2025-971-bijlage-VT Deventer DeScheg 250148 01 20251219
Tekst van het document
30
effecten van het veranderend klimaat het sterkst merkbaar kunnen zijn (Arcadis 2023). Voor de watersnip is het creëren van aaneengesloten overstromingsvlaktes met hoogteverschillen belangrijk voor het (sterker) vestigen van de soort. De maatregelen in het beheerplan (Provincie Gelderland 2018) zijn hierop gericht, en zullen leiden tot versterking van de draagkracht van de Rijntakken voor de soort. Daarmee wordt de instandhoudings-doelstelling, uitbreiding en kwaliteitsverbetering van het leefgebied gerealiseerd. Of dit ook leidt tot herstel van de populatie tot aantallen die in de buurt van het populatiedoel komen is onzeker. Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel mogelijk een knelpunt voor de watersnip aangezien door stikstof een verslechtering van het voedselaanbod kan veroorzaken. Op basis van documentatie over deze soort en onderliggende documentatie wordt geconcludeerd dat een toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j op 0,06 ha in 2027 niet leidt tot een merkbare extra verslechtering van de leefomstandigheden voor de watersnip optreden, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen optreden (zie ook hoofdstuk 3) met een merkbaar effect op de populatie watersnip. Invloed op het niet halen van instandhoudingsdoelstellingen voor kwartelkoning in het Natura 2000-gebied Rijntakken is daarmee uitgesloten.
Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
31
5 Boetelerveld Het Boetelerveld is een vochtige heide in Salland. In het reservaat zijn naast de uitgestrekte natte en vochtige heide en de vochtige grove dennenbossen ook kleine oppervlakten aanwezig met blauwgrasland, zwak gebufferde vennen, heischraal grasland en jeneverbesstruweel. Het bos in het centrale deel verdeelt het natte heidegebied in twee stukken. Het Boetelerveld maakt onderdeel uit van de wijde vlakten van het Oude-dekzandlandschap dat ligt tussen de Sallandse Heuvelrug en de Jonge-dekzandruggen ter hoogte van de lijn Raalte-Pleegste-Heeten-Okkenbroek. In 2013 is de Boetelerveld aangewezen als Natura 2000-gebied door de Staatssecretaris van Economische Zaken. De stikstofdepositie van het project op het Natura 2000-gebied Boetelerveld vindt plaats verspreid over het besluitgebied. Overschrijding van de KDW waar het nieuwe project aan bijdraagt is aan de orde op twee stikstofgevoelige habitattypen, aangeduid met H en cijfercode (zie ook Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.) en één zoekgebied voor een habitattype, aangeduid met de letters ‘ZG’ en een H en cijfercode, zie paragraaf 1.3. De zoekgebieden zijn bedoeld voor de realisatie van uitbreidingsdoelstellingen, die worden dus op dezelfde manier beoordeeld als het betreffende habitattype zelf.
De informatie in dit hoofdstuk is met name gebaseerd op de Natuurdoelanalyse (NDA) Boetelerveld (Provincie Overijssel 2022), het Natura 2000-beheerplan Boetelerveld (Provincie Overijssel 2016) en de Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Boetelerveld (KWR et al. 2017). De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Boetelerveld zijn concreet gemaakt in beschermde habitattypen en habitatrichtlijnsoorten, zie voor een opsomming daarvan Tabel 9. Onderzocht dient te worden of aan de hand van beschermde habitattypen en -richtlijnsoorten, significant negatieve effecten van de ontwikkeling op voorhand uit te sluiten Tabel 9: Habitattypen, habitatrichtlijnsoorten (met codering) waarvoor het Natura 2000-gebied Boetelerveld is aangewezen en waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd (Bron: www.natura2000.nl/), de Habitattypen en -richtlijnsoorten die mogelijk belast worden met de stikstofdepositie van onderhavig project zijn vet gedrukt.
Habitattypen
Habitatrichtlijnsoorten
H3130 - Zwakgebufferde vennen
H1166 - Kamsalamander
H4010A - Vochtige heiden
H1831 - Drijvende waterweegbree
H5130 – Jeneverbesstruwelen H6230* - Heischrale graslanden H6410 – Blauwgraslanden
32
H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen
Figuur 7: Uitsneden uit het resultaat van de Aerius-berekening voor renovatie van De Scheg. Weergegeven zijn de hexagonen (licht paarse zeshoeken) met voor stikstof gevoelige habitat- en leefgebiedtypen waarop een toename ≥ 0,00 mol/ha/jr door de ontwikkeling is berekend voor Natura 2000-gebied Boetelerveld. Paarse velden zijn de stikstofgevoelige relevante habitattypen: donker paars zeer gevoelig en licht paars minder gevoelig, groen en geel geven de begrenzing van het Natura 2000-gebied aan. Bron: Aerius-Calculator 2025.0.01.
zijn. Voor projecten of activiteiten die mogelijk kunnen leiden tot significante schade geldt een vergunningplicht.
5.1
Habitattypen Zoals in de paragrafen hiervoor is omschreven, overschrijdt bij drie habitattypen in Natura 2000-gebied Boetelerveld de achtergronddepositie momenteel de KDW. Hieronder wordt beschreven wat de gevoeligheid is van de specifieke habitattypen voor extra stikstofdepositie en hoe deze zich verhoudt tot andere stressfactoren.
5.1.1
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Kenmerkend voor H4010A is de hoge bedekking van gewone dophei. Vochtige heide komt in ons land zowel op zandgronden voor als in het laagveen. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met Pijpenstrootje en Veenmos. Deze grazige delen mogen echter niet overheersen en komen alleen in een mozaïekvorm voor. De begroeiingen van het subtype vochtige heide op zandgronden (H4010A) variëren afhankelijk van de waterhuishouding, de ouderdom
33
en het leemgehalte van de bodem. Landschappelijk gezien komen natte heiden op zandgrond o.a. voor op de oevers van vennen, op beekdalflanken, in laagten met een ondoorlaatbare ondergrond en in tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland (zie habitattypen H6410 en H6230). In gedegradeerde vochtige heide gaan grassen zoals pijpenstrootje domineren of treden struiken zoals gagel op de voorgrond (natura2000.nl 2009). Belangrijkste knelpunten zijn de knelpunten die op gebiedsniveau spelen: verdroging en de te hoge stikstofdepositie. Specifiek voor het habitattype vochtige heiden spelen nog de knelpunten eenvormige vegetatiestructuur (vooral van belang is voor de kwaliteit van het habitattype) en de opslag van bomen en struwelen (van belang voor het areaal van het habitattype) (Provincie Overijssel 2016), deze knelpunten vragen om beheermaatregelen. De hoge stikstofbelasting wordt nog versterkt doordat de omringende (naald)bossen veel atmosferisch stikstof invangen en in het lokale systeem brengen. Daarnaast zijn de effecten van de vroegere stikstofdepositie in de actuele situatie merkbaar aanwezig door nalevering van nutriënten uit de bodem.
De gewenste zuurgraad voor het habitattype vochtige heide omvat alle pH-H2O waarden beneden 5,5 (optimaal) of waarden tussen 5,5 en 6,0 (suboptimaal). Dit betekent dat verzuring alléén niet gemakkelijk leidt tot het verdwijnen van het habitattype. Verzuring kan er wel toe leiden dat sommige kenmerkende vegetaties binnen de grenzen van het habitattype in het gedrang komen. Dit leidt tot kwaliteitsvermindering. Het bovenstaande betekent dat de verzurende effecten van stikstofdepositie het snelst optreden in de zwak gebufferde delen van de vochtige heiden. Het meest gevoelig voor vermesting is de Associatie van Gewone dophei (Runhaar et al. 2009). Dit vegetatietype is bepalend voor de aanwezigheid van het habitattype. Op plaatsen waar de Associatie van Gewone dophei op grotere schaal verdwijnt, verdwijnt daarmee ook het habitattype omdat alle minder kenmerkende vegetaties alleen tot het habitattype behoren indien ze in mozaïek voorkomen met de Associatie van Gewone dophei. De verhoging van het stikstofgehalte in de planten maakt dat het strooisel ervan makkelijker afbreekt waardoor de opgeslagen voedingsstoffen vrijkomen. Natte veenmosrijke heiden kunnen daarom onder invloed van hoge afmosferische depositie in korte tijd dichtgroeien met pijpenstrootje (website natuurkwaliteit.nl). Hierbij speelt ook een rol dat de stikstof vooral beschikbaar komt in de vorm van ammonium.
Pijpenstrootje profiteert daarvan, in tegenstelling tot andere typische heidesoorten die juist een toxische invloed ondervinden van ammonium. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor het habitattype vochtige heiden, aangezien hierdoor de kenmerkende voedselarme conditie
34
verdwijnt en leidt tot vergrassing, verbossing en het verdwijnen van korstmossen. Op basis van documentatie over deze gebieden, habitattypen en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een eenmalige stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha op 1,78 ha, niet leidt tot een merkbare extra verzuring en vermesting van de bodem en er niet toe kan leiden dat merkbare veranderingen in de kenmerkende vegetatie optreedt, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen in de vegetatie optreden. Zie ook hoofdstuk 3 voor een nadere uitwerking hoe deze eenmalige depositie van 0,01 mol N/ha zich verhoudt tot de stikstof die in deze ecosystemen rondgaan, tot processen in deze systemen en wat meetbaar is. Van een merkbare of meetbare aantasting van de omvang van het habitattype vochtige heiden of een verslechtering van de kwaliteit van dit habitattype, zal geen sprake zijn. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van habitattype vochtige heiden in het Natura 2000-gebied Boetelerveld is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten. 5.1.2
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen Dit habitattype (H7150) betreft pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen, ontstaan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie in laagten. Dat gebeurt tegenwoordig nog maar zelden. Meestal ontstaan ze onder invloed van menselijk handelen, bijvoorbeeld na het steken van plaggen of na intensieve betreding. Op geplagde plekken en heidepaadjes zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen (Natura2000.nl 2009). Pioniergemeenschappen in natte heiden zijn gebonden aan open, minerale grond. Die komt op natuurlijke wijze beschikbaar na langdurige stagnatie van regenwater. In dit natura 2000-gebied ontwikkelen deze pioniergemeenschappen zich meestal op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen van (vergraste) vochtige en natte heide. De pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm (oligotroof tot mesotroof) zijn.
Ook voor dit habitattype is de eenvormige structuur van de heide belemmerend voor de vestiging van bijzondere soorten van vochtige heiden, en verhindert daarmee de instandhouding van de pioniervegetatie behorend tot dit habitattype. Het huidige beheer, kleinschalig plaggen en beweiding zorgt voor terugdringing van vergrassing en nieuwe locaties voor pionierbegroeiingen. De opslag van bomen en struiken zijn een knelpunt voor het behoud van het areaal. Bij doorgaande vestiging van struwelen en bomen verdwijnt areaal van dit habitattype. Tenslotte is de huidige stikstofdepositie hoger dan de grenswaarde voor stikstofbelasting. De effecten van de vroegere stikstofdepositie zijn in de actuele situatie merkbaar aanwezig door nalevering van nutriënten uit de bodem (Provincie Overijssel 2016).
35
Zowel de zeer kenmerkende als kenmerkende vegetatietypen binnen het habitattype komen alléén onder zeer voedselarme condities voor. Dit betekent dat vermesting in principe al heel gauw een bedreiging is voor het habitattype. Of dit werkelijk zo is, is mede afhankelijk van de aanwezigheid van limiterende factoren. Of anders gezegd, de vermestende invloed van stikstof is groter naarmate er geen sprake is van fosforlimitatie (P-limitatie). Hierover is weinig specifieke informatie bekend in relatie tot dit habitattype, maar in het algemeen wordt aangenomen dat een stabiele hoge grondwaterstand bijdraagt aan enige beschikbaarheid van fosfaat. Omdat in het Boetelerveld sprake is van uitzakkende grondwaterstanden zal er in enige mate sprake zijn van Plimitatie. Daarmee zal stikstofdepositie een minder stimulerende invloed hebben op de plantaardige productie vooral van pijpenstrootje, in vergelijking met situatie waar sprake is van een stabiele hoge grondwaterstand. Hierbij speelt ook een rol dat de stikstof vooral beschikbaar is in de vorm van ammonium. Pijpenstrootje profiteert daarvan, in tegenstelling tot andere soorten die juist een toxische invloed ondervinden van ammonium (Provincie Overijssel 2016).
Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen, aangezien het zorgt voor vermesting en hierdoor de kenmerkende voedselarme conditie verdwijnt en vaak tot vergrassing leidt. Op basis van documentatie over deze gebieden, habitattypen en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een eenmalige stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha op 0,7 ha, niet leidt tot een merkbare extra verzuring en vermesting van de bodem en er niet toe kan leiden dat merkbare veranderingen in de kenmerkende vegetatie optreedt, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen in de vegetatie optreden. Zie ook hoofdstuk 3 voor een nadere uitwerking hoe deze eenmalige depositie van 0,01 mol N/ha zich verhoudt tot de stikstof die in deze ecosystemen rondgaan, tot processen in deze systemen en wat meetbaar is. Van een merkbare of meetbare aantasting van de omvang van het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen of een verslechtering van de kwaliteit van dit habitattype, zal geen sprake zijn. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied Boetelerveld is daarmee uitgesloten.
Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten. 5.1.3
ZGH3130 Zwakgebufferde vennen Kenmerkend voor deze vennen (H3130) is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. De leefgemeenschappen van deze vensystemen – de plassen plus de oeverzones – vertonen dan ook een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken. Sommige van de pioniergemeenschappen komen binnen vensystemen alleen voor op kale vochtige plekjes in het hogere gedeelte van de oeverzone. Die gemeenschappen zijn ook elders – buiten de vensystemen - op de zandgronden te vinden op plekken met vergelijkbare condities zoals op afgeplagde natte heide.
36
In het golvende dekzandlandschap van Salland komen veel laagten voor die aan alle kanten zijn omringd door hogere gronden, de zogenaamde afvoerloze laagten. Water in deze laagten kon alleen door verdamping en wegzijging worden afgevoerd. Dit had een sterke uitspoeling van humus en ijzer naar de ondergrond tot gevolg. Deze zetten zich op enkele decimeters diepte vaak weer af. Vooral wanneer in de ondergrond lössof leemlagen voorkwamen, leidde de inspoeling van humus tot een zwarte, schoensmeerachtige laag in de ondergrond. Deze laag werd na verloop van tijd zo verdicht dat het water hierop stagneerde. Op deze manier ontstonden talrijke veentjes. Deze zijn voor een deel uitgeturfd waarna vennen zijn ontstaan. Ook in het heidelandschap van de oude dekzandvlakte ten oosten van Boetele en Heeten lagen talrijke plassen en vennen. Het water stagneerde hier op het sterk lemige oude dekzand en op de kazige inspoelingslagen van de podzolgronden. In het Boetelerveld zijn het Kleine Turfgat en het Grote Rietgat hiervan voorbeelden (Provincie Overijssel 2016). Het Boetelerveld is bekend vanwege het voorkomen van een goed ontwikkelde vegetatie van zwakgebufferde vennen. Tegenwoordig is dit habitattype nagenoeg geheel beperkt tot het Grote Rietgat, aan de oostzijde van het Boetelerveld.
Belangrijkste knelpunten voor zwakgebufferde vennen zijn de knelpunten die op gebiedsniveau spelen: verdroging en de te hoge stikstofdepositie. Specifiek voor het habitattype spelen nog de volgende knelpunten eutrofiëring door bladinval, opslag bomen en struwelen Eutrofiëring door bladval heeft betrekking op het risico van afname van de kwaliteit van habitattype H3130, en hangt direct samen met de aanwezige bomen bij het Grote Rietgat. Bladval zorgt voor een versnelde ophoping van relatief makkelijk afbreekbaar organische stof. Hierdoor neemt de beschikbaarheid van voedingsstoffen in het ven toe, en tevens draagt dit bij tot het vrijkomen van verzurende stoffen. De opslag van bomen en struiken zijn een knelpunt voor het behoud van het areaal. Bij doorgaande vestiging van struwelen en bomen verdwijnt areaal van dit habitattype. Daarnaast draag bladinval bij tot eutrofiëring en ophoping van organisch materiaal in het ven. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor het habitattype zwakgebufferde vennen, aangezien het zorgt voor verzuring en/of vermesting en hierdoor de kenmerkende voedselarme conditie verdwijnt.
Op basis van documentatie over deze gebieden, habitattypen en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een eenmalige stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha op 0,02 ha, niet leidt tot een merkbare extra verzuring en vermesting van de vennen en er niet toe kan leiden dat merkbare veranderingen in het systeem optreedt, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen optreden. Zie ook hoofdstuk 6 voor een nadere uitwerking hoe deze eenmalige depositie van maximaal 0,01 mol N/ha zich verhoudt tot de stikstof die in deze ecosystemen rondgaan, tot processen in deze systemen en wat meetbaar is. Van een merkbare of meetbare aantasting van de omvang van het habitattype zwakgebufferde vennen of een verslechtering van
37
de kwaliteit van dit habitattype, zal geen sprake zijn. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van habitattype zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Boetelerveld is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
5.2
Habitatrichtlijnsoorten De habitatrichtlijnsoort kamsalamander wordt verder niet behandeld omdat de soort zich ook voortplant in poelen die niet als stikstofgevoelig zijn aan te merken en waar in de huidige situatie goede voorwaarden voor voortplanting aanwezig zijn. In het beheerplan wordt daarom geconcludeerd dat de kamsalamander in dit gebied niet gevoelig is voor stikstofdepositie (Provincie Overijssel 2022). Zoals hiervoor is omschreven, is de habitatrichtlijnsoort drijvende waterweegbree afhankelijk van een stikstofgevoelig habitattype in Natura 2000-gebied Boetelerveld en overschrijdt de achtergronddepositie momenteel de KDW van het betreffende habitattype. Hieronder wordt beschreven wat de gevoeligheid is van de specifieke habitatrichtlijnsoort voor extra stikstofdepositie en hoe deze zich verhoudt tot andere stressfactoren.
5.2.1
H1831 Drijvende waterweegbree Drijvende waterweegbree is een pioniersoort met een geringe concurrentiekracht. De soort vestigt zich op kale bodems of open water in pas geschoonde of gegraven wateren (DLG 2017). De plant groeit in uiteenlopende stilstaande of zwak stromende wateren, hier is hij toegewezen aan zwakgebufferde venen (H3130) en dus ook het zoekgebied voor dit habitattype. Het best gedijt deze waterplant in water dat helder, voedselarm of hooguit matig voedselrijk, fosfaatarm en kalkarm is. De soort is gevoelig voor vermesting vanwege zijn geringe concurrentiekracht. De plant kan alleen standhouden onder omstandigheden die het dichtgroeien door andere waterplanten tegengaan. Drukfactoren anders dan stikstof zijn droogval en waterdynamiek. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel mogelijk een knelpunt voor drijvende waterweegbree aangezien stikstofdepositie kan leiden tot een verslechtering van de waterkwaliteit waarmee deze soort door andere soortenplanten verdrongen wordt, soorten die van de door stikstofdepositie (mede) veroorzaakte vermesting profiteren.
Op basis van documentatie over deze soort en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een toename aan stikstofdepositie van eenmalig 0,01 mol N/ha op niet leidt tot een merkbare extra verslechtering van de waterkwaliteit voor de drijvende waterweegbree, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen optreden (zie ook hoofdstuk 3) met een merkbaar effect op de populatie van de drijvende waterweegbree. Invloed op het niet halen van instandhoudingsdoelstellingen voor de drijvende waterweegbree in het Natura 2000-
38
gebied Boetelerveld is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
39
6 Sallandse Heuvelrug De Sallandse Heuvelrug wordt gevormd door een glaciale zandrug die een totale lengte heeft van veertien en een variabele breedte van ongeveer één tot zes kilometer. In het sterk geaccidenteerde terrein bevatten de heuveltoppen (gemiddelde hoogte tussen de 45 en 70 meter boven NAP) grote aaneengesloten struikheibegroeiingen, met enkele jeneverbesstruwelen en zure vennen. In de lagere delen en op de flanken van de heuvelrug komt een vochtiger heidetype voor, waaronder ook een hellingveentje. De flanken van de stuwwal zijn grotendeels begroeid met naaldbos, loofbos en gemengd bos van verschillende leeftijden. In 2013 is de Sallandse Heuvelrug aangewezen als Natura 2000-gebied door de Staatssecretaris van Economische Zaken. De stikstofdepositie van het project op het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug vindt plaats in het oostelijk deel. Overschrijding van de KDW waar het nieuwe project aan bijdraagt is aan de orde op drie stikstofgevoelige habitattypen, aangeduid met H en cijfercode (zie ook Tabel 3) en één onbekend Habitattype, zie paragraaf 1.3. De informatie in dit hoofdstuk is met name gebaseerd op de Natuurdoelanalyse Sallandse Heuvelrug (Provincie Overijssel 2023), het Natura 2000-Beheerplan Sallandse Heuvelrug (RVO 2016) en de Gebiedsanalyse Sallandse Heuvelrug Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) (Provincie Overijssel 2017).
De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug zijn concreet gemaakt voor beschermde habitattypen, vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten, zie voor een opsomming daarvan Tabel 10 maar zijn voor de voortoets verder niet relevant. Tabel 10: Habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels (met codering) waarvoor het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is aangewezen en waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd (Bron: www.natura2000.nl/). De betreffende habitattypen en soorten die mogelijk belast worden met de stikstofdepositie van onderhavig project zijn vet gedrukt.
Habitattypen H3160 - Zure vennen
Habitatrichtlijnsoorten H1166 - Kamsalamander
Broedvogels A107 – Korhoen
H4010A - Vochtige heiden
A224 - Nachtzwaluw
H4030 - Droge heiden
A276 - Roodborsttapuit
H5130 – Jeneverbesstruwelen H6230* - Heischrale graslanden H7110B* - Actieve hoogvenen H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen
40
Onderzocht dient te worden of aan de hand van beschermde habitattypen en soorten, significant negatieve effecten van de ontwikkeling op voorhand uit te sluiten zijn. Voor projecten of activiteiten die mogelijk kunnen leiden tot significante schade geldt een vergunningplicht.
Figuur 8: Uitsneden uit het resultaat van de Aerius-berekening voor renovatie van De Scheg. Weergegeven zijn de hexagonen (licht paarse zeshoeken) met voor stikstof gevoelige habitat- en leefgebiedtypen waarop een toename ≥ 0,00 mol/ha/jr door de ontwikkeling is berekend voor Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug. Paarse velden zijn de stikstofgevoelige relevante habitattypen: donker paars zeer gevoelig en licht paars minder gevoelig, groen en geel geven de begrenzing van het Natura 2000-gebied aan. Bron: Aerius-Calculator 2025.0.01.
41
6.1
Habitattypen Zoals in de paragrafen hiervoor is omschreven, overschrijdt bij vier habitattypen in Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug de achtergronddepositie momenteel de KDW. Hieronder wordt beschreven wat de gevoeligheid is van de specifieke habitattypen voor extra stikstofdepositie en hoe deze zich verhoudt tot andere stressfactoren
6.1.1
H4030 Droge heiden De vegetatie van droge heide H4030 wordt gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Droge heide komt voor op droge niet verstoven dekzanden met podzolvorming bij diepe grondwaterstanden. Droge heiden zijn zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde (KDW) voor droge heiden is berekend op 714 mol N/ha/jaar. De stikstofdepositie gedurende afgelopen decennia heeft geleid tot verzuring, waardoor ook een onbalans in voedingsstoffen is opgetreden. Wat verder nog van invloed is op de kwaliteit van de droge heide op de Sallandse Heuvelrug, maar minder met stikstof depositie te maken heeft is het ontbreken van gradiënten en samenhang met voedselrijkere biotopen (‘randzones’). De structuur van de droge heide is onvoldoende gevarieerd. Weinig variatie tussen hoog en laag, weinig kale en warme plekken op de bodem, weinig ruigtes. De kortlevende zaadbank van typische heideflora. Rond 1900 was op de Sallandse Heuvelrug een landbouwsysteem aanwezig waarbij de Heuvelrug bestond uit heide met plaatselijk wat hakhout en bos. Met de komst van kunstmest verloor de heide zijn betekenis voor de landbouw en is de Heuvelrug bebost.
Rond 1960 was er nog maar 500 ha heide over. Herwaardering van de heide, stormen en actief vellen van bos in het kader van het soortbeschermingsplan korhoen hebben geleid tot de huidige situatie met circa 1.100 ha heide en een jong bossysteem (RVO 2016). Het type wordt nu ook nog intensief beheert met schapenbegrazing, maaien, chopperen, branden en (in het verleden) plaggen. De onderhavige stikstofdepositie op droge heide vindt plaats op versnipperde stukjes droge heide aan de oostkant van het grote heide-complex. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor het habitattype droge heide, aangezien hierdoor verzuring. Verzuring met als gevolg een onbalans in voedingsstoffen, onder andere relevant voor de instandhouding van de korhoen en andere vogels. Op basis van documentatie over deze gebieden, habitattypen en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een eenmalige toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha niet leidt tot een merkbare extra verzuring en vermesting van de bodem en er niet toe kan leiden dat merkbare veranderingen in de kenmerkende vegetatie optreedt, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen in de vegetatie optreden. Zie ook hoofdstuk 3 voor een nadere uitwerking hoe deze eenmalige depositie van 0,01
42
mol N/ha zich verhoudt tot de stikstof die in deze ecosystemen rondgaan, tot processen in deze systemen en wat meetbaar is. Van een merkbare of meetbare aantasting van de omvang van het habitattype droge heiden of een verslechtering van de kwaliteit van dit habitattype, zal geen sprake zijn. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van habitattype droge heiden in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten. 6.1.2
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Zie ook 5.2.1. Het door dit project belaste habitattype vochtige heiden (0,29 ha) komt voor in een gordel rond de Eendenplas (RVO 2016). Het totale oppervlak vochtige heide in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is slechts 0,7 ha. Het belangrijkste knelpunt voor dit habitattype rond de Eendenplas is verdroging, door het lek raken van de bodem van de plas in combinatie met verlaging van de regionale grondwaterstand (door diverse bronnen) (RVO 2016). Voor de soortenrijkdom is de versnippering problematisch (RVO 2026) en het omvat maar een zeer beperkte oppervlakte. Ook speelt vermesting door hoge N-depositie een rol naast vertrapping van vegetaties door runderen waarbij mogelijk nutriënten vrijkomen. Vermesting in verleden door ingebrachte nutriënten door menselijk handelen speelt een rol (opgeslagen baggermateriaal, mogelijk bekalking). Veraarding van het veen door verdroging zorgt voor extra nutriënten. De hoge stikstofbelasting wordt nog versterkt doordat de omringende (naald) bossen veel atmosferisch stikstof invangen en in het lokale systeem brengen. Daarnaast zijn de effecten van de vroegere stikstofdepositie in de actuele situatie merkbaar aanwezig door nalevering van nutriënten uit de bodem (Provincie Overijssel 2016).
Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor het habitattype vochtige heiden, aangezien hierdoor de kenmerkende voedselarme conditie verdwijnt en leidt tot vergrassing en het verdwijnen van kenmerkende plantensoorten. Op basis van documentatie over deze gebieden, habitattypen en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een eenmalige stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha op 0,89 ha, niet leidt tot een merkbare extra verzuring en vermesting van de bodem en er niet toe kan leiden dat merkbare veranderingen in de kenmerkende vegetatie optreedt, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen in de vegetatie optreden. Zie ook hoofdstuk 3 voor een nadere uitwerking hoe deze eenmalige depositie van 0,01 mol N/ha zich verhoudt tot de stikstof die in deze ecosystemen rondgaan, tot processen in deze systemen en wat meetbaar is. Van een merkbare of meetbare aantasting van de omvang van het habitattype vochtige heiden of een verslechtering van de kwaliteit van dit habitattype, zal geen sprake zijn. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van habitattype vochtige heiden in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
43
6.1.3
H9999 Habitattype onbekend Het habitattype wat onder deze code belast wordt betreft het water van de eendenplas. Volgens de gebiedsanalyse (Provincie Overijssel 2017) is H9999:42 H3160 Zure vennen komen te vervallen: …“voor de Eendenplas betekent dit dat H9999:42 H3160 Zure vennen uit de gebiedsanalyse wordt weggeschreven.” In de NDA (Provincie Overijssel 2023) wordt dit habitattype enkel genoemd voor het elders gelegen Sasbrinkven, welke niet belast wordt door onderhavige stikstofdepositie. In het beheerplan (RVO 2016) wordt gesteld dat binnen H9999 het habitattype zuren vennen kan voorkomen maar dit is niet met zekerheid vastgesteld en in de bijlagen van dit beheerplan wordt onder de kop zure vennen enkel het Sasbrinkven genoemd. Dit habitattype is daarom niet verder beoordeeld.
6.1.4
H6230 Heischrale graslanden Dit habitattype omvat in ons land min of meer gesloten, zogenoemde halfnatuurlijke graslanden op betrekkelijk zure zand- en grindbodems. Goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn zeer rijk aan allerlei grassoorten, kruiden en paddenstoelen. Een deel van de soorten komt ook voor in heide-begroeiingen. Heischrale graslanden komen voor op licht gebufferde, zwak zure tot matig zure, meestal sterk humeuze bodems. De voor dit habitattype kenmerkende plantensoorten zijn enerzijds kalkmijdend, maar zijn anderzijds zeer gevoelig voor het aluminium dat op zure standplaatsen meestal in het bodemvocht aanwezig is. We vinden ze daarom op zwak gebufferde standplaatsen. Deze komen in Nederland vaak voor in overgangssituaties, in ruimte óf in tijd, tussen basenrijke en zure standplaatsen. Dat maakt dat het type ondanks haar geringe oppervlakte toch zeer gevarieerd kan zijn in soortensamenstelling Het habitattype komt op de Sallandse Heuvelrug niet meer vlakdekkend voor (RVO 2016). De totale oppervlakte van dit habitattype op de Sallandse Heuvelrug bedraagt 0,5 ha (Aerius), het ten gevolge van dit project belastte oppervlak bedraagt 0,02 ha. Relicten zijn aanwezig langs paden die door de heide lopen, waar de bermen waarschijnlijk nog wat worden gebufferd door zand en/of gruis.
Zeer plaatselijk ook in de heide op locaties waar basenaanrijking plaatsvindt door oppervlakkig afstromend neerslagwater. Vanwege de variatie aan plantensoorten (in tegenstelling tot het habitattype droge heide) levert dit habitattype een belangrijke bijdrage aan de gevarieerdheid van de heidebiotoop waarvan een scala aan heidefauna afhankelijk is (o.a. dagvlinders, sprinkhanen, voedsel voor korhoenkuikens, voedsel voor veldleeuwerik etc.) (RVO 2016). Voor het voorkomen en de kwaliteit van dit habitattype zijn verschillende knelpunten die niet allemaal gerelateerd zijn aan de stikstofdepositie (RVO 2016): Verzuring van de bodem door uitloging van basen door atmosferische depositie: De aanwezigheid van voldoende basen in de toplaag van de bodem is belangrijk voor een hoge kwaliteit van heischrale graslanden; Verruiging door stikstofdepositie en klepelmaaien van de bermen; Vermesting door de vermestende werking stikstofdepositie
44
-
-
(stikstofbeschikbaarheid en hoge NH4-gehalten); Versnippering: er zijn alleen relicten over langs wegen en paden, maar geen vlakdekkende vegetaties die onderling verbonden zijn. Dit leidt tot achteruitgang van de kwaliteit (zaadverspreiding, typische soorten); De kortlevende zaadbank van kenmerkende soorten van heischraal grasland.
Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor het habitattype heischrale graslanden, aangezien hierdoor verzuring en vermesting optreden. Verzuring met als gevolg uitloging van basen en verhoogde beschikbaarheid van aluminium waardoor karakteristieke plantensoorten verdwijnen. Ook vermesting veroorzaakt veranderingen in vegetatie doordat stikstofminnende soorten de overhand krijgen. Op basis van documentatie over deze gebieden, habitattypen en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een eenmalige toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha op 0,02 ha niet leidt tot een merkbare extra verzuring en vermesting van de bodem en er niet toe kan leiden dat merkbare veranderingen in de kenmerkende vegetatie optreedt, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen in de vegetatie optreden. Zie ook hoofdstuk 3 voor een nadere uitwerking hoe deze eenmalige depositie van 0,01 mol N/ha op 0,02 ha zich verhoudt tot de stikstof die in deze ecosystemen rondgaan, tot processen in deze systemen en wat meetbaar is. Van een merkbare of meetbare aantasting van de omvang van het habitattype heischrale graslanden of een verslechtering van de kwaliteit van dit habitattype, zal geen sprake zijn.
Aantasting van de natuurlijke kenmerken van habitattype heischrale graslanden in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
6.2
Vogelrichtlijnsoorten De vogelrichtlijnsoorten korhoen, nachtzwaluw en roodborsttapuit maken in dit Natura 2000-gebied gebruik van stikstofgevoelig leefgebied, het habitattype droge heiden (Provincie Overijssel 2017).
6.2.1
A107 Korhoen De oorspronkelijk aanwezige vochtige hooilanden, moerassen (in de laagten rond het Natura 2000-gebied) en kleine, extensieve akkers zijn verdwenen door ontginning en ontwatering. In dit extensieve landschap voelde het Korhoen zich thuis. Een vergelijkbaar landschap was op meer plekken in de wijde omgeving aanwezig. In de loop van de 20e eeuw werd er grootschalig bos aangeplant. De Korhoen-populatie kon succesvol de Heuvelrug inschuiven door het grote voedselaanbod (dennenknoppen) en de nog bestaande relatie tussen de Heuvelrug, de extensief beheerde randzones (o.a. vochtige graslanden en akkertjes) en de aanwezigheid van bloemrijke, grazige vegetaties in de heide. Geleidelijk werd het leefgebied minder gunstig door het opgroeien van de bosaanplanten. De Heuvelrug werd een suboptimaal leefgebied voor het korhoen dat verder verslechterde door een negatief effect van stikstofdepositie op de
45
voedselketen en een veranderd heidebeheer dat leidde tot een weinig gevarieerde heidevegetatie en -fauna (beheer gericht op bestrijding van vergrassing door grootschalig maaien en plaggen en grootschalig verwijderen van opslag van berken en dennen) (RVO 2016). Het Korhoen wordt sinds 2013 bijgeplaatst, om te voorkomen dat de populatie uitsterft. De verwachting is dat wanneer de soort uitsterft, het nagenoeg onmogelijk is om hem te herintroduceren. In 2022 zijn er in het voorjaar een tweetal ongeringde hanen gezien. Dit is de eerste bevestigde natuurlijke verjonging sinds jaren. Uit monitoring blijkt wel dat de meeste broedpogingen niet slagen, kuikens gaan meestal binnen twee weken dood na uitkomst. De kuikens zijn in de eerste twee weken afhankelijk van insecten om genoeg eiwitten te krijgen. Daarna gaan ze over naar plantaardig voedsel. Uit onderzoek blijkt dat de insectendichtheid in de meeste heidevegetaties te laag is. Jaarlijkse insectenmonitoring met sleepnetten wees uit dat er erg weinig insecten aanwezig zijn. De lage dichtheid komt waarschijnlijk door de droogte en de sterk verzuurde en uitgeloogde bodem. Stikstofdepositie moet verminderd worden om dit probleem op de lange termijn op te lossen (RVO 2016).
Daarnaast spelen nog andere problemen voor het korhoen: Afwezigheid van gradiënten (zie ook onder Droge heide); Onvoldoende omvang van leefgebied in de directe omgeving; Relatie met andere geschikte leefgebieden van het Korhoen ontbreekt (Korhoen-satellietpopulaties); Genetische verarming (een knelpunt, zie leemten in kennis); Predatiedruk; Verstoring door wandelaars, fietsers en openstelling van de Toeristenweg heeft een negatief effect op het instandhoudingsdoel van het Korhoen. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor de nachtzwaluw in dit Natura 2000-gebied, aangezien door de stikstofdepositie de heide niet meer in voldoende voedsel voorziet met name voor de kuikens die in de eerste weken van insecten leven. Op basis van documentatie over deze gebieden, deze soort en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een eenmalige toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr niet leidt tot een merkbare extra effect op de vegetatie en daarmee de insecten populaties omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen optreden (zie ook hoofdstuk 3) met een merkbaar effect op de populatie korhoenders. Invloed op het niet halen van instandhoudingsdoelstellingen voor het korhoen in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is daarmee uitgesloten.
Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten. 6.2.2
H224 Nachtzwaluw De hoogste dichtheid van nachtzwaluwen (20 paar/100 ha) worden gevonden in deels dichtgegroeide maar niet-vergraste zandverstuivingen. Ook leeft de nachtzwaluw in
46
andere halfopen landschappen op schrale, zandige bodems: boomheiden, heidevelden met boomgroepen of vliegdennen, en op kap- of brandvlakten die meer dan 1,5 ha groot zijn. In dennenbossen op voormalige stuifzanden nestelt de nachtzwaluw langs brandgangen en brede zandpaden. De twee eieren worden op kale bodem gelegd, vaak op dennennaalden of schorsschilfers en onder of bij een dode tak voor de camouflage. Op de hei wordt ook wel genesteld op kale plekken onder vliegdennen. Het voedsel van de nachtzwaluw bestaat uit vliegende insecten, vooral nachtvlinders, ook kevers, schietmotten, vliegen en muggen. De soort zoekt zijn voedsel langs bosranden en boven heide, plaatselijk ook boven nabij de broedplaats gelegen braakliggende gronden. Het is een trekvogel die in Afrika overwintert. Op de Sallandse Heuvelrug is het areaal Droge heide de afgelopen jaren uitgebreid. Het beheer is de afgelopen decennia gericht geweest op vergroten van de structuurvariatie en voorkomen van dichtgroeien van de heide: een combinatie van op kleine schaal toegepaste maatregelen als (o.a.) branden, maaien, plaggen, verwijdering van bos opslag en (druk-) begrazing. Voorafgaand aan die periode (jaren 80 en 90) is ingezet op het tegengaan van vergrassing door grootschalig te maaien en te plaggen.
Vergrassing is momenteel geen probleem op de Sallandse Heuvelrug als gevolg van de verlaging van de S-depositie en de grootschalige ingrepen. Vergroting van het heideareaal en verbetering van de structuur van de heide heeft geleid tot een positieve ontwikkeling in aantallen nachtzwaluw. Het aantal territoriale mannetjes op de Sallandse Heuvelrug tussen 2004 en 2012 is voor de nachtzwaluw bijna verdubbeld (RVO 2016). Fluctuaties in de aantallen kunnen voorkomen als gevolg van de voedselsituatie in de overwinteringsgebieden. Tussen 2004 en 2012 is geen sprake geweest van een sterke invloed van de overwinteringsomstandigheden op de aantallen. Hoewel het beheerplan stelt dat het beheer van de heide zodanig is geweest, dat effecten van N-depositie niet hebben doorgewerkt op de populatieomvang van de nachtzwaluw (RVO 2016) is deze ontwikkeling in aantallen nachtzwaluwen ook in andere gebieden enigszins vergelijkbaar. Effectbeoordeling Verslechtering van het habitat/leefgebied voor deze soort is niet aan de orde, instandhoudingsdoelstellingen zijn bereikt en voor te toekomst geborgd. Een significante invloed van maximaal 0,01 mol N/ha ten gevolge van dit project op instandhoudingsdoelstellingen voor de nachtzwaluw in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is daarmee uitgesloten.
Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
6.2.3
H276 Roodborsttapuit De broedbiotoop van de roodborsttapuit omvat heide-, hoogveengebieden en duinen. Verder is de soort in het zuiden en in mindere mate in het oosten van het land te vinden in kleinschalige extensief beheerde agrarische cultuurlandschappen. Deze landschappen bevatten dan een groot aandeel aan grasland, enig reliëf met bijv. greppels
47
en paaltjes en struiken als uitkijkpost. De nestplaats bevindt zich in heide- en duinbegroeiing op of net boven de grond tussen het struweel. Of, in cultuurland, tussen de overjarige vegetatie van slootkanten en greppels. Het voedsel zoekt de roodborsttapuit tot op enkele honderden meters van het nest, in agrarisch cultuur landschap vooral in bermen en overhoekjes. De territoriumgrootte is 1-10 ha. Het voedsel bestaat uit insecten, spinnen en wormen. De Nederlandse broedvogels zijn trekvogels en overwinteren tot in Noord-Afrika Voor de roodborsttapuit is het verhaal vergelijkbaar met die van de nachtzwaluw. Waarbij het aantal territoriale mannetjes op de Sallandse Heuvelrug tussen 2004 en 2012 voor de roodborsttapuit bijna verdriedubbeld is (RVO 2016). Deze ontwikkeling van de populatie is ook elders in Nederland waargenomen. Effectbeoordeling Stikstof lijkt geen significante invloed te hebben op de staat van instandhouding van deze soort hoewel hij wel gebonden is aan habitat welke door stikstof beïnvloed wordt. Een significante negatieve invloed van een eenmalige depositie 0,01 mol N/ha/jr. ten gevolge van dit project op instandhoudingsdoelstellingen voor de roodborsttapuit in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
6.3
Habitatrichtlijnsoort Dit gebied is aangewezen voor één habitatrichtlijnsoort: de kamsalamander. Deze komt alleen aan de uiterste westkant van de Sallandse Heuvelrug voor, in het gebiedsdeel Remmersbosch (westflank). Van oorsprong zal de soort in grotere getale zijn voorgekomen in het vochtiger gebied aan de westflank aangezien hier kwelwater aan de oppervlakte trad (Provincie Overijssel 2017). Aangezien dit niet het gebied betreft wat belast wordt met stikstof ten gevolge van dit project is enig effect op deze soort daarmee voldoende uitgesloten.
48
7 Conclusie In Deventer bestaat het voornemen om Sport- en Beweegcentrum De Scheg te renoveren. In het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in de Omgevingswet is de stikstofuitstoot door het nieuwe project inzichtelijk gemaakt. Uit de beoordeeld met de Aerius-calculator 2025.0.1 blijkt dat ten gevolge van onderhavig project, stikstofdeposities optreden binnen de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug. De depositie bedraagt eenmalig 0,01 mol/ha/j 6,87 ha. Om te onderzoeken of van de stikstofdepositie ten gevolge van de renovatie significante gevolgen te verwachten zijn, is volgens de methodiek van een voortoets op basis van objectieve gegevens beoordeeld of significant negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden Rijntakken, Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug op voorhand zijn uit te sluiten. Voor de onderhavige habitattypen, zoekgebied voor habitattype en van leefgebiedstypen afhankelijke vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten is onderzocht of de deposities die het nieuwe project veroorzaakt voor significante, dus merkbare of meetbare gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen zorgen. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van de informatie uit Natura 2000-beheerplannen, gebiedsanalyses en natuurdoelanalyses.
Uit het onderzoek blijkt dat in verhouding tot de stikstof die met beheer afgevoerd wordt of in de habitattypen omgaat, deze eenmalige depositie verwaarloosbaar is. De hoeveelheid stikstof valt binnen de natuurlijke fluctuaties in ruimte, tijd en meetbaarheid van de kritische depositiewaarden. Ook betreft het een activiteit die ook al voor de instelling van deze Natura 2000-gebieden plaatsvond en dus deel uitmaakt van de achtergronddepositie. Tegen die achtergrond is het niet mogelijk om van een merkbaar effect te spreken van de stikstofdepositie ten gevolge van dit project. Daarmee is aangetoond dat het niet mogelijk is dat de depositie ten gevolge van de renovatie van Sport- en Beweegcentrum De Scheg een significante invloed heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van onderhavige Natura 2000-gebieden. Delen die kwalificeren als leefgebied of habitattypen zullen ook in de toekomst, met deze depositie nog in gelijke mate kwalificeren. Een merkbaar, meetbaar en dus significant ofwel aanzienlijk gevolg voor de instandhoudingsdoelstelling en/of aantasting van wezenlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, is daarmee op voorhand uitgesloten.
49
Geraadpleegde bronnen Beije, H.M., A. Aptroot, N.A.C. Smits & L.B. Sparrius: Herstelstrategie H2310: Stuifzandheiden met struikhei www.natura2000.nl BIJ12 2021: Handreiking Voortoets Stikstof. Februari 2021 Bobbink, R. Hettelingh J. P. (eds). 2011. Review and revision of critical loads and dose-response relationships. Proceedings of an expert workshop. RIVM-report 680359002. Boele A., L. van Bruggen, B. Goffin, M. Kavelaars, E. Kleyheeg, K. Koffijberg, J. Schoppers, C. van Turnhout, J.W. Vergeer & D. Jansen 2022: Broedvogels in Nederland in 2020. Sovon-rapport 2022/05. Boele, A., J.W. Vergeer, J. van Bruggen, B. Goffin, K. Koffijberg, C. van Oostveen, J. Schoppers & D. Jansen 2024: Broedvogels in Nederland in 2023. Sovon-rapport 2024/40. Caporn, S. Field, C. Payne, R. Dise, N. Britton, A. Emmett, B, Jones, L. Phoenix, G. S. Power, S. Sheppard, L. Stevens, C. 2016. Assessing the effects of small incre-ments of atmospheric nitrogen deposition (above the critical load) on semi-natural habitats of conservation importance. Natural England Commissioned Reports. Number 210. Cardinaals, J.T.B., J. Daamen, G.J.F. Smit & H. van Ziel 2019: Woningbouw en Natura 2000. Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie. Bureau Waardenburg. Rapport nr. 19246. CLO 2024: https://www.clo.nl/indicatoren/nl018920-stikstofdepositie-1990-2022, 20 februari 2024 Collington, A. Orobio de Castro, D.
C. Berkouwer, E. C. Muis, D. 2019. Stikstofpro-blematiek: consequenties en oplossingsrichtingen voor de bouwpraktijk vanuit be-stuursrechtelijk en civielrechtelijk perspectief. BR2019/88. Aflevering 12, december 2019. Den Ouden, J. Muys, B. Mohren, F. Verheyen, K. 2010. Bosecologie en bosbeheer. De Vries, W. Hol, A. Tjalma, S. Voogd, S. C. H. 1990. Literatuurstudie naar voorraden en verblijftijden van elementen in bosecosystemen. Staring Centrum rapport 94. Europese Commissie 2019. Beheer van “Natura 2000”-gebieden: de bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) , Luxemburg: Bureau voor Officiële Publicaties der Europese Gemeenschappen 2019. Europese Commissie 2021. Beoordeling van plannen en projecten met betrekking tot Natura 2000-gebieden – Methodologische richtsnoeren inzake artikel 6, leden 3 en 4 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG). Mededeling van de Commissie. Brussel, 28.9.2021 C(2021) 6913 final.
Hoogerbrugge, R. et al. 2021: Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Neder-land. Rapportage 2021. RIVM Rapport 2021-0068. Hoogerbrugge, R. et al. 2023: Uncertainty in the determined nitrogen deposition in the Netherlands. Status report 2023 RIVM-rapport 2022-0085 Kleijberg, R. 2020: Natura 2000-gebieden rond de Amsterdamse haven. Documentatie over de gevoeligheid van natuurgebieden voor stikstofdepositie. Rapport Arcadis, 4 februari 2020. KWR, Witteveen+Bos & Royal HaskoningDHV 2017: Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Boetelerveld. Vastgesteld Gedeputeerde Staten van Overijssel: 31 oktober 2017 Llinares, F. Munoz-Mingarro, D. Acero, N. Probanza. A. 1992. Temperol variaton of the total nitrogen concentration in aereal organs of nitrogen fixing en non fixing riparian species. Orsis 7: 125-130. Marra, W.A. et al. 2023: Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2023 Monitoring van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. RIVM-rapport 2023-0239 Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Ministerie EZ. 2015. Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestem-mingsplannen. 17 juni 2015. Ministerie van LNV 2006: Natura 2000 doelendocument.
Ministerie van LNV 2009: Profieldocumenten habitattypen H3130, H3160, H4010A, H6410, H7140, H7150 oorspronkelijke documenten 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2009. Ministerie van LNV 2008: Profieldocumenten habitattypen H4030, H91E0, H9190. Ministerie van LNV 2018: Ontwerp-wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden Ministerie van LNV 2021: Kamerbrief vervolgacties naar aanleiding van het eindrapport van het adviescollege meten en berekenen stikstof. Brief van 9 juli 2021 van minister Carola Schouten aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Kenmerk DGS/21173346. Ministerie van LNV 2022: Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ Directoraat-generaal Natuur en Visserij | DGNV-N2000/2022-000 | Aanwezige waarden (wijziging)
Provincie Overijssel 2016: Natura 2000 beheerplan, definitief, Boetelerveld. Provincie Overijssel 2017: Gebiedsanalyse Sallandse Heuvelrug Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Vastgesteld Gedeputeerde Staten van Overijssel: 31 oktober 2017 Provincie Overijssel 2022: Natuurdoelanalyse Boetelerveld. 7 december 2022 Provincie Overijssel 2023: Natuurdoelanalyse Sallandse Heuvelrug. 28 maart 2023 RVO 2016: Natura 2000-Beheerplan Sallandse Heuvelrug (42) Mei 2016 Smits, N.A.C., A.S. Adams, D. Bal & H.M. Beije 2014: Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Alterra Wageningen , Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken Provincie Gelderland 2017: Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057). Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland op 23 januari 2018. PAS 2017: PAS-Gebiedsanalyse Natura2000-gebied 057 Veluwe 1 PAS gebiedsanalyse 057 Veluwe, versie d.d. 15-12-2017 op basis van AERIUS Monitor 2016 (M16L). www.natura2000.nl SAB 2025: Deventer, Renovatie sportcentrum De Scheg, Onderzoek stikstofdepositie. 2 december 2025, projectnummer 250148.01. Sierdsema, H., A. van Kleunen, L. van den Bremer, L. Sparrius, J. Smit, A. Gmelig Meyling, T. Termaat, J. Kranenbarg, H. Hollander, R. Zollinger & J. Stahl 2016: Leefgebiedenkaarten van de Natura 2000-gebieden en PAS-gebieden. Sovon Vogelonderzoek Nederland i.o. BIJ12. Sierdsema H., H. ten Holt, S.
Martens, M. Nijssen & P. Verburg 2020: Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe. Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000. Steunpunt Natura 2000 2010: Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingsweg. Versie 27 mei 2010 Trouw 2024: In bossen komt veel meer stikstof terecht dan werd gedacht. Trouw van 11 september 2024. Van Dam, H., D. Tempelman, E. Brouwer, K. Hanhart, F.J.H. van Erve, B.F. van Tooren & A. Mertens 2017: Een eeuw monitoring van vennen in Midden-Brabant: basis voor adequaat beheer. Herman van Dam, Adviseur Water en Natuur, Amsterdam. Rapport 1410 / Stichting Semblis, Amsterdam / Onderzoekcentrum B-WARE B.V., Nijmegen / Eelerwoude B.V., Goor / Van Erve Natuuronderzoek, Haaren / Sieralgenwerkgroep Nederland, Bilthoven / Diatomella, Overasselt
Van Dobben, H. F. Bobbink, R. Bal, D. van Hinsberg, A. 2012: Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2397. Van Dobben, H. 2020. Effecten van stikstofdepositie op de natuur en de rol van de kritische depositiewaarde. Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht 2: 44-51. Van Duinhoven 2019: Wat doet een te veel aan stikstof in onze natuur? Vakblad natuur, bos, landschap 158, oktober 2019: 8-10. Van Manen, W. 2023: Toename zwarte spechten in Drenthe. De Levende Natuur 124 (2), 6267. Wardle, D. A. Jonsson, M. Bansal, S. Bardgett, R. D. Gundale, M. J. Metcalfe, D. B. 2012. Linking vegetation change, carbon sequestration and biodiversity: insights from island ecosystemt in a long-term natural experiment. Journal of Ecology 2012, 100: 16-30.
Websites Calculator.aerius.nl natura2000.eea.europa.eu/# pdokviewer.pdok.nl www.natura2000.nl www.ndff.nl www.wetten.nl www.rijksoverheid.nl www.rivm.nl Jurisprudentie HvJ EG 7 september 2004, ECLI:EU:C:2004:482 HvJ EU 16 februari 2012, ECLI:EU:C:2012:743, HvJ EU 11 april 2013, ECLI:EU:C:2013:220 HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:622 HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882 ABRvS 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5864 ABRvS 21 juli 2010, ECLI:NLRVS:2010:BN1891 ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 ABRvS 27 december 2012, ECLI:NLRVS2012:BY7360 ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312 ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3206 ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212 ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS2020:1110 ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125 ABRvS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:1960 ABRvS 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2752 ABRvS, 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299 ABRvS, 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:951
Bijlage 1: resultaten Aerius