CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-14-11 Globale passende beoordeling

Raadsvergadering 17 december 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvisie + Omgevingseffectrapportage (OER)10.783 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

OER Deventer Globale passende beoordeling

Gemeente Deventer 14 november 2025

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

OER Deventer Gemeente Deventer

Globale passende beoordeling Concept 01 14 november 2025 142929/25-017.902

142929 John Hekman Anke Springer-Rouwette

Rianne van Deelen, Annemieke Klok, Mitchell van Dijk Eveline Pinto John Hekman (b/a Anke Springer-Rouwette)

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Doel rapportage

4

1.3

Leeswijzer

5

2

NATURA 2000-GEBIEDEN

6

2.1

Rijntakken

7

2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4

7 8 9 10

Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Broedvogelsoorten Niet-broedvogelsoorten

3

TOETSINGSKADER OMGEVINGSWET - NATURA 2000-ACTIVITEIT

11

4

INGREEP-EFFECTRELATIES

13

5

BEOORDELING EFFECTEN INCLUSIEF MITIGATIE

17

5.1

Stikstofdepositie

17

5.2

Recreatiedruk en toename verstoring

18

5.3

Behoud en versterken van natuur buiten Natura 2000-gebieden

19

5.4

Energieopwekking en -transport

20

6

CONCLUSIE

22

7

LITERATUUR

23

Laatste pagina

23

Bijlage(n) I

Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden

Aantal pagina's 12

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. Gemeenten zijn daardoor verplicht om een omgevingsvisie op te stellen. Een omgevingsvisie is een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. In de omgevingsvisie zijn de ambities en beleidsdoelen vastgelegd die richting geven aan de beslissingen die in de fysieke leefomgeving genomen zullen moeten worden voor de ontwikkelingen, trends en ontwikkelingen die afkomen op de gemeente Deventer. Deze opgaven vragen om een integrale en samenhangende aanpak. De omgevingsvisie vormt een kader voor mer-(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. Voor kaderstellende plannen met effect op de leefomgeving is het verplicht om deze effecten te onderzoeken. Daarom is parallel aan het opstellen van de omgevingsvisie een breed omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. Het OER brengt effecten op de leefomgeving in beeld als gevolg van keuzes die in de omgevingsvisie worden gemaakt. Het doel van het OER is om de effecten van de te maken keuzes in de omgevingsvisie in beeld te brengen, zodat omgevingsbelangen volwaardig meewegen in de besluitvorming. Dit draagt bij aan een transparante besluitvorming. Hiermee wordt aangesloten op de bredere kijk van de Omgevingswet op de fysieke leefomgeving. Het OER bevat een beschrijving en beoordeling van de omgevingseffecten.

Het OER gaat hierbij in op reële alternatieven voor de beoogde ontwikkelingen die voor de te onderbouwen keuzes in de omgevingsvisie onderscheidend zijn voor wat betreft de omgevingseffecten. Met andere woorden, in het OER worden de effecten van de voornemens uit de omgevingsvisie op de leefomgeving beschreven. De omgevingsvisie en het OER hebben een kaderstellend karakter en de ontwikkelingen die worden beschreven, kunnen effect hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze effecten zijn opgenomen in het OER, maar omdat significante gevolgen op Natura 2000-gebieden niet op voorhand zijn uit te sluiten, is met voorliggende rapportage ook een globale passende beoordeling opgesteld.

1.2

Doel rapportage

Het doel van voorliggende rapportage is het in beeld brengen van de risico’s op significante gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden als gevolg van het voorgenomen beleid. Hierbij worden mogelijke mitigerende maatregelen voorgesteld. Waar relevant worden ook de kansen voor positieve effecten beschreven. Het detailniveau van de globale passende beoordeling sluit aan bij het detailniveau van de omgevingsvisie en het OER. De globale passende beoordeling betreft daarom voornamelijk een risico-inschatting en een beoordeling op hoofdlijnen. Voor de uitwerking en uitvoering van onderdelen van de omgevingsvisie door gemeente of ontwikkelaars dient in alle gevallen een nadere effectbeoordeling uitgevoerd te worden. Voorliggend rapport heeft geen juridische status.

4 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

1.3

Leeswijzer

De globale passende beoordeling is als volgt opgebouwd: - hoofdstuk 2 beschrijft voor de Natura 2000-gebieden die mogelijk effecten ondervinden wat de huidige staat van instandhouding van deze gebieden is; - hoofdstuk 3 bevat het toetsingskader; - hoofdstuk 4 geeft de ingreep-effect relaties, waarin wordt toegelicht welke mogelijke effecten optreden door de nieuwe ontwikkelingen; - hoofdstuk 5 beoordeelt de mogelijke gevolgen op Natura 2000-gebieden inclusief mogelijke mitigatie; - hoofdstuk 6 geeft de conclusie; en - hoofdstuk 7 bevat de gebruikte literatuur.

5 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

2 NATURA 2000-GEBIEDEN Binnen de gemeente Deventer bevindt zich het Natura 2000-gebied Rijntakken (afbeelding 2.1). Het Natura 2000-gebied Rijntakken is groot en bestaat uit vier deelgebieden, namelijk uiterwaarden IJssel, uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Waal. Binnen de gemeente Deventer ligt dus slechts een klein gedeelte van het Natura 2000-gebied Rijntakken. In de volgende paragrafen wordt de huidige staat van instandhouding van dit Natura 2000-gebied beschreven. Voor de effecten van stikstofdepositie zijn de Natura 2000-gebieden in een straal van 25 kilometer rondom de gemeente potentieel relevant. Dit betreft, naast Natura 2000-gebied Rijntakken, Sallandse Heuvelrug (4 km), Borkeld (6 km), Boetelerveld (6 km), Landgoederen Brummen (9 km), Wierdense Veld (14 km), Stelkampsveld (15 km), Veluwe (21 km), Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (21 km) en Veluwerandmeren (25 km). Voor alle Natura 2000-gebieden zijn de instandhoudingsdoelstellingen beschreven in bijlage I.

Afbeelding 2.1 Weergave gemeente Deventer en omliggende Natura 2000-gebieden

6 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

2.1

Rijntakken

In de volgende paragrafen worden de staat van instandhouding en de knelpunten voor habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en (niet-)broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Rijntakken beschreven.

2.1.1

Habitattypen

In tabel 2.1 is op basis van het beheerplan, de natuurdoelanalyse en het advies van de Ecologische Autoriteit betreffende de natuurdoelanalyse samengevat wat de huidige kwaliteit en knelpunten voor de habitattypen in Rijntakken zijn (Provincie Gelderland, 2023). Ook wordt het toekomstperspectief van het habitattype kort beschreven.

Tabel 2.1 Overzicht huidige kwaliteit, knelpunten en toekomstperspectief voor de aangewezen habitattypen in Rijntakken op basis van het beheerplan, de natuurdoelanalyse (NDA) en/of het advies van de ecologische autoriteit (EA) (Ecologische autoriteit, 2024; Provincie Gelderland, 2023, 2018) Habitattype

Kwaliteit

Knelpunten

Prognose

H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

geen volledig beeld, (Provincie Gelderland, 2018)

-

slechte waterkwaliteit lange ontwikkelingstijd eutrofiëring door grote aantallen ganzen (Provincie Gelderland, 2018)

vestigen van habitattype op nieuwe locaties niet te verwachten (Provincie Gelderland, 2018)

H3260B - Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden)

gunstige ontwikkelingen (Provincie Gelderland, 2018)

-

te grote dynamiek intensieve scheepvaart op de Waal (Provincie Gelderland, 2018)

het habitattype zal zich zonder maatregelen verder uitbreiden (Provincie Gelderland, 2018)

H3270 - Slikkige rivieroevers

kwaliteit varieert sterk van jaar tot jaar (Provincie Gelderland, 2018)

-

gebrek aan dynamiek (Provincie Gelderland, 2018)

gunstige ontwikkelingen in de afgelopen decennia, en veel perspectief voor ontwikkeling (Provincie Gelderland, 2018)

H6120 Stroomdalgraslanden

positieve trend in kwaliteit (Provincie Gelderland, 2023)

-

verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie verzuring en vermesting door verminderde rivierdynamiek vermesting door aanvoer/overstroming voedselrijk water vermeste gronden bemoeilijken het herstel versnelde successie inadequaat beheer (Provincie Gelderland, 2023)

verdere verslechtering niet uitgesloten, mede door de bestaande onzekerheden over het beheer (Ecologische autoriteit, 2024)

-

H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea)

geen volledig beeld (Provincie Gelderland, 2018)

-

geen (Provincie Gelderland, 2018)

kwaliteit van het habitattype in Rijntakken zal toenemen (Provincie Gelderland, 2018)

H6430B - Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

goede kwaliteit (Provincie Gelderland, 2018)

-

slechts op één locatie aanwezig (Provincie Gelderland, 2018)

geen maatregelen noodzakelijk

H6430C - Ruigten en zomen (droge bosranden)

geen volledig beeld, gaan sterk achteruit (Provincie Gelderland, 2018)

-

vermesting gebrek aan adequaat beheer (Provincie Gelderland, 2018)

herstel van het habitattype noodzakelijk (Provincie Gelderland, 2018)

7 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

voor behoud van het habitattype (Provincie Gelderland, 2018)

Habitattype

Kwaliteit

Knelpunten

Prognose

H6510A - Glanshaveren vossenstaarthooilanden (glanshaver)

negatieve trend in kwaliteit (Provincie Gelderland, 2023)

-

verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie verzuring en vermesting door verminderde rivierdynamiek vermesting door aanvoer/overstroming voedselrijk water inadequaat beheer vermeste gronden bemoeilijken het herstel verdroging door kunstmatig lage rivierstanden (Provincie Gelderland, 2023)

verdere verslechtering niet uitgesloten, mede door onzekerheden over het beheer en de opgetreden verslechtering (Ecologische autoriteit, 2024)

-

-

H9120 - Beukeneikenbossen met hulst

goede kwaliteit, trend onbekend (Provincie Gelderland, 2023)

onbekend, mogelijk: verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie kleine omvang, met grote randlengte inadequaat beheer (Provincie Gelderland, 2023)

verslechtering van het habitattype valt niet uit te sluiten door het ontbreken van maatregelen voor het habitattype en kennisleemtes (Provincie Gelderland, 2023)

H91E0A - Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

matige kwaliteit (Provincie Gelderland, 2018)

-

fragmentatie te klein oppervlakte (Provincie Gelderland, 2018)

opgave kan worden gerealiseerd (Provincie Gelderland, 2018)

H91E0B - Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

matige kwaliteit, trend in kwaliteit is mogelijk negatief (Provincie Gelderland, 2023)

-

geringe actuele oppervlakte beperkte ontwikkelmogelijkheid door waterveiligheid verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie verdroging door lage rivierstanden inadequaat beheer (Provincie Gelderland, 2023)

verslechtering van het habitattype valt niet uit te sluiten, vanwege de opgetreden verslechtering en de vele onzekerheden (Ecologische autoriteit, 2024)

atmosferische stikstofdepositie kleine omvang, met grote randlengte inadequaat beheer grote grondwaterschommelingen (Provincie Gelderland, 2023)

verslechtering van het habitattype valt niet uit te sluiten, vanwege de opgetreden verslechtering en de vele onzekerheden over waterhuishouding, klimaat en fragmentatie (Ecologische autoriteit, 2024)

atmosferische stikstofdepositie verzuring door verminderde rivierdynamiek vermesting door aanvoer van voedselrijkwater inadequaat beheer gering oppervlakte (Provincie Gelderland, 2023)

verslechtering van het habitattype valt niet uit te sluiten, vanwege de opgetreden verslechtering en de vele onzekerheden over waterhuishouding, klimaat en fragmentatie (Ecologische autoriteit, 2024)

H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

matig tot matig goede kwaliteit (Provincie Gelderland, 2023)

-

H91F0 - Droge hardhoutooibossen

slechte kwaliteit (Provincie Gelderland, 2023)

-

-

-

2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten

Trekvissen De trekvissen zeeprik (H1095), rivierprik (H1099), elft (H1102) en zalm (H1106) gebruiken de Rijntakken als doortrekgebied. Voor de functie is het van belang dat barrières ontbreken, de waterkwaliteit goed is en dat de oevers gevarieerd zijn. De kwaliteit kan worden verbeterd door het optimaliseren van beekmondingen, kribvakken en de aanleg van langsdammen. Maatregelen zijn voldoende om aan de doelstellingen bij te dragen (Provincie Gelderland, 2018).

8 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

Beek- en poldervissen Het leefgebied van de beek- en poldervissen bittervoorn (H1134), grote modderkruiper (H1145), kleine modderkruiper (H1149) en rivierdonderpad (H1163) vormt overlap met het habitattype H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Aantallen- en verspreidingsgegevens van de soorten zijn slecht bekend, waardoor ook onduidelijk is welke maatregelen getroffen moeten worden. Behoud van geïsoleerd gelegen wateren zoals wielen en sloten is van belang, zeker wanneer deze rijk begroeid zijn. Voor grote modderkruiper (H1145) is onduidelijk of de soort nieuw leefgebied kan bereiken, mogelijk is (her)introductie nodig. De rivierdonderpad (H1163) wordt verdrongen door exotische grondels waardoor de haalbaarheid van de doelstelling van de soort gering is (Provincie Gelderland, 2018). Kamsalamander (H1166) Het leefgebied van de kamsalamander beperkt zich niet tot de grenzen van het Natura 2000-gebied. Hierdoor zijn ook maatregelen buiten het gebied nodig. Het verruimen van rivierdynamiek of het aanleggen van nevengeulen pakt slecht uit voor de kamsalamander. Hierdoor worden voortplantingswateren bezet door vissen of er worden nieuwe barrières gevormd. De kamsalamander is zeer gevoelig voor vispredatie. Leefgebieden van de kamsalamander zijn deels versnipperd, en kamsalamanders zijn regelmatig verkeersslachtoffer (Provincie Gelderland, 2018).

Meervleermuis (H1318) De meervleermuis gebruikt de Rijntakken in de zomerperiode als foerageergebied en als trekroute tussen zomer- en winterverblijven. De soort foerageert boven open water en de beschikbaarheid hiervan zal toenemen door maatregelen waarin nieuw open water en gevarieerde oevers ontstaan. Er is weinig kennis over geschikte zomerverblijfplaatsen en barrières in en verstoring van vaste vliegroutes. Het is van belang hier onderzoek naar te doen, zodat maatregelen, indien nodig, getroffen kunnen worden (Provincie Gelderland, 2018). Bever (H1337) De bever is in 1994 uitgezet en in 2007 was er sprake van een populatie van circa 80 individuen. In 2021 werd in het Natura 2000-gebied Rijntakken aanwezigheid van minimaal 606 tot 711 bevers in 106 tot 128 territoria vastgesteld (Dijkstra, 2021). Versterking van het leefgebied kan meeliften met de realisatie van boskernen. Herkaveling van bos mag niet leiden tot verslechtering van de connectiviteit van leefgebieden voor bever. Bovendien is van belang dat verstoring van de oeverzones wordt tegengegaan. Momenteel is sprake van verstoring van dagverblijfplaatsen door loslopende honden, recreanten en oeverbeheer. Ook tegengaan van verstoring door recreatie in schemer en nacht is van belang (Provincie Gelderland, 2018).

2.1.3

Broedvogelsoorten

De broedvogelsoorten aalscholver (A017), roerdomp (A021) en oeverzwaluw (A249) kwamen in de afgelopen vijf jaar gemiddeld boven hun populatiedoelstelling voor in het Natura 2000-gebied Rijntakken (Sovon, 2025). Van dodaars (A004), ijsvogel (A229) en blauwborst (A272) is onbekend wat hun huidige staat van instandhouding is (Sovon, 2025). De broedvogelsoorten woudaap (A022), porseleinhoen (A119), kwartelkoning (A122), watersnip (A153), zwarte stern (A197) en grote karekiet (A298) kwamen onder hun populatiedoelstelling voor in het Natura 2000-gebied Rijntakken (Sovon, 2025). Knelpunten voor de broedvogelsoorten zijn verstoring door recreatie, peilbeheer ten gunste van landbouw, te weinig riet voor moerasvogels, inadequaat beheer en snelle vegetatiesuccessie. De soorten liften deels mee met de maatregelen die genomen worden voor de habitattypen, en met de maatregelen die getroffen worden in het kader van Ruimte voor de Rivier en Kaderrichtlijn Water. Voor moerasvogels zijn de optimalisering van de waterhuishouding en rietherstel voorgestelde maatregelen. Ook voor zwarte stern zijn deze maatregelen van belang, Voor porseleinhoen is het van belang dat plas-drasgebieden worden gerealiseerd, ook watersnip profiteert hiervan. Voor kwartelkoning is aangepast maaibeheer nodig (Provincie Gelderland, 2018).

9 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

2.1.4

Niet-broedvogelsoorten

De niet-broedvogelsoorten fuut (A005), aalscholver (A017), kolgans (A041), grauwe gans (A043), krakeend (A051), wintertaling (A052) en slobeend (A056) kwamen in de afgelopen vijf jaar gemiddeld boven hun populatiedoelstelling voor in het Natura 2000-gebied Rijntakken (Sovon, 2025). De overige nietbroedvogelsoorten (kleine zwaan (A037), wilde zwaan (A038), brandgans (A045), bergeend (A048), smient (A050), wilde eend (A053), pijlstaart (A054), tafeleend (A059), kuifeend (A061), nonnetje (A068), meerkoet (A125), scholekster (A130), goudplevier (A140), kievit (A142), kemphaan (A151), grutto (A156), wulp (A160), tureluur (A162) en toendrarietgans (A702)) halen hun populatiedoelstellingen niet (Sovon, 2025). Knelpunten voor de niet-broedvogelsoorten zijn verstoring door recreatie, afname van grasland en afname van plas-drasgebieden. De soorten liften deels mee met de maatregelen die genomen worden voor de habitattypen, en met de maatregelen die getroffen worden in het kader van Ruimte voor de Rivier en Kaderrichtlijn Water. Er worden geen soort specifieke maatregelen getroffen (Provincie Gelderland, 2018).

10 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

3 TOETSINGSKADER OMGEVINGSWET - NATURA 2000-ACTIVITEIT Onder de Omgevingswet (Ow) maakt natuur onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Hierdoor valt natuur(bescherming) onder de reikwijdte van de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Deze instrumenten zien op Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden en aangewezen bijzondere natuurgebieden, landschappen en parken. Door middel van Natura 2000-gebieden worden plant- en diersoorten die in Europa bedreigd zijn en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is, behalve (onder andere) de begrenzing van het gebied, opgenomen voor welke habitattypen en soorten het gebied is aangewezen en welke doelen hiervoor gelden, zogenoemde instandhoudingsdoelstellingen. Instandhoudingsdoelstellingen betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow is een omgevingsvergunning vereist voor een ‘Natura 2000-activiteit’.

Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als een ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000 gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Ook het begrip ‘project’ is gedefinieerd in de Omgevingswet, namelijk als: - het bouwen van bouwwerken of de totstandbrenging van installaties of werken; en - andere activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigingen, inclusief activiteiten voor de winning van delfstoffen. Natura 2000-activiteiten zijn vergunningplichtig op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow. Dit artikel vormt de Nederlandse implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Het is voorts verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.5 lid 2 onder f Ow). Activiteiten waarvan significante gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten, zijn niet vergunningplichtig. Daarnaast zijn er in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) nog andere gevallen aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.

Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Als deze effecten significant zijn dan is er vanwege de ‘externe werking van een Natura 2000-gebied’ ook sprake van een Natura 2000-activiteit. Voortoets en passende beoordeling Om te bepalen of er sprake is van significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied, kan een voortoets worden uitgevoerd. In een voortoets wordt bepaald of significante gevolgen op natuurwaarden in het betreffende gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in een voortoets, is er geen sprake van een vergunningplicht en kan het voornemen doorgang

11 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

vinden. Indien significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. In paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het toetsingskader voor een Natura 2000activiteit opgenomen. Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen. Dit geldt ook voor een plan (als bedoeld in artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn) op grond van artikel 10.24 Bkl. Integraal onderdeel van de passende beoordeling is de cumulatietoets. Daarin wordt beoordeeld of het project ook in samenhang met effecten van andere vergunde, nog niet afgeronde projecten geen significante gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen heeft.

Als de vereiste zekerheid dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast niet is verkregen, dan kan op grond van artikel 8.74b Ow een omgevingsvergunning alleen nog worden verleend, als: - er geen alternatieve oplossingen zijn; - het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en - de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Zorgplicht Naast de vergunningplicht kent de Omgevingswet ook een specifieke zorgplicht voor de Natura 2000activiteit. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, is verplicht: a alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Wat deze zorgplicht in ieder geval inhoudt is nader uitgewerkt in artikel 11.6 lid 2 Bal.

Zo moeten bijvoorbeeld alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen voor het betrokken gebied te voorkomen en moet tijdens en moet na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Toetsingskader stikstof Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het instrument AERIUS Calculator.

12 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

4 INGREEP-EFFECTRELATIES In het OER Deventer wordt in het voorgenomen beleid beschreven waarop de ontwikkelingen in de stad en omgeving gericht zijn. Gevolgen van deze ontwikkelingen kunnen een negatieve doorwerking hebben op Natura 2000-gebieden, maar kunnen ook positief doorwerken of helemaal geen (meetbare) gevolgen hebben. De voornaamste factoren voor het bepalen van effecten op Natura 2000-gebieden zijn: 1 ontwikkelingen die direct van invloed zijn op de Natura 2000-gebieden in (de omgeving van) gemeente Deventer; 2 de mate van toename van verkeersbewegingen en het inwonersaantal gepaard met het bouwprogramma. Afbeelding 4.1 toont de visiekaart van de gemeente Deventer opgenomen met daarop de verschillende deelgebieden binnen de gemeente en de voorgenomen ontwikkelingen en ambities van de gemeente. Deze afbeelding geeft een ruimtelijke duiding van de ingrepen en effecten die in tabel 4.1 benoemd worden.

Afbeelding 4.1 Visiekaart van Deventer met de voorgenomen ontwikkelingen en ambities

In tabel 4.1 staan de ingrepen en hun bijbehorende effecten beschreven en de mogelijke doorwerking die deze effecten hebben op Natura 2000-gebieden.

13 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

Tabel 4.1 Ingreep-effect relaties en de mogelijke doorwerking op Natura 2000-gebieden Ingreep

Mogelijke effecten op Natura 2000

Doorwerking op Natura 2000-gebieden nabij Deventer

Doorwerking op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer

Wechelerhoek woningbouw (1.400–1.600 woningen)

-

toename verkeer → toename stikstofdepositie toename inwoners → grotere recreatiedruk IJssel → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

Baarlerhoek woningbouw (1.000–1.700 woningen)

-

toename verkeer → toename stikstofdepositie toename inwoners → grotere recreatiedruk IJssel → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

toename verkeer → toename stikstofdepositie toename inwoners in gebied direct naast Rijntakken → grotere recreatiedruk IJssel → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden potentieel hydrologische effecten (indirect) → verdroging tijdelijke bouwverstoring → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

-

-

Stadsland woningbouw/ gebiedsontwikkeling (1.100–1.800 woningen)

-

-

Bergweide 3 transformatie (500–900 woningen + nieuwe langzaamverkeerverbindingen en fiets/loopbrug) Roto-kwartier transformatie (ca. 700 woningen)

-

toename verkeer → toename stikstofdepositie

-

toename verkeer → toename stikstofdepositie toename inwoners in gebied direct naast Rijntakken → grotere recreatiedruk IJssel → verstoring rust- en foerageergebieden potentieel hydrologische effecten (indirect) → verdroging; tijdelijke bouwverstoring → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

toename verkeer → toename stikstofdepositie toename inwoners in gebied direct naast Rijntakken → grotere recreatiedruk IJssel → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden potentieel hydrologische effecten (indirect) → verdroging tijdelijke bouwverstoring → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

lichte verkeerstoename → beperkte toename stikstofdepositie

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

-

-

stedelijke verdichting Haveneiland

-

-

De Kien/Stadscampus stedelijke verdichting (ca. 1.000 woningen)

14 | 23

-

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

Ingreep

Mogelijke effecten op Natura 2000

Doorwerking op Natura 2000-gebieden nabij Deventer

Doorwerking op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer

Vijfhoek Zuidoost woningbouw (180–220 woningen)

-

lichte verkeerstoename → beperkte toename stikstofdepositie

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

aanpak stationsgebied Deventer

-

mobiliteitshub → mogelijke verkeerstoename → mogelijke toename stikstofdepositie geen structurele negatieve effecten vanwege afstand tot Natura 2000 stimulans voor OV en fiets → remmend effect op autoverkeer en bijbehorende emissies → mogelijke afname stikstofdepositie, welke groter is dan de mogelijke toename

-

mogelijk positief, mogelijk negatief

-

mogelijk positief, mogelijk negatief

mogelijk ruimtebeslag op Natura 2000 → oppervlakteverlies Natura 2000 mogelijke verkeerstoename →mogelijk permanente toename verstoring broed-, rust- en foerageergebied inzet mobiele werktuigen bouwfase → tijdelijke toename stikstofdepositie

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief (tijdelijk)

-

toename recreatiedruk richting buitengebied → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

geen effect te verwachten

-

afname verkeersbewegingen → afname stikstofdepositie

-

mogelijk positief

-

mogelijk positief

mobiliteitshub Wechelerhoek

-

afname verkeersbewegingen → afname stikstofdepositie

-

mogelijk positief

-

mogelijk positief

autoluwe binnenstad/ 30 km/u (verkeersverschuiving)

-

afname verkeersbewegingen in binnenstad mogelijke verkeerstoename in andere gebieden → mogelijke afname stikstofdepositie afname uitstoot door verkeersbewegingen → afname stikstofdepositie

-

mogelijk positief

-

mogelijk positief

aanvaringsrisico vogels en vleermuizen tijdelijke toename stikstofdepositie barrièrewerking

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

-

-

nieuwe oeververbinding derde IJsselbrug

-

-

-

nieuwe langzaamverkeerverbindingen vanuit Bergweide 3 regionale snelfietsroutes en fietsradiëlen tussen woonwijken en station

-

windturbines in zoekgebied A1

-

bedrijfswindturbines bij agrariërs (tot 50 m)

-

aanvaringsrisico vogels en vleermuizen; verstoring open gebied; cumulatieve effecten bij clustering

-

mogelijk negatief

-

geen effect te verwachten

zonneparken in buitengebied

-

verlies open gebied → mogelijke afname broed-, rust- en foerageergebied tijdelijke bouwverstoring → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

geen effect te verwachten

-

15 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

Ingreep

Mogelijke effecten op Natura 2000

Doorwerking op Natura 2000-gebieden nabij Deventer

Doorwerking op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer

nieuw hoogspanningstracé Harculo–Baarlerhoek

-

geen structurele effecten op habitattypen mogelijk doorwerking op Natura 2000 door aanvaringsrisico vogels en vleermuizen tijdelijke bouwverstoring → verstoring broed-, rust- en foerageergebieden

-

mogelijk negatief

-

mogelijk negatief

toename robuuste natuurlijke omgeving toename groene recreatiemogelijkheden buiten Natura 2000-gebieden → afname recreatiedruk

-

mogelijk positief

-

geen effect te verwachten

-

ecologische verbindingen/ natuurvriendelijke oevers

-

De ingrepen kunnen worden beoordeeld aan de hand van vier thema’s: - stikstofdepositie; - recreatiedruk en toename verstoring; - behoud en versterken van natuur en watersystemen buiten Natura 2000-gebieden; - energieopwekking en -transport. In hoofdstuk 5 wordt aan de hand van deze vier thema’s de beoordeling uitgevoerd.

16 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

5 BEOORDELING EFFECTEN INCLUSIEF MITIGATIE Zoals in hoofdstuk 3 naar voren komt, zijn vier thema’s relevant voor beoordeling. Deze worden in de volgende paragrafen uitgewerkt. Per thema worden ook de mogelijkheden voor mitigatie aangegeven.

5.1

Stikstofdepositie

Toename van stikstofdepositie In het voorgenomen beleid zet de gemeente Deventer in op de realisatie van circa 6.000 tot 7.000 nieuwe woningen tot 2050, waarvan het merendeel binnen de stadsgrenzen wordt gerealiseerd. De belangrijkste woningbouwlocaties zijn Wechelerhoek, Baarlerhoek en Stadsland, met elk 1.000 tot 1.800 woningen. Daarnaast vindt stedelijke verdichting plaats op locaties als Stadscampus de Kien, Roto-kwartier, Haveneiland en Bergweide 3. De aanleg en het gebruik van deze woonwijken en stedelijke verdichtingsprojecten leiden, bij een worstcase-benadering waarin nog niet volledig emissieloos wordt gebouwd of gereden, tot een toename van stikstofemissie. De toename komt voornamelijk voort uit: - bouwactiviteiten en bouwlogistiek (tijdelijke stikstofemissies); - extra autoverkeer van nieuwe bewoners en bezoekers (permanente stikstofemissies); - verkeersgroei door economische logistieke functies binnen de A1-zone (permanente stikstofemissies); - uitbreiding van energie-infrastructuur (hoogspanningstracé Harculo-Baarlerhoek, wind- en zonneenergie) (tijdelijke stikstofemissies). Door de toename van stikstofemissie kan ook sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van ontwikkelingen. Een toename van stikstofdepositie kan leiden tot, aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

Hoewel individuele projecten en hun stikstofdepositietoename niet altijd leiden tot significante gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen, kunnen deze gezamenlijk wel leiden tot een aantasting van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie vormt namelijk voor veel habitattypen in Natura 2000-gebieden een knelpunt. Het risico op een toename van stikstofdepositie is groter naarmate een ontwikkeling dichter in de buurt van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied ligt. En een toename van stikstofdepositie vormt met name een potentieel knelpunt voor ontwikkelingen wanneer sprake is van een permanente toename op Natura 2000-gebieden. De grootste permanente toenames van stikstofdepositie worden verwacht bij de grotere woningbouwlocaties Stadsland, Wechelerhoek en Baarlerhoek, vanwege hun omvang en het extra verkeer dat deze ontwikkelingen genereren. Alleen Stadsland ligt direct grenzend aan het Natura 2000-gebied Rijntakken (IJsseluiterwaarden); de andere twee locaties bevinden zich op enkele kilometers afstand. Significante gevolgen van stikstofdepositie kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden.

Afname van stikstofdepositie De aanpak van het stationsgebied (met de mobiliteitshub De Kien, fietsparkeergarage en verbeterde OVtoegang) en de aanleg van regionale snelfietsroutes en fietsradiëlen stimuleren een verschuiving van

17 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

autogebruik naar openbaar vervoer en fiets. Daarnaast wordt ingezet op een autoluwe binnenstad (met 30 km/u wegen) en op bundeling van verstedelijking rond bestaande OV-knooppunten. Ook onderzoekt de gemeente de mogelijkheid voor twee nieuwe regionale stations (Bathmen en Diepenveen). Deze verkenningen hebben geen ruimtelijke uitwerking en maken geen onderdeel uit van concrete besluitvorming, maar dragen beleidsmatig bij aan de ambitie om het openbaar vervoer te versterken. Indien deze stations in de toekomst worden gerealiseerd, kan dit leiden tot een modal shift van auto naar OV en daarmee tot een mogelijke afname van stikstofemissies. Omdat het om verkennende ambities gaat, worden deze effecten niet als mitigerend effect meegewogen. Door een afname van autogebruik en het bevorderen van OV gebruik, neemt de stikstofemissie af en/of blijft de toename van stikstofemissie als gevolg van een toenemend inwonersaantal beperkt. Hiermee wordt de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied binnen 25 kilometer van gemeente Deventer mogelijk verlaagd. De afname van stikstofdepositie kan positieve doorwerking hebben op Natura 2000-gebieden waar nu sprake is van een overschrijding van de Kritische Depositiewaarde. In veel gevallen is een afname van stikstofdepositie noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten te behalen (zie hoofdstuk 2).

Conclusie en mitigatie Een toename van stikstofdepositie is als gevolg van met name de grootschalige woningbouwontwikkelingen en energie-infrastructuur niet uit te sluiten. Tegelijkertijd kunnen mobiliteits- en binnenstedelijke maatregelen een remmend en deels compenserend effect hebben op de toename van stikstofdepositie. Stikstofdepositie kan verder worden beperkt door emissieloos te bouwen. Met name ontwikkelingen in gebieden nabij de Natura 2000-gebieden resulteren in een grotere toename van stikstofdepositie. In deze gebieden kan extra ingezet worden op modulair bouwen en biobased bouwen. Mobiliteit (autogebruik) in de gebruiksfase blijft daarbij echter een belangrijk aandachtspunt, omdat zero-emissie mobiliteit op dit moment nog niet realistisch is en een permanente toename van stikstofdepositie als gevolg van verkeer dus aannemelijk is. De effecten van een toename van stikstofdepositie moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Als gebruik wordt gemaakt van intern en/of extern salderen of mitigerende maatregelen om een plan- of project te realiseren, is een passende beoordeling nodig. In de passende beoordeling moeten de verwachte voordelen van de mitigerende maatregel vast te staan. Daarnaast is het noodzakelijk dat in de passende beoordeling het additionaliteitsvereiste onderbouwd is.

Als in een passende beoordeling significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een ADC-toets worden doorlopen.

5.2

Recreatiedruk en toename verstoring

Toename recreatiedruk Door een toename van het aantal woningen, neemt ook het aantal inwoners toe. Een toename van het aantal inwoners binnen de gemeente, leidt tot een toename van recreatiedruk in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Een toename van recreatiedruk kan leiden tot een toename van verstoring van leefgebied van soorten. Ook een betere ontsluiting van de natuurgebieden, als gevolg van nieuwe oeververbinding derde IJsselbrug, kan leiden tot een plaatselijke toename van verstoring van leefgebied van soorten. Recreatiedruk leidt tot verstoring van zowel Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten als typische soorten van habitattypen. Aanwezigheid van typische soorten is mede bepalend voor de kwaliteit van habitattypen in Natura 2000-gebieden. In het Natura 2000-gebied Rijntakken vormt recreatiedruk, en de daar bijhorende verstoring in de huidige situatie al een knelpunt voor soorten (zie hoofdstuk 2). Binnen de gemeente Deventer is in de huidige situatie als gevolg van onder andere recreatie al relatief veel verstoring langs de IJssel aanwezig, met name langs de bebouwde delen. Het effect van een toename van verstoring aan de stadskant is beperkt en heeft geen tot een beperkte invloed op de draagkracht van Rijntakken voor soorten met een instandhoudingsdoelstelling.

De verwachting is dat het effect van een toename van het inwonersaantal op verstoring aan de centrumzijde van de gemeente Deventer relatief beperkt is, doordat

18 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

inwoners met name aan de al verstoorde stadskant zullen recreëren of zich over een groter gebied verspreiden. Voor de toename van inwoners door de woningbouw/gebiedsontwikkeling Stadsland ligt dit anders. De uiterwaarden van de IJssel, die hier ook tot het Natura 2000-gebied Rijntakken behoren, zullen in toenemende mate recreatief gebruikt worden wat kan leiden tot een aanzienlijke toename van verstoring. Door een toename van de recreatiedruk en daarmee gepaard gaande verstoring treedt mogelijk aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden op. Significante gevolgen van verstoring kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mogelijk geldt hier dat op projectniveau geen effecten optreden, maar op het cumulatieve niveau waarop deze beoordeling wordt opgesteld, wel. Afname recreatiedruk Het realiseren van extra ruimte voor recreatie in parken en het uitbreiden van stedelijk groen en blauw zorgt voor een beperking van de toename van de recreatiedruk in Natura 2000-gebieden. Ondanks de toename van het aantal woningen en het inwonersaantal, neemt door de geplande realisatie van groen, parkverbindingen en het verhogen van de stedelijke verblijfskwaliteit de recreatiedruk in beschermde natuurgebieden minder hard toe dan op basis van het inwonersaantal verwacht wordt.

Door de geplande realisatie van groen in de stad kunnen inwoners dichterbij huis recreëren, waardoor zij minder geneigd zijn naar beschermde natuur te gaan. Dit geldt met name voor recreatie die dagelijks plaatsvindt. Niet voor alle vormen van recreatie is groen in de stad een alternatief voor een natuurgebied, maar het zorgt wel voor minder recreatie in de natuurgebieden. Conclusie en mitigatie Concluderend kan worden gesteld dat door een toenemend inwonersaantal de verstoring in het Natura 2000-gebied Rijntakken toeneemt. Tegelijkertijd wordt in de (binnen)stad meer ruimte gecreëerd voor recreatie, waardoor inwoners meer alternatieven krijgen wat een dempende werking heeft op recreatie binnen het Natura 2000-gebied. De woningbouw/gebiedsontwikkeling Stadsland is een aandachtspunt, gezien de directe ligging naast het Natura 2000-gebied Rijntakken. Met name bij Stadsland wordt het aanbevolen om, als toevoeging op de huidige omgevingsvisie, recreatie te zoneren en te geleiden, en waar nodig toegang in de meest kwetsbare natuur of op de meest kwetsbare momenten te beperken. Voor alle ontwikkelingen geldt dat effecten van verstoring op plan- of projectniveau beoordeeld worden.

5.3

Behoud en versterken van natuur buiten Natura 2000-gebieden

In het voorgenomen beleid ligt de focus niet primair op het uitbreiden van formele 'natuurgebieden'. Wel wordt er veel waarde gehecht aan het aspect natuur. In het voorgenomen beleid worden nieuwe ontwikkelingen benut om blauwgroene structuren te verbeteren of toe te voegen. Deventer richt zich op het versterken van natuur en landschappelijke samenhang, onder meer door uitbouw van de groenblauwe hoofdstructuur en betere verbinding tussen stad en buitengebied. De omgevingsvisie benadrukt dat natuur niet alleen wordt beschermd, maar ook waar mogelijk ontwikkeld als onderdeel van een gezonde leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om bescherming van Natura 2000-gebieden langs de IJssel en aanleg van ecologische verbindingszones en natuurvriendelijke oevers. De maatregelen kunnen bijdragen aan een lichte verbetering van natuurkwaliteit en ecologische samenhang, wat een positieve bijdrage kan leveren aan habitatrichtlijn- en/of vogelrichtlijnsoorten met een Natura 2000instandhoudingsdoelstelling. Door de aanleg van verbindingszones en herstel van waterlopen wordt de robuustheid van ecosystemen enigszins versterkt. Ook kan ontwikkeling en behoud van natuur buiten Natura 2000-gebieden de recreatiedruk in Natura 2000-gebieden beperken of verminderen.

Conclusie en mitigatie Het versterken van groen en blauw in de landschappelijke en stedelijke gebieden heeft mogelijk een positief effect op Natura 2000-gebieden. In algemene zin worden in de omgevingsvisie weinig concrete maatregelen

19 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

getroffen met het oog op kansen voor Natura 2000-gebieden, specifiek Rijntakken, terwijl de gemeente Deventer daarin wel een rol kan nemen.

5.4

Energieopwekking en -transport

In deze paragraaf vindt achtereenvolgens de beoordeling van effecten van windturbines, zonneparken en hoogspanning plaats. Windturbines in zoekgebied A1 en bedrijfswindturbines bij agrariërs Windturbines kunnen leiden tot barrièrewerking, versnippering van leefgebied, verstoring en verwonden en doden van vogels en vleermuizen. Deze effecttypen komen in de volgende alinea’s aan bod. De windturbines in zoekgebied A1 en bedrijfswindturbines bij agrariërs vormen mogelijk een barrière voor vogels en vleermuizen. Barrièrewerking treedt met name op bij een lijnvormige opstelling van windturbines en kan leiden tot het vermijden van het gebied door Vogelrichtlijnsoorten en typische soorten, wat leidt tot versnippering van het leefgebied. Het zoekgebied A1 ligt niet binnen de contouren van het Natura 2000gebied Rijntakken. Effecten op soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebieden kunnen echter ook buiten de contouren van die Natura 2000-gebieden optreden. In dat geval is sprake van zogenaamde externe werking. Toetsing in het kader van externe werking is vooral van belang voor aangewezen soorten die zich (ver) buiten het Natura 2000-gebied kunnen begeven, bijvoorbeeld vleermuizen of (water)vogels die dagelijks heen en weer vliegen tussen hun slaapplaatsen en foerageerplaatsen.

Er kan dus sprake zijn van connectiviteit tussen een Natura 2000-gebied en omliggende gebieden, waarbij soorten voor hun instandhouding in een Natura 2000-gebied afhankelijk kunnen zijn van gebieden buiten het Natura 2000-gebied. In het geval van Rijntakken gaat het bijvoorbeeld om soorten zoals smient, kolgans en kleine zwaan die van agrarische percelen buiten het Natura 2000-gebied gebruik maken om te foerageren. Plaatsing van windturbines kan leiden tot het vermijden of verlaten van Natura 2000-gebieden of omringende rust- en/of foerageergebieden door versnippering en verstoring, waardoor er een effect kan zijn op de draagkracht van Natura 2000-gebieden voor soorten. Significante gevolgen voor instandhoudingsdoelstellingen zijn in dat geval niet uit te sluiten. Vogels en vleermuizen kunnen met de rotor of mast van de windturbine in aanraking komen en gewond raken of sterven. Bovendien kunnen windmolens soorten verstoren door geluid, licht en slagschaduw en is er mogelijk sprake van optische verstoring. Deze effecttypen treden afhankelijk van de afstand tot Natura 2000gebieden, in meer of mindere mate op. Populatiedoelstellingen van soorten aangewezen voor de Natura 2000-gebied kunnen dalen als gevolg van mortaliteit door aanvaringen met de windturbines.

Door verstoring en met name mortaliteit als gevolg van windturbines bij de A1 en bij agrariërs is aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten. Conclusie en mitigatie windturbines Significante gevolgen van barrièrewerking, verstoring en mortaliteit kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mitigatie van negatieve effecten is mogelijk door bijvoorbeeld het plaatsen van de windturbines in de vliegrichting van de soorten en/of een stilstand voorziening. Zonneparken in het buitengebied De zonopwekking langs snelwegen wordt niet ontwikkeld binnen of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden, waardoor enkel de effecten veroorzaakt door externe werking relevant zijn. Externe werking is van toepassing als initiatieven gelegen buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied invloed hebben op instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Een toelichting op externe werking is bij de beschrijving van effecten door windturbines opgenomen. Zonneparken kunnen leiden tot verlies van leefgebied en/of barrièrewerking. Als zonneparken worden gerealiseerd op locaties die leefgebied vormen voor Natura 2000-soorten en daardoor bijdragen aan de draagkracht van een Natura 2000-gebied voor die soorten, kan sprake zijn van significante gevolgen.

Omdat effecten sterk locatiegebonden zijn en locaties nog niet vastliggen, zijn deze op het huidige beleidsniveau niet te beoordelen.

20 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

Significante gevolgen van externe werking door de realisatie van zonopwekking kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Conclusie en mitigatie zonneparken Concluderend kan worden gesteld dat door realisatie van zonopwekking mogelijk significante gevolgen optreden op instandhoudingsdoelstellingen van soorten door externe werking. Externe werking moet op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mitigatie kan plaatsvinden door zonnepanelen buiten slaapen/of foerageergebieden te plaatsen of door ander areaal buiten het Natura 2000-gebied geschikt te maken als leefgebied. Hoogspanning Het hoogspanningstracé Harculo-Baarlerhoek vormt mogelijk een barrière voor soorten. Een hoogspanningstracé kan een barrière in de vliegroute van vogels of vleermuizen vormen. Daarnaast kunnen soorten met hoogspanningskabel in aanraking komen en gewond raken of sterven. De locatie van de voorgenomen hoogspanningstracé bevindt zich nabij het Natura 2000-gebied Rijntakken. Mogelijk rusten hier vogelsoorten (zoals smient, kolgans en kleine zwaan) die van het agrarisch achterland gebruik maken om te foerageren. Significante gevolgen door mortaliteit kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden.

Conclusie en mitigatie hoogspanning Door de aanleg van windturbines bij het hoogspanningstracé Harculo-Baarlerhoek treedt een aanvaringsrisico voor vogels en vleermuizen op. Mortaliteit door het hoogspanningstracé moet op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mitigatie is bijvoorbeeld mogelijk door het aanbrengen van draadmarkeringen om het risico op draadslachtoffers te verminderen, of door hoogspanning gedeeltelijk ondergronds aan te leggen.

21 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

6 CONCLUSIE In voorliggende rapportage zijn de effecten van het voorgenomen beleid in de Omgevingsvisie van de gemeente Deventer beoordeeld in een globale passende beoordeling. Het detailniveau van de globale passende beoordeling sluit aan bij het detailniveau van het OER, waardoor het voornamelijk een risicoinschatting betreft. De globale passende beoordeling kent een beoordeling op hoofdlijnen. Bij de uitwerking van onderdelen van de omgevingsvisie door gemeente of ontwikkelaars dient in alle gevallen een nadere effectbeoordeling uitgevoerd te worden. Voorliggend rapport heeft geen juridische status. Binnen de gemeente Deventer is het Natura 2000-gebied Rijntakken aanwezig. In dit Natura 2000-gebied behalen niet alle habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en (niet-)broedvogelsoorten hun instandhoudingsdoelstellingen. Veelvoorkomende knelpunten zijn stikstofdepositie, slechte waterkwaliteit en inadequaat beheer, en verstoring door recreatie. Uit de beoordeling blijkt dat de volgende effecten kunnen optreden: - als gevolg van onder andere een toename van het aantal inwoners, bouwactiviteiten, uitbreiding van energie-infrastructuur en verkeersgroei kan sprake zijn van een tijdelijke en/of permanente toename van stikstofemissie.

Door de toename van stikstofemissie kan sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van de gemeente Deventer. Een toename van stikstofdepositie kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000gebieden, doordat sprake is van verzuring en vermesting van habitattypen en leefgebieden. Stikstofdepositie dient op plan- of projectniveau beoordeeld te worden; - een toename van inwoners leidt tot een toename van recreatiedruk, met als gevolg een toename van de verstoring in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Ook een betere ontsluiting van de natuurgebieden kan leiden tot een plaatselijke toename van verstoring van leefgebied van soorten. De toename van verstoring is waarschijnlijk beperkt aan de centrumzijde van de IJssel omdat hier in de huidige situatie al veel verstoring is.

Een toename van inwoners door de woningbouw/gebiedsontwikkeling Stadsland en een mogelijke derde IJsselbrug ligt gevoeliger, omdat de toename van verstoring hier relatief groot kan zijn en gezien de ligging eerder sprake is van negatieve effecten op leefgebied van soorten; - het versterken van groen en blauw in de landschappelijke en stedelijke gebieden heeft mogelijk een positief effect op Natura 2000-gebieden, aangezien het de (toename van) recreatiedruk in Natura 2000gebieden kan beperken en leefgebied van soorten kan versterken; - significante gevolgen van barrièrewerking, verstoring, afname van leefgebied, en mortaliteit door plaatsing van windturbines, zonneparken en hoogspanning zijn niet uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Op basis van voorliggende globale passende beoordeling kunnen significante gevolgen van het voorgenomen beleid van de gemeente Deventer niet uitgesloten worden. Het voorgenomen beleid is daarvoor namelijk te weinig specifiek. Het voorgenomen beleid van de gemeente Deventer is op basis van deze globale passende beoordeling echter wel uitvoerbaar. Voor de woningbouw en gebiedsontwikkeling Stadsland is wel extra aandacht nodig, ook in de omgevingsvisie, omdat hier op grotere schaal dan enkel op projectniveau sturing noodzakelijk lijkt om negatieve effecten door een toename van verstoring te beperken.

Het is aan te bevelen voor deze ontwikkeling extra maatregelen op te nemen in de omgevingsvisie. Bij de uitwerking van onderdelen van de omgevingsvisie moeten effecten op Natura 2000-gebieden op plan- of projectniveau bepaald en beoordeeld worden. Uit die beoordeling blijkt dan of significante gevolgen uit te sluiten zijn. Bij die uitwerking kunnen ook mitigerende maatregelen betrokken worden.

22 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

7 LITERATUUR -

-

Dijkstra, V., 2021. Monitoring bevers in Habitatrichtlijngebieden in Gelderland. Tussenrapport 2020/201. Ecologische autoriteit, 2024. Advies over de Natuurdoelanalyse Rijntakken, provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht. Ministerie van Economische Zaken, 2017. Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken (2017). Ministerie van Economische Zaken, 2014. Aanwijsbesluit Natura-2000 gebied Veluwe [WWW Document]. URL https://www.natura2000.nl/sites/default/files/documenten/gebieden/057/N2K057_DB%20HVN%20Veluw e%20web.pdf (accessed 12.17.24). Ministerie van Economische Zaken, 2013a. Natura 2000-gebied Borkeld. Ministerie van Economische Zaken, 2013b. Natura 2000-gebied Boetelerveld. Ministerie van LNV, 2024. Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht [WWW Document]. Natura2000. URL https://www.natura2000.nl/gebieden/overijssel/uiterwaarden-zwarte-water-en-vecht. Provincie Gelderland, 2023. Natuurdoelanalyse Rijntakken (38). Provincie Gelderland, 2018. 38. Rijntakken. Provincie Gelderland, 2016a. 58. Landgoederen Brummen. Provincie Gelderland, 2016b. 60. Stelkampsveld. Provincie Overijssel, 2016. 42. Sallandse Heuvelrug. Provincie Overijssel, -. 43. Wierdense Veld. Rijkswaterstaat, 2017. 76. Veluwerandmeren. Sovon, 2025. Sovon Vogelonderzoek | Gebiedsinformatie [WWW Document].

23 | 23

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Concept 01

Bijlage(n)

I BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NATURA 2000-GEBIEDEN I.1

Rijntakken

Het Natura 2000-gebied ’Rijntakken’ is op 23 april 2014 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. De aangewezen gebieden bestaan uit Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden en een combinatie van beide. In het totaal gaat het om een gebied van ruim 23.000 ha, grotendeels gelegen in de provincie Gelderland met de Uiterwaarden van de Neder-Rijn en IJssel tevens deels gelegen in de provincies Overijssel en Utrecht. Het bestaat uit de uiterwaarden tussen de Duitse grens en Zaltbommel langs de Waal, de uiterwaarden van de Neder-Rijn tot Wijk bij Duurstede en de uiterwaarden van de IJssel tot aan het Ketelmeer. De natuurgebieden in de Rijntakken worden voor het overgrote deel beheerd door Staatsbosbeheer. Andere beheerders in het Natura 2000-gebied zijn Natuurmonumenten, het Geldersch Landschap, het Utrechts Landschap en diverse landgoederen. Het Natura 2000-gebied omvat vier deelgebieden, te weten de Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Waal en Gelderse Poort. Het Habitat- en Vogelrichtlijngebied is aangewezen voor 14 habitattypen, 11 habitatrichtlijnsoorten, 12 broedvogelsoorten en 26 niet-broedvogelsoorten (Ministerie van Economische Zaken, 2017). De habitatrichtlijnsoort otter is aangemeld voor de communautaire lijst, maar is er nog geen aanwijzingsbesluit opgesteld en zijn er nog geen doelen geformuleerd.

Tabel I.1 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Rijntakken Code

Nederlandse naam

Doelstelling oppervlakte

Doelstelling kwaliteit

habitattypen H3150

meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

>

>

H3260B

beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden)

>

=

H3270

slikkige rivieroevers

>

>

H6120*

stroomdalgraslanden

>

>

H6430A

ruigten en zomen (moerasspirea)

=

=

H6430B

ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

=

=

H6430C

ruigten en zomen (droge bosranden)

>

>

H6510A

glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

>

>

H6510B

glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)

>

>

H9120

beuken-eikenbossen met hulst

=

=

H91E0A

*vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

=

>

H91E0B

*vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)

>

>

H91E0C

*vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

=

>

H91F0

droge hardhoutooibossen

>

>

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Bijlage I | Concept 01

Doelstelling populatie

Code

Nederlandse naam

Doelstelling oppervlakte

Doelstelling kwaliteit

Doelstelling populatie

habitatrichtlijnsoorten H1095

zeeprik

>

>

H1099

rivierprik

>

>

H1102

elft

=

=

H1106

zalm

=

=

H1134

bittervoorn

=

=

H1145

grote modderkruiper

>

>

H1149

kleine modderkruiper

=

=

H1163

beek/rivierdonderpad

=

=

H1166

kamsalamander

>

>

H1318

meervleermuis

=

=

H1337

bever

=

>

H1355

otter (aanmelding) broedvogelsoorten

paren

A004

dodaars

=

=

45

A017

aalscholver

=

=

660

A021

roerdomp

>

>

20

A022

woudaap

>

>

20

A119

porseleinhoen

>

>

40

A122

kwartelkoning

>

>

160

A153

watersnip

=

=

17

A197

zwarte stern

>

>

240

A229

ijsvogel

=

=

25

A249

oeverzwaluw

=

=

680

A272

blauwborst

=

=

95

A298

grote karekiet

>

>

70

niet-broedvogelsoorten

vogels

A005

fuut (s, f)

=

=

570

A017

aalscholver (s, f)

=

=

1.300

A037

kleine zwaan (s, f)

=

=

100

A038

wilde zwaan (s, f)

=

=

30

A041

kolgans (f)

=

=

35.400

A041

kolgans (s)

=

=

180.100

A043

grauwe gans (f)

=

=

8.300

A043

grauwe gans (s)

=

=

21.500

A045

brandgans (f)

=

=

920

A045

brandgans (s)

=

=

5.200

A048

bergeend (s, f)

=

=

120

A050

smient (s, f)

=

=

17.900

A051

krakeend (f)

=

=

340

A052

wintertaling (f)

=

=

1.100

A053

wilde eend (f)

=

=

6.100

A054

pijlstaart (f)

=

=

130

A056

slobeend (f)

=

=

400

A059

tafeleend (f)

=

=

990

A061

kuifeend (f)

=

=

2.300

A068

nonnetje (f)

=

=

40

A125

meerkoet (f)

=

=

8.100

A130

scholekster (s, f)

=

=

340

A140

goudplevier (f)

=

=

140

Witteveen+Bos | 142929/25-017.902 | Bijlage I | Concept 01

Code

Nederlandse naam

Doelstelling oppervlakte

Doelstelling kwaliteit

Doelstelling populatie

A142

kievit (f)

=

=

8.100

A151

kemphaan (f)

=

=

1.000

A156

grutto (s, f)

=

=

690

A160

wulp (s, f)

=

=

850

A162

tureluur (s, f)

=

=

65

A702

toendrarietgans (f)

=

=

125

A702

toendrarietgans (s)

=

=

2.800

Legenda =

behoudsdoelstelling

>

verbeter- of uitbreidingsdoelstelling

s

slaap- en rustplaats

f

foerageergebied

*

voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt

I.2

Sallandse Heuvelrug

De Sallandse Heuvelrug wordt gevormd door een glaciale zandrug die een totale lengte heeft van veertien en een variabele breedte van ongeveer één tot zes kilometer. In het sterk geaccidenteerde terrein bevatten de heuveltoppen (gemiddelde hoogte tussen de 45 en 70 meter boven NAP) grote aaneengesloten struikheibegroeiingen, met enkele jeneverbesstruwelen en zure vennen. In de lagere delen en op de flanken van de heuvelrug komt een vochtiger heidetype voor, waaronder ook een hellingveentje. De flanken van de stuwwal zijn grotendeels begroeid met naaldbos, loofbos en gemengd bos van verschillende leeftijden. Het Habitat- en Vogelrichtlijngebied is aangewezen voor zeven habitattypen, één habitatrichtlijnsoort en drie broedvogels (Provincie Overijssel, 2016).

Tabel I.2 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug Code

Nederlandse naam

Doelstelling oppervlakte

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16237968/1