CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Plantage de Sniep 2022_Toelichting_Bijlagen (1).pdf

Gemeenteraadsvergadering 20 april 2023, gemeente DiemenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplannen Plantage de Sniep 2022 en Bedrijventerrein 202232.514 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusies Vanuit milieuoogpunt zijn voor het overgrote deel van het plangebied geen acties meer nodig ten aanzien van bodem. Daar waar recent geen bodemonderzoek is verricht zijn ook geen belemmeringen te verwachten. Aangezien dit de bestaande situatie betreft en in dit deel geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden is het niet nodig hier extra bodemonderzoek uit te voeren. Ter plaatse van het voormalige Nedteerterrein is in de diepere ondergrond een restverontreiniging achtergebleven. De restverontreiniging is aan de bovenzijde (horizontaal) afgedekt met Trisoplast (op circa NAP -6 m). Ter plaatse mag dus niet zonder meer de diepte in gegraven/gebouwd worden. In het gehele gedeelte ten zuiden van de Muiderstraatweg is een leeflaag van minimaal 1,5 meter aangebracht; eronder bevindt zich licht verontreinigde grond. Een beschikking van de provincie NoordHolland, de daarbij behorende kadastrale registratie en het nazorgplan moeten nog volgen.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 27 -

17 februari 2011

5.1.2

Luchtkwaliteit Algemeen Bij het uitoefenen van de bevoegdheden of wettelijke voorschriften op het gebied van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat aan de luchtkwaliteiteisen van de Wet milieubeheer (artikel 5.16) wordt voldaan. Bij een Wro besluit (bestemmingsplanherziening, projectbesluit enz.) dient de achteruitgang van de luchtkwaliteit ten gevolge van een nieuwe ontwikkeling te worden bepaald ten opzichte van de autonome situatie. Een nieuwe ontwikkeling is een ontwikkeling die met het betreffende Wro besluit als eerste mogelijk wordt gemaakt. De bestaande situatie met inbegrip van de ontwikkelingen die zijn toegelaten op grond van de vigerende Wro besluiten wordt de autonome ontwikkeling of situatie genoemd. De autonome ontwikkeling wordt niet getoetst aan de luchtkwaliteiteisen en dus ook niet de vigerende bestemmingen van de onderliggende Wro besluiten die met de planherziening worden geconserveerd. Het opknippen van een nieuwe ontwikkeling in deelplannen is toegestaan, maar het totaal aan ontwikkelingen binnen een NSL periode en met een onderlinge afstand van niet meer dan 1000 meter moet voldoen aan de luchtkwaliteiteisen. De voorliggende planherziening en de planherziening voor het gebied ten noorden van de Muiderstraatweg dienen daarom te worden getoetst als ware het één project .

Met de beide planherzieningen wordt aan circa 10 hectare industrieterrein een woonbestemming toegekend, deels gemengd met andere bestemmingen. Aan Kriekenoord wordt met de planherziening een nieuw industrieterrein van circa 0,7 hectare geprojecteerd. Ten opzichte van de autonome ontwikkeling gaat de luchtkwaliteit er wat betreft de bedrijfsemissies dus op vooruit. Het verschil in de verkeersaantrekkende werking tussen de autonome ontwikkeling en de planontwikkeling is gering. De beide planherzieningen gezamenlijk kunnen op grond van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek dan ook worden aangemerkt als één NIBM project. Bij het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer (Inrichtingen) dient het bevoegd gezag eveneens aannemelijk te maken dat aan de luchtkwaliteiteisen wordt voldaan. Indien ter plaatse van voor het publiek toegankelijk gronden sprake zou zijn van een overschrijding van de grenswaarde door een bedrijfsemissie dienen de bevoegdheden tevens te worden aangewend om de overschrijding te beëindigen. Het uitvoeren van hoofdstuk 8 Wm staat los van het uitvoeren van de Wro en vindt plaats op basis van maatwerk.

Dit onderdeel van de luchtkwaliteitseisen wordt hier vermeld om aan te geven dat er van uit gegaan kan worden dat de luchtkwaliteitseisen door de bedrijven in acht worden genomen in alle situaties (autonoom en nieuwe ontwikkelingen). Voor de bestemmingsplanherzieningen is dat extra aannemelijk gemaakt met inwaartse milieuzonering van het bedrijventerrein. Het uitgevoerd luchtkwaliteitonderzoek wijst uit dat aan de planherzieningen aan de luchtkwaliteiteisen van de Wet milieubeheer voldoen (zie nr. 11, bijlage I).

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 28 -

Vastgesteld

Luchtkwaliteitseisen Wet Milieubeheer Met de Wet milieubeheer worden twee soorten luchtkwaliteiteisen gesteld aan een nieuwe ontwikkeling: • luchtkwaliteiteisen die betrekking hebben op de achteruitgang van de luchtkwaliteit die wordt veroorzaakt door de nieuwe ontwikkeling (artikel 5.16 Wm) ten opzichte van de autonome ontwikkelingen. • luchtkwaliteiteisen waarmee de blootstelling ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling aan banden wordt gelegd (artikel 5.16a Wm). De blootstellingeis geldt alleen voor gevoelige bestemmingen (of de uitbreiding daarvan) die binnen een zone langs een rijksweg (300 meter) of provinciale weg (50 meter) worden geprojecteerd. Bijvoorbeeld een basisschool is aangewezen als gevoelige bestemming, een woning niet. Het besluit waarmee een nieuwe ontwikkeling als eerste mogelijk gemaakt wordt moet voldoen aan één van de volgende 6 besluitgrondslagen die worden vermeld onder artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. 1) De grenswaarden Bijlage II Wm mogen al of niet na het treffen van mitigerende maatregelen niet worden overschreden als gevolg van de planherziening (artikel 5.16 eerste lid aanhef en onder a Wet milieubeheer). 2) Ten opzichte van de autonome ontwikkeling verbetert de luchtkwaliteit of blijft gelijk; (artikel 5.16 eerste lid aanhef en onder b, sub 1 Wet milieubeheer).

3) Ten opzichte van de autonome ontwikkeling verbetert de luchtkwaliteit per saldo (artikel 5.16 eerste lid aanhef en onder b, sub 2 Wet milieubeheer). 4) De nieuwe ontwikkeling draagt Niet In Betekenende Mate (NIBM) bij aan de achteruitgang van de luchtkwaliteit (artikel 5.16 eerste lid aanhef en onder c van de Wet milieubeheer). Dit is aannemelijk indien de ontwikkelingen is aangewezen met de Regeling NIBM Bijdragen. 5) Luchtkwaliteitonderzoek wijst uit dat de nieuwe ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de achteruitgang van de luchtkwaliteit (artikel 5.16 eerste lid aanhef en onder c van de Wet milieubeheer). 6) De nieuwe ontwikkeling is als project dat In Betekenende Mate (IBM) bijdraagt aan de achteruitgang van de luchtkwaliteit opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of het Regionaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (artikel 5.16 eerste lid aanhef en onder d van de Wet milieubeheer). Bij de besluitgronden 4 en 5 dient de anticumulatie bepaling voor NIBM projecten in acht te worden genomen.

De bepaling (artikel 5 van het Besluit NIBM bijdragen) is van toepassing indien binnen één NSL periode meer dan één NIBM project binnen een afstand van 1.000 meter van elkaar worden gerealiseerd en waarbij er door de verkeersaantrekkende werking langs gezamenlijk gebruikte infrastructuur een achteruitgang van de luchtkwaliteit wordt verwacht van meer dan 0,1 microgram/m3 PM10 of NO2. Is hiervan sprake dan dienen de betreffende projecten te worden onderzocht en getoetst als één NIBM project.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 29 -

17 februari 2011

Voor de besluitgrondslagen 1, 2, 3 en 5 is luchtkwaliteitonderzoek noodzakelijk om aannemelijk te maken dat aan de luchtkwaliteiteisen wordt voldaan. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Voor besluitgrondslag 3 dient te worden gesaldeerd conform de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007. Indien de nieuwe ontwikkeling ten opzichte van de autonome ontwikkeling niet meer dan 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide (=1,2 microgram/m3) of 3 % (=1,2 microgram/m3) van de grenswaarde voor zwevend stof (PM10) bijdraagt aan de achteruitgang van de luchtkwaliteit is sprake van een NIBM project. Zoals onder de opsomming van de grondslagen al is aangegeven (onder 4 en 5) zijn er twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat sprake is van een NIBM project. 1. De nieuwe ontwikkeling is met de Regeling NIBM Bijdragen aangewezen als NIBM project. Luchtkwaliteitonderzoek kan dan achterwege blijven. Aangewezen als NIBM project zijn: a. Woningen. Nieuwe ontwikkelingen die voorzien in een toename met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en bij gelijkmatige verkeersverdeling over twee ontsluitingswegen niet meer dan 3.000 woningen. b. Kantoren.

Nieuwe ontwikkelingen die voorzien in een toename van het bruto vloeroppervlak (BVO) met niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij gelijkmatige verkeersverdeling over twee ontsluitingswegen. c. Combinatie van woningen en kantoren bij een ontsluitingsweg. Bij een ontsluitingsweg zijn aangewezen nieuwe ontwikkelingen waarbij 0,0008 maal het aantal woningen vermeerderd met 0,000012 maal het BVO in m2 niet groter is dan 1,2 en bij een gelijkmatig verkeersverdeling over twee ontsluitingswegen niet meer dan 1.500 woningen en 100.000 m2 BVO. d. Akker- en tuinbouw en kinderboerderijen. Alle nieuwe ontwikkelingen, met alleen voor verwarmde kassen een bovengrens van 2 hectare. e. Spoorwegemplacement: alle nieuwe projecten voor zover de toename van het aantal dieseltractie-uren niet meer bedraagt dan 7.500 uur op jaarbasis. 2. Onderzoek conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 wijst uit dat de bestemmingsplanherziening een NIBM project is omdat het 3% grens niet wordt overschreden. 3. Plangebied(en) 4. De beide planherzieningen voorzien niet in een nieuwe ontwikkeling met gevoelige bestemmingen in de zone langs een rijksweg of provinciale weg zodat de toetsing aan de luchtkwaliteiteis inzake de blootstelling (artikel 5.16a van de Wm) achterwege kan blijven.

De planherziening is niet als IBM project opgenomen in het NSL of RSL, zodat besluitgrondslag nummer 6 afvalt.

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 30 -

Vastgesteld

5. Met de Regeling NIBM Bijdragen is nieuwe ontwikkeling (woningbouw en de met een kantoorfunctie vergelijkbare bestemming) aangewezen als NIBM project. Voor sec deze ontwikkeling is geen luchtkwaliteitonderzoek vereist. De niet met een kantoorfunctie vergelijkbare bestemmingen (winkels e.d.) en het nieuwe industrieterrein aan Kriekenoord zijn (nog) niet als NIBM project aangewezen zodat besluitgrond 4 desondanks afvalt. Voor de resterende gronden 1, 2, 3 en 5 is een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Op grond van anticumulatie bepaling (artikel 5 Besluit NIBM Bijdragen) dient de nieuwe ontwikkeling die met beide planherzieningen mogelijk wordt gemaakt te worden getoetst als ware het één project: • de nieuwe ontsluitingwegen sluiten allen aan op de Muiderstraatweg; • de afstand tussen de deelgebieden met een nieuwe ontwikkeling is minder dan 1.000 meter; • er wordt geen bouwfaseringvoorschrift aan de planherzieningen verbonden, zodat de wet er van uitgaat dat de nieuwe ontwikkeling binnen de huidige NSL periode (tot augustus 2014) wordt gerealiseerd; • niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de achteruitgang van de luchtkwaliteit langs de Muiderstraatweg ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling niet meer zal bedragen dan 0,1 microgram/m3 PM10 of NO2.

Het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek maakt aannemelijk dat de luchtkwaliteit over het gehele gebied gemiddeld en ten opzichte van de autonome ontwikkeling er op vooruitgaat. De beide planherzieningen gezamenlijk vormen in ieder geval één NIBM project. 6. Dit ligt overigens ook zonder luchtkwaliteitonderzoek voor de hand: met de planherzieningen wordt aan netto 9 hectare industrieterrein de industriebestemming onttrokken om er een woonwijk te projecteren. De bijdrage vanuit de bedrijfsbronnen in de autonome situatie neemt dus af en het verschil in verkeeraantrekkende werking tussen de autonome ontwikkeling en de planontwikkelingen is te gering voor een andersluidende conclusie. 5.1.3

Externe veiligheid A Inleiding De gemeente is verplicht ingevolge de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het bepaalde in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen onderzoek te doen naar de externe veiligheid. Daarbij wordt nagegaan aan welke risico’s toekomstige gebruikers van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van een risicobron met gevaarlijke stoffen zijn/worden blootgesteld. Het beleid inzake externe veiligheid is erop gericht om risico’s zoveel mogelijk te voorkomen door de kans op het ontstaan van een calamiteit en de effecten daarvan te beperken. Daartoe is het van belang na te gaan of en welke maatregelen ten aanzien van de risicobron of in de ruimtelijke omgeving getroffen kunnen worden en of maatregelen mogelijk zijn die de zelfredzaamheid van burgers en de beheersbaarheid van een calamiteit kunnen optimaliseren. BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 31 -

17 februari 2011

In deze paragraaf zal eerst kort worden ingegaan op de achtergronden van het beleidskader ‘externe veiligheid’ en de risicoanalyse die door adviesbureau Oranjewoud in oktober 2009 in opdracht van de gemeente Diemen voor het plangebied is uitgevoerd. Vervolgens zullen de onderzoeksresultaten in relatie tot de gemaakte keuzen worden verantwoord. In onderstaande figuur is de ligging van het plangebied van het bestemmingsplan ‘Plantage De Sniep’ afgebeeld, met daarbij de in het licht van externe veiligheid van belang zijnde spoorlijn over het traject Duivendrecht-Weesp die het plangebied deels doorsnijdt en de lokale routering ten behoeve vervoer van gevaarlijke stoffen ten oosten van het plangebied.

Afbeelding 5.1: Plangebied Plantage de Sniep met beide risicobronnen.

B. Beleidskader externe veiligheid Plaatsgebonden risico en groepsrisico Externe veiligheid is aan de orde bij de opslag of transport van gevaarlijke stoffen en kan betrekking hebben op bedrijven (inrichtingen) of transportroutes (over water, weg of spoor). Bij de beoordeling van de externe veiligheid in relatie tot de ruimtelijke omgeving worden twee soorten risico’s onderscheiden: a. het risico dat een onbeschermd persoon, die zich ononderbroken op een bepaalde locatie bevindt, overlijdt als gevolg van een bepaalde gebeurtenis. Dit is het zogeheten ‘plaatsgebonden risico’ (hierna: PR); b. het risico dat bij één gebeurtenis een groep mensen van tenminste een bepaalde grootte omkomt, oftewel het zogeheten ‘groepsrisico’ (hierna: GR). Het PR wordt uitgedrukt als een kans per jaar (10-6 voor nieuwe situaties en 10-5 voor bestaande situaties) en wordt aangegeven op een plankaart door middel van contouren. 9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 32 -

Vastgesteld

Binnen de 10-6 –contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. In een bestemmingsplan wordt dit doorgaans verzekerd door de bestemming aan beide zijden van de contour daarop aan te passen en de risicoaspecten in de bestemmingsplanvoorschriften in acht te nemen. Voor het GR geldt geen vaste norm maar een ‘oriënterende waarde’. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit gebied wordt begrensd door de 1% letaliteitgrens, ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden als gevolg van een bepaalde gebeurtenis. Het GR wordt weergegeven door middel van een zogeheten ‘fN-curve’, waarbij de kans (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Van de oriënterende waarde kan worden afgeweken mits dit gemotiveerd wordt verantwoord (de ‘verantwoordingsplicht’). Bij de verantwoording kan de ‘Handreiking verantwoording groepsrisico’ (hierna: ‘Handreiking’) van het ministerie van VROM als leidraad gehanteerd worden. BEVI en Circulaire Ten aanzien van inrichtingen (en hun omgeving) waar gebruik, opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is het op 27 oktober 2004 in werking getreden ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (BEVI) van toepassing.

Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen over water, weg, spoor of per buisleiding is opgenomen in de ‘Circulaire (risico-)normering vervoer gevaarlijke stoffen’ van augustus 2004 (hierna: ‘de Circulaire’). Deze Circulaire is een nadere uitwerking van de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: “nota RNVGS”). Met de Circulaire is zoveel mogelijk aangesloten bij het BEVI. Verantwoordingsplicht Zowel het BEVI als de Circulaire kent de plicht tot verantwoording van het groepsrisico, hetgeen inhoudt dat iedere wijziging in het groepsrisico als gevolg van planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Bij deze verantwoording dient onder andere te worden gekeken naar de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Gewerkt wordt aan de invoering van een landelijk Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en aan de inwerkingtreding van het ‘Besluit houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van transportroutes milieubeheer’ (Besluit transportroutes externe veiligheid). Over de maatregelen in het kader van Basisnet heeft overleg plaatsgevonden met het bedrijfsleven, die heeft ingestemd met het ontwerp Basisnet Spoor. Door de voorgenomen maatregelen neemt de Groepsrisico overschrijding af. Dit komt met name door het herrouteren via de Betuweroute van treinen naar noord en oost Europa.

De Tweede Kamer is hier door de Minister van Verkeer en Waterstaat over geïnformeerd. Medio 2010 worden alle afspraken verder vastgelegd.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 33 -

17 februari 2011

Vooruitlopend op het Basisnet is bij de uitgevoerde risicoanalyse al gedeeltelijk rekening gehouden. Dit betekent bijvoorbeeld dat getoetst is aan het aanvullende vereiste van het zogeheten ‘plasbrandaandachtsgebied’, een strook van 30 meter gemeten vanaf de buitenzijde van het buitenste spoor, waarbinnen onderzocht moet worden hoe schade en letsel ten gevolge van de warmte van een plasbrand beheerst kan worden. C. Risicoanalyse Het aspect externe veiligheid dient beoordeeld te worden vanuit de risico’s die een bepaalde activiteit voor de omgeving kan opleveren en vanuit de risico’s die de omgeving voor de activiteit kan veroorzaken. Het adviesbureau Oranjewoud heeft in oktober 2009 in opdracht van de gemeente Diemen een risicoanalyse uitgevoerd voor het plangebied (zie nr. 12 en 13, bijlage I). C.1 Inventarisatie risicobronnen Teneinde te kunnen bepalen of in het onderhavige plangebied een of meerdere risicovolle activiteiten plaatsvinden, heeft eerst een inventarisatie van de risicobronnen plaatsgevonden. Bij een dergelijke inventarisatie dient te worden gekeken naar de mogelijke aanwezigheid in het plangebied van: • inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden; • transportroutes van gevaarlijke stoffen (over weg, water en/of spoor); • buisleidingen.

C.1.1 Inrichtingen Uit de risicoanalyse blijkt dat er slechts één BEVI-bedrijf (benzinestation De Blokhut) in de nabijheid van het plangebied aanwezig is. Dit bedrijf is gelegen op 350 meter afstand van het plangebied; het invloedsgebied van dat bedrijf reikt derhalve niet tot het plangebied. Daarmee vormt de inrichting geen belemmering voor de geplande ontwikkelingen. C.1.2 Transportroutes van gevaarlijke stoffen Weg Het transport van gevaarlijke stoffen over de A1 en A10 vormt eveneens geen belemmering voor de geplande ontwikkelingen, omdat uit onderzoek is gebleken dat geen van de invloedsgebieden van de getransporteerde stofcategorieën over het plangebied vallen. In november 2009 is in de gemeente Diemen een lokale routering ten behoeve van vervoer van gevaarlijke stoffen in gebruik. Deze routering loopt ondermeer over de Provinciale weg direct ten oosten van het plangebied. In het kader van het uitgevoerde onderzoek naar externe veiligheid is – wegens het ontbreken van transportcijfers – met de aanname gewerkt dat vervoer van brandbare gassen en vloeistoffen over de routering plaatsvindt. Voor brandbare vloeistoffen bedraagt het invloedsgebied 30 meter, voor brandbare gassen 250 meter.

Aangezien de afstand tussen het plangebied en de Provinciale weg circa 40 meter bedraagt, ligt het zuidoostelijke deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Aangezien binnen het invloedsgebied van brandbare gassen, woningen zullen worden gerealiseerd, is de verwachting dat het GR veroorzaakt door de lokale routering zal toenemen. 9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 34 -

Vastgesteld

Spoor Aan de westkant van het plangebied loopt het spoortraject Duivendrecht – Weesp. Uit het externe veiligheidsonderzoek van Oranjewoud volgt dat de invloedsgebieden van alle getransporteerde stofcategorieën over het plangebied liggen. Om die reden dient voor de ontwikkeling van Plantage de Sniep het PR en het GR onderzocht te worden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 Overzicht relevante onderzoeken.

C.1.3 Buisleidingen Op circa 450 meter van het plangebied loopt een hogedruk aardgastransportleiding. Volgens de gegevens van de gasunie heeft deze buisleiding een 10-6 /jaar PR-contour van 12 meter. Aangezien deze niet tot het plangebied reikt, heeft deze hogedrukaardgasleiding geen beperkende invloed op de geplande ontwikkelingen. C.2 Conclusie inventarisatie risicobronnen In het kader van onderhavig bestemmingsplan is het aspect externe veiligheid aan de orde in relatie tot het spoortraject Duivendrecht-Weesp dat door het plangebied loopt en in relatie tot de lokale routering voor vervoer van gevaarlijke stoffen die ten oosten van het plangebied loopt. Aangezien transportcijfers met betrekking tot de lokale routering (vooralsnog) ontbreken, is in het kader van de beoordeling van de gevolgen van deze risicobron voor de externe veiligheid, uitgegaan van aannames. Vast staat wel dat de intensiteit van het transport van gevaarlijke stoffen over de lokale routering in vergelijking met het transport over het spoor aanzienlijk lager ligt.

Gelet daarop en gelet op het feit dat slechts een deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobron ligt, is in het onderzoek naar de gevolgen van realisering van Plantage de Sniep op de externe veiligheid en de verantwoording daarvan, hoofdzakelijk ingegaan op de risico’s verbonden aan vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. C.3 Conclusie risicoanalyse Uit het externe veiligheidsonderzoek volgt, dat de PR-contour op 9 meter vanaf het spoor ligt. De PR-contour legt geen beperkingen op aan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling, nu de geplande woningen met een afstand van tenminste 20 meter tot het spoor buiten de 10-6 -contour liggen. Ten aanzien van het GR geldt, op basis van de uitgangspunten van het uitgevoerde onderzoek, dat deze als gevolg van de geprognosticeerde toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen en als gevolg van de geplande ruimtelijke ontwikkeling, toeneemt en dat de oriëntatiewaarde wordt overschreden (de huidige situatie afgezet tegen de toekomstige situatie). Het hoogste GR per kilometer laat volgens het onderzoek een vergelijkbaar beeld zien, hetgeen erop duidt dat het hoogste GR van het traject ter hoogte van het plangebied is gelegen.

De toename van het GR en de overschrijding van de OW zijn te verklaren door de toename van het goederenvervoer en door de toename van het aantal personen binnen het plangebied en het invloedsgebied van het spoor, en worden hierna verantwoord.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 35 -

17 februari 2011

D. Verantwoording groepsrisico In het kader van de onderhavige bestemmingsplanprocedure is het groepsrisico beoordeeld aan de hand van de Circulaire, er is immers sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over onder andere het spoor. Voor de opzet en inhoud van de verantwoording van de in de risicoanalyse gebleken toename van het GR en de overschrijding van de oriënterende waarde, welke voornamelijk plaatsvinden als gevolg van de geprognosticeerde toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door onderhavig bestemmingsplan, wordt aangesloten bij de Handreiking. Tabel 8 van de Handreiking geeft de onderdelen weer die krachtens de artikelen 12 en 13 van het BEVI in ieder geval in de verantwoording van het groepsrisico moeten worden opgenomen. Voor zover de verschillende onderdelen van toepassing zijn in het plangebied Plantage De Sniep, zullen zij hieronder nader aan de orde komen. In plaats van ‘inrichting’ dient ‘transportroute’ te worden gelezen. Wettelijke onderdelen van de verantwoordingsplicht 1

Aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de betrokken inrichting • functie-indeling • gemiddelde personendichtheid (totaal en per functie/locatie) • verblijfsduurcorrecties • verschil tussen bestaande en nieuwe situatie

2

De omvang van het groepsrisico • de omvang voor het van kracht worden van het besluit • de omvang na het van kracht worden van het besluit • de verandering van het groepsrisico ten gevolge van het besluit • de ligging van de groepsrisicocurve ten opzichte van de oriëntatiewaarde

3

De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico bij de betrokken inrichting(en) De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in het ruimtelijke besluit De mogelijkheden tot voorbereiding op en bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval • pro-actie • preventie • preparatie • repressie/zelfredzaamheid De mogelijkheden van personen die zich in het invloedsgebied van de inrichting bevinden om zichzelf in veiligheid te brengen De voor- en nadelen van andere mogelijkheden tot ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico De mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst

4 5

6 7 8

Vgl. tabel 8. Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico, VROM november 2007.

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 36 -

Vastgesteld

De beoordeling of en zo ja, welke GR-verminderende maatregelen moeten worden getroffen heeft integraal plaatsgevonden. Daarbij heeft een (maatschappelijke) afweging plaatsgevonden ten aanzien van de risicodragende activiteit, en van de maatregelen die dat risico moeten verminderen. Voor zover het niet mogelijk is gebleken om risicoverminderende maatregelen te treffen, is gestreefd naar een zo laag mogelijk risico conform het ALARA-beginsel (As Low As Reasonably Achievable). Het aspect externe veiligheid staat bij de gemeente Diemen hoog op de agenda. Vanwege het belang dat wordt gehecht aan een zo veilig mogelijke leefomgeving voor al haar inwoners, is de externe veiligheid vanaf het begin geïntegreerd in het planproces, onder andere door de diverse veiligheidselementen zo goed mogelijk te integreren in het stedenbouwkundig ontwerp. Deze komen hierna in de puntsgewijze onderbouwing van de GR-verantwoording nader aan de orde. Bij de totstandkoming van onderhavig bestemmingsplan heeft een intensieve samenwerking en overleg plaatsgevonden tussen gemeente, brandweer, projectontwikkelaar, en ProRail mede ook in verband met de planstudie die wordt uitgevoerd in het kader van de spooruitbreiding OV SAAL (spoortraject Schiphol – Amsterdam – Almere – Lelystad) en het tracébesluit OV SAAL traject HoofddorpDiemen korte termijn dat in 2010 is vastgesteld.

Laatstgenoemd tracébesluit voorziet in maatregelen die op korte termijn nodig zijn op het traject Hoofddorp-Diemen, vooruitlopend op maatregelen die op de langere termijn nodig zullen zijn op het traject Schiphol-Lelystad. Voor Diemen bevat het tracébesluit alleen geluidmaatregelen en ook maatregelen en afspraken met betrekking tot externe veiligheid. Dit in verband met de toename van het aantal reizigerstreinen in combinatie met extra, kruisende goederentreinen die vanaf de Hanzelijn langs Duivendrecht naar Breukelen en verder zullen rijden. Er zullen geen fysieke uitbreidingen plaatsvinden van het bestaande spoor in de gemeente Diemen. D.1 Aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de betrokken inrichting Functie-indeling Het plangebied Plantage de Sniep ligt ten oosten van de kern van de gemeente Diemen. Het plangebied wordt voornamelijk ingevuld met de functie wonen. Daarnaast zijn ten oosten van het spoor in de noordzijde van het plangebied bedrijven voorzien. Volledig in het oostelijke deel van het plangebied zal een woonvoorziening voor mensen met een verstandelijke beperking worden gerealiseerd. Tussen deze woonvoorziening en de bedrijvenlocatie is een instelling voor basisonderwijs geprojecteerd. Zie tevens onderstaande afbeelding 5.2 voor een schematische indeling van het plangebied.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 37 -

17 februari 2011

2

3

4

4

4

1

4 1: woonvoorziening geestlijk gehandicapten 2: bedrijven 3: school 4: woningen Afbeelding 5.2: Functie-indeling plangebied Plantage de Sniep

Gemiddelde personendichtheid incl. verblijfsduurcorrectie, verschil toekomstige situatie en nu In de toekomstige situatie worden maximaal 1.500 woningen, een aantal bedrijven/kantoren een school en een woonvoorziening voor mensen met een verstandelijke beperking gerealiseerd. Door Oranjewoud is onderzoek verricht naar de gemiddelde personendichtheid in het gebied per functie, in de huidige en in de toekomstige situatie. Voor de berekening van de personendichtheden is gebruik gemaakt van de GBKN-kaart (Grootschalige Basiskaart Nederland) en vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Diemen. De aannames waarmee voor verschillende functies is gewerkt, zijn gebaseerd op de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico en de PGS richtlijnen (Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 1, deel 6, Ministerie van Vrom december 2003). Uit het onderzoek volgt dat er een toename zal plaatsvinden van de aanwezigheid van 3.196 personen overdag en 2.335 personen in de nacht. Deze toename kan vooral verklaard worden uit het gegeven dat het plangebied onder het vigerende bestemmingsplan geen woonbestemming heeft en dat de huidige bedrijfsbestemming in het plangebied met name bedrijven met lage werknemersintensiteit mogelijk maakt.

D.2 De omvang van het groepsrisico Het groepsrisico is berekend voor één kilometer spoor ter hoogte van de zone waar de realisatie van het plangebied gaat plaatsvinden, zowel voor de huidige als voor de toekomstige situatie. Voor de toekomstige situatie is geen rekening gehouden met de ontwikkelingen in het kader van OV SAAL. Voor de berekening van het groepsrisico is gebruikgemaakt van het risicoberekeningsprogramma RBM II, versie 1.2.1.

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 38 -

Vastgesteld

In de huidige ruimtelijke situatie blijft de groepsrisicocurve volgens het onderzoek van Oranjewoud en de in dat onderzoek gehanteerde uitgangspunten, onder de oriëntatiewaarde. Na realisatie van de beoogde ontwikkeling in het plangebied wordt deze waarde overschreden. Deze wijziging wordt verklaard door de toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoortraject langs de gemeente Diemen en de toename van de personendichtheid in het plangebied. In de huidige situatie bevinden zich in het plangebied vooral bedrijven met een lage personenbezettingsgraad. In de toekomstige situatie zullen onder andere (maximaal) 1.500 woningen, een school en een woonvoorziening voor mensen met een verstandelijke beperking gerealiseerd worden, met een directe toename van de personendichtheid als gevolg.

D.3 Brongerichte maatregelen In het overleg tussen gemeente, lokale brandweer en Prorail is aan de orde gekomen in hoeverre het mogelijk is om bronmaatregelen te treffen die gericht zijn op verlaging van het risico van een calamiteit bij/op het spoor. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen algemene maatregelen, maatregelen die in het kader van OTB SAAL, tracé HoofddorpDiemen worden genomen en maatregelen in het ruimtelijk besluit. Algemene maatregelen Crashbuffers en overbufferbeveiliging Sinds 2005 moeten nieuwe wagons – als gevolg van internationale eisen die aan transport van gevaarlijke stoffen worden gesteld – voor specifieke gassen klasse A en B voorzien zijn van energie absorberende elementen. Voor giftige gassen geldt dit bovendien ook voor de huidige vloot met als uiterste realisatiedatum 2011. Nieuwe wagens voor toxische gassen moeten daarnaast vanaf 2007 ook van een beveiliging tegen overbuffering (ter beperking van de kans op doorboring van de ketelwagen in geval van een botsing) worden voorzien. Treinsamenstelling Mogelijk wordt in 2010 een landelijk convenant gesloten tussen Prorail, overheid en vervoerders over het treffen van een aantal maatregelen die resulteren in BLEVE-vrij rijden(transport in bloktreinen in plaats van bonte treinen) zodat geen gecombineerd vervoer meer plaatsvindt van zeer brandbare vloeistoffen en zeer brandbare gassen.

Op die manier wordt de kans op het optreden van een warme “BLEVE” weggenomen. Maatregelen in het kader van TB OV-SAAL Wissels De veiligheid kan worden vergroot door keuzes te maken ten aanzien van het aantal of type wissels dat wordt gebruikt. Wissels zijn kwetsbare plaatsen in een spoor, het wegnemen ervan draagt bij aan een lagere faalfrequentie en daarmee een kleiner risico. Door het anders plaatsen van de wissels kan mogelijk de omvang van de effecten van een calamiteit worden verkleind.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 39 -

17 februari 2011

Eis-wissels In het kader van de ontwikkelingen omtrent OV SAAL zal een ander (veiliger) type wissel worden toegepast, te weten ‘eis-wissels’. Dit zijn wissels die met elkaar gekoppeld zijn op een zodanige wijze dat een botsing van treinen niet mogelijk is. Het gebruik van deze vorm van koppeling maakt onderdeel uit van het tracébesluit OV SAAL. ATB-vv Als onderdeel van het tracébesluit OV SAAL zal de ATB verbeterde versie (ATB-vv) worden toegepast. Dit is een beheersmaatregel die zorgt voor het automatisch remmen van een trein wanneer deze door een rood sein rijdt, zodat de botskans nabij wissels verlaagd wordt. De ATB-vv werkt ook bij snelheden beneden de 40 km/uur. Snelheid Tenslotte wordt door het verlagen van de op het spoor gehanteerde snelheid tot maximaal 40km/uur de kans op een calamiteit en de omvang van de gevolgen daarvan verkleind. Nadeel hiervan is echter het negatieve effect dat optreedt op het vervoersproces, omdat een groter beslag op de beschikbare capaciteit wordt gelegd dan wanneer met hogere snelheid wordt gereden. Het verlagen van de snelheid is daarom feitelijk in strijd met de doelstelling van het project OV SAAL, te weten om de capaciteit van de infrastructuur te vergroten zodat met name meer reizigerstreinen gereden kunnen laten worden.

Om die reden zal deze maatregel wellicht als uiterste terugval optie, beperkt kunnen worden toegepast tot uitsluitend de goederentreinen met gevaarlijke stoffen. In het tracébesluit is opgenomen dat bij een toename boven de 3,6 nadere maatregelen zullen worden getroffen mits deze maatregelen geen significante beperking betekenen voor het reizigersverkeer. Hiertoe zal monitoring plaatsvinden van het goederenvervoer via dit baanvak. Het treffen van bovengenoemde maatregelen ligt niet binnen de beslissingsbevoegdheid van de gemeente. In onderhavige procedure kan ten aanzien hiervan dan ook geen kader worden gesteld. Desalniettemin zal de gemeente zich blijven inspannen om deze maatregelen voor zover nodig, te (doen) realiseren. D.4 Maatregelen in het ruimtelijk besluit Door een goede ruimtelijke ordening kunnen de nadelige gevolgen van incidenten met bepaalde gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk worden voorkomen en beperkt. Risicobronnen scheiden van ontvangers Ter beperking van de effecten is het nodig om functiebeperkingen aan te brengen aan de direct aan het spoor gelegen c.q. geprojecteerde bebouwing. In het bestemmingsplan is daarom ten aanzien van het gebied ter breedte van 150 meter vanaf het spoor bepaald dat nieuwe functies voor groepen beperkt zelfredzame personen (zoals kinderdagverblijven, basisscholen, zorginstellingen) zijn uitgesloten.

Het gebouw van Pantar valt voor een klein deel binnen de 150 meter zone. Het betreft hier een historisch bestaande situatie welke in het bestemmingsplan blijft bestaan.

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 40 -

Vastgesteld

Op advies van de brandweer is het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan aangepast en zijn de geplande school en de woonvoorzieningen voor geestelijk gehandicapten geprojecteerd op een afstand van (aanzienlijk) meer dan 150 meter van het spoor, de bedoelde woonvoorziening zal zelfs circa 500 meter van het spoor gelegen zijn. Daarmee bevinden zij zich buiten het 100% letaliteitsgebied van brandbare gassen. Met de stedenbouwkundige opzet van het plan is eveneens gestreefd naar het zoveel mogelijk voorkomen/beperken van de nadelige gevolgen van incidenten. Zo is de wegenstructuur zodanig opgezet dat zelfredzaamheid gewaarborgd is. Het openbaar gebied fungeert tevens als opvanggebied in geval van calamiteiten. Verder zal waar mogelijk de entree van de woningen – evenals de verblijfsruimten – niet aan de spoorzone georiënteerd worden en de langs het spoor geprojecteerde kantoor-/ bedrijfsruimte arbeidsextensief worden. Bij de westelijke punt van plangebied Plantage de Sniep zal op advies van de brandweer worden voorzien in een extra vluchtmogelijkheid van het spoor af, in de vorm van een brug of overkluizing. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid hiertoe. Voor zover mogelijk, zullen woningen dienen te worden uitgevoerd met versterkte gevels aan de spoorzijde en zal in die gevels lichttoetreding worden mogelijk gemaakt door middel van glazen bouwblokken.

Onderzoek heeft uitgewezen dat deze voorschriften niet zijn vast te leggen in het bestemmingsplan; in de bouwplannen echter wordt hier wel degelijk rekening mee gehouden. Beperken van de grootte van de ontwikkeling In het bestemmingsplan is zoveel als mogelijk sturing gegeven aan het maximaal aantal personen dat blootgesteld wordt aan het mogelijke risico als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Het gebied binnen een afstand van 150 meter van het spoor zal deels bestemd worden als ‘kantoren/bedrijven’ en deels als ‘wonen’. Voor de geplande bedrijven geldt dat enkel bedrijvigheid met een lage werknemersintensiteit zal worden toegelaten. Via de bedrijvenlijst bij het bestemmingsplan wordt de vestiging van arbeidsintensieve functies voorkomen. Het type woningen dat binnen de afstand van 150 meter van het spoor zal worden geprojecteerd, zal zich vooral lenen voor bewoning door eenpersoonshuishoudens. Op die manier is het aantal personen dat zich op korte afstand van het spoor bevindt tot een absoluut minimum beperkt. In het plangebied zal ook een woonvoorziening voor mensen met een verstandelijke beperking worden gerealiseerd. Omdat het hierbij gaat om mensen met een beperkte(re) mate van zelfredzaamheid, wordt dit gebouw, zoals hiervoor opgemerkt, geprojecteerd op een afstand van circa 500 meter van het spoor.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 41 -

17 februari 2011

D.5 Effectgerichte maatregelen Bestrijdbaarheid van een rampscenario Bij de bestrijding van een eventueel rampscenario moet onderscheid worden gemaakt in een calamiteit met brandbare vloeistoffen, brandbare gassen, toxische vloeistoffen en toxische gassen. De reikwijdte van het effectgebied is onder andere afhankelijk van de soort en hoeveelheid gevaarlijke stof die erbij betrokken is, maar ook van bijvoorbeeld weersomstandigheden. Zo is de effectafstand van een plasbrand circa 30 meter, maar is de effectafstand van een toxische gaswolk uiteraard veel groter. De brandweer Amsterdam-Amstelland heeft geadviseerd te verzekeren dat er goede bluswatervoorzieningen aanwezig zijn rondom het spoor en dat het spoor goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Bij een calamiteit met een toxische gaswolk zullen personen niet in staat zijn om te vluchten, in dat geval is dus noodzakelijk dat de personen in het gebied snel gewaarschuwd kunnen worden om te schuilen, dat er voldoende schuilmogelijkheden zijn en dat evacuatie uit het gebied eenvoudig mogelijk is. In bouwplannen moet voor zover mogelijk rekening gehouden worden met de mogelijkheid om airconditioningsystemen centraal te regelen (en af te kunnen sluiten). De in het plan voorziene wegenstructuur maakt een goede en snelle bereikbaarheid van het spoor door hulpdiensten mogelijk.

Voor zover het nabijgelegen water niet of onvoldoende als bluswater kan dienen, zal een geboorde put worden gerealiseerd. In overleg met de brandweer zal een goede informatievoorziening worden opgezet richting burgers over hoe te handelen in geval van een calamiteit en een systeem van risicocommunicatie ingeval zich een calamiteit voltrekt. Uiteraard gelden dezelfde aandachtspunten in geval van een BLEVE op de lokale routering. Inrichting van het gebied t.b.v. faciliteren van bestrijding Maatregelen zullen worden getroffen zodat de toegangswegen tot het spoor en de belangrijkste vluchtroutes uit het gebied van de risicolocatie af zullen worden vrijgehouden voor hulpvoertuigen. Langs het spoor bevinden zich geluidsschermen voorzien van nooddeuren. Deze zijn/worden toegankelijk gemaakt voor brandweer en hulpdiensten en zullen worden voorzien van vluchtdeuren en –trappen om de circa 200 meter. Deze geluidsschermen hebben mogelijk enigszins een afschermende werking bij de verspreiding van een toxische wolk of stralingseffecten bij een brand. Door de brandweer wordt nagegaan dat het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) een volledige dekking over het bestemmingsplangebied heeft. De tramlus zal mede worden ingezet als uitgangsstelling (UGS) voor de brandweer in geval van calamiteiten. Naast het spoor ligt een werkspoor van waaruit het spoor kan worden bereikt.

Tevens zullen de wegen zelf langs het spoor fungeren als opstelplaats.

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 42 -

Vastgesteld

D.6 Zelfredzaamheid Onder zelfredzaamheid wordt verstaan; het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Zelfredzaamheid is mogelijk door schuilen of ontvluchten, afhankelijk van de aard van de calamiteit (vluchten in geval van een BLEVE en schuilen in geval van een toxische gaswolk). Van cruciaal belang is dat mensen tijdig worden gealarmeerd en dat zij op de hoogte zijn van de vereiste en mogelijke handelwijze(n). Dit is met name van groot belang omdat er sprake is van verschillende scenario’s die zich kunnen voordoen waarbij tegenstrijdige acties benodigd zijn. Voorts is een goede ontsluiting van het plangebied uiteraard van groot belang. Aangezien het zuidelijke deel van het plangebied grotendeels wordt omringd door water en ontvluchting alleen over de bruggen richting het noorden kan plaatsvinden, zal de breedte van de wegen ter hoogte van de aansluitende bruggen zodanig worden dat zij als vluchtwegen kunnen worden gebruikt. Ten behoeve van de bewoners van de woningen aan de westkant van het spoor, zal een vluchtmogelijkheid van het spoor af worden gerealiseerd in de vorm van een brug of overkluizing. D.7 Voor- en nadelen van ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico Er zijn twee varianten denkbaar die tot gevolg hebben dat het GR in beperktere mate toeneemt.

Het verminderen van het aantal transportbewegingen van gevaarlijke stoffen over het spoor, zou het GR beslist ten goede komen. De gemeente Diemen heeft op de mate van intensiteit van het transport echter geen invloed. In die zin is dit ten behoeve van alleen het plangebied Plantage De Sniep geen realiseerbaar alternatief, al vindt hierover wel overleg plaats in het kader van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS). Het plangebied ligt relatief dicht bij het spoor, en volledig binnen het invloedsgebied van de getransporteerde gevaarlijke stoffen. Slechts wanneer het plangebied volledig buiten deze invloedssfeer zou worden gesitueerd zou dit een positieve invloed op het GR hebben. Aan een dergelijke wijziging ligt echter een afweging ten grondslag waarin externe veiligheid slechts één aspect is, naast economische, sociale, stedenbouwkundige, financiële en technische aspecten. Het intensief bebouwen van Plantage de Sniep is een initiatief dat afgezet moet worden tegen alternatieve uitbreidingen van Diemen, aan de rand van de gemeente. Los van het feit dat er op deze schaal geen alternatieve locaties voor een omvangrijk programma als dit bestaan, is het zorgvuldig benutten van open ruimte – ook als dat om “gecompliceerde ” locaties als deze gaat, een groot goed: zorgvuldig ruimtegebruik voorkomt verspilling van schaarse open (groene) ruimte.

Het bebouwen van lastige locaties als deze maakt ze zelf tot kwalitatief hoogwaardige woonbuurten - een metamorfose die los van effecten op de grotere schaal al de moeite waard is - en zorgt ervoor dat open groene ruimte blijft bestaan en voor de bewoners van Diemen nog steeds binnen handbereik blijft.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 43 -

17 februari 2011

Kiezen voor het bebouwen van Plantage de Sniep is tegelijkertijd kiezen voor het behoud van waardevol natuurgebied en agrarisch polderlandschap in de onmiddellijke nabijheid. Een braakliggend terrein op sterk vervuilde grond leek enige tijd lang het eindstation voor deze plek. In feite kon alleen een grootschalige herontwikkeling het tij keren: problemen van een grote schaal (ruimtelijke problemen, milieuproblemen en economische problemen tegelijkertijd) maken een grootschalig antwoord op de vraag noodzakelijk: een integrale ontwikkeling waarbij het oplossen van deze problemen en het ontwerpen van een nieuwe woonomgeving gelijk op gaan was en is in feite de enige kans. Het komen met intelligente oplossingen voor alle ingewikkelde (vaak technische) deelproblemen die het gebied nog kende was daarmee eveneens geboden; het uit de weg gaan van lastige kwesties was geen optie meer. Het voorliggende plan probeert daarmee op alle terreinen een evident nadeel om te buigen in een oplossing met een duidelijke meerwaarde voor Diemen en de regio. In theorie kan opbrengst in een stedenbouwkundig model ook gegenereerd worden met andere functies dan woningbouw. In een aantal projecten op vergelijkbare locaties is ooit overwogen – overigens ook voor deze plek – om langs de spoorzone een buffer van grootstedelijke voorzieningen, vooral kantoorfuncties – te projecteren.

De nadelen van een dergelijke oplossing zijn evident: er is momenteel geen kantorenmarkt die om grootschalige nieuwbouw vraagt, (in de nabije omgeving is immers veel overcapaciteit), er is in strikt ruimtelijke zin ook geen behoefte aan grootschalige kantoorruimte die een barrière tussen Plantage de Sniep en het centrum zou opwerpen, en daarmee vervalt het argument van opbrengsten: een aanzienlijk metrage aan kantoorruimte is economisch gezien geen reële optie. Bedrijventerreinfuncties worden in dit plan zeer behoedzaam ingezet: alleen daar waar geen kansen zijn om een goede woonomgeving te maken, kan een alternatief programma worden overwogen, en dan nog steeds met een scherp oog voor de kwalitatieve aspecten van dat bedrijventerrein. Het bebouwen van dit plangebied versterkt de oostelijke entree van Diemen en de stedenbouwkundige samenhang in de gemeente, en heeft zo een gunstig effect op de kwaliteit van de woon- en werkomgeving, dat veel verder reikt dat het plangebied zelf. Een goed plan voor Plantage de Sniep, dat wil zeggen: de realisatie van een aangename nieuwe woonwijk, is daarmee een goed plan voor Diemen als geheel.

Het bebouwen, en het intensief bebouwen van deze locatie des te meer, zal een steun in de rug zijn voor de omringende wijken en voor Diemen als geheel; als een aanvulling op het bestaande, hier en daar eenzijdige, woningbestand, en een support voor de commerciële, sociaal-maatschappelijke en culturele functies in het centrum. De aanwezige openbare vervoersverbindingen krijgen met de komst van nieuwe bewoners (circa 1.500 nieuwe woningen) een substantieel aantal reizigers erbij: een intensiever gebruik van dat openbaar vervoer maakt op zijn beurt weer een verbetering en uitbreiding van dat netwerk mogelijk, waarmee nieuwe verbindingen in dit stadslandschap – vooral in zuidelijke en oostelijke richting, dichterbij komen.

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 44 -

Vastgesteld

Het feit dat Plantage de Sniep een grote – zij het gedifferentieerde en zeer gecompliceerde – locatie is, geldt ook als aantrekkelijke kwaliteit op zichzelf: het formaat van deze locatie maakt het mogelijk om nieuwe ruimtelijke kwaliteiten in het plan op te nemen, die bij een krap bemeten locatie niet tot de mogelijkheden zouden behoren. Daarmee is het mogelijk geworden om een plan te ontwikkelen dat voor elke woning een omgeving met veel groen en water biedt, - vandaar de werktitel “De Plantage van Diemen” - en, zelfs in stedelijke dichtheden bebouwd, een raamwerk biedt voor het realiseren van een groot aantal verschillende woonkwaliteiten (woningtypen, blokvormen, straten, lanen, parken, waterlopen etc.). Hoe intelligenter met de omgevingscondities ( kwaliteiten én belemmeringen) wordt omgegaan bij de uitwerking van het plan, des te groter en gevarieerder het woningaanbod binnen de plangrenzen kan worden. Niet alleen betekent dat voor Diemen zelf een wezenlijke bijdrage aan het verlichten van de druk op de woningmarkt (voor specifieke woonwensen is nog steeds niet genoeg keus binnen de gemeentegrenzen), ook kan Plantage de Sniep van betekenis zijn voor de grootschalige regionale woningbouwopgave in de hele Noordvleugel (ambitie: 150.000 woningen).

Bij de gebleken schaarste aan locaties neemt Plantage de Sniep daarmee een sleutelpositie in en heeft het een voorbeeldfunctie voor andere ontwikkelingen op vergelijkbare locaties in de regio. Er zijn al geruime tijd geen “makkelijke” bouwlocaties meer beschikbaar om het aanzienlijke programma aan woningen op te bouwen: een geslaagd voorbeeld van het bebouwen van een gecompliceerde locatie met een hoge woonkwaliteit als inzet, is in die context van grote betekenis. Samenvattend is het plan voor Plantage de Sniep een oplossing voor een grootschalig bodemprobleem, en een mogelijkheid om alle kansen van deze plek te benutten: zowel in ruimtelijk/economische zin, als vanuit de optiek van woningzoekende Diemenaren. Met een alternatieve (kleinschaligere) herontwikkeling van het gebied zou een dergelijk passend antwoord niet kunnen worden gegeven.

D.8 Mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst ProRail, de overheid en de vervoerders zijn in overleg over het sluiten van een landelijk convenant, dat mogelijk op zeer korte termijn kan worden bereikt. Het convenant zal bestaan uit een aantal maatregelen die uitmonden in BLEVE-vrij rijden voor alle treinen die in Nederland worden samengesteld. De verwachting is dat als gevolg van invoering van dit convenant, het GR in het plangebied zal dalen. In het kader van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer( PHS) , zullen naar verwachting in de toekomst maatregelen worden getroffen zodanig dat veel minder goederentreinen uit Rotterdam over het traject Amsterdam Zuidoost/Diemen-Zuid rijden, hetgeen dus zal kunnen leiden tot een vermindering in de intensiteit van transportbewegingen over het spoor ter plaatse van het plangebied. Met de toekomstige invoering van het Basisnet Spoor zal er naar gestreefd worden om de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ruimtelijke ontwikkeling en de externe veiligheid verder duurzaam met elkaar in evenwicht te brengen.

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 45 -

17 februari 2011

Door de regio is in het kader van OV-SAAL korte termijn sterk ingezet op het standstill principe (handhaven 3,6) en bij voorkeur een verdere reductie van het groepsrisico. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de bepaling in het tracébesluit dat bij een toename boven de 3,6 nadere maatregelen zullen worden getroffen mits deze maatregelen geen significante beperking betekenen voor het reizigersverkeer. Hiertoe zal monitoring plaatsvinden van het goederenvervoer via dit baanvak. E. Conclusie In het kader van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, is tevens onderzocht of en in hoeverre het aspect van de externe veiligheid mogelijkerwijze aan de uitvoerbaarheid in de weg zou staan of dat uit oogpunt van externe veiligheid wellicht andere of aangepaste ruimtelijk planologische keuzes gemaakt zouden moeten worden. In tegenstelling tot bij het plaatsgebonden risico, geldt bij het groepsrisico geen harde grenswaarde of norm. Het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde. Deze waarde geeft weer, welke mate van (on)zekerheid dat een bepaalde ramp met een gevaarlijke stof niet zal optreden, maatschappelijk acceptabel wordt geacht. Een overschrijding van deze oriëntatiewaarde is niet per definitie onacceptabel, dit is afhankelijk van het belang van de activiteit en de omstandigheden van het geval.

Het bevoegd gezag dient een overschrijding van de oriëntatiewaarde te verantwoorden. Bij realisering van Plantage de Sniep neemt het groepsrisico toe als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de lokale routering. Uit onderzoek is gebleken dat het groepsrisico binnen het invloedsgebied van het spoor zodanig toeneemt dat de oriëntatiewaarde wordt overschreden, zulks als gevolg van de ontwikkelingen op het spoor en de ruimtelijke ontwikkeling die wordt mogelijk gemaakt door het onderhavig bestemmingsplan. Voor het invloedsgebied van de lokale routering kunnen de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling niet kwantitatief worden vastgesteld. Gelet op de veel grotere intensiteit van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor ten opzichte van de weg en de gevolgen op het gebied van de veiligheid die dat met zich meebrengt, is bij het onderzoek naar de externe veiligheid en de verantwoording ervan hoofdzakelijk ingegaan op de omgang met de risico’s van het spoor. De overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico binnen het invloedsgebied van het spoor wordt door het bevoegd gezag aanvaardbaar geacht, gelet op de woningbehoefte binnen de gemeente Diemen en de mogelijkheden die deze locatie biedt, in combinatie met de maatregelen die zijn/worden getroffen om de gevolgen van eventuele calamiteiten zoveel mogelijk te beperken.

Deze maatregelen hebben betrekking op de ruimtelijke invulling van het plangebied (vergroten van afstand van de school en de woonvoorzieningen voor geestelijk gehandicapten ten opzichte van het spoor), maar betreffen ook maatregelen die de zelfredzaamheid van de bewoners van het plangebied optimaliseren (extra ontsluiting in de vorm van een burg of overkluizing ten behoeve van bewoners van de woningen aan de westkant van het spoor) en maatregelen tot het treffen van voorzieningen voor hulpdiensten bij calamiteiten.

9S5011.A1/R000011/903870/Rott 17 februari 2011

BP Plantage de Sniep - 46 -

Vastgesteld

Daarnaast zullen maatregelen worden getroffen in het kader van OV SAAL, die direct (positief) van invloed zullen zijn op de kans dat een calamiteit voordoet in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Deze maatregelen (installeren van ATVvv en ‘eiswissels’) zullen een verlaging van de overschrijding van de OW met zich meebrengen. Alles overwegende komt de gemeente Diemen tot het oordeel dat het in het kader van de externe veiligheid verantwoord is om – met inachtneming van de gemaakte ruimtelijke keuzes en de getroffen rampbestrijdingsmaatregelen – het bestemmingsplan in de huidige vorm vast te stellen. Uit overleg met ProRail is gebleken dat in het bestemmingsplan voldoende rekening is gehouden met Externe Veiligheidsaspecten in relatie tot de spoorweg.

5.1.4

Geluidhinder Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder zijn eisen voor toelaatbare geluidbelasting opgenomen. De geluideisen zijn alleen van toepassing op geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de geluidzone van een geluidbron. Een geluidzone is een gebied aan weerszijden van het spoor, van een weg of rond een bedrijven/industrieterrein. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen. Andere gebouwen, zoals kantoren en winkels, zijn niet geluidgevoelig. Voor deze gebouwen gelden dan ook geen geluideisen. Volgens de Wet geluidhinder is toetsing buiten de zone niet vereist, maar in het kader van goede ruimtelijke ordening is ook de geluidbelasting op de gevel van nieuw te bouwen geluidgevoelige bebouwing buiten de zone onderzocht. Geluidzones De geluidzone van een weg ligt aan beide zijden van de weg en wordt gemeten vanaf de kant van de weg. De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en het soort gebied waarbinnen de geluidgevoelige bebouwing ligt.

Bij de gebiedsindeling is onderscheid gemaakt tussen buitenstedelijk gebied (bebouwing buiten bebouwde kom, bebouwing langs autoweg, bebouwing langs autosnelweg) en binnenstedelijk gebied (bebouwing binnen bebouwde kom, maar niet langs autoweg of autosnelweg). Tabel 1 geeft de omvang van de geluidzones langs de wegen weer. Tabel 1

Zones langs wegen in stedelijk en buitenstedelijk gebied

Gebied

Aantal rijstroken

Zonebreedte

Binnenstedelijk gebied

1 of 2

200 m

Binnenstedelijk gebied

3 of meer

350 m

Buitenstedelijk gebied

1 of 2

250 m

Buitenstedelijk gebied

3 of 4

400 m

Buitenstedelijk gebied

5 of meer

600 m

Bron: Wet geluidhinder, art. 74

BP Plantage de Sniep Vastgesteld

9S5011.A1/R000011/903870/Rott - 47 -

17 februari 2011

Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen geluidzone (art. 74 lid 2 Wet geluidhinder). De geluidbelasting door deze wegen hoeft daarom volgens de Wet geluidhinder niet beoordeeld te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter van belang wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur mee te nemen bij de beoordeling van de geluidbelasting. De bijdrage van een 30 km/uur weg kan immers significant bijdragen aan de geluidbelasting. In het akoestisch onderzoek voor het bestemmingsplan zijn derhalve de 30 km/uur wegen meegenomen bij de bepaling van de cumulatieve geluidbelasting. Deze cumulatieve geluidbelasting aan de gevel wordt gebruikt bij de bepaling van het binnenniveau en de karakteristieke gevelwering. De zonebreedte van een spoorweg is aangegeven op de in artikel 106a uit de Wet geluidhinder bedoelde kaart. De zonebreedtes staan tevens vermeld in het Akoestisch Spoorboekje (ASWIN). De breedtes verschillen per traject. Voor de zonebreedtes van de spoorwegen rond Plantage de Sniep wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek (rapport dBvision met kenmerk GEM032-01-58wg van 3 januari 2011). Rond een industrieterrein geldt een geluidzone, indien op het terrein inrichtingen gevestigd mogen worden die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. De zone wordt bij de vaststelling/herziening van een bestemmingsplan vastgesteld.

Buiten de zone mag de geluidbelasting vanwege dat terrein maximaal 50 dB(A) bedragen. Binnen de geluidzone geldt een onderzoeksplicht voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. Rond Plantage de Sniep liggen de industrieterreinen Verrijn Stuart, Sniep en Stammerdijk (hierna: “Bedrijventerreinen Diemen”). Op de Bedrijventerreinen Diemen is o.a. een betonmortelcentrale gevestigd. Om de terreinen is een geluidzone vastgelegd. Geluideisen De dosismaat voor de geluidbelasting vanwege een (spoor)weg is Lden en wordt uitgedrukt in dB. De dosismaat voor de geluidbelasting vanwege een industrieterrein is Letm en wordt uitgedrukt in dB(A). Tabel 2 geeft een overzicht van de geluideisen bij nieuwbouw van woningen. Voor andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen andere geluideisen gelden. Tabel 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=e78c14fd-0ae2-42df-bd11-46f8bf14f87c