentelijke monumenten, de omgeving van gemeentelijke en Rijksmonumenten, het karakter van beschermde gezichten en landschappen en het beschermen van archeologische monumenten (Bkl artikel 5.130). Ook worden de gemeentelijke monumenten aangewezen in het omgevingsplan. Grotendeels zijn dit regels die thans in de erfgoedverordening staan. Deze moeten dus verplicht worden overgezet naar het omgevingsplan. De regels als bedoeld in artikel 38, lid 1 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidde vóór de invoering van de Erfgoedwet worden van rechtswege onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (Invoeringswet Omgevingswet art. 4.6). Het gaat hierbij om regels voor de onderzoeksplicht bij archeologische monumenten voor zover dit niet in bestemmingsplannen is geregeld. De Monumentencommissie Heerhugowaard en Erfgoedcommissie Langedijk zullen vervallen en vervangen worden door de Gemeentelijke Adviescommissie. De regels voor de Gemeentelijke Adviescommissie zullen in een apart traject worden bepaald en zullen de huidige regels vervangen. Tot die tijd blijven de huidige regels van kracht. Deze zijn in beide gemeenten verschillend. De instandhoudingsbepaling voor archeologische monumenten verschilt in beide gemeenten.
In Heerhugowaard is bepaald dat er op een archeologisch monument of in een archeologisch 18
verwachtingsgebied niet gegraven mag worden dan de voor dat gebied aangegeven waarde. In Langedijk zijn de regels specifieker. Daar is ook bepaald dat normale onderhoudswerkzaamheden en archeologisch werk wel mogen, en is een metaaldetectorverbod opgenomen. In Langedijk staat een afdeling over de aanwijzing en bescherming van dorps- en stadsgezichten en karakteristieke panden. Deze afdeling is in Heerhugowaard niet aanwezig. In de Verordening Fysieke Leefomgeving zal deze wel aanwezig zijn omdat in de nieuwe gemeente de afdeling relevant zal zijn. BELANGRIJKE KEUZES BESTUUR: Aanstellen Gemeentelijke Adviescommissie. Harmoniseren van regels voor archeologie en metaaldetector. DELEGATIES COLLEGE: Art. 3 t/m 10. Gemeentelijke monumenten Aanwijzing gemeentelijk monument, registratie gemeentelijke monument, wijzigen aanwijzing en intrekken aanwijzing. Art. 16. Instandhouding archeologische monumenten Nadere regels stellen voor de uitvoering van werkzaamheden die archeologische monumenten kunnen verstoren.
Afvalstoffenverordening De Afvalstoffenverordening gaat over het schoon en gezond houden van de fysieke leefomgeving. De regeling mag in het omgevingsplan. De regeling gaat niet over activiteiten die de fysieke leefomgeving direct wijzigen en hoeft dus niet verplicht opgenomen te worden. Een aantal zaken in de regeling raakt direct de fysieke leefomgeving, zoals regels over zwerfvuil. Andere zaken raken de fysieke leefomgeving minder direct, zoals regels voor afvalinzamelingsbedrijven. Van alle regels is het toegestaan deze in het omgevingsplan op te nemen, en van geen enkele is het verplicht. Het kan wenselijk zijn een scheiding te maken tussen regels die in meer of mindere mate directe betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. In dat geval wordt geadviseerd om regels die in grote mate direct betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals regels over afval in de openbare ruimte, in het omgevingsplan op te nemen. Regels die in mindere mate betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals financiële regels en regels over de aanwijzing van afvalverwerkingsbedrijven, kunnen in de Afvalstoffenverordening blijven staan. De afdeling in de Wet milieubeheer die gaat over het verwerken van afvalstoffen blijft bestaan en blijft een Afvalstoffenverordening vereisen.
Middels de Invoeringswet Omgevingswet wordt de Wet milieubeheer door de wetgever wel zodanig aangepast om opname van deze regels in het omgevingsplan expliciet mogelijk te maken. Deze wetswijziging suggereert dat de wetgever voorziet dat het wenselijk kan zijn de regels op te nemen in het omgevingsplan. Aan de andere kant zijn er nog geen gemeenten bekend die regels over de inzameling van afvalstoffen opnemen in het omgevingsplan. Zo heeft de gemeente Deventer, die als één van zeven gemeenten onder de Crisisen herstelwet is aangewezen als gemeente om met het omgevingsplan te experimenteren, wel het voornemen gehad de regels op te nemen, maar heeft daar later van afgezien. De reden was dat de
19
gemeente het onderwerp te specifiek vond, en dat ze alleen de mogelijkheid zag de regels uit elkaar te halen en dit onwenselijk achtte. BELANGRIJKE KEUZES BESTUUR: Besluiten of alle regels over afvalinzameling, geen regels over afvalinzameling of een deel (zwerfafval) van de regels over afvalinzameling in het omgevingsplan wordt geregeld. DELEGATIES COLLEGE: Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening