2025-920-bijlage-142929 25-017.048 rep final OER Rapportage
Tekst van het document
OER omgevingsvisie Deventer OER Rapportage
Gemeente Deventer 31 oktober 2025
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Werkversie omgevingsvisie Deventer Gemeente Deventer
OER Rapportage Definitief 31 oktober 2025 142929/25-017.048
142929 D.J. Hekman MSc A.M. Springer-Rouwette MSc
M.D. van Dijk MSc, J. van de Merwe MSc, K. Kuipers MSc F. Kesmer Msc A.M. Springer-Rouwette MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING | WAAROM EEN ACTUALISATIE OP DE OMGEVINGSVISIE GEMEENTE DEVENTER EN EEN OER?
5
1.1
Reden voor het opstellen van de nieuwe omgevingsvisie Deventer
5
1.2
Waarom een milieueffectrapportage?
6
1.3
Procedure omgevingsvisie en OER
8
1.4
Leeswijzer
9
2
ONDERZOEKSAANPAK | WAT ZIJN DE VOORGENOMEN STAPPEN?
10
2.1
Rol van het OER
10
2.2
Kern van de aanpak
11
2.3
Uitgangspunten
11
2.4
Alternatievenontwikkeling
12
3
BEOORDELINGSKADER | HOE EN WAT WORDT ER BEOORDEELD?
14
3.1
Deventer rad van de leefomgeving
14
3.2
Beoordelingsmethode
15
3.3
Beoordelingskader
18
4
STAAT VAN DE LEEFOMGEVING | WAAR STAAT DEVENTER NU EN WAT KOMT ER OP DE GEMEENTE DEVENTER AF?
20
4.1
Staat van de leefomgeving
20
4.2
Methode voor bepalen van de referentiesituatie
20
4.3
Samenvatting staat van de leefomgeving en referentiesituatie
25
4.4
Gebiedsgerichte inzichten over huidige staat van de leefomgeving in Deventer
28
5
OMGEVINGSEFFECTEN VAN DE ALTERNATIEVEN
33
5.1
Samenvattende tabel effectbeoordeling alternatieven
34
5.2
Rad van de Leefomgeving per alternatief
38
5.2.1 5.2.2
38 39
Alternatief 1A Alternatief 1B
5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6
Alternatief 2A Alternatief 2B Algemene bevindingen Beperkingen
40 41 42 43
6
HET VOORGENOMEN BELEID
44
6.1
Inleiding
44
6.2
Twee stappen voor totstandkoming van het voorgenomen beleid
44
6.3
Beschrijving van de koers
45
6.4
Verkenning voor meer ambitie in de koers
46
6.5
Van koers naar de ontwerp-omgevingsvisie
47
6.6
Beoordeling van het voorgenomen beleid (koers en ontwerp)
49
6.6.1 6.6.2 6.6.3 6.6.4 6.6.5 6.6.6 6.6.7 6.6.8 6.6.9 6.6.10 6.6.11 6.6.12
54 59 61 62 67 69 72 76 79 82 86 88
7
Gezonde leefomgeving Veilige leefomgeving Klimaatneutraal Natuurlijke systemen Gezonde natuur Waardevolle ruimte Welzijn Fijn wonen Bereikbaar Ruimte voor werken Economisch vitaal Natuurlijke hulpbronnen
BEOORDELING KANSEN EN RISICO’S VAN NIEUWE ONTWIKKELINGEN UIT DE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE
92
7.1
Inleiding
92
7.2
Stadsland
93
7.2.1 7.2.2 7.2.3
93 94 99
7.3
7.4
7.5
Samenvatting van het voornemen Kansen en risico’s Stadsland Conclusie Stadsland
Baarlerhoek
100
7.3.1 7.3.2 7.3.3
100 101 105
Samenvatting van het voornemen Kansen en risico’s Baarlerhoek Conclusie Baarlerhoek
Bergweide 3
106
7.4.1 7.4.2 7.4.3
106 107 111
Samenvatting van het voornemen Kansen en risico’s Bergweide 3 Conclusie Bergweide 3
Derde brug Deventer
111
7.5.1 7.5.2
111 113
Samenvatting van het voornemen Kansen en risico’s derde brug
8
LEEMTEN IN KENNIS EN MONITORING
117
8.1
Monitoring
117
Laatste pagina
115
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Tabel van genummerde maatregelen
26
II
Detail beoordelingen van de vier alternatieven
180
III
Maatregelen voor de referentiesituatie
25
IV
Samenvatting beoordelingen huidige en referentiesituatie
27
1 INLEIDING | WAAROM EEN ACTUALISATIE OP DE OMGEVINGSVISIE GEMEENTE DEVENTER EN EEN OER? Voor u ligt het Omgevingseffectrapport (OER) voor de nieuwe omgevingsvisie Deventer. Deze OER maakt deel uit van de milieueffectrapportage (mer): een procedure die verplicht is bij het opstellen van de omgevingsvisie. De mer-procedure leidt tot een omgevingseffectrapport (OER) bij de omgevingsvisie.
1.1
Reden voor het opstellen van de nieuwe omgevingsvisie Deventer
Wat is een omgevingsvisie? De omgevingsvisie is een integrale visie met strategische hoofdkeuzes van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de langere termijn (hier: 2040 met een doorkijk naar 2050). De omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, gezondheid, economie, energie, infrastructuur, sociale structuur en cultureel erfgoed. Inhoudelijk bevat de omgevingsvisie in ieder geval de volgende onderdelen. Daarbij wordt het proces om te komen tot deze visie ondersteund door het OER om hier invulling aan te geven: - beschrijving van de huidige situatie: Een gedetailleerde beschrijving van hoe Deventer ervoor staat op basis van diverse thema’s (aan de hand van de Foto van de Leefomgeving die in het OER komt te staan).
Dit omvat de historische en huidige kwaliteiten van de gemeente, zoals de IJssel, het rivierenlandschap, de haven, de groenstructuren en de relatie tussen stad en landschap; - gewenste ontwikkelingen en behoud: Hoofdlijnen van welke ontwikkelingen gewenst zijn en wat juist behouden moet blijven, met een focus op de balans tussen verstedelijking en groene ruimte, zoals de stadsrandzone en de historische binnenstad; - integrale beleidsvoering: Het te voeren integrale beleid op hoofdlijnen, waarbij rekening wordt gehouden met de samenhang tussen verschillende beleidsvelden en de lange termijn doelstellingen van de gemeente; - voorzorgsbeginsel en preventief handelen: De omgevingsvisie houdt rekening met het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - sturingsfilosofie en gemeentelijke rol: Een duidelijke uiteenzetting van de sturingsfilosofie van de gemeente, inclusief de eigen rol in relatie tot andere partijen bij het realiseren van de doelstellingen uit de visie. Dit omvat samenwerking met buurgemeenten, regionale netwerken en maatschappelijke partners; - motivatie van gemeentelijke belangen: Het duiden van de gemeentelijke belangen en voorzien van een motivatie.
Deze motivatie wordt onderbouwd door de beoordeling van het voorkeursalternatief (VKA) uit het OER. De omgevingsvisie is vormvrij en bindt alleen de gemeente zelf. Daar waar de doelen en ambities van de omgevingsvisie doorwerken naar derden (waterschappen, bedrijven, burgers) kunnen daartoe regels en normen worden opgenomen in het omgevingsplan.
5 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Waarom een omgevingsvisie? Vooruitlopend op de Omgevingswet is een eerste omgevingsvisie van Deventer vastgesteld in 2019 als structuurvisie op grond van de Wro. Hiermee heeft Deventer de afgelopen jaren, vanuit haar rijke historisch gelaagde DNA, sturing gegeven aan de (ruimtelijke) opgaven in een nieuwe laag, aan de hand van drie hoofdambities: - het bestaande verzilveren: bij ontwikkelingen worden de eigen, onderscheidende kwaliteiten van Deventer behouden en versterkt; - slim verbinden: de netwerkkracht van Deventer wordt lokaal, regionaal en nationaal versterkt; - toekomstbestendig handelen: de leefomgeving moet voor mens, dier en plant aangenaam zijn, nu en in de toekomst. De gemeente Deventer heeft verschillende redenen om tot een nieuwe omgevingsvisie te komen. Allereerst is met de komst van de Omgevingswet ook het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) uitgerold. Het DSO bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Onderdeel van het DSO is het Omgevingsloket: dit is het digitale loket waarin iedereen snel kan zien wat wel en niet mag in de fysieke leefomgeving. Het is daarmee nu ook mogelijk om de omgevingsvisie via een nieuwe, geografisch georiënteerde opzet te ontsluiten.
Iedereen kan daarmee digitaal opzoeken op welke locaties Deventer bepaalde ontwikkelingen mogelijk wilt maken en hoe dat de leefomgevingskwaliteit kan beïnvloeden. Ten tweede is er sinds 2019 door de gemeente aanvullend en afwijkend beleid ten opzichte van de huidige omgevingsvisie (Omgevingsvisie 2019) opgesteld. Tegelijkertijd is er ook beleid gedateerd geraakt. Met de actualisatie wordt het relevante beleid met betrekking op de fysieke leefomgeving gebundeld en in lijn met elkaar gebracht. De omgevingsvisie gaat daarmee de hoofdzaken van het beleid op alle relevante terreinen van de fysieke leefomgeving bevatten. Tot slot staat de gemeente voor keuzes over de inrichting van de fysieke leefomgeving, in het licht van (aankomende) uitdagingen en ontwikkelingen (zoals klimaatverandering en vergrijzing) en haar eigen ambities hoe de fysieke leefomgeving er uit zou moeten zien. Hiervoor wil Deventer toekomstige ontwikkelingen op het gebied van woningbouw, werklocaties, de hoofdgroenstructuur, de energieinfrastructuur en -opwek, en het landelijk gebied mogelijk gaan maken. De geactualiseerde omgevingsvisie dient op een inspirerende, sturende en gebiedsgerichte wijze hieraan richting te geven.
1.2
Waarom een milieueffectrapportage?
Keuze voor een omgevingseffectrapport (OER) De gemeente Deventer wil met de actualisatie van de omgevingsvisie breder kijken dan uitsluitend naar de klassieke leefomgevingsthema’s en ook thema’s zoals klimaatadaptatie, energietransitie, circulaire economie en sociale duurzaamheid betrekken. De gemeente streeft daarom naar een omgevingseffectrapport (OER) in plaats van een milieueffectrapport (MER), vanwege het integrale karakter van de omgevingsvisie. Hiermee wordt ook voldaan aan de MER-plicht, omdat een OER een uitgebreide versie is van een MER. Een OER zorgt voor een integrale afweging van uiteenlopende onderwerpen die relevant zijn voor de leefomgeving. Wat is een OER? Een omgevingseffectrapport geeft milieu en leefomgeving een volwaardige plaats in het besluitvormingsproces over de omgevingsvisie gemeente Deventer. Dit doet een OER door de effecten op de leefomgeving ten gevolge van een voornemen en mogelijke alternatieve invullingen daarvan op hoofdlijnen te beschrijven. Dit houdt in dat de ruimte die potentieel kan worden benut als toekomstige oplossing voor een opgave of probleem wordt onderzocht. Het OER onderzoekt daarom niet concrete initiatieven in detail. Het OER is een onderzoeksrapport dat hoort bij het moederbesluit, hier de actualisatie van de omgevingsvisie.
Om een juiste koersbepaling en afstemming tussen beide producten te waarborgen, lopen het opstellen van het OER en de actualisatie van de omgevingsvisie parallel aan elkaar. Deze gelijktijdige ontwikkeling zorgt ervoor dat de inzichten uit het OER tijdig kunnen worden geïntegreerd in de besluitvorming en dat het bevoegd gezag uiteindelijk het besluit neemt met volledige kennisgeving van de gevolgen van het voornemen op de fysieke leefomgeving.
6 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Doel OER Omgevingsvisie Deventer Het doel met het OER bij de Omgevingsvisie Deventer is om, voorafgaand aan de besluitvorming, alle relevante beslisinformatie breed en integraal in beeld te brengen en dit mee te laten wegen bij de te maken keuzes in de visie. Het OER laat met een integrale afweging zien of er voor alle ambities, opgaven en beoogde ontwikkelingen in Deventer voldoende ruimte is en welke effecten de te maken keuzes hebben op de leefomgeving. Aan de hand van verschillende alternatieven (de mogelijke 'manieren' waarop het voornemen kan worden gerealiseerd) worden in het OER de effecten in beeld gebracht. Ook geeft het OER inzicht in strijdigheid, danwel koppelkansen tussen ambities, opgaven en beoogde ontwikkelingen. Zodra de omgevingsvisie is opgesteld, wordt een datagedreven aanpak gebruikt vanuit dit OER om een doorlopend monitoringsproces op te zetten. Dit proces houdt toezicht op de in hoofdstuk 4 benoemde aspecten, om zo de voortgang en de leefomstandigheden in Deventer nauwkeurig te volgen en de ‘Staat van Deventer’ te bewaken. MER-plicht Europese en nationale wetgeving schrijven voor dat voor activiteiten met (mogelijk) aanzienlijke milieueffecten een mer-procedure wordt doorlopen.
Nederlandse wet moet voldoen aan de Europese mer-richtlijn voor projecten (2014/52/EU, 2011/92/EU)) en de Europese SMB-richtlijn (Strategische milieubeoordeling, 2001/42/EG) voor plannen en programma’s. De Europese wetgeving is geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en verder uitgewerkt in het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11, bijlage V). Het type mer-procedure (plan-mer, project-mer of mer-beoordeling) hangt af van de aard, omvang van de activiteit en het type besluit. De actualisatie van de omgevingsvisie is Deen wettelijk voorgeschreven plan in de zin van artikel 16.34 van de Omgevingswet. De geactualiseerde omgevingsvisie stelt bovendien kaders aan besluiten voor projecten die mogelijk aanzienlijke milieueffecten hebben (artikel 16.36 lid 1 en 4). Onder meer aan het omgevingsplan voor bijvoorbeeld stedelijk ontwikkelingsprojecten zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder project nr. J11. Naar verwachting brengt de omgevingsvisie niet alleen kleine wijzigingen op een lokaal niveau aan, maar hebben keuzes betrekking op grotere opgaven op de schaal van de gehele gemeente. Er is daarom geen sprake van een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3). Ook is naar verwachting een passende beoordeling (PB) nodig (artikel 16.36 lid 2) voor de ontwerpversie van de omgevingsvisie.
De PB is bedoeld om te beoordelen of een voorgenomen plan of project mogelijk negatieve effecten heeft op de beschermde natuurwaarden van een Natura 2000-gebied. Deze PB is ten tijde van gereedmaking van dit OER nog niet beschikbaar, en wordt nog gepubliceerd als bijlage bij het OER. Voor de omgevingsvisie geldt daarmee direct een plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport (OER in het geval van Deventer) en het doorlopen van de milieueffectrapportage. De mer-procedure is de procedure om tot het OER te komen. De mer-procedure is nader toegelicht in hoofdstuk 3. De wisselwerking tussen de omgevingsvisie, participatie, het OER en raadsbesluiten Om ervoor te zorgen dat er een goede wisselwerking is tussen de omgevingsvisie en het OER, zijn er verschillende interacties tussen vier verschillende werksporen. Deze werksporen zijn de omgevingsvisie, het OER, het participatie en de raadsbesluiten. Hierbij worden de alternatieven vanuit het omgevingsvisie-spoor én het koersdocument (als voorkeursvariant) getoetst in het OER-spoor, waarna de bevindingen hiervan weer worden verwerkt in het omgevingsvisie-spoor (ontwerp omgevingsvisie). Via participatie en raadsbesluiten wordt het draagvlak, de kwaliteit en de volledigheid van de documenten gewaarborgd. In afbeelding 1.1 is deze wisselwerking weergegeven.
Op afbeelding 1.1 is het proces schematisch verbeeld, waarbij de relaties en verbindingen tussen de producten uit de twee sporen en het participatiespoor en het raadsbesluitspoor zichtbaar zijn.
7 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Afbeelding 1.1 De wisselwerking tussen de verschillende sporen in het proces voor de omgevingsvisie
Initiatiefnemer en Bevoegd Gezag In de mer-procedure mvoor de omgevingsvisie is de gemeente Deventer zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de omgevingsvisie en het OER. Zij treden op als initiatiefnemer. Het raad stelt de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) vast als beoordelingskader. De omgevingsvisie en het OER worden ook vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeenteraad vormt daarmee het bevoegd gezag. Naast de initiatiefnemer en bevoegd gezag zijn er ook diverse bestuursorganen en instanties die adviseren over de inhoud van het OER. Tijdens de NRD fase is er een brede feedbackronde georganiseerd, waarbij de volgende bestuursorganen konden reageren: Provincie, waterschap, naburige gemeenten, het Rijk. Ook is advies gevraagd aan.
1.3
Procedure omgevingsvisie en OER
Een OER volgt de stappen in de mer-procedure. De formele procedure start met een kennisgeving van het voornemen tot het opstellen van een OER voor de aanvulling op de omgevingsvisie. Op basis van de gepubliceerde NRD heeft iedereen de gelegenheid gekregen te reageren. De reacties en adviezen zijn voorgelegd aan het college, waarna de reikwijdte en het detailniveau van het OER definitief is vastgesteld. De vastgestelde NRD vormt daarna het vertrekpunt voor dit OER. Het OER bij de ontwerp-omgevingsvisie wordt uiteindelijk één van de achtergronddocumenten bij de ontwerp-omgevingsvisie en doorloopt daarmee de wettelijke procedure die daarbij hoort. Daarbij is ook weer gelegenheid voor iedereen om zienswijzen in te dienen voordat de aanvulling op de omgevingsvisie (inclusief definitief OER) vastgesteld wordt. Tabel 1.1 geeft de formele stappen van de mer-procedure en de aanvulling van de omgevingsvisie weer.
8 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Tabel 1.1 Formele stappen in de procedure (cursief: onderdeel van procedure moederbesluit) Stap
Uitleg
Openbare kennisgeving.
Het voornemen om een aanvulling op de omgevingsvisie te gaan opstellen en een plan-mer-procedure te doorlopen wordt openbaar aangekondigd door de gemeente Deventer met de bekendmaking van de voorliggende NRD.
Ter inzage leggen NRD.
De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) wordt 6 weken ter inzage gelegd. De zienswijzen worden beantwoord.
Vaststelling advies reikwijdte en detailniveau.
Het college stelt de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) vast.
Opstellen OER
Het OER wordt opgesteld volgens de voorgestelde reikwijdte en het detailniveau en de inhoudsvereisten uit de Omgevingswet (artikel 11.3 Ob). Naar aanleiding van de eventuele zienswijzen en adviezen wordt de onderzoeksopzet uit de NRD aangepast in het OER.
Opstellen plan, inclusief motivering mer en participatie.
De aanvulling op de omgevingsvisie Deventer wordt opgesteld met motivering van mer en participatie.
Ter inzage leggen OER als bijlage van het ontwerp omgevingsvisie.
Het OER wordt, gelijktijdig met het ontwerp projectbesluit voor 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder kan een zienswijze indienen (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht).
Toetsingsadvies Commissie mer.
De Commissie mer wordt om advies gevraagd over het OER (artikel 16.39 Ow en 11.2 Ob).
Vaststellen omgevingsvisie.
De Raad stelt de omgevingsvisie vast. In de omgevingsvisie wordt aangegeven hoe met de resultaten van het OER, participatie, de zienswijzen en het advies van de Commissie mer is omgegaan (artikel 11.4 Ob).
Evaluatie van de effecten na realisatie.
Het is verplicht om (na realisatie) de daadwerkelijk optredende milieugevolgen van de uitvoering van het plan te monitoren en te evalueren (artikel 11.5 Ob).
1.4
Leeswijzer
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de opbouw van dit OER.
Tabel 1.2 Leeswijzer OER Deventer Hoofdstuk
Geeft antwoord op de vraag:
1. Inleiding
Waarom een nieuwe omgevingsvisie gemeente Deventer en een OER?
2. Onderzoeksaanpak
Hoe worden de huidige situatie, referentiesituatie en alternatieven onderzocht?
3. Doelen en alternatieven
Waar wil de gemeente naartoe? Wat zijn de alternatieven?
4. Staat van de leefomgeving
Waar staat Deventer nu en wat komt er op de gemeente af?
5. Beschrijving referentiesituatie
Met welke situatie worden de alternatieven vergeleken?
6. Omgevingseffecten van de alternatieven
Wat zijn de omgevingseffecten van de verschillende alternatieven?
7. Het voorgenomen beleid
Voor welk beleid kiest de gemeente en welke omgevingseffecten horen daarbij?
8. Aanbevelingen, leemten in kennis en monitoring
Welke inzichten voor verdere besluitvorming kunnen er worden meegegeven?
9 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
2 ONDERZOEKSAANPAK | WAT ZIJN DE VOORGENOMEN STAPPEN? 2.1
Rol van het OER
Het OER (Omgevingseffectrapportage) wordt gebruikt als onderzoeksinstrument tijdens het opstellen van de omgevingsvisie. Het OER laat zien waar de uitdagingen liggen op het gebied van milieu en leefomgeving. Het geeft ook aan wat de mogelijke gevolgen zijn van verschillende keuzes in de visie, door deze te vergelijken aan de hand van verschillende alternatieven (zie paragraaf 2.4). De wisselwerking tussen het visiespoor en het OER-spoor wordt gefaciliteerd middels ‘ontwerploops’. Een OER biedt tijdig inzicht in welke keuzes nodig zijn om negatieve effecten te beperken en welke mogelijkheden juist kansen creëren. Zo toetst het OER dus niet enkel achteraf op haalbaarheid, maar faciliteert, met tussenproducten, de ontwikkeling van de visie. Op afbeelding 2.1 is het proces schematisch verbeeld, waarbij de relaties en verbindingen tussen de producten uit de twee sporen en het participatiespoor en het raadsbesluitspoor zichtbaar zijn. De inzichten uit het OER geven input aan het stapsgewijs actualiseren van de omgevingsvisie. De foto van de leefomgeving geeft input voor aanscherping van de opgaven. Het concept-OER geeft inzicht in de impact van de alternatieven. Deze alternatieven worden samengesteld aan de hand van een assenkruis, waarmee door gebruik van twee scherpe tegenstellingen, vier alternatieven worden opgesteld, zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 2.1 Assenkruis van Deventer
10 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Het voorkeursalternatief (VKA) is de gekozen visie op hoofdlijnen (waarschijnlijk een combinatie van elementen van de verschillende alternatieven van het assenkruis) wordt ook beoordeeld in het OER. Verder worden randvoorwaarden, aandachtspunten en onzekerheden vastgelegd in het OER, zodat daar in de beleidsuitwerking en monitoring aandacht aan besteed kan worden. Hoofdvragen voor het OER Het OER gaat in op de volgende hoofdvragen: 1 wat is de huidige staat en kwaliteit van de leefomgeving? 2 hoe ontwikkelt de leefomgeving zich autonoom (zonder actualisatie van de omgevingsvisie)? 3 welke alternatieven (van het assenkruis) volgen uit de concretisering van de ambities? 1 4 wat zijn de effecten van deze alternatieven? 5 wat zijn de effecten van het gekozen voorkeursalternatief die in de omgevingsvisie wordt opgenomen, en welke mitigerende maatregelen worden in het voorkeursalternatief getroffen? 6 wat zijn aandachtspunten, randvoorwaarden en onzekerheden voor monitoring en evaluatie? 7 wat zijn de leemten in kennis?
2.2
Kern van de aanpak
De onderzoekaanpak van het OER bestaat op hoofdlijnen uit: 1 vaststellen opgaven Deventer; 2 uitwerken integraal beoordelingskader voor het beoordelen van omgevingseffecten en het doelbereik; 3 foto van de leefomgeving: beschrijving/weergave van de Deventer leefomgeving. Samen met de evaluatie van het huidige beleid wordt deze uitgewerkt tot referentiesituatie OER; 4 vaststellen alternatieven; 5 effecten en vergelijking van de alternatieven: beoordeling van de alternatieven op basis van omgevingseffecten en doelbereik, schematisch weergegeven met het Rad van de Leefomgeving (zie Hoofdstuk 4); 6 beoordeling van de effecten van het voorkeursalternatief: evaluatie van het voorkeursalternatief op omgevingseffecten en doelbereik, schematisch weergegeven met het Rad van de Leefomgeving. 7 data-gedreven en doorlopende monitoring en evaluatie. Een globale Passende Beoordeling op effecten voor Natura 2000 volgt nog. Deze was bij het in procedure gaan van deze OER op de ontwerp-omgevingsvisie nog niet gereed.
2.3
Uitgangspunten
Plan- en studiegebied De omgevingsvisie heeft betrekking op het gehele grondgebied van gemeente Deventer. Dit is het plangebied. De effecten van de omgevingsvisie kunnen echter ook buiten de grenzen van de gemeente optreden. Dit is het studiegebied voor het OER. Situatie in het onderzoek Het OER geeft informatie over allerlei aspecten van de leefomgeving (zie beoordelingskader) en onderscheidt daarbij de volgende situaties: - huidige situatie: dit is de feitelijke staat van de leefomgeving in het jaar 2024 of het meeste recente jaar waarover informatie beschikbaar is. In de praktijk is dit vaak het jaar 2021, 2022 of 2023; - referentiesituatie: de situatie die tot en met 2040 -met een doorkijk naar 2050- zou ontstaan als gevolg van de zogeheten autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich ook zouden voordoen als de omgevingsvisie niet wordt geactualiseerd. Hierbij valt onderscheid te maken tussen:
1
De alternatieven worden ontwikkeld binnen de omgevingsvisie (daar scenario’s genoemd). Wel levert het OER een bijdrage aan het ontwikkelproces.
11 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
·
-
generieke (exogene) autonome ontwikkelingen: algemene trends en ontwikkelingen als klimaatverandering of vergrijzing, die Deventer als het ware overkomen en waarop de gemeente niet of nauwelijks invloed heeft; · autonoom omgevingsbeleid: voorzetting van het huidige (sectorale) beleid en autonome projecten. Hier vallen onder bouw- en infraprojecten waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden maar die nog niet uitgevoerd zijn. Voor het jaar 2040, en met name de doorkijk naar 2050, is vaak beperkte informatie beschikbaar en bestaat de nodige onzekerheid over autonome ontwikkelingen. In het OER wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt voor het schetsen van de referentiesituatie en of bijvoorbeeld prognoses tot 2040 zijn geëxtrapoleerd naar 2050; alternatieven: De alternatieven schetsen vier mogelijk ontwikkelrichtingen voor Deventer in 2040, met een doorkijk naar 2050; De alternatieven worden ook wel de ‘scenario’s’ genoemd. Voorgenomen beleid: Het voorgenomen beleid bevat de hoofdlijnen van de geactualiseerde omgevingsvisie Deventer.
2.4
Alternatievenontwikkeling
Werken met Alternatieven Uit de omgevingsvisie 2019 en de analyses uit de Staat van de Leefomgeving blijkt dat Deventer veel kwaliteiten heeft om trots op te zijn. Tegelijkertijd zijn er ook minder positieve aspecten en trends die deze kwaliteiten kunnen bedreigen. Hoewel er al veel beleid is waarbij veel partijen op één lijn zitten, zijn er ook grote meningsverschillen over hoe problemen moeten worden aangepakt. In zulke gevallen is het nuttig om verschillende ontwikkelrichtingen te verkennen en te beoordelen wat de gevolgen daarvan zijn voor de omgeving. De alternatieven werken het beste als ze de verschillen in de samenleving en het bestuur benadrukken. Door de uitersten op een horizontale en verticale as te zetten, ontstaan er vier duidelijke alternatieven. Het is waardevol om deze alternatieven samen te ontwikkelen en de samenleving hierop te laten reageren. Tegenstellingen in Deventer In Deventer is de eerste grote tegenstelling in denken de mate van verstedelijking. Aan de ene kant zijn er argumenten om Deventer zoveel mogelijk te behouden zoals het is en niet verder te gaan dan de geplande woningbouw. Dit standpunt staat links op de x-as. Het andere uiterste is een forse groei, zoals regionaal wordt besproken, en dit staat helemaal rechts op de x-as. De tweede tegenstelling gaat over de aanpak van ontwikkelingen.
Moet worden vastgehouden aan de bestaande, sectorale manier met nadruk op individuen, materiële welvaart en buitenstedelijke uitbreiding? Of moet gekozen worden voor een vernieuwende aanpak, waarbij alles integraal wordt bekeken, meer gericht op het collectief en brede welvaart, en geredeneerd wordt vanuit water en bodem? Deze uitersten staan onder en boven op de y-as. Dit leidt tot vier alternatieven, die verder zijn uitgewerkt in schematische kaarten en visuele dwarsdoorsnedes/collages. Alternatieven voor beoordeling Afbeelding 2.2 is een schematische weergave van de alternatieven. De details over welke maatregelen er in welk alternatief staan zijn beschreven in Bijlage I.
12 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Afbeelding 2.2 Schematische weergave van de alternatieven
v
13 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
3 BEOORDELINGSKADER | HOE EN WAT WORDT ER BEOORDEELD? 3.1
Deventer rad van de leefomgeving
Om de huidige staat en de milieueffecten te beoordelen, is het Rad van de Leefomgeving gebruikt. Het Rad van de Leefomgeving is een raamwerk dat is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie, en legt nadruk op het maatschappelijke doel van de omgevingswet (Artikel 1.3): het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de maatschappelijke behoeften. Via het rad worden projecten beoordeeld op hun impact op de leefomgeving, met een focus op zowel bescherming als ontwikkeling. Het rad bestaat uit twee helften, waarvan de bovenste helft focust op de fysieke leefomgeving en de onderste helft op maatschappelijke behoeften. Deze twee helften zijn verder onderverdeeld in vier perspectieven: een veilige en gezonde leefomgeving (fysiek), een goede omgevingskwaliteit (fysiek), de woonomgeving (maatschappelijk) en de economische omgeving (maatschappelijk). Afbeelding 4.1 toont een versie van het Rad van de Leefomgeving, specifiek ontworpen op basis van de ambities en doelen die de gemeente Deventer heeft opgesteld. Op basis hiervan zijn de vier perspectieven van het rad verder opgesplitst in twaalf categorieën. Deze categorieën zijn vervolgens beoordeeld aan de hand van gekoppelde aspecten, die helpen om beleidskeuzes te evalueren en de foto van de Leefomgeving te bepalen.
Hierdoor biedt het rad een duidelijke methodiek voor het in kaart brengen en analyseren van de effecten van gemeentelijk beleid op de leefomgeving.
14 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Afbeelding 3.1 Het rad van de leefomgeving voor de omgevingsvisie van de gemeente Deventer
3.2
Beoordelingsmethode
In het OER worden drie verschillende type beoordelingen gegeven: 1) de beoordeling van de huidige staat en kwaliteit van de leefomgeving ten opzichte van wettelijke normen, gemeentelijke doelen of in vergelijking met provincie Overijssel of Nederland; 2) de beoordeling van de effecten van de alternatieven en het voorkeursalternatief op de leefomgevingsthema’s. Dit geeft aan of de alternatieven leiden tot kansen of risico op deze thema’s; 3) de beoordeling van het doelbereik van de alternatieven en het voorkeursalternatief. Dit laat zien waar er meer of minder potentie is om de gestelde opgaven en doelen te bereiken met de voorgenomen keuzes.
15 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
De beoordelingswijze 1 en 2 gaan over leefomgevingseffecten en beoordelingswijze 3 gaat over het doelbereik. Hieronder worden de verschillende beoordelingswijzen uitgelicht. In de beoordeling in het rad wordt de ruimtelijke dimensie niet meegenomen, wat betekent dat er niet op wijk/gebiedsniveau wordt weergegeven waar de knelpunten zitten. In het OER komen de ruimtelijke nuances echter wel naar voren via tekstuele toelichting. Beoordeling van de foto van de leefomgeving Bij beschouwing van de indicatoren wordt een kwalitatieve beoordeling gegeven van de huidige staat. Indien van toepassing, worden gestelde (wettelijke) normen gehanteerd als maatlat voor de beoordeling. In andere gevallen worden gemeentelijke beleidsdoelen gebruikt. Het niet of niet geheel voldoen aan deze normen of doelen vormt een knelpunt. Bij het ontbreken van een gestelde (wettelijke) norm of gemeentelijk beleidsdoel wordt de beoordeling overwegend gebaseerd op een vergelijking met provincie Overijssel en/of Nederland. Voor de beoordeling van de huidige situatie wordt een vijfpuntschaal gebruikt (zie tabel 4.1). Deze vijfpuntsschaal wordt per aspect nog verder geduid met maatschappelijke ambities (bijvoorbeeld op indicatoren omtrent welzijn), wetenschappelijke aanbevelingen (bijvoorbeeld indicatoren omtrent klimaat), en wettelijke normen (zoals bijvoorbeeld voor Natura 2000 bescherming).
Omdat de omgevingsvisie reikt tot in de middellange termijn, wordt er dus niet alleen getoetst aan wettelijke normen maar ook aan het brede maatschappelijke doel van de nationale omgevingsvisie om nu en in de toekomst een veilige en gezonde leefomgeving te houden voor huidige en toekomstige generaties. Elk aspect wordt beoordeeld gebaseerd op de indicatoren (zie paragraaf 3.3). De huidige staat van Deventer wordt vervolgens per thema gevisualiseerd op het Rad van de Leefomgeving. Daarnaast wordt een inschatting gemaakt van de referentiesituatie, gebaseerd op autonome ontwikkelingen in Deventer en in heel Nederland. Deze inschatting wordt ook weergegeven in het Rad van de Leefomgeving. Indien er geen beleid of referentie beschikbaar is, wordt de staat van de leefomgeving van Deventer wel beschreven, maar wordt er geen beoordeling gegeven.
Tabel 3.1 Beoordelingsschaal voor de Foto van de Leefomgeving van Deventer Score
Toelichting
5
De staat is goed, er zijn geen knelpunten (ambities worden overal gehaald).
4
De staat is overwegend goed, lokaal zijn er wel wat knelpunten (ambities worden grotendeels gehaald).
3
De staat is redelijk, verspreid zijn er knelpunten (ambities worden vaak wel, soms niet gehaald).
2
De staat is matig, er zijn redelijk wat knelpunten (ambities worden soms gehaald).
1
De staat is slecht, er zijn overal knelpunten (ambities worden nergens gehaald).
Door middel van die beoordelingsschaal laat het rad de gemiddelde huidige staat zien (witte lijn) en de gemiddelde autonome staat (gestippelde lijn). Met de autonome staat wordt de referentiesituatie in 2040 bedoeld. Dit is de situatie gebaseerd op huidige autonome ontwikkelingen in Deventer en in heel Nederland. Beoordeling van de effecten van alternatieven op de leefomgeving In het Rad zijn pijlen gebruikt om aan te geven hoeveel kansen en risico’s er optreden per thema, en wat de impact is van de kansen en risico’s. Dit is gedaan door elk aspect een beoordeling toe te kennen (zeer positief, positief, neutraal, negatief of zeer negatief). Deze beoordeling is tot stand gekomen door te kijken welke ingrepen uit de alternatieven effect hebben op de indicatoren van dat aspect, wat het effect van deze ingrepen precies is, en hoeveel impact deze effecten zouden hebben.
16 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Als voorbeeld kan gekeken worden naar het thema fijn wonen. Één van de aspecten van dat thema is ‘voorzieningenaanbod’, en de indicatoren voor dit aspect zijn ‘omvang voorzieningenaanbod’, ‘nabijheid voorzieningen’ , en ‘tevredenheid voorzieningen’. Wanneer de ingrepen in een alternatief ervoor zorgen dat er positieve effecten optreden in de omvang van de voorzieningen en de nabijheid van de voorzieningen, en de tevredenheid met de voorzieningen gelijk blijft, krijgt het aspect een positieve beoordeling. Als deze ingrepen vervolgens ook een groot effect hebben op het thema als geheel, wordt de impact als ‘hoog’ beoordeeld. In dit voorbeeld is er dus een grote kans dat de effecten positief zijn ten opzichte van de referentiesituatie. Deze manier van beoordelen is per alternatief voor elk aspect toegepast, en de resultaten zijn samengevoegd in het rad van de leefomgeving. De volledige beoordeling van alle aspecten staat in Bijlage I van dit OER. In het rad zijn alle thema’s weergegeven in een cirkelvormige opzet, waarbij pijlen de hoeveelheid positieve en negatieve aspecten binnen elk thema laten zien. Hoe meer positieve of negatieve aspecten er zijn, hoe breder de pijl die daarbij hoort (zie afbeelding 3.2).
Afbeelding 3.2 De pijlen in het rad worden breder naarmate er meer positieve/negatieve aspecten zijn voor dat thema
Daarnaast is gekeken naar de impact van de effecten van elk thema. De impact is ingedeeld in drie niveaus: laag, middel en hoog. Deze beoordeling beïnvloedt de lengte van de pijlen in de visualisatie. Een hogere impact betekent een langere pijl, terwijl een lagere impact zorgt voor een kortere pijl. Op deze manier geeft de visualisatie op een eenvoudige en duidelijke manier zowel de hoeveelheid als de invloed van de aspecten binnen elk thema weer (zie afbeelding 3.2).
Afbeelding 3.3 De pijlen in het rad worden langer naarmate de impact van de effecten binnen een thema groter is
Ook is er een paars ‘is gelijk teken’, wat betekent dat er hoge zekerheid is dat dit alternatief niet zorgt voor veranderingen in de staat van de leefomgeving (geen noemenswaardige kansen of risico’s).
Tabel 3.2 Beoordelingsschaal voor de effecten van alternatieven Score
Toelichting
*
Kansen; er zijn kansen op een verbetering van de milieueffecten ten opzichte van de referentiesituatie. Blauwe pijl met ster*: Verwacht positief effect maar met belangrijke kanttekeningen. Neutraal; geen of nauwelijks verandering ten opzichte van de referentiesituatie. Risico’s; er zijn risico’s op een verslechtering van de milieueffecten ten opzichte van de referentiesituatie.
17 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
In de beoordeling in het rad zijn verschillen tussen wijken en gebieden in Deventer niet beoordeeld, maar Deventer als geheel. Dit betekent dat er niet op wijk/gebiedsniveau wordt weergegeven waar de knelpunten zitten.
3.3
Beoordelingskader
Tabel 4.4 bevat alle perspectieven, thema’s en aspecten uit het Rad van de Leefomgeving voor Deventer. In de volgende paragrafen worden per thema de indicatoren beschreven die worden gebruikt om de aspecten binnen dat thema te beoordelen. Daarnaast volgt een uitleg over de ambities en doelen waarop de keuze voor de aspecten en indicatoren is gebaseerd. Thema’s, aspecten en indicatoren om mee te beoordelen Dit beoordelingsthema bevat de omgevingsthema’s waarop wordt beoordeeld. Dit zijn soms overlappende, en soms wezenlijk andere thema’s dan de beleidsthema’s (uiteengezet in hoofdstuk 2) waarop beleid wordt gemaakt.
Tabel 3.4 Beoordelingskader voor het Rad van Deventer Perspectief
Thema
Aspect
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Gezonde leefomgeving.
Ervaren gezondheid. Gezonde leefstijl. Geluid & luchtkwaliteit. Geur Hittestress Straling
Veilige leefomgeving.
Waterveiligheid Externe veiligheid. Verkeersveiligheid
Goede omgevingskwaliteit.
Klimaatneutraal
Broeikasemissies
Natuurlijke systemen.
Bodem & ondergrond. Grondwater Oppervlaktewater Wateroverlast & droogte.
Gezonde natuur.
Biodiversiteit Natuurgebieden
Waardevolle ruimte.
Waardevolle landschappen. Kwaliteit openbare ruimte. Cultuurhistorie, erfgoed en archeologie.
Woonomgeving
Welzijn
Sociale samenhang. Perceptie van levenskwaliteit. Inclusiviteit Sociale veiligheid.
Fijn wonen.
Passend woningaanbod. Voorzieningenaanbod
18 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Perspectief
Thema
Aspect Recreatie
Bereikbaar
Modal split. Bereikbaarheid auto. Bereikbaarheid OV. Bereikbaarheid fiets.
Economische omgeving.
Ruimte voor werken.
Energienetwerk Vestigingsklimaat Vestigingslocaties Landbouwareaal
Economisch vitaal.
Werkgelegenheid Verdienmogelijkheden Kennis & innovatie.
Natuurlijke hulpbronnen.
Drinkwater Minerale & fossiele grondstoffen. Circulariteit
Gemeente overschrijdende effecten Per aspect kan er een gemeente-overschrijdend effect zijn. Dit wordt benoemd in de effectbepaling als de effecten (die optreden als gevolg van nieuw gemeentelijk beleid uit een alternatief) ook significante en directe invloed kunnen hebben op de staat van de leefomgeving in naburige gemeenten. Er zal altijd voor elke indicator een bepaalde verwevenheid zijn met naburige gemeenten. Echter, alleen grotere significante effecten die in een andere gemeente meetbaar en attribueerbaar kunnen zijn aan het Deventer beleid worden in de effectbepaling benoemd. Dit betekent dat er in sommige gevallen in de uitwerking geen effect wordt benoemd op naburige gemeenten. Dit betekent niet strikt genomen dat het aspect niet verweven is met andere gemeenten, maar dat wordt ingeschat dat een mogelijk effect niet meetbaar of significant zal zijn, en daarom wordt het niet benoemd.
19 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
4 STAAT VAN DE LEEFOMGEVING | WAAR STAAT DEVENTER NU EN WAT KOMT ER OP DE GEMEENTE DEVENTER AF? 4.1
Staat van de leefomgeving
De Deventer staat van de Leefomgeving is beschikbaar via een ArcGIS ® StoryMap ®. Deze is beschikbaar via deze link: Foto van de Leefomgeving Deventer. In paragraaf 4.3 worden de belangrijkste hoofdconclusies uit deze analyse kort samengevat.
4.2
Methode voor bepalen van de referentiesituatie
Om alternatieven te kunnen beoordelen, is het nodig om de referentiesituatie te bepalen die in 2040 zou ontstaan als gevolg van autonome ontwikkelingen in Deventer, met waar relevant (als er specifiek na 2040 een verandering wordt voorspeld) een doorkijk naar 2050. Voor indicatoren waar vanuit de klimaatscenario’s lange termijn informatie beschikbaar is, wordt ook een doorkijk gegeven naar het jaar 2100. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich ook zouden voordoen als de omgevingsvisie niet wordt gerealiseerd. Hierbij valt onderscheid te maken tussen algemene ontwikkelingen die op Deventer afkomen en gemeente-specifieke ontwikkelingen die door de gemeente in gang worden gezet door beleid. Algemene ontwikkelingen die op Deventer afkomen betreffen demografische, economische, sociaalculturele, technologische, ecologische en politiek-institutionele trends en ontwikkelingen. Daar hoort ook bij de ontwikkelingen ingezet door landelijk beleid, vanuit de kaders beschreven in hoofdstuk 4.2. Voor alle alternatieven die worden onderzocht in dit OER zijn de algemene autonome ontwikkelingen gelijk. De onderzochte aanpassingen aan beleid via dit alternatief hebben immers geen directe invloed op de algemene trends.
Gemeente-specifieke ontwikkelingen die de gemeente stimuleert gaan bijvoorbeeld over voortzetting van het huidige beleid en projecten waar al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. De referentiesituatie is de combinatie van algemene ontwikkelingen en specifieke ontwikkelingen die reeds door de gemeente in gang zijn gezet. Dit betekent dat voor sommige beleidsthema’s, de referentiesituatie veelal wordt bepaald door landelijk beleid en/of bredere maatschappelijke ontwikkelingen. In andere beleidsthema’s is de gemeente meer sturend, waardoor de keuzes die de gemeente in het verleden heeft gemaakt belangrijk zijn voor de richting van de referentiesituatie. In Bijlage III wordt de beleidsreferentie beschreven per beoordelingsthema en aspect. Tabel 5.1 beschrijft hoe de tabellen in de volgende paragrafen moeten worden geïnterpreteerd.
20 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Tabel 4.1 Template voor de tabellen waar relevante beleidsmaatregelen in staan die meegenomen worden in de autonome ontwikkeling, gebruikt in bijlage III Gemeentelijk beleid (status)
Welke maatregelen definiëren de autonome ontwikkeling?
Beleidsstuk met maatregelen relevant voor fysieke leefomgeving (jaartal).
Deze maatregelen worden als zodanig ‘zeker geacht’ dat zij ook zonder omgevingsvisie uitgevoerd zullen worden. De omgevingskundige beoordeling van de referentiesituatie gaat uit van de uitvoering van deze maatregelen. maatregel X; maatregel Y; … etc.
Onzekere beleidsmaatregelen Er zijn ook een groot aantal maatregelen geïdentificeerd uit de beleidsdocumenten, die niet worden meegenomen in de autonome ontwikkeling. In de omgevingskundige beoordeling van de referentiesituatie wordt er vanuit gegaan dat deze maatregelen niet autonoom hun doel behalen, omdat zij nu nog te afhankelijk zijn van invulling en/of vervolgstappen. Met andere woorden, hun uitvoering is nog te onzeker. In de koers (het voorkeursalternatief) voor de omgevingsvisie kunnen deze maatregelen verder worden uitgewerkt, zodat er een grotere kans is dat de omgevingsvisie de doelen van de eerdere beleidsvisies kan helpen te halen, en zodat de risico’s op verslechtering op omgevingsthema’s verminderen. Deze versie van het OER bevat geen uiteenzetting van deze maatregelen. Deze informatie is wel gedeeld met de gemeente om te helpen met de vorming van de alternatieven en het koersdocument voor de omgevingsvisie. Invloed van vastgesteld beleid op de referentiesituatie In de beoordeling op milieu-aspecten, is zowel de huidige situatie als de referentiesituatie beoordeeld. De huidige situatie beoordeling is beschikbaar via de online ArcGIS Storymap. De beoordeling op referentie kan hiervan afwijken, om twee redenen: - autonome ontwikkelingen voor het thema, wat los van de gemeente impact heeft op dit thema.
Een goed voorbeeld hiervan zijn voorspelde effecten van klimaatverandering, waardoor een aspect als hittestress in de autonome ontwikkelingen zal toenemen; - invloed van de realisatie van reeds vastgesteld beleid. Reeds vastgesteld beleid bestaat uit concrete maatregelen waarvan kan worden aangenomen dat die ook zonder omgevingsvisie worden uitgevoerd in de referentiesituatie. Relevant beleid hogere overheden. In deze paragraaf worden de meest relevante beleidsstukken (op lokaal en bovenlokaal niveau) beschreven. Daarnaast wordt ook kaderstellende beleid voor de aanvulling op de omgevingsvisie beschreven. Deze kaders geven context aan de opgave van gemeente Deventer. Deze stukken maken geen onderdeel uit van de referentiesituatie, omdat de invulling ervan juist afhankelijk is van de implementatie in de omgevingsvisie en de bijbehorende programma’s en maatregelen. In tabel 4.2 zijn de belangrijkste bovenlokale beleidsstukken te vinden. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen het niveau van het beleid, de beleidsstukken, en de kaderstellende ambities van deze beleidsstukken.
21 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Tabel 4.2 Bovenlokaal beleid met kaderstellende ambities uitgelicht Niveau
Beleidsstuk
Kaderstellende ambities
Nationaal
Nationale omgevingsvisie (NOVI) (2020), vastgesteld.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond (omgevingsinclusief beleid). Dit zijn de vier NOVI-prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 duurzaam economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In de NOVI worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd: 5 combineren boven enkelvoudig; 6 kenmerken en identiteit van een gebied centraal; 7 afwentelen voorkomen.
Programma NOVEX (2022), vastgesteld.
Met het programma NOVEX wordt de traditie van ruimtelijke ordening op nationaal niveau hersteld. In het programma staan drie doelen centraal: 1 versnellen van de uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie; 2 versterken van de ruimtelijke regierol van het Rijk; 3 vernieuwing van de samenwerking in de (uitvoerings)relatie met provincies en in gebieden. De regio Deventer is onderdeel van één van de zestien NOVEX-gebieden. Hiervoor heeft de regio Deventer een Verstedelijkingsstrategie opgesteld om dit lokaal te vertalen naar een omgevingsvisie.
Nota Ruimte (2024), voorontwerp.
De Nota Ruimte gaat in op een lange termijnvisie van de ruimtelijke inrichting van Nederland, met de hoofdpunten: 1 beweging naar een toekomstbestendig evenwicht tussen landbouw en natuur in heel Nederland; 2 beweging naar een klimaatneutrale en circulaire samenleving; 3 beweging naar sterke regio’s, steden en dorpen in heel Nederland. (N.B., ten tijde van de effectstudies was er alleen een voorontwerp beschikbaar).
Provinciaal
Omgevingsvisie provincie Overijssel (POVI) (2017) vastgesteld. De POVI momenteel geactualiseerd.
De provincie streeft vanuit de POVI naar negen ambities: klimaatadaptatie en waterbeheer: ontwikkeling van veilige en robuuste watersystemen; energietransitie: verminderen van broeikasgasemissies en opschaling van duurzame energie; duurzame landbouw: balans tussen landbouw en natuur, bevorderen van biodiversiteit; natuurbehoud: versterken van natuurkwaliteit en realiseren van groene verbindingen; verstedelijking en mobiliteit: slim ruimtegebruik, betere bereikbaarheid en gezonde mobiliteit; cultureel erfgoed: behouden en versterken van regionale identiteit en erfgoed; gezonde leefomgeving: vergroenen van steden en verbeteren van luchtkwaliteit; sociaal welzijn: creëren van inclusieve en veilige gemeenschappen; economische ontwikkeling: duurzame economische groei en betere mobiliteit. (N.B., ten tijde van de effectstudies was de actualisatie van de POVI Overijssel nog niet beschikbaar)
Overijssels Programma Landelijk Gebied (PPLG) (2023), ontwerp.
22 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
De Overijsselse vertaling van het NPLG wordt beschreven in het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). De doelstellingen vanuit het PPLG zijn: het behoud en de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland;
Niveau
Beleidsstuk
Kaderstellende ambities -
het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw; het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen.
Het PPLG voor Overijssel is verdeeld in zes gebieden. Ieder gebied kent een eigen karakter, specifiek karakter. Deventer valt onder het gebied Zuidwest Overijssel en kent de volgende doestellingen: sociaaleconomische kwaliteit: . het creëren van inzicht in de sociaaleconomische impact van het PPLG op de zes PPLG-gebieden; . gebruik van Brede Welvaart als uitgangspunt; . ontwikkelen van een sociaaleconomische visie met gebiedspartners; . ontwikkelen van instrumenten voor uitvoering; . samenwerken met overheden, ondernemers en onderwijsinstellingen; perspectief landbouw: . ontwikkelpad 1: optimaliseren en verduurzamen van huidige bedrijfsvoering; . ontwikkelpad 2: omschakelen naar extensieve en verbrede bedrijfsvoering; . ontwikkelpad 3: afbouwen en stoppen van bedrijven; natuur: . bijdragen aan 30 % biodiversiteitsherstel tegen 2023; . uitbreiden van het NNN; . realiseren van instandhoudingsdoelen in natura 2000-gebieden; . verminderen van ammoniakemissie met 41 % tegen 2030-2035; . realiseren van 10 % dooradering tegen 2050, 50 % daarvan tegen 2030; . realiseren van 8.200 ha nieuwe natuur tegen 2050, 30 % daarvan tegen 2030; . realiseren van 58.300 ha leefgebied voor VHR-soorten tegen 2050, 17.500 ha daarvan tegen 2030; . aanvullende opgaven voor 2030 volgens Europese strategieën; water: . nutriëntenconcentraties voldoen aan wettelijke normen tegen 2027; .
concentraties voldoen aan wettelijke normen tegen 2027; . grondwaterlichamen voldoen aan normen tegen 2027; . goede zoetwaterbeschikbaarheid door hydrologische maatregelen; klimaat: . verminderen van (broeikas)emissies met 0,1-0,7 megaton co2eq per jaar tegen 2030; . koolstofvastlegging in bos uitbreiden met 3.500-4.000 ha tegen 2019. De provincie Overijssel heeft de uitvoering van de plannen voor het PPLG in mei 2024 (voor onbepaalde tijd) stopgezet. Landbouwvisie Overijssel 2040 (2024), concept.
Met de landbouwvisie schetst Provincie Overijssel een visie over hoe het wil dat de landbouw in de komende 15-20 jaar zich moet ontwikkelen. Daarbij wordt de landbouw beschouwd vanuit meerdere perspectieven: 1 als cultuurdrager; 2 als economische sector; 3 als voedselproducent; 4 als drager van biodiversiteit, water en klimaatbestendigheid; 5 als ruimtegebruiker. Deze perspectieven zijn ogenschijnlijke tegenstellingen. Om deze te overbruggen ziet de provincie de noodzaak voor een nieuwe balans tussen voedselproductie en leefomgeving. Dat is het uitgangspunt van de visie. om dit te bereiken worden vijf opgaven benoemd waarbinnen ruimte is voor vakmanschap en ondernemerschap van de boer:
23 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Niveau
Beleidsstuk
Kaderstellende ambities 1 2 3 4 5
natuur; biodiversiteit; bodem; water; klimaat.
Deze aspecten worden in een gebiedsgerichte aanpak binnen programma’s verder uitgewerkt. Regionaal
Regionale Energiestrategie (RES 2.0) West-Overijsel (2023), vastgesteld.
De RES 2.0 West-Overijssel heeft de volgende doelstellingen: opwek van duurzame energie: realiseren van 1,8 TWh duurzame energieopwekking door zon en wind in 2030 met een verhouding van 60 % wind en 40 % zon; leefomgeving: . vaststellen van zoekgebieden voor windenergie; . integreren van de RES-doelstellingen in provinciaal en lokaal beleid; . optimaliseren ruimtelijke kwaliteit; netwerk: afstemmen van energieprojecten met het elektriciteitsnetwerk regionaal en lokaal om transport schaarste te voorkomen en systeemefficiëntie te verbeteren; warmte: . verkennen van regionale warmtetechnologieën zoals geothermie en groengas; . het ondersteunen van lokale warmteprojecten; participatie: minimaal 50 % van de duurzame energieprojecten in lokaal eigendom om maatschappelijke acceptatie te verhogen en opbrengsten lokaal te houden. De RES-opgave is op provinciale schaal verder uitgewerkt in het programma Nieuwe Energie Overijssel 2024 - 2027. Ook worden er op provinciale schaal nadere afspraken gemaakt over windbeleid.
Externe planoverstijgende ontwikkelingen Daarnaast zijn er generieke ontwikkelingen die het gebiedsniveau overstijgen. Op het gebied van milieu is dit bijvoorbeeld de trendmatige verbetering van de luchtkwaliteit door (inter)nationale afspraken of de klimaatverandering die op basis van verschillende klimaatscenario´s te verwachten is. Ook zijn er technologische, demografische, politieke, economische en sociale ontwikkelingen op nationaal en regionaal niveau die in meer of mindere mate invloed hebben op de autonome ontwikkeling van het plangebied. Zo bepaalt het migratieoverschot en de ontwikkeling van de werkgelegenheid in sterke mate de aard en de hoogte van de woningbouwopgave. Ook technologische innovaties, zoals emissieloos rijden, zijn zeker vanaf 2030 van grote invloed op de verplaatsingspatronen en milieucondities in en rondom het plangebied. Deze generieke planoverstijgende ontwikkelingen worden in het OER betrokken, doordat zij de beoordeling van de autonome ontwikkeling beïnvloeden. Bijvoorbeeld, er is de verwachting dat de algemene luchtkwaliteit als gevolg van verkeer zal verbeteren, door de modernisering van het wagenpark en emissieloos rijden. Doorkijk naar 2100 Klimaatveranderingen en de impact daarvan op onze leefomgeving is via klimaatscenario’s al tot het jaar 2100 gemodelleerd.
In de referentiesituatie is ook nagegaan wat de verwachte veranderingen zijn op de volgende aspecten: - hittestress; - waterveiligheid; - emissie en vastlegging broeikasgassen; - wateroverlast en droogte; - biodiversiteit.
24 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Dit zijn allen indicatoren die ingaan op de fysieke leefomgeving. Dat wil niet zeggen dat er geen noemenswaardige extra effecten voor de sociale aspecten van dit OER in 2100 ten opzichte van 2050. Deze zijn echter onzekerder. De manier waarop de maatschappij reageert op klimaatverandering is belangrijk voor de invloed ervan op de Brede Welvaart in 2100. Dit is niet zo goed te voorspellen om op te kunnen nemen in de referentiesituatie. De overwegingen voer de referentiesituatie in 2100 zijn beschikbaar in Bijlage IV.
4.3
Samenvatting staat van de leefomgeving en referentiesituatie
Deze paragraaf geeft een samenvatting van de beoordeling van de staat van de leefomgeving voor Deventer. De beschrijving van de huidige situatie staat in het digitale rapport Staat van de leefomgeving, in te zien online. De staat van Deventer geeft aan de hand van verschillende thema’s een beeld van de kwaliteit van de leefomgeving van Deventer in de huidige situatie en de referentiesituatie (autonome ontwikkeling zonder de aanvulling van de omgevingsvisie). Tabel 4.3 geeft een overzicht van de beoordeling van de huidige situatie en de referentiesituatie. De detail informatie over de referentiesituatie per thema is beschikbaar in Bijlage IV.
Tabel 4.3 Samenvatting huidige situatie en referentiesituatie
Perspectief
Thema
Aspecten
Beoordeling huidige situatie
Beoordeling referentiesituatie
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Gezonde leefomgeving.
Ervaren gezondheid.
Overwegend goed.
Matig
Gezonde leefstijl.
Redelijk
Matig
Geluid
Overwegend goed.
Redelijk
Overwegend goed.
Overwegend goed.
Geur
Redelijk
Redelijk
Hittestress
Redelijk
Matig
Straling
-
-
Waterveiligheid
Matig
Redelijk
Externe veiligheid.
Overwegend goed.
Redelijk
Verkeersveiligheid
Overwegend goed.
Goed
Klimaatneutraal
Broeikasemissies
Redelijk
Redelijk
Natuurlijke systemen.
Bodem & ondergrond.
Redelijk
Redelijk
Grondwater
Matig
Redelijk
Oppervlaktewater
Matig
Redelijk
Wateroverlast & droogte.
Redelijk
Matig
gezonde natuur
Biodiversiteit
Matig
Matig
Natuurgebieden
Redelijk
Matig
Waardevolle ruimte.
Waardevolle landschappen.
Overwegend goed.
Overwegend goed.
Kwaliteit openbare ruimte.
Overwegend goed.
Goed
Luchtkwaliteit
Veilige leefomgeving.
Goede omgevingskwaliteit.
25 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Perspectief
Woonomgeving
Thema
Welzijn
Fijn wonen.
Beoordeling huidige situatie
Beoordeling referentiesituatie
Cultuurhistorie, erfgoed en archeologie.
Goed
Goed
Sociale samenhang.
Matig
Matig
Perceptie van levenskwaliteit.
Goed
Overwegend goed.
Inclusiviteit
Redelijk
Redelijk
Sociale veiligheid.
Matig
Matig
Passend woningaanbod.
Redelijk
Matig
Overwegend goed.
Overwegend goed.
Redelijk
Overwegend goed.
Modal split.
Redelijk
Redelijk
Bereikbaarheid auto.
Goed
Redelijk
Bereikbaarheid OV.
Redelijk
Redelijk
Bereikbaarheid fiets.
Goed
Goed
Energienetwerk
Redelijk
Redelijk
Overwegend goed.
Overwegend goed.
Vestigingslocaties
Matig
Matig
Landbouwareaal
Overwegend goed.
Redelijk
Werkgelegenheid
Goed
Goed
Verdienmogelijkheden
Redelijk
Redelijk
Goed
Overwegend goed.
Minerale & fossiele grondstoffen.
Matig
Redelijk
Circulariteit
Slecht
Matig
Aspecten
Voorzieningenaanbod Recreatie bereikbaar
Economische omgeving.
Ruimte voor werken.
Vestigingsklimaat
Economisch vitaal. Natuurlijke hulpbronnen.
Drinkwater
Afwijkingen referentiesituatie van huidige situatie In de referentiesituatie wijkt de helft van de beoordeelde aspecten af van de huidige situatie. Het beeld is gemengd: er zijn positieve trends zichtbaar op de Thema’s ‘Waardevolle ruimte’, ‘Fijn wonen’ en ‘natuurlijke hulpbronnen’. Er zijn echter met name verslechteringen, waarbij met vooral ‘gezonde leefomgeving’ en ‘gezonde natuur’ opvallen. Dit laat zien dat de leefomgeving onder druk staat. Deze verbeteringen en verslechteringen zijn in een vroeg stadium bepaald en relevant geweest voor het bepalen van ambities en interventies in de omgevingsvisie. In de volgende paragrafen wordt per Perspectief nagegaan wat de belangrijkste opvallende trends zijn in de referentiesituatie.
26 | 62
Witteveen+Bos | 142929/25-017.048 | Definitief
Gezonde fysieke leefomgeving In Deventer is er een negatieve ontwikkeling zichtbaar op veel indicatoren aangaande de gezonde leefomgeving. Meer inwoners ervaren stress door werkdruk, woonproblematiek en een gebrek aan tijd of middelen om te investeren in een gezonde leefstijl, waardoor de ervaren gezondheid afneemt. Daarnaast neemt de toegang tot groene en rustige plekken af door stedelijke verdichting, of worden deze plekken drukker. Individualisering van de samenleving betekent een afname in de weerbaarheid en minder sociaal contact. Hittestress als gevolg van klimaatverandering en een afname van biodiversiteit maken de leefomgeving ook minder veerkrachtig en verminderen het dagelijks welbevinden van inwoners. Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen: de luchtkwaliteit blijft over het algemeen goed en de verkeersveiligheid neemt toe dankzij modern ontwerp van infrastructuur en duurzaam mobiliteitsbeleid. Deze verbeteringen compenseren echter slechts deels de negatieve trends op het gebied van leefstijl, mentale gezondheid en sociale ongelijkheid. Hierdoor is de algehele staat van de fysieke leefomgeving van inwoners van Deventer in 2040 naar verwachting lager dan nu. Goede omgevingskwaliteit De waardevolle ruimte in en rondom Deventer kent een hoge kwaliteit, met een rijk cultureel erfgoed, karakteristieke landschappen en een sterke ruimtelijke identiteit.
Deze kwaliteiten blijven in de toekomst grotendeels behouden, mede dankzij zorgvuldig ruimtelijk beleid en aandacht voor behoud en beleving van cultuurhistorische waarden. Tegelijkertijd neemt de druk op de ruimte toe door uiteenlopende maatschappelijke opgaven, zoals woningbouw, energietransitie en klimaatadaptatie. Hierdoor ontstaan spanningen tussen behoud, ontwikkeling en gebruik van de schaarse ruimte. De staat van de natuur is momenteel matig en verbetert in de referentiesituatie niet wezenlijk. Door aanhoudende drukfactoren, zoals verstedelijking, recreatiedruk en milieu-invloeden, kan de kwaliteit van natuurgebieden verder afnemen. De natuurlijke systemen die natuur en ruimte ondersteunen, zoals bodemen watersystemen, verkeren in een redelijke tot matige staat. De weerbaarheid van het grond- en oppervlaktewatersysteem verbetert licht door proactief klimaatadaptief beleid vanuit hogere bestuurslagen, maar de effecten van klimaatverandering zorgen tegelijkertijd voor toenemende risico’s op wateroverlast en droogte. Woonomgeving In 2040 blijft de sociale samenhang in Deventer over het algemeen matig, met een stabiel maar niet toenemend gevoel van verbondenheid tussen inwoners. De perceptie van levenskwaliteit neemt gemiddeld toe, mede door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat en een goed voorzieningenniveau, maar deze ontwikkeling geldt niet voor alle bevolkingsgroepen.