Bijlage 1 Ruimtelijke Onderbouwing Stammerdijk
Tekst van het document
DIEMEN, STAMMERDIJK 23 omgevingsvergunning
Diemen, Stammerdijk 23 omgevingsvergunning
Ontwerp
M. ten Hagen Adviseur ROM 06 - 82 67 36 62
Datum: 19-05-2025
Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1. Aanleiding voor het project 1.2. Projectlocatie 1.3. Geldende bestemmingsplannen 1.4. Leeswijzer Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1. Huidige situatie 2.2. Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.2. Provinciaal beleid 3.3. Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1. Milieu 4.2. Ecologie 4.3. Archeologie en cultuurhistorie 4.4. Verkeer en parkeren 4.5. Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3. Handhaving
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
3 4
10
20
32
54
56 Situatietekening op schaal Landschappelijk inrichtingsplan Ruimtelijke visie Plattegrondtekening B10 Resultaten berekening Aerius Calculator Bijlage Wnb Quickscan Flora & Fauna
57 59 88 104 106 107 126
2
Ruimtelijke onderbouwing
3
Hoofdstuk 1 1.1.
Inleiding
Aanleiding voor het project
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een afwijking van de regels uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2021" van gemeente Diemen ten behoeve van het bouwen van een bouwwerken en gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan. In het hoofdstuk Projectbeschrijving' (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De huidige stallen verkeren in slechte staat, bevatten asbest en voldoen niet meer aan de huidige welzijnseisen, wat betreft oppervlakte, daglicht en ventilatie. Daarbij is de oppervlakte van de stal nu circa 9 m2, maar moet naar 14 m2 per stal worden gebracht. Er zullen 40 paardenboxen worden gerealiseerd. De stallen worden aan de nieuwe binnenrijbak gebouwd. De binnenrijbak wordt voorzien van een kantine met terras. Maar ook is er ruimte nodig voor uitloop van de paarden, het longeren van de paarden (longeercirkel) en parkeergelegenheid voor trailers en vrachtwagens voor paardenvervoer. Ook zullen er enkele paddocks worden gerealiseerd. De gewenste ontwikkeling is daarmee niet in overeenstemming met de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. De gewenste ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan.
De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling, mits goed onderbouwd. Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en dat geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op het ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2.
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen aan Stammerdijk 23 en ligt aan de oostkant van Diemen op de rand van het stedelijk en landelijk gebied De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Diemen, sectie G, nummer 214. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
4
Ui tsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3.
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2021' van de gemeente Diemen, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 17 februari 2022, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Sport - Manage' toegekend. Er is bouwvlak van ongeveer 4.200 m2 toegekend. Het maximum bebouwd oppervlakte mag 2.281 m2 bedragen. De maximale bouwhoogte ter plaatse van de rijhal is gesteld op 8 meter, de maximale goothoogte op 4 meter. De maximale bouwhoogte van het woonhuis is gesteld op 9 meter, de maximale goothoogte van 6 meter. De overige gebouwen die binnen het bouwvlak gelegen zijn is de maximale bouwhoogte 6 meter, de maximale goothoogte op 3 meter. Een deel van het plangebied heeft de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie' gekregen. De manage is gelegen nabij de Weespertrekvaart. Een strook van ongeveer 35 meter naast de watergang heeft hierdoor de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gekregen en tevens 'Waarde - Archeologie 3'. De gronden zijn, behalve voor de andere voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor dijken en kaden 5
met een waterkerende functie en de hierbij behorende voorzieningen en inrichtingsaspecten. Zie hieronder een uitsnede van het bestemmingsplan.
U itsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Ter plaatse is sprake van het realiseren van een nieuwe rijhal, nieuwe stallen voor 40 paarden, bouw van een nieuwe kapschuur en buitenrijbaan . De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het bepaalde in het geldende bestemmingsplan op de volgende punten: De binnenrijbak krijgt een nokhoogte van 9,2 meter en een goothoogte van 4,25 meter. Dit is strijdig met het bestemmingsplan. De maximale bouwhoogte ter plaatse van de rijhal is 8 meter, de maximale goothoogte 4 meter. De loods krijgt een goothoogte van 3,85 meter. De maximale goothoogte bij een gebouw mag echter niet meer bedragen dan 3 meter. Maximum bebouwd oppervlak wordt overschreden met 738 m2. De longeercirkel wordt buiten het bouwvlak gerealiseerd. De stapmolen worden buiten het bouwvlak gerealiseerd. De paddocks worden buiten het bouwvlak gerealiseerd. De buitenrijbak wordt gerealiseerd binnen de bestemming 'Natuur - Weiland', dit is strijdig gebruik. Om de buitenrijbak worden 6 lichtmasten van 6 meter hoogte gerealiseerd. Dit is niet toegestaan en voldoet niet aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2021' zijn er geen afwijkingsmogelijkheden voor specifiek de bestemming 'Sport - Manege' opgenomen. Wel zijn er algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen (artikel 35).
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan. Hierdoor is het mogelijk om de bouw- en goothoogte van gebouwen met ten hoogste 10% te overschrijden. Echter zou dit betekenen dat de maximale bouwhoogte van de binnenrijbak 8,80 meter mag bedragen. 6
Ook wil initiatiefnemer een buitenrijbak van 20 x 60 meter realiseren in de bestemming 'Natuur - Weiland'. Om de buitenrijbak komen 6 lichtmasten van 6 meter hoogte. Zie hieronder een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van de gewenste buitenrijbak.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Ter plaatse van de bestemming 'Natuur - Weiland' is geen buitenrijbak toegestaan. Ook zijn er geen lichtmasten toegestaan. Oppervlaktegebruik Voor de gewenste bedrijfsopzet zal er 3.019 m2 bebouwd worden, dit overschrijdt de maximaal toegestane oppervlakte voor de bestemming sport/manege. De maximale toegestane oppervlakte is namelijk 2.281 m2. Een deel van de activiteiten (voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden) vallen onder de productiegerichte (agrarische) paardenhouderij. In overleg met de gemeente Diemen en de provincie Noord-Holland is de optie besproken om dit deel als agrarisch te bestemmen, de Omgevingsverordening NH2020 is niet van toepassing voor het vergroten van een agrarisch bouwvlak. In onderstaande tabel (oppervlakten in vierkante meters) is het gebruik uitgewerkt. Gebruik (m2) Stallen Rijhal Werktuigenberging Opslag vaste mest Stapmolen Woning Totaal
Sport/manege gebruik 861 1.055 133 21 135 60 2.264
Produktiegericht gebruik 287 351 44 7 45 20 755
Totaal 1.148 1.406 177 28 180 80 3.019 7
Aandeel
75%
25%
Voor de productiegerichte/agrarische activiteiten is 755 m2 van het bebouwde oppervlakte nodig, Sport/manege gebruikt 2.264 m2. Dit overschrijdt de maximale bebouwde oppervlakte niet. Volwaardigheid agrarisch gebruik In de beoordeling van een bouwvoornemen in de paardenhouderij wordt door overheden de toets van volwaardigheid gehanteerd. Hierbij wordt een bedrijf als volwaardig beschouwd als het ten minste aan een volwaardige arbeidskracht volledige werkgelegenheid biedt. De volledig werkgelegenheid wordt onderbouwd door het inzichtelijk maken van de arbeidsuren die de activiteit vraagt. De normen die DLV Advies hiervoor hanteert komen uit het handboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN). KWIN bevat informatie uit de sectoren melkvee, vleesvee, geiten, schapen, paarden, varkens, pluimvee, nertsen en konijnen. Het is een waardevolle bron van informatie voor overheden, agrarisch adviseurs bij banken, accountants, makelaars, taxateurs, veehouders en studenten en docenten. Wat de werkzaamheden betreft is er geen strakke scheiding tussen sport/manege (gebruiksgericht) en de productiegerichte activiteiten. De opfokpaarden en fokmerries zijn/leveren nakomelingen voor de sport/manege en voor het productiegerichte deel. De werkzaamheden zijn daarom gelijk over de activiteiten verdeeld.
Van de sportpaarden is 25% beschikbaar voor de handel, de arbeidsuren zijn op basis daarvan berekend. De algemene werkzaamheden zoals onderhoud, graslandbeheer en management zijn ieder voor 50% toegerekend aan de activiteiten. KWIN 2020-2021 Manegepaard incl. lesgeven Opfokpaard Fokmerrie Sportpaard in training (springen/dressuur) Onderhoud en graslandbeheer Management, administratie en verkoop Totaal uren/jaar
Aantal 10 10 10 10 1 1
Uren/jaar 190 50 75 420 300 700
FTE
Gebruiksgericht 1900 250 375 3150 150 350 6175
Productiegericht 250 375 1050 150 350 2175
3,4
1,2
De arbeidsuren worden omgerekend naar FTE (1.836 uur/jaar). Uit bovenstaande arbeidsbegroting blijkt dat het agrarische/productiegerichte activiteit aan 1,2 FTE arbeid biedt. De agrarische/productiegerichte activiteit van de Stammerdijk 23 is dus volwaardig. Door de provincie is deze voorwaarde opgesteld. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken zal op de hiervoor genoemde punten een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan worden aangevraagd conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorliggend document dient als ruimtelijke onderbouwing welke dient te worden overlegd bij de aanvraag omgevingsvergunning.
1.4.
Leeswijzer
Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter 8
plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van het project. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin wordt het project getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
9
Hoofdstuk 2 2.1.
Projectbeschrijving
Huidige situatie
Het plangebied aan de Stammerdijk 23 te Diemen ligt in het buitengebied van Diemen in Noord-Holland. Op dit perceel is een manage gevestigd met een bijbehorend woonhuis en verschillende opstallen. Het plangebied ligt in de Gemeenschapspolder, binnen de Diemerscheg, een gebied te oosten van Amsterdam in Diemen, Weesp en Muiden. Dit is een groene zone, maar deze is doorsneden door snelwegen, sporen en kanalen. Ten noorden van het plangebied ligt de snelweg A1 en ten oosten de snelweg A9. Tussen deze snelwegen en het plangebied ligt een spoorlijn, enkele agrarische gronden en bosgebied, waaronder het Diemerbos. Ten oosten van het plangebied liggen de bedrijventerreinen ‘Sniep’ en ‘Stammerdijk’ die nagenoeg aan het plangebied grenzen. Het zuiden van het plangebied grenst aan de Stammerdijk en de Weespertrekvaart waarachter de Provinciale weg en het park ‘Bijlmerweide’ liggen. Het plangebied bestaat uit een erf met daarop resten van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van manegeactiviteiten. Het woonhuis staat aan de zuidkant op het erf. Ten noorden van het woonhuis stond een stal met pannendak. Ten noorden van de stal staat de deels gesloopte rijhal. Achter op het erf staan buitenstallen, een stapmolen, longeerkraal, kapberg en paddocks. Aan de zuidkant van het erf ligt een buitenrijbaan.
Op het perceel achter het erf en de percelen ten zuiden en ten noorden van het erf liggen de weiden. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 4.200 m2 groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
L uchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.omgevingsloket.nl.
2.2.
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De bestaande stallen verkeren in slechte staat, bevatten asbest en voldoen niet meer aan de huidige welzijnseisen, wat betreft oppervlakte, daglicht en ventilatie. Binnen de bestaande gebouwen zijn geen aanpassingen mogelijk om wel aan de huidige eisen voor dierenwelzijn te voldoen. Inmiddels zjin de stallen voor de bouwkundige veiligheid grotendeels ontmanteld. De asbesthoudende delen zijn inmiddels gesaneerd. De initiatiefnemers zijn voornemens binnen het bestaande bouwblok ca. 40 nieuwe paardenstallen te realiseren en de rijhal te verlengen of geheel te vervangen voor een nieuwe, langere rijhal van 66 x 20 meter. In de noordwestkant van het gebouw van de rijhal komt een gedeelte waarin zowel voorzieningen voor paarden als voor bezoekers (gastenkamers) worden gerealiseerd. De gastenkamers worden zeer 10
incidenteel gebruikt voor ruiters/amazones die van verder weg komen. Er is geen sprake van een verblijfsruimte en dus niet van een nieuw gevoelig object. Daarnaast komt er een kapschuur voor opslag en wordt de stapmolen verplaatst en overdekt en er komt een nieuwe buitenrijbaan van wedstrijdformaat. Voor parkeren van trailers en vrachtwagens voor paardenvervoer komt extra parkeergelegenheid.Voor trainingsdoeleinden en het houden van paarden worden longeerkralen en paddocks gerealiseerd. Het woonhuis blijft staan. Hieronder is aangegeven welke bebouwen er gesloopt worden of al (deels) gesloopt zijn.
Situatietekening met de te slopen en (deels) gesloopte bebouwing. Bron: DLV Advies. Hierna is een situatietekening weergegeven met de gewenste bebouwing.
11
Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. De volgende objecten worden gerealiseerd buiten het bouwvlak: Paddock Aan de oostzijde van het bouwvlak komt één grote paddock voor meerdere paarden. Een paddock is een omheinde uitloop voor paarden. De paddock zal een omheining krijgen van 1,5 meter. Deze hoogte is nodig om te zorgen dat de paarden er niet overheen springen. Longeercirkel Buiten het bouwvlak wordt ook een longeercirkel gerealiseerd. De longeercirkel is noodzakelijk om paarden te trainen. Net al bij de paddock zal er een omheining van 1,5 meter hoogte worden aangebracht. Stapmolen Er komt een stapmolen om de paarden voldoende beweging te geven. De stapmolen zal overdekt worden, zodat deze ook met slecht weer gebruikt kan worden. De goothoogte van het dak van de stapmolen is 3 meter, de nokhoogte 5,5 meter. De stapmolen wordt buiten het bouwvlak gerealiseerd. Mestcontainers Naast de paddock worden twee mestcontainers ingegraven. De mestcontainers steken zo'n 0,5 meter boven de grond uit.
12
Paddocks Op het terrein worden drie paddocks gerealiseerd buiten het bouwvlak. Een paddock is een omheinde uitloop voor paarden. De paddocks zullen een omheining krijgen van 1,5 meter. Deze hoogte is nodig om te zorgen dat de paarden er niet overheen springen. Halfverharding Aan de noordwestzijde van het perceel wordt parkeerterrein met halfverharding gerealiseerd. Buitenrijbak Aan de achterzijde van het plangebied wordt een buitenrijbak met de afmetingen 60 x 20 meter gerealiseerd. Om de buitenrijbak komen 6 lichtmasten van 6 meter hoogte. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen. 2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te komen tot een goede landschappelijke inpassing zijn de aandachtspunten besproken met de gemeente. Er zal aandacht zijn voor de zichtlijnen. Ook het vergroenen van het voorerf is een belangrijk punt. Door de parkeergelegenheden aan de noordwestzijde van de rijhal te realiseren komen de auto's zoveel mogelijk uit het zicht te staan. De parkeerplaats wordt voorzien van halfverharding.
Hierdoor kan de ruimte gebruikt worden door verschillende voertuigen (zoals auto's, auto's met trailer en kleine vrachtwagens). Ook hebben de paarden voldoende grip bij het in- en uitgaan van de transportvoertuigen. Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving, is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Met de uitvoering van de in dit plan geadviseerde maatregelen voor landschappelijke inpassing, wordt de landschappelijke kwaliteit bij realisatie van de plannen geborgd. De kwaliteit van het erf en de omgeving zullen door de uitvoering van de plannen zowel landschappelijk als ecologisch worden versterkt door toevoeging van karakteristieke erfplanting én natuurelementen. De landschappelijke inpassing is in de volgende figuren weergegeven.
13
Uitsnede Tekening landschappelijke inpassing. Bron: DLV Advies Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2. Hiermee wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. 2.2.3 Kernkwaliteiten BPL Vechtstreek Noord De planlocatie is gelegen in een door de provinvicie aangewezen gebied waarin bijzondere landschappelijke kwaliteiten aanwezig zijn. Dit is het 'Bijzonder Provinciaal Landschap: Vechtstreek Noord'. Er zijn een aantal kernkwaliteiten omschreven voor dit gebied. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen rekening te houden met deze kernkwaliteiten en deze te bewaken. De verschillende gebiedskwaliteiten worden hieronder puntsgewijs getoetst.
14
Aardkundige en landschappelijke karakteristiek: uitwaaiende strokenverkaveling Het verkavelingspatroon is bestaat uit langgerekte smalle kavels. De kavels zijn uitwaaierend. Deze kernkwaliteit is in de directe omgeving van de planlocatie goed herkenbaar. Op onderstaande luchtfoto is dit te zien. Achter de planlocatie zijn er enkele percelen met horizantaal georiënteerd geraakt, onder meer door natuurontwikkeling en wegen in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag het verkaverlingspatroon of de karakteriserende waterlopen niet aantasten. De haakse plaatsing van het erf op de watergang behoudt de indruk van een uitwaaierend verkavelingspatroon. Het is ook gelijk aan de overige erven aan dit deel van de Weespertrekvaart. Aan de oostelijke zijde is het perceel begrenst door bestaand bosgebied. Deze kavelgrens wordt niet aangetast met de voorgenomen ontwikkeling. De planlocatie bevind zich in het uiteinde van de 'waaier'. Het waaierpatroon start uit de bocht van het Amsterdam-Rijnkanaal. Door de tussenkomst van de spoorlijn en de Rijkswegen A9 en A1 is het verkavelingspatroon ook deels van richting gewijzigd. Het verkavelingspatroon wordt in beide richtingen niet aangetast. Er worden met het planvoornemen geen watergangen gedempt.
15
Uitsnede kaart kernkwaliteit Aardkundige en landschappelijke karakteristiek (bron: provincie Noord-Holland) Openheid en ruimtebeleving: aaneengesloten open ruimten en vergezichten In het gebied direct aangrenzend aan de planlocatie is de openheid met name vanaf de spoorlijn te ervaren. Er zijn geen beschermde weidevogelhabitats, alsook geen aangewezen open gebieden. De openheid rondom de planlocatie is al beperkt door enerzijds het Diemerbos en anderzijds de bebouwde kom. Op perceelsniveau is er een kleine doorkijk aan de noordwestzijde van het perceel. Er worden op het gebiedsniveau geen doorzichten aangetast met de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt hoofdzakelijk binnen de bestaande erfstructuur gebouwd. De parkeerplaats is in de noordwestelijke hoek gesitueerd. Zowel de landschappelijke inpassing als de hoogte van de geparkeerde voertuigen, doen de openheid tussen de bebouwde kom en het erf, niet te nietgaan. Er wordt zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte in het perceel. De ruimtelijke kwaliteit op het erf is momenteel laag. De nieuwe erfontwikkeling verbetert de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Een opgeruimd erf, met veel groen en verzorgde uitstraling. De Stammerdijk is een frequent gebruikte recreatieve route. Dit verbetert de ruimtebeleving aanzienlijk voor 16
passanten en recreanten.
Uitsnede kaart openheid en ruimtebeleveng (bron: provincie Noord-Holland) Ruimtelijke dragers: veenrivieren Gein, Gaasp en Diem De locatie is gelegen aan de Weespertrekvaart. Binnen het BPL is het aangemerkt als de veenrivier Diem. Ruimtelijke ontwikkelingen die het verloop of de continuïteit van het groene karakter aanpassen, zijn een aantasting van de kernkwaliteiten. De planontwikkeling tast het verloop niet aan. De oriëntatierichting op het erf blijft gelijk aan de bestaande bebouwing. Er treedt, zoals ook in het landschapsplan is opgenomen aan verschillende zijdes juist vergroening op. Het aanzicht wordt minder versteend dan in de huidige erfsituatie. Daarmee is sprake van versterking van het groene karakter.
17
Uitsnede kaart Ruimtelijke Dragers (bron: provincie Noord-Holland)
18
2.2.4 Ruimtelijke visie Vanuit de erfgedachte is een ruimtelijke visie opgesteld op de ontwikkeling van de locatie. De visie bestaat uit een beschrijving van het planvoornemen vanuit ruimtelijk kwaliteitsperspectief. De beschrijving gaat over landschappelijke waarden, erfhistorie en gebieds- en locatiekenmerken. Er wordt ingegaan op het samenknopen van de verschillende elementen. Er is een landschappelijk kwaliteitsplan gemaakt dat de gebiedskenmerken, waaronder de kenmerken van het BPL- Vechtstreek Noord, heeft verwerkt. Samengevat houdt de visie rekening met de erfinrichting en beplantingsstijlen. Dit is in het rapport van de landschapsdeskundige ook beschreven. Ten aanzien van de kenmerken die op erfniveau zichtbaar zijn, zijn er twee belangrijke elementen die ook in de onderbouwing aandacht verdienen. Dat is ten eerste wijziging in de zichtlijn in de erfentree. In de visie is opgenomen hoe deze wijzigt. Vanuit de kerngedachte van compact bouwen op het erf, vervalt het doorzicht van de erfintree naar de percelen daarachter. Hier zijn nu paddocks gelegen. Bij de percelen aan de Stammerdijk is de erfintree duidelijk landschappelijk gemarkeerd door forse bomen of hoog opgaande beplanting. Bij de erfontwikkeling is gekeken hoe dit aan de Stammerdijk toegepast kan worden. Er is gekozen het aanbrengen van solitaire bomen en een het zo open mogelijk houden van het voorerf.
Meerdere van de huidige bomen waren in slechte staat van gezondheid en konden aldus niet behouden bljiven als oorspronkelijke beplanting. De beplanting voor de bedrijfswoning is gezond en word behouden als onderdeel van het oorspronkelijk erf. Een hoog opgaande, dichte beplanting zorgt niet voor een verruiming van de openheid op en rondom het erf. Met het Diemerbos als dichte grens aan de noordoostzijde van het perceel is meer 'dicht groen' niet wenselijk geacht. Een tweede ontwikkeling waarvoor een ruimtelijke oplossing diende te worden gezocht, is de noodzaak tot parkeren. In de huidige erfopzet is er een rommelige parkeerplaats direct voor de voormalige rijhal. Er is geen beplanting aanwezig en het bestaat volledig uit verharding. Ruimtelijk is het onwenselijk de parkeerplaats op deze locatie te behouden. Bij de gekozen locatie is er sprake van erfuitbreiding en een klein effect op de openheid. Toch zijn er de meeste argumenten die voor deze locatie spreken. De eerste pijler is de gedachte om het voorerf open te houden ruimtelijk hetgeen een positieve ontwikkeling is, die past bij de opbouw van het erf en van andere erven aan de Stammerdijk. De tweede pijler is de haakse ligging van het erf op de Weespertrekvaart. De kadastrale kavelgrens is ruitvormig. De bebouwing is hierin over de noord-zuidas georiënteerd. Dit betekent dat er beperkt de ruimte is.
De derde pijler is de behoefte aan meer en verschillende voorzieningen dan in de huidige erfopzet aanwezig zijn. Dat resulteert in een grotere concentratie aan bebouwing op het erf. Een belangrijke overweging is ook de route van het erfverkeer. Het is wenselijk om zo min mogelijk geparkeerde auto's/ trailers/ horse trucks aan het voorerf te hebben. Hierdoor is het voor bezoekers met de fiets overzichtelijker. En de routing van en naar de stallen blijft eenvoudiger op het erf. Vanuit de kleine entree kunnen zij de stallen bereiken, daar laden c.q. lossen en parkeren op de voorziening aan de zijkant van het erf. De parkeervoorziening wordt landschappelijk ingepast, maar wel op een proportionele wijze. De geparkeerde voertuigen dienen grotendeels aan het zicht onttrokken te worden, maar niet door een 'groene muur'. Achter de parkeerplaats liggen een longeercirkel en een paddock. Dit zijn vrij open constructies. Het zijn geen massieve bouwwerken. Door ervoor te kiezen deze voorzieningen aan deze zijde te realiseren in plaats van bijvoorbeeld de nieuwe werktuigenberging, wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de openheidswaarden van de westelijke erfzijde. Voor een volledige uitwerking van de visie wordt verwezen naar bijlage 3.
19
Hoofdstuk 3 3.1.
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 20
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.
Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." 21
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen. 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." De beoogde ontwikkeling betreft vervanging van bouwwerken ten behoeve van de al aanwezige manege. De ladder van duurzame verstedelijking dient te worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
De uitleg van het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. In de handreiking “De paardenhouderij in het omgevingsrecht” van de VNG en de Sectorraad Paarden (2014) is aangegeven dat vestiging van een paardenhouderij het meest voor de hand ligt in het buitengebied . Bovendien staat in de handreiking dat een paardenhouderij vanwege de uitstraling op de omgeving meestal niet met andere, meer stedelijke, functies kan worden gecombineerd. In de uitspraak ECLI:NL:RVS:2016:484 wordt een manege wel bezien als een 'andere stedelijke ontwikkeling'. Hoewel er geen sprake is van nieuwvestiging van een manege, is hier gekozen om het toch te toetsen aan de ladder van duurzame verstedelijking. Locatiekeuze Op de locatie was voorheen een manege gevestigd. Met de nieuwe paardenhouderij blijft deze functie voortbestaan. Met de geplande gebruiksvorm wordt ook het hogere segment uit de ruitersport aangesproken. Er is geen sprake van nieuwvestiging. Evenmin is er sprake van een overvloedig aanbod aan paardenhouderijlocaties die op de markt komt. De locatie in Diemen, onder de rook van Amsterdam, biedt een aanvulling op de bestaande vraag. Met de centrale ligging kan een regionale vraag worden voldaan. Daarnaast is er sprake van een functie die aan het buitengebied gebonden is.
Verhuizing naar een andere locatie is redelijkerwijs niet nodig. Kansen voor duurzaamheid Met de herontwikkeling van het erf, zijn er ruime kansen voor verduurzaming. De huidige staat van de bebouwing is dusdanig verouderd en uitgekleed, dat met de nieuwbouw alle kansen bestaan voor het verhogen van isolatiewaardes en zoveel mogelijk zelfvoorzienendheid in stroomgebruik. Ongewenst alternatief Indien de bestaande locatie niet wordt herontwikkeld, blijft deze in de huidige erbarmelijke staat aanwezig. Er bestaat een reëel risico op ongewenst gebruik van de locatie. In bestaande leegstand heeft initiatiefnemer al meerdere malen op een veiligheidskwestie moeten handelen. Verloedering van en ondermijning in het buitengebied zijn de negatieve gevolgen die voorkomen kunnen worden met het herontwikkelen van deze locatie voor de paardenhouderij.
22
3.2.
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 De provincie Noord-Holland heeft op 19 november 2018 de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de visie van de provincie op het ruimtelijk beleid in hoofdlijnen en biedt de kaders voor de verdere beleidsontwikkelingen. Met de omgevingsvisie wil de provincie zichzelf richting geven aan de steeds sneller veranderende wereld, waarin de impact van de mogelijkheden van technische ontwikkelingen nauwelijks voorstelbaar is. Met de omgevingsvisie geeft de provincie onderwerpen aan waarmee de samenleving wat zou moeten. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. Daarbij vraagt het leefbaar houden van de provincie om grote investeringen in bijvoorbeeld het landschap, natuurontwikkeling en de transitie naar een duurzame energiehuishouding. De omgevingsvisie is niet bedoeld om te kunnen vertellen hoe Noord-Holland er in 2050 uit ziet.
De provincie probeert met de omgevingsvisie, vanuit de bestaande kwaliteiten en de kansen die veranderingen met zich meebrengen, een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Die richting bestaat uit het benoemen van een aantal bewegingen naar de toekomst toe, vertaald in een aantal ontwikkelprincipes die moeten helpen om in samenhang naar ontwikkelingen te kijken. In de Verkenningen NH2050, welke voorafgaand aan het opstellen van de omgevingsvisie zijn uitgevoerd, zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met de daarbij behorende kernopgaven, geformuleerd. Deze bieden een referentie om te bepalen welke onderwerpen en opgaven terug moeten komen in de omgevingsvisie. Het gaat om de volgende thema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
klimaatverandering bedreigt de leefomgeving; bodem, water en luchtkwaliteit; biodiversiteit; economische transitie; energietransitie; mobiliteit; verstedelijking; landschap.
Om goed in te kunnen spelen op deze thema's en de ambities van de provincie is in de omgevingsvisie een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid als centraal uitgangspunt opgenomen. Dit betekent dat in Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Economische groei en ontwikkeling wordt altijd in samenhang met dit uitgangspunt beschouwd. Duurzame economische ontwikkeling is nodig voor de werkgelegenheid en daarmee voor de bestaanszekerheid van de inwoners. De provincie Noord-Holland wil ook in de toekomst een provincie zijn voor iedereen om de provincie sociaal-inclusief te houden, maar ook om de grote investeringen op te brengen die nodig zijn voor onder meer de transitie naar een duurzame energiehuishouding, de overgang naar een circulaire economie en het behoud van het karakteristieke landschap. Vanuit deze visie zijn, met behoud van de kwaliteit van de leefomgeving, de volgende thema's nader uitgewerkt: Dynamisch schiereiland: Hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling: Hierin is opgenomen hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt.
Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem wordt de agglomeratiekracht vergroot. Sterke kernen, sterke regio's: Deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare 23
identiteit behouden. Nieuwe energie: in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector. Dynamisch schiereiland: Binnen dit thema staan de volgende aspecten centraal: Aansluiting verscheidenheid kustlandschappen; Aansluiting karakteristieken kustlijnen; Ecologische verbindingen aanvullen. De locatie is niet gelegen binnen een van de kustlandschappen en/of kustlijnen. De ambities voor deze gebieden zijn dan ook niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft het aanvullen van de ecologische verbindingen streeft men naar het behoud en aanvulling van ecologische verbindingen met het oog op het robuuster maken van het ecologisch systeem in de kustgebieden, inclusief de grote wateren. Om meer ontwikkelingen in en gebruik van alle kustgebieden zoals het IJsselmeergebied, te kunnen opvangen, moet het systeem ecologisch robuuster worden. Het is wenselijk om hierbij verder te kijken dan de grenzen van natuurregimes die nu gelden. Ook de (natte) kustlandschappen aan de randen, in het IJsselmeergebied en de binnenduinrand, kunnen bijdragen aan het realiseren van deze opgave.
Ecologische verbindingen in de kustgebieden van de grote wateren (land- en waterzijde) worden behouden en aangevuld. Naast deze verbindingen tussen de wateren en het land wordt gewerkt aan de verbetering van de ecologische kwaliteit van de verbindingen tussen de grote wateren, zoals Markermeer, IJsselmeer en Waddenzee. De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in een van de betreffende gebieden. Daarnaast is de voorgenomen ontwikkeling relatief kleinschalig van aard en zal deze geen invloed hebben op de doelstellingen voor het behoud en de aanvulling van de ecologische verbindingen. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor een dynamisch schiereiland daarmee niet in de weg staan. Metropool in ontwikkeling: Binnen het metropoolgebied Amsterdam wordt ingezet op het vergroten van de agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem. Daarbij wordt zoveel mogelijk ingezet op de volgende aspecten: wonen en werken binnenstedelijk; investeren in alle verkeersnetwerken, regionaal verkeer boven doorgaand; landschap als onderdeel metropolitaan systeem; ontwikkelen binnen beschikbare milieuruimte. De metropool ontwikkelt zich snel. De vraag naar woningen en ruimte voor bedrijven houdt aan, evenals de ruimtevraag voor recreatie en andere functies.
Tegelijkertijd moeten de landschappen in de metropool worden gespaard. De bebouwingsopgave moet dan ook zoveel mogelijk binnen de bestaande kernen plaatsvinden, met een voorkeur voor knooppunten van openbaar vervoer. Voor wat betreft de verdichting en bebouwingsopgaven hebben de uitgangspunten uit de visie voornamelijk betrekking op stedelijke ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast is sprake van de uitbreiding van een bestaand bedrijf in het buitengebied. Hiermee blijft de impact op het landschap beperkt en staat de voorgenomen ontwikkeling het wonen en werken in binnenstedelijk gebied niet in de weg. 24
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op verkeersnetwerken. Er is geen sprake van een wijziging aan de infrastructuur en er is geen sprake van de ligging nabij een regionaal verkeersnetwerk. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee de ontwikkeling van het verkeersnetwerk niet in de weg staan. Een uniek kenmerk van de metropool is de grote diversiteit aan landschappen met hoge ecologische, recreatieve en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is er een sterke verwevenheid tussen stad en landschap. Het groenblauwe gebied ligt tussen de kernen, die daarmee karakteristiek en onderscheidend blijven. Het biedt ook een plek voor relatieve rust ten opzichte van de stad. Tegelijk biedt het landschap nog veel ruimte voor landbouw en kleinschalige experimenten voor de productie van duurzame energie. Het landschap is als drager van deze waarden cruciaal voor het vestigingsklimaat en het woon- en leefmilieu in de metropool. Ontwikkeling voor de agrarische sector is mogelijk, maar daarbij dient rekening gehouden te worden met het behoud, en waar mogelijk de versterking, van het landschap. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het vervangen en uitbreiden van de bestaande bebouwing voor een manege. De ontwikkeling blijft binnen het maximaal toelaatbaar ruimtebeslag en zal geen grote impact hebben op het landschap.
Daarnaast is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voor de voorgenomen ontwikkeling door de Ervenconsulent Mooi Noord-Holland, in overleg met de initiatiefnemer, een landschappelijk advies opgesteld, waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt. De landschappelijke inpassing sluit daarmee goed aan bij het landschap en de omgeving. De impact op het landschap is daarmee beperkt, waarmee de voorgenomen ontwikkeling het behoud en de versterking van het landschap niet in de weg zal staan. Binnen de metropool bevindt zich een aantal internationale, grootschalige industriële complexen met milieucontouren. Het gaat om luchthaven Schiphol, de haven tussen Amsterdam en IJmond (Noordzeekanaalgebied, NZKG) en Tata Steel. De oprukkende woningbouw zet druk op de ontwikkel- en milieuruimte voor deze economische complexen. De provincie zet het beleid voort dat duidelijkheid, ruimte en zekerheid biedt voor de economische activiteiten van deze complexen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op deze complexen. De uitgangspunten voor wat betreft het ontwikkelen van deze complexen is daarmee dan ook niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor de metropool in ontwikkeling niet in de weg staan.
Sterke kernen en regio's: De beweging Sterke kernen, sterke regio's beoogt handvatten te geven om de werkgelegenheid, het voorzieningenniveau en de bereikbaarheid op peil te houden. En om dorpen, steden en regio's de krachtige identiteit die ze zo kenmerkt te laten behouden of te ontwikkelen. Dit vertaalt zich in de volgende aspecten: Concentreren in kernen, passend bij rol in regionaal netwerk. Functies concentreren bij knooppunten + ontwikkeling vraaggestuurd. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op woningbouw en/of ontwikkelingen in of ten behoeve van de kernen. Tevens is geen sprake van een ontwikkeling bij een knooppunt en is sprake van een vraaggestuurde ontwikkeling (er is sprake van een behoefte aan de uitbreiding van het bedrijf, omdat de huidige bedrijfsomvang onvoldoende is voor een voldoende groot rendement). De uitgangspunten voor wat betreft de versterking van de kernen zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor sterke kernen en sterke regio's daarmee niet in de weg staan. Nieuwe energie: De provincie Noord-Holland wil in 2050 een klimaatneutrale en volledig circulaire provincie zijn, in lijn met de nationale doelstelling op dit gebied. Deze ambitie is gekoppeld aan de doelstelling van het Klimaatakkoord om te komen tot 49% CO2-reductie in 2030.
Dat betekent dat ruimte wordt geboden aan de energietransitie. De transitie naar opwekking en gebruik van duurzame energie heeft consequenties voor de energiehuishouding en de energie-infrastructuur. Elektriciteit zal op veel meer plekken dan nu het 25
geval is worden opgewekt. Noord-Holland energieneutraal op eigen grondgebied is echter niet haalbaar, zo blijkt uit onderzoek. Om te voorzien in de behoefte aan elektriciteit in de provincie is energie nodig die wordt opgewekt op land en op zee. Ook zijn er systemen nodig om in de warmtebehoefte te voorzien, zoals systemen die elektriciteit in warmte omzetten. Daarnaast is ruimte nodig voor opslag van energie, zodat vraag en aanbod van energie beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Technologieën op het gebied van duurzame energie zijn voortdurend in ontwikkeling. Denk bijvoorbeeld aan de enorme snelheid waarmee windparken op zee zich ontwikkelen. Dat vraagt om een adaptieve strategie die ruimte laat om te variëren in de duurzame-energiemix. Bovendien brengen deze nieuwe technologieën nieuwe gezondheids- en veiligheidsaspecten met zich mee. De huidige en toekomstige energie-infrastructuur speelt een doorslaggevende rol bij de economische kansen van de energietransitie. Noord-Holland ligt heel gunstig om zich te ontwikkelen tot een belangrijke schakel in het nationale en internationale energienetwerk. Op de Noordzee wordt veel nieuwe energie opgewekt die maar op enkele plekken aan land kan worden gebracht. Naast een energietransitie is er ook een economische transitie gaande, namelijk een overgang naar een meer kennisintensieve en circulaire economie.
Deze ontwikkeling draagt eveneens fors bij aan het halen van de klimaatdoelstellingen. De provincie wil de beweging richting circulaire economie versnellen en zij aan zij staan met de voortrekkers daarin. Doel is het verminderen van het verlies van (primaire) grondstoffen die geschikt zijn voor hergebruik. In 2030 moet dit verlies met de helft zijn teruggedrongen, in vergelijking met 2018. In 2050 wil de provincie volledige circulariteit bereiken. In het bijzonder in het Noordzeekanaalgebied en de Westas liggen hiervoor kansen. De doelstellingen van de provincie op het gebied van energie hebben zich in de volgende aspecten vertaald: optimale energiemix; vraag en aanbod gebundeld; ruimte aanlanding wind op zee; ruimte voor verweken reststromen. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen (grootschalige) ontwikkeling voor voorzieningen van het opwekken van duurzame energie. De voorgenomen ontwikkeling zal toekomstige (innovatieve) energieprojecten ook niet in de weg staan. Wel zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden gebouwd volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Eventueel kunnen in overleg met de gemeente daarnaast nog mogelijkheden worden onderzocht voor de realisatie van voorzieningen voor duurzame energie. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen voor nieuwe energie niet in de weg staan.
Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: In Noord-Holland is er voor een natuurlijke en vitaal landelijke omgeving een goede balans nodig tussen de agrifoodsector en de natuur- en watersystemen. De landelijke omgeving in Noord-Holland is van oudsher bepaald door het watersysteem, het landbouwkundig gebruik en de natuurgebieden. Er wordt continu gezocht naar de juiste balans tussen een gezonde leefomgeving, een sterke economische ontwikkeling en robuuste natuurlijke systemen. De agrifoodsector geeft steeds vaker invulling aan de gewenste balans. Dit gebeurt door het vergroten en benutten van biodiversiteit (onder andere in de bodem), technologische ontwikkelingen, door natuur onderdeel te laten zijn van de bedrijfsvoering, efficiëntieverbetering en verbetering en vernieuwing van gewassen. Uit oogpunt van het bieden van voedselzekerheid en voedselveiligheid is een verantwoorde voedselproductie een gezamenlijke ambitie van de provincie en de sector. Verantwoord wil zeggen: onder gezonde en gecontroleerde omstandigheden. Natuurwaarden zijn van grote betekenis voor een gezonde leefomgeving. Het grote aantal verschillende ecosystemen in Noord-Holland biedt mogelijkheden voor een enorme biodiversiteit en veel verschillende landschappen. Om de biodiversiteit te vergroten, is een sterk natuurnetwerk met hoge natuurwaarden voorwaarde.
Een goed natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer en ecologische verbindingen tussen de 26
natuurgebieden vergroten de veerkracht van het natuurnetwerk. Ook helpt het als ontwikkelingen als verstedelijking, ontwikkelingen in de landbouw en klimaatmaatregelen zoveel mogelijk natuurinclusief zijn. Niet alleen in kwantitatieve zin (hectares), maar ook in kwalitatieve zin (soortenrijkdom, toegankelijkheid). De groeiende bewustwording in de landbouw dat meer rekening gehouden moet worden met natuurwaarden, draagt hieraan bij. Met aansluiting op de natuurlijke processen leidt natuurinclusieve landbouw (gericht op minder emissies van nutriënten en gebruik van minder gewasbeschermingsmiddelen) tot vermindering van de druk op het milieu en vergroting van de biodiversiteit. De doelstellingen van de provincie op het gebied van een natuurlijke en vitale landelijke omgeving hebben zich in de volgende aspecten vertaald: faciliteren duurzame agri-foodsector; natuurlijke processen richtinggevend; robuust ecosysteem; landgebruik en waterpeil in balans. De initiatiefnemer houdt met diens bedrijfsvoering voortdurend rekening met de natuurlijke aspecten. Emissies worden zo beperkt mogelijk gehouden. Er is daarmee sprake van een duurzaam bedrijf dat zich inzet voor een bedrijfsvoering waarin zoveel mogelijk rekening gehouden wordt met natuurlijke waarden en het behoud van de vitale landelijke omgeving.
Verder staat de voorgenomen ontwikkeling de verdere ontwikkeling en het robuuster maken van natuurgebieden niet in de weg. Tevens zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond en omschreven in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) niet leiden tot een aantasting van natuurlijke waarden en/of natuurgebieden. Daarnaast zal, zoals nader is omschreven en aangetoond in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5), de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding tot gevolg hebben. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling geen invloed hebben op het waterpeil. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor een natuurlijke en vitale landelijke omgeving niet in de weg staan. Leefomgevingskwaliteit De Omgevingsvisie NH2050 van de provincie Noord-Holland streeft naar een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving voor alle inwoners. Het thema 'leefomgevingskwaliteit' vormt een kernonderdeel van deze visie, met als doel een balans te vinden tussen economische groei en leefbaarheid. Met de huidige staat van het erf staat de leefbaarheid op de locatie en in de directe omgeving, zal de leefbaarheid verbeteren. De verloedering zal stoppen. Met de paardenhouderij keert ook een voorziening terug in het landelijk gebied van Diemen. Er is ruimte voor werkgelegenheid.
De voorziening biedt de mogelijkheid voor kennismaking met de ruitersport, maar levert ook een bijdrage aan de lokale voorzieningenaanbod voor ervaren ruiters en amazones uit de directe omgeving van Diemen. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie NH2050 van de provincie Noord-Holland .
27
3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Het provinciale beleid is vastgelegd in de omgevingsverordening NH2020. De omgevingsverordening verwijst naar de Leidraad landschap en Cultuurhistorie (2018) waarin het beleid ten aanzien van landschappelijke kwaliteit en inpassing van nieuwe ontwikkelingen op erven nader is uitgewerkt. Het beleid van de provincie is er op gericht om ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Diemen bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. Daarbij is openheid en ruimtebeleving heel belangrijk; de beleving van de vrije, open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. Ook zijn de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen een provinciale kernwaarde. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken. In het veenrivierenlandschap ligt de focus op de karakteristiek van het veenrivierenlandschap met kronkelige riviertjes en uitwaaierende verkavelingen. Ruimtelijke ontwikkelingen worden binnen het verkavelingspatroon en met behoud of versterking van de kenmerkende erfstructuren en streekeigen beplantingen ingepast. Erven binnen een bepaald gebied hebben dezelfde kenmerken ten aanzien van de ligging, structuur en de beplanting van het erf.
Dat maakt de erven en het landschap herkenbaar. Die kenmerken kunnen verschillen tussen gebieden. Voor het behoud van de landschappelijke karakteristiek is het belangrijk om bij veranderingen op erven de gebiedsspecifieke kenmerken van erven te behouden of te versterken. De provincie heeft specifiek beleid opgesteld voor kwaliteitswaarborging van (agrarische) erven bij ruimtelijke ontwikkelingen: 1. De opzet en inpassing van het erf volgens het gebiedseigen karakter. 2. Sluit aan bij de maat en schaal, de vorm en de oriëntatie die kenmerkend zijn voor erven en kavels in het gebied. 3. Alle erven hebben van oorsprong een heldere indeling in een voor- en een achterkant. Zorg voor een heldere indeling van voor- en achtererf met bijpassende uitstraling. Maak de vormgeving en uitstraling van het voorerf en de overgang naar het achtererf gebiedsspecifiek. 4. Het situeren van bebouwing in het veenrivierenlandschap haaks op de waterloop en in het veenpolderlandschap evenwijdig aan de verkaveling. Situeer bebouwing altijd in de lengterichting van het erf. 5. Behoud of herstel van de zichtlijn vanaf de weg naar het landschap, over het erf(pad). 6. Het behouden en/of versterken van typerende erfranden. Richt de erfranden op een gebiedseigen manier in. Voeg bij erfuitbreiding nieuwe erfgrenssloten en/of -beplanting toe, passend in het landschapstype.
Reserveer hiervoor voldoende ruimte langs de erfranden en bouw niet te dicht op de erfgrens. Houd hierbij rekening met volgende uitbreidingen als deze te verwachten zijn. 7. Het gebruikmaken en behouden van gebiedseigen beplanting(selementen). Onderzoek welke soort beplanting en beplantingselementen kenmerkend zijn voor erven in de betreffende streek en het type landschap. Behoud en/of versterk bestaande elementen of voeg nieuwe gebiedseigen elementen toe als deze ontbreken. De ontwikkeling zal qua opzet en inpassing passen in de gebiedseigen karakter. De bestaande bebouwing wordt vervangen door nieuwbouw. Er zal dus geen substantiële toename zijn van bebouwing. De voor- en achtererf zullen dus ook niet veranderen. De landschappelijke inpassing is beschreven in paragraaf 2.2.2. 3.2.2.1 Bijzonder Provinciaal Landschap De locatie is gelegen in het gebied Vechtstreek-Noord. Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Vechtstreek-Noord bestaat uit grotendeels veenrivierenlandschap. De Vecht is de belangrijkste rivier in het gebied en was van oorsprong een zijtak van de Rijn. Het groene karakter van Vechtstreek-Noord vormt een groot contrast met de omliggende stedelijke gebieden van Amsterdam en het Gooi. Het BPL Vechtstreek-Noord bestaat uit een veenlandschap met veenrivieren en -polders. Centraal ligt de Vecht.