CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport ‘Een Antidiscriminatie voorziening moet slagkracht hebben'

Informatieve bijeenkomst 15 februari 2023, gemeente DeventerBij agendapunt: Bijlagen33.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

ADV’s krijgen op deze manier dus een actievere rol; ze gaan niet alleen reageren als discriminatie voorkomt, maar voorkomen ook dat het (nog meer) voorkomt. Een ADV wordt niet alleen minder reactief, maar ook meer een organisatie die coördineert en daarmee zorgt voor een goede ketensamenwerking in de aanpak van discriminatie. De ADV zou onder meer zicht kunnen houden op de verschillende taken in een discriminatiezaak die opgepakt moeten worden, ervoor zorgen dat de ketenpartners onderling afstemmen en ervoor zorgen dat iedere discriminatiezaak wordt opgepakt. Belangrijke ketenpartners zijn volgens de experts met name het sociaal werk en zelf- en belangenorganisaties van gemarginaliseerde groepen. In lijn met het belang dat wordt gehecht aan de samenwerking met zelforganisaties vinden de meeste experts dat er goed contact moet worden onderhouden met de gemeenschappen die gediscrimineerd worden. Institutionele vormen van discriminatie tegengaan vinden de experts over het algemeen ook bij een ADV horen. Zo zou een ADV na een klacht ten aanzien van een organisatie een preventief aanbod moeten doen aan de betreffende organisatie waar de klacht over ging. Preventie en klachtbehandeling worden dus veel meer aan elkaar gekoppeld en zijn geen losstaande taken. Maar deze taak hoort volgens de experts

Movisie •

43

ook bij andere partners thuis. Zo zouden diverse inspecties hier beter op kunnen controleren. En de overheid en gelieerde organisatie en/ of de organisaties die zij subsidiëren zouden verantwoordelijkheid moeten afleggen over hoe zij institutionele discriminatie voorkomen. Naast dat een ADV nieuwe taken op zich moet nemen, moeten daarnaast een aantal al bestaande taken (nog) beter worden uitgevoerd. Het gaat dan met name om de herkenbaarheid en zichtbaarheid verbeteren zodat zo veel mogelijk gedupeerden daadwerkelijk een melding van discriminatie maken. Ook hulp bieden aan gedupeerden kan beter. Zo vinden de meeste experts dat gedupeerden beschermd moeten worden tegen wraakacties als gevolg van het aankaarten van discriminatie. Om te zorgen dat ADV’s hun taken goed uitvoeren vinden de meeste experts monitoring en kwaliteitseisen erg belangrijk: de belangrijkste manier om dat te doen is volgens de experts om tevredenheidsonderzoek uit te voeren onder de gedupeerden of via praktijktesten. Om dit te doen zijn verschillende randvoorwaarden nodig, zoals meer budget en minder regionale verschillen in taken en kwaliteit tussen de ADV’s. Ook zou het budget dat gemeenten ontvangen voor de aanpak van discriminatie geoormerkt moeten zijn. Dat biedt mogelijk ook een oplossing voor de wens van de experts om de ADV financieel onafhankelijker te maken van de gemeente.

Ook zou er meer expertise nodig zijn bij (een deel van) de ADV’s: meer kennis over juridische mogelijkheden, meer kennis over effectieve aanpak van discriminatie en meer kennis en vaardigheden over hoe je (samen met ketenpartners) zorgt dat een gedupeerde zich weer veilig voelt na een antidiscriminatie-incident. In een notendop zou een ADV meer proactief, meer coördinerend/sturend en meer zichtbaar moeten zijn volgens de experts. Hier zijn wel randvoorwaarden voor nodig, zoals meer budget en meer expertise. Ook zou klachtbehandeling en preventie meer aan elkaar gekoppeld moeten zijn, klachten kunnen leiden namelijk tot een preventieaanbod. De minste consensus heerst over of en wie er een bindend oordeel moet geven of er sprake is van discriminatie en of er onafhankelijk onderzoek moet worden gedaan door een ADV. Een meerderheid vindt dat het CRM bindende oordelen moet geven, maar dit is wel een krappe meerderheid. Duidelijk is wel dat de ADV’s deze taak in ieder geval niet moet krijgen. In lijn hiermee: in de eerste vragenlijst was ook weinig draagvlak voor sancties geven aan de dader door een ADV. Het strafrechtelijke deel van discriminatie moet dus niet bij een ADV belegd worden volgens de experts. Wel ziet een deel van de experts een rol voor de ADV’s om aan te schuiven bij de ZSM-tafels. Het ADV kan hieraan deelnemen als het gesprek over discriminatie gaat.

Maar lang niet alle experts zijn hiervan overtuigd. Wat de rol van een ADV is in de strafrechtelijke aanpak van discriminatie lijken de experts lastig te vinden.

Movisie •

44

HOOFDSTUK 3: RESULTATENFOCUSGROEPEN EN INTERVIEWS In dit hoofdstuk beschrijven we hoe gedupeerden van discriminatie denken over het melden van discriminatie en hoe het meldproces beter ingericht kan worden. Deze gedupeerden hebben we gesproken in focusgroepen en interviews. In totaal spraken we met 23 respondenten die op verschillende gronden zijn gediscrimineerd en daar wel/geen melding van hebben gemaakt bij een ADV of andere instantie. We beschrijven in dit hoofdstuk hoe deze gedupeerden het meldproces hebben ervaren en hoe het volgens hen beter kan. Verder beschrijven we waarom mensen geen melding hebben gemaakt en wat ervoor nodig is om dat in het vervolg wel te doen. Ook delen we in dit hoofdstuk of zij zich kunnen vinden in de ideeën van de experts over het meldproces (zie hoofdstuk 2) en wat zij hier nog aan willen toevoegen.

PARAGRAAF 1: DISCRIMINATIE-ERVARINGEN De ervaringen van discriminatie onder de respondenten zijn erg divers. Dit komt mede omdat we interviews en focusgroepen hebben gehouden met verschillende discriminatiegronden als thema. De meeste ervaringen met discriminatie van de respondenten hadden betrekking op ervaren discriminatie binnen een institutie. Denk hierbij aan ontslagen worden vanwege het dragen van een hoofddoek, geen herkenning van je dyslexie op school of geen toegang hebben tot een gebouw. Een voorbeeld: ’Ik kwam daar binnen zonder hoofddoek. Toen ik daar eenmaal werkte, na een paar maanden geloof ik, besloot ik een hoofddoek te gaan dragen. Ik mocht mijn dag nog niet eens afmaken, ik moest naar huis. Ze vonden het niet passen bij mijn visitekaartje in mijn rol als receptioniste. Het was verder niet persoonlijk, maar zakelijk. Zo moest ik het ook zien.’ Focusgroep discriminatie op grond van religie, respondent 1 Hierop aansluitend: meerdere ervaringen gingen over discriminatie dat vastgeroest zit in systemen, zoals geen aanpassingen doen voor rolstoeltoegankelijkheid.

Andere ervaringen met discriminatie onder de respondenten hadden te maken met interpersoonlijke communicatie, beledigende teksten van de buurvrouw wanneer bezoek langskomt dat een hoofddoek draagt, nagekeken en -geroepen worden omdat je als man hand in hand loopt met een andere man of de ruit van je raam die wordt ingegooid omdat je een regenboogvlag hebt opgehangen. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb een buurvrouw die, iedere keer als ik in de tuin zit te barbecueën met vrienden of gewoon überhaupt met vrienden in de tuin zit, lelijk woorden over de schutting slingert. . [..] Dat is een inbreuk op mijn wooncomfort en het is ook nog eens discriminatie, want zij noemt maar iedere keer v**** Turk en v**** Marokkanen.’ Respondent 5

Movisie •

45

De ervaringen van de respondenten hebben dus zowel betrekking op discriminatie in persoonlijke contacten als vanuit instituties. De respondenten hebben vrijwel allemaal een hele reeks aan ervaringen met discriminatie en niet slechts één incident. ‘Ik ben mijn hele leven gediscrimineerd. Ik weet niet beter, ik ben er mee geboren. Begin jaren 90 heb ik het ontdekt. Ik leid een heel ander leven dan iemand zonder beperking. Ik leef een leven met een hindernis en discriminatie.’ Respondent 1 Discriminatie is dus iets wat veel respondenten doorlopend meemaken en hun leven daarmee ook sterk beïnvloedt. ‘Nee, veilig voel ik mij hier niet. Vanochtend zette ik mijn fiets hier voor de flat – ik woon in een appartementencomplex in het centrum - en ik dacht: ‘wanneer houdt het op dat ik gewoon ergens mijn fiets neerzet, en dat ik niet word aangevallen of zo?’. Dat heeft altijd wel gespeeld. Ook in mijn jeugd, dat je gewoon random in elkaar wordt getrapt of whatever. Omdat mensen vinden dat jij hier niet thuishoort of zo.’ Respondent 12 Veel van de respondenten noemen discriminatie-ervaringen uit hun jeugd. Discriminatie lijkt dus meer een levenslange ervaring dan iets wat zich beperkt tot enkele incidenten of iets wat eenmalig is.

1.1. Motivatie deelname De motivatie om deel te nemen aan het onderzoek loopt erg uiteen onder de respondenten. Sommigen doen mee vanuit persoonlijke motivatie, omdat zij discriminatie hebben ervaren en daar persoonlijk last van hebben. Anderen willen verandering teweegbrengen voor de volgende generatie of zien dat er weinig veranderd is de afgelopen jaren en willen op deze manier verandering in gang zetten. Twee respondenten geven aan mee te doen omdat zij de discriminatie die zij ervaren, validisme, onderbelicht vinden.

PARAGRAAF 2: REDEN OM WEL MELDING TE DOEN De meeste respondenten, zeventien in totaal, hebben melding gedaan door dit te laten weten aan de instantie waar de respondent de discriminatie heeft ervaren, zoals bij het schoolbestuur of bij de werkgever. Twaalf respondenten hebben melding gedaan bij een andere instantie waar discriminatie gemeld kan worden: drie bij een ADV, zes bij de politie, drie bij (uiteindelijk) het CRM en één persoon bij een alternatief meldpunt. Er zijn verschillende redenen waarom mensen een melding maken van ervaren discriminatie, bijvoorbeeld het zoeken naar steun of de wens voor consequenties voor de pleger. Er zijn een aantal redenen die opvallen en door meerdere respondenten onafhankelijk van elkaar worden genoemd. Deze beschrijven we hieronder.

Movisie •

46

2.1. De wens voor verandering in de eigen situatie Meerdere respondenten maken een melding omdat de ervaren discriminatie zo problematisch is dat ze willen dat het acuut stopt, bijvoorbeeld omdat ze vrezen voor hun veiligheid. Hierbij kan het gaan om een incident, maar in sommige gevallen gaat het ook om aanhoudende discriminatie waarbij een bepaald moment de emmer doet overlopen, waarna melding wordt gemaakt. ’En op een gegeven moment, wat voor mij wel de druppel was, was dat ik een college gaf [als docent, red.] en daarbij maakte ik gebruik van een app, Kahoot. Daarmee kan je anoniem inloggen. Ik zou een quiz met de studenten oefenen en toen verscheen een heel discriminerend scheldwoord op het scherm. Op het grote scherm waar alle studenten dat konden zien. Ja, dat was voor mij wel de druppel die de emmer deed overlopen. Maar niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn studenten vond ik het heel erg.’ Respondent 7 Melden wordt ook vaak gedaan omdat men hoopt dat dit de situatie verandert. Bijvoorbeeld in de hoop dat de buurvrouw stopt met de racistische beledigingen of de hoop dat de werkgever de mogelijkheid gaat bieden om wel door te groeien binnen de organisatie. Verschillende respondenten geven aan dat ze op zoek zijn naar een instantie die kan helpen in het bemiddelen met de pleger. Rechtsgang is niet altijd het doel.

2.2. Gevoel van onrecht Een andere reden die vaker voorkomt is dat mensen een gevoel van onrecht ervaren. Respondenten willen dat het stopt, zodat het in het vervolg niet meer gebeurt. Respondenten willen dus met hun melding bijdragen aan een betere samenleving. ’Ja, en ook voor anderen hoor, nog even los van mij inderdaad. Zodat je laat zien dat je hier samen een vuist tegen maakt . En zodat iedereen zich een stukje veiliger voelt. Dus niet alleen ik, ja.’ Respondent 7 Hierop aansluitend doen respondenten ook melding om discriminatie meer zichtbaar te maken. Melden is ook een manier om aan zichzelf en de omgeving te laten zien dat discriminatie niet geaccepteerd zou moeten worden. Ze willen bijvoorbeeld laten zien aan hun kinderen dat discriminatie niet geaccepteerd hoeft te worden. ’Als ik niks doe, wat voor signaal geef ik daar mee af aan mijn kinderen?’ Respondent 2 Ook heerst er bij verschillende respondenten een gevoel van onmacht. Ze willen zich graag gesteund voelen en door middel van hun melding discriminatie aanpakken.

PARAGRAAF 3: REDEN OM GEEN MELDING TE DOEN De meeste respondenten melden niet al hun ervaringen met discriminatie. Hiervoor hebben zij verschillende redenen, zoals ‘het voelt voor mensen gelijk als iets groots’ of omdat mensen niet weten wat er met de

Movisie •

47

melding gaat gebeuren. Het proces na het doen van een melding bij een ADV is onduidelijk, zo geven verschillende respondenten aan. Eén respondent geeft ook aan geen melding te maken vanwege de versplintering van de meldpunten. Hieronder beschrijven we de redenen die het vaakst worden genoemd.

3.1. Geen nut Meerdere respondenten geven aan dat het geen zin heeft om een melding te maken. Het lost het probleem niet op. Dus waarom zou je een melding maken? Het kost alleen maar energie en tijd, zo wordt gezegd. Dit weten ze uit eigen ervaring of hebben ze gehoord vanuit hun omgeving. Een van de respondenten die vaak discriminatie ervaart vanwege zijn beperking legt uit dat hij verschillende rechtszaken heeft bestudeerd waarin mensen met een beperking die een klacht indienden over discriminatie in het ongelijk werden gesteld: “… maar wat kunnen ze dan doen voor mij? Zo’n school die mij afwijst, die zegt ‘hij heeft de kwaliteiten niet’. Ten hoogste kan de school worden afgewezen op bepaalde vormfouten. Discriminatie op grond van een beperking is soms ook legaal, want eigenlijk eis je dat ze bepaalde voorzieningen aanpassen op je beperkingen. Dus ik vrees dat er niets aan gedaan kan worden”. Focusgroep discriminatie op grond van beperking, respondent 1 Meer respondenten met een beperking hebben de indruk dat melding doen weinig zin heeft omdat de discriminatie van mensen met een beperking in veel gevallen door de overheid zelf wordt gedaan of wordt goedgekeurd. Ze hebben daardoor het idee dat het weinig zin heeft om hier melding van te maken.

Meerdere respondenten geven daarnaast aan dat het melden van een discriminatie ervaring bij een ADV iets is voor de statistieken, er zit geen vervolg aan. Het is iets voor de boeken. Het levert niets op voor de melder: “Weet je, dan kan ik nu ook nog bij een meldpunt discriminatie aankloppen? En dan? Want ja, zij kunnen geen strafrechtelijke vervolging gaan instellen. Om het heel oneerbiedig te zeggen: zij zitten daar de incidenten te turven. En dan krijg je te horen van ‘goh ja, het is heel erg dat wat u is overkomen’. En dan beland je in de statistieken. En ja. Wat gebeurt er dan mee? Wat ja? Wat, wat heeft het voor toegevoegde waarde, dan vraag ik het, vraag ik me wel eens af.” Respondent 6 Ook geeft een respondent aan dat wanneer een melding bij een ADV zover reikt dat het leidt tot een gesprek met de werkgever, dat dit vervolgens verder nergens toe leidt. Hierdoor heeft het doen van een melding geen effect en blijven de mensen die zich schuldig maken aan discriminatie vaak op hun plek zitten, zo wordt er gedacht en ervaren. Verschillende respondenten benoemen dat er weinig slagvaardigheid en daadkracht bij een ADV of bij een andere instantie is. Dit is voor hen de reden dat ze geen melding doen van hun ervaring(en) met discriminatie.

3.2. Emotionele prijs Een andere reden om geen melding te maken is omdat het emotioneel veel kost: gedupeerden herbeleven de ervaringen bij het opschrijven of vertellen van de ervaring.

Movisie •

48

“Ik heb geen klacht ingediend, omdat elke keer dat ik ermee bezig was er naar van werd. Ik moest het de hele tijd ervaren en op papier zetten en dat was erg onprettig.” Focusgroep discriminatie op grond van afkomst, respondent 4 Het doen van een melding levert dus veel stress en spanning op. Vaak is het een lang proces waarbij de melder niet weet wat er staat te gebeuren. Verschillende respondenten noemen ook dat het melden van discriminatie veel energie kost: “Het is gewoon een hele grote stap. Je moet er echt energie voor hebben. En ik denk voor andere mensen die gediscrimineerd zijn, je moet heel hard vechten. Je moet hele tijd vechten om serieus genomen te worden.” Respondent 8 Daar komt bij dat respondenten niet altijd steun ervaren vanuit hun omgeving wanneer ze melding willen gaan doen van discriminatie. Een respondent geeft aan geen melding te doen vanwege gebrek aan steun vanuit haar echtgenoot: “Ik heb ook mijn man er een keer over verteld [de discriminatie ervaring], en die zei ja vervelend, maar dat gebeurt mij bijna dagelijks. Dat gebeurt al mijn hele leven, moeten we dat nou zo gaan benoemen, weet je. We zijn toch kinderen van gastarbeiders, moeten we dat dan wel willen. Dat versterkte mij zeker niet in het doen van de melding. Ik werd een beetje ontmoedigd door degene die me juist begrijpt.

Omdat hij het al jaren meemaakt en ontmoedigd is en teleurgesteld is door het systeem. Ja wat voor een zin heeft het om de hele rompslomp in te gaan met als resultaat: niets.” Focusgroep discriminatie op grond van religie, respondent 1 Een andere respondent vertelt dat ze van haar ouders geen steun kreeg toen ze discriminatie als kind ervaarde. Zij kreeg mee dat ze twee keer zo hard moest werken als een ander zonder migratieachtergrond en er mocht niet geklaagd worden over discriminatie. Een andere respondent vertelt dat zijn vrienden zich allemaal hopeloos voelen en het idee hebben ‘gewoon te moeten leren leven met discriminatie’. Hij is de enige die wel steeds melding doet maar zijn vrienden zien dat allemaal niet zitten.

3.3. Afhankelijkheid en bang voor consequenties Dat het jouw woorden tegenover die van de dader zijn, sluit aan bij dat verschillende respondenten geen melding hebben willen maken van de ervaren discriminatie omdat het ging om een ongelijke situatie. Denk hierbij aan de relatie van leerling versus docent, werknemer versus werkgever, of burger versus overheidsinstituut: “Maar ik heb daar eigenlijk vrij weinig mee gedaan, omdat ik zoiets had van ja… Zij is de lerares. Zij beoordeelt mij uiteindelijk.” Respondent 5 Deze machtsverhouding leidt tot de meest gehoorde reden waarom respondenten geen melding maken: ze zijn bang voor repercussies. Mensen zijn bang hun eigen glazen in te gooien wanneer ze een melding maken. Denk hierbij aan naar de uitgang gedwongen worden door je werkgever of worden genegeerd op de werkvloer. Zo vertelde een van de respondenten in de focusgroep, over discriminatie op grond van

Movisie •

49

beperking, dat ze geen klacht kon indienen bij de gemeente wegens discriminatie omdat ze afhankelijk is van diezelfde gemeente: “Ja, bijvoorbeeld als je een rolstoel aanvraagt bij de gemeente en je hebt daar een klacht over met betrekking tot discriminatie, dan zou het kunnen dat je nog langer moet wachten op je rolstoel bijvoorbeeld.” Focusgroep discriminatie op grond van beperking, respondent 2 Ook ten aanzien van werkgevers heerst de angst dat melden consequenties heeft voor de gedupeerden: “Ik vind het ook gewoon lastig omdat ik het idee heb als ik ergens meld, datdie case dan uiteindelijk bij mijn werkgever terecht komt. Dat ze dan meteen die link leggen.” Respondent 9 Ook wordt genoemd dat je eigen reputatie wordt geschonden als je discriminatie gaat melden. Veel respondenten geven dus aan geen melding te maken van discriminatie omdat dit mogelijke negatieve gevolgen met zich meebrengt. Een van de respondenten vertelt: “Omdat je bang bent dan zelf als het probleem te worden gezien. Ik merkte daarna trouwens wel dat nadat ik er wel een ding van had gemaakt, nou ja, een ding noem ik het. Maar ik had eigenlijk gewoon het probleem hardop aangekaart en benoemd. Dat inderdaad de situatie al gauw werd omgedraaid en dat ik een beetje als het probleem werd gezien.

Dat is denk ik voor veel mensen een drempel […] de sociale repercussies, maar ook wel de repercussies waar je als werknemer mee te maken krijgt.” Respondent 7 De gedupeerde wordt veelal de dupe van het doen van een melding en de pleger wordt niks aangerekend, dit is de algemene gedachtegang en ervaring van de respondenten.

3.4. Niet zeker weten en lastig te bewijzen Wat ook door veel respondenten wordt aangegeven is dat ze geen melding maken, omdat ze het lastig vinden te bepalen wat nou precies discriminatie is. In veel gevallen is het ‘verpakt’ of subtiel. Of gedupeerden zijn zo verbijsterd dat ze later pas later beseffen wat er precies is voorgevallen. Er wordt dus ook vaak niet gemeld omdat mensen niet goed weten of ze wel of niet gediscrimineerd zijn. Als respondenten zelf wel zeker weten dat ze gediscrimineerd zijn, dan zijn ze bang dat anderen dit anders zien. Een respondent zegt hierover: “Toen was ik er echt van overtuigd dat wanneer je een melding doet, dat je het echt zwart op wit moet hebben, dat je bewijs hebt [van discriminatie]. Daar kan het wel wat laagdrempeliger in, dat je daar heel helder in bent. Dat je ook als je een vermoeden hebt kan bellen en in gesprek kan gaan met iemand.” Focusgroep discriminatie op grond van afkomst, respondent 3

Movisie •

50

Mensen melden dus ook niet omdat ze geen bewijs hebben en denken dat je zonder bewijs niet kan melden. Het loopt namelijk veelal uit op een welles/nietes discussie, zo vertelt een respondent. Discriminatie is veelal ook lastig te bewijzen. Dit weerhoudt mensen ervan om een melding te maken. Hierbij komt dat ervaringen met discriminatie zich lang niet altijd beperken tot één discriminatiegrond maar dat dit vaak wel wordt gevraagd om er melding van te kunnen doen, zo noemen enkele respondenten. Denk hierbij aan een moslima van kleur: de discriminatie-ervaring kan gaan over haar religie, huidskleur of vrouw zijn. Dit is niet altijd duidelijk.

3.5. Gebrek aan informatie Verschillende respondenten benoemen hierbij ook dat zij als kind discriminatie hebben ervaren maar toen helemaal geen weet hadden van de mogelijkheid tot melding. Sommige respondenten horen zelfs voor het eerst van het ADV in de focusgroep of het interview: “Ik heb nog nooit gehoord van een meldpunt bij de gemeenten in al die negen jaar dat ik hier woon.” Focusgroep discriminatie op grond van afkomst, respondent 1 Enkele respondenten geven aan geen melding te maken van hun discriminatie ervaring, omdat degene die de klacht opneemt onbekend is met de ervaren discriminatie. Dit geldt vooral voor de discriminatiegrond validisme. Er heerst dan handelingsverlegenheid bij degene bij wie je een klacht indient. Maar het is voor de meeste respondenten met een beperking vaak ook niet bekend dat een ADV zich ook inzet voor deze discriminatiegrond. Het algemene beeld heerst dat een ADV zich voornamelijk inzet op discriminatie op basis van huidskleur, religie of seksuele oriëntatie. Een respondent vertelt dat ze een keer een folder in de bus kreeg van het antidiscriminatiebureau en daarvan onthouden heeft dat je daar enkel discriminatie op grond van afkomst of seksuele voorkeur kan melden en dat het ADV er niet voor haar is.

3.6. Niet persoonlijk Enkele respondenten vertellen dat ze niet hebben gemeld of daar moeite mee hadden omdat ze het niet de persoon wilde aanrekenen die discrimineerde. Ze zien de persoon als onderdeel van een discriminerend systeem: “Ik wil geen klacht indienen over mensen en dergelijke omdat er volgens mij veel dingen mis zijn in het systeem als geheel. Het gaat niet over een persoon.” Respondent 14 Een andere respondent vertelt dat hij het de persoon zelf niet kwalijk neemt; die persoon voert enkel de regels uit en die regels zijn nu eenmaal discriminerend.

3.7. Gebrek aan vertrouwen Verschillende respondenten melden dat ze geen vertrouwen hebben in een ADV. Sommige zien een ADV als een verlengstuk of onderdeel van de overheid. De klacht met betrekking tot discriminatie gaat juist vaak over die overheid. Respondenten zien het vaak niet zitten om te melden bij – voor hun gevoel- diezelfde overheid.

Movisie •

51

“Dat de gemeente opdracht geeft aan nieuwe gebouwen, maar die gewoon niet toegankelijk zijn. Dat bedoel ik met de overheid die zegt A maar doen B. Ze keuren hun eigen vlees.” Focusgroep discriminatie op grond van beperking, respondent 2 De overheid wordt sowieso weinig vertrouwt door de meeste respondenten. “Hoe de overheid hier nu mee omgaat verergert het alleen maar. Belangrijk is het dat de overheid voldoet aan de afgesproken verdragen, maar ook gewoon gaat doen, zeg maar niet de hele tijd alleen zitten en praten. Doen in de praktijk.” Respondent 8 Voor de respondenten is het dus een dilemma dat het juist de overheid is die volgens hen discrimineert en dat zij bij een – in hun ogen – overheidsinstelling hier een klacht over kunnen indienen. Ze hebben het gevoel dat een ADV niet onafhankelijk opereert en dienen daarom geen klacht in.

4.1. Verhaal gehoord maar niets opgelost In feite hebben alle respondenten die een melding hebben gemaakt bij een instantie een negatieve ervaring. Hun probleem is niet opgelost. Er is niets verandert in hun situatie door de melding, zo ervaren de respondenten. Een respondent vertelt over de melding die haar man deed bij een ADV en dat ze er niets meer van terug hoorde. Bij een andere respondent is de zaak wel degelijk opgepakt door de ADV maar veranderde er uiteindelijk niets voor de gedupeerde: “Eigenlijk heb ik maar één keer gemeld. En ik merk dat er nou niks uitkomt. Ja, want de organisatie, de discriminatie medewerker die neemt dan contact op met het bedrijf of organisatie: de persoon die mij heeft gediscrimineerd. En ze ontkennen alles en op basis daarvan krijg je een welles nietes discussie en er wordt weer van ja ‘mevrouw is niet Nederlands, ze spreekt niet zo goed Nederlands, ze woont zelf niet lang in Nederland, ze krijgt bepaalde dingen niet mee, maar was niet onze bedoeling geweest of dergelijke’. Dus, het heeft geen zin”. Respondent 11 Een van de respondenten trekt de vergelijking met slachtofferhulp: “Ja laagdrempelig en toegankelijk zijn ze, maar ze doen niks. Kijk naar slachtofferhulp: daar word je geholpen. Bij een ADV niet. De nazorg is nul.” Focusgroep discriminatie op grond van afkomst.

Respondent 5 Een van de respondenten geeft aan erg tevreden te zijn met het vervolg van de melding en het resultaat dat er mee bereikt is. Deze melding was gedaan bij het CRM. Het CRM heeft contact gezocht met de pleger, die heeft diens verantwoordelijkheid gepakt en de situatie veranderd. Niet alleen bij ADV’s maar ook bij andere meldpunten missen de respondenten actie. Ook missen respondenten dat ze als melder veelal niet op de hoogte worden gehouden van het proces, het vaak erg lang duurt. Het duurt soms zelfs zo lang dat de melder er zelf achteraan is gegaan. Of ze worden voor hun gevoel van het kastje naar de muur gestuurd. Wel vonden sommige respondenten het fijn dat bij meldpunten hun verhaal werd aangehoord. Van hen zijn de meesten positief:

Movisie •

52

“Door Bureau discriminatiezaken, ja ja, die waren echt heel, heel erg goed. Alleen het feit dat iemand zo uitgebreid de moeite neemt om naar je te luisteren”. Respondent 3 Maar dat geldt niet voor alle respondenten. Een respondent vertelde bijvoorbeeld dat hij de empathie miste vanuit de ADV.

4.2. Negatieve ervaringen bij de politie Negen respondenten hebben melding gedaan bij de politie. Wanneer de respondenten een melding hebben gedaan van hun discriminatie-ervaring is dit voornamelijk gedaan bij de politie. Dit wordt door iedereen als iets negatiefs ervaren. Een respondent vertelt dat hij de politie heeft gebeld nadat de ruit van zijn raam is vernield. Hij durft zijn huis niet uit omdat hij niet weet of de daders binnen in zijn huis zijn. Hij hoopt dus dat de politie komt, maar die komt niet: “Dus ik heb de politie meteen gebeld. Maar dat ging zo slecht. Het ging puur over administratie werk, puur over de vergoeding voor de kosten van de verzekering van de raam. Ik wist het niet, wat moet ik doen? Moet ik nu naar binnen of niet? [..] Ik was gewoon bang”. Focusgroep discriminatie op grond van seksuele voorkeur en genderidentiteit, respondent 1 Bij aankomst bij de politie wordt namelijk veelvuldig afgeraden om een melding te doen en degene met een discriminatie ervaring wordt niet serieus genomen. Ook vertellen respondenten ervaringen waarbij zij als gedupeerde zelf de schuld krijgen of dat de politie aangeeft dat het ‘hoort bij de risico’s’.

4.3. Toegankelijkheid Verschillende respondenten ervaren het als onprettig dat er een specifieke manier is waarop er melding moet worden gedaan: bijvoorbeeld alleen telefonisch of juist schriftelijk. Zo ervaarde een van de respondenten het als drempel om een melding te maken omdat het via een telefonisch gesprek moest. Deze respondent had het graag via een chatfunctie gezien. Dit komt overeen met een andere respondent die graag ziet dat het melden informeel kan gebeuren. Nu komen er vaak administratieve verplichtingen bij, wat sommige mensen ervan kan weerhouden om een melding te maken. Een van de respondenten vertelt dat hij zijn verhaal op papier moest zetten bij het antidiscriminatiebureau. Vanwege zijn dyslexie vindt hij dat erg moeilijk. Het was echter de enige mogelijkheid om zijn verhaal te doen. “Zo'n meldpunt moet ook letterlijk toegankelijker worden. De taal op de website moet simpeler. Ja, we hadden het net over dyslexie, er zit bijvoorbeeld ook geen voorleesknop. Je kunt niet tegen mensen zeggen ‘ja, stuur me alles in een e mail naar mij’. Dat werkt niet zo. Want ik heb dyslexie en hoe moet ik dat is allemaal schrijven? En wat als ik geen Nederlands ken? Wat doe je met al die mensen? Ik ben student en ik vind het lastig om dit te doen. Vanwege mijn dyslexie. Ik zou het niet doen en het zou mij niet verbazen als veel andere mensen het niet doen.

Als Nederlands niet je moedertaal is… Die kiezen van ja boeien, ik ga het niet doen”. Focusgroep LHBT, respondent 1

Movisie •

53

Deze respondent heeft veel gewerkt met mensen die Nederlands als tweede taal hebben en verwachten dat een van de redenen is waarom er weinig meldingen worden gedaan. Een andere respondent geeft aan dat het wat haar betreft wenselijk zou zijn om niet heel de stad door te moeten om naar een meldpunt te gaan, maar dat melden dichtbij mogelijk zou moeten zijn.

PARAGRAAF 5: VERBETERING MELDPROCES Respondenten hebben veel ideeën over hoe het meldproces beter kan. Zo wordt er genoemd dat het volgens meerdere respondenten belangrijk is dat een ADV onafhankelijk is en dat medewerkers geen belangen hebben bij andere organisaties. En volgens verschillende respondenten is het belangrijk dat ADV door heel Nederland hetzelfde is georganiseerd: er mogen geen regionale verschillen zijn tussen het melden van een discriminatie ervaring bij de ene ADV en bij de andere ADV. Hieronder noemen we de andere belangrijke verbeterpunten die de respondenten noemen.

5.1. Meldingen die voor verandering zorgen Het gros van de respondenten geeft aan dat het belangrijk is dat een ADV ook echt verandering teweeg kan brengen. Een van de respondenten noemt dit “slagkracht” en een andere “een actiegerichte aanpak”: “Maar ook echt concreet waarin ze iemand kunnen helpen. Het moet ook heel duidelijk zijn bij wat voor een problemen zo’n bureau de helpende hand kan bieden”. Focusgroep beperking, respondent 1 “Maar vooral een actiegerichte aanpak, denk ik. Dat was voor mij echt enorm waardevol geweest. Er waren genoeg plekken waar ik een luisterend oor zeg maar kon krijgen. Maar ja daar had ik zelf gewoon weinig aan, want ik wilde gewoon zo graag dat er actie werd ondernomen”. Respondent 7 Er worden verschillende opties genoemd van wat een ADV concreet kan doen: het aanspreken van de pleger, bemiddelen met de pleger of gewoon een gesprek organiseren met de pleger komen allemaal langs. Het hoeft dus niet per se strafrechtelijk te zijn. Zo zegt een van de respondenten: “Maar de slachtoffers die moeten ook ja nogmaals, die moeten het gevoel krijgen dat ze gehoord worden en dat er acties zijn ondernomen. En dat moeten dan ook acties zijn die recht doen aan degekwetstheid die zij hebben ervaren. En dat hoeft niet per se in strafrechtelijke vorm. Echt niet.

Maar wel dat kan, dat kan ook doordat iemand bijvoorbeeld op de werkvloer wel eventjes een goed gesprek voor zijn kiezen krijgt. En dat die dan niet alleen maar een goed gesprek krijgt, maar dat die dan ook gewoon eventjes weet van ‘nou ja, goed, vanaf nu word je in de gaten gehouden’”. Respondent 6 Wanneer er een melding wordt gemaakt dan zou daar opvolging aan moeten worden gegeven, zo denken de respondenten. Het moet dus daadwerkelijk zin hebben om een melding te maken en er moeten consequenties aan verbonden zitten voor degene tegen wie ze een melding maken. Een antidiscriminatiebureau moet dus aantonen dat melding maken zin heeft en dat het dus effect heeft. Hierbij

Movisie •

54

kan op een creatieve manier gecommuniceerd worden wat het resultaat is van het doen van een melding. Een van de respondenten zegt hierover: “Het meldpunt discriminatie kan bijvoorbeeld ook echt soort van succesverhalen delen met mensen op de website of in de vorm van een blog dat dat ze ook wel laten zien van hé, ‘we doen echt dingen en we volgen het echt op en we luisteren echt naar mensen’ in plaats van alleen maar zeggen, ‘ja we zijn er voor je kom als je een klacht hebt’. Maar dat ik aan de buitenkant niet kan zien dat er ook echt iets mee wordt gedaan, want je bent gewoon super wantrouwig. Zeker als je jarenlang slachtoffer bent”. Respondent 12 Belangrijk hierbij is dat een brede doelgroep bereikt kan worden, vinden de respondenten.

5.2. Laagdrempelig Het bereiken van een brede doelgroep kan bereikt worden door proactief contact te zoeken met de gemarginaliseerde gemeenschappen, zo denken verschillende respondenten. Een ADV zou outreachend te werken kunnen gaan om groepen mensen te bereiken die veelvuldig te maken krijgen met discriminatie, zo wordt gedacht. Dit zorgt ook voor meer naamsbekendheid van een ADV, mensen weten dan beter waar ze terecht kunnen wanneer ze een ervaring hebben met discriminatie. Door proactief te opereren als ADV kan je ook de verantwoordelijkheid van het doen van een melding wegnemen bij de gedupeerde, zo noemen verschillende respondenten. Andere ideeën die worden genoemd om de bekendheid van het Antidiscriminatiebureau te vergroten is een landelijke campagne. Ook de vindbaarheid op internet moet verbeterd worden vinden verschillende respondenten. “Ik heb even een vraag hier, het ADV. Ik heb daarvan voor het eerst gehoord en ik ben wel iemand die heel handig is met Google en met search terms. En hoe ga je om met discriminatie, waar moet je dat melden? En Ik heb eigenlijk nog nooit in geen enkele search operatie, ook bij de gemeente, nooit het ADV gezien en ik werk al wel al twee jaar In de gemeente, dus ik ben echt benieuwd wie daar bij ons in de gemeente [mee bezig is], want ik ben heel sociaal.

Ik ken bijna van alle afdelingen.” Respondent 6 Verschillende respondenten geven als aandachtspunt mee dat het niet alleen gaat om duidelijk maken waar je kan melden, maar ook om te vertellen wat discriminatie is. Een van de respondenten vertelt bijvoorbeeld dat hij vermoedt dat mensen vaak niet door hebben dat ze gediscrimineerd worden. De laagdrempeligheid zit er ook in dat mensen een melding kunnen maken van ervaren discriminatie wanneer zij een vermoeden hiervan hebben. Dit sluit aan bij het punt dat mensen niet altijd weten of het daadwerkelijk gaat om discriminatie, maar het wel zo ervaren.

5.3. Ondersteuning Wanneer er een papieren of digitale melding gemaakt moet worden, vinden verschillende respondenten het wenselijk dat er ondersteuning wordt aangeboden in dit proces.

Movisie •

55

“En ik zag vooral heel veel trans vrouwen die inderdaad geen aangifte hadden gedaan om veiligheidsredenen. Ik denk dat het goed is als iedereen- en dat maakt me niet uit vanuit welke instantie of wat dan ook- de mogelijkheid krijgt om in ieder geval ergens een soort buddy te vinden nog voor het meldproces. Zodat je je angsten met iemand kunt bespreken en dat je op een gegeven moment met iemand samen dat meldproces in kunt gaan. Iemand die er voor jou is, die vertrouwelijk met wat je vertelt omgaat, maar die met je meedenkt en zorg dat je dus niet overal alleen heen gaat. Er zijn te veel met name trans vrouwen die zitten echt in de grootste gevarenzone. Er zijn er te veel die er min of meer alleen voor staan. Dus ik denk dat dat een goede zou zijn.” Respondent 3 Het gaat dus dan niet over melden bij een ADV maar ook juist over het melden bij instanties of de politie. Dat is vaak een zwaar proces voor de melder, maar ook qua leveren van bewijslast kan een ADV een grotere rol spelen, zo denken verschillende respondenten. Deze ondersteuning willen de respondenten ook bij het confronteren of bemiddelen met de pleger.

5.4. Nazorg Meerdere respondenten zien ook graag dat de instantie waarbij ze een melding maken, aanbevelingen doen voor nazorg. De ervaring met discriminatie kan veel doen met de gedupeerde en hulp is vaak gewenst, zo is veelal de ervaring van de respondenten: “Misschien maatschappelijk werk of sociale werk diensten, maar ook gewoon dat er een soort van plek is waar mensen gewoon terecht kunnen waar ze kunnen praten over dit onderwerp. Ik denk dat dat een hele laagdrempelige manier is van dingen verwerken voor iemand zonder dat er echt per se een psycholoog of zo te pas komt watook al niet makkelijk is met de wachtrijen die er nu zijn.” Respondent 12 Een andere respondent doet de suggestie dat antidiscriminatiebureaus mensen in contact met elkaar kunnen brengen die dezelfde vorm van discriminatie hebben ervaren; een soort steun/support groepen voor gedupeerden van discriminatie. Verschillende respondenten zoeken dus eigenlijk meer ondersteuning voor het omgaan met het levenslang gediscrimineerd worden en ervaringsdeskundigheid wordt hier vaak wenselijk bij geacht.

5.5. Informatie over het proces Wat meerdere respondenten ook belangrijk vinden is dat de melder op de hoogte wordt gehouden van het proces van de melding. Welke acties zijn ondernomen en welke acties volgen er nog? Het doen van een melding en het proces daarna kan lang duren. De melder vindt het hierbij belangrijk dat ze weet hebben van de stand van zaken. “Toen zei die klachtbehandelaar ik ga ermee aan de slag, en nu twee à drie maanden later heb ik er niets van gehoord. Ik heb hem twee weken geleden gemaild met de vraag naar de stand van zaken, nog steeds geen reactie.” Respondent 1

Movisie •

56

Ook als er uiteindelijk niks wordt gedaan met de melding is het prettig voor de melder hier terugkoppeling op te krijgen. Zo zegt een van de respondenten: “Laat zien van nou, we gaan daar echt iets mee doen en we gaan onderzoek doen. Of ja, waar hebben, maar niet dat je het gevoel geeft van oh ja, nou, we schrijven het ergens op en we bellen wel een keer en maar eigenlijk liever niet want we geloven je niet.” Respondent 12 Hierbij geven enkele respondenten aan dat een protocol/procedure vanuit de ADV een rol kan spelen. Dus dat duidelijk is wat het proces is van het doen van een melding en het verloop van dat proces.

5.6. Eisen aan de klachtbehandelaar Melders willen ook het gevoel hebben dat ze serieus worden genomen door de instantie waar ze een melding maken. “Dus luister naar het verhaal en oordeel daar niet op”, zo zegt een van de respondenten. Meerdere respondenten geven ook aan zich graag te herkennen in de klachtbehandelaar. Ze willen graag voelen dat de klachtbehandelaar weet waar ze het over hebben. Verschillende respondenten geven hierbij aan dat ze graag ervaringsdeskundigheid zien bij de instanties waar ze een melding maken: “Denk dat dat ook wel een rol speelt, maar bijvoorbeeld ik weet dat hier allemaal hele klassieke witte boeren vrouwtjes zijn die bij het meldpunt werken dan denk ik ja, sorry, maar wat weet jij nou van dat onderwerp? Ja, je kan er wel een boekje over hebben gelezen, maar je hebt geen idee wat mensen meemaken. En als zo'n persoon inderdaad zegt van nou, misschien is jouw ervaring, dan denk ik, ja oké, dan sla je de plank totaal mis. Respondent 12 Een respondent geeft ook aan dat er geen willekeur mag zitten bij de klachtbehandelaars. Dus dat de klachtbehandelaar integer en bekwaam is. Ook wordt benadrukt dat een klachtbehandelaar onafhankelijk moet zijn en geen belangen mag hebben in andere organisaties, zoals een van de respondenten wel eens heeft meegemaakt.

Tot slot voegen de respondenten ook nog toe dat zij zich graag willen kunnen herkennen in de klachtbehandelaars. Ervaringsdeskundigheid bij klachtbehandelaars wordt erg gewaardeerd. Dit kwam niet zo zeer naar voren uit de Delphi-studie met experts maar vinden gedupeerden juist wél belangrijk.

PARAGRAAF 6: VOORSTEL NIEUW MELDPROCES In feite zijn alle respondenten het eens met het voorgestelde nieuwe meldproces. Zo benadrukken verschillende respondenten het belang van preventie en vooral scholen worden hierbij veel genoemd als partij die een mogelijk rol hierin kunnen spelen. “De basisscholen afgaan. Zorgen dat het gemeengoed wordt dat iedereen anders is. Voor alle minderheden”. Respondent 8

Movisie •

57

In het kader van preventie komen enkele respondenten met het idee van een keurmerk: organisaties of individuen krijgen een keurmerk van het antidiscriminatiebureau als zij goed werk maken van de aanpak van discriminatie, of krijgen een aantekening wanneer zij zich schuldig maken aan discriminatie: “Nou ja, niet per se een keurmerk, maar iets van een stempel waarmee de organisaties ook laten zien van kijk, wij werken samen met de antidiscriminatievoorziening. Dus als jij melding maakt [van discriminatie in onze organisatie], dan nemen wij dat ook serieus. Ik denk dat de drempel echt verlaagd zou worden.” Respondent 7 Een ander punt dat veel naar boven komt is dat ze daar graag aan willen toevoegen dat ze het belangrijk vinden dat de melder op de hoogte wordt gehouden van het proces van de melding. Dit wordt niet genoemd door de experts. Waar de experts niet zeker weten of er een bindend oordeel moeten komen, weten de gedupeerden in ieder geval wel zeker dat ze vinden dat er consequenties moeten zijn voor een pleger. Dat hoeft niet altijd een straf te zijn maar in ieder geval moet de pleger worden aangesproken, zo vinden de meeste respondenten: “Er moeten echt consequenties zijn voor wat je doet. Het is niet oké dat je iets doet en het moet niet als enige zijn ‘sorry, het was niet mijn bedoeling’. Je moet weten, er zijn consequenties. Je mag het er niet mee eens zijn.

Maar je mag mij niet als homo of joods of weet ik niet wat zo behandelen. Je moet accepteren dat ik besta”. Focusgroep discriminatie op grond van seksuele voorkeur en genderidentiteit, respondent 1 “Ik ben wel heel erg voor, om vanuit de onafhankelijke instantie te benoemen dat een instantie/persoon gediscrimineerd heeft. Welk gevolg je daaraan moet verbinden, ja er moet een gevolg aan zitten.” Focusgroep discriminatie op grond van afkomst, respondent 3 Een van de manieren om te zorgen voor consequenties voor de pleger die respondenten noemen is ‘naming and shaming’. Maar ook makkelijker gang en koppeling met aangifte doen bij de politie wordt genoemd.

SAMENVATTING UITKOMSTEN HOOFDSTUK 3 De respondenten vertellen zowel over ervaringen met discriminatie op institutioneel niveau als persoonlijk niveau. Vrijwel allemaal hebben ze een hele reeks aan ervaringen; discriminatie meemaken is niet zo zeer een incident maar meer een levenslange ervaring. Melding wordt dan ook vaak gedaan als voor de respondent een druppel de emmer doet overlopen; als deze weer opnieuw voor de zoveelste keer gediscrimineerd wordt of wanneer een ervaring zo ernstig is dat ze direct willen dat er iets verandert. Respondenten hopen door te melden dat de discriminatie stopgezet wordt. Of ze hopen met melden bij te dragen aan een grotere maatschappelijke verandering; aan een verandering gericht op meer rechtvaardigheid. Zeker ook met het oog op de volgende generaties. Ook is melden een manier om te laten zien aan zichzelf en/of de omgeving dat discriminatie niet geaccepteerd wordt.

Movisie •

58

De meeste respondenten melden echter niet en een van de belangrijkste redenen om dat niet te doen is de angst voor repercussies, zoals deangst om hun baan te verliezen of om geen rolstoel meer te krijgen via de Wmo van de gemeente als ze de discriminatie melden. En dat ze het gevoel hebben of ervaring hebben dat het doen van een melding geen zin heeft, dat er geen vervolg wordt gegeven aan het doen van een melding. Andere redenen zijn dat een melding te veel energie en emoties kost, omdat ze vrezen dat het lastig te bewijzen is of het zelf niet zeker weten, of omdat ze niet van het bestaan van een ADV wisten. Daarnaast moet de melder vaak de ervaring meerdere malen herbeleven, wat emotionele gevolgen kan hebben. De respondenten die wel hebben gemeld hebben vaak de goede ervaring dat hun verhaal wordt gehoord, maar het melden verandert weinig aan de situatie. Ook vinden de respondenten veelal dat ze slecht op de hoogte worden gehouden van wat er met hun melding gebeurt. Ook wordt het ADV ervaren als weinig toegankelijk. Zo heb je goede schrijf- en taalvaardigheden nodig om een melding te kunnen doen. Ook zien respondenten een ADV soms als verlengstuk van de overheid terwijl ze de overheid juist vaak ervaren als discriminerend. De respondenten zijn wel positiever over het ADV dan over de politie; daarmee hebben ze enkel negatieve ervaringen.

Om ADV’s te verbeteren hebben de respondenten diverse tips: laat de ADV’s zichzelf bekend maken in verschillende gemeenschappen, zorg voor nazorg of hulpverlening, geef informatie over het proces en maak gebruik van klachtbehandelaars in wie gedupeerden zich kunnen herkennen omdat zij weten wat de melder heeft doorgemaakt. Maar in het bijzonder willen gedupeerden dat ADV’s hun situatie kunnen verbeteren en daadwerkelijk iets kunnen doen aan discriminatie. Dat is ook de belangrijkste toevoeging die de gedupeerden doen ten aanzien van de conclusies van de experts (de Delphi-studie): dat melden zorgt voor consequenties voor de pleger. Dat hoeft niet altijd in strafrechtelijke zin, maar welzodat de pleger ‘er iets van merkt’. Een bindend oordeel benoemen verschillende gedupeerden als een goed plan. Omdat gedupeerden ook erg bang zijn voor represailles vanuit de pleger, is het zorgen voor consequenties voor de pleger maar tegelijkertijd de bescherming van de gedupeerden een complexe maar belangrijke uitdaging voor de toekomst. Ook willen gedupeerden zich graag kunnen herkennen in klachtbehandelaars en vinden zij ervaringsdeskundigheid op een ADV erg belangrijk.

Movisie •

59

SAMENVATTING EN CONCLUSIES In dit onderzoek is onderzocht hoe het meldproces bij antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) op dusdanige wijze worden ingericht dat melden een duidelijke meerwaarde heeft voor de gedupeerde. We hebben dit onderzocht op drie manieren: Via een literatuuronderzoek: waarbij (wetenschappelijke) literatuur is onderzocht. •

Via een Delphi-studie: experts is gevraagd om antwoord te geven op een vragenlijst, gebaseerd op het literatuuronderzoek. We hebben in twee rondes een vragenlijst voorgelegd aan de experts. Na de tweede ronde was er consensus tussen de experts.

•

Een kwalitatief onderzoek onder gedupeerden: hierbij hebben we 23 respondenten gesproken die discriminatie ervaringen hebben. In focusgroepen en individuele interviews hebben we besproken hoe zij denken dat het meldproces in elkaar zou moeten zitten.

De hoofdvraag is: Hoe kan het meldproces bij antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) op dusdanige wijze worden ingericht dat melden een duidelijke meerwaarde heeft voor de gedupeerde? Dit onderzoek betreft dus geen evaluatieonderzoek naar het functioneren van de ADV’s en het is ook geen reflectie op de huidige werkwijze van de ADV’s. Dit onderzoek kijkt voorruit: het is de bedoeling kennis aan te leveren die een bijdrage kan leveren aan een (ver)nieuwe(nde) visie op de ADV’s. Hieronder geven we een samenvatting van de hoofdvraag en vervolgens de deelvragen op basis van deze drie onderzoekscomponenten. Beantwoording hoofdvraag: Hoe kan het meldproces bij antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) op dusdanige wijze worden ingericht dat melden een duidelijke meerwaarde heeft voor de gedupeerde? Een grote groep mensen ervaart hun leven lang discriminatie (‘chronische discriminatie’ aldus het SCP). Zij hebben er behoefte aan dat deze discriminatie stopt. Melden doen zij wanner dat hulp oplevert die zorgt voor een wezenlijke verbetering voor henzelf of voor mensen in een vergelijkbare situatie. Idealiter spelen mensen die ervaring hebben met gediscrimineerd worden, dus ervaringsdeskundigen, een hoofdrol in het bieden van die hulp.

Voor gedupeerden is het melden en registreren vaak een bijzaak; dat melden en registreren kost hun vooral energie en stress (en uit eerder onderzoeken weten we dat dit de gezondheid kan schaden). Ze willen is dat er iets verandert en dat de discriminatie stopt/afneemt. Voor hen gaat het om een oplossing zoeken voor de onrechtvaardigheid die je leven belemmert. Dit is niet alleen voor henzelf maar ook voor anderen en zeker voor volgende generaties. Als het meldproces ingericht zou worden om tegemoet te komen aan mensen die (chronisch) gediscrimineerd worden dan zou een ADV een zeer slagkrachtige organisatie zijn die als missie heeft om discriminatie te stoppen en niet alleen om te registeren en bijstand te verlenen. Het registeren van incidenten sluit vaak ook niet aan bij de beleving van veel groepen mensen die chronisch gediscrimineerd worden. Dit komt doordat discriminatie een dagelijkse ervaring is die niet terug te brengen

Movisie •

60

is tot slechts enkele incidenten. De nadruk vanuit ADV ligt nu vaak op ‘heb je discriminatie ervaren? Kom het melden’ maar vanuit de gedupeerden bekeken sluit dat lang niet altijd aan. Dit komt doordat zij bijna iedere dag te maken met discriminatie. Je kunt moeilijk iedere dag of iedere week een melding gaan maken. Wanneer het meldproces ingericht zou zijn vanuit de behoefte van de gedupeerde dan zou het meer een boodschap zijn als ‘Kom bij ons want wij helpen de discriminatie die jij ervaart te verminderen en jouw positie en die van vele anderen, te verbeteren’. In de situatie dat het meldproces ingericht zou zijn op de gedupeerden, dan zou een ADV zichtbaar zijn in verschillende gemeenschappen die chronisch discriminatie ervaren. De ADV zou op die manier bij vrijwel iedereen die te maken heeft chronische discriminatie bekend zijn. Het zou dan niet alleen een slagkrachtig ADV zijn maar ook een zichtbare ADV. Om het meldproces volledig in te kunnen richten op de behoeften van gedupeerden, heeft de ADV middelen, bevoegdheid en expertise om ketenpartners nauw met elkaar te laten samenwerken en aan te sturen. Op deze manier zorgt dit ervoor dat er voor een gedupeerden een goede oplossing wordt gezocht; een oplossing die ervoor zorgt dat hun veiligheid wordt vergroot. Een van de belangrijkste redenen om nu niet te melden is de angst voor repercussies.

Als een ADV zou kunnen helpen met een veilige situatie te creëren voor de gedupeerde zonder repercussies, zou de drempel om te melden een stuk lager worden. Ook zou het helpen als de gedupeerde goede hulp krijgt aangeboden, zoals contact met ervaringsdeskundigen (dit kan bijvoorbeeld via zelforganisaties en actiegroepen). Idealiter zou de melding ook bijdrage aan de investering van een ADV aan preventie van discriminatie in het bijzonder op institutioneel niveau. Preventie en meldingen zouden dus meer aan elkaar gekoppeld moeten worden; een melding moet bijdragen aan een beter preventieaanbod. Als het meldproces ingericht is vanuit de behoefte van de gedupeerden, dan zou het niet vanzelfsprekend gericht zijn op het vast te stellen of er wel of niet gediscrimineerd is (met hoor en wederhoor) want gedupeerden vermoeden dat de meeste discriminatie niet te bewijzen is. Een onpartijdig oordeel vanuit een ADV is dus juist iets wat de drempel vaak verhoogt omdat gedupeerden niet zeker weten of het überhaupt discriminatie was. Veel discriminatie is immers ‘verpakt’ en lastiger te herkennen (zeker de zogeheten microagressies). En als mensen wel zeker weten dat het discriminatie was, dan twijfelen ze of het wel strafbaar is. Wanneer ze zeker weten dat het strafbaar was, dan vrezen ze dat niet te bewijzen is.

Gedupeerden zijn dus lang niet altijd op zoek naar een onpartijdig oordeel, maar vaak zijn ze ook op zoek naar iemand die aan hun kant staat en voor hen opkomt. Nu wordt een ADV nog soms gezien als een verlengstuk van de overheid. Juist bij de overheid hebben gedupeerden veel ervaring met discriminatie. Een ADV moet nog duidelijker een onafhankelijke positie hebben. Gedupeerden willen vaak dat een pleger wordt aangesproken. Het gaat herhaaldelijk niet om een straf maar wel dat de pleger ‘er iets van merkt’. Uiteraard vraagt dat nog de nodige doordenking over hoe voldaan kan worden aan deze wens. Mensen kunnen natuurlijk niet ‘stevig worden aangesproken’ op discriminatie wanneer niet eerst is vastgesteld dat er sprake is van discriminatie. Aanbevolen wordt om daarom verder te onderzoeken of en hoe gedupeerden juist geholpen zijn met bemiddelingsgesprekken of andere gesprekken. Waarin niet zo zeer voorop staat of het wel of geen discriminatie was en de schuld van de pleger is vastgesteld, maar de verbetering van de situatie van de gedupeerde centraal staat. Omdat verschillende ADV’s waarschijnlijk ervaring hebben hiermee, ligt het voor de hand om te onderzoeken hoe zowel gedupeerden als plegers dit traject hebben ervaren en of dit daadwerkelijk de situatie van de gedupeerde heeft verbeterd.

Movisie •

61

Opvallend is dat de wens tot een geheel ander ADV met name voortkomt uit de gesprekken die zijn gevoerd met gedupeerden. Zij schetsen samen een vrij ander en nieuw plaatje van een ADV; een ADV die tegemoetkomt aan de empowerment, gezondheid, veiligheid en gevoelens van rechtvaardigheid van het slachtoffer. Vanuit de experts komen minder aanknopingspunten voor een nieuwe visie op het ADV maar zij blijven in hun antwoorden dichter bij de huidige situatie. Waarin weinig vernieuwing is. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de experts vaak onderdeel zijn van het huidige stelsel.Zij werken bijvoorbeeld bij een ADV of andere instantie waar je een melding kan maken. Het is mogelijk moeilijk om een out of the box visie op het meldproces te geven wanneer je er zelf onderdeel van bent. De gedupeerden daarentegen kijken met geheel frisse blik naar het meldproces en wanneer hun antwoorden gezamenlijk worden geanalyseerd komt hier een geheel nieuwe visie op het meldproces uitgerold Vraag 1: Hoe ziet het huidige meldproces bij de ADV’s en de huidige infrastructuur van het meldproces eruit? In Nederland is er een breed scala van antidiscriminatiewetgeving. Voor het lokale beleid is vooral de Wga van belang. Die stelt dat iedere gemeente ervoor zorgt dat gedupeerden melding kunnen doen van discriminatie en dat zij bijstand (hulp) krijgen. . Hoe deADV ingericht is, is per gemeente verschillend.

Sommige ADV’s zijn bijvoorbeeld zelfstandig, anderen zijn onderdeel van een andere organisatie, zoals een welzijnsorganisatie en sommige zijn lokaal en andere regionaal. In iedere gemeente is de ADV financieel afhankelijk van de gemeente. Definanciering van de ADV’s gaat via een jaarlijks wisselend richtbedrag van het Gemeentefonds. Dit betekent dat de financiering van een ADV afhangt van de mate waarin de gemeente het noodzakelijk vindt om discriminatie aan te pakken. Als een gedupeerde discriminatie komt melden dan luistert een klachtbehandelaar naar het verhaal van die persoon en gaat na of die persoon meer wil dan alleen melden. Door bijvoorbeeld een oordeel te vellen vanuit de ADVof het discriminatie is door middel van ‘hoor en wederhoor’ met de beschuldigde partij. Onbekend is hoe vaak dit proces wordt gestart, of de discriminatie wordt vastgesteld, of de pleger het gedrag aanpast etc. Bekend is wel het aantal klachten en meldingen (in 2021 ontvingen de ADV’s bijna 7000 klachten), maar niet wat er met die meldingen en klachten gebeurt. Behalve bij een ADV kan er ook een melding worden gemaakt bij de politie (die ook tot strafvervolging kan overgaan), het bij College van de Rechten van de Mens (die een niet bindend oordeel kunnen geven), bij de Ombudsman en Kinderombudsman. Het SCP spreekt dan van registratieinstanties.

Slechts een klein deel van de discriminatie ervaringen komt terecht bij een registratie-instantie (3% aldus het SCP). Vaker wordt gemeld bij de instantie waar de discriminatie heeft plaats gevonden. Dat hebben we ook gezien in de focusgroepen en interviews die we hebben afgenomen. De meeste respondenten melden niet bij een ‘registratie-instantie', maar bij de instantie waar de klacht over gaat. Daarnaast wordt het soms gemeld bij alternatieve meldpunten en bij de politie. Over de ervaring van het melden of aangifte doen van discriminatie bij de politie zijn vrijwel alle respondenten ontevreden. Vraag 2: Wat zijn beweegreden voor gedupeerden om wel of niet te melden? Het ontbreekt aan een structureel onderzoek per ADV onder de melders. Er is dus geen inzicht per ADV waarom mensen melden en hoe ze dat hebben ervaren. Wat wel bekend is uit de literatuur is dat landelijk gezien, melders van discriminatie bij de verschillende meldpunten in het algemeen tevreden zijn. Inhet bijzonder zijn ze tevreden over het aanhoren van het verhaal en iets minder over dat de discriminatie ook

Movisie •

62

stopt. Hun behoeften zit vooral in gehoord worden, in het zorgen voor consequenties voor de pleger en het stoppen van de discriminatie. Daarentegen zijn er weinig mensen die discriminatie melden. Hiervoor zijn diverse redenen; niet afweten van het bestaan van een ADV, niet zeker weten of het discriminatie is, er van uit gaan dat het niet leidt tot verandering, gewenning aan discriminatie, te pijnlijk en energie- en stressverhogend, angst voor de gevolgen, angst om niet serieus te worden genomen, gebrek aan vertrouwen en schuld- en schaamtegevoelens. Ook kan het zijn dat melden niet goed aansluit bij de copingsstrategie die ze hebben ontwikkeld om, om te gaan met discriminatie. Uit de focusgroepen en interviews komt naar voren dat melding vaak wordt gedaan als voor de respondent een druppel de emmer over doet lopen; als ze weer opnieuw voor de zoveelste keer gediscrimineerd worden. Respondenten hopen door een melding te maken, de discriminatie gestopt wordt. Of ze hopen bij te dragen aan een grotere maatschappelijke verandering; aan een verandering gericht op meer rechtvaardigheid. Zeker met het oog op de volgende generaties. Ook is melden een manier om te laten zien aan zichzelf en/ of de omgeving dat discriminatie niet hoeft te worden geaccepteerd. De meeste respondenten melden echter niet.

Een van de belangrijkste reden komt overeen met die uit de literatuur; ze denken dat het geen zin heeft om te melden. Het beeld is dat melden weinig verandert aan hun situatie. Wat anders is dan uit de literatuur is dat de angst voor repercussies; bij de gedupeerden die wij hebben gesproken was dit het belangrijkste wat hen weerhield van melding. Ook komt duidelijk naar voren dat de respondenten niet altijd zeker weten of het (juridisch gezien) discriminatie is, Daarnaast vrezen ze dat wanneer dit wel het geval is , dat niet te bewijzen is. Wat ook naar voren komt is dat respondenten een ADV soms als verlengstuk zien van de overheid terwijl ze juist de overheid vaak ervaren als discriminerend. Deze uitkomst is nog niet in eerder onderzoek benoemd. In lijn met de literatuur spelen diverse factoren een rol om al dan niet te melden. Een afweging van de kosten en baten van een melding (‘Het heeft geen zin en kost veel energie’), invloed van psychologische factoren (‘Ik schaam mij’) en invloed van de bredere maatschappelijke factoren (‘mensen zoals ik mogen gewoon gediscrimineerd worden’). Hoe krijgen ADV’s meer meldingen? Om te zorgen dat er wel gemeld wordt, moetenADV’s met name zorgen dat zij de situatie van de gedupeerden echt kunnen verbeteren. Als gedupeerden merken dat door een melding er daadwerkelijke verandering optreedt, melden zij mogelijk eerder.

Ook zou er meer gemeld worden als de ADV’s de veiligheid van de gedupeerden zouden kunnen waarborgen. Dat betekent dat ADV’s de middelen, mogelijkheden en kennis zouden moeten hebben om repercussies vanuit plegers te voorkomen (denk aan het voorkomen dat je geen promotie krijgt, ontslagen wordt, dat je een steen door de ruit krijgt of uitgescholden wordt). Om de meldingsbereidheid te vergroten is het tevens zeer belangrijk dat de nadruk minder komt te liggen op het vaststellen van of er wel of niet juridisch gezien sprake is van discriminatie en op het aanleveren van bewijslast als slachtoffer. Dat bewijs is er niet en de gedupeerden is vaak ook niet zeker of de situatie nu wel of niet juridisch is toegestaan. Ook zou er meer gemeld worden als duidelijker is voor de gedupeerden dat een ADV onafhankelijk is van de overheid. Tot slot zou de meldingsbereidheid vergroot worden als een ADV – en wat hun meerwaarde is – bekender zouden zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://deventer.raadsinformatie.nl/document/12409486/1/Rapport_%E2%80%98Een_Antidiscriminatie-voorziening_moet_slagkracht_hebben%E2%80%99