Toelichting_BP_Kruidenhof 26 te Diemen_05-10-2021.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Kruidenhof 26 e.o. Vaststelling NL.IMRO.0384.BPkruidenhof-OW01 Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling 5 oktober 2021
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 5
2
Het plan
6
2.1 2.2
Huidige situatie Toekomstige situatie
6 9
3
Beleidskader
12
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid
12 15 18
4
Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten
20
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Milieueffectrapportage Bedrijven en milieuzonering Bodem Geluid Externe veiligheid Luchtkwaliteit Natuur Water en klimaatadaptatie Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Duurzaamheid
20 21 22 23 24 27 28 30 35 35 36 38
5
Wijze van bestemmen
39
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
39 40
6
Economische haalbaarheid
43
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
44
Bijlagen
Bijlage 1: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 2: m.e.r.-beoordelingsbesluit Bijlage 3: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: Quick scan luchtkwaliteit Bijlage 6: Quick scan natuur Bijlage 7: Nader natuuronderzoek Bijlage 8: Onderzoek stikstofdepositie
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het voornemen bestaat om de bestaande supermarkt aan de Kruidenhof 26 te Diemen te verbouwen en uit te breiden tot een meer efficiënte en toekomstbestendige winkel. De huidige supermarkt heeft een oppervlakte van 1.450 m² bvo (ca. 1.100 m² wvo). In de nieuwe situatie zal de supermarkt een oppervlakte hebben van 2.026 m² bvo (ca. 1.500 m² wvo). De projectlocatie ligt in het gebied waar de beheersverordening ‘Zuid’ van kracht is. De voorgenomen uitbreiding valt deels in het besluitvlak ‘Verkeer’. Hierdoor is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk op grond van de ter plaatse geldende beheersverordening. Naast de aanwezige centrumfuncties zijn er binnen het wijkwinkelcentrum ook woningen aanwezig. Een deel van deze woningen bevindt zich boven de centrumfuncties, maar aan de zijde van de Ouderkerkerlaan zijn ook woningen op de begane grond aanwezig. De gemeente Diemen heeft de wens om de huidige gebruiksmogelijkheden voor centrumfuncties op de begane grond weg te nemen en hier uitsluitend wonen toe te staan. Dit betreft uitsluitend een beperking van de gebruiksmogelijkheden en voorziet verder niet in ontwikkelingen. Om beide doelstellingen te kunnen realiseren wordt een nieuw bestemmingsplan voor de locatie opgesteld. Voorliggend document voorziet hierin.
1.2
Begrenzing plangebied Het plangebied betreft de gronden nabij de Kruidenhof 26 e.o. te Diemen in de provincie Noord-Holland. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Diemen en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.
Ligging plangebied (gele stip) in relatie tot de kern Diemen (Bron: PDOK viewer).
3
Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).
1.3
Geldend bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van de beheersverordening ‘Zuid’ (vastgesteld d.d. 27 juni 2013). Een beheersverordening is vergelijkbaar met een bestemmingsplan, maar is bedoeld voor gebieden waar geen concrete ontwikkelingen zijn voorzien. Het grootste deel van het plangebied heeft ter plaatse de bestemming ‘Centrum’. De voor 'Centrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen met op de begane grond detailhandel, dienstverlening en horeca. Daarnaast is een deel van de gronden van de bestaande supermarkt binnen het plangebied voorzien van het besluitsubvlak 'ondergeschikte voorzieningen'. Hierdoor is op de verdieping tevens een kantine en/of kantoor behorende bij detailhandel mogelijk. Aan de parkeervoorzieningen rondom het wijkwinkelcentrum is de bestemming ‘Verkeer’ toegekend. Binnen de verkeersbestemming zijn de gronden voornamelijk bestemd voor infrastructuur en andere verkeerskundige en openbare doeleinden. Daarnaast ken het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van archeologische waarden in de bodem. Voor de verwachtingswaarde 2 geldt dat een ar-
4
2
cheologisch onderzoek benodigd is bij bodemingrepen groter dan 500 m en dieper dan 0,5 meter. Op de navolgende afbeeldingen is een uitsnede van de verbeelding van de beheersverordening ter hoogte van het plangebied te zien.
Uitsnede verbeelding beheersverordening ‘Zuid’ met daarop het plangebied globaal in rood omlijnd (Bron: Royal Haskoning).
Als gevolg van de verkeersbestemming is de uitbreiding van de bestaande supermarkt niet mogelijk op grond van de geldende beheersverordening. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt eveneens de mogelijkheid voor centrumfuncties op de begane grond aan de zijde van de Ouderkerkerlaan ter plaatse van de bestaande woningen weggenomen (in lijn met het gemeentelijk detailhandelsbeleid). Voorliggend document voorziet in een toelichting op het bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijk beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan wordt getoetst. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5), de economische uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en de resultaten van de gevolgde procedure (hoofdstuk 7). 5
2 2.1
Het plan Huidige situatie Diemen Diemen ontleent zijn naam aan het riviertje de Diem, dat in de middeleeuwen een verbinding vormde tussen het Bijlmermeer, de Gaasp en de Zuiderzee. Zo'n duizend jaar geleden werd het veenweidegebied ontgonnen en vestigden de eerste bewoners zich op de locatie waar nu Diemen gesitueerd is. De bewoners van Oud-Diemen leefden op een circa drie meter hoge terp, nabij de huidige nieuwbouwwijk Diemen-Noord, waar een houten kerk en huizen stonden. De bewoners leefden hoofdzakelijk van de landbouw. Na de aanleg van de Muidertrekvaart en Weespertrekvaart in 1638 en 1640 verplaatste het centrum van de gemeente zich naar de Diemerbrug, bij de huidie e ge Hartveldseweg. In de 18 en 19 eeuw werden hier kerken, winkels, bedrijven, scholen en woningen gebouwd. e
Door de komst van meer vervoersmogelijkheden groeide Diemen halverwege de 20 eeuw uit tot een forensengemeente van Amsterdam. De sindsdien gebouwde nieuwbouwwijken hebben het karakter van het oude agrarische dorp veranderd in een moderne buitenwijk. De oude dorpen groeiden aaneen en voorts verrezen DiemenNoord en Diemen-Zuid. Vandaag de dag vormt Diemen een zelfstandige gemeente, ingeklemd tussen Amsterdam-Watergraafsmeer, Duivendrecht en AmsterdamZuidoost. Navolgende afbeelding maakt inzichtelijk hoe Diemen de afgelopen jaren aaneen is gegroeid met Amsterdam.
Kaart bouwjaren omliggende gebouwen plangebied (gele stip) (Bron: www.code.waag.org). 6
Plangebied Onderhavig plangebied ligt in Diemen-Zuid en maakt onderdeel uit van het wijkwinkelcentrum ‘De Kruidenhof’. Het wijkwinkelcentrum is gerealiseerd in de jaren ’60 en bestaat uit verschillende centrumfuncties op het gebied van detailhandel, dienstverlening en horeca in combinatie met woningen. De woningen bevinden zich grotendeels boven de centrumfuncties aan de zijde van de Boven Rijkersloot. Tevens zijn aan de zijde van de Ouderkerkerlaan woningen aanwezig, eveneens op de begane grond. Op het perceel aan de Kruidenhof 26 is momenteel een supermarkt gesitueerd. De huidige supermarkt heeft een oppervlakte van circa 1.450 m² bvo (circa 1.100 m² wvo). De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie weer ter hoogte van het plangebied.
Zicht op de bestaande supermarkt binnen het plangebied, gezien vanaf de Boven Rijkersloot (Bron: Google Streetview).
7
Bestaande situatie supermarkt, begane grond (Bron: Bureau Broeders).
Bestaande situatie supermarkt, verdieping (Bron: Bureau Broeders).
8
2.2
Toekomstige situatie Winkelcentrum De Kruidenhof trekt steeds meer klanten. Dit is onder meer het gevolg van de oplevering van woningen in nieuwbouwwijk Holland Park, aan de zuidzijde van het spoor. De komende jaren worden er nog meer woningen in Holland Park opgeleverd. Dit zal een positief effect hebben op het aantal bezoekers van het winkelcentrum. Tegelijkertijd is het wijkwinkelcentrum deels verouderd te noemen, zowel inpandig als uitpandig. Daarmee wordt bedoeld dat de winkel niet volledig efficiënt is opgebouwd en aan de buitenkant een beperkte uitstraling heeft. Daarom bestaat het voornemen om de bestaande supermarkt te gaan verbouwen en deels uit te gaan breiden. In de nieuwe situatie zal de supermarkt een oppervlakte hebben van circa 2.026 m² 2 bvo (circa 1.500 m² wvo). Dit is een geringe verruiming van circa 576 m bvo (circa 2 400 m wvo) ten opzichte van de huidige situatie. De verruiming zal zowel op de begane grond als op de eerste verdieping/tweede bouwlaag plaatsvinden. De supermarkt kent in principe een maximum bouwhoogte van 4 meter. De tweede bouwlaag zal maximaal 8 meter hoog worden. Daarmee wordt aangesloten op de bestaande hoogtes van de supermarkt. Tevens wordt aan de noordzijde van de supermarkt, net zoals in de huidige situatie, een luifel gerealiseerd, die aansluit op de bestaande luifel.
Op de begane grond zal een deel van de gronden van de slager, aan de Kruidenhof 2 24, worden betrokken bij de supermarkt, waardoor er per saldo minder dan 500 m bvo aan nieuwe detailhandelsmogelijkheden ontstaan. Tevens zal een deel van de uitbreiding in de openbare ruimte plaatsvinden ter hoogte van het huidige parkeerterrein. Daarnaast zal de kromming in het gebouw worden rechtgetrokken. Tegelijkertijd wordt met het rechttrekken van de gevel ter hoogte van de kruising Boven RijkerslootPijlkruid wat extra openbare ruimte gerealiseerd. Op de eerste verdieping/tweede bouwlaag is extra magazijnruimte, een nieuwe personeelsruimte en een logo c.q. ‘signing’ (‘Diemen Zuid’) beoogd. Navolgend zijn impressies van de beoogde situatie weergegeven.
Impressie beoogde situatie, gezien vanaf de Pijlkruid (Bron: Bureau Broeders).
9
Impressie beoogde situatie, gezien vanaf de Boven Rijkersloot (Bron: Bureau Broeders).
Beoogde situatie supermarkt, begane grond (Bron: Bureau Broeders).
10
Beoogde situatie supermarkt, begane grond (Bron: Bureau Broeders).
Maatvoering beoogde situatie supermarkt (Bron: Bureau Broeders).
Zo wordt met voorliggend bestemmingsplan de bestaande supermarkt geoptimaliseerd en toekomstbestendig gemaakt, zowel inpandig als uitpandig. Als gevolg van deze ontwikkeling zal ook de parkeergelegenheid worden heringericht (zie paragraaf 4.11). Tevens wordt de mogelijkheid voor centrumfuncties op de begane grond aan de zijde van de Ouderkerkerlaan weggehaald. Hier zijn verder geen ontwikkelingen voorzien. Zo wordt met dit plan een bijdrage geleverd aan het realiseren van een aantrekkelijk en toekomstbestendig wijkwinkelcentrum De Kruidenhof.
11
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting van het wijkwinkelcentrum, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Bovendien wordt met dit plan gehandeld in lijn met het gedachtegoed van een zorgvuldig ruimtegebruik door de bestaande supermarktfunctie zo veel mogelijk te optimaliseren binnen de bestaande bebouwde situatie.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans: NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de 12
begrenzing van de EHS (thans: NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen project raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3
Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het rijksbeleid ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de Wet Luchtvaart die op 20 februari 2003 in werking is getreden (verder gewijzigde Wet Luchtvaart genoemd). De gewijzigde Wet Luchtvaart is gericht op het tot stand brengen van een wettelijke grondslag voor het nieuwe regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet vormt de grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen in overeenstemming te zijn met het Luchthavenindelingbesluit. In dit Besluit wordt een beperkingengebied aangegeven. Hierin worden beperkingengebieden ten aanzien van Schiphol weergegeven met betrekking tot externe veiligheid, geluidbelasting, hoogtebeperkingen en vogelaantrekkende werking. Toetsing In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol zijn begrenzingen opgenomen voor het luchthavengebied en het beperkingengebied. Daaruit volgt dat het plangebied binnen het beperkingengebied ligt, zoals op navolgende kaart is weergegeven. Voor ontwikkelingen binnen het beperkingengebied gelden aanvullende regels. Deze regels zijn afhankelijk van de specifieke ligging van de ontwikkellocatie.
Uitsnede LIB Bijlage 2 ‘Het beperkingengebied’ met daarop de ligging van het plangebied globaal weergegeven (rode punaise) (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
13
Beperkingen geluidgevoelige gebouwen De gronden van het besluitgebied bevinden zich in gebied ‘4: beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen’. In voorliggende situatie is sprake van de uitbreiding van een supermarkt, een niet geluidgevoelig gebouw. Kortom het Luchthavenindelingbesluit legt met het oog op de geluidbelasting geen beperkingen op de uitvoering van het beoogde initiatief. Beperkingen externe veiligheid Raadpleging van bijlage 3 van het Luchthavenindelingbesluit wijst uit dat het plangebied niet in gebied ‘5: afwegingsgebied geluid en externe veiligheid’ ligt (zie navolgen1 de afbeelding). Het Compendium voor de Leefomgeving geeft aan dat de risicocontouren rondom Schiphol voornamelijk in het verlengde van de banen van de luchthaven liggen. Aan het begin en aan het einde van de landingsbanen wordt namelijk de kans het grootst geacht dat er iets gebeurt. Daar het plangebied niet in het beperkingsgebied ten aanzien van het aspect externe veiligheid is gelegen, zijn de eisen zoals gesteld in bijlage 3 van het LIB niet van toepassing op het plan. Er hoeft niet gemotiveerd te worden hoe in onderhavig bestemmingsplan rekening is gehouden met de wijze waarop wordt omgaan met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond.
Beperkingen hoogte Bijlage 4 van het Luchthavenindelingbesluit geeft aan dat voor het plangebied een maximale toetshoogte van 146 meter geldt. De beoogde bouwhoogte van de supermarkt bedraagt maximaal 8 meter (in geval van een tweede bouwlaag). Daarmee vormt het aspect bouwhoogte uit het Luchthavenindelingbesluit geen belemmering voor het initiatief. Beperkingen hoogte radar Ook stelt het Luchthavenindelingbesluit beperkingen ten aanzien van de hoogte in verband met het functioneren van radarapparatuur op Schiphol. Het plangebied kent hiervoor een toetshoogte van circa 69 meter ten opzichte van NAP. De beoogde bouwhoogte van de supermarkt bedraagt maximaal 8 meter. Daarmee vormt het aspect bouwhoogte (radar) uit het Luchthavenindelingbesluit geen belemmering voor het initiatief. Beperking aantrekken vogels Verder ligt het plangebied niet binnen de toetszone voor het beperken van het aantrekken van vogels. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief.
1
CBS, PBL, RIVM, WUR (2017). Externe veiligheid rond Schiphol, 2000-2014 (versie 21 december 2017) . www.clo.nl. CBS, Den Haag, PBL, Den Haag, RIVM, Bilthoven en WUR, Wageningen. 14
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel geen sprake is 2 van een stedelijke ontwikkeling indien er met een ontwikkeling minder dan 500 m bruto-vloeroppervlakte wordt toegevoegd. In de nieuwe situatie zal de supermarkt een oppervlakte hebben van circa 2.026 m² bvo (circa 1.500 m² wvo). Dit is een geringe verruiming van circa 576 m2 bvo (circa 2 400 m wvo) ten opzichte van de huidige situatie. Door een deel van de gronden van de slager, aan de Kruidenhof 24, te betrekken bij de supermarkt, ontstaat er per saldo 2 minder dan 500 m bvo aan nieuwe detailhandelsmogelijkheden. Daarbij komt dat de detailhandelsmogelijkheid ter plaatse van de bestaande woningen aan de zijde van de Ouderkerkerlaan in dit plan wordt weggenomen. Per saldo voorziet dit plan dan ook niet in een verruiming van de detailhandelsmogelijkheden ter plaatse van winkelcentrum Kruidenhof. Daarom hoeft het plan niet te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.5
Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland. De omgevingsvisie is opgesteld om koers te zetten richting te toekomst. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie NoordHolland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen.
15
De hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: 1) Leefomgeving De provincie Noord-Holland zet in op een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeivng. Meer specifiek is er aandacht voor het realiseren van een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. Ook het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond maakt onderdeel uit van de provinciale ambitie op het gebied van de leefomgeving. Tot slot zet de provincie in op het vergroten van de biodiversiteit. 2) Gebruik van de leefomgeving Ruimtelijke ontwikkelingen worden zo veel mogelijk gefaciliteerd, mits sprake is van het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geldt dat de provincie ruimte biedt aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.
Ook moeten vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) met elkaar overeenstemmen. Het landschap moet daarbij worden benoemd, behouden en versterkt. Tot slot is sprake van een goede bereikbaarheid. 3) Energietransitie De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal is, gebaseerd op hernieuwbare energie. De Omgevingsvisie NH2050 zorgt voor een balans tussen economische groei en leefbaarheid. Het doel daarvan is om het welvaarts- en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau te houden. De visie geeft enerzijds richting en houvast naar een onbekende toekomst en anderzijds voldoende ruimte en handelingsperspectief om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen.
Om het hoofddoel te bereiken worden vijf samenhangende bewegingen genoemd die een aantal ontwikkelprincipes en randvoorwaarden geven om de beweging naar de toekomst te kunnen maken: dynamisch schiereiland: benutten van een unieke ligging; metropool in ontwikkeling: vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem; sterke kernen, sterke regio's: ontwikkeling van centrumgemeenten waarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio vitaal wordt gehouden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden; nieuwe energie: economische kansen benutten van energietransitie en circulaire economie; natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.
16
Alle vijf bewegingen hebben een economische drijver. De bewegingen verbinden deze economische kansen door het versterken van de leefbaarheid met het oog op duurzame economische groei. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in het realiseren van een toekomstbestendige supermarkt binnen het wijkwinkelcentrum van Diemen-Zuid. Zo wordt een bijdrage geleverd aan het vitaal houden van het voorzieningenniveau. Door de uitbreiding van de supermarkt blijft het winkelcentrum toekomstbestendig en vitaal. Bij de uitbreiding wordt rekening gehouden met de bestaande kenmerken en karakteristieken van de omgeving. Dit maakt dat de ontwikkeling in lijn is met de ambities uit de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2
Omgevingsverordening NH2020 Vanaf 17 november 2020 geldt de Omgevingsverordening NH2020. In de Omgevingsverordening zijn de regels op het gebied van natuur, milieu, erfgoed, mobiliteit en water samengevoegd. De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. De provincie zoekt naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de Omgevingsverordening. Toetsing Raadpleging van de digitale Omgevingsverordening NH2020 wijst uit dat het plangebied niet binnen een gebied ligt waar specifieke provinciale belangen spelen. Daarbij komt dat de voorgenomen ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling betreft en er daardoor geen specifieke regels vanuit de verordening volgen. Gelet op het kleinschalige karakter van voorliggend plan en de ligging van het plangebied doen er zich geen belemmeringen voor vanuit de Omgevingsverordening.
3.2.3
Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap AGV en Keur 2019 Het plangebied, gelegen in de gemeente Diemen, valt binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Het waterschap heeft de zorg voor het regionale watersysteem: optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Belangrijke kernwoorden daarbij zijn ‘duurzaam’ en ‘kosteneffectief’. Het waterschap vindt de intrinsieke waarde van water als beeldbepalend element in de leefomgeving heel belangrijk. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en ‘robuust’ (toekomstbestendig) watersysteem. In het Waterbeheerplan Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021 zijn de strategische doelen voor de langere termijn (2030) opgenomen. In de Keur 2019 staan de regels van het waterschap, die gaan over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken.
17
Toetsing In paragraaf 4.8 van deze toelichting is de waterparagraaf van dit bestemmingsplan opgenomen. Daarin komen alle waterbelangen aan bod en volgt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 3.2.4
Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciaal en regionaal beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Diemen De Structuurvisie Diemen (vastgesteld door de gemeenteraad op 2 februari 2011) is een richtinggevend beleidsstuk, dat een algemeen beeld geeft van de toekomst van Diemen. Het doel ervan is om samenhang te bereiken in diverse grote en kleine ontwikkelingen, die in de gemeente spelen en op stapel staan. Door een integrale benadering en het vormen van een eigen visie en wensbeeld, wil de gemeente meer grip krijgen op de ontwikkelingen, om zo meerwaarde te creëren. De structuurvisie is kaderstellend voor de lange termijn. Voor de kortere termijn gaat de structuurvisie uit van flexibiliteit waar het gaat om het benoemen van projecten. Concreet wordt de volgende ambitie verwoord: “In 2040 is Diemen een duurzaam, stedelijk dorp op het grensvlak van Amsterdam en de Diemerscheg, waar het goed wonen, werken en recreëren is”. Daarbij worden de volgende opgaven gezien: 1 Het versterken van het bestaand stedelijk gebied. 2 Het gebruik van het (regionaal) groen intensiveren. 3 Faciliteren en benutten van de (regionale) bereikbaarheid. 4 Bevorderen van het openbaar vervoer. 5 Diemen in 2040 duurzaam en energieneutraal. 6 Het bedrijfsleven en bedrijvigheid aan huis koesteren. 7 Het behoud van cultuurhistorische plekken.
Toetsing Voorliggend plan richt zich voornamelijk op de eerste opgave, waarbij in de structuurvisie wordt aangegeven dat Diemen-Zuid een nadere uitwerking behoeft rondom deze opgave. Hier ligt een kans om de verschillende buurten rond het centrum van Diemen Zuid weer op een goede manier aan elkaar te verbinden en ook om de verbinding tussen Diemen Centrum en Diemen-Zuid te verbeteren. In deze nadere uitwerking moet volgens de structuurvisie gekeken worden naar winkelcentrum De Kruidenhof (in relatie tot het Holland Park en station Diemen-Zuid). Inmiddels is gebleken dat winkelcentrum De Kruidenhof steeds meer klanten trekt, mede vanwege de oplevering van woningen in de nieuwbouwwijk Holland Park. De komende jaren worden hier nog veel meer nieuwe woningen opgeleverd (lees: enkele duizenden). Zo wordt de aantrekkingskracht van het wijkwinkelcentrum vergroot en worden nieuwe verbindingen gemaakt. Met voorliggend plan wordt het bestaande wijkwinkelcentrum versterkt en toekomstbestendig gemaakt. Zo wordt aangesloten bij hetgeen gesteld is in de gemeentelijke structuurvisie.
18
3.3.2
Detailhandelsvisie Diemen 2014 Het economisch beleid van de gemeente Diemen kenmerkt zich door specifiek te richten op de afzonderlijke bedrijventerreinen (Verrijn Stuart, Stammerdijk en De Sniep) en kantorenpark Bergwijkpark (Holland Park). De gemeente streeft er naar om het vestigings- en ondernemingsklimaat continu te verbeteren. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het onderscheidend vermogen te vergroten en de nadruk te leggen op de kernkwaliteiten (nabijheid Amsterdam, bereikbaarheid, eigen karakter) van Diemen. Daarnaast hebben de onderwerpen duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen extra aandacht van de gemeente. In samenwerking met city marketing (Daarom Diemen) wordt er extra aandacht gegeven aan Diemen als vestigingsplaats. Toetsing In de Detailhandelsvisie Diemen 2014 staat dat het perspectief van de boodschappencentra primair wordt bepaald door de aantrekkingskracht van de supermarkten in deze centra. Deze wordt op zijn beurt bepaald door een combinatie van formule en ondernemerschap, maar ook ruimtelijk-functionele uitgangspunten als oppervlak, parkeren en bereikbaarheid. Voor beide supermarkten geldt dat uitbreiding van het winkelvloeroppervlak geoorloofd is, mits het passend is bij de functie van wijkverzorgend boodschappencentrum, en mits het past binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan ten aanzien van de maximale maat van het winkelcentrum.
Om te voorkomen dat de boodschappencentra de positie van Diemerplein als hoofdwinkelcentrum ondermijnen is uitbreiding van deze centra bovenop wat in de vigerende bestemmingsplannen voor deze boodschappencentra mogelijk wordt gemaakt niet geoorloofd. Uitbreiding van het supermarktaanbod in deze centra bij voorkeur alleen door uitbreiding van de bestaande supermarkt, niet door de vestiging van een tweede supermarkt. Met voorliggend bestemmingsplan wordt enerzijds de uitbreiding van de bestaande supermarkt mogelijk gemaakt, anderzijds worden de huidige theoretische detailhandelsmogelijkheden aan de zijde van de Oudekerkerlaan weggehaald. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de huidige feitelijke woonsituatie ter plaatse. Tegelijkertijd wordt het hierdoor mogelijk om de geringe uitbreiding van de Jumbo mogelijk te maken. Per saldo is immers sprake van een inperking van de detailhandelsmogelijkheden binnen Kruidenhof. Zo sluit voorliggend plan aan op het gemeentelijk detailhandelsbeleid.
3.3.3
Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.
19
4 4.1
Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Het plan voorziet in de van een bestaande supermarkt binnen de bebouwde kom van Diemen. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Het project blijft ver onder de indicatieve drempelwaarden, waardoor in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: de kenmerken van het project; de plaats waar de activiteit plaatsvindt; de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie 2 Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er hoogstens een beperkt negatief effect kan optreden (soortenbescherming en geluid). De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Dit is ook formeel bekrachtigd middels een m.e.r.3 beoordelingsbesluit .
2
SAB (2021). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Diemen, Kruidenhof 26 e.o. Projectnummer: 200228. 25 maart 2021.
3
Gemeente Diemen (2021). m.e.r.-beoordelingsbesluit Bestemmingsplan Kruidenhof. Documentnummer: D2021-03-028728. 24 maart 2021. 20
4.2
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In en rondom het plangebied is een mix aan functies terug te vinden (wonen, detailhandel en maatschappelijke voorzieningen). Daarom is (de omgeving van) het plangebied te typeren als ‘gemengd gebied’. Aangezien voorliggend plan voorziet in de uitbreiding van een supermarkt is sprake van de realisatie van een groter oppervlak aan milieuhinderveroorzakende functies. Voor de uitbreiding van de bestaande supermarkt in het plangebied is door SAB een 4 akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Doel van het onderzoek was om te beoordelen of de bedrijfsactiviteiten van de supermarkt voldoen aan de eisen die gesteld worden in het Activiteitenbesluit en een goede ruimtelijke ordening. Hierbij is de volledige representatieve bedrijfssituatie als basis gebruikt bij de berekeningen. Uit het onderzoek volgt dat de berekeningen van het langtijdgemiddelde geluidsniveau op alle omliggende woningen voldoen aan zowel de grenswaarden in het Activiteitenbesluit (50 dB(A) etmaalwaarde) als de richtwaarde van stap 2 voor een gemengd gebied uit de VNG-publicatie (50 dB(A) etmaalwaarde).
Dit geldt echter niet voor een aantal woningen aan de Pijlkruid (40, 42, 44, 46 en 48). Hier is de geluidsbelasting maximaal 53 dB(A) (etmaalwaarde). Dit wordt veroorzaakt door de levering van goederen in de nachtperiode. De berekende geluidbelasting is voor de woningen aan de
4
SAB (2021). Akoestisch onderzoek industrielawaai. Diemen, Kruidenhof 26 e.o. Projectnummer: 200228. 5 oktober 2021. 21
Pijlkruid 40, 42, 44, 46 en 48 hoger dan stap 2 uit de VNG-publicatie. Wel is sprake van zowel geluidluwe gevels als geluidluwe buitenruimtes aan de achterzijde van de woningen. De overschrijding van stap 2 uit de VNG-publicatie (voor de woningen aan de Pijlkruid 40, 42, 44, 46 en 48) wordt als acceptabel gezien, omdat sprake is van een reeds bestaande bedrijfssituatie die niet dusdanig zal wijzigen na uitbreiding van de supermarkt. In de dag- en avondperiode zijn daarnaast in totaliteit geen overschrijdingen waarneembaar. Stap 3 uit de VNG-publicatie wordt in totaliteit niet overschreden. Voor deze woningen wordt een maatwerkvoorschrift opgesteld voor de laad- en lossituatie in de nachtperiode als gevolg van de bevoorrading van de supermarkt. Uit de berekeningen van het maximale geluidsniveau voor de avondperiode blijkt dat op alle omliggende woningen wordt voldaan aan zowel de grenswaarden in het Activiteitenbesluit (65 dB(A)) als de richtwaarde van stap 2 voor een gemengd gebied uit de VNG-publicatie (65 dB(A)). Op de omliggende woningen aan de Pijlkruid, Kruidenhof, Knoopkruid, Sint Janskruid en Havikskruid vinden overschrijdingen plaats in de dagen nachtperiode. De hoogste geluidsbelasting bedraagt 77 dB en wordt veroorzaakt door het kortstondige ontluchten van de remmen van de vrachtwagen ten behoeve van de bevoorrading van de supermarkt.
Hierdoor worden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit als de richtwaarde van stap 2 voor een gemengd gebied uit de VNG-publicatie overschreden. Er is reeds sprake van zowel geluidluwe gevels als geluidluwe buitenruimtes aan de achterzijde van de woningen met de hoogste geluidbelastingen. Stap 3 uit de VNG-publicatie wordt in totaliteit niet overschreden gezien dit een stap betreft exclusief piekgeluiden door aan- en afremmend verkeer. In de dagperiode worden de piekniveaus op basis van het Activiteitenbesluit tijdens het laden en lossen tussen 07:00 – 19:00 uur buiten toetsing gehouden (artikel 2.17b). Formeel is er daarom alleen sprake van een overschrijding van de grenswaarde van het Activiteitenbesluit in de nachtperiode. Opgemerkt dient te worden dat dit een reeds bestaande bedrijfssituatie betreft zonder aantoonbare geluidsklachten welke niet zal wijzigen na uitbreiding van de supermarkt. Voor de laad- en losactiviteiten in relatie tot de omliggende woningen worden maatwerkvoorschriften opgesteld van maximaal 77 dB in de nachtperiode. Dit ten gevolge van reeds bestaande kortstondige piekgeluiden ten tijde van de bevoorrading van de supermarkt in de nachtperiode (voor 07:00 uur). Conclusie Met inachtneming van het treffen van maatwerkvoorschriften vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Bodem Algemeen Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies.
22
Toetsing 5 Er is een verkennend bodemonderzoek en asbest in puinonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de resultaten kort besproken: Onder het trottoir is een puinverharding als fundatielaag aanwezig; De aanwezige fundatielaag is niet verontreinigd met asbest; In zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen; Het grondwater is licht verontreinigd met barium; De hypothese ‘onverdacht’ dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden; De hypothese ‘verdacht’ dient verworpen te worden omdat er in de fundatielaag geen asbest is aangetroffen. Daarbij komt dat in 2001 reeds een bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de nieuwbouw van het winkelcentrum destijds. Daaruit volgde dat de bodem niet verontreinigd was en het grondwater licht verontreinigd met arseen. Dit vormde voor het beoogde gebruik geen belemmering. Geconcludeerd wordt dat het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4
Geluid Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen, zoals in het plangebied, is bijvoorbeeld een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek toch wenselijk zijn. Toetsing Voorliggend plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. Ook wordt in voorliggend plan geen geluidgezoneerd industrieterrein gerealiseerd. Daarom is de uitvoering van een akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid (wegverkeerslawaai) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5
De Klinker Milieu (2020). Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 en asbest in puinonderzoek volgens NEN 5897. Kruidenhof 26, Diemen. Projectnummer: K205941. 30 juni 2020. 23
4.5
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen -6 (ofwel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst -6 aan het plaatsgebonden risico van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.
Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. Toetsing Risico-inventarisatie Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen aanwezig is. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart met daarop het plangebied weergegeven door middel van een paarse stip. Uit raadpleging van de gegevens van de risicokaart blijkt dat het plangebied, voor wat betreft het zwembad aan de Ouderkerkerlaan 10 en de route voor gevaarlijke stoffen -6 aan de overzijde van het spoor, niet binnen de PR-contouren 10 en invloedsgebieden van deze risicobronnen ligt.
Ook de spoorlijn Duivendrecht-Diemen ligt op meer dan 230 meter zodat het plangebied buiten de meest relevante zones van het groepsrisico (de 200 meter zone), een plasbrandaandachtsgebied en een veiligheidszone ligt.
24
Uitsnede risicokaart met daarop het plangebied weergegeven (paarse stip) (Bron: www.risicokaart.nl).
Conform de gegevens van de risicokaart, het Basisnet Spoor en de Handreiking Risicoanalye Transport (HART) vindt over dit deel van de spoorlijn onder andere vervoer van gevaarlijke stoffen in de stofcategorie C3 plaats. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn, maar wel buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes betekent dit dat ingegaan moet worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit te brengen. Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de spoorlijn Duivendrecht-Diemen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.
Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met de D3 categorie stof, toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid.
25
1 Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier een bestaand spoor betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is, tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van het plangebied en de specifieke risicolocatie cruciaal. Het plangebied is voor de brandweer op een goede manier te bereiken, namelijk zowel via het noorden als het zuiden. De brandweer kan spoedig via de Bovenrijkersloot het plangebied bereiken in geval van een calamiteit. De inschatting is dat de brandweer binnen 10 minuten aanwezig kan zijn, zowel vanuit Duivendrecht als vanuit Diemen.
Op 100 meter ten oosten van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig dat in geval van een calamiteit ingezet kan worden als bluswatervoorziening voor het realiseren van een waterscherm waarmee de effecten van een toxische wolk kunnen worden beperkt. In en rondom het plangebied zijn voldoende opstelplaatsen voor de brandweer beschikbaar. 2 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Op een afstand van circa 230 meter afstand van het spoor is het ontstaan van een toxische wolk op het spoor het worstcase scenario. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen het plangebied moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op het spoor en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen. Vooraf instructie van personeel en aanwezigen is hierbij dus van belang.
Primair gaat NL-Alert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor het plangebied geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. Geconcludeerd kan worden dat
26
de vluchtwegen een goede ontvluchting mogelijk maken. Hierbij gaat het om de route Bovenrijkersloot-Diemerdreef-S112 die vervolgens verder van het spoor afleidt. Door goede communicatie omtrent een ongeluk op het spoor, en een goede instructie aan personeel en aanwezigen kan het risico van een ongeluk op het spoor worden verantwoord. Een goede instructie aan het personeel maakt dat de aanwezige mensen binnen het plangebied goed kunnen schuilen, of uit het plangebied kunnen worden gebracht. Daarnaast is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten en is er voldoende oppervlaktewater aanwezig om de effecten van een toxische wolk door middel van een waterscherm te beperken. Tevens mag er van uit worden gegaan dat bij een ramp op het spoor de brandweer snel ter plekke kan zijn voor het treffen van adequate maatregelen en dat voldoende voorzieningen aanwezig zijn voor het treffen van deze maatregelen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a.
27
woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van het aspect lucht6 kwaliteit te onderzoeken is door SAB een quick scan luchtkwaliteit opgesteld.
Op basis van de berekeningen wordt geconcludeerd dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. De bijdrage van verkeer is NIBM en de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) zijn beneden de Europese grenswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
6
SAB (2020). Quick scan luchtkwaliteit. Kruidenhof 26 te Diemen. Projectnummer: 200228. 3 juni 2020. 28
Toetsing 7 SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied “Markermeer en IJmeer” ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de “Markermeer en IJmeer” is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. 8
Daarom zijn stikstofberekeningen in AERIUS uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Uit de berekeningen volgt dat er met de ontwikkeling geen toename van stikstofdepositie te verwachten is op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie door de ontwikkeling zijn daarmee uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar de gevolgen van stikstofdepositie, in de vorm van een passende beoordeling, is niet noodzakelijk. Ook een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn verblijfplaatsen van vleermuizen en gierzwaluwen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de 9 aan- of afwezigheid van deze soorten is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te
7
SAB (2020). Quick scan natuur. Diemen, Kruidenhof 26. Projectnummer: 200228. 19 oktober 2020.
8
SAB (2021). Onderzoek stikstofdepositie. Kruidenhof 26 te Diemen. Projectnummer: 200228. 6 januari 2021.
9
SAB (2021). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Diemen, Kruidenhof 56. Projectnummer: 200228.01. 22 september 2021. 29
worden. Uit het onderzoek volgt dat er geen beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.8
Water en klimaatadaptatie Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. Nederlanders leven waterbewust. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.