CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Plan van Aanpak RES 2 0

Raadsbijeenkomst 21 mei 2024, gemeente Deventer13.296 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Plan van Aanpak RES 2.0

Datum: Onderwerp: Opsteller: Reviews:

Maart 2024 Plan van Aanpak RES 2.0 Matthijs van der Jagt Lize Beekman, Joris Benninga, Alwin Roest, Adviestafel, Coördinatiegroep (Cogro), Werkgroep Communicatie, Stuurgroep

Bijlagen:

1. Rol en samenstelling verschillende gremia 2. Presentatie OER (separaat document) 3. Memo ontwikkeling en implementatie OKE (separaat document) 4. Samenwerkingsconvenant (separaat document) 5. Overleg- en organisatiestructuur groot formaat (separaat document)

Inhoud 1.

Herijking RES 1.0 ............................................................................................................................. 3

1.1 RES 1.0 & voortgangsrapportage basis voor de herijking................................................................ 3 1.2 Toelich ng herijking......................................................................................................................... 3 1.3 Aanleidingen herijking RES 1.0 ........................................................................................................ 4 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................................................ 5 2.

Aanpak ............................................................................................................................................ 6

2.1 Uitgangspunten van onze aanpak ................................................................................................... 6 2.2 Hoofdac viteiten vanuit de RES rich ng RES 2.0 ............................................................................ 6 2.3 De kern van onze aanpak................................................................................................................. 7 3.

RES op regionaal niveau ................................................................................................................. 8

3.1 Wind ................................................................................................................................................ 8 3.2 Zon op land ...................................................................................................................................... 9 3.3 Zon op object ................................................................................................................................. 10 3.4 Warmte .......................................................................................................................................... 12 3.5 Regionale samenwerking: stabiel vooruit ..................................................................................... 14 3.6 Energiesysteem en -infrastructuur ................................................................................................ 15 3.7 Communica e & par cipa e......................................................................................................... 16 3.8 Monitoring..................................................................................................................................... 19 4.

RES ondersteuning op lokaal niveau ............................................................................................ 20

4.1 Ondersteunings- en Kenniscentrum voor Energie ini a even (OKE)............................................ 20 4.2 Lokaal eigendom & financiële par cipa e in projecten ................................................................ 20 5.

RES op na onaal niveau ............................................................................................................... 22

6.

Organisa e & Governance............................................................................................................ 23

6.1 Overlegstructuur ........................................................................................................................... 23 6.2 Organisa estructuur & Governance.............................................................................................. 26 6.3 Samenwerkingsconvenant............................................................................................................. 28 7.

Proces & planning ......................................................................................................................... 29

Bijlagen.................................................................................................................................................. 32 Bijlage 1: rol en samenstelling verschillende gremia........................................................................... 33

2

1. Herijking RES 1.0 1.1 RES 1.0 & voortgangsrapportage basis voor de herijking

Met het indienen van de Voortgangsrapportage Mei 2023 is de fase aangebroken waarin wij met elkaar gaan toewerken naar een RES 2.0 voor de regio Stedendriehoek. Wij pakken de handschoen op waar wij gebleven zijn. Dat staat uitgewerkt in RES 1.0, waarvan de kaders en afspraken van toepassing blijven tot de vaststelling van RES 2.0. Hieronder zijn enkele passages uit de Voortgangsrapportage herhaald die de doorstart richting RES 2.0 kernachtig markeren:  De RES 1.0 van de Regio Stedendriehoek is eind 2021 vastgesteld door alle betrokken gemeenteraden, Provinciale Staten en Algemeen Besturen van de waterschappen Vallei en Veluwe en Rijn en IJssel. Daarin is de ambitie en inspanningsverplichting opgenomen om in 2030 1,07 TWh duurzame elektriciteit per jaar op te wekken.  Het is nog te vroeg om te zeggen of we onze ambitie van 1,07 TWh hernieuwbare energie opwek in 2030 gaan realiseren. De inspanningen van gemeentes en provincie om de afspraken uit de RES 1.0 te verankeren in het lokale omgevingsbeleid zijn zichtbaar. Daarmee maken we de grootste stappen op de onderdelen waar we zelf sturingsmogelijkheden hebben. Deze vertalen zich in de plannen voor ‘Zon op land’ waarmee we op schema liggen. Een deel van de uitgewerkte plannen kan worden gerealiseerd maar er zal ook een deel te maken krijgen met de beperkingen die de netcongestie met zich meebrengt.

Realisatie van dit deel is alleen mogelijk door de opgewekte stroom bijvoorbeeld direct te verbruiken, op te slaan of om te zetten in andere energievormen en energiedragers.  Feit is dat de opgave voor ‘Wind’ en voor ‘Zon op object’ achter blijven op ons bod. De beperkingen die opgelegd zijn voor ‘Wind’ op en rondom de Veluwe vallen buiten onze invloedsfeer. Daarnaast hebben we op de ambities voor ‘Zon op object’ weinig sturingsmogelijkheden en moeten we inspelen op de transportcapaciteit van de energie infrastructuur. Bij de totstandkoming van dit Plan van Aanpak is ook de Ontwikkelagenda uit RES 1.0 meegenomen, met daarin de actiepunten die zijn voortgekomen uit de terinzagelegging van RES 1.0.

1.2 Toelichting herijking Tijdens het uitvoeren van de RES kunnen nieuwe inzichten ontstaan door: nieuwe lokale, regionale en landelijke ambities, innovaties in technieken of bronnen, of knelpunten bij de uitvoering. Deze kunnen leiden tot het aanpassen van de bestaande kaders in de RES 1.0 of het vaststellen van nieuwe kaders voor toekomstige ontwikkelingen. Dit leggen we vast in een RES Herijking 2.0 (vanaf nu te noemen RES 2.0), RES Herijking 3.0 (vanaf nu te noemen RES 3.0) en zo verder. Een RES herijking is dus hetzelfde als een volgende versie van de RES. Hierbij kan het zijn dat het bod wordt aangepast maar dit is niet per definitie het geval, bijvoorbeeld als er sprake is van een aangepaste energiemix of verdeling van zoekgebieden die wel leidt tot hetzelfde bod. De RES wordt herijkt:  bij verhogen of verlagen van het bod uit RES 1.0;  bij een andere balans tussen zon en wind;  bij nieuwe zoekgebieden die niet in RES 1.0 stonden;  bij vervallen van zoekgebieden die wel in RES 1.0 stonden;  bij detaillering van zoekgebieden uit RES 1.0;  bij keuze voor andere technieken dan zon en wind;  en/ of bij nieuwe regels/ normen die invloed hebben op de bedachte mogelijkheden.

3

RES regio’s bepalen zelf wanneer een herijking van de RES noodzakelijk is, met inachtneming van de Gelderse Provinciale Omgevingsverordening, die voorschrijft dat de RES minimaal iedere vier jaar moet worden herijkt met de volgende kanttekening: “mocht er geen aanleiding zijn om te herijken dan kan dit ook in regionaal (RES-)verband besloten worden.”

1.3 Aanleidingen herijking RES 1.0 Er zijn verschillende aanleidingen om de RES 1.0 te herijken. Allereerst het besef dat de energietransitie meer is dan een technische transitie. We gaan naar een nieuw energiesysteem en nieuwe technieken. Ons huis wordt anders verwarmd en onze energie komt van hernieuwbare bronnen. Maar de energietransitie is veel meer dan techniek. Het is vooral een maatschappelijke transitie waarbij we oog moeten hebben voor alle belangen. Van inwoners die invloed willen hebben op leefomgeving tot het eerlijk verdelen van de lusten en lasten. De oorlog in de Oekraïne en de afhankelijkheid van Russisch gas hebben pijnlijk zichtbaar gemaakt wat de impact van (plotselinge) hoge energieprijzen op de samenleving is. Ten tweede is er een enorme ruimtevraag: voor woningbouw, nieuwe bedrijventerreinen of de landbouwtransitie. Alleen door opgaven te combineren, kunnen we tot een oplossing komen voor deze grote vraagstukken. De RES is van oorsprong een sectorale strategie over de hoeveelheid hernieuwbare energie die we gaan opwekken, maar is daarmee niet op zichzelf staand te realiseren. In de regio werken we daarom steeds nauwer samen om opwek, energiebesparing en het energiesysteem integraal onderdeel van alle regionale opgaven te maken.

Ten tijde van het opstellen van de RES 1.0 werd duidelijk dat de wespendief grote invloed zou hebben op de mogelijkheden voor wind op en rond de Veluwe. Die inzichten worden verder ontwikkeld waardoor duidelijker wordt wat we voor 2030 kunnen realiseren in onze regio. Een vierde aanleiding voor herijking wordt gevormd door de netcongestie en het inzicht dat we toegaan naar een ander energiesysteem, dat bestaat uit een combinatie van centrale en decentrale elementen. We weten niet hoe het gaat worden, maar het vraagt onder meer om netverzwaring, opslag, innovaties en het bijeenbrengen van vraag en aanbod. Dat betekent ook maatwerk, samenwerken en op gebiedsniveau onderzoeken wat mogelijk is. Als vijfde heeft het Rijk in navolging van Fit for 55 (EU doelen) de ambitie voor 2030 bijgesteld naar minimaal 55% CO2-reductie. En heeft daarvoor steeds meer programma's in het leven geroepen die onderdelen van de energietransitie stimuleren, zoals Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), Programma Energiehoofdstructuur (PEH), Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK met provinciale versies P-MIEK), Cluster Energiestrategieën (CES over industrie), Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW) en natuurlijk NP RES.

Daarnaast, vers van de pers, is het normeringstelsel waar de RES mee te maken heeft in ontwikkeling met de ter inzage liggende landelijke milieunormen voor wind op land én de aangescherpte voorkeursvolgorde zon. Tot slot zijn er sinds de vaststelling van RES 1.0 zowel gemeenteraadsverkiezingen, als waterschapsen provinciale statenverkiezingen geweest, met nieuwe coalities en coalitieakkoorden als gevolg. De RES1.0 vormt de basis en het kader waarbinnen wij werken, deze is vastgesteld door de raden, staten en algemene besturen. Zowel in de stuurgroep vergadering na de gemeenteraadsverkiezingen als in het provinciale coalitieakkoord is bekrachtigd dat we ons houden aan RES 1.0.

4

Om onze gezamenlijke ambitie te realiseren is een herijking van de RES 1.0 nodig, die leidt tot een RES 2.0. Het opstellen van de RES 2.0 geeft ons de ruimte om eerder gemaakte keuzes te heroverwegen op grond van nieuwe inzichten en uitspraken te doen over het bod van 1,07 TWh. Als wij de aanleidingen voor de herijking, waaronder de netcongestie en de wespendief, combineren met de aangescherpte voorkeursvolgorde zon, de ter inzage liggende landelijke milieunormen voor wind op land én de nieuwe inzichten die de provinciale PlanMER trajecten gaan opleveren, realiseren wij ons dat gestanddoening van het RES 1.0 bod complex is, om daadkracht vraagt en gepaard zal gaan met de nodige bestuurlijke gesprekken in de stuurgroep en de colleges en een solide voorbereiding daarvan. Dit Plan van Aanpak geeft inzicht in de manier waarop wij op basis van de huidige informatie de weg naar een gedragen RES 2.0 voor ons zien.

1.4 Leeswijzer

De kern van onze aanpak is beschreven in hoofdstuk 2. Waar de RES zich in het verleden grotendeels afspeelde op strategisch niveau, zien we de afgelopen periode steeds meer dat de vertaalslag naar concrete projecten is/ wordt gemaakt. Deze verschuiving zal zich doorzetten. Gemeenten blijven daarbij verantwoordelijk voor beleid en uitvoering. Wel zien we dat de regionale samenwerking zich in een nieuwe fase bevindt. Dat vraagt andere ondersteuningsbehoeften vanuit de RES. Dit betekent dat we de komende periode de uitvoering meer zullen ondersteunen met kennis en expertise, zonder de opgave over te nemen. Tevens zien we dat ons energiesysteem verandert door de overgang van kolen, olie en gas naar duurzame bronnen van energie. Van centraal opwekken en verspreiden van energie, naar een mix waarbij we ook dichterbij duurzame energie lokaal opwekken en gebruiken. Vandaar dat in dit Plan van Aanpak, naast het doorzetten van de ‘regionale lijn’, die is uitgewerkt in hoofdstuk 3, ook de ondersteuning vanuit de RES op lokaal/ projectniveau is beschreven in hoofdstuk 4. Vanuit het Rijk zijn onlangs het Nationaal Plan energiesysteem (NPE) en het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) gepresenteerd. In hoofdstuk 5 gaan wij (kort) in op de activiteiten vanuit de RES op nationaal niveau. In hoofdstuk 6 komt de organisatie aan de orde en hoofdstuk 7 bevat het proces en bijbehorende planning.

De begroting volgt vanuit de reguliere begrotingscyclus en is daarom niet opgenomen in dit Plan van Aanpak.

5

2. Aanpak Onze aanpak in één zin: pragmatisch met focus op kansen en draagvlak zonder de realiteit uit het oog te verliezen en waarbij wij ons bod van 1,07 TWh blijven nastreven.

2.1 Uitgangspunten van onze aanpak      

Wij leggen de focus op wat wél kan (i.p.v. op wat niet kan). Wij werken vanuit kansrijke initiatieven met positieve energie en onderkennen dat er ook sprake zal zijn van en ingespeeld moet worden op weerstand. Hierbij geldt: veel (kansrijke) kleinere initiatieven maken één grote. Dit moet leiden tot het op gang brengen van een sneeuwbal effect. Wij gaan uit van de visie dat ‘de wereld verandert’: wij gaan door en laten ons niet afremmen door belemmeringen van nu (want die zijn straks (misschien) weer weg). Wij kiezen wel slim onze focus en sorteren daarmee gericht voor op wat komen gaat. Belangrijk uitgangspunt in onze aanpak blijft de inspanningsverplichting die wij in RES 1.0 zijn aangegaan om het bod van 1,07 TWh hernieuwbare energie opwek op land in 2030 te realiseren. Wij blijven daarom ook mogelijkheden voor grootschalige opwek verkennen en werken deze uit, met als vertrekpunt dat er sprake is van bestuurlijk (en maatschappelijk) draagvlak en dat integratie in de ruimte en het landschap mogelijk is net als een goede inpassing in het energiesysteem. Overige speerpunten in onze aanpak zijn: het leveren van regionale meerwaarde in strategievorming en uitvoering én het opstellen van RES 2.0.

2.2 Hoofdactiviteiten vanuit de RES richting RES 2.0

In onderstaande visualisatie staan de hoofdactiviteiten die vanuit de RES zullen worden ondernomen richting RES 2.0, geordend naar het niveau waarop ze zich afspelen: lokaal, regionaal en nationaal. De verdere uitwerking van deze hoofdactiviteiten is terug te vinden in de hoofdstukken 3 (regionaal), 4 (lokaal) en 5 (nationaal).

6

2.3 De kern van onze aanpak

In de kern komt onze aanpak erop neer dat we inzetten op kansrijke initiatieven met draagvlak, zonder de dagelijkse realiteit uit het oog te verliezen. Dat kunnen ‘grotere’ projecten zijn op regionaal niveau, zoals het OER traject voor verkenning van mogelijkheden voor duurzame opwek langs de A1/A50 of de ontwikkeling van nieuwe woon- of werkgebieden. Het kan ook gaan om ‘kleinere’ initiatieven uit de maatschappij op lokaal niveau (transitie van onderop), waarbij behoefte is aan ondersteuning om het project van de grond te krijgen. Deze ondersteuning verzorgen wij vanuit het ‘Ondersteunings- en kenniscentrum voor Energie initiatieven’ (OKE), dat uitgebreid wordt toegelicht in paragraaf 4.1. De ene keer betreft het een project voor duurzame opwek van elektriciteit op grote daken, in een volgend geval gaat het bijvoorbeeld over het toekomstbestendig maken van een bedrijventerrein of woonwijk, waarbij decentrale opwek, opslag en gebruik van elektriciteit perspectieven biedt om in te spelen op de netcongestie. Essentieel hierbij is dat er de komende periode een goede focus gekozen wordt in de te ondersteunen initiatieven, waarbij in de basis gekeken wordt naar de ondersteuningsbehoefte, de kansrijkheid en herhaal potentie binnen de regio.

De warmtetransitie en duurzame opwek vormen communicerende vaten, die elkaar in de praktische uitvoering van de energietransitie steeds vaker tegenkomen. In het verlengde van de eerste stappen die nu worden gezet vanuit het Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW) in samenwerking met het Nationaal Programma RES (NPRES), zal in het traject tot RES 2.0 in beeld gebracht worden hoe de (lokale) warmtetransitie en de RES samenhangen en hoe ze elkaar kunnen versterken. Daarnaast vertegenwoordigen wij vanuit de RES het energiesysteem in de integrale ruimtelijke planontwikkeling binnen de regio (Ruimtelijke Puzzel en Ruimtelijk Regioverhaal) enn zijn wij nauw betrokken bij de lopende PlanMER trajecten vanuit de Provincie Gelderland. Tot slot praten wij op nationaal niveau mee over het Nationaal plan energiesysteem, het Programma Energiehoofdstructuur en het in ontwikkeling zijnde normeringstelsel m.b.t. duurzame energie opwek en bijbehorende infrastructuur, om onze invloed uit te oefenen. NPRES en de andere RES regio’s zijn hierbij onze partners. Zodra nationale, provinciale, regionale of lokale ontwikkelingen consequenties hebben voor onze RES, bespreken en integreren wij deze en sturen wij bij.

Gegeven de netcongestie problematiek, de wespendief op en rond de Veluwe en andere recente ontwikkelingen, realiseren wij ons dat bijsturen nodig zal blijven en dat gestanddoening van het RES 1.0 bod voor 2030 enorm ambitieus is; ook bij de keuze voor een alternatieve energiemix. Tegelijkertijd maken de gevolgen van de klimaatverandering, onze eigen ruimtelijke- en woningbouw ambities en de huidige geopolitieke ontwikkelingen ons er dagelijks van bewust dat de Energietransitie niet mag vertragen. Dit Plan van Aanpak beschrijft hoe wij op een behendige manier inspelen op deze complexe situatie en context. Dit doen wij door in te blijven zetten op strategie- en beleidvorming in combinatie met de ondersteuning van initiatieven en projecten die bijdragen aan de Energietransitie binnen de Regio Stedendriehoek. Een pragmatische aanpak gebaseerd op kansen en draagvlak, zonder de realiteit uit het oog te verliezen. RES 2.0: Bij vaststelling van de RES 2.0 is een antwoord gegeven op de vraag of we de inspanningsverplichting die wij in RES 1.0 zijn aangegaan om het bod van 1,07 TWh hernieuwbare energie opwek op land in 2030 te realiseren, in stand kunnen houden. RES 2.0 bevat een goed onderbouwd (eventueel herijkt) bod.

7

3. RES op regionaal niveau 3.1 Wind

De opgave voor realisatie van windenergie in onze regio is uitdagend. Dit komt door de landschappelijke kenmerken van onze regio, de instandhoudingsplicht van (onder andere) de wespendief die op en rondom de Veluwe leeft en weerstand bij inwoners over hinder door windturbines. Opwek via wind blijven wij op het netvlies houden omdat dit bijdraagt aan een betaalbaar en evenwichtig energiesysteem. Door toe te werken naar een betere zon/wind verhouding kunnen we het energienet efficiënter gebruiken. Zon is vooral van april tot en met oktober overdag te benutten, wind ook in de andere maanden en in de nacht. Maatschappelijke kosten zoals verzwaring van de netinfrastructuur worden op deze manier ook beperkt, want zon vraagt ten opzichte van wind het drievoudige aan kosten voor aansluitcapaciteit om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken. De combinatie zon en wind op één kabel is ideaal want dit levert meer energie bij dezelfde aansluitcapaciteit. Windpark IJsselwind IJsselwind B.V. is in 2015 opgericht door de coöperaties ZutphenEnergie, BrummenEnergie, EnergieRijk Voorst en LochemEnergie. IJsselwind B.V. wil graag twee windturbines ontwikkelen aan weerskanten van het Twentekanaal, ten noorden van bedrijventerrein De Mars. Dit doet IJsselwind B.V. in nauwe samenwerking met het Waterschap Rijn en IJssel, die een windturbine in de buurt van Fort de Pol wil bouwen.

De drie windturbines samen staan bekend als ‘windpark IJsselwind’. Provincie Gelderland heeft in november 2022 besloten de vergunningen voor dit project te verlenen. De laatste stap, voordat gestart kan worden met de realisatie, is de uitspraak van de Raad van State. In het eerste kwartaal van 2024 verwachten wij dat de Raad van State uitspraak doet in de beroepsprocedure tegen de verleende vergunningen. Wanneer de vergunningen verleend worden kunnen de twee windturbines in 2025 gebouwd worden en begin 2026 energie opwekken.

8

Wij zien kansen voor verdere verkenning van mogelijkheden voor windenergie en hanteren daarbij de volgende handelingsperspectieven. Handelingsperspectieven:  Verkennen en inzetten van maatregelen die de negatieve effecten van de plaatsing van windturbines op de wespendief voorkomen of verminderen en zo windinitiatieven op en rondom de Veluwe mogelijk maken. Om deze reden zijn we nauw aangesloten bij de “provinciale PlanMER windbeleid en RES” en bij de “provinciale PlanMER wespendief en Windenergie Veluwe”. De uitkomsten en de mogelijke handelingsperspectieven die daaruit volgen worden besproken in de Cogro en Stuurgroep. Uitgangspunt hierbij is dat de belemmeringen op de Veluwe niet leiden tot een waterbedeffect elders in de regio. De Stuurgroep bespreekt welke gebieden verder uitgezocht worden op kansrijkheid.  De regio heeft zich aangemeld voor het OER-programma (Opwek van Energie op Rijksvastgoed). Met dit programma wil het Rijk eigen gronden structureel inzetten voor opwek van hernieuwbare energie. Dit biedt kansen voor energie-opwek die minder concurreert met ander gebruik zoals natuur, landbouw en andere maatschappelijke opgaven.

Samen met het Rijk gaan we verkennen welke rijksgronden langs en nabij rijkswegen A1 en A50 hiervoor geschikt zijn, met inachtneming van landschaps-, natuur-, cultuurhistorische waarden en architectonische kansen én passend in het omgevingsbeleid van de RES-partners in de regio (zie ook bijlage 1 memo OER). Naast mogelijkheden voor zonne-energie verkennen we met Rijkswaterstaat ook de mogelijkheden voor een mix met windenergie en onderzoeken we koppelkansen met de aangrenzende RES regio’s.  Conform de lokale besluitvorming stelt de gemeente Lochem haar beleid grootschalige opwek vast na de inwerkingtreding van de “nationale windturbinebepalingen leefomgeving”. De gemeente gaat wel op korte termijn aan de slag met dit beleid, zodat besluitvorming in de gemeenteraad aansluitend aan de inwerkingtreding van de nieuwe normen kan plaatsvinden.  De mogelijkheden voor toepassing van kleine en middelgrote windturbines in decentrale energiesystemen (verder) verkennen. Hierbij speelt de procedure rondom de ontheffing Wet Natuurbescherming een belangrijke rol.

3.2 Zon op land

Gemeentes hebben de inspanningsverplichting op zich genomen om de bestuurlijke afspraken in de RES 1.0 te verankeren in het lokale omgevingsbeleid. Een deel van de uitgewerkte plannen kan worden gerealiseerd maar er zal ook een deel te maken krijgen met de beperkingen die de netcongestie met zich meebrengt. Realisatie van dit deel is alleen decentraal mogelijk, bijvoorbeeld door de opgewekte stroom direct te verbruiken, op te slaan of om te zetten in andere energievormen en energiedragers. Er zijn voldoende plannen in voorbereiding voor invulling van ons bod op gebied van ‘Zon op land’, al weten we uit de praktijk dat een deel van deze plannen de eindstreep niet zal halen. Zeker gegeven de aangescherpte voorkeursvolgorde zon en het voornemen van de Provincie Gelderland om medio 2024 nieuwe regels op te stellen voor zon op land, die hiermee in lijn liggen. Daarom rekenen we ons niet ‘rijk’ voordat we met enige zekerheid kunnen zeggen dat een plan haalbaar is.

9

Uit de bestuurlijke overwegingen op weg naar RES 2.0 is naar voren gekomen dat het wenselijk is om meer ruimte te zoeken voor zon op land in kansrijke gebieden die niet concurreren met andere opgaven en/of dubbelgebruik mogelijk maken, zoals bijvoorbeeld de toepassing van Agri-PV. Dit sluit naadloos aan bij het principe ‘multifunctioneel gebruik van de ruimte’ dat de basis vormt voor de ‘aangescherpte voorkeursvolgorde zon’ van het ministerie van BZK en bij de Zonnebrief van minister Jetten. De ‘provinciale PlanMER windbeleid en RES’ analyseert naast windenergie ook zonne-energie en gaat inzicht geven in de mogelijkheden. Handelingsperspectieven:  Door ontwikkelen van ‘Zon op land’ beleid door gemeenten op basis van het kader in RES 1.0 en de nieuwe inzichten.  Vanuit het OER-programma, gaat de regio samen met het Rijk verkennen welke (rijks)gronden langs en nabij rijkswegen A1 en A50 geschikt zijn voor opwek van duurzame energie (zie ook paragraaf 3.1).  Samen leren van lokale ervaringen via het OKE. RES 2.0: Bij vaststelling van de RES 2.0 is een besluit genomen over de hoeveelheid duurzame opwek die zal worden opgenomen in het RES 2.0 bod door middel van zon op land. De onderbouwing hiervoor is op kaart geprojecteerd en wordt door betrokken gemeenten mogelijk gemaakt in hun omgevingsbeleid. In de loop van 2025 wordt inzichtelijk wat de potentie is van het OERproject.

3.3 Zon op object Het grootste deel van onze ambitie moet gerealiseerd worden via ‘Zon op object’. Groot voordeel voor de haalbaarheid van initiatieven voor deze vorm van opwek is dat dit nauwelijks omstreden is en geen nadelige effecten heeft op ons landschap. We moeten concluderen dat deze opgave achter loopt op ons bod. Dit heeft onder andere te maken met het veelal private eigendom van het betreffende vastgoed, ongeschikte dakconstructies, de verzekerbaarheid en netcongestie. Waar het eerder ging over ‘Zon op gebouw/ dak’ wordt nu gesproken over ‘Zon op object’. Breder kijken naar toepassing van zon in de gebouwde omgeving is één van de oplossingsrichtingen om dichter bij ons bod te komen. De andere oplossingsrichting is om toepassing van zonne-energie slimmer in te passen in het lokale energiesysteem. Vaak kan dat “achter de meter”, of met de buren. Ook kan nog verder worden uitgewerkt hoe ‘Zon op object’ beter kan worden gecombineerd met de warmtetransitie. Die oplossingen zijn kennisintensiever dan “gewoon” ‘Zon op dak’ maar leveren lokaal ook meer leveringszekerheid en meer prijszekerheid op voor inwoners en bedrijven. Ondanks de hindernissen heeft ‘Zon op object’ veel toekomstperspectief. Deze opwek vindt dicht bij de vraag naar energie plaats en heeft daardoor potentieel minder last van netcongestie.

Daarnaast is het maatschappelijke draagvlak voor ‘Zon op object’ groot. Tot slot zijn er veelbelovende ontwikkelingen in technologie en regelgeving die verdere groei mogelijk maken; zo wordt het mogelijk voor gemeenten om bij specifieke omstandigheden ‘Zon op dak’ te verplichten. Deze ontwikkelingen worden vanuit de RES gevolgd en indien passend ingebracht.

10

Landelijk is een aantal maatregelen genomen om vertraging voor de realisatie van ‘Zon op object’ te voorkomen. Deze maatregelen zijn:  Met ingang van 2023 is er geen (jaarlijks) plafond voor de SDE++ regeling (NB: de SDE++ loopt tot 2025 met de verwachting dat deze plaats zal maken voor een vervangende regeling).  De kosten voor dak verzwaring mogen meegenomen worden in een SDE+++ subsidieaanvraag.  Vanuit de branche en verzekeraars is gewerkt aan een preventieregeling voor ‘Zon op dak’. Het doel van de preventieregeling is dat verzekeraars randvoorwaarden stellen aan ‘Zon op dak’ zodat verzekering vaker mogelijk is.  In de Zonnebrief van minister Jetten van 6 juli jl. is aangekondigd dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om eigenaren van bestaande utiliteitsgebouwen met een gebruiksoppervlakte > 250 m2 te verplichten om de (volledige) dak potentie te benutten voor de opwek van zonne-energie.  Zonnepanelen op dak zijn toegevoegd aan de lijst met erkende maatregelen (EML). Handelingsperspectieven:  Om de kansen voor ‘Zon op object’ te benutten moet beter worden nagedacht over de te kiezen oplossing per gebouw of cluster van gebouwen. Daarvoor is meer samenwerking en informatie-uitwisseling nodig tussen overheden, netbeheerders, gebouweigenaren en aanbieders van energieoplossingen voor gebouwen.

Dit jaar willen we met onze partners in publiek private samenwerking een regionaal Ondersteuningsen Kenniscentrum voor Energie initiatieven (OKE) opzetten dat zich onder andere richt op het informeren en ontzorgen van de gebouweigenaren in deze opgave. Kans die wij hierbij gaan meenemen is het verkennen van mogelijkheden voor ‘Zon rondom de objecten’. Het OKE komt uitgebreid aan de orde in par. 4.1 en bijlage 3.  Om het ‘Zon op object’ deel van ons bod te realiseren is, zoals benoemd in de RES 1.0, inzet nodig op opslag van elektriciteit en innovatie om de netinfrastructuur zoveel mogelijk te ontzien. Hiervoor wordt intensief samengewerkt met het regionale programma ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen’, het Programma ‘Verduurzaming Bedrijventerreinen’ en Living Lab voor Smart Energy Hubs van Oost NL. Hierin werken we aan Smart Energy Hubs op bedrijventerreinen waar de opwek van en vraag naar energie onderling wordt gedeeld met oplossingen ‘achter’ de meter, zonder aansluitingen op het energienetwerk. Ook ontwikkelingen van nieuwbouwwijken bieden kansen om ‘Zon op object’ met opslag te combineren en voor het realiseren van lokale energienetten. De hierbij opgebouwde expertise en best practices brengen wij onder in het OKE.  Samen leren van lokale ervaringen via het OKE.

RES 2.0: Bij de vaststelling van de RES 2.0 is opnieuw onderzocht of de potentie voor ‘Zon op object’ (uit RES 1.0) haalbaar is voor 2030. Op basis hier is een goed onderbouwd besluit genomen over de hoeveelheid duurzame opwek die zal worden opgenomen in het RES 2.0 bod door middel van ‘Zon op object’.

11

3.4 Warmte

In onze regio moeten we ruim 5 TWh (ongeveer 18.000 TJ) aardgasverbruik vervangen door emissievrije warmteoplossingen voor 2050. Dat is de helft van ons huidige totale energieverbruik in de regio, en ongeveer de helft daarvan is voor verwarming van onze gebouwen. De warmtetransitie is dus een belangrijk onderdeel van de totale energietransitie. In de RES regio Stedendriehoek vinden we, in het verlengde van het Klimaatakkoord, dat de regie in de warmtetransitie op lokaal niveau ligt. Gemeenten hebben een integrale afweging gemaakt in de transitievisies warmte (TVW’s) tussen enerzijds technische mogelijkheden, ruimtegebruik en koppelkansen en anderzijds financiën en draagvlak. Voor de eerste wijken zijn al uitvoeringsplannen gestart. In de komende jaren zal ook de herijking / actualisatie van de TVW’s gaan lopen, die vóór 2025 moet zijn gerealiseerd. De consequenties voor de opwek van duurzame elektriciteit zullen vanuit de RES op de voet worden gevolgd. Aandachtspunt hierbij is of gemeenten inzetten op individuele en/ of collectieve warmteoplossingen. Deze keuze moet snel gemaakt worden omdat burgers vanwege hoge energiekosten steeds vaker eerder willen verduurzamen en kiezen voor een individuele oplossing; bijvoorbeeld voor (hybride) warmtepompen die conform de Kamerbrief van minister de Jonge de norm zullen zijn vanaf 2026.

Deze individuele oplossingen hebben vaak een flinke impact op het elektriciteitsnet en maken de business case voor een collectieve oplossing op termijn lastiger. Samenhang warmtetransitie & energiesysteem Daarnaast is goed om bewust te zijn van de samenhang van de warmtetransitie en het totale energiesysteem. De elektriciteitsbehoefte voor de warmtevraag zal veel groter zijn als warmtebronnen niet optimaal (kunnen) worden benut. Ook zijn opslag en buffering van warmte en optimale toepassing van biogas of groen gas vraagstukken die hun weerslag hebben op de behoefte aan duurzame opwek van elektriciteit. Dit speelt zich vooral af op lokaal niveau, maar is niet los te zien van de regionale samenhang in het energiesysteem. Net zo min als de ruimtevraag die hiervoor nodig is, ook een vraagstuk op regionaal niveau kan zijn. Regionale Structuur Warmte Onderdeel van de RES is de duiding van de regionale/ bovenlokale kansen voor de warmtetransitie. Dit wordt de Regionale Structuur Warmte (RSW) genoemd. In de RES 1.0 is voor onze regio een uitgebreide analyse gemaakt waar bovenlokale bronnen aanwezig zijn en waar aan de vraagkant zich grote warmteclusters bevinden.

Hieruit is gebleken dat er twee bovenlokale bronnen aanwezig zijn waar een restwarmte-verdelingsvraagstuk bestaat: de papierfabrieken in Loenen en Eerbeek (NB: papierfabriek de Hoop in Eerbeek heeft aangekondigd te gaan sluiten) en de afvalwaterleiding van de fabrieken van Friesland Campina in Lochem en Borculo. De benutting van de restwarmte uit de afvalwaterleiding van de fabrieken van Friesland Campina is door de gemeentes Lochem, Zutphen en Berkelland onderzocht en op basis van het onderzoek gegund aan kleinschalige lokale projecten in Berkelland en een grootschalig warmtenet in Zutphen. Binnen de regio Stedendriehoek is de werkgroep ‘Energietransitie en Warmte’ actief, die zich onder andere richt op de warmtetransitie. Formeel valt deze regionale overlegtafel niet onder de bevoegdheid van de RES, maar de werkgroep ‘Energietransitie en Warmte’ is wel de producteigenaar en hoeder van de RSW. Ten behoeve van de RES 2.0 ondersteunt deze werkgroep de actualisering van de RSW.

12

Handelingsperspectief: de RES vraagt aan de werkgroep ‘Energietransitie en Warmte’ om voor de RES 2.0 de volgende taken uit te voeren:  Een analyse maken van de zeven TVW’s op nieuwe informatie die vragen om een verrijking van de RSW (en het hiervoor zorgdragen).  Het verkennen van de bovenlokale impact op het energiesysteem bij uitvoering van de zeven TVW’s.  Een beeld geven van de stand van zaken rondom de bovenlokale warmtebron ter plaatse van de papierfabrieken in Loenen en Eerbeek.  Nader onderzoeken of er meerwaarde is voor regionale samenwerking op het gebied van aquathermie (IJssel) en geothermie en het formuleren van de scope, doelen en gewenste opbrengsten uit deze regionale samenwerking. Om invulling te geven aan de eerste drie bullets heeft de RES in samenwerking met de ‘Werkgroep Energietransitie en Warmte’ opdracht gegeven aan de ODV (Omgevingdsdienst Veluwe) om hiervoor een rapport op te stellen, waarvan de uitkomsten door de werkgroep zullen worden verwerkt in de herijking van de RSW.

RES 2.0: Bij vaststelling van de RES 2.0 zijn afspraken gemaakt over de verdeling van regionale warmtebronnen ter plaatse van de papierfabrieken in Loenen en Eerbeek en is in beeld gebracht welke mogelijkheden er bestaan voor regionale samenwerking op het gebied van aquathermie (IJssel) en geothermie, vóór 2030 en daarna. Tevens is op dat moment de bovenlokale impact op het energiesysteem bij uitvoering van de zeven TVW’s verwerkt in de RSW. De warmtetransitie en duurzame opwek vormen communicerende vaten, die elkaar in de praktische uitvoering van de energietransitie steeds vaker tegenkomen. In het verlengde van de eerste stappen die nu worden gezet vanuit het Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW) in samenwerking met het Nationaal Programma RES (NPRES), zal in het traject tot RES 2.0 samen met de werkgroep ‘Energietransitie en Warmte’ in beeld gebracht worden hoe de (lokale) warmtetransitie en de RES samenhangen en hoe ze elkaar kunnen versterken.

13

3.5 Regionale samenwerking: stabiel vooruit

De RES is gestart als een sectorale opgave binnen de regionale samenwerking. Na het vaststellen van de RES 1.0 is gewerkt aan het verbinden van de RES-opgave aan de andere regionale opgaven. Dit sluit aan op het integratieproces van de Strategische Board met de GR Cleantech regio naar de GR regio Stedendriehoek. Gedurende dit proces is gewerkt aan het Ruimtelijke Regioverhaal. Een verkenning waarin is onderzocht op welke wijze de verschillende ruimtelijke opgaven op gebied van woningbouw, mobiliteit, landbouw en natuurontwikkeling zich tot elkaar en de beschikbaar ruimte verhouden. Dit is een stroomversnelling gekomen door de provinciale opgave om tot een regionale aanpak te komen. Hiervoor wordt op dit moment de Ruimtelijke Puzzel uitgewerkt Binnen de regionale ruimtelijke ontwikkelingstrajecten spelen ook de energietransitie en het toekomstige energiesysteem een belangrijke rol. De verwachting is dat in 2029 de congestie op het hoogspanningsnet beheersbaarder is. Tot 2029 zijn er beperkingen ten aanzien van levering en terug leveringen. Dat vraagt om duidelijke en integrale keuzes voor 2030. Want hoe bewaak je anders de balans in de regio met meer woningen, meer werk, meer mobiliteit en dus een grotere energievraag? Al onze ambities zullen tot 2030 aanlopen tegen de netcongestie.

Grootschalige opwek zal daarom tot die tijd alleen kunnen plaatsvinden in combinatie met direct verbruik van de opgewekte energie of omzetting naar een ander medium of opslag. Belangrijk aandachtspunt in de regionale samenwerking is de planning van de integrale ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de inspanningsverplichting voor het RES bod voor 2030. De uitvoering van de RES en de energietransitie kan alleen succesvol zijn als de regio tot gezamenlijke en integrale ruimtelijke afwegingen komt. Niet alleen omdat de ruimte schaars is, maar ook om de sectorale opgaven zoals wonen, mobiliteit en het landelijk gebied, te laten inzien welke beperkingen en mogelijkheden het energiesysteem met zich meebrengt. In 2022 zijn we vanuit de RES gestart om dit te agenderen en mee te werken aan het Ruimtelijke Regioverhaal en de Ruimtelijke Puzzel. Voorstel (nieuw) handelingsperspectief: Vanuit de RES wordt de integratie van het (toekomstig) energiesysteem in de integrale ruimtelijke ontwikkelingsprocessen (Ruimtelijke Puzzel en Ruimtelijk Regioverhaal) geborgd. Vice versa worden uitgangspunten uit de integrale ruimtelijke ontwikkelingsprocessen op deze wijze geïntegreerd in de RES.

‘Onze’ afvaardiging in de ambtelijke werkgroep levert waardevolle input op voor het nader vormgeven van onze RES 2.0, door aan te sluiten bij de voorziene integrale ruimtelijke ontwikkelingen binnen de regio Stedendriehoek. Hierbij zal continu aandacht worden gevraagd voor de planning die nodig is om realisatie van het (eventueel herijkte) RES bod voor 2030 te halen. NB: voor bewustwording met betrekking tot de impact van het toekomstige energiesysteem is op initiatief van de Adviestafel tijdens de Regio Stedendriehoekdag van 6-9-‘23 de Masterclass ‘Wereld van B’ georganiseerd in samenwerking met NPRES.

14

3.6 Energiesysteem en -infrastructuur Ontwikkelingen TenneT In september 2021 heeft TenneT aangegeven dat in de provincie Gelderland de grenzen van de capaciteit op het hoogspanningsnet zijn bereikt voor het terugleveren van elektriciteit. Er is niet voldoende vermogen om alle grootverbruik-klanten op de wachtlijst te bedienen. De werkzaamheden om meer vermogen te kunnen verwerken worden op zijn vroegst tussen 2027 en 2029 door TenneT afgerond. In november 2022 heeft TenneT een vergelijkbare boodschap afgegeven voor het leveren van elektriciteit aan grootverbruikers. Voorlopig is het voor veel ontwikkelingen dus niet mogelijk om terug te leveren of om grotere of nieuwe aansluitingen mét vermogen te verkrijgen (aanvragen kan wel). Samenwerking met Liander Liander heeft begin dit jaar de Netimpactrapportage RES2022 opgesteld. Hierin staat een analyse van de situatie op de verschillende stations in 2030 en knelpunten. De rapportage biedt handelingsperspectief en oplossingen om knelpunten te beperken en regionale en algemene mogelijkheden om de bestaande capaciteit van het net beter te benutten. Om ons bod te realiseren moeten stations en kabels worden uitgebreid of aangepast. Deze noodzakelijke uitbreidingen zijn in 2030 niet allemaal gereed. Realisatie van zon- en windplannen is nog steeds mogelijk maar vereist een andere aanpak dan voorheen.

De regionale netbeheerder, Liander, is en blijft een belangrijke partner in de RES opgave. De netcongestie maakt dat samenwerking een voorwaarde is om tot realisatie te komen. Realisatie van projecten is ondanks de netcongestie in sommige gevallen wel mogelijk, mits er sprake is van een goede mix van wind en zon en/ of wanneer de opgewekte stroom direct wordt verbruikt, opgeslagen, gedeeld achter de meter of omgezet in andere energievormen en energiedragers. Liander is daarin een partner die intensief met ons samenwerkt aan slimme oplossingen in de strategiebepaling en uitvoering, bijvoorbeeld rondom de ontwikkeling van Smart Energy Hubs. Om onze ambities in de RES te realiseren wordt samen met Liander ingezet op de volgende handelingsperspectieven:  Onderzoek met TenneT en Liander welke stations en netten in de regio opgewaardeerd kunnen worden en hoe de bestaande en toekomstige capaciteit optimaal benut kunnen worden.  Onderzoek hoe lokaal geproduceerde energie in de regio te benutten, door in te zetten op opslag en conversie. Dit sluit aan bij de Zonnebrief van minister Jetten, waarin wordt aangegeven dat het kabinet inzet op elektriciteitsopslag door het investeren in batterijinnovaties en het stimuleren van batterijen bij grootschalige zonneparken.  Gebruik van flexibele, intelligente en lokale energiesystemen die minder afhankelijk zijn van het energienet.

 Opwek van warmte en elektriciteit programmeren en prioriteren en zoveel mogelijk verbinden aan andere opgaven (zie par. 3.5 regionale samenwerking). Hierbij is het van belang dat locatie en planning van ontwikkelingen tijdig en concreet in beeld komen.  Een verbetering van de zon/wind verhouding voor meer flexibel/ optimaal gebruik van het net (zie ook handelingsperspectieven Wind in par. 3.1).  Uitwisseling van gedetailleerde profiel- en infrastructuur informatie tussen belanghebbenden om initiatiefnemers en beleidsmakers handdelingsperspectief te bieden. Bij De Mars loopt hiervoor een momenteel een eerste verkenning.  Het testen van nieuwe (contract) producten van de netbeheerder in pilots.  Het testen van nieuwe local4local inkoop van energie door gemeenten. 15

GEIS en pMIEK Om te komen tot een toekomstbestendig energiesysteem moet de ontwikkeling van energieinfrastructuur aansluiten bij ruimtelijke ontwikkelingen en verduurzamingsplannen, en andersom. Door integraal programmeren is het mogelijk om plannen beter en vroegtijdig op elkaar af te stemmen. Binnen de Gelderse Energie Infrastructuur - hierna afgekort als GEIS - werken provincie, regio’s en netbeheerders samen om netcongestie aan te pakken onder andere door snellere realisatie van projecten, slimme oplossingen (Smart Energie Hubs) en door te komen tot een afwegingskader voor het maken van energie-systeemkeuzes zoals “Wie krijgt als eerste een aansluiting”. De uitkomsten uit de GEIS-aanpak zijn input voor het Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK). Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland stelde voor 1 juli 2023 haar eigen pMIEK 1.0 vast. Doel is dat de projecten uit elke pMIEK met prioriteit worden gerealiseerd. Bij pMIEK 1.0 was de huidige planning van Netbeheerders nog leidend. Voor onze regio was de impact bovendien minimaal. Voor pMIEK 2.0 kan dat anders worden. De uitgangspunten van integraal programmeren en maatschappelijke impact worden daarbij meer sturend. De belangrijkste projecten krijgen - inclusief een (soort) integrale effectweging - voorrang in investeringsplannen van de netbeheerders.

In dit kader heeft provincie Gelderland onlangs een traject opgestart om tot een provinciale energievisie te komen; een samenhangende visie op het toekomstige energiesysteem (2030-2050), vanuit alle sectoren (gebouwde omgeving, industrie, mobiliteit, ect) en voor alle energiedragers (hoofdzakelijk elektriciteit, maar in relatie tot warmte en duurzame gassen, zoals groen gas en waterstof). GEIS en pMIEK spelen zich af op provinciaal niveau. Dit gebeurt vanzelfsprekend in samenhang met lokale ontwikkelingen en activiteiten op gebied van de energie infrastructuur. Handelingsperspectief: Betrokkenheid vanuit de RES in de werkgroep GEIS en pMIEK handhaven en daarbinnen de ingezette afstemming en samenwerking van de Gelderse RES regio’s verder versterken. Tevens de vertaalslag naar en verbinding met lokale prioritering, projecten en investeringsplannen maken.

3.7 Communicatie & participatie Communicatie Een belangrijke doelstelling bij de communicatie is om deze eenduidig te houden. De communicatie vanuit de RES moet aansluiten bij die van de RES partners en vice versa. Uitgangspunt is dat de regio de lokale communicatie ondersteunt. Communicatie over de voortgang van de regionale energiestrategie op basis van regionale monitoring, en over de ontwikkeling van regionale strategie richting RES 2.0 worden door de regio voorbereid en tijdig afgestemd met de RES partners via het 3wekelijkse communicatieoverleg en/of via de leden van de ambtelijke Coördinatiegroep. Waar mogelijk blijven de gemeenten afzender van de boodschap waarin de regionale ontwikkelingen worden meegenomen. Gemeenten blijven eindafzender van de lokale communicatie en nemen de boodschap van de RES hierin mee indien dit past binnen de doelstelling en doelgroep. Zij hebben de vrijheid om desgewenst de communicatie aan te passen zodat deze aansluit op de lokale concepten en afspraken.

16

In de communicatiewerkgroep, met daarin vertegenwoordiging van de communicatie functionarissen van de RES partners, wisselen we informatie uit over actuele lopende zaken vanuit het land, de provincie, regionaal en op gemeentelijk niveau. We bespreken, besluiten en bereiden adviezen voor hoe we, bijvoorbeeld provinciaal beleid, eenduidig kunnen communiceren richting de portefeuillehouders, raadsleden en inwoners. De gezamenlijke uitstraling bereiken we door ook online regelmatig duurzame projecten uit de verschillende gemeenten voor het voetlicht te brengen die passen binnen de RES. Door hier showcases van te maken wordt de RES ook voor de inwoners concreet. Gemeenten hebben daarvoor ook een eigen website en nieuwsbrieven waarin zij inwoners informeren over lokale gebiedsprocessen, de lokale energietransitie en waar nodig over het regionale proces. Lokale participatie Participatie door inwoners en maatschappelijke partners vindt voornamelijk plaats op lokaal niveau. Gemeentes zijn verantwoordelijk voor het vormgeven en uitvoeren van hun participatietrajecten en het terugbrengen van input uit deze processen voor regionale afstemming. Vaak loopt inwonerparticipatie samen op met processen die zich richten op de borging van de RES in het omgevingsbeleid of via participatie bij vergunningverlening en de daadwerkelijke realisatie van duurzame opwek projecten.

Dit maakt de inwonerparticipatie een traject waarover duidelijke afspraken gemaakt moeten worden. In lokale projecten heeft een initiatiefnemer de taak om de betreffende participatie vorm te geven binnen de kaders die de gemeente hiervoor stelt. Eén van de conclusies vanuit de evaluatie van de inspraakprocedure omtrent RES 1.0 is dat respondenten meer inzicht in het participatieproces en momenten wanneer invloed kan worden uitgeoefend wensen. Een wens die gedeeld wordt in de werkgroep communicatie. Participatie zorgt voor meer draagvlak en betere besluiten. We zullen daarom de participatiemogelijkheden binnen RES gerelateerde projecten goed communiceren via de websites van de gemeenten, energie coöperaties en de regio), en de diverse social media kanalen die via deze partners voorhanden zijn. Handelingsperspectief communicatie & inwonersparticipatie: De regio zet campagnematig in op bewustwording, uitbreiding van de bestaande kennis en waar mogelijk op acceptatie. Dit doen we onder andere via de vernieuwde RES-website die dit najaar wordt afgerond. Hier zullen we regelmatig relevante duurzame projecten uit de verschillende gemeenten voor het voetlicht brengen die passen binnen de RES. Door hier showcases van te maken wordt de RES ook voor de inwoners concreet.

Tevens willen we inwoners op de website inzicht geven in welke RES projecten zich op elk moment waar in de regio afspelen, samen met een ‘regionale participatie kalender’ die de momenten laat zien dat men invloed kan uitoefenen. Deze zelfde informatie zal ook per project bij de betrokken RES partners (provincie en gemeenten) en bij de energiecoöperaties op de websites en via de sociale mediakanalen terug te vinden zijn. Tot slot zal de regionale RES website inzicht bieden in de besluiten van de Stuurgroep overleggen, om het besluitvormingsproces transparant en navolgbaar te maken. Regionale participatie door jongeren Wij denken de input van jongeren goed te kunnen gebruiken bij het door ontwikkelen van onze strategie voor grootschalige opwek van duurzame energie op land. In het proces waarin wij de uitdaging aangaan om invulling te geven aan ons RES 1.0 bod, wordt daarom een plek gereserveerd voor de ideeën, inzichten en gedachten van een groep jongeren die gemotiveerd is om mee te denken over de toekomstige energiehuishouding. Hiermee bouwen we verder op wat we eerder in gang hebben gezet en geven we invulling aan de Ontwikkelagenda in RES 1.0.

17

Voorstel nieuw handelingsperspectief participatie jongeren: Organiseren van een bijeenkomst met een groep jongeren uit onze regio, waaruit input komt voor de Cogro en Stuurgroep bij het ontwikkelen van onze RES 2.0. Participatie door maatschappelijke stakeholders op regionaal niveau Het is van belang maatschappelijke partners, natuurorganisaties, energiecoöperaties, het onderwijs en het bedrijfsleven te betrekken bij de RES en het regionale proces. Het realiseren van deze opgave komt immers maar ten dele voor de rekening van de overheid, terwijl deze partners een belangrijke rol hebben in de uitvoering van de RES én over veel informatie en kennis beschikken. Daarom zijn zij op regionaal niveau aangemerkt als direct belanghebbenden en zetten wij op regionaal niveau in op de informele dialoog met deze partners via de Adviestafel RES. De Adviestafel RES is vanaf september 2022 actief. De Regionale Adviestafel RES is een denktank van maatschappelijke partners gericht op inhoud en uitvoering via het OKE en wordt informeel geraadpleegd door de RESwerkorganisatie ten gunste van het stimuleren van de energietransitie. Ook heeft de Adviestafel een formele rol in het adviseren van de Stuurgroep op de interbestuurlijke plannen en geven adviezen aan de Stuurgroep RES op basis van hun deskundigheid en kennis.

De Stuurgroep RES informeert de Adviestafel over besluiten en hoe het advies van de Adviestafel is betrokken in de besluitvorming. Handelingsperspectief participatie maatschappelijke stakeholders: Voor de participatie door de maatschappelijke stakeholders bij de totstandkoming van RES 2.0 wordt de Adviestafel door gezet. Betrokkenheid Raden Binnen de governance structuur van de Gemeenschappelijke Regeling Regio Stedendriehoek is een Regionale Raadsadviescommissie (RAC) opgericht. Voorgesteld wordt om deze onafhankelijke commissie te betrekken bij het proces richting RES 2.0, om zo goed mogelijk tegemoet te kunnen komen aan de wensen van de volksvertegenwoordigers. Ook via een (periodieke) update in het Griffiersoverleg blijft de aansluiting met de Raden geborgd. Afspraak is om te allen tijde onderwerpen voor te leggen bij de RAC en griffiers, die met de Cogro en Stuurgroep zijn afgestemd, tenzij het gaat om een advies dat de Stuurgroep wilt vragen aan de RAC. Voorstel nieuw handelingsperspectief betrokkenheid Regionale Raadsadviescommissie & griffiers: In het proces richting RES 2.0 wordt de regionale Raadsadviescommissie na vaststelling van dit PvA RES 2.0 betrokken voor advies over de wijze waarop volksvertegenwoordigers het beste betrokken kunnen worden bij de totstandkoming van de RES 2.0 en welke vragen zij graag beantwoord zien in het RES 2.0 document.

Met de griffiers zal (periodiek) afstemming zijn over proces en planning tot RES 2.0.

RES 2.0: In de RES 2.0 is verantwoord op welke wijze volksvertegenwoordigers, maatschappelijke partners, inwoners en belanghebbenden gelegenheid is geboden, formeel en informeel, om deel te nemen aan de totstandkoming van RES 2.0. 18

3.8 Monitoring Vanuit de Regio Stedendriehoek bleek bij de start van de RES al snel de behoefte om sneller en beter inzichtelijk te krijgen welke energieprojecten er in de regiogemeentes zijn gerealiseerd of worden voorbereid. Data zijn belangrijk voor voortgangsmonitoring, maar ook voor de samenwerking met de netbeheerder en voor het ontwikkelen van lokale energieplanologie. Sinds begin dit jaar gebruiken we daarvoor een eenvoudige datamanagement tool, Ninox. Het bedrijf achter Ninox werkt samen met het NPRES om de RES methodieken en begrippenkaders continu actueel te houden in de tools. Alle gemeenten hebben hard gewerkt om Ninox in te richten en met de juiste cijfers te vullen. Handelingsperspectief monitoring:  Vanaf nu zetten we in op minimaal een jaarlijkse update van onze Ninox database in samenwerking met de gemeenten en Liander. Voorstel nieuw handelingsperspectief monitoring:  Bij elke actualisatie van Ninox een kaart genereren waarop de projecten in de verschillende fasen zichtbaar zijn, om de voortgang van ons bod ook op een kaart te visualiseren. Hierbij respecteren wij de afspraken over vertrouwelijkheid. In onze contacten met Liander en NPRES werken we ook aan een duidelijkere rolverdeling.

Bij de RES regio en de gemeenten ligt vooral “bronhouderschap” voor informatie over prille initiatieven, ambities en ideeën voor opwek die heel vroeg in de planfase zitten en de initiatieven waarvoor een vergunning is afgegeven. Daar ligt ook een logisch eigenaarschap voor lokale overheden. Handelingsperspectief informatieverstrekking Liander: Vanuit ons RES team maken we ons sterk voor een steviger bronhouderschap en uitgebreidere informatieverstrekking vanuit de kant van netbeheerders met betrekking tot initiatieven die al verder gevorderd zijn, of zelfs al in de exploitatiefase zitten. De landelijke netcode schrijft voor dat initiatiefnemers zich tijdig melden bij de netbeheerder en dat is in principe een veel completere en betrouwbaardere bron dan de subsidie databases van RVO waarvan we nu afhankelijk zijn. Het belang van een betere informatiepositie voor onze gemeenten is dat met deze informatie veel betrouwbaarder en data gedreven energieplanning en faciliteren van initiatiefnemers mogelijk wordt. De netbeheerders staan steeds welwillender tegenover dit perspectief, maar we zullen vanuit de RES regio, samen met Liander en NPRES nog het nodige werk moeten verzetten om allerlei praktische en juridische hobbels te nemen. Daar blijven we ons dus voor inzetten.

19

4. RES ondersteuning op lokaal niveau 4.1 Ondersteunings- en Kenniscentrum voor Energie initiatieven (OKE)

Als beschreven in paragraaf 3.3 is er in 2023 een OKE opgericht worden, op voorstel van de Regionale Adviestafel. Dit centrum betreft een publiek private samenwerking waarin de RES partners en maatschappelijke partners elkaar in de uitvoering van de RES vinden. Het OKE is een eerste loket voor vragen van bijvoorbeeld initiatiefnemers, ondernemers, buurtinitiatieven, agrariërs en overheden. Doel is om initiatiefnemers concreet te helpen om de volgende stap te zetten in de energietransitie door het ondersteunen van initiatieven, onder andere met het vormgeven van lokaal eigendom bij projectinitiatieven, meedenken aan slimme oplossingen voor aansluiting op het net, het vormgeven van smart energy hubs op bedrijventerreinen of het bieden van handvatten voor beleid rondom de stimulering van ‘Zon op dak’ projecten. De ene keer betreft het een project voor duurzame opwek van elektriciteit, in een ander geval gaat het over een andere ontwikkeling, bijvoorbeeld woningbouw of een warmtenet, waarbij ook lokale opwek (en opslag) van elektriciteit noodzakelijk is. Essentieel hierbij is dat er de komende periode een goede focus gekozen wordt in de te ondersteunen initiatieven, waarbij in de basis gekeken wordt naar de ondersteuningsbehoefte, de kansrijkheid en herhaal potentie binnen de regio.

Het centrum werkt daarbij nauw samen met bestaande initiatieven zoals energieloketten, het Gelders Energie Akkoord netwerk en projecten uit de Regiodeal zoals “toekomstbestendige bedrijventerreinen’. Handelingsperspectief: Ontwikkelen en implementeren van een OKE als katalysator bij kansrijke initiatieven van collectieven waar veel energie op zit, die potentieel hebben om binnen de regio herhaald te worden en die nu tegen organisatorische, technische, financiële, juridische en/of procedurele uitdagingen aanlopen. Het OKE zet aan tot actie en doen. In bijlage 3 is de memo “Ontwikkeling en implementatie OKE’ opgenomen met uitgebreide uitwerking van de context, doelstellingen, doelgroepen en aanpak omtrent het OKE.

4.2 Lokaal eigendom & financiële participatie in projecten Lokaal eigendom betekent dat inwoners, overheden en ondernemers samen, deels of helemaal eigenaar zijn van een zon- of windproject. Als eigenaar ben je mede-ontwikkelaar en exploitant, heb je zeggenschap over het project en draag je gezamenlijk risico voor het project. Dit draagt bij aan meer maatschappelijke acceptatie voor zon- en windprojecten en aan het zoveel mogelijk behouden van de waarde van de duurzaam opgewekte energie binnen de regio. Vanuit het NPRES begrippenkader worden drie typen lokaal eigendom onderscheiden: 1. Bewonerscollectieven en lokale partners: eigendom van een collectief samenwerkingsverband van bewoners, energiecoöperaties, lokale ondernemers, agrariërs of andere lokale partners in de omgeving van het project. Uitgangspunt is dat iedereen uit de lokale omgeving, inclusief de omwonenden de kans moet hebben gehad om deel te nemen in het project. 2. Publiek: eigendom van gemeenten, waterschappen, drinkwaterbedrijven, e.d. Dit omvat ook eigendom van bedrijven met 100% publieke aandeelhouders. 3. Lokale bedrijven: eigendom van lokale ondernemers, agrariërs, maatschappelijke instellingen met een lokale vestiging (vaak op eigen terrein).

20

Lokaal eigendom is niet hetzelfde als financiële participatie. Financiële participatie is het investeren in een project waar je rendement voor terugkrijgt. Bij enkel financiële participatie heb je vaak geen zeggenschap over het project of de besteding van de opbrengsten. Sinds een aantal jaren werken de energiecoöperaties in de regio samen. Zij hebben een REScoördinator aangesteld, er wordt een regionaal energieloket opgezet en energiecoaches worden opgeleid. De samenwerkende Gelderse energiecoöperaties hebben begin dit jaar besloten een gezamenlijke coöperatie op te richten waardoor nog meer taken gezamenlijk worden uitgevoerd. De coöperaties worden via de Adviestafel steeds nauwer verbonden aan ons RES proces. Dit is nodig, omdat we van de regionale strategiebepaling in de RES 1.0 over gaan naar de uitvoering op lokaal niveau. Als onderdeel van haar ondersteunende rol brengt ze de regio hierbij samen met de energiecoöperaties waardevolle kennis, slagkracht en ervaring in om projecten in lokaal eigendom te realiseren. Er zijn de afgelopen jaren in onze regio diverse projecten met ten minste 50% lokaal eigendom gerealiseerd. Sommige energieprojecten zijn geïnitieerd door lokale energiecoöperaties terwijl andere projecten voortkomen uit een maatschappelijke tender en/ of een verkenning of er in de lokale samenleving belangstelling is om deel te nemen in een zonneparkproject.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14153292/1