2025-971-bijlage-VT Deventer DeScheg 250148 01 20251219
Tekst van het document
Deventer, Piet van Donkplein, renovatie De Scheg Voortoets stikstof Gemeente Deventer
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
19 december 2025, projectnummer 250148.01
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Opsteller: Collegiale toetser:
K. Konings I. Baijens
Datum oplevering: Projectnummer:
19 december 2025 250148.01
Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen zoals bedoeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zoals is beschreven in artikel 7.197j, lid 2, onder a van de Omgevingsregeling. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige. Dat neemt niet weg dat ecologisch onderzoek altijd een momentopname is. SAB is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassing van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van SAB. De opdrachtgever vrijwaart SAB voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres.
Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding
3
1.1
Situering en huidige situatie
3
1.2
Toekomstige situatie
5
1.3
Resultaten Aerius-calculator
6
Wettelijk kader en begrippen
9
2.1
Verstoring door stikstof: verzuring en vermesting
9
2.2
De voortoets en passende beoordeling
9
2.3
Het begrip Kritische Depositiewaarde
10
2.4
Het begrip significant
11
Generieke effectbeoordeling
14
3.1
Gevolgen significant?
14
3.2
Stikstof in het systeem
14
3.3
Meetbaarheid van de depositie
15
Rijntakken
20
4.1
Urgentie stikstofreductie
21
4.2
Habitattypen
25
4.3
Vogelrichtlijnsoorten
27
Boetelerveld
32
5.1
Habitattypen
33
5.2
Habitatrichtlijnsoorten
38
Sallandse Heuvelrug
40
6.1
Habitattypen
42
6.2
Vogelrichtlijnsoorten
45
6.3
Habitatrichtlijnsoort
48
Conclusie Geraadpleegde bronnen Bijlage: resultaten Aerius
49
1 Inleiding Gemeente Deventer is voornemens om sportcentrum De Scheg te renoveren. In het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in de Omgevingswet is de mogelijke stikstofuitstoot door het nieuwe project inzichtelijk gemaakt (SAB 2025). Uit de analyse van het project met het programma Aerius-Calculator 2025.0.1 blijkt, met de gehanteerde parameters, voor de gebruiksfase van de nieuwe inrichting, een toename van 0,01 mol N/ha/jaar op 6,9 ha gekarteerd Natura 2000-gebied. Dit zijn hexagonen in de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug die in het kader van de Omgevingswet relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. Een toename van de stikstofdepositie betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten ten gevolge van dit project, op basis van deze voortoets kunnen worden uitgesloten. Deze ecologische voortoets wordt in voorliggende rapportage uitgevoerd.
Figuur 1: Topografische kaart met globale aanduiding ontwikkellocatie (in rood)
1.1
Situering en huidige situatie Het voorliggende project betreft de renovatie van sport- en beweegcentrum De Scheg. De Scheg is gelegen aan het Piet van Donkplein en omvat een schaatsbaan, zwembad en sportzalen alsook andere faciliteiten zoals een breed aanbod aan (fysio)therapie. De directe omgeving betreft een gebied met sterke functiemenging waar zowel
3
woningen als kantoren, detailhandel, bedrijvigheid en maatschappelijke functies voorkomen. De Scheg ligt naast station Deventer Colmschate. Figuur 2 geeft de ligging van de ontwikkellocatie op luchtfoto weer.
Figuur 2: Luchtfoto van de ontwikkellocatie (in rood)
Projecten zoals het in dit rapport genoemde project kunnen door stikstofemissie effect hebben op habitattypen binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Gelet op de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied kan de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten verslechteren. Gezien het gegeven dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH3), kan plaatsvinden bij onder andere landbouw, gemotoriseerd verkeer, industrie en ook bij de verwarming van sportcomplexen, is het wettelijk vereist deze emissies in beeld te brengen.
4
Figuur 3: Ligging van het besluitgebied (blauw label ‘De Scheg’) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden: blauw aangewezen als Vogelrichtlijngebied, geel aangewezen als Habitatrichtlijngebied en groen aangewezen als zowel Vogelrichtlijn- als Habitatrichtlijngebied). Bron: Aerius
De volgende Natura 2000-gebieden liggen het dichts bij de ontwikkellocatie: - Rijntakken circa 2,8 kilometer; - Landgoederen Brummen circa 13,0 kilometer; - Sallandse Heuvelrug circa 13,2 kilometer; - Boetelerveld circa 14,1 kilometer; Niet de gehele Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstof. In de Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt tussen zeer gevoelige- en gevoelige- en niet gevoelige habitattypen. De meest actuele kaart van alle Natura 2000-gebieden is via de website van de provincie te raadplegen en niet per definitie opgenomen in het programma Aerius Calculator 2025.0.1. Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand van het besluitgebied gelegen en hier is geen sprake van een verhoogde stikstofdepositie ten gevolge van het project.
1.2
Toekomstige situatie Voorliggend project voorziet de renovatie van Sport- en Beweegcentrum De Scheg. Hier zijn momenteel brede faciliteiten aanwezig welke opgeknapt zullen worden. Het gaat om de volgende onderdelen: Renovatie van de schaatsbaan; Renovatie van het zwembad; Nieuwe entree;
5
Deze werkzaamheden zijn nader uitgewerkt en beschreven in het onderzoek stikstofdepositie (SAB 2025).
1.3
Resultaten Aerius-calculator Zoals eerder beschreven, zijn stikstofberekeningen uitgevoerd met Aerius-Calculator 2025.0.1. Daarbij blijkt dat alleen bij de aanlegfase een stikstofbelasting op de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug aan de orde zijn, waarbij tijdens de werkzaamheden in 2027 alle drie belast worden. De resultaten van deze berekening zijn weergegeven in onderstaande Tabel 1,Tabel 2 en
6
Tabel 3. Zie ook bijlage 1 voor de projectberekeningen met een overzicht van de reken-
resultaten. De stikstofbelasting ten gevolge van dit project vindt plaats op zeven voor stikstof gevoelige habitattypen (aangegeven met een H en codering), drie stikstofgevoelige leefgebiedtypen (aangegeven met Lg en een codering) en één zoekgebied voor een habitattype (aangegeven met zg en vervolgens het habitattype welke hier uitgebreid moet worden) in de genoemde drie Natura 2000-gebieden.Aangezien ook natuurwaarden waarvoor de kritische depositiewaarden/KDW naderend worden overschreden, beoordeeld moeten worden, wordt ook Lg08 Nat, matig en voedselrijk grasland beoordeeld. Als naderend overbelast geldt een stikstofdepositie die hoger is dan de KDW minus 70 mol. Tabel 1: Resultaten Aerius-berekeningen voor Rijntakken over 2027, zie ook bijlage 1.
Weergegeven zijn de verschillende belaste habitattypen in de drie onderhavige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de renovatie van Sport- en Beweegcentrum De Scheg in Deventer met onder ha: de berekende oppervlakte in hectaren van het betreffende habitattype dat belast wordt met de stikstofdepositie van dit project; KDW: de Kritische Depositie Waarde in mol N/ha/jaar; ∑ depositie: de hoogste totale depositie in mol N/ha/jaar (achtergronddepositie) inclusief de depositie ten gevolge van dit project, overschrijdingen van de KDW zijn rood gemarkeerd, naderend overbelast blauw en niet overbelast groen (zie ook bovenstaande tekst); +: hoogste stikstofdepositie op dit habitattype ten gevolge van dit project in mol N/ha/jaar.
Rijntakken Habitat- en Leefgebiedtypen 2027
ha
KDW
∑depositie +
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
2,75
1.071
1.873,54
0,01
Lg11
Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
0,1
1.357
1.376,25
0,01
Lg08
Nat, matig voedselrijk grasland
0,06
1.571
1.520,93
0,01
Tabel 2: Resultaten Aerius-berekening voor Boetelerveld in 2027, zie ook bijlage 1 en bijschrift tabel 1.
Boetelerveld Habitattypen 2027
ha
KDW
∑depositie +
H4010A
Vochtige heiden (hogere zandgronden)
1,78
1.071
2.081,27
0,01
H7150
Pioniervegetaties met snavelbiezen
0,7
1.071
2.139,90
0,01
ZGH3130
Zwakgebufferde vennen
0,02
500
2.068,13
0,01
7
Tabel 3: Resultaten Aerius-berekening voor Sallandse Heuvelrug in 2027, zie ook bijlage 1 en bijschrift tabel 1.
Sallandse Heuvelrug Habitattypen 2027
ha
KDW
∑depositie +
H4030
Droge heiden
0,89
714
2.055,19
0,01
H4010A
Vochtige heiden (hogere zandgronden)
0,29
1.071
1.941,78
0,01
H9999:42
Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H3160;H4030;H6230;H7110B).
0,26
714
1.869,26
0,01
H6230
Heischrale graslanden
0,02
714
1.980,14
0,01
8
2 Wettelijk kader en begrippen 2.1
Verstoring door stikstof: verzuring en vermesting Stikstofdepositie kan verzuring van bodem of water veroorzaken. Stikstof, in de vorm van stikstof(di)oxide (NOx) of ammoniak (NH3) komt daarbij via de lucht of het water in de bodem terecht. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. De verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem en water. Hierdoor zullen soorten die gedijen in meer basische omstandigheden, verdwijnen. Stikstofdepositie veroorzaakt ook vermesting. De groei in veel natuurlijke ecosystemen, zoals bossen, vennen en hooilanden, wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie in deze arme ecosystemen is in eerste instantie dat er extra groei optreedt. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. De leefgebieden van veel dieren, die afhankelijk zijn van planten, veranderen hierdoor. Naast een effect op de groeisnelheid van planten kan een hoge stikstofdepositie ook zorgen voor een onbalans in nutriënten in de vegetatie.
Planten kunnen hierdoor groeiverstoringen vertonen en ook de samenstelling van plantendelen, zoals bladeren, verandert hierdoor. Deze verandering werkt door in diergroepen die van de planten eten, zoals insecten of slakken. Deze dieren kunnen door de onbalans aan nutriënten verzwakken en tekorten vertonen aan bepaalde nutriënten. Op deze manier kunnen de effecten van hoge stikstofdeposities hele voedselketens beïnvloeden. Effecten hiervan zijn bijvoorbeeld het verdwijnen van bepaalde planten-, insecten-, slakken- en vogelsoorten uit gebieden die van nature arm aan nutriënten zijn zoals de Veluwe (Van Duinhoven 2019).
2.2
De voortoets en passende beoordeling Om een indicatie te krijgen van mogelijke negatieve gevolgen van projecten en plannen waarbij een toename te verwachten is van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, vindt een toetsing in twee stappen plaats (Europese Commissie 2019 en 2021, ECLI:NL:RVS:2020:212, ECLI:NL:RVS:2021:1960). Als bij een project een wijziging optreedt in de stikstofuitstoot waarvoor een omgevingsvergunning nodig kan zijn, moet de stikstofdepositie van het gehele project beoordeeld worden of deze bijdraagt aan het niet halen van instandhoudingsdoelstellingen in een Natura 2000-gebied. Het gaat daarbij enkel om de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied (dat zijn natuurwaarden waarvoor de kritische depositiewaarden/KDW naderend worden overschreden) zoals berekend in AERIUS Calculator. Indien deze stikstofdepositie,
9
waar het project aan bijdraagt, hoger is dan de KDW minus 70 mol, dan moeten de gevolgen van de stikstofdepositie van het project voor vaststelling van het project worden onderzocht. Als uit dat onderzoek volgt dat niet op basis van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het project op zichzelf of in combinatie met andere plannen/projecten significante gevolgen heeft voor het N2000-gebied1 (de zogenoemde voortoets), dan geldt een vergunningplicht en moet een passende beoordeling worden opgesteld. Bij de passende beoordeling mogen de effecten van verzachtende of mitigerende maatregelen worden betrokken (Europese Commissie 2019 en 2021). In een passende beoordeling moeten de gevolgen van de verandering ten opzichte van de referentiesituatie inzichtelijk worden gemaakt, in het licht van de specifieke omstandigheden van de betrokken Natura 2000-gebieden en rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen (ECLI:EU:C:2004:482; ECLI:NL:RVS:2024:951 onder 23.1). Het project kan in dat geval worden vastgesteld als en nadat de provincie Gelderland uit de aldus gemaakte passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (ECLI:NL:RVS:2023:3129).
Op basis daarvan moet inzichtelijk zijn dat de berekende depositietoenames de natuurlijke kenmerken voor deze gebieden niet aantasten (ECLI:NL:RVS:2020:212, onder 6.1; ECLI:NL:RVS:2022:3910, onder 119.3). In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een project toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn; ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen (Europese Commissie 2021).
2.3
Het begrip Kritische Depositiewaarde Voor de habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Deze KDW zijn bepaald op basis van de waarden in wetenschappelijke literatuur, op basis van veldexperimenten en op basis van modeluitkomsten (Bobbink en Hettelingh 2011). Wanneer in een Natura 2000-gebied de totale depositie de KDW van een habitattype overschrijdt, bestaat het risico dat deze depositie de kwaliteit van het habitattype significant aantast, als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed (Van Dobben et al. 2012, Van Dobben 2020). Een overschrijding van de KDW door de achtergronddepositie betekent niet dat iedere extra depositie op voorhand een significant gevolg heeft. Het betekent uitsluitend dat de mogelijkheid van een significante aantasting dan niet zonder meer afwezig is (ECLI:NL:RVS:2012:BY7360). De gevolgen van een extra depositie dienen in dat geval te worden onderzocht. Bij de beoordeling van de gevolgen van een toename van 1 Uit: Schema beoordelingskader intern salderen Bijlage bij persbericht bij uitspraak Afdeling bestuursrecht-
spraak van 18 december 2024 zaaknummer 202201311/1
10
stikstofdepositie dienen onder meer de instandhoudingsdoelstellingen te worden betrokken en ook dient een voldoende uitgebreide onderbouwing gegeven te worden (ECLI:NL:RVS:2021:415, Europese Commissie 2021).
2.4
Het begrip significant In de voortoetsfase of screeningsfase dient de waarschijnlijkheid van het optreden van significante gevolgen te worden beoordeeld (Europese Commissie 2021). Met een ‘waarschijnlijk significant gevolg’ wordt daarbij bedoeld: ‘elk redelijkerwijs te voorzien gevolg van een project dat een negatieve en significante invloed zou kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats en soorten met een beduidende aanwezigheid in het Natura 2000-gebied’ (Europese Commissie 2021). Maar wat wordt hier bedoeld met ‘significant’? Een richtsnoer van de Europese Commissie (Europese Commissie 2021) over de habitatrichtlijn geeft meer duidelijkheid. Uit deze richtsnoer blijkt dat verschillende onderdelen van de EU-wetgeving bepalingen bevatten, die moeten garanderen dat rekening wordt gehouden met de ecologische gevolgen van besluiten, voordat die besluiten worden genomen. Dit betreft onder meer artikel 6.3 van de Habitatrichtlijn, maar ook de richtlijn milieueffectbeoordeling (MEB) en de richtlijn strategische milieubeoordeling (SMB). Deze Europese richtlijnen vereisen allemaal dat projecten die significante gevolgen voor het milieu kunnen hebben, aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen, voordat zij worden toegestaan (Europese Commissie 2021). Ook bij de MEB- en SMB-richtlijn wordt dus gesproken over ‘significante’ gevolgen.
Uit de verdere teksten van zowel de MEB-richtlijn als de SMB-richtlijn blijkt vervolgens, dat het woord significant hier moet worden uitgelegd in de betekenis van ‘aanzienlijk’. Zo staat in artikel 2 van de MEB-richtlijn: “De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend.” En staat in artikel 3.1 van de SMB-richtlijn: “Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma's die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. ”Ook uit de Duitse tekst van de Habitatrichtlijn blijkt, dat het woord significant moet worden gelezen in de betekenis van ‘aanzienlijk'. Zo stelt de Duitse tekst van Habitatrichtlijn artikel 6.3 dat het gaat om: “Pläne oder Projekte die ein solches Gebiet erheblich beeinträchtigen könnte”’. Het Duitse ‘Erheblich’ laat zich vertalen als het Nederlandse ‘belangrijk of aanzienlijk’ (vandale.nl).
Voor projecten of activiteiten die enig gevolg hebben voor een Natura 2000-gebied dient dus niet noodzakelijkerwijs een passende beoordeling opgesteld te worden, maar het gevolg dient significant, oftewel aanzienlijk, te zijn, zo valt op te maken uit de tekst van de Habitatrichtlijn en het richtsnoer van de Europese Commissie (Europese Commissie 2021). Uit de overwegingen van Advocaat Generaal Sharpston (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48) blijkt dat het begrip ‘significant’ bedoeld is om een minimumdrempel te bepalen. “Indien namelijk alle plannen of projecten die enig gevolg
11
zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied passend beoordeeld zouden moeten worden, bestond het gevaar dat alle activiteiten op of nabij het gebied wegens overdreven wetgevingsijver onmogelijk werden.”, zo geeft Sharpston aan. Of een gevolg significant of aanzienlijk is, dient daarbij beoordeeld te worden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen (Europese Commissie 2021). Ook jurisprudentie maakt dit duidelijk, zoals de uitspraak over de kokkelvisserij (ECLI:EU:C:2004:482, r.o. 48): “…een plan of project dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied. In het kader van de inschatting van de effecten die dit plan of project kan hebben, moet de significantie van die gevolgen met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft”.
Figuur 4: Doorloopschema bepaling significantie. Bron: Steunpunt Natura 2000 (2010).
12
Of een gevolg aanzienlijk is, dient dus beoordeeld te worden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen die gelden voor de aangewezen habitats en soorten. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn in verschillende termen beschreven, zoals oppervlakte of omvang en kwaliteit van een leefgebied. Daarbij geldt dat wanneer een plan of project de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar dreigt te brengen, dat dit een plan of project is met significante gevolgen (Europese Commissie 2021). Een werkbare omschrijving van het begrip significant volgt verder uit de overweging van Advocaat Generaal Sharpston (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48): “Het vereiste dat de bedoelde gevolgen ‘significant’ zijn, beoogt een minimumdrempel te bepalen. Plannen of projecten die geen merkbare gevolgen voor het gebied hebben vallen erbuiten.” Uit bovenstaande overweging van Advocaat Generaal Sharpston valt dus op te maken, dat de gevolgen van een storingsfactor significant kunnen zijn als ze merkbaar zijn. De Nederlandse overheid heeft de ‘Leidraad bepaling significantie’ opgesteld, waarin een doorloopschema is weergegeven om te bepalen of een verstoring significant kan zijn (Steunpunt Natura 2000 2010). De werkwijze in die Leidraad sluit aan bij het merkbaar zijn van de gevolgen, zoals dat door Advocaat Generaal Sharpston werd benoemd. Het doorloopschema geeft stappen uit deze leidraad weer.
Zoals te zien is in het schema, wordt getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen die zijn vastgesteld voor de Natura 2000-gebieden. Daarbij gaat men er in de Leidraad vanuit, dat gevolgen pas significant kunnen zijn als ze leiden tot een meetbare aantasting van de instandhoudingsdoelstelling. Dit meetbare komt overeen met het merkbare zoals dat werd genoemd in de eerder aangehaalde overweging van Advocaat Generaal Sharpston (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48). Samenvattend kan gesteld worden dat van een significant gevolg sprake is, als een verstoring leidt tot een aanzienlijk gevolg voor de instandhoudingsdoelstellingen, een gevolg dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar dreigt te brengen. Een gevolg zal daarbij niet aanzienlijk zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen als dit niet leidt tot een merkbaar of meetbaar gevolg.
13
3 Generieke effectbeoordeling 3.1
Gevolgen significant? Zoals in paragraaf 1.3 beschreven, zal het nieuwe project leiden tot een toename van de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug op een aantal daar aanwezige habitattypen en leefgebied van een aantal vogelrichtlijn- en habitatrichtlijnsoorten. Bij zeven habitattypen, drie leefgebiedstypen en één zoekgebied voor een habitattype is sprake van een (naderende) overschrijding van de KDW door de achtergronddepositie. Deze leefgebied- en habitattypen zijn mogelijk gevoelig voor de gevolgen van extra stikstofdepositie. De vraag is of door de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van het nieuwe project, voor deze habitattypen een significant negatief gevolg voor de instandhoudingsdoelstellingen kan worden uitgesloten? Aangenomen kan worden dat verstoringen die niet leiden een merkbare aantasting van de instandhoudingsdoelstelling, niet significant zijn (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48). Onderzocht is of de maximale deposities die plaats kunnen vinden zo hoog zijn, dat dit tot een merkbaar gevolg voor de instandhoudingsdoelstelling zou kunnen leiden. Daarvoor is als eerste op een rij gezet hoe de berekende deposities zich verhouden tot de hoeveelheid stikstof die in de betreffende habitattypen en het beheer daarvan omgaat, paragraaf 3.2. In paragraaf 3.3.
is onderzocht of de deposities dusdanig hoog zijn, dat de gevolgen meetbaar zouden kunnen zijn. Het plaatst de beoordeling van de invloed van stikstof op habitattypen, beschreven in hoofdstuk 4 in het juiste perspectief. In deze hoofdstukken wordt uitgegaan van relevante hoeveelheden stikstof die een merkbaar effect hebben.
3.2
Stikstof in het systeem Eén mol N (stikstof) bevat 14 gram N (Van Dobben et al. 2012). De maximaal berekende depositie van 0,01 mol N/ha/j op de habitattypen komt dus overeen met een depositie van 0,14 gram stikstof per hectare, ofwel 0,000014 gram stikstof per vierkante meter, verspreid over een jaar. Om te bepalen of van deze depositie merkbare gevolgen te verwachten zijn is uitgewerkt hoe de stikstofdepositie zich verhoudt tot wat er aan stikstof in een aantal habitattypen omgaat (paragraaf 5.3.2.1) en met het noodzakelijke beheer afgevoerd wordt (paragraaf 5.3.2.2).
3.2.1
Stikstofkringloop De omvang van een bijdrage van 0,01 mol is in vergelijking met de totale stikstofkringloop van natuurlijke habitats met een biomassaproductie van tientallen kg N/ha/j te verwaarlozen. Het gaat dan over de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting. Bijvoorbeeld een vogelpoepje bevat 0,07 gram stikstof. Twee vogelpoepjes uitgesmeerd over 10.000 m2/één hectare zou dan net zoveel zijn als de maximale stikstofdepositie van
14
0,01 mol/ha. Een depositie van 0,01 mol N/ha/j komt overeen met 0,0124 - 0,031% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (wat niet het geval is, bijvoorbeeld door uitspoeling), zal dit niet leiden tot een meetbare verandering in groeisnelheid van individuele planten wat bijvoorbeeld zichtbaar wordt als verruiging. Gecontroleerde experimenten gericht op dosis-effect relaties, worden uitgevoerd met stikstof giften in stappen van kilogrammen (zie ook paragraaf 4.3.1). Het is daarmee onmogelijk dat de zeer geringe hoeveelheid extra stikstof van het nieuwe project voor een merkbare verandering kan zorgen in deze gebieden, omdat in het systeem een veel grotere hoeveelheid stikstof omgaat. 3.2.2
Beheer Veel natuurgebieden en zeker de Sallandse Heuvelrug en het Boetelerveld moet worden beschouwd als een, grotendeels, historisch cultuurlandschap met specifieke ecologische waarden die direct verbonden zijn met het gebruik door de mens. Voor het in stand houden van habitattypen als droge heiden, vochtige heiden, heischrale graslanden, pioniervegetatie met snavelbiezen, bloemrijk weidevogelgrasland en nat, matig en voedselrijk grasland zijn beheermaatregelen nodig waarbij organisch materiaal wordt afgevoerd. Het gaat dan om plaggen, chopperen of maaien, Beheer is - de laatste eeuwen - dan ook de belangrijkste sleutelfactor voor de meeste habitats en soorten. Dit houdt in dat maatregelen als plaggen, verwijderen opslag, begrazen en/of maaien nodig zijn voor de instandhoudingsdoelen. Regulier wordt met plag-, maaibeheer, verwijderen opslag en bijbehorende afvoer van het maaisel/plagsel een enorme hoeveelheden stikstof afgevoerd, met een orde grootte van duizenden mol N/ha (Cardinaals et al. 2019). Ook door middel van begrazing en houtoogst wordt stikstof afgevoerd. Dit tezamen is vele malen meer en variabeler dan de depositie van eenmalig 0,01 mol N/ha/jaar die de het nieuwe project zal genereren en maakt het onmogelijk om een merkbare invloed van de renovatie van het sportcomplex te onderscheiden.
3.3
Meetbaarheid van de depositie Zoals beschreven in het wettelijk kader van paragraaf 2.4, kan de aantasting van een instandhoudingsdoelstelling alleen significant zijn als de aantasting ook merkbaar of meetbaar is, zie ook de ‘Leidraad bepaling significantie’ van de overheid (Steunpunt Natura 2000 2010). Stikstofdepositie kan gevolgen hebben voor de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden. Hoe groot de stikstofdepositie moet zijn wil dit tot meetbare verandering van de kwaliteit van een habitattype leiden wordt in paragraaf 3.3.1 nader uitgewerkt. Daarnaast zijn er fluctuaties in ruimte en tijd die van invloed zijn op de feitelijke meetbaarheid en of een effect van stikstofdepositie merkbaar is (paragraaf 3.3.2) en de interactie met het watersysteem (paragraaf 3.3.3). Daarnaast betreft de activiteit bouwen geen nieuwe activiteit in deze omgeving en wordt ingegaan op de vraag of deze bouwactiviteit geen onderdeel is van de achtergronddepositie (paragraaf 3.3.4).
15
3.3.1
Bepalen kritische depositiewaarden De kritische depositiewaarden (KDW’s) van habitattypen zijn bepaald met speciaal daarvoor opgezette onderzoeken en veldexperimenten. Bij dergelijke onderzoeken wordt aan vegetaties gedurende kortere of langere tijd extra stikstof toegevoegd, waarna wordt onderzocht hoe de vegetaties en de bodemeigenschappen op deze extra stikstofgift reageren. Vaak bestaan deze experimenten uit zogeheten ‘trappenproeven’, waarbij aan de vegetatie oplopende hoeveelheden stikstof wordt aangeboden, bijvoorbeeld 10, 20, of 50 kg/ha/j (Van Dobben 2020). Op basis van dergelijke experimenten, maar ook op basis van modeluitkomsten, worden vervolgens de Kritische Depositiewaarden bepaald. Deze KDW’s worden veelal beschreven in de vorm van ranges (bandbreedtes). Deze ranges beschrijven enerzijds de variatie in kritische depositiewaarden als gevolg van verschillen in gevoeligheid binnen een ecosysteem en anderzijds de betrouwbaarheidsmarges als gevolg van methodische onzekerheden. Deze ranges worden weergegeven in kilogrammen stikstof per hectare per jaar (Bobbink en Hettelingh 2011, Van Dobben et al. 2012, Caporn et al. 2016). Voor Nederland zijn vervolgens ook nauwkeuriger KDW’s vastgesteld, op basis van literatuur en modeluitkomsten.
De KDW’s van de Nederlandse habitattypen en leefgebieden zijn vastgesteld in kilogram stikstof per hectare per jaar De KDW’s van de habitattypen en leefgebieden zijn dus bepaald tot op één kilogram nauwkeurig. Maar niet nauwkeuriger. Vervolgens werden de KDW’s omgerekend naar KDW’s in mol per hectare, door te vermenigvuldigen met 71,43 (zie het navolgend citaat).
Een uitsnede uit de tekst van het achtergronddocument. Kritische depositiewaarden werden eerst bepaald in kilogrammen stikstof per hectare per jaar en werden vervolgens omgerekend naar mol/ha/j. Bron: Van Dobben et al. 2012.
Er bestaan dus bijvoorbeeld KDW’s voor habitattypen en leefgebieden die overeenkomen met een depositie van 15 kg/ha/j, zoals de KDW’s van de habitattypen Lg13 en H9120. Ook bestaan er KDW’s die overeenkomen met een depositie van 14 kg/ha/j, zoals voor het habitattype H2190A. Maar tussenliggende KDW’s, die bijvoorbeeld overeenkomen met een depositie van 14,3 kg/ha/j of 14,32 kg/ha, bestaan niet. Met een dergelijke nauwkeurigheid kunnen de KDW’s niet worden vastgesteld. De methoden zijn daarvoor te grof. Uit de veldstudies en experimenten, waarbij aan vegetaties kunstmatig extra stikstof wordt toegediend, blijkt dus dat dat de gevolgen van één kilogram aan stikstofdepositie in een vegetatie meetbaar of waarneembaar kunnen zijn. Eén kilogram stikstof per hectare per jaar komt overeenkomt met circa 71,4 mol per hectare per jaar. Dit impliceert dat de gevolgen van een extra depositie die enige tientallen mol per hectare per jaar groot is, waarneembaar of meetbaar zou kunnen zijn. Maar het feit dat bij dergelijke studies de KDW’s niet kunnen worden bepaald tot op de milligram, gram of honderd gram stikstofdepositie nauwkeurig, geeft ook aan dat de gevolgen van een extra
16
stikstofdepositie die veel kleiner is dan een toevoeging van één kilogram stikstof per hectare per jaar niet zijn waar te nemen. Het nieuwe project dat hier wordt onderzocht leidt tot een extra stikstofdepositie van eenmalig 0,01 mol N/ha/j ofwel 0,14 gram N/ha. Aangezien deze depositie van maximaal 0,14 gram per hectare veel kleiner is dan één kilogram stikstof per hectare per jaar, zal het gevolg van deze depositie niet meetbaar of waarneembaar zijn. 3.3.2
Fluctuaties in stikstofdepositie De totale stikstofdepositie of achtergronddepositie uit de lucht varieert binnen het Natura 2000-gebied, waarbij de vegetatiestructuur een grote rol speelt. Vooral in bossen komt veel meer stikstof terecht, zelfs meer dan het Aerius-model berekent, zo blijkt uit recent onderzoek (Trouw 2024). Het gaat daarbij om een gemiddelde stikstofneerslag van 50 kg per hectare in bossen waarbij geen grote verschillen waargenomen werden tussen de 127 onderzochte locaties. Afgezet tegen de gemiddelde stikstofneerslag voor Nederland van minder dan 20 kg per hectare of de depositie in de bossen die onderdeel zijn van deze voortoets van omgerekend gemiddeld 26 kg/ha is een depositie van 0,14 gram/ha, verwaarloosbaar in verhouding tot dit verschil. Bovendien fluctueert de achtergronddepositie van jaar tot jaar, door onder meer verschillen in temperatuur, neerslag en windrichting. Hierdoor kunnen van jaar tot jaar variaties in de achtergrondconcentratie optreden in de orde van grootte van 10% (CLO 2024). Voor deze locaties houdt dit dus in dat de achtergrondconcentratie van jaar tot jaar met circa 150 tot 250 mol varieert. De berekende depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jr valt in het niet bij deze jaarlijkse variatie in de achtergronddepositie.
Deze en andere fluctuaties en onzekerheden maken dat in de door de stikstofmodellen berekende stikstofdepositie een mate van onzekerheid zit, volgens het RIVM. De onzekerheid wordt uitgedrukt met een standaarddeviatie (of standaardafwijking). De onzekerheid hangt ook af van het gebied waarover de depositie is berekend en de grootte daarvan. Hoe groter het gebied is, hoe kleiner de onzekerheid. De standaarddeviatie van de lokaal berekende depositie (op 1 ha of 1 km² schaal) is ongeveer 35 procent. De standaarddeviatie van de landelijk gemiddelde depositie is maximaal 15 procent van de berekende waarde. Deze standaarddeviatie van 35 procent betekent dat de kans 95 procent is dat de daadwerkelijke depositie tussen waarden ligt die 35 procent hoger en lager dan het weergegeven cijfer (Hoogerbrugge 2023), zie onderstaande tabel. Binnen deze range van meer dan 900 mol/ha is het onmogelijk om te spreken van een merkbaar- en of meetbaar effect van 0,01 mol N/ha.
17
Tabel 4: Voor twee habitattypen (met de hoogste en laagste totale stikstofdepositie, weergegeven als ∑depositie in mol/ha/jaar) is de 35% standaarddeviatie weergegeven in de hoogste en laagste depositiewaarde van het 95% betrouwbaarheidsinterval. Onder ∆ is deze range gekwantificeerd met daarnaast de depositie waar het bij deze habitattypen om gaat (op basis van Hoogerbrugge et al. 2023 en Aerius 2024).
Habitattype
∑depositie -35%
+35%
∆
H7150
2.140 mol
2.889
1.498
Pioniervegetaties met
1.391
snavelbiezen Lg11
Kamgrasweide &
0,01mol
mol 1.376 mol
894
bloemrijk weidevogel-
1.858
964
0,01mol
mol
grasland
3.3.3
Invloed van grondwater Of instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald is afhankelijk van een complex aan factoren, stikstof is er daar één van, AERIUS belicht enkel dat aspect voor zover het uit de lucht neerslaat. In de Natura 2000-gebieden wordt voor een aantal habitattypen gewezen op het belang van voldoende grondwater voor het halen van instandhoudingsdoelstellingen, het gaat dan met name om vochtige heide, pioniervegetaties met snavelbiezen en zwakgebufferde vennen. Deze overbelaste habitattypen zijn dan ook afhankelijk van de aanvoer van voldoende gebufferd grondwater (kwelwater). Grondwater kan het verzurende effect van stikstofdepositie compenseren door de aanwezigheid van basische mineralen. De afwezigheid van de grondwaterinvloed maakt vegetaties gevoeliger voor met name verzuring omdat regenwater van nature (dus ook zonder de door mensen veroorzaakte stikstof) een verzurend effect heeft. Stikstofdepositie versterkt dat effect. Kortom voor een aantal habitattypen in deze Natura 2000-gebieden is stikstof een groot probleem omdat het watersysteem verandert dan wel veranderd is. Het kwantificeren van dat effect is zo goed als onmogelijk, het gaat om de bufferende kwaliteit van grondwater en de hoeveelheid grondwater.
Echter over het merkbaar en meetbaar zijn van de effecten hebben we onder 3.3.1 uitgewerkt om hoeveel stikstof het gaat om merkbaar te zijn in de vegetatie en dat zijn veelvouden van de onderhavige 0,01 mol/ha/j. Bovendien zorgt verdroging al dan niet veroorzaakt door verminderde grondwaterinvloed, op niet al te zure bodems ervoor dat organische stof in de bodem beter wordt afgebroken. Dat is mogelijk aan de orde in een deel van de vochtige heiden. Door de mineralisatie van organische stof komen veel extra voedingsstoffen vrij, zowel stikstof als fosfaat (Bobbink et al. z.j.). Verdroging leidt zodoende ook tot vermesting. In bodems met veel organische stof, is dit extra urgent. Verdroging, al dan niet tijdelijk, zorgt dus voor vermesting waarbij het onmogelijk is om daarbij onderscheid te maken tussen vermesting veroorzaakt door depositie of verdroging, zeker bij de voorliggende kleine hoeveelheden.
18
3.3.4
Achtergronddepositie Het te renoveren sportcomplex bevindt zich in het stedelijk gebied van Deventer. De stikstofbelasting wordt veroorzaakt door de inzet en transport van materieel voor de bouw. Dit betreft geen nieuw fenomeen in deze omgeving er werden immers regelmatig huizen en voorzieningen gebouwd en verbouwd. Zo werd al voor de inwerkingtreding van de gebiedsbescherming voor deze gebieden in 2013, van machines voor de bouw gebruik gemaakt en steeds op een wisselende plek in stedelijk gebied. Daarbij zijn mogelijk wel de bouwvolumes niet vergelijkbaar echter in het verleden werd enkel van door fossiele brandstof aangedreven machines gebruik gemaakt in tegenstelling tot onderhavig project. Er kan daarom gesteld worden dat in beginsel geen sprake is van een nieuwe activiteit en dus een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met het verspreidingseffect van met name NOx, per jaar tot een bepaalde stikstofemissie en -depositie leidt die onderdeel is van de landelijke achtergronddepositie die altijd al aanwezig was en daardoor niet in de cumulatie betrokken hoeft te worden.
Volgens BIJ12 die de samenwerkende provincies ondersteunt bij de uitvoering van wettelijke taken, kan deze analyse worden gevolgd in de Voortoets indien het gaat om tijdelijke depositie - op een (naderend) overbelast stikstofgevoelig habitat - ten gevolge van de inzet van materieel ten behoeve van de aanlegfase, van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar, gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan (BIJ12 2021, blz 12). In onderhavig project is de stikstofdepositie per hectare in totaal maximaal 0,01 mol in 2027.
19
4 Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat 4 deelgebieden: 1. Uiterwaarden IJssel; 2. Uiterwaarden Neder-Rijn; 3. Gelderse Poort; 4. Waal. Het door dit project met stikstof belaste Natura 2000-gebied maakt onderdeel uit van deelgebied Uiterwaarden IJssel, In 2014 is de Rijntakken aangewezen als Natura 2000-gebied door de Staatssecretaris van Economische Zaken. De stikstofdepositie van het project op het Natura 2000-gebied Rijntakken vindt plaats op een paar hexagonen in de buurt van Deventer. Overschrijding van de KDW waar het nieuwe project aan bijdraagt is aan de orde op twee stikstofgevoelige habitattypen, aangeduid met H en cijfercode (zie ook Tabel 1) en drie stikstofgevoelige leefgebieden aangeduid met de letters ‘Lg’ en een cijfer, zie paragraaf 1.3. Voor de leefgebieden zelf zijn geen instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, wel voor de soorten waarvoor deze leefgebieden van belang zijn, deze worden hieronder en in 4.3 uitgewerkt. De informatie in dit hoofdstuk is met name gebaseerd op de Natuurdoelanalyse (NDA) Rijntakken (Arcadis 2023), het Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (Provincie Gelderland 2018) en de PAS Gebiedsanalyse (Provincie Gelderland 2017). De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Rijntakken zijn concreet gemaakt in beschermde habitattypen, vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten, zie voor een opsomming daarvan
20
Tabel 5.
Onderzocht dient te worden of aan de hand van beschermde habitattypen en soorten, significant negatieve effecten van de ontwikkeling op voorhand uit te sluiten zijn. Voor projecten of activiteiten die mogelijk kunnen leiden tot significante schade geldt een vergunningplicht.
4.1
Urgentie stikstofreductie Zoals in de paragrafen hiervoor werd omschreven, overschrijdt bij twee leefgebieden en een habitattype de achtergronddepositie momenteel de KDW. Het project draagt bij aan deze overschrijding, maar veroorzaakt hem niet. In de volgende paragrafen wordt beschreven wat de gevoeligheid is van de specifieke habitattypen en leefgebieden voor extra stikstofdepositie en hoe deze zich verhoudt tot andere stressfactoren. Hier wordt eerst besproken welke urgentie voor verbetering bestaat in verband met de (naderende) overschrijdingen van de KDW.
21
Tabel 5: Alle habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels (met codering) waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen en waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd (Bron: www.natura2000.nl/). De betreffende habitattypen en soorten die mogelijk belast worden met de stikstofdepositie van onderhavig project zijn vet gedrukt.
Habitattypen
Habitatrichtlijnsoorten
Broedvogels
Niet-broedvogels
H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
H1095 – Zeeprik
A004 - Dodaars
A005 - Fuut
H3260B - Beken en rivieren met waterplanten
H1099 – Rivierprik
A017 - Aalscholver
A017 - Aalscholver
H3270 - Slikkige rivieroevers
H1102 – Elft
A021 - Roerdomp
A037 - Kleine zwaan
H6120* - Stroomdalgraslanden
H1106 – Zalm
A022 - Woudaap
A038 - Wilde zwaan
H6430A - Ruigten en zomen
H1134 – Bittervoorn
A119 - Porseleinhoen
A041 - Kolgans
H6430B - Ruigten en zomen
H1145 - Grote modderkruiper
A122 - Kwartelkoning
A043 - Grauwe gans
H6430C - Ruigten en zomen
H1149 - Kleine modderkruiper
A153 - Watersnip
A045 - Brandgans
H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
H1163 - Beek/Rivierdonderpad A197 - Zwarte stern
A048 - Bergeend
H6510B - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
H1166 - Kamsalamander
A229 - IJsvogel
A050 - Smient
H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst
H1318 – Meervleermuis
A249 - Oeverzwaluw
A051 - Krakeend
H91E0A* - Vochtige alluviale bossen
H1337 – Bever
A272 - Blauwborst
A052 - Wintertaling
H91E0B* - Vochtige alluviale bossen
H1355 – Otter
A298 - Grote karekiet
A053 - Wilde eend
Broedvogels
A054 - Pijlstaart
H91E0C* - Vochtige alluviale bossen H91F0 - Droge hardhoutooibossen
A056 - Slobeend A059 - Tafeleend A061 - Kuifeend A068 - Nonnetje A125 - Meerkoet A130 - Scholekster A140 - Goudplevier A142 - Kievit A151 - Kemphaan A156 - Grutto A160 - Wulp A162 - Tureluur A702 - Toendrarietgans
22
Figuur 5: Uitsneden uit het resultaat van de Aerius-berekening voor renovatie van De Scheg (zie bijlage 1 voor het overzicht). Weergegeven zijn de hexagonen (licht paarse zeshoeken) met voor stikstof gevoelige habitattypen waarop een toename ≥ 0,00 mol/ha/jr door de ontwikkeling is berekend voor Natura 2000-gebied Rijntakken. Paarse velden zijn de stikstofgevoelige relevante habitattypen: donker paars zeer gevoelig en licht paars minder gevoelig, groen en geel geven de begrenzing van het Natura 2000-gebied aan. Bron: Aerius-Calculator 2025.0.01.
Door menselijke activiteiten bestaat al jaren een te hoge depositie van stikstof op sommige habitattypen en leefgebieden. Omdat er in elk opvolgend jaar een depositie blijft bestaan stapelen de negatieve effecten op. Het is belangrijk om de hoogste prioriteit te geven aan de gebieden waar de KDW in de hoogste mate wordt overschreden en waar (het risico op) verslechtering dus het grootste is. Onderzoekscentrum B-WARE (2024) heeft in dit kader voor een groot aantal stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Nederland de urgentie voor stikstofreductie ingeschat, op basis van het oppervlak met overschrijding (%), de mate van overschrijding en de herstelbaarheid van een habitattype/leefgebied, zie Tabel 6. Hiermee is een indeling gemaakt van gebied waar geen urgentie bestaat, lage urgentie bij een kleine mate van en/of gebied met overschrijding (geel), urgentie waar een hogere mate en/of groter gebied is maar wel maatregelen beschikbaar zijn (oranje), een hoge urgentie waar een hoge mate en/of groot gebied met overschrijdingen is en geen geschikte maatregelen beschikbaar zijn (rood).
23
Figuur 6: Uitsneden uit het resultaat van de Aerius-berekening voor renovatie van De Scheg. Weergegeven zijn de hexagonen (licht paarse zeshoeken) met voor stikstof gevoelige habitattypen waarop een toename ≥ 0,00 mol/ha/jr door de ontwikkeling is berekend voor Natura 2000-gebied Rijntakken. Paarse velden zijn de stikstofgevoelige relevante habitattypen: donker paars zeer gevoelig en licht paars minder gevoelig, groen en geel geven de begrenzing van het Natura 2000-gebied aan. Bron: Aerius-Calculator 2025.0.01.
Dit is een indicatie van de hoogste urgentie waar zo snel mogelijk gehandeld moet worden. Het betekent niet dat de natuur in habitats en leefgebieden zonder urgentie in een goede staat verkeert, hier moet de stikstofdepositie alsnog gereduceerd worden. Er is hier echter meer tijd beschikbaar voor reductie en er zijn maatregelen die toegepast kunnen worden om verbetering te bewerkstelligen. De leefgebieden die bij voorliggend project een overschrijding ondervinden zijn niet in de Tabel 6 opgenomen, op basis van de bovenstaande factoren (oppervlak, mate en herstelbaarheid van overschrijding). Hier bestaat dus (relatief gezien) geen urgentie voor een verlaging van stikstofdepositie.
24
Tabel 6: Urgentie stikstofreductie voor de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Mate van urgentie gebaseerd op % oppervlak met overschrijding in 2021 (geel = < 30%, oranje = 30-50% en rood = > 50%); inschatting van de mate van overschrijding in 2021 (geel = gering, oranje = medium en rood = hoog) en inschatting van de herstelbaarheid (groen = tamelijk goed, oranje = matig, rood = slecht en wit = onbekend). (bron: B-WARE 2024)
4.2
Habitattypen Zoals in de paragrafen hiervoor is omschreven, overschrijdt bij één habitattype de achtergronddepositie momenteel de KDW. Hieronder wordt beschreven wat de gevoeligheid is van het onderhavige habitattype voor extra stikstofdepositie en hoe deze zich verhoudt tot andere stressfactoren. De informatie in dit hoofdstuk is met name gebaseerd op de Natuurdoelanalyse (NDA) Rijntakken (Arcadis 2023), het Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (Provincie Gelderland 2018) en de PAS Gebiedsanalyse (Provincie Gelderland 2017).
25
4.2.1
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst Dit habitattype is voor de Rijntakken opgenomen in het Wijzigingsbesluit. Het komt op enkele plaatsen voor langs de randen van het IJsseldal op rivierduinen en op overgangen naar de Veluwe. Omdat het habitattype niet opgenomen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse is nog niet uitgewerkt op welke wijze instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering) gerealiseerd kunnen worden. Het habitattype betreft bossen met beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag. Het type komt voor op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Het type neemt een tussenpositie in tussen H9190 Oude eikenbossen en anderzijds de H9160 Eiken-haagbeukenbossen. Tot het habitattype behoren alleen de bosopstanden op moderpodzolgronden, lemige humuspodzolgronden, oude kleigronden of leemgronden en op bosgroeiplaatsen ouder dan 1850 of in een daaraan grenzende minimaal honderdjarige bosopstand. Op deze gronden is de beuk concurrentiekrachtig en zal in de loop van de successie gaan domineren ten koste van de zomereik. Ten opzichte van de eiken-haagbeukenbossen komen de beuken-eikenbossen met hulst voor op plekken zonder grondwaterinvloed. Uitbreiding en kwaliteitsverbetering van deze bossen is dus alleen mogelijk op daartoe geschikte bodems.
Deze komen voor buiten het bereik van de rivier, en dus op hooggelegen rivierduinen of overgangen naar de stuwwallen. Daar sluiten ze aan op voorkomens van het habitattype in het Natura 2000-gebied Veluwe. Maatregelen voor dit habitattype kunnen daar dus ook in samenhang met de herstelprogramma’s voor de Veluwe worden getroffen. Op rivierduinen met geschikte bodems waar het habitattype nu al voorkomt kan gezocht worden naar uitbreidingen die op langere termijn (100 jaar) kunnen kwalificeren als het habitattype. De instandhoudingsdoelstelling van dit bostype is in 2022 in het Wijzigingsbesluit opgenomen. Het habitattype komt alleen langs de IJssel voor, op verschillende locaties: bij de Hezenberg, bij Klooster Hulsbergen, bij Fortmond en bij Gorssel (Eester Loo). In de eerste drie gevallen komt het in combinatie met andere boshabitattypen voor (H91E0B* en H91F0). In alle gevallen gaat het om oude bosgroeiplaatsen en deels zijn het tevens oude eikenopstanden. Volgens de meest recente habitattypenkaart is 18ha van het habitattype aanwezig. Van dit oppervlak bevindt 7,6 ha zich bij Hoenwaard, 0,4 ha bij Fortmond en rondom Klooster Hulsbergen en 10 ha in de Ravenswaarden. In het Wijzigingsbesluit wordt genoemd dat behoud van kwaliteit de instandhoudingsdoelstelling is, omdat de kwaliteit goed genoeg is.
In de meest recente habitattypenkaart wordt de kwaliteit over alle gekarteerde oppervlakten als goed weergegeven. Er zijn in de NDA (Arcadis 2023) dan ook geen knelpunten aangegeven voor H9120. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel een knelpunt voor het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst, aangezien hierdoor snelgroeiende soorten, zoals grassen en blauwe bosbes en de beuk bevorderd worden. Hierdoor kan versneld successie plaatsvinden met dominantie van beuken ten koste van structuurvariatie en
26
typische oude bossoorten. Op basis van documentatie over deze gebieden, habitattypen en onderliggende documentatie wordt geconcludeerd dat een toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/j niet leidt tot een merkbare extra verzuring en vermesting van de bodem en er niet toe kan leiden dat merkbare veranderingen in de kenmerkende vegetatie optreedt, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen in de vegetatie optreden. Zie ook hoofdstuk 3 voor een nadere uitwerking hoe deze depositie van 0,01 mol N/ha zich verhoudt tot de stikstof die in deze ecosystemen rondgaan, tot processen in deze systemen en wat meetbaar is. Van een merkbare of meetbare aantasting van de omvang van het habitattype beuken-eikenbossen met hulst of een verslechtering van de kwaliteit van dit habitattype, zal geen sprake zijn. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project op de natuurlijke kenmerken van habitattype beuken-eikenbossen in het Natura 2000-gebied Rijntakken is daarmee op voorhand en met zekerheid, uitgesloten.
4.3
Vogelrichtlijnsoorten De vogelrichtlijnsoort kwartelkoning maakt binnen de Rijntakken gebruik van stikstofgevoelig leefgebied Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk grasland. Verder maakt de watersnip gebruik van stikstofgevoelig leefgebied Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk grasland. Deze soorten wordt daarom in deze voortoets nader beschouwd. De overige soorten uit
27
Tabel 5 zijn of niet aangemerkt als gevoelig voor stikstofdepositie zoals alle nietbroedvogels (Arcadis 2023) of ondervinden geen effect van onderhavig project. Tabel 7: De vogelrichtlijnsoorten waarvan het leefgebied belast wordt door stikstof ten gevolge van dit project, de relevante Natura 2000 leefgebied- en habitattypen, de onderhavige stikstofbelasting in mol N/ha/jaar en of de het betreffende leefgebied-/habitattype voor de soort van belang is (Smits et al. 2014, Arcadis 2023). In de kolom ‘opp. belast’ is het oppervlakte habitat- en leefgebiedstype voor betreffende soort waarop deze beoordeling betrekking heeft.
N2000-type
Lg08
H9120
Lg11
Opp.
stikstofbelasting
0,01
0,01
0,01
belast
v
0,10 ha
v
0,16 ha
Kwartelkoning Watersnip
V
Tabel 8: Doelen ten aanzien van de kwartelkoning volgens het aanwijzingsbesluit in de zin van behoud of uitbreiding/verbetering van leefgebied en populatie / gekwantificeerd in draagkracht van het leefgebied voor aantallen broedparen, > verbetering (www.natura2000.nl).
Broedvogels
4.3.1
Doelen: Omvang
Kwaliteit
leefgebied
leefgebied
Populatie/Draagkracht aantal broedparen
Kwartelkoning
>
>
160
Watersnip
=
=
17
Kwartelkoning De stikstofgevoeligheid van de vogelrichtlijnsoort kwartelkoning komt vooral voort uit het feit dat de kwartelkoning ten dele afhankelijk is van leefgebied Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied. Hiervan wordt respectievelijk 0,06 en 0,10 ha belast door onderhavig project in 2027. Van Lg08 is 274,22 ha gekarteerd, onderhavige stikstofbelasting is dus aan de orde op hoogstens 0,02% van de oppervlakte. Van Lg11 is 417,45 ha gekarteerd, onderhavige stikstofbelasting is dus aan de orde op hoogstens 0,02% van de oppervlakte. Kwartelkoningen broeden later dan veel weidevogels: de dieren kiezen in mei hun broedgebied. In de loop van de zomer volgt een tweede legsel. De kwartelkoning heeft een relatief korte levensduur. De tweede legsels zijn daarom essentieel voor een duurzame populatie. Kwartelkoningen zijn langs de Rijntakken voor hun broedgebied afhankelijk van graslanden met een late maaidatum. Volgens de Herstelstrategie Kamgrasweide & Bloemrijk is zeer aannemelijk dat vogelrichtlijnsoorten als kwartelkoning hinder kunnen ondervinden van stikstofdepositie, vanwege het feit dat toevoer van stikstof in kamgrasweiden leidt tot een verhoogde productie van vooral hoge grassoorten. De verruiging vermindert de beschikbaarheid van prooidieren voor vogelsoorten (Nijssen et al. z.j.).
28
Echter, de natuurdoelanalyse (Arcadis 2023) telt dat stikstof voor de kwartelkoning geen drukfactor van betekenis is. De zeer negatieve trend van de kwartelkoning in de Rijntakken van de laatste jaren heeft de stand van de soort ver beneden de instandhoudingsdoelstelling van 160 broedparen gebracht. In 2023 werd wat dat betreft een nieuw dieptepunt bereikt. In heel Nederland zijn toen slechts elf territoria van de kwartelkoning vastgesteld. Het is daarnaast ook een zeer forse daling ten opzichte van de aantallen in 2022, toen circa 60 kwartelkoningen werden geteld (Boele et al. 2024). De enige plek in 2023 waar de kwartelkoning nog langs de Rijntakken werd aangetroffen, bevond zich langs de IJssel (1 territorium) (Boele et al. 2024). Deze schommelingen hebben deels te maken met ontwikkelingen in het volledige Europese leefgebied van de soort. Vestiging van de soort is sterk afhankelijk van een regime van late maaidata, of invoering van maatregelen als natuurbraak en akkerrandenbeheer (Arcadis 2023). De maatregelen in het beheerplan (Provincie Gelderland 2018) zijn hierop gericht, en zullen leiden tot versterking van de draagkracht van de Rijntakken voor de soort. Daarmee wordt de instandhoudingsdoelstelling, uitbreiding en kwaliteitsverbetering van het leefgebied gerealiseerd.
Of dit ook leidt tot herstel van de populatie tot aantallen die in de buurt van het populatiedoel komen is onzeker, en hangt mede af van ontwikkelingen in het hele leefgebied van de soort, met name de broedgebieden in Europa en overwinteringsgebieden in Afrika. Het eindoordeel in de natuurdoelanalyse is gebaseerd op de draagkracht van het gebied voor de kwartelkoning, omdat maatregelen alleen hierop gericht kunnen worden. Omdat behoud van draagkracht geborgd is, en verdere uitbreiding en kwaliteitsverbetering in zicht is, luidt het eindoordeel voor het doelbereik “ja” (Arcadis 2023). Met andere woorden, de natuurdoelanalyse levert de ecologische onderbouwing dat het vastgestelde pakket maatregelen realisatie van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk maakt door het op orde brengen van de condities daarvoor. De seinen staan op groen. Verslechtering van habitats is niet aan de orde, instandhoudingsdoelstellingen zijn binnen bereik en kunnen op termijn worden behaald. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel mogelijk een knelpunt voor de kwartelkoning aangezien door stikstof een verslechtering van het voedselaanbod kan veroorzaken.
Op basis van documentatie over deze soort en onderliggende documentatie zijn we tot de conclusie gekomen dat een toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha op 0,06 ha (Lg08) en 0,1 ha (Lg11) in 2027 niet leidt tot een merkbare extra verslechtering van de leefomstandigheden voor de kwartelkoning optreden, omdat er bij dergelijke kleine toenames geen merkbare of meetbare veranderingen optreden (zie ook hoofdstuk 3) met een merkbaar effect op de populatie kwartelkoning. Invloed op het niet halen van instandhoudingsdoelstellingen voor kwartelkoning in het Natura 2000-gebied Rijntakken is daarmee uitgesloten. Significant negatieve effecten ten gevolge van het voorgenomen project kunnen op voorhand met zekerheid, worden uitgesloten.
29
4.3.2
Watersnip De watersnip broedt in natte hooilanden en pas gemaaid drassig rietland: de broedbiotoop omvat moerassig laagveen, hoogveen en natte heiden, en zeer vochtige schrale graslanden op veengrond of in uiterwaarden en open beekdalen. In de loop van de zomer volgt een tweede legsel. Watersnippen zijn langs de Rijntakken voor hun broedgebied afhankelijk van graslanden met een waterstand vlak onder het maaiveld, met overstroomde gebieden waar het water recent uitgezakt is, of met hoogteverschillen waardoor er een variatie aan waterdieptes is. De oppervlakte van de broedbiotoop hoeft niet groot te zijn en overlapt met de voedselbiotoop. Voor het voedsel is van belang dat de grond waterig of modderig is, zacht genoeg om wormen, insectenlarven en andere ongewervelden uit de bodem te foerageren. Volgens de PAS-analyse voor Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland is zeer aannemelijk dat vogelrichtlijnsoorten als watersnip hinder kunnen ondervinden van stikstofdepositie, vanwege het feit dat toevoer van stikstof in natte graslanden leidt tot een verhoogde productie van vooral hoge grassoorten. De verruiging vermindert de beschikbaarheid van prooidieren voor vogelsoorten. Ook bij een lage stikstofgift neemt de diversiteit van planten en ongewervelden in graslanden af en de dichtheid van vegetatie toe, wat foerageren bemoeilijkt (provincie Gelderland 2017).
Naast stikstofdepositie uit de lucht wordt de stikstofconcentratie in dit leefgebied ook verhoogd door onder andere bemesting en overstroming van nutriëntenrijk oppervlaktewater. Effectbeoordeling Een overmaat aan stikstofdepositie vormt in beginsel mogelijk een knelpunt voor de watersnip aangezien stikstof een verslechtering van het voedselaanbod kan veroorzaken. Er kunnen minder grote insecten voorkomen, waardoor de nestvliedende kuikens meer kleine insecten moeten foerageren om voldoende voedsel binnen te krijgen. Echter, de natuurdoelanalyse (Arcadis 2023) stelt dat stikstof voor de watersnip geen drukfactor van betekenis is. De schommelende, matig negatieve trend van de watersnip in de Rijntakken van de laatste jaren zorgt ervoor dat de betrekkelijk lage instandhoudingsdoelstelling van 17 broedparen alsnog niet wordt gehaald. Vanaf 2016 zijn tussen de 3 en 7 paren geteld. Hierbij is het grootste knelpunt verstoring, door activiteit op nabije paden en wegen. (Meanderende Maas 2023) Incidenteel worden deze broedparen in de Uiterwaarden IJssel gevonden, waarschijnlijk door de stabiele hoge waterstanden die hier bestaan. Noordelijker in Nederland komen in geschikte gebieden grote aantallen voor en worden nieuwe gebieden snel gekoloniseerd. Hier zijn de gebieden sterk minder versnipperd (Arcadis 2023).
In veel van deze noordelijke gebieden (bijvoorbeeld De Wieden en Weerribben) bestaat een vergelijkbare mate van overbelasting als in de Rijntakken. Dit onderbouwt de beoordeling uit PAS en NDA dat stikstof niet de beperkende factor is. De schommelingen hebben ook deels te maken met ontwikkelingen in het volledige Europese leefgebied van de soort. Nederland ligt tegenwoordig aan de rand van het verspreidingsgebied van de watersnip. De Rijntakken ligt daarnaast in de zone waar