CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

4) Toelichting van het bestemmingsplan “Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca”.pdf

Informatieve raadsvergadering 16 maart 2023, gemeente DiemenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan “Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca”25.099 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m 3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM 2,5) bedraagt 25 µg/m3. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

30

Onderzoek Voor ruimtelijke ontwikkelingen is een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een project dat 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De rekentool gaat er van uit dat de extra voertuigbewegingen worden afgewikkeld via één ontsluitingsweg. Zoals blijkt uit paragraaf 5.6 voorziet het plan ten opzichte van de huidige situatie in 37 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal. Middels de NIBM-tool is gekeken of de grenswaarden voldoen aan de Wet luchtkwaliteit. Zoals blijkt uit onderstaande tabel kan de bijdrage van het extra verkeer worden aangemerkt als ‘niet in betekenende mate’.

Uit de NIBM tool volgt dat de extra verkeersbewegingen niet leiden tot een nader onderzoek. Derhalve kan worden aangenomen dat bij een maximale invulling van de planologische mogelijkheden het verkeer in niet betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aan de hand van de NSL-monitoringstool bepaald wat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied zijn. In de volgende afbeelding zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

31

Afbeelding 4.2.: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5 peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool)

Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Het bestemmingsplan maakt het aspect luchtkwaliteit voldoende inzichtelijk. Er gelden geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 4.1.5 Milieuzonering Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Onderzoek Binnen het plangebied bevinden zich op dit moment een loods en een woning. Met voorliggend plan zal de woonbestemming plaats maken voor een horecabestemming ten behoeve van het restaurant.

Het restaurant wordt aangemerkt als een inrichting type B zoals bedoeld in het

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

32

Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de inrichting zijn de geluidvoorschriften zoals opgenomen in afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit van kracht. Vanwege de voorgenomen bestemmingswijziging heeft de gemeente een akoestisch onderzoek (bijlage 7) verlangd om te beoordelen of ter plaatse van de omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij speelt ook mee dat in de vigerende situatie het plangebied gedeeltelijk op en gedeeltelijk buiten het ingevolge de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein ‘UNA centrale Diemen’ gelegen is. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft dit aspect sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het maximale geluidsniveau dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. In de dagperiode is sprake van een overschrijding van de toetswaarde uit de VNG publicatie, die veroorzaakt wordt door de vrachtwagen.

Gezien de geringe hoogte van deze overschrijding, het feit dat het laad- en losactiviteiten betreft en het beperkt aantal keer dat de overschrijding optreedt (één vrachtwagen per dag) wordt deze overschrijding toelaatbaar geacht en wordt geconcludeerd dat voor het maximale geluidsniveau sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het aspect indirecte hinder dat voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft het aspect indirecte hinder sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft de afweging in het kader van de Wet geluidhinder, specifiek over de ligging op het bedrijventerrein, wordt verwezen naar de paragraaf industrielawaai onder 4.1.4. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering worden geen nadere eisen gesteld met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan. 4.1.6 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

33

plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren.

Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen.

Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en;

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

34

c. d.

de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen.

In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Onderzoek Risicobronnen Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van een nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het betreft de risicobronnen: - transportroute gevaarlijke stoffen over de rijkswegen A1, A9 en A10; - transportroute gevaarlijke stoffen over de spoorlijnen Amsterdam – Amersfoort/Almere; - transportroute gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal; - Vattenfall Power Generation Netherlands B.V.; - Zeehoeve (stadsherstel). Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergegeven met de globale ligging van het plangebied.

Afbeelding 4.3 : Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (roze cirkel) Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

35

Transportroutes Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter en een invloedsgebied voor toxische stoffen van meer dan 4.000 meter voor vervoer over (spoor)wegen en 1.070 meter voor waterwegen. De locatie bevindt zich voor de rijkswegen en spoorlijn binnen het invloedsgebied van toxische stoffen. Over het Amsterdam-Rijnkanaal worden geen toxische stoffen vervoerd. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Vattenfall Power Generation Netherlands B.V. Aan de Overdiemerweg 21-41 bevindt zich het bedrijf Vattenfall Power Generation Netherlands b.v. Hier vindt opslag plaats van gevaarlijke stoffen. De opslag bevindt zich op meer dan 700 meter afstand van het plangebied. Het plangebied is ruim buiten de PR 10 -6 contour en de effectzone gelegen, waardoor de inrichting geen belemmering vormt voor het plan. Zeehoeve (stadsherstel) Ten oosten van het plangebied is de inrichting Zeehoeve gelegen. Het plangebied bevindt zich ver buiten de PR 10-6 contour van deze inrichting. De inrichting vormt geen belemmering voor het plan. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting.

Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in het plangebied zullen verblijven. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Scenario toxische gassen Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen.

De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van het gebouw en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

36

In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de werknemers is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een arbeidscontract dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. 4.2

Water Beleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).

Waterwet In de Waterwet zijn acht oude waterwetten samengebracht: de Wet op de waterhuishouding, de Wet op de waterkering, de Grondwaterwet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904), de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (het zogenaamde 'natte gedeelte'), de Waterstaatswet 1900 en de Waterbodemparagraaf uit de Wet bodembescherming.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

37

De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water (actueel) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt.

De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21 e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

38

Watervisie 2021 Het regionale waterbeleid tot 2040 en de prioriteiten van de provincie op het gebied van waterveiligheid en schoon en voldoende (drink)water in de periode 2016-2021 is vastgelegd in de Watervisie 2021. De Watervisie zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document stelt de provincie kaders voor wateropgaven in Noord-Holland. Dit doen zij op basis van de thema’s Veilig en Schoon & Voldoende. In het waterveiligheidsbeleid is landelijk een overstap gemaakt naar een risicobenadering, waarbij ook het effect van een overstroming op het achterland wordt meegewogen. Met de waterpartners zorgt de provincie voor veilige dijken en keringen en met het waterrobuust inrichten van de omgeving en goede evacuatiemogelijkheden wordt het effect van een eventuele overstroming beperkt. Schoon en voldoende water is onmisbaar voor een gezonde, productieve en aangename leefomgeving en een soortenrijke natuur. De provincie zorgt ervoor dat het grond- en oppervlaktewater duurzaam kan worden gebruikt en dat voorraden zorgvuldig worden beheerd, zonder uitputting of verontreiniging. De provincie werkt daarbij samen met waterschappen, Rijkwaterstaat, gemeenten, Veiligheidsregio’s, ondernemers, milieuorganisaties en recreatieschappen.

Waterbeheerplan 2016-2021 Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen. In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) de wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 en een aanpak op hoofdlijnen. Het waterschap draagt zorg voor het regionale watersysteem: optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Belangrijke kernwoorden daarbij zijn ‘duurzaam’ en ‘kosteneffectief’. Het waterschap vindt de intrinsieke waarde van water als beeldbepalend element in de leefomgeving heel belangrijk. Het waterschap wil daarnaast bijdragen aan de belevingswaarde door aandacht voor recreatie, landschap en cultuurhistorie. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en ‘robuust’ (toekomstbestendig) watersysteem.

De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; • een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; • steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; • een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; • water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; • gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; • gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; • vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; • afstemming over alle watertaken per stroomgebied; • behoud van de zelfstandige bevoegdheid.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

39

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 is, voor een periode van vijf jaar, het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Diemen vastgelegd. Klimaatadaptatie Het ontwerptraject van een (her)inrichting van de buitenruimte of nieuwbouwplan biedt kansen om de klimaatbestendigheid van het ontwerp te waarborgen. Diemen heeft de doelstellingen van het Deltaprogramma overgenomen en wil dat elk ontwerp in de buitenruimte klimaatadaptief is. Een klimaatbestendige (her)inrichting moeten regenbui met een intensiteit van 120 mm in één uur schadevrij kunnen verwerken. Dat wil zeggen dat bij een dergelijke bui geen water panden in komt. Stedelijk afvalwater Septictanks Langs de Overdiemerweg ten noorden van het Amsterdam Rijnkanaal lozen de woningen middels septictanks op de Derde Diem/ Amsterdam Rijnkanaal. Volgens vigerende voorschriften moeten deze (verbeterde) septictanks een inhoud van 6 m³ hebben. Sommige septictanks voldoen daaraan. Met de waterkwaliteitsbeheerder, Rijkswaterstaat, is in principe afgesproken dat bij herof nieuwbouw in dit gebied de verbeterde septictank moet worden toegepast. Tot die tijd worden aanwezige 3 m³-septictanks gedoogd. Deze afspraak is opgenomen in het beheersysteem van het Team Vergunningen van de gemeente Diemen.

Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA’s) Deze installaties worden vooral toegepast op locaties waar het niet doelmatig is om riolering aan te leggen en waar het afvalwater geloosd wordt op het oppervlaktewater. In Diemen komen vier lozingen op oppervlaktewater middels IBA’s voor. Twee daarvan zijn uitgerust met helofytenfilters. De waterkwaliteitsbeheerder (waterschap AGV) controleert en onderhoudt de IBA’s. Hemelwater Vanuit de hemelwaterzorgplicht, conform artikel 3.5 van de Waterwet, heeft de gemeente de verantwoordelijkheid voor een doelmatige inzameling van overtollig hemelwater uit de openbare ruimte. Zij heeft ook de zorgplicht voor de afvoer van hemelwater van particuliere percelen, voor zover dit niet redelijkerwijs van de perceeleigenaar kan worden verwacht. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afstroming naar aanwezig oppervlaktewater. Bij de verwerking van hemelwater wordt onderscheid gemaakt tussen bestaand gebied, nieuwbouw (in- en uitbreidingen) en buitengebied. Voor nieuwbouw geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Wateroverlast dient zoveel mogelijk voorkomen te worden.

De inrichting van het gebied dient daarom zodanig te zijn dat een regenbui van 120 mm in één uur niet tot schade leidt. Grondwater Als een bestemmingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elk nieuw bestemmingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse bestemmingen.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

40

Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden. Onderzoek Bodem en grondwater De ondergrond ter plaatse van het plangebied bestaat uit veen (waardveengronden en koopveengronden) en zeeklei (drechtvaaggronden) langs De Diemen en is veel ingeklonken. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse varieert van NAP 1,5 meter aan de oostzijde tot NAP -1,3 m aan de westzijde. Watersysteem Het gebied ten noorden van het Amsterdam-Rijnkanaal – waarbinnen het voorliggende plangebied is gelegen – maakt van oorsprong onderdeel uit van de Overdiemerpolder, maar is door de aanleg van het kanaal geïsoleerd komen te liggen. Als gevolg hiervan is het gedeelte ten noorden van het Amsterdam-Rijnkanaal een apart peilvak geworden, met één watergang en een klein opvoergemaal naar De Diemen (NAP-0,40 m). Het plangebied maakt geen deel uit van het aparte peilvak in de Overdiemerpolder dat is ontstaan door de aanleg van het kanaal.

Het ligt buiten de secundaire waterkering en dus buiten de polder. Het ligt eigenlijk in het 'peilvak' van het ARK. Het betreffende gebied wordt door een primaire waterkering aan de noordzijde en door secundaire waterkeringen aan de oostzijde beschermd tegen overstromen (afbeelding 5.4). Veiligheid en waterkeringen Aan de noordzijde van het gebied, over de Diemeerzeedijk, ligt de primaire waterkering IJGooimeer. Aan de zuid- en zuidoostzijde van het plangebied, parallel aan de Overdiemerweg, bevindt zich een secundaire waterkering genaamd Overdiemerweg-Noord-Vervolg. De kern- en beschermingszone van deze waterkering ligt over het plangebied. Indien de toekomstige bebouwing binnen de kern- en/of beschermingszone van de waterkering wordt gesitueerd, dient hiervoor een watervergunning te worden aangevraagd (zie afbeelding 4.4) waarop door Waternet getoetst wordt. Daarbij is het van belang dat het waterkerend vermogen van de dijk niet onevenredig wordt aangetast en dat de funderingsconstructie dusdanig stevig is dat er een laag risico op schade is als de dijk verzwaard wordt. Om de instandhouding van de beschermingszone te waarborgen is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Ter plaatse van deze dubbelbestemming is bouwen niet zonder meer toegestaan.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

41

Poldergemaal

Afbeelding 4.4: Legger waterkeringen ter hoogte van het plangebied

Afvalwaterketen Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers en realisatie van oppervlaktewater, aangesloten op het bredere watersysteem, wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Het waterschap AGV schrijft in de Keur voor wanneer, waar en welke compensatiemaatregelen noodzakelijk zijn voor ontwikkelingen waarbij het verhardingsoppervlak toeneemt in zowel het stedelijk als het landelijk gebied. In onderhavig plan betreft het een ontwikkeling in landelijk gebied.

In de Keur wordt gesteld dat voor een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van een verhardingstoename van minder dan 1.000 m², compensatie niet vereist is. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 15 recreatiewoningen en een horecavoorziening met bijbehorende ontsluitingspaden en parkeervoorzieningen. Derhalve is beoordeeld of watercompensatie benodigd is. Daarbij is de bestaande situatie als uitgangspunt gehanteerd. Het voorliggende plangebied is in het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de bedrijfsbestemming voorzien van een groot bouwvlak, waarvan maximaal 1.010 m2 mag worden

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

42

bebouwd. Ter plaatse van de woonbestemming is een bouwvlak opgenomen dat volledig mag worden bebouwd. Ook zijn bijgebouwen en verharding op het perceel mogelijk. Bestemming

Vigerend bestemmingsplan

Toekomstige situatie

Bedrijf

1764 m2

-

Wonen

478 m2

-

Verkeer

155 m2

-

Recreatie

-

1.541 m2

Horeca

-

856 m2

Totaal plangebied

2.397 m2

2.397 m2

Totaal bouwvlakken

1.924 m2

1.778 m2 - 146 m2

Saldo

De oppervlakteverharding ter plaatse van het plangebied neemt af met 146 m2. Daarbij zal niet het hele bouwvlak ter plaatse van de recreatiewoningen worden bebouwd. Ook worden de parkeerplaatsen voor de recreatiewoningen en de ontsluitingspaden zoveel mogelijk waterdoorlatend uitgevoerd. Gezien voorgaande kan worden gesteld dat het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie niet toeneemt. Daarmee is watercompensatie niet aan de orde. Ook wordt nabij de recreatiewoningen gekeken naar een combinatie met beplanting en biodiversiteit. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Het plan voldoet aan de norm met betrekking tot watercompenserende maatregelen van het waterschap AGV. Veiligheid Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een secundaire waterkering. Hiertoe is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Ter plaatse van deze dubbelbestemming is bouwen niet zonder meer toegestaan. Voor eventuele (bouw)werkzaamheden binnen de kern- en beschermingszone is een ontheffing van de keur noodzakelijk. Er dient een watervergunning te worden aangevraagd. Ten aanzien van het verkrijgen van deze vergunning heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap.

Verantwoord buitendijks bouwen Door klimaatverandering kunnen er extremere regenbuien ontstaan in het stroomgebied van het Amsterdam Rijnkanaal. Het ARK moet wellicht meer water kunnen bergen en afvoeren. Het waterschap zal daarom in de toekomst wellicht het ‘calamiteitenpeil’ (waarop de keringen zijn berekend) van het Amsterdam Rijnkanaal moeten verhogen naar 0,2 m NAP (dat is nu 0,0 m NAP). Daarom dient het vloerpeil van de bebouwing en parkeervoorzieningen op minimaal 0,3 m NAP te liggen. Deze 10 cm extra is nodig om het risico van wateroverlast door golfslag te beperken. In het plan is rekening gehouden met een vloerpeil van minimaal 0,3 m NAP. Dit is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Riolering In het plangebied is geen riolering aanwezig. De initiatiefnemer dient zelf een Individuele Behandeling Afvalwater (IBA) aan te leggen die loost op oppervlaktewater. Een alternatieve voorziening op eigen terrein wordt nader uitgewerkt en zal op eigen terrein een plaats krijgen.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

43

Het hemelwater moet worden afgekoppeld. Hemelwater dat op daken en verharding van het perceel valt wordt afgekoppeld van DWA. De afvoermogelijkheden in het plangebied voor het verwerken van hemelwater in voorkeursvolgorde zijn: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in-)filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater. Het hemelwater zal in de toekomstige situatie worden afgewaterd via het oppervlaktewater op eigen terrein, die wordt aangesloten op de aanwezige watergangen rondom het plangebied. De lozer dient er voor te zorgen dat het hemelwater bij de afstroming niet onnodig vervuild en indien nodig maatregelen treffen om dit te voorkomen. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is.

Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud In het gebied is geen riolering aanwezig. De initiatiefnemer is onderhoudsplichtig voor de eigen zuiverende rioolwatervoorziening (IBA). Het Amsterdam-Rijnkanaal is in beheer bij Rijkswaterstaat. Het waterschap is de beheerder van de primaire en secundaire waterkering in het plangebied en het overige totale watersysteem. Het onderhoud van de waterkering en hoofdwatergangen rondom het plangebied is tevens de verantwoordelijkheid van het waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij de initiatiefnemer. Klimaatadaptatie Voor het aspect klimaatadaptatie wordt verwezen naar paragraaf ‘4.9 Duurzaamheid’. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan Binnen het voorliggende plangebied zijn enkele watergangen gelegen. Het betreft geen hoofdwatergangen. Daarnaast zijn de gronden gelegen binnen de kern- en beschermingszone van de aanwezige waterkering voorzien van een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Aan deze dubbelbestemming is een beschermende regeling gekoppeld.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

44

4.3

Ecologie Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.

Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

45

•

de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Diemen is de provincie Noord-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. De provincie handhaaft in haar verordening de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die ook al vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk.

Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht.

Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

46

verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Natuurbeleidsplan Diemen Het Natuurbeleidsplan Diemen is geschreven vanuit natuuroogpunt en vormt bij ruimtelijke besluitvorming één van de afwegingskaders. Algemeen uitgangspunt van het beleidsplan is om de natuurwaarden waar mogelijk te bevorderen op zo’n manier dat zoveel mogelijk mensen daarvan kunnen genieten. Groenplan Diemen (2012) en update Groenplan (2018) Het groenplan heeft betrekking op al het groen binnen de bebouwde kom van Diemen. Het geeft een visie op het openbare groen dat in beheer is bij de gemeente en doet uitspraken over de beeldbepalende groengebieden die in beheer zijn bij particulieren. Ook de hoofdgroenstructuur en hoofdboomstructuur zijn hierin nader uitgelegd. In oktober 2018 is het groenplan herzien. De gemeente gaat zich verder inzetten op klimaatadaptatie en het vergroten van biodiversiteit. Ook op het gebied van duurzaamheid zijn veranderingen meegenomen. Zo wordt bij de aanplant en het beheer van bomen rekening gehouden met zonnepanelen. Groenplan onder de Omgevingswet In de komende jaren wordt de omgevingswet aangenomen en is het essentieel het behoud van bovenstaande bomen in een aparte paragraaf in het omgevingsplan aan de orde te laten komen.

Naast een Omgevingsvisie, waarin het beleid van de gemeente moet staan, is een Omgevingsplan verplicht, waarin alle gemeentelijke regels voor de leefomgeving staan, dus ook regels voor het bomenbeleid. Er is één Omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente. Belangrijk is dus concrete uitspraken te doen over goede bescherming van bomen d.m.v. aparte paragrafen onder “openbaar groen”, “hoofdgroenstructuur” en “ecologische structuur”. Bomenverordening Voor het beheer van en inrichting met bomen geldt de Bomenverordening van Diemen als basis. Hierin staat het beleid voor de juridische bescherming van bomen. Verder geeft het uitgangspunten voor aanvragen voor kap van bomen, herplantplicht, schaderegeling en Iepziekte. Voor het eventueel kappen van bomen ten gevolge van de voorliggende ontwikkeling dient een kapvergunning te worden aangevraagd. Deze aanvraag wordt ingediend door de eigenaar van het gebied. Onderzoek Natuurwaarden Diemen is een natuurrijke gemeente. Dat blijkt uit de Natuurwaardenkaart (afbeelding 4.5). Op deze kaart wordt de natuurwaarde van een bepaalde gebiedseenheid uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 5. Een 1 staat voor lage natuurwaarden. Een 5 staat voor topnatuur op regionale, soms zelfs landelijke schaal.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

47

Afbeelding 4.5: Natuurwaardenkaart Diemen

Uit de natuurwaardenkaart blijkt dat het voorliggende plangebied in categorie 3 is ondergebracht (middelhoog). Op dit moment bestaat het zuidelijk deel van het plangebied uit een verouderde loods en het noordelijk deel uit leegstaande bebouwing. Daarmee is aan deze deellocatie weinig kwalitatieve natuurwaarde toe te kennen. De bestaande woning is wel overwoekerd met bramen. Groenplan Hoofdgroenstructuur De gemeente legt voor de komende jaren extra focus op de ontwikkeling van, en het verbinden van stukken Diemense natuur. Waar mogelijk wordt beter aangesloten bij buurt- en wijkgroen. Dit kan de natuurwaarden verhogen en positief bijdragen aan de verblijfskwaliteit. Voor het Diemer wandellandschap is het onder meer van belang om een sluitend stelsel van paden te creëren, beplanting in te zetten als luchtfilter, en het areaal aan ecologische oeverzones uit te breiden. Kijkend naar de natuur in en om Diemen, dan kan gesteld worden dat de Diemense Hoofdgroenstructuur is opgebouwd langs belangrijke structuurdragers zoals het Amsterdam Rijnkanaal, de Weespertrekvaart - Muidertrekvaart (de blauwe assen), de spoorlijnen, de A10 en de A1 (grootschalige infrastructuur).

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

48

Afbeelding 4.6: Structuurdragers Diemen, Groenplan Diemen 2012. Het plangebied is zwart omcirkeld.

Het plangebied is gelegen langs de Diem, een belangrijke blauwe ‘drager’ in het groenplan. In en direct grenzend aan het plangebied zijn geen belangrijke structuurdragers aanwezig.

Afbeelding 4.7: Groenstructuur Diemen, Groenplan Diemen 2012. Het plangebied is zwart omcirkeld.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

49

In afbeelding 4.7 is de hoofdgroenstructuur van Diemen weergegeven. Het plangebied maakt deel uit van een zogenoemd ‘wandellandschap’. Het gebied is goed bereikbaar voor fietsers en wandelaars en is vooral in trek vanwege het nabijgelegen Fort Diemerdam. Het plangebied, langs de Diem, heeft echter weinig natuurwaarde en belemmert de verbinding tussen het water en het fort. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt beoogd om deze verbinding te versterken door middel van groenstructuren op het perceel, groene oevers, nieuwe steigers en aantrekkelijk vormgegeven bebouwing met zichtlijnen naar de Diem. Samen met de beoogde horecavoorziening draagt dit plan bij aan de kwaliteit en gebruikswaarde van het gebied. Soortenbescherming In de huidige situatie is voorliggend plangebied bebouwd met een woning, schuur en loods. Naast deze gebouwen bestaat het plangebied uit verhardingen met om de woning groene elementen voornamelijk bestaande uit bosschages van berk, wilg en braam met naast de woning één grote den. De woning verkeert in zeer slechte staat en wordt omringd door overwoekerende houtopstanden. Om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken dient bebouwing te worden gesloopt en enkele bomen te worden gerooid. De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. Daarom is door bureau Eelerwoude een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd.

Naar aanleiding van dit verkennend flora- en faunaonderzoek is vastgesteld dat een nader onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en marterachtigen noodzakelijk is. Uit dit onderzoek moet duidelijk worden of er mogelijke beschermde functies zoals verblijfplaatsen of nestplaatsen aanwezig zijn. Het onderzoek vormt echter waarschijnlijk geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen, omdat mogelijke negatieve effecten op vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en marterachtigen uitgesloten kunnen worden door het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast zullen aanvullende maatregelen worden toegepast bij het slopen, zoals het werken buiten de kwetsbare periode van de betreffende soorten. Voor overige soorten vormt de ontwikkeling tevens geen belemmering mits rekening wordt gehouden met de beschreven maatregelen en werkwijzen zoals vermeld in de natuurtoets. Voor verblijfplaatsen van vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en marterachtigen worden regelmatig ontheffingen aangevraagd en verkregen.

In zijn algemeenheid moeten daarbij de volgende maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding te garanderen en aan de zorgplicht te voldoen: • aanbieden nieuwe en meer verblijfplaatsen vóór verwijderen huidige; • in stand houden voldoende functioneel leefgebied (foerageergebied en dergelijke); • voorkomen van aantasten/doden dieren bij uitvoering, bijvoorbeeld door uit te voeren buiten de gevoelige periodes. Door bovengenoemde maatregelen te nemen wordt de functionaliteit van het plangebied (en/of directe omgeving) voor de dieren in stand gehouden. In dat geval kan een ontheffing worden aangevraagd voor het verstoren van de dieren. Ten slotte moet aangetoond worden dat er geen alternatieven zijn. De ontwikkeling is locatie specifiek, hiervoor is geen alternatief. Alternatieven in het kader van de werkwijze en planning worden ingevuld bij het opstellen van het activiteitenplan en de ontheffing. In het kader van het bestemmingsplan zijn deze onderdelen echter niet relevant.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

50

Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte om aan de eisen voor een ontheffing te voldoen. De noodzaak voor een ontheffing belemmeren de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dus niet. Gebiedsbescherming Houtopstanden Er worden binnen het plangebied enkele bomen gekapt. Het gebied ligt buiten de bebouwd kom aan de grens van Diemen waarmee een gemeentelijke vergunning niet aan de orde is. Tevens betreft het een geringe opstand van enkele bomen en bosschages kleiner dan 10 are en niet deel uitmakend van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen waarmee een kapmelding bij de provincie Noord-Holland eveneens niet aan de orde is. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de NNN. De Diemerzeedijk is wel aangemerkt als natuurverbinding binnen het NatuurNetwerk Nederland. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Daarnaast wordt rekening gehouden met de recreatiedruk en de effecten die dat heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van de verbinding. Zo wordt er rekening gehouden met verlichting en wordt verstoring door geluid en beweging in deze verbinding zoveel mogelijk voorkomen. Een uitgebreide toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Natura 2000 Niet stikstof-gerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen drie Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof gerelateerde effecten Een stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Voor de bouw en het gebruik van de recreatiewoningen en het restaurant is de stikstofdepositie in de gebruiksfase beschouwd. Voor de aanlegfase geldt per 1 juli 2021 een vrijstelling. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, gold vanaf 1 juli 2021 een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn.

Op grond van de uitspraak van 2 november 2022 van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State mag deze tijdelijke fase niet worden verwaarloosd.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

51

Dit betekent dat in voorgenoemd onderzoek ook de aanlegfase moet worden betrokken. Daarnaast komt naar verwachting eind 2022 is een nieuwe Aerius-rekentool beschikbaar. Hiermee zal de uitgevoerde stikstofdepositieberekening worden geactualiseerd. Naar verwachting zal dit niet tot belemmeringen leiden. Wanneer beschikbaar, zal deze paragraaf hierop worden aangevuld. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt naar verwachting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Nadere onderzoeksresultaten zullen te zijner tijd worden toegevoegd aan deze paragraaf. 4.4

Archeologie en cultuurhistorie Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 of later van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019.

Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Beleidsnota Cultuurhistorie Diemen Diemen streeft naar het beschermen en versterken van haar cultuurhistorische waarden. De gemeente heeft, via het bestemmingsplan, een juridisch instrument in handen dat bescherming biedt aan ongewenste ontwikkelingen. Cultuurhistorische waarden (monumenten, beeldbepalende wanden/panden en archeologische terreinen) moeten dan ook worden opgenomen in de herziening van bestemmingsplannen. De gemeente raadpleegt bij het opstellen van plannen de archeologische beleidskaart voor Diemen.

Bestemmingsplan ‘Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca’ Ontwerp - d.d. 23 januari 2023

52

Onderzoek Archeologie De gemeente Diemen heeft een eigen gemeentelijke archeologiekaart (afbeelding 5.8). Op deze kaart zijn de volgende gebieden aangegeven: 1. Rekening houden met archeologie; 2. Rekening houden met archeologie, behalve bij zeer kleine plannen; 3. Rekening houden met archeologie bij middelgrote en grote plannen; 4. Bij grondverstorende werkzaamheden tijdig contact opnemen met het NISA te Lelystad; 5. Bij grote plannen archeologie in planproces integreren.

Afbeelding 5.8: uitsnede gemeentelijke archeologie kaart Diemen (globale ligging plangebied is zwart omcirkeld).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=8d6ad024-a042-4e03-adbe-23482f900ef1