3. Toelichting bij de Huisvestingsverordening
Tekst van het document
Toelichting bij de Huisvestingsverordening Diemen 2026 Deze toelichting bij de Huisvestingsverordening Diemen 2026 kent een indeling in twee delen. In deel A wordt een algemene toelichting op de verordening en op de wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening gegeven. In deel B wordt aanvullend een toelichting per artikel gegeven, voor zover dat niet in de algemene toelichting aan bod is gekomen. A. ALGEMENE TOELICHTING EN WIJZIGINGEN 1. Aanleiding In Diemen was tot en met 30 juni 2026 de Huisvestingsverordening Diemen 2022 van kracht. Een Huisvestingsverordening heeft een maximale geldigheid van vier jaar. Na vier jaar moet een nieuwe Huisvestingsverordening worden vastgesteld en moet opnieuw de schaarste worden onderbouwd. De nieuwe Huisvestingsverordening treedt in werking per 1 juli 2026. Hiermee wordt de regelgeving gecontinueerd. Bij gelegenheid van het opnieuw vaststellen van de Huisvestingsverordening zijn daarnaast diverse wijzigingen doorgevoerd. De aanleiding voor wijzigingen was onder andere gelegen in: - Het in lijn brengen van de verordening met de meest recente wet- en regelgeving; - Het in lijn brengen van de verordening met regionale afspraken en verordeningen van regiogemeenten; - Het verwerken van toezeggingen aan de gemeenteraad; en - Het verbeteren van eerdere onjuistheden en onduidelijkheden. 2.
Schaarste aan woonruimte In Diemen overschrijdt de vraag naar sociale en middeldure huurwoningen het aanbod in ruime mate. Dit wordt veroorzaakt door het aantal woningzoekenden dat door hun inkomen aangewezen is op het betaalbare deel van de voorraad. Als gevolg van het tekort aan betaalbare woonruimte zitten veel woningzoekenden in de knel. Ze kunnen geen passende woonruimte vinden, waardoor bijvoorbeeld het ouderlijk huis verlaten, gezinsuitbreiding of doorstromen niet of pas na lang wachten mogelijk is. Om in termen van de Huisvestingswet 2014 te spreken: zij ervaren onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van de schaarste aan woonruimte. De Huisvestingswet 2014 biedt de mogelijkheid om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarse woonruimte te bestrijden door in een Huisvestingsverordening te regelen hoe schaarse huurwoningen worden verdeeld. Daarnaast kunnen in de Huisvestingsverordening regels worden vastgelegd voor wijzigingen van de samenstelling van de woningvoorraad. Daarmee krijgen gemeenten op grond van de Huisvestingswet de mogelijkheid om via de Huisvestingsverordening het recht op vrije vestiging te beperken. Gezien de schaarste aan betaalbare woonruimte en de gevolgen van die schaarste acht de gemeente het noodzakelijk om via de Huisvestingsverordening regels te stellen over de verdeling van woningen en het wijzigen van de woningvoorraad.
Dit heeft tot doel om woonruimte toe te wijzen aan woningzoekenden die deze woonruimte het hardst nodig hebben en de samenstelling van de woningvoorraad te beschermen tegen ongewenste vormen van wijziging of gebruik. Om regels te mogen stellen is het van belang om periodiek de schaarste aan woonruimte te onderbouwen. In de rapportage “Schaarste in Diemen” (RIGO 2025) wordt geconcludeerd dat er in Diemen met zekerheid gesproken worden van schaarste op de woningmarkt in de breedte. Zowel in het segment sociale huurwoningen van corporaties als in het segment particuliere huurwoningen als in de koopmarkt is er sprake van schaarste. Met name jongeren en starters ondervinden de gevolgen hiervan. Maar ook doorstromen naar een volgende woning in Diemen is door de schaarste aan woonruimte niet eenvoudig voor een grote groep woningzoekenden. De rapportage biedt de onderbouwing om ook voor de komende vier jaar gebruik te maken van de mogelijkheid die de Huisvestingswet biedt om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarste aan woonruimte tegen te gaan door in de Huisvestingsverordening regels te stellen over de verdeling van woonruimte.
1
3. Sociale huurwoningen De schaarste aan sociale huurwoningen is zeer groot. De beschikbaarheid aan sociale huurwoningen is zeer gering. Veel mensen blijven lang in een sociale huurwoning wonen, omdat de mogelijkheden tot een wooncarrière beperkt zijn, zeker wanneer de bewoners van een sociale huurwoning in de lage inkomenscategorie blijven. Voor de toewijzing van sociale huurwoningen wordt al lange tijd samengewerkt in regionaal verband. Een regionaal systeem voor woonruimteverdeling is ook deels verplicht. En het regionale belang wordt nog eens versterkt met de komst van de Wet versterking regie volkshuisvesting. In de vorige verordening werd het zogeheten puntensysteem geïntroduceerd. Dit puntensysteem heeft als doel om bij de verdeling van sociale huurwoningen deze beter terecht te laten komen bij de woningzoekenden die de woonruimte ook het meeste nodig hebben. Vóór de invoering van het puntensysteem was de opgebouwde inschrijfduur leidend, óf moest een woningzoekende urgentie toegekend krijgen. Tussen die twee uitersten zat in feite niets. Die leemte is met het puntensysteem gevuld. Het puntensysteem trad in januari 2023 in werking. In de loop van 2026 wordt het puntensysteem uitgebreid geëvalueerd. Mogelijk leidt de evaluatie tot gewenste wijzigingen. In dat geval zal deze verordening op dat punt tussentijds gewijzigd moeten worden.
In deze verordening worden slechts enkele technische wijzigingen in het puntenstelsel doorgevoerd, op basis van regionale afstemming. De regionale systematiek maakt dat sociale huurwoningen in Diemen toegankelijk zijn voor woningzoekenden uit de regio. Anderzijds kunnen woningzoekenden uit Diemen hun slaagkansen vergroten doordat zij in de gehele regio op sociale huurwoningen kunnen reageren. Om de slaagkansen van woningzoekenden afkomstig uit Diemen op een sociale huurwoning in Diemen te vergroten wordt lokale voorrang ingezet. In de vorige verordening was lokale voorrang toegespitst op jongeren t/m 27 jaar en op doorstromers. Deze categorieën zijn verwijderd zodat lokale voorrang in principe beschikbaar is voor alle woningzoekenden uit Diemen. Dus ook voor jongeren van 28 jaar en ouder, die bijvoorbeeld hun ouderlijk huis willen verlaten. In de zogeheten passendheidscriteria zijn enkele aanvullingen gemaakt. Met de passendheidscriteria wordt ervoor gezorgd dat een bepaald type sociale huurwoning bij het juiste type huishouding terecht komt. In lijn met de overige regiogemeenten is nu een categorie seniorenwoningen voor 55+ opgenomen. Voorheen kende Diemen alleen de categorieën seniorenwoningen voor 65+ en 75+. Daarnaast is een aanscherping doorgevoerd in de passendheid voor de wat grotere sociale huurwoningen.
Naast de categorie sociale huurwoningen van vier kamers of meer en een woonoppervlak van 70 m2 of meer, is een categorie van drie kamers of meer en een woonoppervlak van 61 m2 of meer toegevoegd. Voorheen was een huishouden met één kind nog passend voor de categorie sociale huurwoningen van vier kamers of meer en een woonoppervlak van 70 m2 of meer. Dat is nu in beginsel een huishouden met drie kinderen. Overigens werkt het daarbij zo dat een gezin met drie of meer kinderen voorgaat op een gezin met twee kinderen, dat weer voorgaat op een gezin met één kind. Aan de passendheidscriteria is ook toegevoegd dat in (gemengd) wooncomplex voor aandachtsgroepen of ouderen een huidhouden passend is dat valt onder de aangewezen doelgroep en dat ook bereid is om ondersteuning te bieden aan de betreffende doelgroep. Op grond hiervan komen bijvoorbeeld bij de Rietschuurhof de woningzoekenden in aanmerking die behoren tot de doelgroep van de Rietschuurhof én die bereid zijn om bij te dragen aan de doelgroep in dit complex. In de vorige verordening was in het artikel voor directe bemiddeling van woonruimte opgenomen dat een sociale huurwoning door middel van directe bemiddeling kon worden toegewezen aan een leraar die werkzaam was op een basisschool in Diemen. Er stond echter nergens in de verordening een voorrangsbepaling opgenomen op grond waarvan deze directe bemiddeling kon plaatsvinden.
Wel heeft het college in 2021 nadere regels vastgesteld voor deze specifieke categorie (leerkrachten Diemen). Door het toevoegen van artikel 2.7.9 is de mogelijkheid tot het verlenen van voorrang aan vitale beroepsgroepen op een juiste manier in de huidige verordening verankerd. Op grond van dit artikel kan het college indien daar aanleiding voor is ook woningzoekenden met andere vitale beroepen in aanmerking laten komen voor voorrang. 2
In de urgentieregeling zijn slechts beperkt wijzigingen doorgevoerd. De wijzigingen in deze paragraaf concentreren zich in het artikel 2.9.7 dat zich richt op het verlenen van urgentie aan personen die uitstromen uit een instelling voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen. 4. Middeldure huurwoningen Op 1 juli 2024 is de Wet betaalbare huur in werking getreden. Deze wet heeft als doel de huren in zowel het sociale- als middeldure huursegment betaalbaar te houden door het Woningwaarderingsstelsel (WWS) dwingend te maken en het middeldure huursegment landelijk te reguleren. Daarmee is de categorie middeldure huur nu uniform wettelijk vastgelegd, inclusief de maximale huurprijs. Gemeenten konden deze grenzen voorheen zelf bepalen via de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 (VDWD 2019), maar die lokale beleidsruimte is op dit punt komen te vervallen. In de nieuwe verordening worden de definitie van middeldure huurwoning, de huurprijsgrenzen en de indexering in lijn gebracht met de landelijke wetgeving. Inkomensgrenzen en beleidsruimte gemeenten Volgens de Huisvestingswet mogen gemeenten wel een hogere, maar niet een lagere maximale inkomensgrens mogen vaststellen als toelatingscriterium voor een huisvestingsvergunning. Daarnaast laat de Huisvestingswet gemeenten de keuze om al dan niet een ondergrens voor middeninkomens te hanteren.
Hiermee biedt de wetgever gemeenten de mogelijkheid om middeldure huurwoningen beschikbaar te maken voor een bredere groep woningzoekenden. Bovengrenzen De inkomensgrenzen die in de vorige verordening werden gehanteerd, sluiten niet aan bij de Wet betaalbare huur en moeten daarom worden aangepast. Bij deze aanpassing is er bewust voor gekozen om de wijzigingen zo beperkt mogelijk te houden en zo dicht mogelijk te blijven bij de systematiek en uitgangspunten van de vorige verordening. Dit resulteert in de volgende maximale inkomensgrenzen voor 2026: Eenpersoonshuishouden: maximaal € 77.305,50 inkomen Deze bovengrens voor eenpersoonshuishoudens is conform artikel 3 lid 3 VDWD 2019 verruimd ten opzichte van de wettelijke inkomensgrens van € 70.149. Meerpersoonshuishouden: maximaal € 93.531 inkomen Deze bovengrens sluit aan bij de wettelijke bandbreedte en betekent een verruiming ten opzichte van artikel 3, lid 2, van de VDWD 2019, waarin werd uitgegaan van een grens van € 82.270 Ondergrenzen Het uitgangspunt van zowel passend wonen als de Wet betaalbare huur is dat woningen in beginsel worden toegewezen aan huishoudens met een bijbehorend, passend inkomen. Door een ondergrens vast te stellen, wordt geborgd dat middeldure huurwoningen primair beschikbaar komen voor woningzoekenden uit het middensegment waarvoor deze woningen zijn bedoeld.
Daarnaast voorkomt het opnemen van een ondergrens dat verhuurders en beleggers uiteenlopende aanvullende toewijzingsregels hanteren, wat de transparantie en uniformiteit van het toewijzingsbeleid ten goede komt. Om deze redenen is ervoor gekozen om in de Huisvestingsverordening 2026 opnieuw een ondergrens voor middeninkomens op te nemen, conform de lijn die in de huisvestingsverordening van 2022 werd gevolgd. Dit resulteert in een minimale inkomensgrens voor middeldure huur die gelijk is aan de maximale inkomensgrens voor sociale huur. Nu middeldure huur in het gereguleerde segment valt, betekent het dat de liberalisatiegrens is opgeschoven van de maximale huurprijsgrens voor sociale huur naar de maximale huurprijsgrens voor middeldure huur. Waar in de vorige verordening de term liberalisatiegrens werd gebruikt als aanduiding voor de sociale huurgrens, wordt nu consequent de term huurtoeslaggrens gebruikt. 5. Voorraadvergunningen en boetetabel Voor de titel van Afdeling I van hoofdstuk 3 is het overkoepelende begrip Voorraadvergunning gebruikt, in plaats van de onderliggende categorieën Onttrekking, Samenvoeging, Omzetting en 3
Woningvorming. Verder is de eerder gebruikte opsomming van voorbeelden van deze categorieën verwijderd om te voorkomen dat specifieke situaties onbedoeld worden uitgesloten door een limitatieve opsomming. Een eerste toevoeging in hoofdstuk 3 is gemaakt bij de uitzondering op vergunningplicht. Er waren al uitzonderingen voor hospitaverhuur, het gebruik als tweede woning en woningdelen door twee personen. Hier is nu een uitzondering aan toegevoegd voor woningen van woningcorporaties die in gebruik zijn door een zorgpartij en waar veelal meerdere personen woonachtig zijn zonder dat zij een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze uitzonderingen geldt alleen voor woningen in eigendom van een corporatie. Wanneer zorgpartijen woningen van particuliere verhuurders huren of zelf woningen aankopen met het doel daar zorg te verlenen geldt de vergunningplicht dus wel. Verder zijn in hoofdstuk 3 verwijzingen naar het Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl) opgenomen. Het Bbl is op 1 januari 2024 in werking getreden en heeft het Bouwbesluit 2012 vervangen. Het Bbl vormt het technische toetsingskader waaraan woonruimten moeten voldoen als er bijvoorbeeld een vergunning wordt aangevraagd voor wijziging van de woningvoorraad. Door er expliciet naar te verwijzen, wordt duidelijk welke landelijke technische eisen van toepassing zijn naast de lokale vergunning- en beleidsregels.
Tot slot zijn in de verordening verwijzingen opgenomen naar de algemene gedragsregels uit de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Met de invoering van deze wet heeft de gemeente de bevoegdheid gekregen om op deze gedragsregels te handhaven. Door deze regels in de verordening op te nemen, is voor verhuurders helder welke verplichtingen gelden en hoe de gemeente toezicht houdt op fatsoenlijk verhuurgedrag. 6. Toeristische verhuur In deze verordening zijn de al bestaande regels rondom toeristische verhuur verduidelijkt. Allereerst zijn de verschillende vormen van toeristische verhuur duidelijker van elkaar onderscheiden. Daarmee is nu inzichtelijk welke activiteiten onder toeristische verhuur vallen en welke specifieke regels voor elke vorm gelden. Daarnaast is het verbod op vakantieverhuur van de gehele woning expliciet opgenomen in de verordening. Dit verbod bestond feitelijk al, maar is nu formeel vastgelegd. Hetzelfde geldt voor het verbod op short stay-verhuur. Ook dat verbod was al van kracht, maar is nu ondubbelzinnig in de verordening opgenomen. Verder zijn de voorwaarden voor bed & breakfast-verhuur expliciet vastgelegd. Deze voorwaarden golden al via nadere regels en beleidsregels, maar zijn nu integraal onderdeel van de verordening. Hierdoor ontstaat één duidelijk en volledig regelkader voor B&B-exploitatie, wat de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ten goede komt. 7.
Opkoopbescherming In de vorige verordening is de zogeheten opkoopbescherming opgenomen. Het deel over de opkoopbescherming is op twee details na ongewijzigd gebleven. De wettelijke grondslag voor de opkoopbescherming is echter tijdelijk. De wetgever zal moeten bezien of de regeling ook na 2026 in stand blijft. Aangezien door tal van andere maatregelen van het Rijk het (particulier) beleggen in woningen is ontmoedigd, is inmiddels een omgekeerde trend zichtbaar in vergelijking met vier jaar geleden. Waar destijds een deel van de koopwoningen werd opgekocht door particuliere beleggers, is nu te zien dat woningen van beleggers weer teruggaan naar eigenaar-bewoners (mensen die een woning kopen om er zelf te gaan wonen). Wanneer de wettelijke grondslag vervalt, zal ook de opkoopbescherming in deze verordening kunnen komen te vervallen. Mogelijk leidt dit tot een wijziging gedurende de looptijd van deze verordening. 8. Bestuurlijke boete In deze verordening is het stelsel van bestuurlijke boetes aangescherpt. Naar aanleiding van de evaluatie van de handhaving zijn de boetebedragen met betrekking tot de voorraadvergunningen 4
geactualiseerd en beter afgestemd op de ernst en impact van verschillende overtredingen. Hierdoor sluit het boetestelsel beter aan op de praktijk en wordt het effectiever ingezet als middel om naleving van de regels te bevorderen. Daarnaast zijn de verschillende vormen van woningonttrekking verder gedifferentieerd. In overleg met het team OOV is ervoor gekozen om niet langer overal het onderscheid tussen bedrijfsmatig en niet-bedrijfsmatig te hanteren, omdat dit niet altijd logisch of uitvoerbaar is. Verschillende vormen van onttrekking hebben immers uiteenlopende gevolgen voor de woonruimtevoorraad en daarmee ook een verschillende mate van ernst. Door deze vormen ieder afzonderlijk te beboeten, ontstaat een eerlijker en beter uitvoerbaar handhavingskader. Ook wordt in de verordening nu onderscheid gemaakt tussen de feitelijke overtreder en de functioneel dader. De feitelijke overtreder is degene die de verboden handeling daadwerkelijk uitvoert, terwijl de functioneel dader degene is die de overtreding mogelijk maakt, faciliteert of bewust laat voortduren, bijvoorbeeld een eigenaar of huurder die niet ingrijpt. Dit onderscheid is toegevoegd omdat in de praktijk, zoals bij het aantreffen van hennepkwekerijen, vaak sprake is van verschillende rollen binnen één overtreding.
Door beide rollen beboetbaar te maken, sluit de verordening beter aan op de uitvoeringspraktijk en kan gerichter worden opgetreden.
Deel B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Dit hoofdstuk bevat een artikelsgewijze toelichting op de verordening. Soms wordt volstaan met een verwijzing naar de algemene toelichting of wordt een gedeelte van algemene toelichting herhaald. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Definities In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van de in de Huisvestingsverordening Diemen 2026 gehanteerde begrippen. HOOFDSTUK 2. VERDELING VAN WOONRUIMTE Artikel 2.1.1 Gebiedsbepaling en reikwijdte Dit artikel bepaalt het werkingsgebied van hoofdstuk 2 van de verordening door de omvang van de woonruimtevoorraad die binnen het werkingsgebied valt, te omschrijven en de uitzonderingen te benoemen. De huisvestingsvergunningplicht geldt in ieder geval voor sociale huurwoningen: de zelfstandige huurwoningen met een huurprijs tot € 932,93 (prijspeil 2026). In lid 3 is omschreven dat ook de middeldure huurwoningen onder het werkingsgebied vallen. De toewijzingsafspraken voor middeldure huurwoningen zijn van toepassing als in een private overeenkomst, op grond van erfpachtvoorwaarden of in een omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) in samenhang met de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019, is opgenomen dat de woningen gerealiseerd moeten worden als middeldure huurwoning(en). In lid 4 wordt aangegeven dat de overeengekomen huurprijs bepalend is.
Artikel 2.1.2 Vergunningplicht Dit artikel bevat de op artikel 7 eerste lid van de Huisvestingswet gebaseerde beschrijving van de huisvestingsvergunningplicht. Artikel 2.2.1 Toelatingscriteria Dit artikel bevat twee criteria waaraan een huishouden moet voldoen om toegelaten te worden tot het aangewezen deel van de woningmarkt. Deze criteria houden in dat tenminste één van de leden van het huishouden bevoegd is een huurovereenkomst te sluiten (het onder a van artikel 2.2.1 genoemde criterium) en dat alle leden van het huishouden in Nederland mogen verblijven (het onder b van artikel 2.2.1 genoemde criterium). Ten opzichte van de vorige verordening is toegevoegd dat er toestemming moet zijn om de 5
woonruimte in gebruik te nemen. Voldoet een woningzoekende niet aan de toelatingscriteria, dan kan hij geen huisvestingsvergunning krijgen. Anders dan de passendheids- of bindingscriteria zijn de toelatingscriteria weigeringsgronden en geen voorrangsgronden. Artikel 2.2.2 Aanvullend toelatingscriterium particuliere huurvoorraad en middenhuur Dit artikel bevat een huishoudinkomensgrens voor de sociale huurwoningen van € 51.537 per jaar voor een eenpersoonshuishouden en € 56.910,- voor een meerpersoonshuishouden (prijspeil 2026) en er wordt verwezen naar de huishoudinkomensgrens voor de middeldure huurwoningen van € 77.305,50 per jaar voor een eenpersoonshuishouden en € 93.531,- per jaar voor een meerpersoonshuishouden (prijspeil 2026). De inkomensgrenzen voor middeldure huur worden jaarlijks geïndexeerd zodat deze binnen de landelijk gestelde kaders blijven. Artikel 2.2.3 Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is, zijn bevoegd om een huisvestingsvergunning te verlenen, weigeren of in te trekken. De huisvestingsvergunning wordt verleend op aanvraag. Artikel 2.2.3 van de verordening bevat regels voor het doen van zo'n aanvraag: -
de aanvraag moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is; de aanvraag moet vergezeld gaan van diverse stukken met nadere informatie; de aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van alle leden van het huishouden te tonen; burgemeester en wethouders kunnen nog andere, niet in dit artikel genoemde, informatie opvragen bij aanvrager; in bepaalde gevallen moet de aanvrager over een indicatie beschikken, waaruit blijkt dat de woning waarvoor hij een huisvestingsvergunning wil verkrijgen, bij uitstek geschikt is voor deze persoon.
In het tweede lid zijn ten opzichte van de vorige verordening twee vereiste bewijsstukken toegevoegd. Op grond van de Wet betaalbare huur is een verhuurder tegenwoordig verplicht om een bijlage bij de huurovereenkomst te voegen waarin de waardering van de huurwoning op grond van het Woningwaarderingsstelsel (WWS) is opgenomen. Deze bijlage is in de huidige verordening als vereist bewijsstuk opgenomen. Daarnaast moet een akkoordverklaring van de verhuurder overlegd worden. Dat akkoord kan blijken uit een getekende huurovereenkomst. Maar veelal zal een verhuurder eerst vragen naar de huisvestingsvergunning als voorwaarde voor het definitief maken van de huurovereenkomst. In dat geval volstaat een akkoordverklaring. Voor woningen van corporaties geldt dat deze twee bewijsstukken niet aangeleverd hoeven te worden. Bij de werkwijze van corporaties zijn deze twee zaken al op een andere manier geborgd. Overigens bevat afdeling 4.1 van de Awb een algemene regeling over beschikkingen, welke ook van toepassing is op de huisvestingsvergunning. De voor de praktijk belangrijkste artikelen uit dit deel van de Awb zijn: -
artikel 4:5 Awb. Dit artikel schrijft voor hoe omgegaan moet worden met een onvolledige aanvraag; artikel 4:8 Awb. Dit artikel schrijft voor dat in bepaalde gevallen aanvrager moet kunnen reageren op een voorgenomen, voor hem negatief, besluit; artikel 4:13 tot en met 4:15 Awb. Deze artikelen bevatten de regeling over de beslistermijn en de opschorting daarvan. Zie daarvoor ook artikel 2.2.4 van de verordening.
Artikel 2.2.4 Beslistermijn Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de reguliere beslistermijn van acht weken van toepassing is. Het tweede lid bepaalt dat deze termijn eenmalig met vier weken verlengd kan worden door burgemeester en wethouders. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. 6
Artikel 2.2.5 Gegevens op de vergunning Deze bepaling spreekt voor zich en is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.3.1 Reikwijdte paragraaf 2.3 Als gevolg van het bepaalde in dit artikel is paragraaf 2.3 van toepassing op de ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte, met uitzondering van de huurwoningen onder de huurtoeslaggrens in eigendom van woningcorporaties. De definitie van liberalisatiegrens is na invoering van de Wet betaalbare huur veranderd en kan niet meer worden gebruikt om de maximale huurgrens van sociale huurwoningen aan te duiden. Daarom is het begrip liberalisatiegrens in deze verordening vervangen door het begrip huurtoeslaggrens. Artikel 2.3.2 Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning Dit artikel bevat de gronden waarop een huisvestingsvergunning voor een particuliere huurwoning kan worden geweigerd. Alle drie genoemde weigeringsgronden vormen een zelfstandige weigeringsgrond. De huisvestingsvergunning wordt geweigerd indien: a. het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria; b. het huishouden op grond van artikel 2.7.1 niet voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komt; of, c. het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal nemen. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening.
Artikel 2.3.3 Intrekking vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien: a. het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen vier weken in gebruik heeft genomen. In het belang van een doelmatig beheer van schaarse woonruimte is het immers van belang dat vrijkomende woonruimte zo spoedig mogelijk weer in gebruik genomen wordt. b. de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. Lid 2 regelt het intrekken van een eerder verleende huisvestingsvergunning als burgemeester en wethouders een huisvestingsvergunning verlenen ten behoeve van een huishouden dat al over huisvestingsvergunning beschikt. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.3.4 Algemene volgorde bepaling Door het toevoegen van dit artikel is ten opzichte van de vorige verordening bepaald dat een woningzoekende die doorstroomt uit een sociale huurwoning voorrang heeft bij de toewijzing van een middeldure huurwoning of particuliere huurwoning. Artikel 2.4.1 Reikwijdte paragraaf 2.4 Op grond van dit artikel is het bepaalde in paragraaf 2.4 uitsluitend van toepassing op ingevolge artikel 2.1.1 lid 2 aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie.
Dit artikel is, afgezien van een kleine tekstuele wijziging, ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.4.2 Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning Ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt de huisvestingsvergunning geweigerd indien:
7
a. het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria genoemd in artikel 2.2.1. Deze criteria houden in dat tenminste één van de leden van het huishouden bevoegd is een huurovereenkomst te sluiten (het onder a van artikel 2.2.1 genoemde criterium) en dat alle leden van het huishouden in Nederland mogen verblijven (het onder b van artikel 2.2.1 genoemde criterium). b. het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.4.3 en 2.7.4 niet voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Dit is de koppeling naar de regels over toewijzing van corporatiewoningen via het aanbodinstrument of via directe bemiddeling. c. het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal nemen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als aannemelijk is dat het huishouden zelf niet in de woning gaat wonen maar deze (illegaal) zal onderverhuren; of, d. de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of haar belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de bescherming van de belangen van de overige huurders en voor de waarborging van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met aanvrager heeft kunnen weigeren.
Deze weigeringsgrond maakt het mogelijk om bij de beslissing over het al dan niet verlenen van de huisvestingsvergunning rekening te houden met de specifieke positie die een corporatie heeft ten gevolge van de Woningwet en haar positie als verhuurder. Alle genoemde weigeringsgronden vormen een zelfstandige weigeringsgrond. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.4.3 Intrekking vergunning Lid 1 stelt dat burgemeester en wethouders een huisvestingsvergunning kunnen intrekken, indien: a. het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft genomen. In het belang van een doelmatig beheer van schaarse woonruimte is het immers van belang dat vrijkomende woonruimte zo spoedig mogelijk weer in gebruik genomen wordt. b. de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. Lid 2 ziet toe op de situatie dat een huishouden verhuist van de ene naar de andere huisvestingsvergunningsplichtige woning. Met het toekennen van de huisvestingsvergunning voor de nieuwe woning vervalt de huisvesting voor de oude woning. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening.
Artikel 2.4.4 Aanbieden van woonruimte Dit artikel regelt de wijze waarop woningcorporaties hun voor verhuur beschikbare woonruimte aanbieden. Deze aanbieding geschiedt, gelet op het bepaalde in het eerste lid, eenduidig en transparant via één of meerdere aanbodinstrumenten. Het tweede lid heeft als doel te waarborgen dat het voor de woningzoekende duidelijk is aan welke voorwaarden hij dient te voldoen om in aanmerking te komen voor de via een aanbodinstrument aangeboden woonruimte. Als woonruimte via directe bemiddeling wordt aangeboden, is het bepaalde in het eerste en tweede lid niet van toepassing. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.4.5 Woningzoekenden en inschrijving Een woningzoekende kan zich vanaf het moment waarop hij de leeftijd van 18 jaar bereikt, inschrijven als woningzoekende. Dat doet hij in een aanbodinstrument. De inschrijving in één aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument. Naast WoningNet wordt in enkele gemeenten namelijk gebruik gemaakt van Woonmatch Waterland. Zo wordt 8
bewerkstelligd dat de woningzoekende in de hele woningmarktregio dezelfde inschrijfduur c.q. wachtpunten opbouwt. De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als woningzoekende staat ingeschreven. Ingevolge het bepaalde in het derde lid eindigt de inschrijving nadat een woningzoekende als huurder een aangewezen woonruimte in gebruik heeft genomen, tenzij het huurcontract een jongerencontract is, of een tijdelijk huurcontract of de gehuurde woning geen sociale huurwoning van een woningcorporatie is. In het derde lid van dit artikel wordt verwezen naar een oude overgangs- en coulanceregeling uit 2015 waarbij woningzoekenden zogeheten woonduur konden omzetten in inschrijfduur. In het vierde lid, onder c, is een bepaling toegevoegd op grond waarvan woningzoekenden die woonachtig zijn in woonruimte dat is neergezet op grond van een tijdelijke omgevingsvergunning (veelal zogeheten flexwoningen) hun wachtpunten behouden. Artikel 2.4.5a Extra woonpunten voor aangewezen categorieën woningzoekenden Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om extra woonpunten toe te kennen aan door hen aangewezen categorieën woningzoekenden. Dit artikel kan daarmee worden ingezet om een bepaalde categorie woningzoekenden beleidsmatig te voorzien van extra woonpunten. Het artikel wordt niet toegepast voor individuele woningzoekenden die verzoeken om extra inschrijfduur.
Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.4.6 Voorwaarden aan inschrijving via het aanbodinstrument Aan de inschrijving als woningzoekende via een aanbodinstrument kunnen voorwaarden worden verbonden. Te denken valt aan inschrijfgeld of verlengingsgeld per jaar dat men ingeschreven staat. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.4.7 Toewijzing woonruimte op basis van punten Zoekpunten en situatiepunten kunnen worden opgebouwd vanaf een door burgemeester en wethouders nader te bepalen tijdstip. Situatiepunten kunnen onder de in de artikelen 2.5.3 of 2.6.2 vermelde criteria worden opgebouwd. Een woningzoekende die in aanmerking komt voor zoekpunten heeft ten minste twee jaar en zes maanden nodig om het maximumaantal van dertig zoekpunten te bereiken. Een woningzoekende die zowel voor zoekpunten als voor situatiepunten in aanmerking komt kan parallel nog twaalf situatiepunten opbouwen. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.4.8 Opbouw en afname van zoekpunten Zoekpunten kunnen door iedereen worden opgebouwd door actief te zoeken naar een passende woning en ten minste vier keer per maand op een aangeboden passende woning te reageren. Zo kan per maand één zoekpunt worden opgebouwd, tot een maximum van dertig punten.
Per maand dat niet voldoende actief (geen enkele reactie wordt geplaatst) wordt gezocht, vervalt één zoekpunt. Als er 1 tot 3 reacties worden geplaatst blijft het aantal zoekpunten dat is opgebouwd gelijk. Er kunnen ook zoekpunten vervallen. Per maand dat men niet reageert op woningen, wordt er één zoekpunt afgebouwd. Als na een reactie de interesse in de woning ingetrokken wordt, wordt één zoekpunt op het puntensaldo in mindering gebracht. Situaties die gelden als afzien van een woning zijn het na de sluitingstermijn van de advertentie afslaan voor een uitnodiging voor bezichtiging, het anderszins intrekken van de belangstelling voor de woning, het niet op komen dagen bij een bezichtiging of het afzien van een woning nadat de bezichtiging heeft plaatsgevonden. In de vorige verordening was opgenomen dat bij het niet op komen dagen bij een bezichtiging meteen alle zoekpunten kwamen te vervallen. Daarmee week de verordening in Diemen af van de overige 9
gemeenten. In deze verordening leidt het niet opkomen dagen tot één punt aftrek, gelijk aan de overige gemeenten. Alleen in het geval van een tweede weigering komen alle zoekpunten te vervallen. Uit lid 3 volgt dat het saldo van zoekpunten nooit lager dan nul kan zijn. Artikel 2.4.9. Nadere regels en hardheid Burgemeester en wethouders zullen nadere regels opstellen over de opbouw en afname van zoekpunten. Als een aanvrager door toepassing van de regels over de opbouw of afname van zoekpunten bijzonder hard geraakt wordt, kunnen burgemeester en wethouders clementie tonen. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.5.1 Aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten Een aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten wordt schriftelijk ingediend bij burgmeester en wethouders. Een reactie volgt binnen 8 weken, tenzij de reactietermijn binnen die 8 weken met maximaal 4 weken verlengd wordt. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.5.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten In het aanvraagformulier wordt aangegeven welke stukken en informatie een woningzoekende moet verstrekken bij de aanvraag. Dat houdt in dat alle stukken compleet aanwezig moeten zijn voordat een woningzoekende situatiepunten kan opbouwen.
Gezinnen met kinderen tot achttien jaar die bij een ander huishouden inwonen komen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor situatiepunten: Het gezin moet minimaal één jaar ingeschreven staan op adres(sen) waar wordt ingewoond; en er is sprake van regiobinding, de woningzoekende heeft de afgelopen twee jaar aaneengesloten in de regio gewoond. Bij een relatiebreuk waarbij er sprake is van gezamenlijke kinderen tot achttien jaar en waarvan één van de ouders geen zelfstandige woning heeft, kan de woningzoekende situatiepunten aanvragen. De voorwaarden zijn als volgt: Er is een relatiebreuk tussen partners die minimaal twee jaar hebben samengewoond (duurzame relatie); er is sprake van ten minste een gezamenlijk minderjarig kind waarover men gezamenlijk gezag heeft; er is een ouderschapsplan met of een uitspraak van de rechter over een zorgregeling waarbij de voormalige partners minimaal één dag in de week of om de week twee dagen de dagelijkse zorg hebben; de aanvrager heeft geen zelfstandige woning; en er moet sprake zijn van regiobinding. De aanvrager heeft de afgelopen twee jaar aaneengesloten in de regio gewoond; De aanvraag kan maximaal een jaar na vastlegging van de relatiebreuk worden aangevraagd.
Ten opzichte van de vorige verordening is aan dit artikel toegevoegd dat naast een zorgregeling waarbij een ouder minimaal één dag per week de dagelijkse zorg heeft, een ouder ook om de week minimaal twee dagen (48 uur) per week de dagelijkse zorg voor het kind kan hebben. Artikel 2.5.3 Opbouw en intrekking van situatiepunten In een aantal situaties kan er ook een sanctie worden opgelegd, waarbij alle situatiepunten van een woningzoekende weer op nul worden gesteld. Het kan gaan om twee situaties: (1) De woningzoekende is uitgenodigd voor een bezichtiging, maar komt niet opdagen bij de bezichtiging zonder zich af te melden. (2) De woningzoekenden heeft de woning geaccepteerd, maar weigert alsnog de huurovereenkomst te tekenen. Bij een eerste weigering wordt een zoekpunt ingetrokken. Bij de tweede weigering vervallen alle zoek- en situatiepunten. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.5.4 Geldigheidsduur en verlenging situatiepunten
10
Situatiepunten zijn geldig tot maximaal drie jaar na de aanvraag. Er kan verlenging van drie jaar worden aangevraagd, mits de aanvrager nog steeds aan de criteria voldoet op basis waarvan de verklaring opbouw situatiepunten is verleend. Deze moet tijdig worden aangevraagd. De toevoeging in het twee lid ten opzichte van de vorige verordening komt voort uit regionale afstemming en beoogt een vereenvoudiging van de uitvoering. Artikel 2.5.5 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten Voor de uitwerking van de procedure voor aanvraag situatiepunten, de procedure rond het de opbouw, het verminderen en het inzetten van deze punten en de reactietermijnen stellen burgemeester en wethouders nadere regels vast. Dit artikel bevat in lid 3 ook een hardheidsclausule. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.6.1 Van overeenkomstige toepassingverklaring Voor de situatiepunten voor jongeren gelden dezelfde regels als voor de eerder genoemde situatiepunten met uitzondering van de toelatingscriteria. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.6.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten voor jongeren Er is voor twee categorieën problematisch thuiswonende jongeren opbouw van situatiepunten mogelijk: Pleegjongeren en jongeren met een indicatie voor ambulante ondersteuning.
Alleen jongeren in de leeftijd van 18 tot en met 34 jaar komen in aanmerking. De jongere moet regiobinding hebben. De jongere heeft een voltijd pleegzorgindicatie en woont in een pleeggezin of gezinshuis. Of de jongere heeft een verklaring van Wmo-ondersteuning thuis dat al een jaar of langer van toepassing is. Ten opzicht van de vorige verordening is daaraan toegevoegd dat de Wmo-ondersteuning een totale duur van minimaal twee jaar heeft. In het vierde lid staat dat een woningzoekende jongere ten minste twee jaar voorafgaand aan de datum bij (één van zijn) ouders of pleegouders woont. Voor een jongere die in een pleeggezin woont kunnen dat verschillende pleeggezinnen zijn mits dat aansluitend het geval is geweest in die twee jaren Een woningzoekende kan maximaal één keer in aanmerking komen voor een verklaring situatiepuntenopbouw, zo blijkt uit lid 5. Artikel 2.6.3 Opbouw en verval van situatiepunten voor jongeren Situatiepunten voor jongeren kunnen worden opgebouwd tot de jongere de leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt. Punten die tot die datum zijn opgebouwd vervallen niet. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening.
Artikel 2.6.4 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren Voor de uitwerking van de procedure voor de aanvraag van situatiepunten, de procedure rond de opbouw, het verminderen en het inzetten van deze punten en de reactietermijnen stellen burgemeester en wethouders nadere regels vast. Dit artikel bevat in lid 3 ook een hardheidsclausule. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.7.1 Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en prijs van woonruimte Artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 geeft de mogelijkheid om in de Huisvestingsverordening te bepalen dat bepaalde categorieën woningzoekenden met voorrang in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor bepaalde categorieën woonruimte. Dit, gelet op de aard, grootte of prijs van die woonruimte. Artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 biedt dus niet de mogelijkheid om woningzoekenden uit te sluiten van de mogelijkheid om een huisvestingsvergunning te krijgen.
11
Passendheidscriteria zijn voorrangsregelingen, geen uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing zijnde passendheidseis, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet voldoen met voorrang in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een passendheidseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de passendheidseis voldoen. Het eerste lid van artikel 2.7.1 beschrijft dat de categorieën woonruimte genoemd in kolom 2 van de in het tweede lid opgenomen tabel, categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 zijn. Deze categorieën woonruimte zijn als het ware gematcht met de in kolom 2 van de tabel genoemde, categorieën woningzoekenden. Het tweede lid van artikel 2.7.1 bepaalt dan ook dat de woningzoekenden uit kolom 2 met voorrang in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor woonruimte uit kolom 1, uiteraard voor zover categorie woningzoekende en categorie woonruimte in dezelfde rij van de kolom staan. Het met voorrang in aanmerking laten komen voor een huisvestingsvergunning maakt onderdeel uit van de voorbereiding van de beslissing tot verlening van een huisvestingsvergunning en is daarmee een bevoegdheid van burgemeester en wethouders.
In dit artikel zijn drie categorieën woonruimte en woningzoekenden toegevoegd ten opzichte van de vorige verordening. Zie hiervoor ook de algemene toelichting. Artikel 2.7.2 Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale binding Artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 geeft de mogelijkheid om in de Huisvestingsverordening te bepalen dat bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50% van één of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte, voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio of de gemeente. Bindingscriteria zijn, net als passendheidscriteria, voorrangsregelingen en geen uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing zijnde bindingseis, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet voldoen met voorrang in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een bindingseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de bindingseis voldoen. Ten opzichte van de vorige verordening kunnen alle woningzoekenden uit Diemen in aanmerking komen voor lokale voorrang. In de vorige verordening was dat nog beperkt tot twee categorieën, namelijk jongeren tot en met 27 jaar, en doorstromers.
In het derde lid wordt verwezen naar artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014. Dat betekent dat ten hoogste 50% van de huisvestingsvergunningen met voorrang aan woningzoekenden met een regionaal of lokaal bindingscriterium verleend mag worden. Alleen situaties waarbij de huisvestingsvergunning met voorrang verleend wordt omdat sprake was van een regionaal of lokaal bindingscriterium, tellen mee in bovengenoemd percentage. Toewijzingen waarbij binding niet tot een voorrangspositie heeft geleid tellen niet mee. Als een woning is geadverteerd met een vorm van lokale voorrang, maar deze lokale voorrang in niet leidend is geweest voor de toewijzing, dan telt dat niet mee. Daarnaast geldt dat woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring, verleend in verband met mantelzorg, uitstroom uit een blijf-vanmijn-lijfhuis of vergunninghouders (statushouders) die de gemeente gelet op de taakstelling moet huisvesten, de bindingscriteria niet tegengeworpen kunnen krijgen, zie artikel 2.9.6 van de verordening en artikel 16 van de Huisvestingswet 2014. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels uitwerken, bijvoorbeeld bij hoeveel woningen voorrang wordt gegeven voor de betreffende doelgroep en eventuele nadere criteria. Artikel 2.7.3 Algemene volgordebepaling
12
Dit artikel regelt de volgorde waarin woningzoekenden in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. Hierin is terug te zien dat passendheidscriteria voorgaan op bindingscriteria. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.7.4 Bijzondere volgordebepaling In dit artikel is de volgordebepaling opgenomen ter verbijzondering van de algemene volgordebepaling. De bijzondere situaties zijn uitgewerkt aan de hand van en in de volgrode van de categorieën zoals opgenomen in artikel 2.7.1. Aangezien ten opzichte van de vorige verordening in artikel 2.7.1 een drietal categorieën is toegevoegd, leidt dat ook in dit artikel 2.7.4 tot de toevoeging van die categorieën. Artikel 2.7.5 Bijzondere volgorde voor houders van een SV-urgentieverklaring In deze verordening is geregeld dat alle urgenten direct bemiddeld worden, met uitzondering van stadsvernieuwingsurgenten. In dit artikel is verder geregeld dat de gemeente Diemen jaarlijks een beperkt aantal stadsvernieuwingsurgenten uit andere regiogemeenten huisvest. Dit artikel is, afgezien van een kleine tekstuele wijziging, ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.7.6 Bijzondere volgorde in geval van loting Al dan niet in navolging van regionale afspraken kan een deel van de vrijkomende sociale huurwoningen via loting verdeeld worden.
Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.7.7 Directe bemiddeling Voor bepaalde categorieën woningzoekenden wordt gewerkt met directe bemiddeling. Dat wil zeggen dat de woningzoekende niet zelf in het aanbodmodel moet zoeken naar woonruimte, maar dat vanuit de gemeente en/of de corporatie in geschikte woning wordt gezocht en de woningzoekende de geselecteerde woning direct aangeboden krijgt. In het tweede lid wordt verwezen naar het in deze verordening nieuw toegevoegde artikel 2.7.9 over voorrang voor vitale beroepsgroepen. In de vorige verordening was in dit lid opgenomen dat directe bemiddeling kon worden toegepast voor “leerkrachten die lesgeven in het Diemense basisonderwijs”. Alleen ontbrak in de vorige verordening een voorrangsbepaling voor deze categorie woningzoekenden. Om die reden is artikel 2.7.9 toegevoegd en het tweede lid gewijzigd. Artikel 2.7.8 Bijzondere gevallen Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.7.9 Voorrang vitale beroepsgroepen Burgemeester en wethouders kunnen voorrang geven aan woningzoekenden die economisch gebonden zijn aan de gemeente doordat zij een zogeheten vitaal beroep hebben. Burgemeester en wethouders leggen in nadere regels vast om welke sectoren het daarbij gaat.
Door het toevoegen van artikel 2.7.9 is de mogelijkheid tot het verlenen van voorrang aan vitale beroepsgroepen op een juiste manier in de huidige verordening verankerd. Op grond van dit artikel kan het college indien daar aanleiding voor is ook woningzoekenden met andere vitale beroepen in aanmerking laten komen voor voorrang. Artikel 2.8.1 Algemeen De artikelen 2.8.1 en 2.8.2 bevatten een regeling voor experimenten op het gebied van woonruimteverdeling. Belangrijk is het om vast te stellen dat experimenten weliswaar niet mogelijk zijn op grond van de (overige) bepalingen van de verordening, maar gelet op de Huisvestingswet 2014 wel
13
in een Huisvestingsverordening opgenomen kunnen worden. Het is dus zo dat experimenten niet in strijd mogen zijn met de uitgangspunten van de Huisvestingswet 2014 zelf. In de verordening is het lid toegevoegd dat burgemeester en wethouders nadere regels kunnen vaststellen over de voorwaarden die worden gesteld om het bepaalde in het tweede lid te borgen. Ook kunnen zij nadere regels vaststellen over de aanvraagprocedure. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.8.2 Experimenten met woonruimten van corporaties Dit artikel regelt de experimenten die corporaties kunnen houden. Een experiment duurt maximaal 2 jaar en betreft ten hoogste 10% van de per jaar toe te wijzen woonruimten in de gemeente Diemen van de corporaties die bij het experiment betrokken zijn. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.9.1 Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar de urgentieverklaring moet worden aangevraagd, beslissen op de aanvraag. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.9.2 Aanvraag om een urgentieverklaring Het eerste lid van dit artikel bevat een regeling voor het indienen van de aanvraag om een urgentieverklaring: -
woont aanvrager binnen de woningmarktregio, dan vraagt hij de urgentieverklaring aan bij burgemeester en wethouders van zijn woonplaats; - woont aanvrager niet binnen de woningmarktregio, dan vraagt hij de urgentieverklaring aan bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar hij wil gaan wonen. Deze laatste situatie (een aanvrager van buiten de woningmarktregio) doet zich in het bijzonder voor bij de zogenoemde "wettelijke urgentiegronden". Deze woningzoekenden zullen vaak niet in de woningmarktregio woonachtig zijn. Aan het proces is met ingang van deze verordening toegevoegd dat er voorafgaand aan de aanvraag een oriënterend gesprek plaats vindt. Op een aanvraag, gelet op het bepaalde in artikel 2.9.3 wordt binnen acht weken besloten. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken verlengd worden. Uiteraard is een behandeltermijn van acht weken respectievelijk twaalf weken langer dan in de meeste gevallen wenselijk is, gelet op het urgente karakter van veel huisvestingsproblemen. Het vierde lid van artikel 2.9.2 van de verordening somt op welke gegevens en bescheiden in ieder geval bij de aanvraag ingediend moeten worden: a. stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven in het aanbodinstrument; b. informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; en c.
informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van aanvrager. Dit artikel is, afgezien van een kleine tekstuele wijziging, ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.9.3 Inhoud van de urgentieverklaring In artikel 2.9.3 van de verordening wordt beschreven welke gegevens de urgentieverklaring zelf dient te bevatten:
14
-
de urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte. Het zoekprofiel bestaat uit een woningtype en het zoekgebied waarop de voorrangswerking van de urgentieverklaring van toepassing is. de urgentieverklaring bevat informatie over aanvrager, het dossier van de aanvrager en de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig is.
Het in de urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel bevat qua ligging, grootte, en aard het meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen die naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. Op gemeentelijk niveau kan daarom beleid opgesteld worden aan de hand waarvan bij de behandeling van concrete aanvragen het in het zoekprofiel op te nemen woningtype bepaald kan worden. Dit geldt voor urgentieverklaringen met uitzondering van de SV-urgentieverklaring (de urgentiecategorie genoemd in artikel 2.9.8, eerste lid, aanhef en onder c). Zie voor de bepaling van het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied artikel 2.9.4 van de verordening. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. Artikel 2.9.4 Het zoekgebied Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft verleend, aldus eerste lid. De urgentieverklaring, verleend wegens de toepasselijkheid van een in artikel 2.9.7 of 2.9.8 van de verordening opgenomen urgentiecategorie, heeft regionale werking. Dit betekent dat een woningzoekende onder bepaalde omstandigheden de urgentieverklaring kan inzetten bij het verkrijgen van woonruimte, gelegen in een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven.
Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 2.9.4 van de verordening bevat hiervoor de volgende regeling: -
-
-
-
de houder van een urgentieverklaring meldt zich bij de regiogemeente waar hij naar toe wil verhuizen. Deze regiogemeente wordt in het artikel aangeduid als "de ontvangende gemeente". De houder van de urgentieverklaring verzoekt burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente om het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel aan te passen. burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente beoordelen het verzoek. Het vierde lid van artikel 2.9.4 van de verordening geeft aan welke belangen burgemeester en wethouders daarbij in acht nemen: zij kunnen het verzoek weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen. Daarmee grijpt het vierde lid terug op het motief om een Huisvestingsverordening vast te stellen: het bestrijden van de effecten van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. Opgemerkt wordt dat burgemeester en wethouders in deze situatie niet opnieuw beoordelen of de urgentieverklaring zelf terecht is verleend. wanneer burgemeester en wethouders gelet op het vierde lid geen reden zien om het verzoek te weigeren, wijzigen zij het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel. Het zoekgebied wijzigen zij in hun gemeente.
Het woningtype wijzigen zij in het woningtype dat voor hun gemeente in het geval van deze woningzoekende als meest sobere woningtype geldt. burgemeester en wethouders kunnen ook, gelet op het bepaalde in het vierde lid, tot de conclusie komen dat het verzoek geweigerd moet worden.
Het ligt voor de hand om op gemeentelijk niveau beleid vast te stellen waarin beschreven wordt hoe invulling wordt gegeven aan de toets van verzoeken aan het bepaalde in het vierde lid. Zowel een toekenning van het verzoek als een weigering van het verzoek is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de vorige verordening. 15
Artikel 2.9.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring Als de aanvraag volledig en te beoordelen is, wordt getoetst of er zich één of meerdere algemene weigeringsgronden voordoen. Deze zijn opgenomen in artikel 2.9.5, eerste en tweede lid, van de verordening. Niet iedere algemene weigeringsgrond is van toepassing op iedere urgentiecategorie. De weigeringsgronden genoemd in het eerste lid zijn, voor zover ze toepasselijk zijn op de desbetreffende urgentiecategorie, verplichtend voor burgemeester en wethouders. Tenzij burgemeester en wethouders hiervan afwijken met toepassing van de in artikel 2.9.11 opgenomen hardheidsclausule. Als er zich één of meerdere van deze weigeringsgronden voordoen, moet de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden. Het betreft de volgende weigeringsgronden: a. Het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen. Dit betekent dat tenminste één lid van het huishouden van aanvrager niet minderjarig is en dat alle leden van het huishouden in Nederland mogen verblijven. b. Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Uit deze weigeringsgrond volgt dat sprake moet zijn van een urgent huisvestingsprobleem. c. De aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen.
In bepaalde gevallen is wel sprake van een urgent huisvestingsprobleem, maar had aanvrager dit redelijkerwijs zelf kunnen voorkomen. Bijvoorbeeld door in verband met een voorzienbare beperking tijdig te verhuizen naar meer geschikte woonruimte. Of door met eigen vermogen geschikte woonruimte te kopen. d. Het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Het begrip 'voorliggende voorziening' is gedefinieerd in artikel 1 en kan eventueel in lokaal beleid verder inhoud aan gegeven worden. e. Het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden. Van deze weigeringsgrond is bijvoorbeeld sprake als aanvrager zijn vorige woning heeft moeten verlaten in verband met door hem ondernomen wietteelt of als aanvrager met zijn gezin is gaan inwonen, terwijl het redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot problemen zou leiden. f. Het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte.
Deze weigeringsgrond doet zich bijvoorbeeld voor indien aanvrager als gevolg van specifieke problematiek een urgent huisvestingsprobleem heeft gekregen en redelijkerwijs te verwachten is dat die problematiek hem nog steeds belet om zelfstandig woonruimte te bewonen. Het kan daarbij gaan om problematiek van sociaal-medische aard. g. De aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 2.9.10, eerste lid, aanhef en onder a en d. Bij intrekking wegens de toepasselijkheid van deze intrekkingsgronden (a. onvolledige of onjuiste gegevens verstrekt en d. aangeboden woonruimte geweigerd dan wel zich onvoldoende ingespannen) kan gezegd worden dat aanvrager het ontstane of voortdurende huisvestingsprobleem in belangrijke mate aan zichzelf te wijten heeft. h. De aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien. Indien aanvrager niet in de kosten van bestaan of de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte kan voorzien, is het, via een urgentieverklaring verkrijgen van zelfstandige woonruimte, geen duurzame oplossing van het huisvestingsprobleem. i.
De aanvrager was in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, blijkens diens inschrijving in de basisadministratie, niet tenminste twee jaar onafgebroken woonachtig in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd. Een uitzondering op deze bepaling kan worden gemaakt in het geval dat één of meerdere leden van het huishouden van aanvrager schoolgaande kinderen zijn en de aanvrager en zijn huishouden vanwege een relatiebreuk tussen aanvrager en diens partner is verhuisd naar een inwoonadres buiten Diemen en binnen een half jaar na vertrek uit Diemen een urgentieverklaring heeft aangevraagd. j. Het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt. Huishoudens met een inkomen boven de DAEB-norm worden verondersteld in beginsel zelf voor hun huisvesting te kunnen zorgen.
16
De weigeringsgrond in het tweede lid heeft een facultatief karakter. Indien zich deze weigeringsgrond voordoet, kan de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden. Deze weigeringsgrond stelt burgemeester en wethouders in staat om een urgentieverklaring te weigeren indien het huisvestingsprobleem veroorzaakt wordt door: het bewonen van onzelfstandige woonruimte; het bewonen van voor tijdelijke bewoning geschikte woonruimte; of in strijd met een bestemmingsplan permanent bewonen van een bouwwerk. Een aanvrager kon immers bij de start van deze vormen van bewoning verwachten dat op een zeker moment als gevolg daarvan een huisvestingsprobleem zou gaan ontstaan. Het ligt overigens voor de hand dat gemeenten die voornemens zijn om van deze weigeringsgrond gebruik te maken, ter zake beleid ontwikkelen. Ten opzichte van de vorige verordening is in dit artikel alleen een toevoeging gedaan aan het bepaalde in het eerste lid, onder i, in het geval van een inwoonadres buiten Diemen vanwege een relatiebreuk. Artikel 2.9.6 Wettelijke urgentiecategorieën Artikel 2.9.6 bevat de zogenoemde wettelijke urgentiecategorieën.