CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-1119-bijlage-20260107 Def. Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer 2026

Raadsvergadering 11 maart 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: Wijziging Categorieënlijst adviesrecht en Delegatiebesluit Omgevingsplan11.390 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer 2026 Intitulé Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer 2026 De raad van de gemeente Deventer; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van XX januari 2026, nummer PM; overwegende dat:  de Omgevingswet mogelijkheden biedt voor delegatie in het kader van het omgevingsplan;  door middel van dit delegatiebesluit een aantal (praktische) zaken gedelegeerd worden van raad naar college, om besluitvorming en dienstverlening te versnellen (efficiëntie);  dit delegatiebesluit de kaderstellende en controlerende taak van de raad en de uitvoerende taak van het college ten goede komt; gelet op:  artikel 2.8 en 4.14 Omgevingswet;  afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;  artikel 156 Gemeentewet; besluit vast te stellen: Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer 2026 Artikel 1 Gedelegeerde bevoegdheden vaststellen omgevingsplan De raad delegeert de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan aan het college in de volgende gevallen: a. Het wijzigen van het omgevingsplan door dit in overeenstemming te brengen met verleende en onherroepelijke omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. b.

Het wijzigen van het omgevingsplan ter reparatie van het omgevingsplan indien blijkt dat er in een (of meerdere) voorgaand(e) wijzigingsbesluit(en) sprake is van evidente fouten op perceelsniveau of als sprake is van kennelijke verschrijvingen. c. Het wijzigen van het omgevingsplan om zo nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken die geen onderdeel uitmaken van de categorieën waarvoor het adviesrecht geldt (Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer, zoals vastgesteld op 11 maart 2026 en diens rechtsopvolger(s)). d. Het wijzigen van het omgevingsplan door het uitwerken van uitwerkingsplichten en wijzigingsbevoegdheden uit de bestemmingsplannen die golden ten tijde van de inwerkingtreding van de wet, volgens de door de raad gestelde regels en voorwaarden, een en ander zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit. e. Het wijzigen van het omgevingsplan in verband met instructieregels in hogere wet- en regelgeving en instructies van hogere bestuursorganen. Artikel 2 Nemen voorbereidingsbesluiten De raad delegeert de bevoegdheid aan het college om, met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen of te wijzigen regels, voorbereidingsbesluiten te nemen als bedoeld in artikel 4.14 Omgevingswet.

Artikel 3 Geen delegatie ingeval van beleidsregels artikel 4.19 Omgevingswet De bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan is niet gedelegeerd aan het college als op grond van artikel 4.19 Omgevingswet beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken worden vastgesteld.

Artikel 4 Overzicht genomen besluiten en evaluatie 1. Het college overlegt jaarlijks een overzicht aan de raad van de krachtens delegatie genomen besluiten. Het overzicht wordt uiterlijk in het eerste kwartaal van het daaropvolgende jaar aangeboden. 2. De werking van dit besluit wordt tweejaarlijks door het college geëvalueerd. Het college brengt hierover verslag uit aan de raad en doet zo nodig een voorstel tot wijziging van dit besluit. Artikel 5 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Het ‘Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer’, zoals vastgesteld op 20 december 2023, wordt ingetrokken. 2. Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking. 3. Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer 2026’. Ondertekening de raad van de gemeente Deventer, griffier voorzitter

Toelichting Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer Inleiding Eén van de verbeterdoelstellingen van de Omgevingswet is snellere bestuurlijke besluitvorming. Het wijzigen van het omgevingsplan is een bevoegdheid van de gemeenteraad. De raad kan de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan delegeren aan het college, waarmee de besluitvorming versneld kan worden. Het delegeren van de bevoegdheid wordt geregeld via het delegatiebesluit. De gemeenteraad stelt hiervoor een lijst met gevallen vast waarin het college bevoegd is het omgevingsplan te wijzigen. Omgevingswet, Artikel 2.8 (delegatie) De gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten kunnen de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening delegeren aan het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap respectievelijk gedeputeerde staten.

Uitgangspunten Categorieën voor delegatie moeten concreet en objectief worden begrensd Het primaat van de vaststelling van een planregeling ligt bij de gemeenteraad. Het is dus aan de raad om te besluiten over het al dan niet delegeren van de bevoegdheid om delen van het plan vast te stellen. Hierbij dient de raad die delen van het plan waarvoor het college het bevoegde orgaan is, te begrenzen. Deze begrenzing dient voldoende concreet en objectief te zijn. Op grond van het delegatiebesluit moet dus uit een oogpunt van rechtszekerheid duidelijk en kenbaar zijn voor de vaststelling van welke delen van het bestemmingsplan het college het bevoegde orgaan is. Daarbij kan de bevoegdheid ook worden begrensd door beleidsregels van de raad, mits de begrenzing van de bevoegdheid op grond van die beleidsregels voldoende concreet en objectief te bepalen is.1 De bevoegdheden sluiten zoveel mogelijk aan bij de bestaande verdeling van bevoegdheden In het delegatiebesluit zijn verschillende categorieën opgenomen, waarbij aansluiting is gezocht bij de bevoegdheden uit de wetgeving ten tijde van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit betekent dat er voor de gevallen waarvoor het college onder bijvoorbeeld de Wro of de Wabo bevoegd gezag was, ook onder de Omgevingswet het college het bevoegd gezag blijft.

Eveneens is er aansluiting gezocht bij de omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarbij adviesrecht van de raad van toepassing is. Dit om te voorkomen dat de bevoegdheid afhankelijk wordt van de gekozen procedure. Is een projecten of ontwikkeling niet in de ‘Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer’, zoals vastgesteld op 11 maart 2026, opgenomen, dan wordt de besluitvorming voor de wijziging van het omgevingsplan gedelegeerd aan het college. De raad heeft immers al in deze lijst van gevallen aangegeven waar hij bij betrokken wil worden. Dit betekent ook dat de raad bevoegd blijft voor het wijzigen van het omgevingsplan als het een projecten of ontwikkeling betreft die wel is opgenomen op de ‘Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer’. Bij het bepalen van de categorieën voor delegatie is het uitgangspunt dat de hoofdlijnen en de kaders gesteld worden door de gemeenteraad en dat de uitvoering door het college wordt gedaan. Ondergeschikte wijzigingen zonder beleidsruimte Wijzigingen van het omgevingsplan waarbij geen afwegingsruimte of beleidsruimte is kunnen gedelegeerd worden aan het college. Bijvoorbeeld in gevallen dat het omgevingsplan gewijzigd moet worden omdat er een instructie of een instructieregel van een hogere overheid verwerkt moet worden in het omgevingsplan.

Ook bij de verplichting om verleende vergunningen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het Omgevingsplan te verwerken geldt dat er geen afwegingsruimte is. Ook kunnen er bij het vaststellen van een wijziging van het Omgevingsplan fouten gemaakt worden in regels, werkingsgebieden of anderszins. Deze kennelijke fouten dienen hersteld te worden.

1

Zie oa. ECLI:NL:RVS:2022:2394 inzake bestemmingsplan "Omgevingsplan: Veegplan 5", gemeente Boekel

Specifieke delegatiebesluiten blijven mogelijk Naast onderhavig algemeen delegatiebesluit, is het mogelijk dat de gemeenteraad bij toekomstige besluiten over bijvoorbeeld wijzigingen van de Omgevingsvisie, specifieke delegatiebesluiten neemt. Bij het vaststellen van bepaalde beleidswijzigingen kan de raad tevens besluiten de uitwerking van deze beleidswijzigingen door het college te laten verwerken in een wijziging omgevingsplan. Werkwijze bij bestuurlijke gevoeligheid en/of maatschappelijke onrust Aan de ‘Lijst van gevallen waarvoor bindend advies van de raad vereist is’, vastgesteld op 6 juli 2022, is met een amendement toegevoegd dat het college (ook) om een bindend advies vraagt bij – naar haar oordeel – aangevraagde activiteiten die politiek gevoelig liggen en/of maatschappelijke onrust kunnen veroorzaken. De uitvoering van dit amendement leidde tot discussie, omdat de gemeenteraad met de zinsnede ‘naar haar oordeel’ te veel afwegingsruimte aan het college laat én de aangewezen gevallen niet voldoende concreet en objectief begrensd zijn.

In de praktijk blijkt ook dat wanneer een voorgenomen activiteit bestuurlijk gevoelig ligt en/of maatschappelijke onrust kan veroorzaken, het wenselijk is dat de raad juist in een zo vroeg mogelijk stadium wordt betrokken en niet pas op het moment dat er een besluit over de wijziging van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet worden genomen. Daarom wordt de koppeling met de ‘Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer’ – en daarmee ook met het Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer 2026 – losgelaten en wordt voorzien in een werkwijze waarbij de raad betrokken wordt met een consulterende raadstafel. De consultatie vindt bij voorkeur zo vroeg mogelijk in het proces plaats, zodat het college de opmerkingen/standpunten van de raad kan afwegen en betrekken bij de (verdere) besluitvorming. Ook als aan de voorkant onduidelijkheid bestaat over de wenselijkheid van het initiatief kan het college op deze manier een (richtinggevende) uitspraak vragen van de gemeenteraad.

Categorieën voor delegatie Artikel 1 De raad delegeert de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het Omgevingsplan gemeente Deventer aan het college in de volgende gevallen: a. Het wijzigen van het omgevingsplan door deze in overeenstemming brengen met verleende en onherroepelijke omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad bepaalde vergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa’s) binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning moet verwerken in het omgevingsplan2. De raad stuurt op hoofdlijnen en het overnemen van verleende omgevingsvergunningen is een administratieve handeling die uitgevoerd kan worden door het college. b. Het wijzigen van het Omgevingsplan ter reparatie van het omgevingsplan, indien blijkt dat er in een (of meerdere) voorgaand(e) wijzigingsbesluit(en) sprake is van evidente fouten op perceelsniveau, als sprake is van kennelijke verschrijvingen of overschrijvingen, of als er sprake is van technische fouten. Het Omgevingsplan is een complex instrument van samenhangende regels, activiteiten, werkingsgebieden en annotaties. Bij het wijzigen van delen van het Omgevingsplan kan het voorkomen dat er onbedoeld fouten worden gemaakt.

Dit kan zijn dat er een verkeerde annotatie wordt toegepast, bijvoorbeeld dat een juridische regel gekoppeld wordt aan een verkeerde activiteit. Ook kan het gebeuren dat er door samenloop van meerdere wijzigingsbesluiten een net vastgestelde regeling wordt overschreven door een nieuwe regeling.Ook bij het opbouwen van het Omgevingsplan voor een groot deel van het grondgebied, waarbij het uitgangspunt is dat het gaat om het conserveren van de bestaande planologische situatie, kunnen onbedoeld fouten worden gemaakt. 2

artikel 4.17 Omgevingswet: Het omgevingsplan wordt in ieder geval vijf jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waaraan geen termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, met die vergunning in overeenstemming gebracht als het gaat om: a. een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het in stand houden van een bouwwerk, b. een omgevingsplanactiviteit, anders dan onder a, die niet in overeenstemming is met een aan een locatie toegedeelde functieaanduiding.

Er kunnen werkingsgebieden worden vergeten, of een verkeerde juridische regeling van toepassing worden verklaard. Veelal betreft het fouten die op perceelsniveau aanwezig zijn of het betreft verschrijvingen of technische fouten. Bij al deze evidente fouten kan de wijziging van het Omgevingsplan worden gedelegeerd aan het college. c. Het wijzigen van het Omgevingsplan om zo nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken die geen onderdeel uitmaken van de categorieën waarvoor adviesrecht geldt Bij het vergunnen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) geldt dat er in sommige gevallen bindend advies gevraagd moet worden aan de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft de ‘Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer’ vastgesteld op 11 maart 2026. Omdat de raad bevoegd is de lijst met adviesrecht te wijzigen, wordt in dit delegatiebesluit tevens verwezen naar de eventuele rechtsopvolgers van het adviesrecht. Om ervoor te zorgen dat er geen strijdigheden ontstaan in de bevoegdheden tussen het delegatiebesluit en het adviesrecht. De Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer is voor de leesbaarheid van dit delegatiebesluit opgenomen in bijlage 1. Voor projecten en ontwikkelingen die niet zijn opgenomen op deze lijst van het bindend adviesrecht, is er geen rol weggelegd voor de raad.

Indien voor deze projecten en ontwikkelingen het omgevingsplan gewijzigd wordt, kan daarom het college het bevoegd gezag zijn. Het gaat hierbij om de koppeling tussen adviesrecht en delegatiebesluit om een verschil in bevoegd gezag te voorkomen. d. Het wijzigen van het Omgevingsplan door het uitwerken van uitwerkingsplichten en wijzigingsbevoegdheden uit de bestemmingsplannen die golden ten tijde van de inwerkingtreding van de wet, volgens de door de raad gestelde regels en voorwaarden, een en ander zoals opgenomen in bijlage 2. In de bestemmingsplannen die zijn vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening zijn wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen waarin wordt bepaald dat voor deze specifieke gevallen of locaties het college bevoegd gezag is voor het wijzigen of uitwerken van het bestemmingsplan. Onder de Omgevingswet bestaan deze instrumenten tot het wijzigen of uitwerken van het omgevingsplan niet meer. De betreffende locaties zijn echter wel onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege. In enkele van deze gevallen kan voor het uitvoeren van de ontwikkeling gebruik gemaakt worden van de binnenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvan de bevoegdheid bij het college ligt (artikel 22.32 bruidsschat).

Voor een aantal wijzigingsbevoegdheden is het niet nodig om deze op te nemen in het delegatiebesluit, bijvoorbeeld omdat de bevoegdheden nauwelijks worden toegepast of het toepassen van de bevoegdheid niet langer wenselijk is3. Voor die locaties waarvoor het wel wenselijk kan zijn om het omgevingsplan te wijzigen kan het college bevoegd blijven. De kaders (wijzigingsvoorwaarden en uitwerkingsregels) zijn namelijk reeds vastgesteld door de raad. Het gaat om de volgende concrete gevallen: 1. Het realiseren van vervolgfuncties na het beëindigen van een agrarisch bedrijf. 2. Het realiseren van vervolgfuncties na het beëindigen van een bedrijf in het buitengebied. 3. Het realiseren van een plattelandswoning in het buitengebied. 4. Het wijzigen van een onverharde weg naar een verharde weg in het buitengebied. 5. Woningsplitsing karakteristieke panden in het buitengebied. 6. Realisatie woning in een karakteristiek bijgebouw in het buitengebied. 7. Het wijzigen van een Agrarisch loonbedrijf naar Wonen ter plaatse van Boxbergerweg 36 in Diepenveen . 8. Het wijzigen van bedrijfsactiviteiten naar diverse gebruiksactiviteiten op een aantal percelen in het Havenkwartier. 9. Het wijzigen van agrarische activiteiten naar bedrijfsactiviteiten ter plaatse van een aantal percelen nabij Deventerweg/Teugseweg. 10.

Het toestaan van meer branches met meer winkelvloeroppervlak ter plaatse van het detailhandel-bijzonder concept op het Runshopping Centre Snipperling. 11. Het wijzigen van de categorie en het aantal horecabedrijven in horecagebieden. 12. Het wijzigen van Agrarisch met waarden in Natuur ter plaatse van het werkingsgebied Agrarisch met Waarden in het voormalig bestemmingsplan Ruimte voor de Rivier. 3

Zie bijlage 3 voor een compleet overzicht van de wijzigingsbevoegheden en uitwerkingsplichten uit de Wro bestemmingsplannen

13. Het wijzigen van een reserve parkeerterrein in een permanent parkeerterrein ter plaatse van het parkeerterrein aan De Worp. 14. Het wijzigen van het gebied Wonen uit te werken - Steenbrugge ten behoeve van het realiseren van een woongebied. In bijlage 2 wordt per categorie beschreven onder welke voorwaarden het college bevoegd is het omgevingsplan te wijzigen. e. Het wijzigen van het omgevingsplan in verband met instructieregels in hogere wet- en regelgeving en instructies van hogere bestuursorganen. Onder hogere wet- en regelgeving worden verstaan de instructieregels vanuit het Rijk, de Provincie en het Waterschap. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Vanuit het Rijk en de Provincie zijn onder de huidige wetgeving ook al instructieregels opgenomen. Bijvoorbeeld het opnemen van de beschermingszones van de primaire waterkeringen in het bestemmingsplan. De bevoegdheid tot het wijzigen van het omgevingsplan naar aanleiding van een instructieregel kan gedelegeerd worden aan het college. Artikel 2 Nemen voorbereidingsbesluit Door het toevoegen van dit artikel wordt het nemen van voorbereidingsbesluiten gedelegeerd aan het college. Voorbeschermingsregels voorkomen onomkeerbare ontwikkelingen die strijdig zijn met de beoogde planwijziging.

Door delegatie kan het college snel handelen, wat belangrijk is bij (dreigende) plannen die de toekomstige koers doorkruisen. Een collegespoor vermijdt de raadsdoorlooptijd voor elk individueel besluit, zonder politieke lijnen te doorkruisen; de raad houdt een kaderstellende en controlerende rol en wordt geïnformeerd. Voorbeschermingsregels vervallen van rechtswege na 1 jaar en 6 maanden, of bij inwerkingtreding van het opvolgende wijzigingsbesluit. Hiermee wordt de proportionaliteit en rechtszekerheid gewaarborgd. Artikel 3 Geen delegatie ingeval van beleidsregels artikel 4.19 Omgevingswet Gemeenten hoeven geen welstandsregels op te nemen in het omgevingsplan, maar mogen dat doen. Als er regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan staan én die regels uitleg nodig hebben, dan is de raad verplicht om beleidsregels vast te stellen. Deze beleidsregels vervangen de oude welstandsnota (die onder de Woningwet en de Wabo gold) en moeten specifiek zijn voor verschillende typen bouwwerken (bijvoorbeeld woningen, bedrijfsgebouwen, erfafscheidingen). Het vaststellen van deze beleidsregels is een verplichte raadsbevoegdheid en kan niet gedelegeerd worden aan het college. Beleidsregels zijn geen besluit zijn tot wijziging van het omgevingsplan, maar een uitleg van open normen.

Door het toevoegen van dit artikel wordt geregeld dat wanneer beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken worden vastgesteld de raad vervolgens ook zelf, en dus niet het college, besluit over de wijziging van het omgevingsplan. Er is in die gevallen dus geen sprake van delegatie. Dit om te voorkomen dat er sprake is van besluitvorming door twee verschillende bestuursorganen. Artikel 4 Overzicht genomen besluiten en evaluatie Het college heeft aan de raad toegezegd de werking van het Delegatiebesluit te zullen evalueren. De eerste evaluatie heeft plaatsgevonden in het derde en vierde kwartaal van 2025. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de raad, het college en de ambtelijke organisatie nog volop met elkaar aan het leren is en dat dit vermoedelijk nog wel even zo zal blijven. Daarom is wenselijk (de werking van) het Delegatiebesluit te blijven evalueren en indien noodzakelijk te wijzigen. Met het toevoegen van deze bepaling wordt de toezegging van het college geformaliseerd. Om de raad in staat te stellen de uitvoering van de door hem gestelde kaders door het college te kunnen controleren is tevens toegevoegd dat het college jaarlijks een overzicht van de krachtens delegatie genomen besluiten aan de raad verstrekt.

BIJLAGE 1: CATEGORIEËNLIJST BINDEND ADVIESRECHT DEVENTER Onderstaande categorieën zijn niet opgenomen binnen het delegatiebesluit. Dit betekent dat indien een activiteit valt binnen een van onderstaande categorieën, de gemeenteraad bevoegd blijft om het omgevingsplan te wijzigen. (zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 11 maart 2026, besluitnummer PM)

Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer Intitulé Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer de raad van de gemeente Deventer; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van XX januari 2026, nummer PM; overwegende dat:  de raad zichzelf als adviseur kan aanwijzen bij aanvragen om omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten;  de raad een lijst van gevallen kan vaststellen waarvoor een bindend advies van de raad is vereist gelet op:  artikel 16.15a en 16.15b Omgevingswet  artikel 4.21 Omgevingsbesluit besluit vast te stellen: Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer Artikel 1 Definities In dit besluit wordt verstaan onder: a. detailhandel in volumineuze goederen: detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling zoals verkoop van auto`s, boten, caravans, tuininrichting artikelen, grove bouwmaterialen, keukens, meubels en woninginrichting en sanitair. b. door de raad vastgesteld beleid: het beleid dat de gemeenteraad heeft vastgesteld met betrekking tot de fysieke leefomgeving, anders dan de Omgevingsvisie. c. grootschalige detailhandel: detailhandel van goederen in kleine hoeveelheden maar op grote verkoopoppervlakten. d.

ondergeschikte aard: ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen. Artikel 2 Gevallen bindend advies De raad wijst de volgende gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aan waarin bindend advies is vereist: A. Categorieën activiteiten die altijd voor adviesrecht naar de raad gaan A1. Activiteiten die in strijd zijn met de Omgevingsvisie

A2. De volgende activiteiten binnen en buiten de bebouwde kom: 1. Het bouwen van een antenne-installatie hoger dan 40 meter. 2. Het realiseren van voorzieningen voor het opwekken van (duurzame) energie, waaronder in elk geval windturbines met een opbrengst van meer dan 2 megawatt, grondgebonden zonnevelden met een opbrengst van meer dan 1 megawatt, waterstofproductie- en opslag en biomassacentrales. 3. Het bouwen of uitbreiden van gebouwen en/of wijzigen van het gebruik van gebouwen en aansluitend terrein aansluitend terrein voor volumineuze en/of grootschalige detailhandel met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 500 m². A3. Activiteiten waarop de ‘Bestuurlijke werkwijze grote ruimtelijke ontwikkelingen, zoals vastgesteld op 17 september 2025, van toepassing is, maar niet is gevolgd. B. Categorieën activiteiten die alleen voor adviesrecht naar de raad gaan als de activiteit in strijd is met door de raad vastgesteld beleid B1. Binnen en buiten de bebouwde kom 1. Het bouwen van een hoofdgebouw voor detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport, recreatie, ontspanning, cultuur, kantoren en bedrijven, combinaties daarvan of gecombineerd met wonen, met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 500 m² . 2.

Het bouwen of uitbreiden van een bouwwerk voor een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaarvervoer, het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer of voor een infrastructurele of openbare voorziening in openbaar gebied. Waarbij het gebouwde: a. hoger is dan 5 meter, en b. een oppervlakte heeft van meer dan 50 m². 3. Het wijzigen van het gebruik van een bouwwerk voor een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer, het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer of voor een infrastructurele of openbare voorziening in openbaar gebied. Waarbij het bouwwerk: a. hoger is dan 5 meter, en b. een oppervlakte heeft van meer dan 50 m². 4. Het bouwen van een bouwwerk, dat geen gebouw is, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk. Het bouwwerk a. is hoger dan 10 m, en b. heeft een oppervlakte van meer dan 50 m². 5. Activiteiten met een plicht tot het opstellen van een Milieueffectrapportage (MER-plicht). 6. Een activiteit die de omgevingswaarden uit het Omgevingsplan overschrijdt (bijvoorbeeld geluid, geur, stof en/of trilling). B2. Binnen de bebouwde kom 7. Het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor: a. (woon)zorgvoorzieningen; b. gebruikswijzigingen in beschermd stadsgezicht. B3. Buiten de bebouwde kom 8.

Het bouwen of uitbreiden van een bijbehorend bouwwerk met uitzondering van: • een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, • een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, • een bouwdeel van ondergeschikte aard, • voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw en voor zover: a. de hoogte meer is dan 6 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, b. de oppervlakte meer is dan 150 m², of meer is dan 250 m2 bij toepassing van de ‘Hobbyboerregeling’ in het voormalige bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening”. 9. Het wijzigen van het gebruik van gronden en/of van bouwwerken met aansluitend terrein.

Artikel 3 Overzicht verleende omgevingsvergunningen en evaluatie 1. Het college overlegt jaarlijks een overzicht aan de raad van de verleende omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het overzicht wordt uiterlijk in het eerste kwartaal van het daaropvolgende jaar aangeboden. 2. De werking van dit besluit wordt tweejaarlijks door het college geëvalueerd. Het college brengt hierover verslag uit aan de raad en doet zo nodig een voorstel tot wijziging van dit besluit. Artikel 4 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De ‘Lijst van gevallen waarvoor bindend advies van de raad vereist is’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2022, wordt ingetrokken. 2. Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking. 3. Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer’. Ondertekening de raad van de gemeente Deventer, griffier voorzitter

Toelichting Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer De gemeenteraad kan zichzelf voor bepaalde gevallen als adviseur aanwijzen bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa). De gemeenteraad kan in principe alle afwijkactiviteiten van het omgevingsplan aanwijzen als gevallen waarover advies van de raad nodig is. Zou dat worden gedaan, dan moeten al die aanvragen voor een omgevingsvergunning voor bindend advies worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Dat vraagt nogal wat van de agenda en capaciteit van de raadsvergaderingen. Als de raad daarentegen niets vastlegt over wanneer hij betrokken wil worden, dan worden alle omgevingsvergunningen die betrekking hebben op buitenplanse omgevingsplanactiviteiten uitsluitend de bevoegdheid van het college. Het college weegt dan zelfstandig af of kan worden meegewerkt aan een afwijking van het omgevingsplan. Omdat een initiatiefnemer in principe altijd de keuze heeft om een omgevingsvergunning aan te vragen, kunnen in theorie alle ruimtelijke initiatieven zonder betrokkenheid van de raad worden afgewogen. Dit is onwenselijk. Daarom een lijst met gevallen waarvoor een bindend advies nodig is die uitgaat van een ondergrens. Dit betekent dat projecten die ‘groter zijn’ dan deze ondergrens aan de raad ter advisering worden voorgelegd. Beneden die grens is geen bindend advies van de gemeenteraad nodig.

Werkwijze bij bestuurlijke gevoeligheid en/of maatschappelijke onrust Aan de ‘Lijst van gevallen waarvoor bindend advies van de gemeenteraad vereist is’, vastgesteld op 6 juli 2022, is met een amendement toegevoegd dat het college (ook) om een bindend advies vraagt bij – naar haar oordeel – aangevraagde activiteiten die politiek gevoelig liggen en/of maatschappelijke onrust kunnen veroorzaken. De uitvoering van dit amendement leidde tot discussie, omdat de gemeenteraad met de zinsnede ‘naar haar oordeel’ te veel afwegingsruimte aan het college laat én de aangewezen gevallen niet voldoende concreet en objectief begrensd zijn. In de praktijk blijkt ook dat wanneer een voorgenomen activiteit bestuurlijk gevoelig ligt en/of maatschappelijke onrust kan veroorzaken, het wenselijk is dat de raad juist in een zo vroeg mogelijk stadium wordt betrokken en niet pas op het moment dat er een besluit over de wijziging van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet worden genomen. Daarom wordt de koppeling met de ‘Categorieënlijst bindend adviesrecht Deventer’ – en daarmee ook met het Delegatiebesluit Omgevingsplan Deventer – losgelaten en wordt voorzien in een werkwijze waarbij de raad betrokken wordt met een consulterende raadstafel.

De consultatie vindt bij voorkeur zo vroeg mogelijk in het proces plaats, zodat het college de opmerkingen/standpunten van de raad kan afwegen en betrekken bij de (verdere) besluitvorming. Ook als aan de voorkant onduidelijkheid bestaat over de wenselijkheid van het initiatief kan het college op deze manier een (richtinggevende) uitspraak vragen van de gemeenteraad.

BIJLAGE 1 Bestuurlijke werkwijze grote ruimtelijke ontwikkelingen

Vastgesteld in de Raadsvergadering van 17 September 2025

0

INLEIDING Grotere ruimtelijke ontwikkelingen zijn belangrijk voor de gemeente omdat ze meestal grote impact hebben op de leefomgeving van inwoners van de stad of een dorp, soms (maatschappelijke) onrust opleveren en er meestal veel partijen bij betrokken zijn. Voor de gemeenteraad is het van belang om bij grotere ontwikkelingen tijdig kaders te kunnen stellen en deze op verschillende momenten te kunnen controleren. Dit alles maakt dat de gemeenteraad haar rol als volksvertegenwoordigend orgaan goed moet kunnen invullen bij deze ontwikkelingen. Daarom wil de gemeenteraad van Deventer voor grotere ruimtelijke ontwikkelingen steeds dezelfde besluitvormingsprocedure volgen. Deze besluitvormingsprocedure is in deze bestuurlijke werkwijze beschreven en betekent eenduidige stappen en producten. Per stap maakt de raad in deze bestuurlijke werkwijze duidelijk wat de verwachtingen zijn bij de verschillende beslismomenten, over het te nemen besluit. Deze bestuurlijke werkwijze moet mede gezien worden in het licht van de volgende aangenomen moties:  Naamgeving voorstellen ruimtelijk domein (link naar motie)  Uniformiseren beleidsstukken (link naar motie) Uit deze moties blijkt een brede behoefte aan duidelijkheid en eenduidigheid ten aanzien van voorstellen en processtappen in het domein van ruimtelijke ordening en ruimtelijke ontwikkelingen.

Voorliggende bestuurlijke werkwijze draagt bij aan deze duidelijkheid. Ook is duidelijkheid en voorspelbaarheid over de werkwijze in het belang van ontwikkelende partijen. Afbakening We spreken van een grotere ruimtelijke ontwikkelingen in deze bestuurlijke werkwijze bij de volgende grenzen: - ontwikkelingen van 12 woningen of meer in het buitengebied c.q. dorpen en kernen; -

ontwikkelingen van 50 woningen of meer binnen de komgrenzen van Deventer (komgrenzen zijn weergegeven op de wegenleggerkaart 28 juni 2017, gelegen direct rond het stedelijk gebied (incl. Colmschate).

Duidelijkheid In deze bestuurlijke werkwijze is de procedure bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen beschreven. Het gaat om de beslismomenten van de gemeenteraad en het college van B&W. Ook is in deze bestuurlijke werkwijze uitgewerkt wat de raad verwacht van de inhoud van de producten bij de verschillende beslismomenten. Door de stappen en de inhoud van de besluiten duidelijk te maken vooraf, hoopt de raad dat zij, het college en ook de initiatiefnemer met dezelfde verwachtingen de procedure doorlopen. Voorkomen van te late bijsturing en vertraging De raad wil op tijd kaders stellen in de ruimtelijke ontwikkelingen zodat voorkómen wordt dat er (te) late discussies ontstaan die mogelijk voor (te) late bijsturing zorgen en daarmee in het ontwikkelproces voor vertraging zorgen. Denk hierbij aan kaders over de leefomgeving, zoals bijvoorbeeld over bouwhoogtes, parkeerplaatsen en groen. Zorgvuldigheid en snelheid De bedoeling is dat vooraf helderheid over de kaders juist discussies en vertraging in een later stadium zullen voorkómen. Dat is voor alle partijen, ook de ontwikkelende partij, van groot belang zodat risico’s steeds zoveel mogelijk ingeperkt worden en extra kosten/ investeringen voorkomen worden.

Bij het opstellen van deze bestuurlijke werkwijze is gezocht naar een balans tussen rollen en taken van de raad en de behoefte aan snelheid om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Het goed en soepel functioneren van deze bestuurlijke werkwijze is daarom extra belangrijk.

1

Ook zou de gemeenteraad (op voorstel van het college) in voorkomende gevallen beargumenteerd van deze bestuurlijke werkwijze af kunnen wijken wanneer een bepaald proces of project dat nodig heeft. Het college kan deze afwijking noodzakelijk achten voor een zorgvuldige en gedegen besluitvorming. Dit wordt dan duidelijk en gemotiveerd aangegeven in de raadsmededeling-startnotitie. Ook wordt dan duidelijk aangegeven wat het alternatieve proces en stappen gaan zijn. Het college kan geargumenteerd en overwogen afwijken van de werkwijze grote woningbouwontwikkelingen, wanneer: 1) wet- en regelgeving dit vereist dan wel verandert, 2) dit grote financiële of economische gevolgen kan hebben voor de gemeente, 3) er onevenredige behandeling kan ontstaan, 4) zich een noodsituatie voordoet en/of de veiligheid van een van inwoners of betrokken partijen in het geding is, 5) praktische onmogelijkheden zich voordoen, 6) er sprake is van een overzichtelijke ontwikkeling op een locatie waarvoor in het Ontwikkelperspectief al een stedenbouwkundige opzet op hoofdlijnen als kader is meegegeven. In die gevallen kan (de stap van) een Masterplan overgeslagen worden. Het college kan op basis van de Wet Open Overheid ervoor kiezen om de werkwijze onder geheimhouding te doorlopen. Geheimhouding is geen reden om af te wijken van de werkwijze.

In het derde kwartaal 2027 wordt deze bestuurlijke werkwijze gezamenlijk (raad en college) geëvalueerd. In de evaluatie wordt gekeken of het doel van de bestuurlijke werkwijze is bereikt en wat de eventuele overige gevolgen/ consequenties zijn (zowel positief als negatief). Uiteraard wordt er eerder geëvalueerd indien de raad en/ of college de noodzaak hiervan zien. Bij de eerste evaluatie wordt in elk geval aandacht besteed aan: de objectief meetbare grens (van resp. 12 en 50 woningen), of een objectief meetbare grens voor andersoortige ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld op basis van een maximaal aantal bvo) nodig wordt geacht en hoe vaak en waarom er is afgeweken van deze bestuurlijke werkwijze. Lopende trajecten In Deventer zijn al verschillende ruimtelijke ontwikkelingen gaande. Hiervoor zijn afspraken vastgelegd tussen gemeente en ontwikkelaar. De (tot op heden) doorlopen procedure sluit mogelijk niet volledig aan op deze bestuurlijke werkwijze. Het uitgangspunt is dat bij de volgende stappen in betreffende trajecten, deze bestuurlijke werkwijze waar mogelijk (wel) wordt gevolgd. Voor de trajecten die al in gang zijn gezet, wordt bij de eerstvolgende stap de raad geïnformeerd over de te volgen stappen in dat proces.

BESTUURLIJKE WERKWIJZE RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGEN De procedure in deze bestuurlijke werkwijze kent vier stappen met tussenproducten. Deze stappen en tussenproducten zijn altijd aan de orde, ongeacht of het een eigen gemeentelijk initiatief betreft, of een initiatief van derden. Wanneer het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waar gemeente eigendom heeft of wenst te verkrijgen, wordt de raad op extra momenten betrokken. Dit gaat om de producten genoemd in de gele blokken. Wanneer deze producten zich in de tijd bevinden, is niet exact aan te geven. Wel is deze volgorde duidelijk en de relatieve plaatsing ten opzichte van de vaste stappen (zoals weergegeven in blauw).

Startdocument

Ontwikkelperspectief

Masterplan

Wijziging Omgevingsplan

Raadsmededeling over de inhoud, het te volgen proces en de rol van de raad

Raadsbesluit over gemeentelijke kaders voor (her)ontwikkeling

Raadsbesluit over stedenbouwkundige opzet op hoofdlijnen.

Raadsbesluit kan gedelegeerd zijn middels delegatiebesluit.

4

Voorbereidingskrediet

4

Ontwikkelstrategie

Facultatief: inzet instrumenten grondbeleid

Voorbeelden grondbeleid: Voorkeursrecht, uitgifte gronden (Tender bijv.)

3

STARTDOCUMENT 1.

STARTDOCUMENT Wordt opgesteld door de gemeente zelf. Ongeacht of het een initiatief van de gemeente of initiatief van derden is. Omvang: ca. 1-3 A4. Tekst is puntsgewijs en op hoofdlijnen. Het Startdocument wordt vormgegeven als Raadsmededeling.

Doel

o o

Inhoud document

Aandachtspunten/ dilemma’s Beoogd resultaat

Het doel van de startnotitie is het vastleggen van zowel inhoudelijke als procesmatige uitgangspunten voor de vervolgfase van een ruimtelijke ontwikkelingen en de rol van de raad hierin. Het betreft een mededeling van het college aan de raad over hoe betreffende ontwikkeling in de kaders past en/ of hoe de kaders aangepast zullen worden voor betreffende ontwikkeling en hoe het proces van deze ontwikkeling eruitziet (in producten en in tijd).

De overwegingen (uit Vooroverleg) om te komen tot verdere verkenning ontwikkeling: - De achtergrond en de aanleiding van het initiatief; - De wenselijkheid; - Een globale inschatting van de haalbaarheid en daarmee mogelijke risico's; - de integrale opgaves en ambities voor het gebied heeft (geen opsomming van alle sectorale ambities); - Het gewenste/ beoogde resultaat (in aantallen, functies en kwalitatief) is voor deze ruimtelijke ontwikkelingen; - De beleidsmatige context van het initiatief, de randvoorwaarden voor verdere uitwerking en uitgangspunten. Bij afwijkingen van bestaand beleid en/visies wordt ook een eventuele afwijking daarvan beschreven met motivering; o Vooruitblik op het te lopen proces (op welke momenten komt de raad in beeld?) - De voorgenomen participatie (uitgelijnd met de participatieverordening); - Welke verkenningen/onderzoeken en activiteiten ondernomen gaan worden t.bv. de volgende fase; Hierbij kan gedacht worden aan een bodemanalyse of een MER en welke procedure daartoe gevolgd moet worden; o Uitgangspunten voor de scope, tijd, kwaliteit, risico's en geld (GROTICK) van de ontwikkelingen vanuit gemeentelijk perspectief. In de startnotitie worden de dilemma's en aandachtspunten geschetst, zoals bijvoorbeeld de afweging tussen groen-blauwstructuur en woningbouw of woningbouw en bedrijvigheid. o

De startnotitie wordt als Raadsmededeling aangeboden in geval van ontwikkeling derden. De startnotitie wordt als Raadsbesluit aangeboden in geval van eigen ontwikkeling in combinatie met verzoek beschikbaar stellen voorbereidingskrediet.

ONTWIKKELPERSPECTIEF 2.

ONTWIKKELPERSPECTIEF Wordt opgesteld door de gemeente zelf. Ongeacht of het een initiatief van de gemeente of initiatief van derden is. De kosten voor het opstellen van het ontwikkelperspectief worden betaald door initiatiefnemer (op basis van een afspraak die wordt vastgelegd voorafgaande aan het ontwikkelperspectief). In het document wordt expliciet opgenomen o welke (reeds vastgestelde) kaders van toepassing zijn. o welke punten een wijziging van kaders (c.q. de omgevingsvisie) nodig is. o expliciet opgenomen welke kaders de gemeenteraad vaststelt. Hier wordt in het dictum van het raadsvoorstel expliciet naar verwezen.

Doel

5 6

Wanneer het initiatief binnen de omgevingsvisie past wordt verwezen naar de omgevingsvisie, of op punten aangevuld (ingekleurd). Wanneer het er (nog) niet invalt, worden deze punten op niveau van omgevingsvisie beschreven. Het Ontwikkelperspectief wordt daarmee vormgegeven als een (voorbereiding op) een wijziging van de omgevingsvisie5. Het Ontwikkelperspectief zelf is geen kerninstrument van de Omgevingswet6 maar wordt uitgewerkt/ verwerkt/ opgenomen in een kerninstrument. o Het doel van het ontwikkelperspectief is het vaststellen of opnieuw bekrachtigen van de kaders voor de ruimtelijke ontwikkelingen. o Hiermee legt de gemeenteraad vast welke kaders het meegeeft voor de verdere uitwerking en daarmee de wijze waarop getoetst kan worden. o

Het Ontwikkelperspectief bevat kaders en uitgangspunten (strategisch niveau) voor de lange termijn. De kaders gaan over de richting waarin de fysieke leefomgeving van het gebied of de locatie zich ontwikkelt. Het bevat kaders voor de stedenbouwkundige opzet van het plan, de inrichting van de (openbare) ruimte) en uitgangspunten voor nader uit te werken elementen zoals het programma, parkeren, klimaatadaptatie, water etc..

o

De initiatiefnemer verzorgt participatie over het ontwikkelperspectief.

Het daadwerkelijk wijzigen van de Omgevingsvisie is een afzonderlijk traject. Dit traject wordt nader uitgewerkt in het kader van proces actueel houden Omgevingsvisie. De Omgevingswet kent voor de gemeenten vier kerninstrumenten, dit zijn Omgevingsvisie, Omgevingsprogramma, Omgevingsplan en Omgevingsvergunning.

Inhoud document

Wanneer het binnen de omgevingsvisie past wordt verwezen naar de specifieke onderdelen van de geldende omgevingsvisie, of op punten aangevuld (ingekleurd). Wanneer het er (nog) niet invalt, worden deze punten op niveau van omgevingsvisie beschreven in termen van impact of voorstelde wijziging van de omgevingsvisie. Voorbeeld inhoudsopgave Ontwikkelperspectief : 1 Inleiding 1.1 Aanleiding ontwikkeling 1.3 Beoogd maatschappelijk effect 1.4 Plangebied 1.5 Huidig planologisch regime 2 Omgevingsvisie/programma 3 Stedenbouwkundige context 3.1 Historische context 3.2 Ruimtelijke context 3.3 Stedenbouwkundige randvoorwaarden 3.4 Beeldkwaliteit 3.5 Erfgoed en architectuur 4 Programma (woningbouw, voorzieningen etc.) 5 Inrichting openbare ruimte 6 Parkeren en verkeer 7 Duurzaamheid 7.1 Water, riolering en klimaatadaptatie 7.2 Ecologie 7.3 Circulariteit 7.4 Energie 8 Milieuaspecten 9 Archeologie 10 Participatie 11 Uitvoering

Beoogd resultaat 7

Besluit door de gemeenteraad (via BOB-procedure7, al dan niet met consultatie vooraf) over de kaders voor de ontwikkeling van het initiatief/ het gebied.

Beeldvorming – Oordeelsvorming – Besluitvorming

MASTERPLAN 3.

MASTERPLAN Het masterplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer. De kosten voor het opstellen van het Masterplan worden betaald door initiatiefnemer (op basis van een afspraak die wordt vastgelegd voorafgaande aan het ontwikkelperspectief). Het college maakt een reactie op (oplegger bij) het Masterplan wanneer het een ontwikkeling van derden betreft. Het Masterplan is geen kerninstrument van de Omgevingswet maar wordt uitgewerkt/ verwerkt/ opgenomen in een kerninstrument.

Doel

Het Masterplan geeft inzicht in de stedenbouwkundige opzet van een ruimtelijke ontwikkelingen op hoofdlijnen. Het plan biedt een eerste doorkijk naar de haalbaarheid van plannen en is richtinggevend voor de verdere uitwerking zoals het Omgevingsplan, Bopa, Inrichtingsplan (openbare) ruimte en (meestal) een Beeldkwaliteitsplan en omgevingsvergunningen. Gemeenteraad controleert in hoeverre er met de eerder meegegeven kaders gewerkt is. Op basis van een Masterplan vinden de principiële discussies plaats en wordt een participatietraject doorlopen.

Inhoud document

Uitwerking van een (complexere) ruimtelijke ontwikkelingen door een initiatiefnemer. Het Masterplan bevat de uitwerking van de kaders en uitgangspunten door de initiatiefnemer en gaat tenminste in op: - Analyse plangebied - Visie op plangebied - Stedenbouwkundige opzet - Programma (woningbouw, voorzieningen etc.) - Inrichting openbare ruimte - Leefomgevingsaspecten - Parkeren en verkeer - Duurzaamheid - Participatie Omdat een Masterplan een product is van een initiatiefnemer en iedere ontwikkeling zijn eigen uitdagingen of bijzonderheden kent, is het niet wenselijk een vaste inhoudsopgave te hanteren. Een dergelijk format schiet mogelijk in een aantal gevallen tekort, gezien de opgaven of ambities die een initiatiefnemer wil verwerken in zijn uitwerking van de plannen. Het is nog geen gedetailleerd stedenbouwkundig plan.

Beoogd resultaat

Een besluit door de gemeenteraad (BOB-procedure) met daarin een reactie op het Masterplan. De BOB-procedure zou in voorkomende gevallen door de agendacommissie van de raad verkort kunnen worden door beeldvormend en oordeelsvormend te combineren.

OMGEVINGSPLAN of BOPA 4.

Omgevingsplan8 Het besluit wijziging omgevingsplan wordt opgesteld door de gemeente. Op basis van vastgestelde bevoegdheden9 wordt het besluit genomen door college of raad. Wanneer hier geen zienswijzen zijn, kan het als hamerstuk geagendeerd worden. Het Omgevingsplan is een kerninstrument van de Omgevingswet. Het volgt de (uitgebreide) procedure op grond van de Algemene Wet bestuurecht.

Doel

o

o Inhoud document

o o

Het doel is het vaststellen van een gewijzigd Omgevingsplan, waarmee wordt onderbouwd, vastgelegd en geborgd dat met een project een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt. Dit door het stellen van regels over omgevingsplanactiviteiten, met een daarbij behorende motivering. Dit gebeurt op basis van het Masterplan. Het doel hiervan is dat de initiatiefnemer de vergunningsprocedure kan doorlopen zodat het project daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving. Een gemotiveerd ontwerp- raadsbesluit bij een wijziging van het omgevingsplan, waarbij alle relevante inhoudelijke elementen zijn opgenomen.

N.B. In geval van een de omgevingsvergunning voor de Bopa (Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit): Deze vergunning kent een andere inhoudelijke opbouw en is niet in alle gevallen een raadsbesluit vereist. Daarnaast wordt, wanneer nodig, een besluit opgenomen om de welstandsnota te wijzigen. o De uitwerking van het Beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd, als onderbouwing van de wijziging van de welstandsnota. o

Mogelijk zijn, om het project mogelijk te maken, ook overige aanverwante besluiten nodig. Indien dit het geval is, worden deze (inclusief betreffend bevoegde gezagen) vermeld.

In sommige gevallen wordt gekozen voor een BOPA (Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit) en niet voor het wijzigen van het Omgevingsplan. De rol en het doel van het document blijft echter hetzelfde: de betreffende ontwikkeling juridisch mogelijk maken binnen de door de raad gestelde kaders. 9 De bevoegdheden worden geregeld in de Omgevingswet en in het Delegatiebesluit Omgevingswet. Het Delegatiebesluit wordt in 2025 geëvalueerd en indien nodig herzien. 8

Beoogd resultaat

Een grond voor de ontwikkelende partij om een omgevingsvergunning aan te vragen zodat deze kan ontwikkelen. Over dat besluit kan door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Raad van State.

BIJLAGE 2: GEDELEGEERDE UITWERKINGSPLICHTEN EN WIJZIGINGSBEVOEGDHEDEN Het wijzigen van het omgevingsplan onder de voorwaarden zoals opgenomen in onderstaande wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten is middels het delegatiebesluit gedelegeerd aan het college. 1. Het realiseren van vervolgfuncties na het beëindigen van een agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen het werkingsgebied ‘Agrarisch’ (voorheen ‘bestemming Agrarisch’) zodanig wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van een agrarisch bedrijf – vervolgactiviteiten toegestaan zijn, met inachtneming van het volgende: a. er mogen na wijziging van het Omgevingsplan geen nieuwe gebouwen worden gebouwd en bestaande gebouwen mogen niet worden uitgebreid; b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat eenmalig nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd indien en voor zover sloop van legaal opgerichte landschapsontsierende gebouwen heeft plaatsgevonden. Hierbij geldt het volgende: a. indien er sprake is van sloop tot 250 m² mag het gesloopte oppervlak teruggebouwd worden; b. indien er sprake is van sloop van meer dan 250 m² mag te allen tijde 250 m² teruggebouwd worden; c. van het gesloopte oppervlak boven 250 m² mag ten hoogste 1/3 worden teruggebouwd, met dien verstande dat het maximum oppervlak dat wordt teruggebouwd nooit meer bedraagt dan 850 m²; c.

er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing; d. indien er sprake is van het bepaalde onder b dient door middel van een inrichtingsplan aangetoond te worden dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing en een toename van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied conform de richtlijnen uit het Landschapsontwikkelingsplan; e. de agrarische gebruiksactiviteit wordt verwijderd en een op de vervolgactiviteit toegesneden gebruiksactiviteit wordt in het Omgevingsplan opgenomen op de locatie; f. In de wijziging van het Omgevingsplan wordt een aanduiding opgenomen waarmee wordt aangegeven dat het voormalige bedrijfsbebouwing betreft; g. er mag geen sprake zijn van buitenopslag of andere bedrijfsactiviteiten die buiten de gebouwen plaatsvinden; h. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties dient niet onevenredig groot te zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit; i. parkeren dient landschappelijk te worden ingepast en binnen het bouwvlak plaats te vinden; j. de agrarische uitstraling van de bedrijfsgebouwen en het erf dient behouden te worden en waar mogelijk te worden versterkt; k. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte activiteit die ten dienste staat van de nieuwe hoofdactiviteit; l.

horeca is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte activiteit die ten dienste staat van de nieuwe hoofdactiviteit; m. de vervolgfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; n. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt; o. de her- en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden mag niet worden beperkt; p. het aantal woningen mag niet toenemen; q. op gronden gelegen binnen 50 m ten opzichte van het werkingsgebied Hoogspanningsverbinding (voorheen dubbelbestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding) is wijziging naar gevoelige functies niet toegestaan; r. het bepaalde onder q is niet van toepassing indien uit berekeningen blijkt dat het jaargemiddelde magneetveld voldoet aan de normen; s. ten behoeve van de vervolgactiviteit niet-agrarische bedrijven geldt tevens het volgende: a. bedrijven uit categorie 3 of hoger van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (zoals opgenomen in het Omgevingsplan van rechtswege) zijn niet toegestaan, tenzij uit nader onderzoek is gebleken dat de functie, eventueel na het treffen van maatregelen, qua invloed en milieubelasting gelijk te stellen is aan de bedrijfsfuncties uit categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten; b.

activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 zijn niet toegestaan in de gevallen zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage.

2. Het realiseren van vervolgfuncties na het beëindigen van een bedrijf in het buitengebied Burgemeester en wethouders kunnen het werkingsgebied Bedrijf (voorheen de bestemming Bedrijf) zodanig wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van een bedrijf – vervolgactiviteiten toegestaan zijn, met inachtneming van het volgende: a. er mogen na wijziging van het Omgevingsplan geen nieuwe gebouwen worden gebouwd en bestaande gebouwen mogen niet worden uitgebreid; b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat eenmalig nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd indien en voor zover sloop van legaal opgerichte landschapsontsierende gebouwen heeft plaatsgevonden; hierbij geldt het volgende: a. indien er sprake is van sloop tot 250 m² mag het gesloopte oppervlak teruggebouwd worden; b. indien er sprake is van sloop van meer dan 250 m² mag te allen tijde 250 m² teruggebouwd worden; c. van het gesloopte oppervlak boven 250 m² mag ten hoogste 1/3 worden teruggebouwd, met dien verstande dat het maximum oppervlak dat wordt teruggebouwd nooit meer bedraagt dan 850 m²; c. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing; d.

indien er sprake is van het bepaalde onder b dient door middel van een inrichtingsplan aangetoond te worden dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing en een toename van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied conform de richtlijnen uit het Landschapsontwikkelingsplan; e. het werkingsgebied Bedrijf wordt verwijderd en een op de vervolgactiviteit toegesneden gebruiksactiviteit wordt in het Omgevingsplan opgenomen op de locatie; f. In de wijziging van het Omgevingsplan wordt een aanduiding opgenomen, waarmee wordt aangegeven dat het voormalige bedrijfsbebouwing betreft; g. er mag geen sprake zijn van buitenopslag of andere bedrijfsactiviteiten die buiten de gebouwen plaatsvinden; h. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties dient niet onevenredig groot te zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit; i. parkeren dient landschappelijk te worden ingepast en binnen het bouwvlak plaats te vinden; j. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte activiteit die ten dienste staat van de nieuwe hoofdactiviteit; k. horeca is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte activiteit die ten dienste staat van de nieuwe hoofdactiviteit; l. de vervolgactiviteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; m.

de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt; n. de her- en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden mag niet worden beperkt; o. het aantal woningen mag niet toenemen; p. op gronden gelegen binnen 50 m ten opzichte van het werkingsgebied Hoogspanningsverbinding (voorheen dubbelbestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding) is wijziging naar gevoelige functies niet toegestaan; q. het bepaalde onder p is niet van toepassing indien uit berekeningen blijkt dat het jaargemiddelde magneetveld voldoet aan de normen.

3. Het realiseren van een plattelandswoning in het buitengebied Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het omgevingsplan te wijzigen ten behoeve van het gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning, met in achtneming van het volgende: a. Het betreft een legaal tot stand gekomen bestaande of voormalige bedrijfswoning behorende bij een agrarisch bedrijf dat in werking is. b. Alle betrokken partijen, de agrariër op het betreffende agrarisch bouwperceel en de toekomstige bewoner van de plattelandswoning, hebben schriftelijk verklaard dat men de voormalige agrarische bedrijfswoning van de status "plattelandswoning" wenst te voorzien. c. Het college kan in afwijking van lid b besluiten om een plattelandswoning aan te duiden indien sprake is van een situatie die meer dan 10 jaar feitelijk in gebruik is als burgerwoning. d. er sprake dient te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; e. op het agrarisch bouwvlak vervalt de mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen ten behoeve van een tweede agrarische bedrijfswoning; f. de bouwregels voor een bedrijfswoning zoals opgenomen in artikel 3.2 van het voormalige bestemmingsplan Buitengebied Deventer, 1e herziening (NL.IMRO.0150.D125a-VG02) zijn overeenkomstig van toepassing.

4. Het wijzigen van een onverharde weg naar een verharde weg in het buitengebied Burgemeester en wethouders kunnen het werkingsgebied Verkeer – Onverhard (voorheen de bestemming Verkeer – Onverhard) wijzigingen in het werkingsgebied Verkeer indien de wijziging betrekking heeft op het aanwijzen tot verharde weg.

5. Woningsplitsing karakteristieke panden in het buitengebied Burgemeester en wethouders kunnen het omgevingsplan wijzigen door extra woningen toe te staan in monumenten en karakteristieke panden die hoofdgebouwen zijn, met inachtneming van het volgende: a. woningsplitsing is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'; b. de aanduiding karakteristiek dient opgenomen te zijn omdat het blijkens bijlage 6 of 7 van het bestemmingsplan Buitengebied Deventer, 1e herziening (NL.IMRO.0150.D125a-VG02) een karakteristiek hoofdgebouw betreft; c. woningsplitsing is niet toegestaan op gronden gelegen binnen 50 m ten opzichte van het werkingsgebied Leiding - Hoogspanningsverbinding; d. het bepaalde onder c is niet van toepassing indien uit berekeningen blijkt dat het jaargemiddelde magneetveld voldoet aan de normen; e. er wordt daadwerkelijk bijgedragen aan herstel en/of behoud van deze panden; f. de cultuurhistorische waarde van deze panden wordt niet aangetast; g. woningsplitsing in twee woningen is uitsluitend toegestaan als de inhoud van het te splitsen pand meer dan 1.000 m³ bedraagt; h. woningsplitsing in drie woningen is uitsluitend toegestaan als de inhoud van het te splitsen pand meer dan 1.500 m³ bedraagt; i.

ter plaatse van de gesplitste woning dient een werkingsgebied 'aaneengebouwd' te worden opgenomen, waarmee wordt aangegeven dat de woning aaneengebouwd is en dient te blijven; j. het gebruik vindt plaats binnen het bestaande bouwvolume; uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan waardoor het uitwendige karakter van het hoofdgebouw – zoals dit bepaald is door hoofdafmetingen, onderlinge maatverhoudingen, dakvorm en nokrichting – behouden blijft; k. bij het wijzigen van het omgevingsplan kunnen beperkingen worden gesteld aan de oppervlakte van bijgebouwen bij de nieuwe woning; l. de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Omgevingswet of in een van de bijbehorende AMVB’s, niet overschrijden.

6. Realisatie woning in een karakteristiek bijgebouw in het buitengebied Burgemeester en wethouders kunnen het omgevingsplan wijzigen door een extra wooneenheid toe te staan in een karakteristiek gebouw of monument dat niet is aangebouwd aan de (voormalige) bedrijfswoning, met inachtneming van het volgende: a. het realiseren van een woning in een bijgebouw is alleen toegestaan ter plaatse van het werkingsgebied 'karakteristiek'; b. de aanduiding karakteristiek dient opgenomen te zijn omdat het blijkens bijlage 6 of 7 van het bestemmingsplan Buitengebied Deventer, 1e herziening (NL.IMRO.0150.D125a-VG02) een karakteristiek bijgebouw betreft; c. de realisatie van een woning in een bijgebouw, gelegen op gronden binnen 50 m ten opzichte van het werkingsgebied Hoogspanningsverbinding (voorheen dubbelbestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding) is niet toegestaan; d. het bepaalde onder c is niet van toepassing indien uit berekeningen blijkt dat het jaargemiddelde magneetveld voldoet aan de normen; e. er wordt daadwerkelijk bijgedragen aan herstel en/of behoud van deze panden; f. de cultuurhistorische waarde van deze gebouwen wordt niet aangetast; g. de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Omgevingswet of in een van de bijbehorende AMVB’s, niet overschrijden; met dien verstande dat: h.

het gebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume; uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan waardoor het uitwendige karakter van het bijgebouw – zoals dit bepaald is door hoofdafmetingen, onderlinge maatverhoudingen, dakvorm en nokrichting – behouden blijft; i. bij het wijzigen van het omgevingsplan beperkingen kunnen worden gesteld aan de oppervlakte van bijgebouwen bij deze nieuwe woning.

7. Het wijzigen van een Agrarisch loonbedrijf naar Wonen ter plaatse van Boxbergerweg 36 in Diepenveen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het omgevingsplan te wijzigen door ter plaatse van het werkingsgebied 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 05' de toegelaten gebruiksactiviteit 'Agrarisch loonbedrijf' te wijzigen in de gebruiksactiviteit 'Wonen' en af te wijken van de geldende bouwregels met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. het maximum aantal woningen mag niet meer bedragen dan 1 bedragen; b. de goothoogte van de woning mag niet meer dan 6 m bedragen; c. de bouwhoogte van de woning mag niet meer dan 10 m bedragen; d. de afstand van de voorgevel van de woning tot de erfgrens mag niet minder dan 10 m bedragen; e. de zijdelingse vrije ruimte mag aan beide zijde niet minder dan 3 m bedragen; f. de diepte van de woning mag niet meer dan 12 m bedragen; g. voor het oprichten van aan-, uit- en bijgebouwen is artikel 199.1.3 van het voormalige bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel A (NL.IMRO.0150.Chw001A-VG01) toepassing, met dien verstande dat de aan-, uit- en bijgebouwen op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn opgericht mogen worden; h. voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is artikel 199.1.4 van het voormalige bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel A (NL.IMRO.0150.Chw001A-VG01) van toepassing; i.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16546418/1