CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

B3 ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraadsvergadering 17 juni 2021, gemeente DiemenBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen woningbouw naast de Smidse Ouddiemerlaan 1917.009 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 26

Relatie tot ontwikkeling In de bijgevoegde bezonningstudie is de situatie op vier kenmerkende data uitvoerig (van zonsopkomst tot zonsondergang) in beeld gebracht. Het betreft de data 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. Het belang van de bezonningstudie gaat in op de volgende twee vragen: 1. Hebben de omliggende gebouwen en hun gebruiken last van te veel schaduwwerking door de nieuwbouw? 2. Hebben de gebruikers van de nieuwbouw voldoende zon op hun buitenruimten?\ •

• • •

21 maart is kenmerkend voor de lente. Ondanks de lage zon werpt het gebouw vanaf 11:00 uur geen schaduw op omliggende percelen. De tuin en de balkons (op het noordwesten) hebben af en toe direct zonlicht. 21 juni is kenmerkend voor de zomer. Schaduw op andere percelen is nagenoeg niet aanwezig gedurende de hele dag. De tuin en de buitenruimten krijgen ruimschots zon, vooral in de namiddag. 21 september is kenmerkend voor de herfst. De situatie is vergelijkbaar met maart, maar is iets gunstiger voor de buitenruimten. Men kan genieten van de nazomerse middagszon. 21 december is kenmerkend voor de winter. De dagen zijn kort, de zon is laag, maar het is vaak ook bewolkt. De beelden zijn daarom niet altijd representatief voor de werkelijke situatie. Er is pas vanaf 14:00 geen schaduwwerking op aangrenzende percelen en de buitenruimten krijgen geen directe zon.

De bezonning van de nieuwbouw is eveneens naast de bezonning van de huidige situatie gelegd. Daaruit blijkt het volgende: • In maart komt er door de nieuwbouw meer schaduw, maar die beperkt zich tot het parkeerterrein en de tuin van de Smidse (zelfde eigenaar). • In juni komt er door de nieuwbouw, uitsluitend in de vroege ochtenduren, extra schaduw op het (bebouwde) achter terrein van het café • In september is de situatie vergelijkbaar met september. • In december is het verschil nihil door de korte dagen en lage zonstand. Het verschil manifesteert zich nagenoeg uitsluitend op het eigen terrein. Al met al zijn de effecten op de percelen in de omgeving qua schaduwwerking gering, en de buitenruimten krijgen voldoende zon in de relevante periodes. De gevels die minder zon ontvangen betreffen eigen terrein of gebouwen geen woningen zijnde.

Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 27

De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Kwinfra. De rapportage 26 januari 2018 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Onderzoek Op de onderzoekslocatie zijn zandlagen aangetroffen met bodemvreemde bijmengingen welke sterk zijn verontreinigd met koper, lood en zink. Daarnaast is er een matige verontreiniging met nikkel aangetoond en lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, kwik, PAK en minerale olie. Dezelfde verontreinigingen zijn aangetroffen in de veenlagen van 0,9 tot circa 1,35 m-mv. De veenlagen van 1,50 tot circa 2,20 m-mv zijn sterk verontreinigd met lood, matig verontreinigd met koper en licht verontreinigd met kobalt, kwik, nikkel, zink en PAK. De veenlagen van 2,5 tot circa 3,25 m-mv zijn matig verontreinigd met lood en ten hoogste licht verontreinigd met kwik. Het grondwater is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters.

In het samengestelde mengmonsters van de puinlaag en het mengmonster van de puinhoudende zandlagen is analytisch geen asbest aangetoond. Uit de analyseresultaten van de analyse puinbeperkt van de puinlaag blijkt dat de laag niet toepasbaar is op basis van PAK en minerale olie. De aanwezige puinlaag kan niet buiten het worden toegepast, maar dient afgevoerd te worden naar een erkende verwerker óf deze puinlaag dient binnen het werk toegepast te worden. De zeer grove materialen die zijn aangetroffen, zoals stukken muur, hout, klinkers e.d., zijn vooralsnog niet asbestverdacht en niet verder onderzocht. Deze materialen kunnen als algemeen bouw- en sloopafval worden afgevoerd naar een erkende verwerker. De aangetoonde verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie kunnen vermoedelijk gerelateerd worden aan de aangetroffen zintuiglijke bijmengingen. Mogelijk zijn deze afkomstig uit de activiteiten van de naastgelegen historische smederij Smidse. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan geconcludeerd dat de bodem tot circa 2,5 m-mv sterk verontreinigd is en dat naar verwachting in totaal meer dan 25 m³ grond sterk is verontreinigd en dat derhalve sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging dienen gemeld te worden middels de uitvoering van een BUS-melding bij de het bevoegd gezag Wet bodembescherming. De te verlenen omgevingsvergunning kan pas van kracht worden (in werking treden) nádat er een instemming is met de BUS-melding die ingediend moet worden door het bevoegd gezag.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie, onder voorwaarde van een in te dienen BUS-melding.

DUURZAAMHEID Algemeen Rijksbeleid Het duurzame beleid van de Nederlandse overheid is vastgesteld in onder andere de Energieagenda (2016). Het doel van deze agenda is om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 te bewerkstelligen. In het Klimaatakkoord van Parijs is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 28

ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Dat vraagt om een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie, tot dichtbij nul in het jaar 2050. Elektriciteit wordt dan duurzaam opgewekt, gebouwen worden voornamelijk verwarmd door aardwarmte en elektriciteit, bedrijven hebben hun productieprocessen aangepast, er wordt niet langer op aardgas gekookt en er rijden vrijwel alleen maar elektrische auto’s. Tot 2020 neemt de CO2-uitstoot fors af. Doorzetten van het huidige beleid is na 2020 echter onvoldoende om een geleidelijke transitie mogelijk te maken. Zonder aanvullend beleid zal de CO2-uitstoot zelfs weer kunnen toenemen. Voor de bestaande woningvoorraad betekent een geleidelijke transitie dat jaarlijks 170.000 woningen aangepast dienen te worden. Voor de nieuwbouw van woningen bepaalt de Europese EPBDrichtlijn de ambitie om tot bijna energie-neutrale gebouwen te komen. Vanaf 2021 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan overeenkomstige wettelijke vereisten. Nieuwe woningen moeten worden voorzien van warmtepompen, zonnecollectoren en extra isolatie en eisen worden gesteld aan de maximum vervuiling van auto’s. Daarnaast is in 2016 het Rijksbrede programma circulaire economie vastgesteld. Dit programma richt zich op de ontwikkeling naar een vóór 2050 te realiseren circulaire economie.

De ambitie van het kabinet is om samen met maatschappelijke partners in 2030 een (tussen) doelstelling te realiseren van 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen). Met deze doelstelling op grondstoffengebruik sluit Nederland aan bij het ambitieniveau in vergelijkbare landen. Het Deltaprogramma 2020, ‘doorwerken aan de delta: nuchter, alert en voorbereid’ is een nationaal programma. Een van de doelstellingen van het Deltaprogramma is dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. In verband met de grote ruimtelijke opgaven voor woningbouw en energietransitie, vraagt de deltacommissaris extra aandacht voor de verbinding tussen water en ruimte en verzoekt hij alle overheden hieraan in hun omgevingsbeleid invulling te geven. Nederland is klein en iedere opgave gaat gepaard met een forse ruimteclaim. Daarom is het van groot belang dat de doelen van het Deltaprogramma – voor waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid en ruimtelijke adaptatie – doorwerken in de omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten en dat ze meegenomen worden bij de voorbereiding van concrete projecten in het fysieke domein. Vanuit de natuurvisie Nederland Natuurpositief (2019) werken Rijk en provincies aan een uitvoeringsagenda voor natuurbeleid.

Nederland Natuurpositief richt zich zowel op versterking van de natuur in natuurgebieden als in de steden, op het platteland en in de grote wateren. De opgave van het voltooien van een biodivers Natuurnetwerk Nederland (NNN) blijft overeind en wordt uitgebreid naar Natuurpositief. Dit betekent dat het herstel van de natuur en haar biodiversiteit niet alleen plaatsvindt binnen het Natuurnetwerk, maar overal: in de steden, op het platteland buiten de natuurgebieden en in de grote wateren. Provinciaal beleid De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. Van de acht meest urgente ontwikkelingen in de leefomgeving van Noord-Holland hebben twee ontwikkelingen direct verband met duurzaamheid, namelijk Energietransitie en Klimaatverandering. Bij deze twee ontwikkelingen moet dan ook ingezet worden op een duurzame economie en klimaatadaptie. NoordHolland wil in 2050 een klimaatneutrale en volledig circulaire provincie zijn, in lijn met de nationale doelstelling op dit gebied. Deze ambitie is gekoppeld aan de doelstelling van het Klimaatakkoord om te komen tot 49% CO2-reductie in 2030. De transitie naar opwekking en gebruik van duurzame energie heeft consequenties voor de energiehuishouding en de energieinfrastructuur. Noord-Holland energieneutraal op eigen grondgebied is niet haalbaar, zo blijkt uit onderzoek.

Gemeentelijk beleid De gemeente Diemen wil haar verantwoordelijkheid nemen en actief bijdragen aan de transitie naar een duurzamere samenleving en heeft om deze reden de Duurzaamheidsagenda Diemen 2020-2025 ontwikkeld. De beleidsuitgangspunten heeft de gemeente Diemen ondergebracht in de Duurzaamheidsroute, waaruit vijf onderdelen zijn voortgekomen: 1. De pijler duurzame samenleving;

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 29

2. 3. 4. 5.

De pijler gezonde leefomgeving; Samenwerking binnen de gemeentelijke organisatie; Samenwerking met de samenleving; Programmatische aanpak.

Binnen het eerste thema is De pijler duurzame samenleving, bestaand uit de onderdelen thema’s energie & klimaat, afval & circulaire economie en natuur & biodiversiteit, van belang. Binnen het tweede thema zijn de onderdelen De pijler gezonde leefomgeving bestaat uit de thema’s klimaatadaptie, luchtkwaliteit & geluid en schone mobiliteit van belang. Integrale aanpak vindt plaats bij de onderdelen samenwerking binnen de gemeentelijke organisatie, samenwerking met de samenleving en een programmatische aanpak, Zoals in de duurzamaheidsroute onder circulaire economie is aangegeven stuurt de gemeente waar mogelijk bij nieuwbouw en herontwikkeling aan op: tenminste energieneutraal, circulair, klimaatadaptief, natuurinclusief en levensloopbestendig bouwen.

Onderwerpen die naar voren komen met betrekking tot woningbouw zijn: • aardgasloze woningen welke minimaal energieneutraal zijn en waarbij wordt gestreefd naar energiepositief (Coalitieakkoord); • prestatieafspraken met woningcoöperaties; • het verduurzamen van bestaande koopwoningen; • aandacht voor behoud van nestgelegenheid voor vogels en vleermuizen bij isolatie van spouw en dak van bestaande woningen en natuur-inclusieve nieuwbouw; • verplichting van MPG-berekening bij nieuwbouwwoningen groter dan 100 vierkante meter; • de bescherming van woningen volgens de Wet geluidhinder; • eisen ten aanzien van bergen en afvoeren van regenwater (er mogen geen gebouwen of (parkeer)kelders onderlopen bij een regenbui van 120mm in een uur; alleen als dit niet haalbaar is wordt 90 mm in een uur gehanteerd); • aandacht voor hittestress; • aandacht voor circulair bouwen en slopen: tegengaan gebruik sterk belastende, schadelijke en uitlogende bouwmaterialen, hergebruik van materialen en toepassing van FSC of gelijkwaardig gecertificeerd hout, zoveel mogelijk beperking van gebruik F-gassen/HFK’s.

Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van drie koopappartementen. Duurzaamheid kan men omschrijven in technische, maar ook in ruimtelijke en kwalitatieve zin. De technische duurzaamheid binnen het project wordt geborgd door het toepassen van hoge isolatiewaarden en hoogwaardige installatie. Een en ander wordt berekend en omschreven in de Milieuprestatieberekening. Het streven is een MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) van 0,8. Het gebouw is gasloos, voorzien van ruim dertien vierkante meter zonnepanelen, bodemwarmtepomp, lage-temperatuur verwarming en ventilatie met een warmteterugwinning. De bodemwarmtepomp kan tevens koelen. Het streven is om een stap verder te gaan dan het Bouwbesluit voorschrijft. Echter zal energieneutraal zijn waarschijnlijk net niet haalbaar zijn, vanwege de maat van het plot en het dakvlak. Verder wordt de technische duurzaamheid gemanifesteerd in het gebruik van robuuste, duurzame materialen, als baksteen en (FSC) hout; en het behoud van zoveel mogelijk volle grond in de achtertuin. Daarnaast vindt er geen toepassing plaats van schadelijke uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, ongecoat zink of teerhoudend bitumen. Daarnaast vindt er geen toepassing van met chroom en/of koperzouten verduurzaamd hout plaats evenals geen toepassing van koperen waterleidingen.

Het plan voorziet in de toepassing van een groen dak op de laagbouw ten behoeve van de opvang en vertraging van het regenwater. Daarnaast wordt er in de tuin geen gesloten verharding toegepast. De hoeveelheid verharding binnen het perceel neemt dan ook niet toe ten opzichte van de huidige situatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 30

De ruimtelijke kwaliteit wordt in eerste instantie bereikt door het afmaken van de gevelwand, waardoor het straatbeeld completer wordt. Maar ook de inhoudelijke verbinding (door middel van het informatiepunt) met het verleden en de verwijzingen in het gevelontwerp naar het collectieve geheugen van de plek zijn onderdeel van een integrale duurzame ontwikkeling. Tijdens de bouwfase wordt het vervoer zoveel mogelijk beperkt ingepland en ligt de nadruk op de prefabricage van elementen. Tijdens de bouw wordt het afval volgens de gemeentelijke normen gescheiden en indien mogelijk circulaire aangeboden. Er wordt tijdens de bouw niet gewerkt met aggregaten (ook vanwege geluidshinder), maar met netstroom. Gedurende alle fases - ontwerp, bouw en gebruik - wordt gekeken naar de levensloop van materialen en producten. Ook worden andere duurzaamheidsmaatregelen aangehaald, zoals energieopwekking en isolatiewaarde, een en ander conform de opgave in de gemaakte en ingediende MPG. Gezien de kleine afmetingen van de woningen kunnen ze niet voldoen aan (facultatieve) eisen voor aanpasbare bouwen, zoals omschreven in bijvoorbeeld de Woonkeur. Echter wordt de inrichting waar mogelijk afgestemd met de eindgebruikers, zodat ook de levensloopbestendigheid zo optimaal mogelijk is. Zonwering aan de achterzijde van het pand betreft een kopersoptie.

Aan de voorzijde dient voorzichtig om te gaan met zonwering in verband met welstand en de gevoeligheid omrent de Oude Smidse.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het Rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid met betrekking tot duurzaamheid.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. • Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 31

beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; • Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 11. uitsnede risicokaart, plangebied groen omcirkeld (bron: www.nederland.risicokaart.nl)

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: • woningen; • onderwijsgebouwen; • ziekenhuizen; • verpleeghuizen; • verzorgingstehuizen;

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 32

• •

psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven.

Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling Het plangebied bevindt zich aan een 30km/u-weg waar vrachtverkeer niet is toegestaan. Echter heeft de gemeente Diemen aangegeven van de Ouddiemerlaan een drukke weg is, waardoor een akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Ten behoeven van de voorgenomen ontwikkeling is daarom op d.d. 27 augustus 2020 door TecMap een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is terug te vinden in bijlage 5. Onderzoek Uit de akoestische berekeningen en toetsing blijkt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer over de zoneplichtige weg Hartveldseweg niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Dit betekent dat vanwege de zoneplichtige wegen geen hogere grenswaarde hoeft te worden vastgesteld. Uit de akoestische rapportage 20200143-1 van 27 augustus 2020 blijkt dat sprake is van een geluidbelasting van maximaal 59 dB Lden op de voorgevel van het bouwplan (59 dB in de dagperiode, 57 dB in de avondperiode en 47 dB in de nachtperiode) vanwege wegverkeer. We achten dit niveau aanvaardbaar daar aan deze zijde van woningen geen buitenverblijfruimten zijn geprojecteerd en de straatgevelzijde van deze woningen dermate bouwkundig wordt uitgevoerd dat in de verblijfruimten van de woning nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Onder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in dit type woonomgeving achten we een ontwerpeis voor het binnenniveau van 33 dB redelijk. Dit kan gerealiseerd worden door in de gevel aan de straatzijde dubbele beglazing aan te brengen met goede enkele kierdichting. Wanneer eventuele noodzakelijk ventilatie van de woonruimte niet via deze gevel plaatsvindt dan kan een geluidwering van 26 dB worden gerealiseerd. Onder deze voorwaarden is sprake van een geluidniveau van 59 – 26 = 33 dB. Hiermee is aangetoond dat in de woonvertrekken van de nieuw te bouwen woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op de tweede verdieping van het bestaande pand ten zuiden van de bouwlocatie staat een airco installatie opgesteld. Een simpele aanvullende berekening toont aan dat het geluidniveau op de zuidgevel naast de airco maximaal 55 dB Lden bedraagt (55 dB in de dagperiode, 52 dB in de avondperiode en 43 dB in de nachtperiode). De zuidgevel van de derde verdieping van de appartementen is een gevel zonder ramen of deuren en voorzien van een isolatiepakket (242 mm). Bij een afstand tussen de installatie en de gevel van de nieuwbouw van circa 1 meter, zal het op de gevel invallende geluidniveau in de orde van 60 dB(A) bedragen afhankelijk van het type condensor.

Bij een geluidniveau van 60 dB op de gevel vanwege de airco installatie betekent dat er in de nachtperiode geen sprake is van een relevante cumulatie: het geluidniveau op de zuidgevel wordt dan volledig bepaald door de airco installatie. Bij een geluidniveau van 60 dB(A) invallend op de gevel en een karakteristieke geluidwering van minimaal 35 dB zal het geluidniveau vanwege de airco in de woonvertrekken in de orde van 25 dB bedragen. Evenwel is een koelinstallatie niet continu in bedrijf. De behoefte aan koeling is het grootst bij hoge buitentemperaturen (zomerperiode). Bij een warme zomerdag kan de installatie overdag continu in bedrijf zijn maar in de avonden nachtperiode zal de koelbehoefte lager zijn. Bij een ruime inschatting van het worst case scenario mag worden uitgegaan van 100% koelbehoefte tijdens de dagperiode, 75% tijdens de avondperiode en 50%

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 33

tijdens de nachtperiode. Onderstaande tabel geeft aan welke geluidbelasting dan op de gevel van de nieuwbouw ontstaat[1]. Geluidbelasting in dB op de gevel van de nieuwbouw tijdens: Dagperiode

Avondperiode

Nachtperiode

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Bijdrage koelinstallatie

60.0

58.8

57.0

Bijdrage wegverkeer

54.7

52.0

42.8

Totaal

61.1

59.6

57.2

Karakteristieke geluidwering zuidgevel Geluidniveau in de woonvertrekken

35 26

25

22

Bovenstaand geluidniveau betekent een etmaalwaarde van 32 dB(A) ofwel 30 dB L den. Er wordt in de woonvertrekken voldaan aan de grenswaarde van 35 dB(A) ofwel 33 dB L den. Onder deze voorwaarden is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woonvertrekken van de nieuw te bouwen appartementen.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

LUCHTHAVENINDELINGSBESLUIT SCHIPHOL (LIB) Algemeen Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit (LIB, geconsolideerd januari 2018) waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik nam. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen. In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Het luchthavengebied betreft de gronden behorende tot de luchthaven. Het beperkingengebied omvat een zone daaromheen, waarbinnen verschillende regimes gelden voor de gebieden die hierbinnen liggen. Hoe groter de afstand tot de start- en landingsbanen en de vliegroutes, hoe minder beperkingen er gelden. Binnen het beperkingengebied dient te worden getoetst aan de maatgevende toetshoogtes.

[1]

Bij de sommatie is geen rekening gehouden met het feit dat de hinderbeleving vanwege industriële bronnen anders is dan vanwege wegverkeer. Bij het toepassen van bijvoorbeeld de sommatiemethode volgens Miedema is de totale geluidbelasting lager dan nu wordt berekend.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 34

Naast de maatgevende toetshoogtes binnen het beperkingengebied zijn deelgebieden (zones) te onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen voor bebouwing, beperkingen voor vogelaantrekkende werking en beperkingen voor windturbines en lasers. De beperkingengebieden LIB 1 t/m 5 beogen het aantal personen dat geluidhinder van de luchtvaart ondervindt, of het aantal slachtoffers op de grond ten gevolge van een luchtvaartverkeersongeluk (externe veiligheid), gering te houden, door beperkingen te stellen aan de gebruiksfuncties van het gebied rond Schiphol. De beperkingen voor de gronden binnen de zones LIB 1 t/m 5 zijn daarom gericht op de gebruiksfunctie van het plan/object.

Relatie tot ontwikkeling Middels een door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ontwikkelde webapplicatie kan worden beoordeeld of een plan binnen een relevant gebied in het kader van het LIB gelegen is en of een gepland object de aldaar geldende maatgevende toetshoogten overschrijdt. Figuur 12. uitsnede kaartmateriaal LIB, plangebied rood omcirkeld (bron: lib-schiphol.nl)

De projectlocatie is niet gelegen binnen het beperkingengebied van LIB1 tot en met LIB5. Aangezien de hoogte van het te realiseren appartementencomplex circa twaalf meter bedraagt, worden de maatgevende toetshoogten niet doorkruist. Binnen het paarse gebied uit figuur 11 bedraagt de maatgevende toetshoogte 146 meter, waardoor een ontwikkeling van twaalf meter hoogte geen negatieve effecten veroorzaakt. Tevens is de beoogde ontwikkeling geen windturbine of laser.

Conclusie Het luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 35

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m 2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van drie appartementen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.13) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 13. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 6 augustus 2020)

In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 36

Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 3 augustus 2020). Tabel 2. jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl) Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 230841 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

19,8

18,4

10,9

2030

11,9

15,8

8,7

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 37

voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Van der Goes & Groot een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 3 augustus 2020 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Door Van der Goes & Groot is onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten. Op basis van de literatuurstudie kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied enkel de vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen en dat het plangebied tevens als foerageergebied voor vleermuizen word gebruikt. De uitkomsten van het veldbezoek zijn daarom als volgt: • vogels: voor soorten met niet-jaarrond beschermde nesten dient de zorgplicht in acht te worden genomen waarbij activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wordt geen negatief effect verwacht. • vleermuizen: binnen het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat geen geschikte holtes of spleten aanwezig zijn binnen de huidige bebouwing en bomen.

Tevens worden potentiële in-/uitvlieggaten niet belemmerd door de nieuwbouw. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied. Ten behoeve van de mogelijk aanwezig beschermde soorten dient enkel de zorgplicht omtrent het broedseizoen voor soorten met niet-jaarrond beschermde nesten in acht genomen te worden. Daarnaast schetst van der Goes & Groot de volgende aanbeveling ter bevordering van de Stadsnatuur: • het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen; • plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen; • beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen; • indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten.

Enkele nestobjecten zullen worden aangebracht binnen de bebouwing, welke dienen als verblijfplaatsen voor Huismussen, Spreeuwen, en Gierzwaluwen. Zo worden er 6 tot 7 mussenpannen per dakvlak ingepast. Ook worden alle onderste dakpannen zonder vogelschroot ingepast. Direct onder de gootlijn worden drie

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 38

gierzwaluwkasten van Waveka ingepast. Als laatste wordt er een gras- en kruidendak gerealiseerd binnen het plangebied. Figuur 14. tekening biodiversiteits- en nestingmaatregelen (bron: Architectenbureau Micha de Haas & City Development, 7 april 2021).

Indien de Gewone esdoorn gekapt dient te worden omdat de wortels anders te erg beschadigen, is het doel om deze boom aan de gemeente aan te bieden, zodat zij deze boom kunnen herplaatsen. Indien de wortels van de bodem ook hierbij beschadigd raken, zal er een andere boom te vervanging binnen het plangebied worden geplaatst. Gebiedsbescherming Naast de soortenbescherming dient ook de gebiedsbescherming te worden beschouwd. Het plangebied bevindt zich binnen tien kilometer afstand van de volgende Natura 2000-gebieden: • Markeermeer & IJmeer (3,8 kilometer); • Naardermeer (9,5 kilometer); • Oostelijke Vechtplassen (9,4 kilometer); • Botshol (8,5 kilometer); • Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twisk (9,7 kilometer).

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 39

Figuur 15. uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied rood omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl).

Daarnaast bevindt het plangebied zich niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Ook is het plangebied niet gelegen binnen een weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, daarom worden er geen onder de Wnb genoemde beplantingen gekapt. Door Cauberg Huygen is op d.d. 22 september 2020 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, welke is terug te vinden in bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de stikstofdepositieberekening is naar voren gekomen dat voor realisatie- en gebruiksfase geen depositiewaarden oplevert boven 0,00 mol/ha/jr. Figuur 16. uitsnede kaart NNN-gebieden, plangebied rood omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl).

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 40

Houtopstand Om te voorzien in de beoogde ontwikkeling, dient de Gewone esdoorn wellicht verwijderd te worden uit plangebied. Dit is afhankelijk van de beschadiging van de wortels als gevolg van de plaatsing van de kelderbak. Op 1 oktober 2010 is de Bomenverordening van de gemeente Diemen inwerking getreden. De Bomenverordening Diemen 2010 geeft aan dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen. Uitzonderingen op dit verbod betreffen: In afwijking van het eerste lid is onder andere geen vergunning vereist voor het vellen van een houtopstand in een achtertuin van een woning waarvan deze tuin niet groter is dan honderd vierkante meter. De achtertuin bedraagt minder dan honderd vierkante meter, waardoor het volgens de Bomenverordening niet benodigd is op een kapvergunning aan te vragen ten behoeven van de kap van de boom.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto Op 15 januari 2021 heeft de gemeente Diemen een nieuwe parkeernota gepubliceerd, namelijk de Nota Parkeernormen Diemen 2020. De autoafhankelijkheid ligt in Diemen relatief laag. In de gehele gemeente Diemen ligt het gemiddeld autobezit per huishouden onder het nationaal gemiddelde, namelijk onder de 0,7 personenauto’s per huishouden. De uitgangspunten van de Nota Parkeernormen gemeente Diemen zijn als volgt: • In iedere nieuwbouw- of transformatieontwikkeling of functiewijziging is sprake van een behoefte aan auto- en fietsparkeerplaatsen. Aan de hand van deze nota parkeernormen wordt de omvang van deze parkeerbehoefte bepaald. • Een nieuwbouw- of transformatieontwikkeling of functiewijziging leidt niet tot een ongewenste verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen terrein. • De gemeente Diemen streeft naar een flexibele nota parkeernormen. Deze flexibiliteit komt tot uiting in de wijze waarop de parkeernormen worden toegepast en niet in de hoogte van de parkeernormen. De parkeernormen bevatten geen bandbreedtes, het zijn vaste waarden. • Bedachte parkeeroplossingen zijn toekomstbestendig.

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een parkeernorm op maat vastgesteld van nul parkeerplaatsen per woning in de stedenbouwkundige randvoorwaarden, vanwege de hoge parkeerdruk in de Ouddiemerlaan. Dit betekent dat er geen parkeerplaatsen gerealiseerd hoeven te worden op eigen terrein. Echter is in het principeverzoek besloten om per woning één parkeervergunning af te geven en twee parkeerplaatsen in de openbare ruimte te realiseren. In totaal is er dus recht op in totaal drie parkeervergunningen om in de openbare ruimte te parkeren. De parkeernorm is hiermee dan ook één parkeerplaats per wooneenheid. In afwijking op het beleid worden de parkeerplaatsen niet op eigen terrein gerealiseerd. Er is geen recht op overige producten zoals de bezoekersregeling, bezoekers parkeren in de betaalde zones of in de blauwe zone. Bezoekers kunnen parkeren in de betaald parkeren- of blauwe zone aan de Ouddiemerlaan en omliggende straten. De bewoners hebben geen recht op het aanvragen van een bezoekersregeling. Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 41

Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. Bij de entree worden twee bergingen gerealiseerd voor de twee bovenappartementen. Deze bergingen voldoen aan de afmetingen volgens het Bouwbesluit en zijn geschikt en bedoeld voor fietsen. De woning op de begane grond krijgt een (vergunningsvrije) schuur in de tuin waar de fietsen (via de achteringang) geplaatst kunnen worden. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: • • • •

klasse: zeer stedelijk (2.537 omgevingsadressen per vierkante kilometer); hoofdgroep: wonen; subgroep: koop, appartement, midden, centrum; aantal: drie appartementen.

Op basis van de CROW-publicatie 381 zijn 0,8 tot 1,6 parkeerplaatsen benodigd per woning, waarbij de corresponderende verkeersgeneratie minimaal 2,9 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt en maximaal 3,7 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt. Op basis van de CROW-publicatie zal de maximale verkeersgeneratie 11,1 verkeersbewegingen per etmaal bedragen. Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de eenrichtingsweg Ouddiemerlaan. De Ouddiemerlaan is via meerdere zijstraten te ontsluiten. Het noordelijk eindpunt van de Ouddiemerlaan bevindt zich in de nabije omgeving van de Rijksweg A1 en passeert tevens station Diemen. De toename van 11,1 verkeersbewegingen per etmaal kan goed worden opgevangen op het bestaande wegennet.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Relatie tot ontwikkeling Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. De projectlocatie behoort tot het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). AGV heeft de taak om het watersysteem te beheren en in stand houden. AGV streeft naar veilige en gezonde systemen, rekening

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 42

houdend met maatschappelijke belangen en functies. Om dit te bewerkstelligen heeft AGV/Waternet onder andere de volgende (sub)doelen; 1. 2. 3. 4.

Het garanderen van aan- en afvoer van water; Het garanderen van veiligheid tegen overstromingen en wateroverlast; Het zorgen voor een ecologisch gezond watersysteem (invulling geven aan de KRW); Het faciliteren van verschillende gebruiksfuncties en de daaruit voortvloeiende (kwaliteits)doelen.

Ten behoeven van de voorgenomen ontwikkeling is een waterparagraaf opgesteld en naar Waternet gezonden. Door middel van de reactie van Waternet is de volgende waterparagraaf tot stand gekomen. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Binnen het plangebied zijn een boom en een carport aanwezig, verder is het gehele plangebied verhard. In de nieuwe situatie zal er in ieder geval geen toename in de verharding zijn. De verharding zal een fractie afnemen. Figuur 17. uitsnede Legger AGV, plangebied groen omcirkeld.

Beschermde gebieden De bovenstaande figuur is een uitsnede van de legger van het AGV, waarin zichtbaar is dat het plangebied zich niet binnen een beschermingszone van een waterkering of watergang bevindt. Riolering

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 43

In het plangebied is een rioolstelsel van het gemengde type gelegen. Het noordelijk deel van het gehele plangebied ‘Centrum’ is afgekoppeld. De beoogde ontwikkeling van drie appartementen zal dan ook aansluiten op het bestaande rioolstelsel. De betreffende huisaansluitingen dienen te worden aangevraagd bij de gemeente. De gemeente legt de aansluitingen op openbaar terrein aan, de aanvrager op eigen terrein. De aanleg van de huisaansluitingen zijn op kosten van de aanvrager.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van drie woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 28 september is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 44

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in door middel van een ruimtelijke procedure. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waaronder de bouw van een of meer woningen, zoals in onderhavig plan het geval is. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van het kostenverhaal van de gemeentelijke werkzaamheden, het verhaal van de inrichtingskosten voor de aanleg van de extra parkeerplaatsen, het doorleggen van alle mogelijke planschade aan initiatiefnemer, alsmede de instandhoudingsplicht en het meerjarig beheer en onderhoud van het cultuurhistorische dorpsvitrine door de initiatiefnemer of opvolgende eigenaren.

Planschade kan ontstaan wanneer een nieuw planologisch besluit (in voorliggend geval een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan) wordt genomen dat afwijkt van het geldende planologische kader. De verwachting is dat dit project niet zal leiden tot planschade. Volledigheidshalve is er door Mees Ruimte en Milieu toch een planschaderisicoanalyse opgesteld. Het ruimtelijke effect van het beschreven project in een bestaande gemengde centrum-stedelijke omgeving is dusdanig beperkt dat er hoogstwaarschijnlijk geen grondslag voor planschade is. Met het sluiten van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en de initiatiefnemer is de (economische) uitvoerbaarheid van het plan geborgd. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie De Smidse is één van de oudste gebouwen van Diemen. Naast de Smidse stond lange tijd de schuur waarin de materialen werden opgeslagen, die schuur is weg en er staat nu een vervallen schutting en er is een groot afdak. Tijdens een deel van de renovatie heeft de vorige eigenaar hier in een woonwagen onder gewoond. Nog voor het project gereed was moest de vorige eigenaar afscheid nemen en heeft U-Trechter Vastgoed BV het project overgenomen. U-Trechter Vastgoed BV stapte dus op “een rijdende trein”. De buurt was heel tevreden over de vorige eigenaar (Barend), zijn plannen waren helder. Deze waren ook met de gemeente afgestemd.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 45

Nu U-Trechter Vastgoed BV in zijn voetsporen is getreden, zijn de contacten overgenomen. Met de buren is er plezierig contact. De buren rechts hebben geen probleem met de ontwikkeling en links (kroeg) naar alle bekendheid ook niet. Daarnaast is er contact met de historische kring van Diemen. Met hen is afgesproken dat de vele historische informatie die bewaard is gebleven te zijner tijd wordt overdragen. Voorlopig zijn die stukken veilig opgeslagen totdat duidelijk is welke stukken er in de “vitrine” ten toon gesteld worden. De volgende stap zal zijn om de buurt uit te nodigen en ze bij te praten over de planvorming. We wachten daarmee tot helder is hoe het één en ander er eruit gaat zien, omdat mensen veelal in beelden denken. De architect zal daar ook bij aanwezig zijn.

Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt tevens de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 46

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHE ID De initiatiefnemer heeft als doel drie appartementen te realiseren aan de Ouddiemerlaan 19 te Diemen. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Het plan voorziet in de realisatie van drie appartementen naast het cultuurhistorische pand ‘de Smidse’ uit 1749. Het voornemen is een gebouw te realiseren omvattende drie appartementen met twee bergingen en een schuur, een cultuurhistorische belevingsruimte en een buitenberging. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 20254.04.RO

Pagina | 47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=2edcf0bd-8511-4de5-a798-a2597e3b09b9