CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Rietschuurhof

Gemeenteraadsvergadering 30 januari 2025, gemeente DiemenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Rietschuurhof17.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hieruit blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningen van het plan De Rietschuur voor Pantar wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden conform het Activiteitenbesluit en de voorkeursgrenswaarden voor geluid vanwege verkeer van en naar de inrichting. Ten noorden van het plangebied is het sportpark Diemen gelegen. Volgens de VNG-publicatie dient er een richtafstand van 50 m te worden gehanteerd. In gemengd gebied kan dit worden verlaagd tot 30 m, in het voorliggende geval kan niet aan deze afstand worden voldaan. Met name zijn overlast van geluid en licht de belangrijkste aspecten. Derhalve is in het akoestisch onderzoek in subparagraaf 4.2.3 ook de geluidbelasting van het sportpark beschouwd. Door middel van het toepassen van een 'dove' gevel of een vliesgevel kan voldoende geluidwering worden gerealiseerd, deze maatregelen worden nader uitgewerkt. Om te borgen dat deze gevel daadwerkelijk wordt gerealiseerd is voorzien in een regeling hiervoor opgenomen in de planregels. Naast de overlast van geluid is ook hinder van licht relevant, het is namelijk toegestaan om tot 23:00 uur gebruik te maken van de sportvelden, waarbij kunstlicht wordt toegepast. Hiertoe is een lichthinderonderzoek uitgevoerd door Oostendorp Nederland BV (kenmerk: L1806yy_wijl, 18-06-2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4).

Hieruit bleek dat de lichtmasten bij de sportvelden over een grote verscheidenheid aan armaturen beschikten. De lichtmasten zijn nu allemaal voorzien van speciale armaturen en zijn er ook diverse andere maatregelen doorgevoerd aan de lichtmasten. De verlichting voldoet daarmee aan de normen voor een E1 zone natuurgebied, waarvoor hogere normen gelden dan voor een E3 zone stedelijk gebied. Daarmee wordt aangenomen dat de verlichting voldoet aan de normen en er geen belemmeringen te verwachten zijn voor de nieuwe woningen. Tevens is er binnen het plangebied de Grote Rietschuur voorzien van een maatschappelijke bestemming. Het is de verwachting dat een deel van het huidige gebruik van de Rietschuur wordt voortgezet aangevuld met nieuwe maatschappelijke functies gericht op de Rietschuurhof. Dit zijn met name functies gericht op ontmoeting en ontspanning voor buurtbewoners, met eventueel de mogelijk voor een kleinschalige horeca voorziening. Deze functies zijn maximaal milieucategorie 1 functies, met een richtafstand van 0 m. Daarmee kan aangenomen worden dat er een goed woon- en leefklimaat is ter plaatse van de nieuwe woningen ten opzichte van de Grote Rietschuur.

27

Conclusie Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de beoogde woningen binnen de plangrens voldoende worden afgeschermd van milieubelastende activiteiten. Daarmee is er sprake van een van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële

28

regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

29

Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Transport gevaarlijke stoffen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er meerdere transport routes voor gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Ten (noord)westen van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Duivendrecht – Diemen. Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de spoorlijn wordt bepaald door het vervoer van zeer toxische vloeistoffen en bedraagt meer dan 4000 meter. Het plangebied bevindt zich hier binnen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Duivendrecht - Diemen is daarom relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het plangebied. Ten noorden ligt de spoorlijn Amsterdam Muiderpoort - Diemen op circa 400 meter afstand. Over deze spoorlijn worden enkel zeer brandbare vloeistoffen vervoerd, waarvoor een invloedsgebied van 35 meter geldt. Het plangebied is buiten dit invloedsgebied gelegen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Amsterdam Muiderpoort - Diemen is daarom niet relevant voor het plangebied. Op meer dan 650 meter ten noorden van het plangebied vindt zich de Rijksweg A1. Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de A1 wordt bepaald door het vervoer van zeer brandbare gassen en bedraagt 355 meter. Het plangebied bevindt zich hier buiten.

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A1 is daarom niet relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het plangebied. Op meer dan 400 meter van het plangebied loopt de aardgastransportleiding W-533-01. Het is een leiding met een druk van 40 bar en een diameter van 16 inch. Het invloedsgebied van deze leiding reikt tot 170 meter van de buisleiding. Aangezien het plangebied hier buiten ligt, is deze aardgastransportleiding niet relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het plangebied. In het kader van het bestemmingsplan 'Plantage De Sniep - deelplan De Bottelarij' is er een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. In dit onderzoek is het plaatsgebonden risico en het groepsrisico bepaald. In dat kader is vastgesteld dat het groepsrisico onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde ligt.

30

Een hernieuwde berekening van het plaatsgebonden risico kan achterwege blijven voor ruimtelijke ontwikkelingen langs een Basisnet route en wordt er getoetst aan het voor het plaatsgebonden risico conform de afstanden uit de Regeling Basisnet. Het plaatsgebonden risico varieert op het traject tussen de 1 en 6 m vanuit het hart van de spoorlijn. De afstand van het plangebied tot de spoorlijn is ten minste 75 m. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. Het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject Diemen – Amersfoort bedraagt een afstand van 30 meter vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel. Het plangebied ligt hier in zijn geheel buiten. Er kan geconcludeerd worden dat het PAG van de spoorlijn geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plan. Uit de groepsrisicorisicoberekening voor het bestemmingsplan 'Plantage De Sniep - deelplan De Bottelarij' blijkt dat het groepsrisico onder de 0,1 keer oriëntatiewaarde blijft. Het is niet te verwachten dat met de beperkte toename van het aantal woningen als gevolg van het voorliggende plan de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Omdat er wel sprake is van een beperkte toename van het groepsrisico, er komen immers meer huishoudens binnen het effectgebied , is er een beperkte verantwoording nodig.

Beperkte verantwoording Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijnen zijn de scenario's toxische wolk, koude BLEVE, warme BLEVE, wolkbrandexplosie en plasbrand relevant, aangezien het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de verschillende stofcategorieën. - Plasbrand Een plasbrand van een zeer brandbare vloeistof als gevolg van het onmiddellijk falen van een tankwagon is een maatgevend scenario. Hierbij ontstaat een plas met zeer brandbare vloeistoffen die direct ontsteekt en leidt tot een plasbrand. De brand is kort en hevig en kan daardoor leiden tot secundaire branden in de omgeving en dus mogelijk het plangebied. - BLEVE-scenario Een BLEVE is een afkorting voor "Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion" (kokende vloeistof gasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. - Wolkbrandexplosie Een wolkbrandexplosie ontstaat wanneer een tot vloeistof verdicht gas in een tankwagon bij onmiddellijk falen onder druk expandeert tot een dampwolk die ontsteekt door aanwezigheid van een externe ontstekingsbron (vertraagde ontsteking). Een wolkbrand geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling.

- Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagon of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Bestrijdbaarheid De mogelijkheden voor het bestrijden van een incident met gevaarlijke stoffen op de spoorlijnen is beperkt. In het plangebied zal de brandweer vooral inzetten op het redden van mensen en het blussen van secundaire branden. Dit betekent dat het plangebied bereikbaar moet zijn en voorzien moet zijn van voldoende bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen. Het plangebied is in de toekomstige situatie vanaf tweezijden te bereiken voor hulpdiensten. Bij de uitvoering van de bouw- en inrichtingsplannen zal samen met de Brandweer Amsterdam - Amstelland invulling worden gegeven aan het realiseren van voldoende bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen.

31

Zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het scenario. Voor de scenario's plasbrand, warme BLEVE en toxische wolk zijn er mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Voorzieningen die in het plangebied een positieve invloed hebben op de zelfredzaamheid (zoals voldoende vluchtroutes, (nood)uitgangen, opstellen van een noodplan en afsluitbare ventilatie) zullen bij de verdere invulling van het plan (bouw- en inrichtingsfase) nader worden uitgewerkt. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario’s). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Inrichtingen Ten noorden van het plangebied op circa 40 meter is de 'inrichting Pantar Amsterdam' gelegen met een bovengrondse propaantank. Een propaantank met een inhoud van meer dan 13 m³ valt onder het Bevi.

Aangezien de propaantank een inhoud heeft van 7,9 m³, valt deze inrichting niet onder het Bevi. In het Activiteitenbesluit is voor dit type opslagtank een veiligheidsafstand opgenomen van 50 meter. De opslagtank is in gebruik voor de huidige verwarming van de Rietschuur. Deze tank wordt bij ontwikkeling weggehaald. Daarmee vormt deze tank geen belemmering voor het initiatief. Hoogspanningslijnen Ten noordwesten van het plangebied ligt een bovengrondse hoogspanningsleiding. Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van deze hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Advies Brandweer Amsterdam-Amstelland De Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft advies uitgebracht ten aanzien van het voorliggende plan (kenmerk: 046/RoEV-2023, d.d. 15 september 2023). In het advies wordt ingegaan op de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het traject Duivendrecht - Diemen. Over de spoorlijn worden voornamelijk brandbare vloeistoffen vervoerd en daarnaast brandbare gassen en toxische stoffen. Gezien de ligging en de afstand van het plangebied ten opzichte van de spoorlijn vormt brandbare vloeistof geen direct gevaar. De effecten van en ongeval met het transport van brandbaar gas (LPG) en toxische stoffen vormen wel een risico voor het plangebied.

In het advies zijn enkele maatregelen aangegeven die de in het advies behandelde risico's voor het plangebied kunnen beperken en de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid kunnen vergroten:

•

Een dijk of andere afscherming tussen het spoor en de kwetsbare objecten/vluchtroutes kan dienen als afscherming.

•

Toereikende opstelplaatsen voor hulpverleningsvoertuigen en toereikende bluswatervoorzieningen realiseren. Een goede ontsluiting van het plangebied realiseren waarbij van risicobronnen af kan worden gevlucht.

• •

Ontvluchtingsmogelijkheden (vluchtroutes en nooduitgangen) vanuit bouwwerken in het plangebied realiseren die van risicobronnen af zijn gericht.

•

Ook wordt er verwezen naar Bijlage 1 bij het advies waarin wijzigingen die in het kader van de nieuwe Omgevingswet van toepassing kunnen zijn, zoals bouwkundige voorzieningen.

De adviezen van de brandweer zijn meegewogen in dit plan. De adviezen die betrekking hebben op de verdere technische detailuitwerking van de gebouwen worden verwerkt in het eisenpakket voor de ontwikkelende partijen.

32

Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Door Royal Haskoning DHV is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (kenmerk: BG5657WATRP1903261011, d.d. 26 maart 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Soortenbescherming In het plangebied zijn diverse algemeen voorkomende, beschermde soorten aanwezig waarvoor de provincie Noord-Holland een vrijstelling heeft afgegeven in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Wel is voor deze soorten de algemene zorgplicht van de Wet natuurbescherming van kracht. Daarnaast ondervinden vleermuizen, algemene broedvogels, kerkuil en ringslang mogelijk negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling, Door het treffen van maatregelen kunnen deze mogelijke negatieve effecten deels worden gemitigeerd. Het is op voorhand echter niet uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot aantasting en vernietiging van vast rust- en verblijfplaatsen van kerkuil en boom- en gebouwbewonende vleermuizen. In voorgenoemde gevallen is nader onderzoek noodzakelijk om te voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Voor het gebruik van de zolder door vleermuizen en kerkuil wordt geadviseerd om de zolder nader te inspecteren.

Indien er op de zolder geen sporen van vleermuizen of kerkuil worden gevonden, kan de aanwezigheid van deze soorten op zolder worden uitgesloten en is nader onderzoek voor dit deel niet nodig. Uit een nadere inspectie is gebleken dat er keen kerkuil aanwezig is. Dit is per mail door de onderzoeker bevestigd. Nader onderzoek naar vleermuizen is uitgezet. De uitkomsten van dit onderzoek komen in september. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’toets is niet noodzakelijk.

33

Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS-module (AERIUS 2022) van januari 2023 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van AERIUS Calculator (Buro SRO, kenmerk: SR230108, d.d. 21 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Er zijn twee berekeningen uitgevoerd: een berekening voor de bouwfase en een berekening voor de gebruiksfase.

Met de berekening voor de gebruiksfase is de toekomstige situatie in beeld gebracht. Met de beoogde situatie is er sprake van een verkeersgeneratie van 162 voertuigbewegingen in licht verkeer en 0,9 voertuigbewegingen in zwaar verkeer per etmaal. De nieuwe woongebouwen worden gasloos uitgevoerd en zijn dan ook niet meegenomen in de berekening. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx-emissie van 4,9 kg/j en een NH3-emissie van <1 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er voor de nieuwe situatie geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000gebieden zijn. De berekening van de bouwfase is uitgevoerd op basis van de uitstoot van de mobiele werktuigen en voertuigbewegingen die tijdens de bouwfase plaatsvinden voor het bouwjaar 2024. Uit de AERIUSberekening blijkt dat er voor het rekenjaar 2024 sprake is van NOx-emissie van 134,5 kg/j en een NH3emissie van 4,5 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er in de bouwfase voor het rekenjaar 2024 geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Met het oog op de Wet natuurbescherming (Wnb) is het plan derhalve uitvoerbaar.

Houtopstanden Ten aanzien van de bomen binnen het plangebied en in de directe omgeving is er bomen inventarisatie opgesteld door Groenadvies Amsterdam bv (kenmerk: P19016, d.d. 1 april 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Het terrein rond "De Rietschuur" in Diemen gaat opnieuw ingericht worden. Voorafgaand hieraan zijn de aanwezige bomen geïnventariseerd, is de verplantbaarheid beoordeeld en de monetaire waarde van de bomen berekend. Er zijn 65 bomen aangetroffen. Op grond van de bomen inventarisatie is een kapvergunning aangevraagd en afgegeven. Aan deze kapvergunning is reeds uitvoering gegeven. De resterende houtopstand is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de quickscan is er aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de functie van de Rietschuur en de omringende bomen als verblijfplaatsen voor vleermuizen (Royal Haskoning DHV, kenmerk: BJ2330-RHD-XX-XX-RP-EO-0001, d.d. 31 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Deze rapportage is een actualisatie van de onderzoeksgegevens zoals verkregen met het nader onderzoek uit 2019 (Van Vreeswijk, 2019b).

34

Bij de veldbezoeken werden in totaal vijf soorten vleermuizen bij de Rietschuur waargenomen: rosse vleemuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en watervleermuis. De doelsoort gewone grootoorvleemruis werd in het geheel niet waargenomen. Onderstaand zijn de resultaten van de veldbezoeken weergegeven. De rosse vleermuis is slechts enkele keren als passant hoog in de lucht waargenomen. Ook de watervleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis zijn slechts enkele keren passerend waargenomen. De dieren vertoonden geen binding met het plangebied. De Rietschuur en de nabije omgeving heeft voor deze soorten geen betekenis als essentieel leefgebied. In het onderzoeksseizoen van 2023 zijn er geen zomer-, kraam- of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in of nabij de Rietschuur. Het overtreden van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soortgroep is daarom uitgesloten en vervolgstappen als het aanvragen van een ontheffing zijn niet noodzakelijk. Omdat in het onderzoeksseizoen van 2019 wel één paarverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis is aangetoond, dienen er wel voorzorgsmaatregelen ten aanzien van vleermuizen genomen te worden:

•

De Rietschuur dient voor aanvang van het vleermuis-actieve seizoen 2024 ongeschikt gemaakt toe worden voor vleermuizen. Het vleermuis-actieve seizoen loopt grofweg van april tot en met oktober. Het ongeschikt maken dient te gebeuren onder begeleiding van een vleermuisdeskundige en kan onder andere door de nok-dakpannen van de schuur te verwijderen. Als dit niet mogelijk is:

•

Dient de Rietschuur in het vleermuis-actieve seizoen vrijgegeven te worden door een éénmalige onderzoeksronde van een vleermuisdeskundige; o De schuur kan ofwel direct daarna ongeschikt gemaakt worden voor vleermuizen ofwel; o Kan direct daarna worden gesloopt.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn van uit het aspect ecologie.

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

35

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de keur horen keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.

Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Verharding Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. Hiervoor geldt bij een verhardingstoename van meer dan 1.000 m² dat 10% van de toename gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Het terrein is in de bestaande situatie reeds voor een groot deel verhard. De beoogde ontwikkeling gaat uit van het renoveren/transformeren van het bestaande gebouw, dat niet verder wordt uitgebreid. Daarnaast wordt er nieuwbouw gerealiseerd en wordt het terrein heringericht waarbij ook halfverharding wordt toegepast.

Bij de herinrichting van het terrein wordt tevens een deel van de verharding verwijderd. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verharding in de huidige situatie en de toekomstige situatie en het verschil daar tussen.

36

Verhard bebouwing) Onverhard Totaal

(incl.

Bestaande situatie 3.998 m²

Nieuwe situatie 4.414 m²

Verschil 416 m²

4.532 m² 8.530 m²

4.116 m² 8.530 m²

416 m²

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de totale toename aan verharding in het plangebied circa 416 m² is. Daarmee blijft de toename aan verharding in het plangebied onder de 1.000 m² en is watercompensatie dan ook niet vereist voor het voorliggende plan. Waterafvoer Het gebied krijgt een gescheiden stelsel (DWA/RWA). DWA-riolering dient aangesloten te worden op het DWA-stelsel van de Bottelarij en de Maalderij (oost- en westzijde deelplan R). Lozing RWA bij voorkeur op open water. Dit betekent dat de hemelwaterafvoer van de nieuwe woning wordt afgekoppeld van de afvalwaterafvoer. Dit leidt per saldo tot minder emissie en zorgt bovendien voor een minder grote belasting van de afvalwaterketen. Het hemelwater wordt afgevoerd door infiltratie in de bodem en via het oppervlaktewater. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen, zodat de waterkwaliteit als gevolg van het plan niet achteruit gaat en emissies van PAK, lood, zink en koper (via regenwaterafvoer) naar het oppervlaktewater worden voorkomen. Er wordt zodoende rekening gehouden met natuurlijke afstroom van het regenwater in verband met berging en klimaatbestendigheid. Materialisering van de openbare ruimte komt overeen met de reeds aangelegde openbare ruimte ten noorden van de Kriekenoord.

Keur en legger Voor de nieuwbouw kunnen verplichtingen ten aanzien van het onttrekken, lozen, afvoeren en aanvoeren van water (meld- en meetplicht) van toepassing zijn. Het beleid waarop AGV een vergunning kan verlenen ten aanzien van werken en werkzaamheden is vastgelegd in de Beleidsregels Keurvergunningen. Voor het plangebied is de waterlegger van het waterschap geraadpleegd. Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een primaire of secundaire waterkering. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie 4.4.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Voor het plangebied worden in de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie geen archeologisch waardevolle gebieden aangewezen. Daarnaast zijn er voor het bestemmingsplan 'Plantage De Sniep' verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd.

Deze onderzoeken hebben aangetoond dat er vanuit het oogpunt van bescherming van (eventuele) archeologische waarden geen belemmeringen zijn. Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect archeologie.

37

4.4.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft onder andere betrekking op de transformatie van de 'Grote Rietschuur', de 'Grote Rietschuur' is een gemeentelijk monument. Er is een redengevende omschrijving opgesteld voor de aanwijzing van de 'Grote Rietschuur' als gemeentelijk monument. De Rietschuur werd in 1957 gebouwd voor de Stichting Arbeidsinrichting voor Geestelijk Onvolwaardigen (A.G.O.). Deze stichting was in 1932 opgericht en zette zich in de regio Amsterdam in voor de integratie van mensen met een verstandelijke beperking in de samenleving. De stichting deed dit onder meer op een terrein in het westelijk havengebied van Amsterdam, maar vanwege een voorgenomen uitbreiding van het havengebied werd de huur daarvan in 1952 door de gemeente Amsterdam opgezegd.

De gemeente bekostigde daarna de verplaatsing naar een nieuw terrein aan de Rijksstraatweg in Diemen. De locatie lag een flink eind buiten het dorp Diemen. Het terrein waarop de Rietschuur werd gebouwd was ca twaalf hectare groot en kreeg het karakter van een landgoed. Dit kwam omdat het werd omgeven met windsingels en er naast de Grote Rietschuur een woning en kleinere schuur werden gebouwd met daaromheen kwekerijen voor bloemen en fruit, weiden voor het houden van vee, een vijver voor eenden en zwanen en zelfs een perceel hakhout. De oorspronkelijke groene terreininrichting heeft echter een versteend karakter gekregen door de aanleg van parkeerplaatsen en de bouw van het hoofdkantoor van Pantar. De bij het landgoed behorende gebouwen zoals kassen, stallen en de kleine rietschuur zijn in de loop der tijd gesloopt. De vier belangrijkste en specifieke, waardevolle elementen van het gebouw zijn: 1. 2. 3. 4.

Het beeld van een grote landbouwschuur, met golvend rieten dak en gesloten noord-, oost- en westgevels; De opzet met de strenge indeling in traveeën, gescheiden door samengestelde houten spanten; De bouwkundige hoofdstructuur met centraal in het gebouw de entree, door dragende wanden gescheiden van de westelijke en oostelijke beuken; Het monumentale kunstwerk van Pierre van Soest in de entree.

De conclusie uit de redengevende omschrijving is: In een gemeente als Diemen, die niet wordt gekenmerkt door een grote dichtheid van monumentale bebouwing, is een dergelijk wederopbouwpand van hoge architectonische en cultuurhistorische waarde belangrijk. Juist in een omgeving waar heel veel nieuw wordt gebouwd (Plantage De Sniep) is een historisch ankerpunt van grote betekenis; het verhaal van de plek (in hedendaagse terminologie vaak aangeduid als ‘placemaking en storytelling’) voegt voor de nieuw te vestigen gemeenschap veel toe.

38

Het wordt daarom van belang geacht om de 'Grote Rietschuur' te behouden voor de wijk Plantage De Sniep en daar is de transformatie van het gebouw een belangrijke opgave voor. Om de specifieke waardevolle elementen van het gebouw te behouden dient bij de herontwikkeling van het gebouw rekening te worden gehouden met de onderstaande belangrijke uitgangspunten:

•

Het handhaven van het bestaande, langgerekte volume en de bestaande materialisatie van bakstenen wanden, houten kozijnen en het kenmerkende riet op de kap.

•

De bestaande traveeën als uitgangspunt nemen en de bestaande constructie van houten spanten duidelijk in het zicht laten.

•

Bij het noodzakelijke openwerken van de noord- en zijgevels moeten de nieuwe gevelopeningen in het beeld terughoudend blijven en de entreehal zijn dominant karakter houden. Toegangen worden gerealiseerd in de zuidgevel. In de noordgevel kunnen eventueel secundaire toegangen worden gerealiseerd. In de kopgevels zijn toegangen van elke aard uitgesloten.

• •

Het zichtbaar maken van de bijzondere spanten. Deze moeten in de oorspronkelijke staat herstelt worden waar nodig.

•

Het herstellen van het kunstwerk en de entreehal over de volledige hoogte en breedte zodanig inrichten en publiekstoegankelijk gebruiken dat het kunstwerk goed zichtbaar is en zo daadwerkelijk tot zijn recht komt.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat met de uitgangspunten zoals beschreven het gemeentelijk monument duurzaam in stand wordt gehouden en de karakteristieke waarden van het monument worden behouden voor het gebied. Daarmee zijn er geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden in het gebied. In de omgeving zijn geen andere rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen worden niet aangetast of ontbreken.

4.5 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.5.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers voor de verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

39

Planspecifiek In het voorgenomen plan worden maximaal 45 huurwoningen, in het sociale en middeldure huur segment gerealiseerd, het specifieke programma is nog niet bekend. De navolgende tabel geeft de ingeschatte bijbehorende verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-normering. Hierbij wordt aangesloten op de categorieën 'schil centrum' en 'sterk stedelijk'. Programma

Aantal woningen 45

Minimale verkeersgeneratie per Maximale verkeersgeneratie per woning woning 2,8 3,6

Totale verkeersgeneratie 126,0 - 162,0

huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociaal) Totaal

45

-

126,0 - 162,0

-

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er maximaal 162 voertuigbewegingen per etmaal te verwachten zijn naar aanleiding van het voorliggende plan. Op advies van de Diemerse verkeerscommissie wordt het zuidelijke laantje afgesloten voor doorgaand autoverkeer en ingericht als voet- en fietspad. Dit pad sluit aan beide zijden aan op buurtstraten die zuidwaarts naar de Muiderstraatweg en noordwaarts het landschap in leiden. Het pad is bij calamiteiten wel berijdbaar voor hulpdiensten. Ook alle bochten van/naar het pad zijn hierop berekend. De auto ontsluiting van het plangebied loopt dan uitsluitend via De Bottelarij. Het laantje aan de zuidzijde waarborgt als looproute de doorwaardbaarheid van de gehele omliggende woonbuurt. Nood- en hulpdiensten moeten de Rietschuurhof vanuit meerdere kanten kunnen bereiken. Het laantje voor de Rietschuur moet daarom minimaal 3,5 m breed worden. De Bottelarij is een woonstraat die in de huidige situatie weinig verkeer verwerkt. Bij de aanleg van deze weg is al rekening gehouden met een toename van verkeer door de voorliggende ontwikkeling. Vanaf De Bottelarij kan het verkeer zijn weg vervolgen naar Het Pontveer om de Muiderstraatweg te bereiken. Op basis van het bovenstaande wordt aangenomen dat het deze verkeersstructuur in staat is om het beoogde aantal voertuigbewegingen te verwerken.

Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Diemen heeft daarnaast hun eigen parkeerbeleid verwoord in de 'Nota parkeernormen Diemen 2020'

40

Planspecifiek Toekomstige situatie Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van maximaal 45 woningen het specifieke programma is nog niet bekend. De navolgende tabel geeft een inschatting van de benodigde parkeerbehoefte weer in de toekomstige situatie. Programma Appartement, sociaal Appartement, middel duur Totaal

Aantal woningen 34 11 45

Parkeernorm per woning 0,8 0,7

Totale parkeerbehoefte 28 8 36

De parkeerbehoefte voor de voorgenomen ontwikkeling betreft afgerond 36 parkeerplaatsen. Voor wat betreft het parkeren is in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen het volgende aangegeven. Het benodigde autoparkeren krijgt primair een plek op de westkop, bereikbaar vanaf De Bottelarij. Maximaal vier parkeerplaatsen komen aan De Maalderij. In totaal zijn maximaal 40 openbare parkeerplaatsen inpasbaar. Het uiteindelijke, preciese woonprogramma moet hierop afgestemd worden. Bij toepassing van één deelauto mag de ontwikkelaar het woonprogramma afstemmen op maximaal 43 parkeerplaatsen. Indien er een financieel onderbouwd voorstel komt met meerdere deelauto’s voor de bewoners van de Rietschuurhof is het bespreekbaar dat er minder parkeerplaatsen gerealiseerd gaan worden. Het realiseren van meer dan 40 fysieke parkeerplaatsen is niet bespreekbaar. De onderstaande afbeelding toont de toekomstige inrichting van het plangebied, waarbij rekeninguit wordt gegaan van maximaal 40 parkeerplaatsen.

Stedenbouwkundigplan (bron: gemeente Diemen)

Het parkeren wordt openbaar toegankelijk en er gaat een blauwe zone gelden. Hiervoor gelden dezelfde regels als omliggende gebieden binnen Plantage De Sniep. Met gebruik van een parkeerschijf mag er maximaal twee uur geparkeerd worden. Bewoners komen in aanmerking voor parkeerontheffingen en er geldt een bezoekersregeling.

41

Per woning komen er twee fietsparkeerplekken, bij voorkeur in een gezamenlijke fietsenbergingen, opgenomen in de nieuwbouw. Deze bergingen zijn zowel vanaf De Bottelarij als vanaf de Joop Niemanslaan direct bereikbaar. Vanuit deze stallingen is er een directe looproute binnendoor tot het gemeenschappelijke binnengebied. Ten behoeve van bezoekers komen fietsparkeerplekken in de vorm van fietsnietjes rondom de Nieuwbouw in de openbare ruimte. Het aantal nietjes zal afhangen van de aantallen woningen die gerealiseerd gaan worden. De fietsparkeernorm voor bezoekers is 0,5 parkeerplek per woningen, bij het maximaal aantal woningen van 45 betekent dit dat er minimaal 23 fietsparkeerplekken in de openbare ruimte gerealiseerd dienen te worden.

42

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

43

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: 'Maatschappelijk' In het plangebied zijn de gronden van de Grote Rietschuur en ten zuiden hiervan bestemd als 'Maatschappelijk'. Hier zijn maatschappelijke voorzieningen met inbegrip van zorginstellingen en uitgezonderd educatieve voorzieningen en kinderopvang. Het bouwvlak is opgenomen ter plaatse van de bestaande bebouwing. De toegestane maximum bouwhoogte is aangeduid op de verbeelding. De gronden zijn tevens bestemd voor andere bij de bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, parkeervoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en groenvoorzieningen. 'Verkeer' De bestemming Verkeer geldt voor de wegen en straten en de algemene parkeervoorzieningen in het plangebied en daarnaast voor bepaalde voet- en fietspaden en verblijfsgebieden. De bestemming is gericht op de afwikkeling van het bestemmingsverkeer. Binnen de bestemming zijn in ondergeschikte mate ook andere openbare voorzieningen mogelijk, zoals (onder meer) groen en water. 'Wonen' De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de woning binnen het plangebied. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. De toegestane maximum bouwhoogte is aangeduid op de verbeelding. Binnen de bestemming 'Wonen' is met een functieaanduiding 'gestapeld' vastgelegd waar gestapelde woningen zijn toegestaan.

Het aantal wooneenheden mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. De gronden zijn tevens bestemd voor andere bij de bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, parkeervoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en groenvoorzieningen. Naast de woonfunctie is ook kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van een aan huis verbonden beroep toegestaan.

44

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De nog te ontwikkelen gronden van de Rietschuurhof ontwikkelt de gemeente Diemen in eigen beheer. Zij doet dit via een actief grondbeleid en geeft zelf de grond uit. De gronden zijn reeds in eigendom bij de gemeente Diemen. Er bestaat geen noodzaak tot verhaal tot kosten. Daarmee kan afgezien worden van het opstellen van een exploitatieplan dan wel het sluiten van een anterieure overeenkomst. Voor de ontwikkeling van de plannen heeft de gemeente financiële middelen beschikbaar die de benodigde kosten kunnen dekken. De overige kosten worden gedekt uit de verkoop van grond. Het plan is daarmee financieel haalbaar.

45

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) is het voorliggende bestemmingsplan toegestuurd aan diverse vooroverleg partners. Onderstaand zijn de vooroverlegreacties samengevat en voorzien van een reactie.

•

Provincie Noord-Holland

De Provincie heeft kennis genomen van het plan en ziet geen aanleiding tot het indienen van een reactie. De reactie wordt ter kennisname aangenomen.

•

Waternet

Samenvatting Waternet heeft aangegeven dat het overzicht van de toename aan verharding in de waterparagraaf niet duidelijk is. Het advies is om dit simpeler weer te geven, door aan te geven wat het verharde en niet verharde oppervlak is in de huidige en toekomstige situatie en wat het verschil is daar tussen. Reactie Dit advies is overgenomen en dit onderdeel van de waterparagraaf is aangepast.

•

Liander

Geen opmerkingen.

•

Tennet

Geen opmerkingen.

46

•

Brandweer Amsterdam - Amstelland

Samenvatting

• •

De gevolgen van de risicobron van het spoortraject Duivendrecht - Diemen dienen te worden onderbouwd. De invulling van de bluswatervoorziening en bereikbaarheid voor de hulpdiensten is nog niet goed uit het plan af te leiden. Het gehele plangebied moet goed bereikbaar zijn voor hulpdiensten.

Reactie Naar aanleiding van de reactie van de Brandweer zijn de gevolgen van de risicobron van het spoortraject Duivendrecht - Diemen nader beschouwd in subparagraaf 4.2.5. Het advies is tevens op genomen in deze paragraaf. Het plangebied is via twee kanten goed bereikbaar, zowel via de Maalderij (oostzijde) als via de Bottelarij (westzijde). De aanleg van bluswatervoorzieningen wordt bij de nadere planuitwerking meegenomen in overleg met de Brandweer.

7.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen vanaf 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024. In deze periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt bij het bevoegd gezag.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=71ed45c8-90bc-4258-bbfa-f8c44e0ca708